De magie

5 juni 1953

Ik mag beginnen met u – zoals gebruikelijk – er op te wijzen dat niet alle kennis ons zo maar toevloeit, dat we deze ook moeten verwerven. En juist omdat wij kennis moeten verwerven is het begrijpelijk dat we nog niet alle kennis bezitten, we weten dus niet alles.

Dan kan ik nu overgaan tot het onderwerp van de avond:  “de magie”.

Het is helemaal niet mijn bedoeling om u hier magische recepten voor te gaan kauwen; het is ook niet mijn bedoeling om u voor te leggen de oorspronkelijke denkwijze waarop de magie gegrondvest werd. Wel zou ik u willen wijzen op de zuiver natuurlijke werkingen waarop de magie vaak haar effecten, ja zelfs haar bezweringen baseert.

Wanneer wij te maken krijgen met datgene wat occult of magisch wordt genoemd, moeten wij te allen tijde ons voor ogen stellen dat dit niet is een tegennatuurlijk of een bovennatuurlijk gebeuren. Het is slechts een gebeuren dat zich afspeelt door gebruikmaking van wetten die niet bekend waren aan degenen die de resultaten hebben waargenomen. Een radio die speelt kan voor een inboorling magie zijn, op dezelfde wijze kan een wonderbaarlijke genezing voor u magie zijn.

De magiër, de tovenaar, richt zich over het algemeen juist tot die krachten die in de mens zelf wonen. Het is slechts zeer zelden – zeer zeker bij de verlichte magiër – dat hij zich zal wenden tot natuurkrachten, dat hij zich zal wenden tot iets anders dan juist de mens. Immers, mens zijnde, heeft men tegenover al het lagere leven – mits men een werkelijk verlicht mens is – alleen krachtens dit mens-zijn een zodanig overwicht dat bezweringen daar eigenlijk niet op zijn plaats zouden zijn en dat het magisch gebaar niet noodzakelijk, ja zelfs overbodig en belachelijk zou worden. Een goed mens die zijn grootste vijanden, de onbeheerstheid en de angst, heeft overwonnen kan veilig gaan en al was het door een broednest van adders, ze zullen hem niet beroeren, ze zullen vluchten voor hem of hem negeren, maar ze zullen hem in geen geval aanvallen, ze zullen hem niet beschouwen als prooi, ze zullen hem niet beschouwen als een verschrikking waartegen verdediging noodzakelijk is.

Uw hele leven nu brengt u vaak tot het tonen van zekere dierlijke aspecten in uw handelingswijze. U heeft echter boven het dier een wilsontwikkeling plus een geheugen- ontwikkeling, die van zodanige geaardheid is dat u gemakkelijker dan een ander u vrij kunt maken van een indruk, door een mens op u gemaakt. U kunt door uw z.g. rede dus de gevoelens van instinct ontkomen. De magiër heeft dit en daarom moet hij noodgedwongen uitrukken met groot materieel, zijn bezwering is geen noodzakelijkheid, de woorden en symbolen die hij gebruikt hebben alleen waarde omdat hij ze gebruikt en steeds in dezelfde zin gebruikt. De grote waarde is gelegen het geloof dat u hebt in verband met de gebruikte symbolen, ritualen, ceremoniën. Wanneer u zich daardoor onder de indruk laat brengen, bevestigt u het magisch principe van de magiër en krijgt deze een invloed op u die soms van zeer groot belang kan zijn. De magie vermomt zich vaak als iets anders. Een tovenaar, die zal men altijd met een zekere achterdocht beschouwen, de leraar aanvaardt men eerder, maar het liefst aanvaardt men nog de gelijke.

