De Magiërs

image_pdf

25 november 1966

Allereerst ben ik verplicht u erop te wijzen, dat wij, die spreken voor deze groep, niet alwetend of onfeilbaar zijn. De groep hoopt, dat u hiermede rekening zult houden en u zich een oordeel zult vormen over al hetgeen wordt gebracht. Ons onderwerp van heden draagt de titel: De Magiërs.

In de geschiedenis van het occulte en paranormale treffen wij steeds weer uitzonderlijke figuren aan, van wie men de meest uitzonderlijke dingen pleegt te vertellen. Men noemt hen magiërs of tovenaars, maar maakt ook wel van andere benamingen gebruik, tot de titel ‘adept’ toe. Indien wij echter nagaan, wat deze mensen dan wel voor bijzonders wisten te presteren, zo komen wij al snel tot de conclusie, dat het ging om een gebruik van zuiver geestelijke krachten, dan wel een voor hun tijd ongekend gebruik van materiële mogelijkheden. Daar de eerste vorm van magisch werken voor ons de meest interessante is, zou ik allereerst hieraan enige aandacht willen besteden.

De mens leeft in een heelal, waarin vele verschillende niveaus van krachten bestaan en ook zeer zeker verschillende werelden denkbaar zijn. Daarnaast kan men nog spreken over aangrenzende dimensies. Ofschoon de mens alleen meester in zijn wereld, en soms zelfs in het Al, meent te zijn, is dit dus niet noodzakelijk waar. Sommige mensen beseffen dit ook wel, ofschoon de wijze, waarop zij uitdrukking aan hun erkenning geven, wel eens vreemde vormen aanneemt. Ik denk hierbij bv. aan Swedenborg, die een vreemde omschrijving geeft van wezens – volgens hem duivels – die de mens omringen. Daarnaast zouden wij dergelijke beschrijvingen kunnen vinden in het werk van vele gerenommeerde schrijvers over magie en het occulte, die immers elk voor zich meningen verkondigen, waaruit vaak via omschrijvingen en vele details duidelijk blijkt, dat de man volgens hen leeft te midden van vele ongeziene anderen. Anderen, die misschien wel “doden ” zijn.

De magie berust, zover zij van zuiver geestelijke middelen gebruik maakt, voor een groot deel op het contact tussen de mens en dergelijke wezens, de vereniging met de een of andere geestenwereld. Welke die wereld is, schijnt volgens de magie wel in grote mate bepaald te kunnen worden voor de riten en middelen, die men gebruikt. Toch is er wel een verschil aan te tonen tussen het z.g. scheppen van een punt van overgang of knooppunt, en het – vooral bij de zwarte magie veel voorkomende – oproepen van entiteiten. Dit laatste is volgens mij overigens uit den boze, daar het zeer vele gevaren met zich kan brengen. Het tot stand brengen van een “knooppunt” berust allereerst op het scheppen van sfeer. Een sfeer betekent hier een mentaliteit, die men uitstraalt en die ook in de omgeving kenbaar wordt. Om die sfeer te versterken gebruikt men verschillende soorten hulpmiddelen, waaronder een grote plaats wordt ingenomen door verschillende soorten reukwerken, geluiden, muziek – maar ook ritmen, die worden voortgebracht door middel van trommen, rinkelbommen e.d. Daarnaast wordt meestal nog gebruik gemaakt van bijzondere vormen van concentratie.

Concentratie schijnt trouwens in het geheel van de magie van belang te zijn en dit verklaart waarschijnlijk, waarom ook bij het zoeken naar een contactpunt met andere werelden, de juiste vorm van concentreren op de eerste plaats wordt gesteld, voor alle andere – voor de mens meer kenbare en in zijn denkwereld vaak belangrijkere – middelen als de juiste reukwerken, muziek, incantaties e.d. Wanneer ik mij concentreer trek ik mij terug uit mijn eigen wereld. Ik ben in staat dan in mijzelf een soort wereld of voorstelling op te bouwen, die van mijn normale wereld aanmerkelijk kan verschillen. Ik kan daarin ook abstracte begrippen in vormen placeren, waardoor zij voor het ik tot direct hanteerbare werkelijkheden kunnen worden. Ik kan kortom de regels van het spel, zoals dezen in het normale leven plegen te gelden, binnen het ik en voor het ik tijdelijk veranderen; door concentratie hierop past het eigen wezen zich aan die andere wereld en de daar geldende regels aan.

De krachtsinspanning, die een concentratie met zich brengt, waardoor men de werkelijkheid van eigen wereld tijdelijk geheel wil vergeten, schijnt verder als gevolg te hebben, dat het Ik een soort veld genereert, een gedachte-invloed uitzendt die naar mijn mening het werkelijke punt van contact uitmaakt. Het is gemakkelijk om te zeggen, dat, wanneer wij op de juiste manier denken, de geest daarop in kan haken of menselijke gedachten dringen door in de geestelijke wereld. In de magie is echter sprake van meer: men maakt een soort poort, een doorgang, waardoor een andere wereld tot de wereld der mensen kan doordringen en omgekeerd de mens als een volkomen realiteit – en desnoods lichamelijk – andere werelden kan betreden. Dit laatste heeft eigenaardige nevenverschijnselen. Zo is kennelijk de afstand in een andere wereld niet gelijk aan de afstanden zoals zij in de wereld der mensen bestaan. Wanneer ik twee poorten kan maken op aarde, zo kan hiertussen op aarde meer dan 1000 km. liggen, terwijl de afstand op die andere wereld slechts twee of drie schreden bedraagt. Men zegt bv. dat Appolonius, toen hij zich terugtrok na een rechtszitting in opdracht van de senaat van Rome tegen hen gehouden, van een dergelijke reeks poorten gebruik maakte, om in enige ogenblikken zich vanuit de stad Rome naar het strand nabij Ostia te verplaatsen.

Hoe het ook verder zit hiermede, zeker is, dat in andere werelden andere toestanden bestaan en ook andere wetten gelden. Het zijn vooral deze andere wetten, die de magie voor de mens onaanvaardbaar plegen te maken, zodra hij meent iets te weten. Het redelijk denken zal dan zijn voorstellingen en erkenningen gaan regeren. Maar dit redelijke denken is opgebouwd uit de op aarde geldende omstandigheden en wetten. De redelijke kennis omvat de ervaringen van vele geslachten, de ervaringen van ongetelde generaties, die tezamen de achtergrond van alle redelijke erkenning vormen voor de mens op aarde. Wanneer dan in dit geheel een nieuwe factor wordt geïntroduceerd, zal men deze, zelfs indien het nieuwe constateringen van aardse wetten of zaken omvat, vaak in het redelijk denken niet zonder meer in kunnen passen. In de eigen wereld is er dan nog altijd het bewijs, dat de ervaring vergroot en op de duur aanvaarding afdwingt; zodra het echter andere werelden betreft, is een aanpassing niet zo snel te bereiken, daar men in het redelijke denken niet over voldoende punten van referentie beschikt, om zelfs maar een benadering van deze andere wereld en haar wetten als reëel mogelijk te maken. Dit gaat zover, dat er geen redelijke argumenten zijn te vinden of redelijk geldende verklaringen voor steeds zich herhalende verschijnselen. Juist het onredelijke element maakt de mensen achterdochtig tegen genezingen, waarbij geen gangbare middelen worden gebruikt, tegen steeds weer slagende proeven van een magiër. Dit is begrijpelijk: de experimenten en resultaten passen niet in het kader van de als vast bestaande menselijke kennis, terwijl in deze dingen waarden meespelen, die niet definieerbaar zijn, zodat een herhaling van de proeven door anderen, andere of zelfs geen resultaat brengt.

In de magie is de belangrijkste actieve factor het ego van de mens. Maar dit is niet wetenschappelijk volledig te omschrijven. Je kunt er wel het jouwe van denken, maar het geheel nabootsen of ontleden kan men niet. Het ik is er. Dat weet men. Het heeft vele eigenschappen, waaronder enkele, die moeilijk verklaarbaar zijn. Zelfs, wanneer men een Ik heeft ontrafeld en tracht het tot in vele decimalen te omschrijven, blijkt nog zoveel van het ego terre incognita te zijn, dat niemand waarlijk en terecht kan zeggen; zo werkt, is bestaat, leeft een mens. Je kunt dus ook niet zeggen, dat deze mens met bepaalde proeven wel resultaat zal hebben en een ander niet. Heb is zelfs niet mogelijk om aan te geven, hoe iemand met reeds erkende eigenschappen, zal moeten werken, om bepaalde resultaten mogelijk te maken. Vandaar, dat de magie door de “redelijk denkende” mens vaak verworpen wordt, of, wanneer het meer materiële aspecten van de magie betreft, grotendeels wordt opgenomen in de wetenschap.

