De magische achtergronden van de mens

image_pdf

13 mei 1963

Mag ik allereerst beginnen met op te merken, dat wij heden afwijken van het normale programma. Wij krijgen twee gastsprekers en daarvoor heb ik een ogenblik de tijd ook nog iets te zeggen.

Ik zou graag willen ingaan op de magische achtergronden van de mens. Elke mens leeft in het totaal der bestaande dimensies; hij leeft verder in het totaal der bestaande krachten en maakt van al deze krachten gelijkelijk deel uit. Hij heeft dus toegang tot alle werelden en kan vanuit alle werelden werken. De enige belemmering is zijn bewustzijn. Het bewustzijn van de mens is gebaseerd op zijn eigen wereld d.w.z. driedimensionaal met enkele andere verschijnselen. Zodra hij komt tot een voorstelling, die ergens met de werkelijkheid harmonieert, zal hij echter door deze voorstelling – die voor hen dus geen directe werkelijkheid behoeft te zijn – toegang kunnen krijgen tot het gebied, waarmee hij harmonisch is, en die krachten die behoren tot dit gebied.

Het zal u duidelijk zijn dat de mens dus, naarmate zijn eigen aanvoelen van de werkelijkheid groter wordt, gaat beschikken over grotere krachten en grotere wijsheid, maar het daarnaast steeds moeilijker wordt zijn innerlijke waarden uit te drukken in de wereld, waarin hij leeft.

De magie, waar de mens zich mee bezighoudt, is altijd een herscheppen op aarde (aangepast aan de daar heersende condities) van datgene wat in andere sferen als normaal bestaat. Hij bereikt n.l. door stoffelijke en materiele handelingen een reeks van harmonieën die vaak gebaseerd op oerwaarden of instinctieve waarden, worden overgedragen naar het stoffelijke, hem zo de beschikking gevend (al is dit niet langs een redelijke weg) over het totaal der krachten van de harmonische gebieden, die hij beroerd heeft.

Als men dit begrijpt, komen wij voor de moeilijkheid te staan dat de mens zijn eigen achtergronden nooit begrijpt. Hij heeft zijn begripsvermogen beperkt tot het stoffelijke en hierin kan hij de voorstelling niet vinden van de gebieden, waartoe hij in wezen behoort.

Resultaat: hij zal moeten werken met het onbekende. Dit onbekende is een overheersende factor zowel in de esoterie als in de magie, en zo ligt op de achtergrond van beide de mystiek, z.g. de bewuste erkenning van het niet-kenbare. Hieruit moeten wij dan conclusie trekken die praktisch bruikbaar zijn. In deze dagen zal elke mens die zich gebonden acht aan zijn wereld en de daar steeds groter wordende reeks van regels, wetten, voorschriften en bepalingen zich overeenkomstig meer afzonderen van andere werelden, tenzij hij beseft dat zijn eigen wereld nimmer een ontkenning of een bevestiging kan zijn van een andere wereld. Zijn eigen wereld kan slechts voor hem de bevestiging zijn van een andere wereld, zo de resultaten van de krachten in die andere wereld in zijn eigen wereld kenbaar worden. Hebben wij dit eenmaal gesteld, dan vloeit hieruit voort dat alle leringen, die worden gegeven en waarin een magische inslag verwerkt is, leringen zijn, die zich moeten baseren op de mens. Want in de mens zelf is een onredelijk element waardoor hij antwoordt op dingen, die eigenlijk niet eens gezegd kunnen worden, maar die in de lering meeklinken.

Zo kan hij een groter besef krijgen van zichzelf. Het is echter niet mogelijk als mens een volledig besef te verwerven van hetzij God, hetzij een hogere sfeer. Het is slechts mogelijk deze sfeer of deze God aan te voelen, zonder haar verder te kunnen definiëren. Het resultaat is dat de mens vanuit zichzelf wel krachten kan gebruiken, maar de geaardheid van deze krachten nooit volledig kan omschrijven. Dientengevolge is het niet juist wanneer een mens oordeelt over de krachten waarmee hij werkt, hij kan slechts oordelen over de harmonie, waaruit hij deze krachten naar voren ziet treden.

Het wordt voor ons dus moeilijk om als mens te spreken over wit en zwart in de magie.