En zo komt het dat heel veel van de magie is vastgelegd in boeken, wordt vastgelegd in uw kranten, word uitgesproken over uw radio. U zult zeggen: ja, maar waar is dan de tovenaar die dit leidt? Kijkt u eens, dat is nu juist hetgeen wat het belangrijkste punt is en dat we daarom zullen trachten heel duidelijk uiteen te zetten.  Eén mens wenst een doel te bereiken. Hij begint dus zich voor te stellen, wat is er noodzakelijk om dit doel te bereiken? Hierbij wordt dus de wil ingeschakeld in de gedachtewereld en wordt een beeld ontworpen van mogelijke resultaten, dan wordt het product van dit overleg gedistilleerd tot een bepaalde denkrichting die bij anderen noodzakelijk is, om zo – wat men wel eens noemt – de magische of magnetische keten te vormen waarbij de gedachte, gaande van persoon tot persoon, een kracht wint die het normale zeer ver te boven gaat en als zodanig van grootse invloed wordt. Wanneer nu zo’n mens begint zal hij dus een gedachte zetten en anderen van de waarheid daarvan trachten te overtuigen, u zult zeggen: “daar merk ik niet veel magie in”, maar let wel, er zit toch magie in, want of de feiten waar zijn die hij noemt of niet, doet niet ter zake. Deze feiten kunnen later rustig zelfs ontkend worden, dat geeft niet. Maar de gedachtestroming, de gedachtereactie die door deze bepaalde feiten en voorstellingen wordt opgewekt die is wel van belang, want wanneer het feit ontkend is dan blijft er toch altijd nog een restantje denken dat nog steeds in de richting van die feiten gaat, ook al is dat zonder rede. De normale mens kent niet de absolute rede en als zodanig is hij onderdanig aan een ieder die hem, hetzij via instincten, hetzij door voorspiegeling van feiten, in zijn redelijk besef kan beïnvloeden.

Nu wordt dan een aantal mensen overtuigd, deze mensen worden dan gestimuleerd om wederom anderen – misschien van een lager plan – weer dezelfde gedachtegang bij te brengen. Elke mens die deze gedachte draagt, behoeft die niet aan velen uit te dragen, maar laten wij zeggen dat hij in de loop van bv. één maand vijf personen werkelijk kan overtuigen, zodat zij de zekerheid in zichzelf voelen dat genoemde feiten juist zijn – die feiten op zichzelf kunnen op een leugen berusten – dan is hiermee binnen een maand dus het aantal vervijfvoudigd d.w.z. dat het 25-voudig is geworden in twee maanden, dat het    125-voudig is geworden binnen drie maanden, dat het in een jaar dus een zeer grote oppervlakte bestrijkt, een zeer grote.

Dit is nu nog bij mond-tot-mond-beïnvloeding, zoals die in de oudheid gebruikelijk was, maar stelt u zich voor dat een dergelijk persoon nu honderdduizend luisteraars of lezers gelijktijdig kan bereiken, dan zullen we dus ontdekken dat van deze honderdduizend er misschien tienduizend zijn die deze gedachte als volledige waarheid, als een geloofspunt, als een soort dogma aanvaarden. Deze zullen dan binnen een maand vijftigduizend zijn en dan door die vijftigduizend weer verveelvoudigd, twee en een half miljoen binnen twee maanden.  U begrijpt dus dat er inderdaad wel een magische keten is, een magische keten die ligt in de dingen van alle dag. En dit soort magie is de magie die het meest naar voren wordt gebracht.

Geloof niet dat men onbewust dergelijke procedés gebruikt, nee deze procedure is vaak op grond van oude bekende waarheden overwogen door aparte groepen, geheel in de juiste vorm gegoten, en wordt dan als zodanig gepresenteerd.  En wat dan? Is de magie ten goede gericht, dan zal zij waar zijn, ze zal dus alleen de belichting van de waarheid veranderen. U zult dan op grond van deze waarheid een gedachtegang verkrijgen die voor uzelf en voor alle medewerkers in deze ban een persoonlijke verhoging ondergaan van denk- en werkvermogen.  Maar als het negatief is, dan wordt u alle kracht afgenomen, dan wordt u leeggezogen, dan wordt u gemaakt tot een wrak, psychisch en fysiek, en dan kunt u zeggen: ja, ik ben zo onder de invloed van de gebeurtenissen, ik kan niet meer. En dan kunt u niet meer zuiver denken, dan laat u zich opzwepen tot toorn, tot woede door de kleinste dingen.