Daarna heet elke afwijking van de door rationalisering gevonden mogelijkheden toeval en wordt niet meer aan magie gedacht. Voor de redelijke mens is het denkbeeld van een werkende magie dan ook ridicuul. Mede hierdoor leven de magiërs in een soort eigen wereldje, dat verschilt van de normale wereld van de mensen. Een magiër kan langs een van uw straten lopen, in gedachten, en opeens ingaan op de gedachte, die hem wordt toegezonden. Een impuls treft hem. Zijn stoffelijk wezen zal automatisch in uw wereld verder blijven reageren, terwijl dezelfde magiër volgens eigen bewustzijn op dat ogenblik in een geheel andere wereld loopt, misschien omringd door duizenden nevelige gestalten of daar spreekt met entiteiten, die hem “een boodschap brengen.”

Dat zoiets werkelijke betekenis zou hebben is voor velen onaanvaardbaar. Onaanvaardbaarder wordt deze wereld nog, omdat de goede magie niet exploitabel is. Indien het mogelijk zou zijn een N.V. te stichten van magiërs, mediums en dergelijke die bijvoorbeeld door een zien in de toekomst, een handelen op winstgevende basis mogelijk zou maken, zou men er op aarde respect voor hebben. Maar bij de magie gaat het nu eenmaal anders. Wanneer een magiër, probeert zijn wit-magisch streven voor zichzelf te gebruiken door er bv. een prestigezaak van te maken, dan blijkt hij steeds meer te falen. Denk hierbij eens aan Croiset, een bekende figuur op paranormaal terrein. Aan deze mens kan men geloven. In het begin van zijn carrière heeft hij dan ook fantastische prestaties geleverd op vele gebieden, zelfs op een voor de onderzoekers van de paranormale wereld goed controleerbare en bewijsbare manier. Zijn wijze van werken toonde in die dagen vele eigenaardigheden, die karakteristiek zijn voor de magie en de meer bewuste vormen van occultisme. Nu gaat deze mens zich steeds meer beschouwen als een persoon van gewicht, zijn werk steeds meer als bron van inkomen en aanzien. Wij zien, dat hij vanaf zijn grotere publieke successen steeds meer – op de duur zelfs keer op keer – begint te falen. Zijn zekerheid wordt steeds minder. Hij gaat zich daarom bij zijn werken ook steeds meer aanpassen aan de eisen van de mensen. Hij richt zich op de eigen wereld en beseft kennelijk niet, dat hij zich hierdoor onttrekt aan de werkingen van de wetten in de werelden, waarmede hij eens verbonden was. Hij faalt, omdat de wetten van die andere wereld, waarop hij zijn werken baseert, niet meer door hem tot zijn eigen wereld kunnen doordringen.

Zo gaat het steeds weer in de magie: Indien het persoonlijk element te sterk wordt, kun je de magische werkwijzen niet meer gebruiken. Mede hierdoor is de magiër geïsoleerd en meent hij vaak op eenzame hoogten te staan, zelfs indien hij in wezen niet veel meer is dan een ‘savant idiote’, iemand, wiens kennis of kunnen slechts één enkel terrein omvat en voor de rest t.a.v. de menselijke standaard tekort schiet. Maar zelfs de magiër, die ook volgens zijn medemensen een genie zou zijn, moet eenzaam blijven. Op het ogenblik, dat hij zijn magische kennis aan de wereld geheel mede zou delen, zou hij deze verliezen en niet meer kunnen gebruiken, omdat deze kennis dan voor hem te zeer met zijn eigen wereld gebonden zou zijn.

Zo de magiër zijn magisch kunnen voor eigen nut tracht aan te wenden, blijkt al snel, dat hij door de zelfzucht in zijn instelling alleen nog contact kan krijgen met enkele van de meer duistere werelden, waarin de wetten zodanig strijdig zijn met het wezen van de mens, dat iemand, die de krachten van deze werelden wil gebruiken, daarbij aan grote gevaren komt bloot te staan.

Indien men door de magie iets wil verdienen op aarde, zo is dit zeer wel mogelijk, mits men het zo weet in te richten, dat de betaling niet in direct verband komt te staan met het behalen van een resultaat of als beloning voor het magische werk zelf beschouwd kan worden. Het lijkt wel of in de moderne wereld geen plaats meer is voor magiërs; toch zijn er vele magiërs werkzaam.

Zij beseffen hun wijze van werken echter vaak zelf niet voldoende, of nemen er genoegen mee, dat duistere werelden de resultaten van hun successen beïnvloeden en gebruiken.

Er zijn bv. magiërs met geld. Zij maken in een wip van één gulden er vijf enz. In het begin lijkt dit een werkelijk wonder, omdat niet duidelijk wordt, of er iemand, en zo ja, wie de uiteindelijke rekening zal betalen. Deze mensen bedienen zich van rationalisaties, een pseudologica. In wezen komt hierbij, zij het niet zichtbaar, het principe van het “transport” tot uiting. Dit is, zoals u weet, het door onzichtbare krachten verplaatsen van voorwerpen op aarde. Maar indien ik hier op dit ogenblik een steentje zou kunnen doen verschijnen, zo zou ik het elders op aarde moeten hebben weggenomen. Ik kan het niet onmiddellijk scheppen.

Op soortgelijke wijze werken de economen nu ook. Zij gebruiken zelfs bezweringsformules. Men noemt dit vaktaal. Zij zullen bv. niet zeggen: Wij laten alle geld steeds minder waard worden in de hoop dat door het verschil van de waarde nu en de waarde morgen de schijn ontstaat, dat meer mensen meer hebben en zo meer zullen gaan uitgeven, opdat men meer zal kunnen produceren en op de duur dus ook reëel meer zou kunnen gaan verdienen. Zij zeggen: Wij houden rekening met de voordelen van een deficit financiering, waardoor de economie wordt gestimuleerd en via een stimulans van productie en verbruik tussen deze waarden een voor allen gelijkelijk geldend evenwicht bereikbaar wordt. Dit is precies hetzelfde als een bezweringsformule; men gebruikt vreemde namen of termen en stelt daarbij dingen als waar, die men wenst, in de hoop ze hierdoor waar te maken. Dit lijkt nutteloos, maar kan gevolgen hebben, die toch wenselijk zijn – zij het niet in de economie.

Denk eens aan de dokter, die de gewoonte heeft te hummen en dan Latijnse namen voor zich heen te mompelen. Hij zou evengoed de kwalen in het Hollands op kunnen sommen, indien het zijn bedoeling was iets mede te delen, maar in de vreemde taal, Latijn meestal, klinkt het anders, mooier. Hij vervreemdt de kwaal van de alledaagse werkelijkheid en concentreert zich. Indien hij magiër en geen arts was, zou men mogen zeggen, dat hij een beeld van de kwaal voor zich oproept. Door het beeld van de kwaal tot een werkelijkheid te maken, die los staat van omstandigheden en mogelijkheden op aarde, kan hij ook komen tot een juiste voorstelling van het noodzakelijke geneesmiddel. Het is vreemd, dat juist de geneesheren, die deze vreemde wijze van werken hebben, uit een grote keuze van middelen juist het ene middel weten te kiezen, dat bij de patiënt onmiddellijk aanslaat. En dit, terwijl de “moderne en open” geneesheren wel duidelijk mededelen, wat de patiënt mankeert, maar kennelijk niet zo goed in staat zijn het juiste middel te vinden, met als gevolg, dat een patiënt vaak 6 of 7 verschillende kuren moet beginnen.

Ook in zaken vinden wij magische principes; aanzien schept vaak de illusie van rijkdom en verdienste. Hierdoor weet men dan weer een sfeer van vertrouwen met zich te brengen, welke weer kan worden uitgedrukt in krediet. Dit alles met als gevolg, dat een verdienste, die niet reëel was, tot werkelijkheid kan worden gemaakt. Het gebruik van bezweringen komt ook hier voor – vreemde termen en “vaktaal” – maar vooral wordt hier gewerkt met een instelling van eigen wezen. Stel u eens voor dat de heer Zwolsman of de heer Verolme met een zorgelijk gezicht een bank binnen zouden komen om wat bedeesd een krediet van één miljoen te vragen. Ik denk, dat, tenzij goede en grote zeker stellingen voorhanden zijn, de banken zelfs tegen een zeer hoge rente dergelijke kredieten zouden weigeren, maar indien iemand binnenkomt, die er kennelijk van overtuigd is, dat een miljoen er eigenlijk niet op aan komt, die laat voelen, dat hij eigenlijk een vriendelijkheid bewijst aan de bankier, door hem een goede en renderende beleggingsmogelijkheid te bieden, dan blijkt men zonder zekerheden of op zeer onvoldoende zekerheden, wel degelijk zeer grote bedragen, groter dan het genoemde, te kunnen lenen.