Evenmin kunnen wij spreken over een lichtend en minder lichtend pad in de esoterie. Wij kunnen de waarde niet bepalen, waar deze waarde voor ons onbepaalbaar is, blijft er slechts één ding over dat werkelijk belangrijk is: Wat is de voor ons harmonische weg?

De voor ons harmonische weg moet beantwoorden aan ons wezen. Het moet verder beantwoorden aan ons denken; en het moet ten laatste beantwoorden aan onze stoffelijke kennis en behoefte. Eerst wanneer deze alle tezamen vloeien tot een geheel, zullen wij toegang krijgen tot de hogere gebieden van weten, zullen wij gebruik kunnen maken van de hogere machten. Dit is dus het eerste punt. Maar de mens heeft voor zijn magie een hele reeks achtergronden dia hij zelden beseft.

In de eerste plaats: Elke mens grijpt bij gebrek aan het redelijke naar de magie. Of hij dit nu doet met een eedsformule of dit doet met een bezwering of met een kleine bijgelovigheid, is van geen belang. Hij grijpt naar de bovennatuur om daardoor het onbegrijpelijk natuurlijke verklaarbaar te maken. Hij zal evenzeer grijpen naar het bovennatuurlijke, althans buitennatuurlijke, om daardoor resultaten te verkrijgen die hij op geen enkel andere manier meent te kunnen verwerkelijken. Er bestaat hierbij een groot gevaar. Wanneer een mens op een gegeven ogenblik b.v. een illusie heeft en deze illusie is gebaseerd op zijn idee van niet aanvaard zijn in de wereld, zijn idee van in de wereld van geen belang te zijn, dan zal hij zoeken naar een waanvoorstelling die hem deze belangrijkheid geeft.

Op het ogenblik dat die belangrijkheid bedreigd wordt, grijpt hij naar de magie. Op het ogenblik dat de magie faalt, is hij niet meer rationeel en handelt hij volledig instinctief en meestal destructief. Wij kunnen dus niet zonder meer zeggen: Grijpt u maar naar de onbekende krachten en naar de magie, want dan zult u juist bereiken. De mens heeft instinctief de behoefte om naar het bovennatuurlijke te grijpen. En aan deze instinctieve behoefte moet hij tot op zekere hoogte tegemoet komen. Maar hij kan ze nooit gebruiken om zichzelf te rechtvaardigen. Op het ogenblik dat hij dit doet, zal hij een verwijdering scheppen tussen werkelijkheid en ik, waaruit dus de door mij geschetste gevolgen kunnen voortkomen. Een mens die magisch streeft moet uitgaan van de volgende stelling:

  1. Ik mag en kan magie nimmer gebruiken om mijn eigen status in de wereld te wijzigen. Ik kan slechts via de magie resultaten buiten mij veroorzaken en aan de hand van deze resultaten kan misschien mijn eigen situatie in de wereld gewijzigd worden. Ik zal nimmer iets kunnen zeggen, zien en doen, voor mijzelf. Op het ogenblik dat ik dit probeer, verwijder ik mij van de werkelijkheid en ontstaat in mij een toestand, die zeker vanuit het stoffelijk standpunt gezien, ziekelijk is. Ontkomen hieraan is noodzakelijk. Daarom het richten van alle krachten buiten het “ik”.
  2. Het richten van deze krachten op zodanige wijze dat althans enige malen resultaten kunnen worden afgelezen. Wanneer u werkt met magische kracht, met gedachtekracht, met alle voorstelbare uitstralingen, trillingen en krachten, dan zult u daarbij steeds moet en stellen; zij moeten een resultaat geven in de werkelijkheid. Men moet elke handeling in de wereld associëren met een verwerkelijking, die buiten het “ik” ligt. Op deze wijze zal men kunnen constateren in hoeverre eigen wezen en eigen handelen inderdaad schijnbaar bovennatuurlijke effecten kan veroorzaken.

Dan zal men aan de hand van deze effecten plus eigen handelingen weten, welke riten, welke symbolen, welke krachten voor het “ik” de meest belangrijke zijn.