Dat is een van de vormen van magie die het meest te vrezen is, ze is zo sterk te vrezen juist, omdat zij door de beïnvloeding van grotere aantallen uw persoonlijke vrijheid, uw persoonlijk denkvermogen soms in sterk gevaar doet brengen. Daarom is het noodzakelijk dat men zich niet alleen afvraagt: waar zal dit toe leiden – de normale gedachtegang van degenen die als slachtoffer vallen van een dergelijke magische werking – maar dat u zich vóór alles afvraagt: waar komt het vandaan? Met welk doel kan men dit doen, kan dit tot stand gekomen zijn?  Dan heeft u in een zuiver nuchter verstand een grote zekerheid geschapen, u heeft uw geestelijke kracht a.h.w. gereserveerd, u bent in staat om daar waar u het goede ontdekt, doelbewust mee te werken, terwijl u anderzijds niet aansprakelijkheden op u neemt die u volgens eigen opvattingen niet kunt dragen.

U zult begrijpen dat dit maar één aspect is van het magische werk. Er zijn er vele andere. Genezing, genezen is magie. Waar komt het op aan wanneer een genezer iemand genezen moet? Op zijn overwicht dat hij moet hebben, onverschillig hoe.  De genezer moet een overwicht hebben dat zo groot is dat hij zijn eigen of de door hem stromende gedachten op kan leggen aan een ander. Kan hij dat, dan zal hij zeer zeker veel, wonderlijk veel tot stand kunnen brengen. Doet hij dit niet dan faalt hij. Dit heeft nog niets te maken met het gebruik van magnetische stroming, de magnetische stroming van de persoon zelf, zoals de magnetiseur die regelmatig tot aanwending brengt.

Deze is nog weer aan andere wetten onderhevig maar valt buiten de directe magie. Magie is n.l. het werken met wetten waardoor normaal niet in het “ik” bestaande krachten tot uiting komen, ofwel volgens de wil van dit “ik”, buiten dat “ik” krachten worden gewekt die normalerwijze niet bestaan. Nu zult u zeggen: dit is allemaal heel aardig, maar hoe kunnen wij weten waar er sprake is van magie en waar niet, wanneer – zoals u ons vertelt – de magie zich heel vaak hult in het alledaagse kleed? En dan moet ik u zeggen: dat kunt u alleen wanneer uzelf tracht magie te bedrijven de goede magie. Niemand kan de magie ontdekken wanneer in zijn eigen wezen niet iets van deze zelfde krachten reeds bewust werkt.  Het dier begrijpt de handelingen van de mens niet, de mens staat wat verstomd te kijken, zich te verbazen over het ritueel van de priester en de priester begrijpt het wonder niet wat de magiër tot stand brengt. Maar indien deze priester – al is het nog maar zo weinig – werkt met deze magie, dan zal hij misschien het grootse inzien van het volbrachte werk en weten dat hij het zelf niet kan, maar tevens aanvoelen dat hier sprake is van een magische kracht d.w.z. van het aanwenden van de wetten van de geest.