Misschien vindt u, dat dit weinig met echte magie te maken heeft. Ik meen echter, dat deze mensen iets creëren uit het niet en wel door tijdelijk in een andere wereld, zelfs indien dit een wereld van illusies is, binnen te gaan. Zij werken met een sfeer, een instellen van hun gedachten. Zolang zij vertrouwen hebben in zich en hun werk, gelukt het hen daardoor het wereldgebeuren volgens hun wensen om te buigen en wat is de werkwijze van een magiër anders? Is er werkelijk een zo groot verschil tussen de abstracties, die men op zo een ogenblik pleegt aan te roepen – als welvaart, productiestijging, economische progressie, en de vroeger aangeroepen geesten als Balibates, Erigion of een of andere serafim? Theoretisch is er een groot verschil, omdat met de namen het beeld van een persoonlijkheid is verbonden, terwijl aan de meer abstracte begrippen alleen verwachtingen verbonden zijn. Redelijk geredeneerd is dit een groot verschil. Maar voor een contact met andere krachten zijn verwachting, persoonlijkheid en wereld in dit verband gelijke waarden. In de innerlijke wereld is er geen werkelijk hanteerbare verschuiving van waarden. De wereld van de gedachte is opgebouwd uit behoefte, verwachting en angst. De mentaliteit is belangrijker voor het al dan niet slagen van het mentale beeld.

Geen wonder dan ook, dat de magiërs in het verleden zich vaak vele maandenlang op hun magisch opus voorbereidden. Zij moesten eerst in zich het vertrouwen, het beeld weten te wekken, waardoor zij a.h.w. in hun magisch handelen de juiste sfeer zouden uitstralen. U hebt natuurlijk geen tijd maanden aan de voorbereiding van een enkele daad, een enkel werk te bestedend. Toch vraag ik mij af, hoe het dan komt, dat sommige mensen kennelijk wel als magiër werken, terwijl anderen daarin niet slagen. Het terrein van het magische werk is in feite de mens zelf. Zeker, er zijn andere werelden. Er zijn andere mogelijkheden, geesten en krachten, die je als demonen kunt omschrijven. Dat is volkomen juist. Maar van belang worden zij eerst door de mens, die deze krachten en werelden benadert, die a.h.w. de sleutel geeft om bepaalde werelden of de kracht van een bepaalde wereld door te laten dringen in de eigen wereld. Het is de mens met zijn geest, zijn instellingen, zijn denken, die in staat is zichzelf in een andere wereld bewust te gaan bewegen. Het is de mens: De kracht ligt in het menszijn. Daarom zou elke mens eigenlijk een magiër moeten kunnen zijn. Elke mens zou eigenlijk magiër moeten zijn.

Tegen welke stelling natuurlijk wel weer bezwaren zullen komen. Een van de meest gehoorde bezwaren is wel, dat dit tegen de wil Gods zou zijn. Erg gemakkelijk voor degenen, die het niet durven proberen, die vrezen te zullen falen. Maar ik kan in de bijbel en zelfs in de evangeliën plaatsen aanwijzen, waar profeten, Jezus zelf, een boodschappende engel, of een beeld, de mens eenvoudig opdraagt als magiër te handelen. Als God spreekt tot Mozes uit het brandende braambos, zegt Hij zeker niet alleen: “Ga naar Egypte en haal de joden eruit.” Hij zegt daarnaast ook, dat Mozes zal moeten werken met Gods Kracht. En wat is dit anders dan magie? Trouwens het duel met de tovenaars bewijst de juistheid van het gestelde wel. Mozes treedt op als magiër, niet alleen in Egypte, maar ook daarna. Jezus zelf doet en beroep op de Vader en doet uit Diens Naam wonderen. Hij zegt zijn apostelen zich op de Vader en op Hem te beroepen, uit te gaan en wonderen te doen. Is dit soms geen magie? Of meent u werkelijk dat wij een onderscheid moeten gaan maken tussen het kerkelijk goedgekeurde mirakel en de “Deplorabele duivelse kunsten” van bv. Indische heiligen, de heilige mannen van de Islam e.d.? Ik meen, dat wij dan toch wel een heel verkeerde kant uitgaan.

Het feit, dat er iets gebeurt door een beroep op het hogere en langs voor de mens niet kenbare of verklaarbare wegen, blijft immers, hoe men ook verder oordeelt, bestaan. Dat iemand op aarde door middel van concentratie, door een beroep op hogere krachten en een verbonden zijn met die andere krachten op werelden, iets op aarde openbaart, wat niet tot de natuurlijke wetten daarvan schijnt te behoren, blijft een feit. En het blijft een feit, dat niet alleen gezondenen, heiligen of apostelen dergelijke wonderen doen, noch slechts de gelovigen van één enkele kerk of godsdienst. Ook anderen weten van kennelijk dezelfde mogelijkheden een goed gebruik te maken. In de naam van heidense goden werden vroeger evenveel wonderen gedaan als in de naam van de “Enig Ware God”. Het optreden na de overwinning van Karel de Grote tegen Widukind was te danken aan het feit, dat in het volk van Widukind wonderen werden gedaan.

Vandaar dat het voor Karel veel belangrijker was Widukind tot het christendom te bekeren, dan hem te overwinnen. De grote keizer kon een christen aan. Maar wanneer heidense goden wonderen zouden doen, die zij natuurlijk zouden weigeren te volbrengen voor een christen, dan stond Karel machteloos tegenover het onbekende. Altijd weer zien wij, hoe in de wereld de mensen het wonder onmogelijk trachten te maken, hoe zij proberen te voorkomen, dat er iets zou gebeuren, wat door hen niet kan worden verklaard of beheerst. Daarnaast zien wij al te vaak ook mensen, die proberen met alle middelen te voorkomen, dat anderen dan zijzelf iets zouden bereiken.

En toch, waarom zou een gewoon mens geen wonderen kunnen doen? Denkt u werkelijk, dat er een priester nodig is, om aan brood en wijn door consecratie een bijzondere betekenis te geven. Denkt u, dat dit een zaak is van gewijd zijn? Wanneer er werkelijk iets bijzonder gebeurt, is dit geen zaak van riten, maar van de mens. Het is de mens, die God innerlijk benadert en daardoor voor anderen – ook al zal dit geen lijfelijke transsubstantiatie zijn – waarmaakt.

Helaas, in deze tijd, waarin alle mensen magiërs zouden kunnen zijn en zouden moeten zijn, verwerpt men zelfs het begrip magie. En dat, terwijl de werkelijke leiders van deze wereld steeds meer gebruik maken van magische principes, proberende de massa en het gebeuren te beheersen door dingen, die niet geheel redelijk zijn. Zelf handelen zij magisch, maar gelijktijdig eisen zij van al degenen, die onder hen staan, een aanvaarding van hun magisch werken als werk van het verstand en menen zij gerechtigheid uit te oefenen, wanneer zij eenieder en alles verwerpen, aanvallen en veroordelen, die zich niet op menselijke logica en redelijkheid baseert.

Terwijl men nu meer en meer een beroep doet op de verborgen krachten van de materie en het Al, tracht men gelijktijdig onderzoekingen op ander terrein dan het door hen toegelatene te onderdrukken. Het is zelfs zover gekomen, dat bepaalde wetenschappen voor allen gesloten zijn.

Er zijn takken van onderzoek, zowel in de parapsychologie als in bv. de atoomchemie, die niet meer toegankelijk zijn. Men is veel verder op die gebieden dan men toegeeft. Men heeft veel meer geleerd, dan men toegeeft. Maar deze kennis wordt onder slot en zegel bewaard. Degene die daarvan weten, die daarin werken, of er iets van leren, wonen in heel mooie huizen in heel mooie delen van vele landen en worden daar gecontroleerd door heel hoffelijke bewakers, die er zorg voor dragen, dat zij de kans niet krijgen tegen een niet-ingewijde ook maar een enkel woord te veel te zeggen.

Men wil de wereld ontdoen van haar magisch aspect, maar daardoor komt men op het gevaarlijke punt, dat magiërs, die tot op heden werkelijk het goede hebben gezocht, desnoods in demonische werelden, maar niet voor zich, steeds meer zichzelf gaan zoeken en slechts nog werken voor eigen kracht, macht en grootheid. Zo verwijderen zij zich steeds verder van de Lichtbronnen, waaruit eens hun macht en werken voortkwam. Een eenvoudig voorbeeld op laag niveau: Een politicus spreekt. Wat hij zegt, kan onzin zijn. Maar hij zegt dit met geheel zijn wezen, hij staat erachter, het draagt het stempel van zijn volle overtuiging. Wat gebeurt er? De menigte hoort niets van hetgeen werkelijk wordt gezegd. Zij reageert op de bedoeling en op verwantschap, die menigte reageert. De politicus kan zich echter inzetten voor het volk, de massa, maar kan ook alleen of in hoofdzaak denken aan eigen grootheid en gewin. Dit verschijnsel verklaart de opkomst van Hitler, de macht van De Gaulle, de eigenaardige situatie, waarin Erhard zich bevindt en verklaart het falen van Chroetsjew en het enorme en langdurige succes bij het volk van Stalin, de waarde van Churchill. Laat ons eerlijk zijn en toegeven, dat de meeste groten van de politiek hun succes niet danken aan hun verstand, maar aan de wijze, waarop zij als magiërs vreemde krachten wisten te ontketenen. Wordt zelfzuchtige magie echter te ver doorgevoerd, dan verkeert zij in haar tegendeel. Zij stoot af en brengt geen aanvaarding, maar kritiek. Wanneer je bepaalde mogelijkheden te zeer voor jezelf gebruikt, werken zij niet meer. Dan blijf je in je eigen wereld en de toegang tot die andere wereld, die andere dimensie, waarin de Kracht leeft, blijft voor je gesloten.