Wanneer de mens zoekt naar bijzondere bekwaamheden, zoekt hij dikwijls niet naar datgene wat aan zijn wezen inherent is, maar naar datgene wat hij in anderen heeft erkend en voor zich zou begeren. Niemand kan datgene wat een ander bezit voor zichzelf verwerven, tenzij het in hem reeds aanwezig is. Wat wij zijn en doen is zowel esoterisch als magisch beperkt door datgene wat wij – althans potentieel – zijn. Ik kan niets worden wat ik niet ben. Ik kan slechts datgene ontwikkelen wat in mij leeft. Daarom zal ik nooit uitgrijpen naar de gaven die een ander heeft, ik zal nooit uitgrijpen naar gaven die voor mij nu niet bereikbaar zijn, maar ik zal steeds trachten de gaven, die ik bezit, zo goed en volledig mogelijk te gebruiken.

Ook blijkt het dat de mens instinctief het bovennatuurlijke betrekt in zijn leven en wel meer naarmate zijn redelijke vermogens minder in staat zijn de problemen op te lessen.

D.w.z. het grijpen naar het bovennatuurlijke geeft dan een deficiëntie in eigen vermogen.

Gaat men op deze wijze te werk, dan zal men slechts eigen onwaardigheid erkennen en daardoor niet in staat zijn de gewenste resultaten beheerst tot stand te brengen. Wij moeten dus voor er sprake is van een deficiëntieverschijnsel, in eigen wezen reeds overgaan tot het gebruik van deze krachten, opdat wij ze kunnen leren beheersen en het ogenblik van onvermogen zo ver mogelijk verschoven kan worden of zelfs geheel geëlimineerd. Een verschuiven van het element van onmacht in het eigen “ik” kan gebaseerd worden op het volgende; Naast het redelijke moet het onredelijke gehanteerd worden. Wanneer het onredelijke voor mij redelijk niet-verklaarbare resultaten brengt, die ik echter in een redelijk patroon kan inpassen, kan mijn redelijk vermogen door het onredelijke worden vergroot. Op het ogenblik echter dat ik het onredelijke niet in verband kan brengen met het redelijke, zijn dit zodanig gescheiden waarden dat ze voor mij geen enkel nut hebben. Ik moet mijn innerlijke wereld, bestaande uit het redelijke en het niet redelijke, zodanig samenvoegen dat er een geheel bestaat, dat voor de mens vanuit het redelijke bestuurbaar is, ook wanneer geen redelijke verklaring voor het geheel mogelijk is.

Nu zullen wij in de komende tijd steeds meer merken dat er een beroep wordt gedaan op deze verborgen waarden in de mens. Voor ieder mens zal dat enigszins anders liggen, omdat ieder mens een zekere voorgeschiedenis heeft. De een hoort misschien in Egypte thuis, de andere in India en weer een ander in een ver Atlantis. De voorgeschiedenis is voor een groot deel bepalend voor de eigenschappen, die de eigen geest bezit. Die eigenschappen van de geest zijn weer medebepalend geweest voor de vorm van incarnatie die werd gekozen en het moment van incarnatie, zodat het gehele wezen in hoofdzaak is afgestemd op die invloeden, die het verst hebben doorgewerkt in het bewustwordingsproces van het ego. Hiervan uitgaande zal het ego plus de eigen tendenties worden aangesproken door alle krachten, die voor het “ik” een vergroting van magische bereiking, een vergroting van esoterisch inzicht kunnen betekenen. Zij wekken een zekere weerklank in de mens en dit betekent een versnelde bewustwording, een vergroting van potentie, een vergroting ook van werkelijke kracht. De meesters die op het ogenblik werkzaam zijn, hebben niet alleen ten doel u meer geestelijk bewust te maken. Voor het geestelijk bewustzijn hebt u de eeuwigheid en die eeuwigheid is ongetwijfeld lang genoeg om elk van u tenslotte tot het licht te doen komen. Maar wanneer er een wereld is, waarin een snelle ontwikkeling tijdelijk mogelijk is, dan is het zeer belangrijk dat er mensen zijn, die een antwoord kunnen geven op de krachten die dan regeren en a.h.w. kunnen worden tot magiërs. De magiër in dit geval is dus niet de tegenstelling tot de esotericus maar hij is a.h.w. diens complement. Een mens kan dus gelijktijdig esoterisch bewust worden en toch magisch streven.

In vele gevallen betekent zelfs een esoterische bewustwording onvermijdelijk het grijpen naar de magie, naar de ongekende krachten en wetten om daardoor niet eigen bewustzijn aan anderen op te leggen, maar rond het “ik” een toestand te scheppen, waardoor die bewustwording bevorderd wordt. Bedenk dat bij alles wat deze meesters ons leren, moet  worden uitgegaan van het “ik” en nergens anders van. Er zijn veel mensen die denken dat de magie iets is waardoor je werkt buiten jezelf. Dat is niet waar. Je werkt vanuit jezelf. Want het is je innerlijk wezen dat bepaalt welke energieën worden opgewekt, de wijze waar op ze worden gericht, de resultaten die ermee bereikt worden.