En dat kunt u heel gemakkelijk. De rituelen van de magie zijn niet van groot belang, wat wel van belang is, is dat men zich gewent aan regelmaat in het begin voordat men later tot afwijking daarvan overgaat. Nu neem ik aan dat er onder u zeer velen zijn die – gedragen door een geest van onbaatzuchtigheid en onzelfzuchtige naastenliefde, door de geest ook van de verdraagzaamheid – een ander willen bijstaan die in nood verkeert. Dan kunt u zeggen: we gaan in een groep bijeenkomen en wij zullen goede gedachten uitzenden. Dit is reeds te veel omvattend, want dat is onregelmatig, te afhankelijk van omstandigheden en situaties.  Maar wat u wel kunt doen dat is afspreken elke avond, of elke ochtend, of elke nacht, of elke dag, op dat uur zullen wij een ogenblik in concentratie gaande, deze gedachten uitsturen naar de wereld, gedachten van troost en van genezing, kracht, en we zullen daarbij noemen diegenen die ons bekend zijn, maar we zullen die kracht niet slechts tot hen richten maar tot een ieder die hen nodig heeft, onverschillig waar hij of zij zich bevindt, onverschillig hoe oorspronkelijk de kwaal tot stand werd gebracht. Door dit regelmatige doen, zult u dus de concentratie gemakkelijk bereiken en leren de kracht te gebruiken die in u schuilt.  Maar u schept daarmee tevens in uzelf een verfijnd opvattingsvermogens, u pakt als het ware zekere gedachtestromingen – zeker wanneer ze magisch zijn – uit de lucht, u beschouwt ze tegenover uw eigen streven en u erkent ze als al of niet sympathiek. Het niet sympathieke dat zult u schuwen, dat legt u op zij, het wel sympathieke daar zult u de bron van zoeken en dan vanuit deze bron het mede begrijpen in uw eigen streven. U begrijpt dus dat er heel veel dingen zijn die werkelijk krachten kunnen zijn indien de mensen zich slechts de moeite willen geven om ermee te werken. In de kerken werd gebeden en wordt nog wel gebeden: Heer geef ons vrede. Indien dat regelmatig herhaald wordt, dan wordt het tot een kracht die niet gelegen is in de woorden, zelfs niet in de sacramentele handeling die er misschien mee gepaard gaat, maar die gelegen is in de versterking van deze invloed die als een trilling over de wereld wordt uitgezonden, een invloed die door alle andere minderwaardige gedachten heen gaat dringen, die meer en meer u sterk maakt. En geloof mij, kracht zult u nodig hebben.  Dan wil ik u nog één ding zeggen voordat ik deze overigens zeer korte toelichting ga besluiten: er is één ding, één toestand in de wereld die het lagere kracht kan geven over het hogere, er is één toestand in de wereld die de mens kan maken tot slaaf van de elementen, tot slaaf van de dieren, tot slaaf van alles wat eigenlijk beneden hem ligt en dat is de angst.  Angst is de doem die de mens zichzelf oplegt, angst voor pijn, angst voor sterven, angst, angst dat is een invloed die het geestelijk vermogen in u ontbindt en u maakt tot een gemakkelijk voertuig van zelfs de meest demonische wilsvermogens. En daarom is angst het eerste wat u dient uit te bannen. Weet dan dat – wanneer de geest zuiver en rustig is – het lichaam niet kan lijden, dat, wanneer een lichaam zou vallen en stervend zou moeten worden achtergelaten, de geest voortbestaat in een vrijheid die groter en beter is, weet dan dat er geen verschrikking is, voortgebracht door de elementen en de krachten van de natuur, die niet stilhoudt voor de mens die gerust en zonder vrees is.

Men vertelt dat er ergens eens een desa was die in brand ging en al die hutten die brandden totdat het één laaiende vuurzee was en iedereen vluchtte en er was een oude muzelman en die bleef zitten. Gehurkt op zijn bale-bale (rustbank) bleef hij rustig in zijn woning. En zie, ofschoon de vlammen elkaar troffen boven zijn huis, was zelfs de atap (dak) niet verschroeid, was er geen schade en was deze mens zelf gezond. Toen hebben die mensen die daar rond omheen waren en die dat gezien hadden, gezegd: “hier is een wonder gebeurd” en ze hebben die man als heilige willen vereren. De verklaring die hij gaf was deze: oud ben ik, mijn zonen zijn weggetrokken en mijn dochters leven in de woningen van anderen. Zo ik ook mijn woning nog zou verliezen, wat zou ik zijn? En daarom heb ik het overgelaten aan de grote Heerser om mij met mijn woning te nemen, om mij met mijn woning te sparen, want zie, in mij was angst noch bitterheid. En toen hebben ze gedacht dat hij gek was, maar hij had gelijk. Als morgen de hemel valt en alle mensen bukken en u blijft rechtop staan dan zal die hemel voor u uitwijken, dan hoeft u niet voor die hemel te wijken. Als morgen de aarde overal splijt en u blijft staan zonder angst dan kan de aarde onder u wegvallen, maar u zult geen millimeter zakken van uw standpunt.   Dat is de waarheid die in de magie verborgen ligt. De meester over de angst, de heerser over zichzelf. Degene die afstand kan doen, die is veilig als Daniël in de leeuwenkuil, of de jongelingen in de vurige oven, die kan niets gebeuren omdat in hem werkt de levende kracht, die is de kracht Gods, die is de essence van lichaam, geest en ziel die onaantastbaar is en eeuwig en die nooit  vernietigd worden kan. Wanneer u dat begrijpt, dan zult u niet bang zijn, niet bang voor de wreedheid van uw medemensen, niet bang voor oordeel van de buurt, niet bang voor een oorlogsdreiging, niet bang voor een atoombom, u zult niet bang zijn voor een rijk dat zo machtig is en dat u van aanvallen verdenkt, u zult geen angst meer kennen, u zult slechts dit weten: sterk ben ik en sterk zijn allen met mij die de angst verloochend hebben en zichzelf gevonden. En wanneer u dat bereikt heeft, dan duurt het niet zo lang meer of u begrijpt het kostelijke geheim wat men wel eens noemde “de steen der wijzen”, dat ook wel genoemd wordt “azote”, de geheimzinnige stof die met kwik en zout moet verbonden worden, want dan begrijpt u iets van de levende kracht die door de bewuste wil van de mens in onderwerping met zijn Schepper en in harmonie met zijn Schepper, gebruikt kan worden om te zijn het kleine beeld van de grote Schepper, de microkosmos, die schept, geschapen zijnde.