Nu is het niet mijn taak u hier veel te leren van de geestelijke magie. Het is nu eenmaal een onderwerp, dat, al is het niet gesloten, alleen begrepen kan worden door hen, die op eigen weg reeds het zoeken via de geest, het vermogen tot concentratie en een zekere onverschilligheid hebben gevonden – men moet immers geconcentreerd en objectief zijn op het ogenblik, dat men een andere wereld betreedt. Toch zou ik kort enkele punten naar voren willen brengen, die ook voor leken op dit gebied in de komende tijd dienstig kunnen zijn. Ik denk hierbij onder meer aan de komende Kerstmis, met zijn gevaren voor opvliegendheid, enz. U kunt hiervan dan gebruik maken, bijvoorbeeld, u denkt aan Kerstmis; kerststalletje, boom, Jezus, een sfeer, waarin de geest een rol speelt en u aan vrede gelooft; u schept rond uzelf en een ook in de materie werkzaam krachtveld, waarin de tendens tot vrede bestaat en onvrede dus grotendeels wordt afgewend.

Op Steravonden worden bv. ringen en sterretjes ingestraald. Dit lijkt een leek onzinnig en nutteloos. Indien u echter weet, wat daarmee is gebeurd – belangrijk punt -, kunt u de weinige kracht, die daarin is vastgelegd, gebruiken om vanuit uzelf een veld te genereren. Het wordt u gemakkelijker gemaakt uzelf te beheersen en contact met de andere sferen en werelden te krijgen. Meer niet.

Er zijn dan enkele eenvoudige regels, die het werken op deze manier verduidelijken en meer resultaten mogelijk maken.

  1. Indien u uw kracht in redelijkheid zoekt, grijp niet naar magie om onverwachte en ontstellende ontwikkelingen te voorkomen. Magie is kracht van een andere wereld. Zij trekt zich van uw stellingen, die gebaseerd zijn op de wetten van uw eigen wereld, niets aan. Aanvaard het onredelijke en onwaarschijnlijke als logisch in uzelf en in de beelden, die u voor uzelf oproept. Laat uw handelingen en woorden niet de uiterlijke en menselijke wereld, maar de waarden van uw innerlijke wereld en toestand weergeven. U zult ontdekken, dat de kracht van het innerlijk opgewekte ook rond u in uw eigen wereld kenbaar wordt.
  2. Geestelijke magie kan gebruikt worden om iets in de materie te veranderen. Dergelijke veranderingen zijn echter, zuiver materieel gezien, niet blijvend. Richt daarom uw krachten nimmer op dode materie. De sfeer en kracht, die met geestelijke magie bereikbaar is geworden, dient gericht te worden op levende wezens, van bloemen en insecten tot mensen. Alleen daar kunt u meer blijvende resultaten verwachten.
  1. Geestelijke kracht brengt een verbinding tot stand met een andere sfeer of wereld. De wetten en waarheden van die andere wereld zullen verschillen van de wetten en waarheden, die uw menselijk redelijke werkelijkheid regeren. U kunt daarom de krachten uit andere werelden nimmer zonder meer in eigen wereld projecteren als redelijk en overtuigend. Wel kunt u gebruik maken van de krachten, die in de andere wereld bestaan, daar energie, onverschillig haar bron, in een mens optredende, ook door de mens in elke voor hem toegankelijke sfeer kan worden geopenbaard. Zoek uw kracht te vinden in hetgeen voor u innerlijk waar is, tracht contact te gevoelen en te verkrijgen met een andere wereld en richt de kracht, die u dan ontvangt op een levend doel. Schep zo sfeer, genezing of op een verandering van denken in anderen; gedachten zijn levensprocessen, die men op deze wijze wel degelijk en zelfs blijvend kan beïnvloeden. Richt nooit zuiver geestelijke krachten op z.g. dode materie. De energie blijft daarin niet gebonden en zal na verloop van tijd terugslaan op uzelf. Indien men daarop niet voorbereid is, kunnen schokken ervaren worden, die o.m. het zenuwstelsel aandoen.
  2. Het is nimmer juist verklaringen, die u meent te horen vanuit of in de andere werelden, letterlijk in uw eigen wereld over te dragen. Wij kunnen wel intenties overdragen, maar nimmer letterlijk hetgeen werd gegeven. U kunt van de geest dus nooit vragen: Welke loten van de staatsloterij trekken binnenkort een hoofdprijs. U krijgt misschien wel als antwoord een getal te horen, maar dat zal nooit het juiste zijn. Wel kunt u vragen;  schep voor mij een affiniteit voor winnen; het gewin zal dan niet in getallen worden uitgedrukt, maar als een overdracht van bezit – iets waarin de mens dus emoties kent, een deel van zijn eigen leven. Dan krijgt u voor uzelf het vermogen intuïtief in eigen wereld een goede keuze te doen, waardoor u wel niet de hoofdprijs zult gewinnen, maar toch zeker meer dan 70% meer kans hebt een prijs te trekken, dan anderen.

Dit loterijvoorbeeld is eenvoudig en spreekt u wel aan. Maar hetzelfde zal gelden wanneer het gaat over een leerstuk, een waarheid, wijsheid enz. Indien men dergelijke waarden vanuit een andere wereld ontvangt of meebrengt, is men maar al te zeer geneigd het als letterlijke waarheid te beschouwen. Dergelijke beelden en zinnen bevatten wel degelijk een waarheid, maar niet in de letterlijke betekenis. Zij zijn overdrachtelijk. Men moet de daarachter verscholen waarheid, die in eigen werkelijkheid past, zoeken. Daarmede alleen kan men in eigen wereld werken, nooit echter met de letterlijke waarde van hetgeen zo ontvangen is zelf.

Indien het u niet duidelijk is, bedenk dan, dat het zeer moeilijk, zo al mogelijk is, met een vreemde munt als bv. een Turks pond in een winkel suiker te kopen. Men heeft geld, maar kan dit alleen hier gebruiken, wanneer men het eerst inwisselt tegen meer gangbare valuta. U moet alles wat u geestelijk verwerft, wisselen in de redelijk geestelijke valuta van uw eigen wereld. Dan pas is het voor u hanteerbaar en bruikbaar geworden.

Hiermede gaan wij nog even over naar de zogenaamde materiële magie. In de materie zijn vele eigenschappen aanwezig, die niet geheel gekend zijn, zoals ook bepaalde reacties en reactie mogelijkheden van de ene stof op de andere stof nog niet gekend zijn. Redelijke gelijkwaardigheid is hierbij niet bepalend, zodat niet onbeperkt analogieën kunnen worden opgebouwd aan de hand van bepaalde reacties. Voorbeeld? Men kan extracten van bepaalde levende kruiden wel namaken of althans de werkende stoffen daarvan chemisch namaken; het blijkt, dat een chemisch product, dat zuiverder, reiner, geconcentreerder is, niet zo’n grote resultaten zal opleveren als het plantaardige product en daarnaast, dat de chemische stoffen vaak onverwachte nevenverschijnselen oproepen, die met het plantaardige middel achterwege blijven. Dit komt voort uit het feit, dat in de biologisch ontstane stoffen kleine onreinheden voorkomen, die over het hoofd worden gezien of althans chemisch niet gemakkelijk te imiteren zijn. Wanneer u vitaminen inneemt, bv. in tabletvorm, zo dient u daarmede voorzichtig te zijn.

U gebruikt meestal een dosering, die veel te hoog ligt – wat slechts in een enkel geval zin heeft – terwijl u daarnaast een chemische stof gebruikt, die in uw lichaam bepaalde residuen  achterlaat. Dezen kunnen bv. reuma bevorderen, de darmwerking op de duur beïnvloeden, of uw zenuwkracht verminderen en uw gevoeligheid doen afnemen. Het is dus beter deze vitaminen in plantaardige vorm te gebruiken.

In de B-complex vitaminen zien wij hetzelfde. Enkele producten zijn hierin wel degelijk bruikbaar, maar met de dosering daarvan zal men uiterst voorzichtig moeten zijn. Wat meer is: Het lichaam zal dergelijke vitaminen, die in een biologisch verband worden ingenomen, in verhouding veel meer opnemen. Men kan dan zelfs een reserve vormen. Het lichaam neemt dit gemakkelijker en beter op dan het chemische vervangingsmiddel doet denken.