  • Zo-even hebt u gezegd: het magnetische scholen voor geneeskracht dat staat helemaal op zichzelf, maar ik maak het zelf geregeld mee dat ik tegelijkertijd, zowel op medisch als op geestelijk gebied raad geven moet, dus gaat dat toch samen.

Dat is geen magie. Ik heb niet gezegd dat dit volledig op zichzelf stond in de zin van dat het besloten blijft in een mens, ofschoon, zelfs met de door u genoemde verschijnselen dit geen onmogelijkheid zou zijn, want wie weet hoe oud en wijs uw geest is en hoe zijzelf misschien – niet doordringende door het bewustzijn heen – u de raadgevingen geeft en de krachten.

  • Ja, ik weet dat er een Oosters geneesheer naast mij staat.

Daar gaat het niet om, ik bedoel alleen maar dit: dat is geen magie. Magie is het scheppen van een sympathische keten, magie zou het zijn als u zou werken als draagster van de kracht van een vijftig of zestigtal anderen die gezamenlijk voortdurend trachten u deze kracht te geven en wel door een bepaalde denk-, een leef- en concentratiewijze, dat zou magie zijn. Wat u doet dat is iets anders, dat is het beoefenen van wat men noemt het magnetisme. En het magnetisme beoefenen dat wil alleen zeggen, de levende kracht die in het “ik” is te geven aan een ander, al of niet in samenwerking met derden, maar zonder dat hierbij een uitgesproken sympathisch verband wordt gevormd door een vooropgezette gedachte.  Ik hoop dat dit duidelijk is.

  • Bij het uitzoeken van de magische krachten moesten we onderscheid maken tussen de goede en de kwade en toen heeft u gezegd: “dan moet u de bron opzoeken”, maar hoe kunnen wij dat doen?

Er wordt een ziekte op u geworpen, een heel primitief geval.  Deze ziekte kunt u – krachtens uw eigen ervaringen – terugbrengen tot een magische invloed. Deze magische invloed moet tot stand gekomen zijn door haat, nietwaar? Waar hebt uzelf aanleiding gegeven tot haat? Dat is uw eerste onderzoek, dus: in hoeverre ben ik zelf betrokken bij deze zwart-magische werking waarmee ik in contact gekomen ben?  Dan is de tweede vraag: wanneer ik dit contact niet ontdekken kan, wat is dan het uiteindelijke doel, waarom zou iemand dit doen? En dan krijgt u het antwoord: het is zwartmagisch, hij moet het dus doen om zichzelf te bevoordelen, om zichzelf voldoening te verschaffen. Dat is niet zonder reden. Wanneer deze reden bestaat kan het zijn een hebzucht, het kan ook zijn een wraakzucht, het kan zelfs zijn een zuiver niet tegen uw persoonlijkheid gericht werk, waarmee men tracht anderen te treffen, zelfs dit is mogelijk.  Deze relaties kent u en in concentratie zult u ze kunnen vinden, contemplerende over het toeval dat u in contact bracht met deze macht. Dan vindt u daarin de bron. En nu wil ik niet zeggen dat u kunt zeggen: nou is het Schaeadur  die dat doet of het is Jan Pieterse die dat doet, maar u zult wel kunnen zeggen: deze kracht grijpt mij dus aan op dit en dat punt, dat wordt er van mij beïnvloed. Wanneer u dat weet is het weer heel eenvoudig. Dan zegt u: “wanneer dit of dat van mij beïnvloed wordt dan is dat nadelig voor mij”, of wel – wat ook kan zijn, zelfs met het werpen van een ziekte – “dit belet mij kwaad te doen.”

Is het zo, dat het u belet kwaad te doen, dan is dus alles wat u nodig heeft om de ban weg te nemen, handelen in overeenstemming met de terechtwijzing, u op een dergelijke wijze gegeven. Blijkt het zuiver ten kwade te zijn en het goede in u te vernietigen, dan weet u langs welke aanrakingspunten deze macht u eigenlijk aanvalt en dan zult u door de in u aanwezige goede krachten in harmonie te brengen met deze bedreigde punten, een afweer scheppen waardoor de vloek terugkeert over het algemeen tot de werper daarvan. En een kracht die eenmaal opgewekt is en gericht is, moet zich ontladen, moet zich uitleven, het beginsel van de magie. Op een dergelijke wijze kunt u ontdekken wat er achter schuilt.  Het is eigenlijk niets anders dan een lezen tussen de regels van de onmiddellijk zichtbare en waarneembare gebeurtenissen door. Wanneer u merkt: mijn gedachten worden voortdurend in een bepaalde richting gedreven – om dat te merken moet u enig bewustzijn hebben – dan gaat u zich afvragen: waarom gebeurt dit, welke reden kan er zijn om dit te doen? En wanneer u dat punt goed bekijkt dan zult u ontdekken: hé, het pakt mij precies in mijn eergevoel of het werkt op mijn vrees, het werkt hierop, het werkt daarop.  Dan gaat u zeggen: dus het spreekt het slechte in mij aan, het werkt op mijn vrees, iets wat op mijn vrees werkt, kan van mijn standpunt uit niet goed zijn, het is in ieder geval al niet sympathiek, ik moet daar dus eerst een tegenwicht tegen scheppen.  U kunt ook zeggen: het werkt niet op mijn trots of op mijn ijdelheid, maar op mijn zuiver menselijke waarde en eer. Hé dus op zichzelf is het goed, want het raakt mij precies in de goede punten en kanten van mijn karakter. Dan kan ik dus zeggen: dit is sympathisch voor mij, dit is sympathiek, daar kan ik in meegaan. Maar dan gaat u zeggen: als ik meega, wat zal dan voor mij het resultaat zijn? Niet, wat is het doel van het geheel, waar zal het mij toe brengen? Hé, maar dat zou niet meer goed zijn naar mijn inzichten, wie kan er dan bij dat niet goede, voordeel van hebben? Hé, dat moet die kant uit zijn, dus elke kracht die van die kant komt, daar moet ik mij tegen afsluiten. Begrijpt u ? Op een dergelijke manier kunt u een hele hoop doen.

Dan ontdekt u dus de bron, de bron niet in de zin van de persoonlijkheid en de plaats, ofschoon ook dat mogelijk is, maar dan moet u wat verder gevorderd zijn.  Maar zelfs voor de beginner, de doodgewone mens die pas begonnen is met de geestelijke vermogens in hem wat meer te gebruiken en gebruik te maken van de wetten van de geest, daardoor zich in de ogen van de mensen makend tot een soort magiër, die kan dit – wat ik u gezegd heb – doen en zal de bron dus zien als, hetzij een satanisch of demonisch, of wel een hemels iets. Het hemelse moet te allen tijde bevestigd worden, het satanische te allen tijde ontkend. Dat is voor de primitieven, degene die verder gaat die zal ontdekken dat zelfs – laten we maar zeggen – de duivel, nietwaar, in verschijningsvorm soms in zich een geest van licht kan dragen, omdat het niet aan de uiterlijke vormen ligt. Maar voorlopig is het verstandiger om, wanneer men iets dat naar het demonische ruikt erachter voelt, iets wat gericht is op het bevredigen van niet gerechtvaardigde lusten en verlangens, of zelfzuchtige ideeën en belangen bij anderen, af te sluiten.

  • Die angst, daar kunnen een heleboel mensen toch niets aan doen?  Het komt dikwijls door een ervaring in de jeugd of zo, tenminste dat heb ik wel eens meegemaakt.