Een chemicus zal hier stellen, dat de kunstmatige vitaminen en de natuurlijke vitaminen volkomen gelijk zijn, tot in de vorm van de moleculaire keten. Hij heeft gelijk, maar er ontbreken bijkomende stoffen, die niet zelfwerkzaam zijn, maar de werking versterkt mogelijk maken. Zodat ook ik gelijk heb….

Onthoudt: Wanneer u werkt met materie, is er steeds een groot verschil tussen het levende product en het uit dode stof voortgebrachte. Kleine sporen van metaal kunnen uw drinkwater tot een zeer gezonde drank maken. Maar andere metalen kunnen het giftig maken. Juist hierom is bv. het chloreren en het toevoegen van synthetische stoffen aan het drinkwater, ondanks de gedeeltelijk goede gevolgen, voor de mens als geheel steeds schadelijk. Biologisch gezuiverd water zal altijd gezond en ook zacht zijn. Water, dat kunstmatig gefilterd werd, bevat vaak sporen van stoffen, die minder gezond zijn, terwijl het daarnaast haast altijd “harder” is dan het biologisch gezuiverde water. Gebruik dit nu niet als voorwendsel om voortaan maar bier te drinken. Want het industriële bier van deze tijd is nog ongezonder, omdat men door middel van chemicaliën het gistingsproces heeft versneld en verduurzamende stoffen heeft toegevoegd.

U kunt vaak – soms ontdekt men dit door toeval – door kleine toevoegingen, de producten van deze tijd beter aanpassen aan zijn eigen persoonlijkheid en wezen. Dit betekent, dat de stof beter is aangepast aan uw persoonlijke, uw lichamelijke chemie. Deze zal in elke mens iets anders zijn en anders reageren. Een gemiddelde is natuurlijk wel te vinden, maar dit is altijd weer een niet geheel passen voor allen, waaruit het gemiddelde wordt getrokken. Eenieder blijft wat anders reageren. Het duidelijkst wordt dit merkbaar bij allergieën, Men zal echter ook – en hier komt de magie weer sterk naar voren – als gevolg van eigen uitstraling bepaalde stoffen goed opnemen en andere afwijzen, zoals men met bepaalde materialen goed zal kunnen werken en met anderen slechts weinig zal kunnen bereiken. Men spreekt in deze gevallen wel van “persoonlijke affiniteiten”.

Denk hierbij eens aan amuletten. Niet geschreven formules, maar bv. een steentje, dat men met zich draagt, een eikel e.d. Dit is schijnbaar onzinnig bijgeloof, maar in vele gevallen zijn er wel degelijk resultaten. De op zich niet werkzame stof van het amulet verandert iets in uw eigen uitstraling en maakt zo contacten naar buiten mogelijk, die anders niet mogelijk zouden zijn. Daar dit niet alleen geldt voor onmiddellijk kenbare verschijnselen en de uitstraling, maar ook bv. een kleine wijziging tot stand kan brengen in de geur, die u uitwasemt – waarvan u en anderen weinig plegen te bemerken, die echter wel degelijk invloed heeft – zo zal dit uw contact met andere mensen wijzigen. Het koffieboontje of eikeltje kan net voldoende verandering brengen in uw uitwaseming om u voor anderen meer sympathiek, meer aanvaardbaar te maken.

Stukjes metaal, die u bij u draagt, veranderen iets aan uw uitstraling en hebben zo vaak invloed op uw reflexen en uw lichamelijke energie. Daarnaast zullen zij vaak invloed hebben op uw uitstraling en daarmede invloed hebben bij het leggen van geestelijke contacten. Men vergroot dus wel degelijk zijn mogelijkheden. Indien u dit vreemd voorkomt, daar metaal en dode stoffen toch niet zelfwerkzaam kunnen zijn, wanneer het gaat om geestelijke waarden, zo herinner ik u eraan, dat de chemicus ook wel in zijn retorten stoffen gebruikt, die zelf niet werkzaam zijn en onveranderd de retort weer verlaten na de proef. Zij dienen, om door hun aanwezigheid de reactie van andere stoffen mogelijk te maken. Wij kunnen dit dus geestelijk en zelfs lichamelijk ook gebruiken.

In magie en astrologie schrijft men een planeet de heerschappij toe over bepaalde metalen, houtsoorten, gewassen en stenen. Dit lijkt bijgeloof, dat waarschijnlijk voortkomt uit misvattingen van Paracelsus. Het is echter waar, wanneer wij de planeet niet beschouwen als een ding ergens aan de hemel, maar de aanduiding eerder zien als de weergave van bepaalde vibraties, die in deze stoffen bestaan of waarvoor zij gevoelig zijn. Men bepaalt dus in feite niet een verbondenheid met een planeet, maar rangschikt de materialen naar hun relatiemogelijkheid op de menselijke uitstraling. Hiermede geeft men tevens weer, welke mogelijkheden tot beïnvloeding van mensen in het materiële gelegen zijn. U draagt vaak een steen, die behoort bij uw sterrenbeeld. In de meeste gevallen hebt u echter de keuze uit meerdere stenen. U zou eens na moeten gaan welke steen het beste bij u past. Indien uw type een zuiver Scorpio, schutter of zo is, zal de kans groot zijn, dat het dragen van de juiste steen uw mogelijkheden sterk vergroot. En dit is geen bijgeloof, maar magie.

De materiële magie heeft dus in feite ten doel langs gestelde weg, binnen uw eigen milieu en wereld, de mogelijkheid te scheppen tot een beter gebruik van uw mentale capaciteiten en zo tevens uw invloed in eigen wereld, zowel als uw mogelijkheid tot contact met andere werelden en sferen te vergroten. Oude magiërs vormden hun magische cirkel niet alleen uit lijnen. Vooral in de buitenste cirkel vond men vaak stukken steen, organische stoffen, aarde, elementen als zwavel, lampen gevuld met bepaalde oliën. Na het bovenstaande zult u begrijpen, dat dit zijn nut had; hierdoor werden aan de mogelijkheden van de magiër vele andere vibraties, uitstralingsmogelijkheden toegevoegd, zodat hij meer sferen kon bereiken en beheersen. Een dergelijke cirkel is zover het de voorwerpen betreft, altijd ongeveer gelijk. Zij is een multipurpose machine voor contacten met andere werelden. Inschriften en reukwerken worden dus gebruikt, om uit de vele mogelijkheden een enkele in het bijzonder te versterken. Zij vormen het keuze-element. De algemeen bruikbare machine wordt door toevoegingen, die vergelijkbaar zijn met de appendages van mechanismen, geschikt gemaakt voor bepaalde doeleinden.

U hebt waarschijnlijk nimmer over de magie nagedacht. Maar nu zult u, wanneer u even nadenkt, in de eigenaardige formuleringen en vaste formules bij dominee en advocaat, dokter en econoom – e.d. – iets van de magie terugvinden. In de moderne wereld bestaat wel degelijk magie. Jammer daarbij is, dat men de raakpunten met de andere werelden daarbij steeds meer vermijdt, omdat men deze vreest of niet meer kan aanvaarden. Dit geldt zelfs in de kerken. Het is echter juist het ontmoeten van andere werelden, dat voor de mens belangrijk is, indien hij wat meer wil worden dan hij is en een groter bewustzijn wil bereiken. Het afwijzen hiervan is de reden voor het steeds vaker voorkomende falen van de magiërs van heden. Zij grijpen steeds alleen naar hun eigen wereld, willen steeds eigen redelijkheid blijven gebruiken als basis voor al hun werken en laten daardoor andere invloeden, zelfs de niet rationele menselijke, te veel buiten beschouwing. Wij moeten echter, zo wij ooit op dergelijke wijze werken, beseffen, dat het noodzakelijk is, de krachten en redelijkheid van eigen wereld voor een ogenblik te vergeten om zo in staat te zijn de werkelijkheid, krachten en mogelijkheden van andere werelden te kunnen aanvaarden. Alleen van daaruit kunnen wij dan de werkwijze of het instrument vinden, dat ook werkzaam en aanvaardbaar kan zijn binnen de regels van redelijkheid, logica en werking van eigen wereld.

Ieder van u zou dit kunnen leren. Er bestaan geen bepaalde gebruiksaanwijzingen voor. Maar indien u met Kerstmis werkelijk vrede op aarde wilt kennen, zo zult u, daarvan ben ik zeker, een sfeer van vrede rond uzelf moeten scheppen, die zo Lichtend is, dat de daden en woorden van anderen daar niet meer doorheen kunnen dringen. Maar doet men dit niet, dan is de kans zeer groot, dat men zingt over vrede op aarde en daarna erger vecht dan hond en kat. Indien u bv. weet, dat – om dichtbij te blijven – de tijd tussen 5 en 15 december prettige contacten en mogelijkheden bergt, vraag u dan niet af, hoe u zelfs in die dagen iets leuks kunt doen – want dan loopt het meestal verkeerd. Stel u in op wat voor u het aangename is. Overweeg niet in de eerste plaats de stoffelijke mogelijkheden, overweeg een stemming. U zult zien, dat de meevallers u in de schoot vallen, omdat u door uw instelling alle voor u harmonische krachten automatisch tot u trekt. U ontmoet waarden, die passen bij uw instelling. U kunt dan daarop ook snel, goed en redelijk reageren.

En zo u zich zorgen maakt over de gehele wereld, onthoud dan dat de gehele wereld, – God zij dank – niet reageert volgens de wetenschappelijke normen en niet beantwoordt aan de redelijke verwachtingen, al zal zij een tijd lang daaraan schijnbaar gehoorzamen. De wereld is deel van een groot complex van werelden, sferen en bestaanstoestanden, die soms in de wereld zelf dooreenlopen en zo alle gebeuren in de wereld mede beïnvloeden, ongeacht de vraag, of de mens die reacties nu redelijk vindt of niet. En dit kan dan een troost zijn voor velen, die het op de wereld nu wel erg pessimistisch beginnen in te zien.

 0-0-0-0-0-0-0-0

Vraag

  • Bestempelt niet de wijze, waarop men de goddelijke kracht of magische kracht gebruikt, deze kracht tot wit of zwart?

Binnen het kader van dit onderwerp nauwkeurig sprekende moeten wij zeggen: Goddelijke kracht is de omschrijving, die wij geven aan een veelheid van krachten waaruit wij kunnen putten, doch niet kunnen aanvaarden, tenzij wij ze beschouwen als Goddelijke en totale Kracht. Specialisatie van gebruik wordt hierdoor bemoeilijkt. Natuurlijk kan men zeggen, dat alle krachten en werelden uit God bestaan, want dit is waar. Door in de magie alle krachten, zonder meer als goddelijke kracht te omschrijven, zal men de speciale mogelijkheden van afzonderlijke werelden en krachten over het hoofd zien en ze zo onderschatten, terwijl men aan de andere kant hun beperkingen niet voldoende zal beseffen en ze zo ook in de praktijk vaak zal overschatten.

Zwart en wit zijn meer menselijke definities. Kracht is kracht. Je kunt met elektriciteit een stadion verlichten, een kamer verwarmen, een mens doden op de elektrische stoel, een boormachine aandrijven en een computer laten berekenen, hoe je andere mensen op de voordeligste wijze kunt doden. Het gebruik van de kracht is dus bepalend voor de verschijningsvorm van de kracht. Uw eigen instelling is dus inderdaad bepalend. Maar niet alle gebruik van krachten, waarbij het belang van het Ik mede een rol speelt, hoeft zwart of grijs te zijn, mits het Ik de kracht, die voor het Ik wordt gebruikt, niet als demonisch of het gebruik ervan als kwaad gaat beschouwen. Vele krachten, die aan de duivel toe worden geschreven, baren niet enkel kwaad. Er was eens een mens, die, om een medemens te redden, zijn ziel aan de duivel verkocht en zo een plaats in de hemel verwierf. Dat zal m.i. de zaak duidelijk stellen, indien u er even over nadenkt.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterische beschouwingen

Als invaller moet ik mij vandaag weer eens bezighouden met esoterische beschouwingen. Waarbij de moeilijkheid is, dat hoewel de eigen stijl van de spreker en de esoterie op velerlei gebied zeer verwant zijn, zij in de ogen der mensen vaak strijdig zijn. Indien ik een titel zou moeten kiezen voor mijn betoog van heden, zou ik daarvoor de oude spreuk kiezen, die zegt dat “wie zijn billen brandt, op de blaren moet zitten”

In de esoterie zijn oorzaak en gevolg zeker niet afwezig. Naarmate wij grotere pretenties hebben met ons esoterisch streven, zal dan ook de kans groter worden, dat wij, zij het iets anders dan het in de titel genoemde lichaamsdeel, bezeren en de gevolgen van ons verkeerde werken moeten dragen. Een van de dingen, die in de esoterie het gemakkelijkste schade lijden is wel het ik-besef. Er zijn mensen, die zo ernstig esoterisch streven, dat zij daarbij vergeten, dat het niet om hun eigen ikje alleen gaat, maar om God in hen. Het gevolg is, dat zij steeds groter zwellende blaren aan het ik-besef verwerven, die tot uiting komen in een ongerechtvaardigd meerwaardigheidsbesef, waardoor dergelijke mensen hun esoterisch besef gaan beschouwen als bepalend voor het wel en wee van de gehele gemeenschap of zelfs de gehele wereld.

Anderen daarentegen raken verdoold in hun eigen schuldbesef. Nu is er geen mens, die niet vele dingen heeft gedaan, die hij eigenlijk niet had moeten doen en waarvan hij, ofschoon hij blij is, dat hij ze gedaan heeft, nog blijer is, dat niemand daarvan weet. Het zijn deze gebeurtenissen, die, vooral in een tijd, dat zij niet meer interessant zijn, plegen uit te zetten tot een schuldbesef, dat langzaam, maar mogelijk onophoudelijk alle mogelijkheden van het Ik om zich vrijelijk in zijn innerlijke wereld te bewegen, aanvreet.

Er zijn dus al direct enkele conclusies te trekken.

  1. Doe aan esoterie zoveel als je maar wilt, maar denk nooit, dat je innerlijke bereiking op enigerlei wijze bepalen is voor de wereld buiten je.
  2. Besef je schulden en stommiteiten zo goed als je kunt, maar meen niet, dat zij je zullen belemmeren om nu beter en verstandiger te handelen, te denken en te zijn.

Natuurlijk speelt ook de kwestie van goed en kwaad hierbij een rol. De doorsnee mens heeft zijn innerlijk leven ingedeeld als een soort roulette, waarop de vakjes goed en kwaad elkander op regelmatige of soms zelfs onregelmatige wijze plegen af te wisselen. Hij werpt het balletje der gebeurtenissen in zijn innerlijk en, aan de hand van het vakje, waarin het balletje belangt, constateert hij, even verwonderd in het éne geval; als in het andere, dat hij goed – of kwaad – heeft gedaan. Maar dat komt dan ook door het feit, dat de mens goed of kwaad zowel in zich als in de wereld nimmer als een vaste waarde kan zien.

Er zijn mensen, die innerlijk overtuigd zijn, dat je God moet dienen door begrip en naastenliefde voor anderen te tonen en, vandaar uitgaande, ernaar streven om alle onverdraagzaamheid en elk gebrek aan naastenliefde bij anderen voortaan te voorkomen, zo op onrechtvaardige en haatdragende wijze te keer gaande tegen allen, die zich niet geheel conformeren aan hetgeen zij goed en heilig achten. U moogt het later nalezen hoor, want het is werkelijk een goede en juiste zin. Het gevolg is veelal verschrikkelijk: Een mens doet vaak kwaad, terwijl hij meent goed te doen. Zoals men vaak goed doet, terwijl men het eigenlijk verkeerd bedoelde. Je kunt daarom de wereld buiten je nimmer gebruiken om het goede en kwade in eigen wezen af te meten, zo min als je de maatstaven van de wereld zonder meer op jezelf van toepassing moogt verklaren.

Als je in jezelf doordringt heb je niet meer met de wereld buiten je te maken, maar met jezelf.

Wanneer je dit nu maar onthoudt, en daarom alles vergeet, wat men u heeft geleerd, gezegd of opgedragen in het dagelijkse leven, zul je ontdekken, dat er geen goed en geen kwaad is. Er zijn slechts twee kanten van dezelfde medaille. Het gaat er niet om de kanten te bepalen in de esoterie. Het gaat er om de gehele medaille te leren kennen. Ken je die, dan krijg je inzicht in de verschillende delen van het Ik, in de mogelijkheden en gevolgen van je daden misschien, maar ook in hetgeen voor jezelf aan mogelijkheden bestaat en hoe je misschien faalt, die mogelijkheden te gebruiken.

Dit alles moet dan ook beseft en bezien worden maar niet om daaruit een reden tot droefgeestigheid te puren en met een gevoel van minderwaardigheid de wereld in te gaan, om daar alle verdere verantwoordelijkheden af te wijzen dan wel een hoge borst op te zetten. Het gaat er immers niet om de gehele wereld toe te roepen; “ik ben meer dan jij, ik ben het allerbeste”, maar eenvoudig om te kunnen beseffen dat deze dingen deel zijn van mijzelf. Het innerlijk pad is in de eerste plaats zelfkennis. Wanneer je jezelf niet kent, hoe kun je dan in jezelf nog uitvinden, waar ergens de werking van God kan schuilen? Probeer dus maar liever eenvoudig te constateren, wat je bent, zonder daaruit verdere consequenties te trekken.