Ja, en weet u wat het dan is? Deze mensen kennen dan deze angst omdat ze ten koste van alles trachten te ontwijken wat op zichzelf niet gevreesd behoeft te worden.  Er zijn mensen die bang zijn voor vuur, die, terwijl ze met een enkel gebaar de vlam nog hadden kunnen doven, weglopen en hun huis af laten branden. Er zijn mensen die bang zijn voor bloed, die een enkele druppel bloed als voldoende aanleiding beschouwen om dan maar weg te lopen en als dat niet gaat dan vallen ze wel flauw, terwijl misschien met één enkele handreiking de bloeding gestelpt zou zijn. Het is dus onredelijk zijn, angst is onredelijk. En wanneer u door die angst bezeten bent, en u heeft dergelijke angsten, wat moet u dus doen? De rede daar tegenover stellen en datgene wat u vreest in de ogen zien. Wanneer u bang bent om in het water te springen, terwijl u zeker weet dat u in dat water niet ten onder gaat door gebrek aan vermogen en kennis, maar dat het alleen die angst maar is, dan is het het verstandigst om uzelf te overtuigen ervan dat er geen gevaar in schuilt, dat er geen reden voor angst is, en een paar keer in het water te springen.

Over het algemeen heeft zelfs de moderne psychologie al erkend dat, om een angst te bestrijden het verstandigst is, te bewijzen dat deze angst niet redelijk is.  En laten we niet vergeten dat veel van de z.g. angsten helemaal geen angst zijn in de werkelijke zin van het woord. Ze zijn een poging om eigen gedrag goed te praten en dus eigen fouten te vergoelijken, ofwel zich te onthouden van daden die men officieel wel als goed erkent maar waaraan men zich toch liever onttrekt in het diepst van zijn hart. En wanneer men die angsten dan op deze manier nazoekt, dan zal men ontdekken dat er een gebrek in uzelf is ergens en dan kunt u dus dáár beginnen met dat te bestrijden. Gelooft u mij, alle angst wordt geboren uit een onwetendheid, vandaar dat de inwijdingsceremonie in vele gevallen, zelfs bij eenvoudige stammen, inhoudt het doorstaan van pijn. In het ene geval is het misschien verwondingen ondergaan of een geseling, in het andere geval een hand in het vuur steken, door de vlammen wandelen, in duisternis alleen zijn, verschrikkingen van de eenzaamheid ondergaan. En het eigenaardige is dat degenen die deze beproevingen doorstaan hebben, over het algemeen geen angst meer kennen op dat gebied. Dat is zo oud als de volkeren zijn. Die methode van inwijding wordt in de meest primitieve stam vaak al gebruikt. Deze mensen kunnen dat dus wel, bent u minder?  Niet weglopen voor wat men vreest maar het in de ogen zien en wanneer het lichaam misschien beeft en siddert, bij uzelf zeggen: ik ben niet bang en ik blijf nuchter denken. Dan zal dat lichaam op de duur ook heus wel meedoen.

  • Mag ik dan nog even vragen of angst ook niet voort kan komen uit onevenwichtigheid in de mens zelf, maar dat hij er niets aan doen kan doordat het evenwicht verbroken is met de natuur, dus dat het eigenlijk een ziekte is en als die eerst hersteld wordt, dan kan de man zijn handen in het vuur steken.

Dus, het evenwicht moet hersteld worden, inderdaad , en als u dat evenwicht herstellen wilt dan kunt u dat niet doen door te gaan troetelen. Als iemand lui is dan kunt u hem niet genezen door hem met de zweep tot werken aan te zetten, maar wel door hem tot luiheid te dwingen, nietwaar? En zo zal de mens dan in zichzelf het evenwicht kunnen en moeten herstellen, indien hij dat wenst, werkelijk wenst. En dan zal deze mens ook de hand in het vuur steken. Angst is geen ziekte, angst is inderdaad een onevenwichtigheid, maar een onevenwichtigheid die vaak door een onjuist inzicht in het leven en een onjuist begeren ontstaat. U bent bang omdat u denkt dat u iets kunt verliezen, u bent bang omdat u denkt dat u iets mee kunt maken. Dat is een heel andere manier dan dat u angst voelt om een ander. Als het om een ander gaat, dan kunt u zich gemakkelijk beheersen, wanneer het om uzelf gaat niet. Is daarmee niet bewezen dat alle angst de zelfzucht uiteindelijk tot basis heeft?  Dat, mits men deze zelfzucht eens flink onder de loep neemt, die eigen onevenwichtigheid eens bekijkt op al zijn onzuivere puntjes en oorzaken, dat men dan inderdaad kan zeggen: ik heb de angst overwonnen.