Voorlopig tenminste. Wanneer u voor een goed gelijkend portret naar de fotograaf gaat, begint u toch ook niet tevoren reeds alles te verdoezelen en te retoucheren? Behalve sommige dames dan. Die hebben voor de foto de spiegel even nodig…. Maar als je een waar beeld van jezelf wilt hebben, moet je niets retoucheren en jezelf ook niet opschminken. Het beeld, dat je dan krijgt, is misschien niet altijd even vleiend, maar het toont je in ieder geval aan, wat je eigenlijk bent. En dat is het belangrijkste.

Er zijn veel mensen, die niet willen weten, zelfs niet voor zichzelf, wat zij zijn. Zij weten alleen, wat zij zouden willen zijn. Zij beseffen niet, dat zij juist dat nooit kunnen worden, omdat zij zich daarmede zo uitsluitend bezighouden, dat zij nimmer begrijpen, hoe zij te werk zouden moeten gaan, om zichzelf zover te veranderen, dat hun doel bereikbaar wordt. Want, vrienden, wanneer je je alleen bezighoudt met wat je zou willen zijn, handel je net als die man, die soep wilde koken. Hij zette eerst de pan op het vuur en begon vervolgens te overwegen, wat de beste soep wel zou zijn, gezien de middelen, waarover hij op dat moment beschikte. Het gevolg was, dat, toen hij eindelijk water, botten, groente enz. in de pan wilde doen, hij de vingers danig brandde.

Waarop hij zich beklaagde: “Hij had het immers goed bedoeld?” Dan was het onredelijk en onrechtvaardig, dat hij als gevolg daarvan de vingers brandde. U vindt dit normaal? U lacht er om? Maar waarom dan in eigen bestaan het geheel der stuwkracht richten op iets, wat u niet bent, zo de pan op het vuur zettende en dan eerst nagaan, wat u eigenlijk zou kunnen? Waarom gebruikt u uw kracht niet in de eerste plaats, om uit wat u bent, iets te maken? U ziet het. Ook al noem ik nu een ander lichaamsdeel dan in de titel, de strekking van de aan het begin geciteerde spreuk blijft bestaan.

Wanneer ik God wil vinden, is dit een heel mooi doel. Maar er zijn veel mensen die menen, dat Godsbesef ook in instant-vorm wordt gefabriceerd, evenals instantkoffie en -cacao. Zij stellen hun recept ongeveer als volgt. Men neme een snuifje van een bepaalde levensbeschouwing, voege daaraan voldoende concentratie toe, roer het goed dooreen en na een ogenblik hebben wij een volledige en geheel ware Godsbeleving. Er zijn veel esoterici en esoterische groepen zelfs, die ongeveer zo te werk menen te mogen gaan. Zij nemen wat filosofie van de een, een denkbeeld van een ander, wat eigen beschouwingen en wat denken en menen zo zonder meer God te moeten vinden. Het spijt mij, maar als je zo doet, koester je alleen maar illusies. En omdat je, gezien de genomen moeite, tracht je illusie nog waar te maken, loop je aan de werkelijke God voorbij.

Als Jezus hier op aarde zou komen en vlak naast de deur van een kathedraal zou gaan staan, is de kans groot, dat Hij opzij wordt gedrongen door de vele vrome christenen, die de kerk binnen willen snellen, om Jezus daar bijzonder te eren. Dit geldt zelfs, indien men zou weten, dat Jezus weer op aarde gekomen was. Want deze mensen zijn zozeer overtuigd van het belang van hun eigen geloof, eigen kerk en eigen riten, dat zij Jezus niet eens opmerken, wanneer hij vlak naast hen staat. God is niet versierd; geen fraaie tempel, die wij binnen kunnen gaan, God is het normale! God is, wanneer Hij ons benadert, een deel van onze wereld. Hij is dan zoiets als wij. De esotericus, die God wil zoeken als iets uitzonderlijks, zal Hem nooit vinden. De esotericus echter, die alle beschouwingen en filosofieën te juister tijd overboord weet te zetten en alleen maar naar zijn ware ik weet te zien, zal beseffen, dat God ook hierin leeft. Hij zal God waarlijk vinden.

In het evangelie staat, dat je moet worden als de kinderen om in te kunnen gaan tot het koninkrijk der hemelen. Dit klinkt wat vreemd, wanneer wij kerken en genootschappen moeten zien als de enige juiste weg naar God. Want ik heb nog nooit kinderen tezamen zien zitten in langdurige en ernstige gesprekken over diepzinnige onderwerpen of hen zich, ter verrijking van hun geest, zien terugtrekken van de wereld in een kale cel. Kinderen spelen. Al spelende ontmoeten zij God. Al spelende leren zij de wereld kennen. Nu kunnen de volwassenen nog wel zeggen, dat de kinderen nog veel moeten leren en de ernst van het leven nog niet kunnen beseffen voor zij mee kunnen komen in de wereld en geestelijk hogere waarden kunnen bereiken, maar uiteindelijk is die wereld van de volwassenen geen werkelijkheid, doch een reeks van conventies en illusies, die de volwassenen zelf hebben opgetrokken. Wanneer het om de goddelijke werkelijkheid gaat, staan kinderen daar zeker dichter bij dan het merendeel van de volwassenen.

Wanneer wij trachten als waardige grijsharige adepten met baard – of zonder, wanneer het dames zijn – in te gaan tot het Koninkrijk, is de kans groot, dat wij van de trappen naar de hemel vallen als gevolg van geestelijke reumatiek. Vindt u, dat ik dit nu eens leuk heb gezegd?

Het jammerlijke ervan ontgaat u; al te vaak is dit volledig waar. Vele mensen gaan op tot God met roestig krakende hersenen, zich geestelijk voedende met een Liebigblokje van gecomprimeerde filosofieën, verzonken in de droom van eigen toekomstige grootheid. En juist deze dingen maken het hem onmogelijk de hemel te beseffen, of zelfs maar te weten, op welk pad zij zich nu eigenlijk bevinden.

De hemel is vlakbij. God is vlakbij. Indien u zo dadelijk de vreugde kunt ervaren van het naar je warme bed gaan om te slapen en de vreugde nu reeds proeft van het feit, dat u morgen weer op zult kunnen staan, staat u waarschijnlijk dichter bij God dan iemand, die alle stellingen van Plato en Aristoteles zit te overdenken om vervolgens zich bezig te houden met Thomas van Aquino en als toespijs enkele van de beste gedachten van vroegere kerkvaders in zijn on-besef smoort. Want met de diepzinnigheden van anderen kom je er niet. De gedachten en denkbeelden van anderen kunnen je misschien helpen, om jezelf te vinden, vooral wanneer zij een voor jou ware omschrijving geven van jouw wereld en je leven. Dan kun je ook daarmede je God vinden. Maar anders zijn zij van geen werkelijk belang.

Misschien mompelt u nu bij uzelf: “Heb ik mij daar nu zo druk voor gemaakt?” Tja. U bent een mens. U hebt in uw geleerdheid uw meerwaardigheid gezocht. En omdat u uw eigen meerwaardigheid meer hebt gezocht dan God, brandt u zo dadelijk waarschijnlijk uw geestelijke vingertje om van andere lichaamsdelen nog maar te zwijgen. U zult het pijnlijke, ja, de pijnen van een afdalen tot het gewone niveau van het menszijn moeten aanvaarden, indien u de hoop wilt blijven koesteren ooit werkelijk contact met God te vinden.

Dit alles is misschien niet erg optimistisch, maar aan de andere kant meen ik toch, dat juist dit alles verheugende aspecten biedt. Men heeft vroeger altijd getracht mij duidelijk te maken – al lukte het nooit – dat God zo ontzettend verheven was, dat wij niet eens op eigen krachten tot voor Zijn troon zouden kunnen komen, Gods engelen en de Christus, die ons had uitverkoren, zouden ons moeten dragen tot voor de troon van God. Ik heb altijd weer gezegd: hoor eens, mensen, wanneer ik werkelijk een kruier nodig zou hebben om tot God te kunnen komen, blijf ik voorlopig liever nog wat als mens en train mijzelf. Dat vinden de mensen vreemd. Toch zeg ik dit niet, om duidelijk te maken, dat ik de mens, die op Jezus vertrouwt belachelijk ga maken.

Ik zal zeker niemand uitlachen, omdat hij hoopt eens door engelen geholpen te worden. Begrijp mij goed. Indien er een God is, die zich zover van mij verwijdert, dat ik er eigenlijk zelf niets meer mee te maken heb en alleen via via door bemiddeling en voorspraak tot hem kan komen, dan is dit mijn God niet. Mijn God moet iets zijn, waar ik mee kan leven. Dat is volgens mij weer het treurige: In vele vormen van geloof en zelfs van esoterieën zoekt men God veel te ver weg. Niet alleen, dat men daardoor aan de werkelijke God voorbijgaat – dat kan uiteindelijk wel weer hersteld worden – maar je maakt het anderen nog lastig ook.

Er was eens een monnik, die zozeer geloofde dat God aan de vromen alles toe zou staan en geven, dat hij neerknielde in de kerk en God vroeg: “Geef mij toch een roos, Heer, geef mij toch een roos.” Nu weet ik niet, wat hij daarmee wilde doen, maar in ieder geval bad hij er om. Hij bleef 36 uren lang aan het bidden. Toen kwam een jonge leek de kerk binnen en hoorde de uitgeputte monnik bidden: “Heer, ik smeek U, om de verdienste van Uw zoon en de hele rest” – nu ja, hij zei natuurlijk niet de gehele rest maar bad een hele litanie van alle heiligen – “Geef mij een roos. Schenk mij dan toch een roos als bewijs van uw genade…” De jongen hoorde het, ging naar de kloostertuin waar enkele rozenstruiken in bloei stonden, knipte een roos af en bracht die aan de monnik. “Broeder,” sprak hij, “maak je toch niet zo druk. Hier heb je er al een.” Waarop de monnik uitriep: “Ziet, mijn vroomheid is beloond, door middel van u heeft God mijn gebed verhoord”. De jongen echter pakte de roos terug en sprak: “Als je er zo over denkt, ga er dan zelf maar een halen.”

Ik ben bang, dat zeer vele mensen die zich bezighouden met geestelijke wijsheid en wijsbegeerte, ongeveer hetzelfde doen. Zij zouden waarschijnlijk met enkele stappen, die zij zelf zouden zetten, het begeerde resultaat waarschijnlijk wel bereikt hebben, maar omdat zij menen die stappen door bidden te kunnen vervangen, krijgen zij niet wat zij wensen. En wanneer zij nog eens iets krijgen, is dit meestal geen ingrijpen van God, maar een toevallige goedheid van een ander. Maar liever dan te erkennen dat hun wijze, om het probleem te benaderen, onvruchtbaar bleek te zijn, zullen zij alle dingen, die er gebeuren, gebruiken om aan te tonen, dat niet andere mensen of het toeval, maar God zelf hun wil heeft gedaan… Als je echter van God verwacht, dat hij je loopjongen wordt, kun je net zo goed van jezelf verwachten, dat je opeens zult ontdekken zelf God te zijn. Je kunt je nu eenmaal, niet boven God plaatsen door je wensen en behoeften aan God op te leggen. Ook niet in de esoterie.

De kinderlijke eenvoud is er een, die aanvaardt, wat er is. Een kind is niet alleen maar een kind, omdat het jong is. Een kind is vooral ook een kind, omdat het de wereld nog aanvaardt, zoals het die wereld beleeft en ziet, het kind argumenteert wel eens met die wereld, dat is waar. Maar zelfs dan gaat het uit van eigen behoeften en begrippen en niet van de stellingen, die door anderen voor het kind bedacht zijn. Natuurlijk, het kind dat zegt: “de stoute stoel heeft mij geschopt”, wanneer het zelf tegen die nuttige zetel is aangelopen, probeert de schuld af te schuiven. Dat is waar. Maar hetzelfde kind weet zelf wel beter en hoopt alleen, dat anderen het niet zullen hebben gezien en zo medelijden zullen hebben, waar eigenlijk eerder vermaan gepast was. Vele mensen, die ouder worden, zeggen eveneens dat het leven hen onrechtvaardig behandeld heeft, dat het hen heeft geslagen. Het verschil is echter, dat zij niet meer beseffen, dat het hun eigen schuld was, dat ook zij het in het leven anders hadden kunnen doen.

De vromen gaan dan nog verder en zeggen eenvoudig: “God moet mij dit later vergoeden.” Maar God zal wel uitkijken. Hij zal zeker de schade, die men zichzelf toebrengt, niet vergoeden, zoals dit verlangd wordt. In het beste geval zal Hij zeggen: “Hier heb je een klontje. En kijk nu voortaan maar uit, want anders doe je jezelf dadelijk nog veel meer pijn”. En meer niet.

Vandaar, dat juist het kinderlijke in de esoterie zo belangrijk is. Want, lieve mensen, de gehele natuur is ook voor jullie geschapen, met alles wat erin is, de bijtjes, de bloemetjes, de sneeuwbuien en de mestputten. Die hele wereld is voor jullie geschapen, om je God daarin te leren ontmoeten In jezelf heb je de herinnering aan al die dingen, niet alleen maar van een enkel moment of een enkel leven, maar van ontelbaar vele momenten, vele jaren van leven. Wanneer je dus in jezelf duikt, zoek niet te onderscheiden, wat er nu goed en wat nu kwaad is.

Zoek niet, wat men misschien vroeger beter had kunnen doen en tracht vooral op grond van dit betrekkelijke oordeel over goed en kwaad in jezelf geen theorieën onder je eigen Ik op te bouwen. Probeer God daarin te vinden. Want Hij was met je, elk moment van je leven. In elk ogenblik van bestaan is de ware God met je. Als je die God niet wilt zien, gaat het natuurlijk op de duur verkeerd, oorzaak en gevolg blijven werken. Maar dat neemt niet weg dat zelfs dan die God er is.

Zo. En nu nog enkele korte punten voor degenen, die mij verwijten te lichtzinnig een ernstig onderwerp te behandelen; of zelfs menen, dat het beter is de naam van God niet te veel te gebruiken in dergelijke verhandelingen.

Als je vindt, dat God beledigd wordt, wanneer je over hem spreekt als over een normaal deel van je leven, dan moet je ook denken, dat je de lucht beledigt, wanneer je hoorbaar ademhaalt.

Want God is een zo normaal en noodzakelijk deel van je leven, dat het volgens mij dwaas zou zijn, om dat dan niet te erkennen en er niet gewoontjes over te spreken.

Wanneer je God alleen in vrome taal toespreekt, zul je geneigd zijn te vergeten, dat Hij steeds naast je staat in het dagelijkse leven. Vandaar ook dat degenen, die de vroomste woorden weten te vinden over het algemeen de gemeenste schooiers worden. Aanwezigen en allen die zich hierdoor getroffen achten natuurlijk uitgesloten, maar als u zich getroffen voelt, is de kans wel groot, dat u voor uzelf toch wel weet, hoe gemeen u eigenlijk bent.

Onthoud, dat esoterie, zelferkenning, godsdienst en geloof in feite allemaal woorden zijn, die hetzelfde omschrijven. Het geeft niet, welke naam je geeft aan je ontmoetingen met God of aan je behoefte om Hem te ontmoeten. Het komt er alleen maar op aan, dat je werkelijk probeert hem reeds nu te erkennen, te zien.

Er is niemand, die u een weg kan tonen tot God, welke niet reeds in u bestaat. Als je de waarheid van jezelf wilt aanvaarden, aanvaard je gelijktijdig de kennis, waardoor je de God in jezelf kunt beseffen.

Beroep je niet op eigen deugden, beklaag je niet over eigen ondeugden. Wees blij, dat de Schepper het mogelijk heeft gemaakt, deugd en ondeugd af te wisselen en zo het leven interessant heeft gemaakt.

Besef dat de Schepper dit zeker heeft gedaan, omdat hij levende mensen wenst en geen in vrome spreuken gemummificeerde zielen, die geen greintje werkelijk leven meer in zich dragen.

Beschouw de eeuwigheid niet als iets, wat later zal beginnen, beschouw haar als het heden, want eeuwigheid omvat alle tijden, niet alleen datgene, wat dadelijk zal gaan beginnen. Leef daarom steeds als deel van de eeuwigheid, je zult dan ontdekken hoezeer bepaalde waarden eeuwig zijn, ook in jezelf.

Luister naar de meningen van iedereen. U hoeft het er niet mee eens te zijn, maar het is altijd interessant te weten, wat anderen denken. Bovendien helpt het je mogelijk in jezelf dingen te ontdekken, die er wel al lang zijn, maar waar je tot nu toe overheen hebt gekeken.

Ga nooit uit van een vast systeem of een vast voornemen. Heb de moed opportunist te zijn.

Want geloof mij, de erkenning van God, de geestelijke bereiking en het materiële succes komen niet uit het gestaag eenzijdig ploeteren, maar zijn eerder het resultaat van het vermogen op het juiste moment juist te reageren.

En ten laatste, onthoud dat de mens boven de dieren een groot voordeel heeft: hij kan lachen, zelfs om zichzelf! Verneder uzelf niet tot een dierlijke staat, door de lach als onwaardig te verwerpen. Want degene, die lachend door het leven gaat, kan ook lachend ingaan tot Gods werkelijkheid. Degenen, die treurende door het leven gaan om in het hiernamaals vreugde te vinden, zullen in het hiernamaals smartelijk lijden onder het gebrek aan waardige treurigheid.

image_pdf