En nu u dit (bij herhaling) hebt gehoord, kunt u de conclusie trekken dat het dus niet mogelijk is om magisch te werken in deze tijd zonder gelijktijdig esoterisch bewust te worden. Maar, dat omgekeerd een waar esoterisch bewustzijn niet mogelijk is, zonder dat men gelijktijdig al zijn krachten gebruikt om in de wereld een toestand van vrede en rust te doen ontstaan.

Let wel, wij kunnen nooit een evolutie bevorderen, ook al zouden wij dit willen, want wij zijn niet gerechtigd en niet in staat om het werkelijke “ik” van anderen te wijzigen. Wij kunnen in hun wezen niet ingrijpen. Wij kunnen er slechts voor zorgen dat datgene, wat zij tot uiting brengen, in een zo groot mogelijke harmonie tot uiting komt. Het is dus als magiër niet onze taak om te zorgen voor een nieuw paradijs, maar om te zorgen voor een evenwicht, waarbij elk mens de kans krijgt eigen wegen te gaan en zo eigen ontwikkeling kan vervolgen. Dit is een zwaardere taak dan het eenvoudig vernieuwen van de wereld. En het is waarschijnlijk juist hierdoor dat de meesters de nadruk leggen op een persoonlijk element, op een magisch element.

In deze cursus, in deze groep, zult u dus zien dat de meesters proberen veel met u te bereiken. Ik wil niet pessimistisch zijn en zeggen dat ik persoonlijk verwacht, dat dit slechts voor klein percentage zal gelden, want tenslotte mag ik niet oordelen over u en uw mogelijkheden. U hebt uw grondslagen, u hebt een geloof, u hebt behoefte om het bovennatuurlijke in te schakelen. U hebt een behoefte om te leven met meer dan uw eigen wereld alleen. Waarom zou u daarbij blijven stilstaan? Waarom zou u die andere wereld, als buiten u liggend, de taak opdragen het leven voor u in orde te maken? Waarom zou u verwachten dat anderen het voor u regelen? Waarom zou u vervrachten dat u de enige bent, die het juist kan regelen? Integendeel. U moet uitgaan van het standpunt, dat u natuurlijk in de eerste plaats verantwoordelijk bent voor uzelf. Daar waar u niet harmonisch kunt zijn, daar past u niet. Maar waar u in harmonie kunt werken en leven en iets voor anderen kunt bereiken, daar zult u niet streven naar vernieuwing, naar verandering. U zult moeten streven om uit uzelf de harmonie te scheppen, waarin anderen zich kunnen uiten. En u zult er ook naar moeten streven om op uw wijze te komen tot de voor u passend riten, praktijken en leringen.

Hetgeen de meesters geven is een algemene richtlijn; het wijst op magische kracht en (en magisch vermogen); het is een beroep op deze oerinstincten in de mens. Maar zij kunnen u niet leiden, zij kunnen u hoogstens voorgaan. In de magie is deze waarheid er altijd geweest: Je kunt een kracht aan een ander overdragen, maar je kunt niet bepalen wat hij ermee doet. Je kunt een ander inwijden in magische geheimen, maar je kunt niet bepalen hoe hij ze gebruiken zal.

Dit betekent dat je een verantwoordelijkheid moet nemen, en wel een verantwoordelijkheid voor dat, dat je niet kunt overzien. Zo kun je nooit aansprakelijk zijn t.a.v. anderen, maar alleen t.a.v. jezelf. Want wat voor jouzelf zo bewust en verantwoord geschiedt, is juist.

Verder blijkt dan dat de doorsneemens niet geneigd is om zijn vermogens op de proef te stellen. Men zegt eenvoudig: Ik leef teveel in de stof, al die magie en esoterie gaan mij niets aan. Of men zegt; ik vind het allemaal heel mooi en innerlijk zal ik het verwerken, maar de wereld stelt nu eenmaal andere eisen. Of men zegt: Ik vind het heel mooi en gaat dan over tot de orde van de dag, zonder er verder over na te denken.

Wanneer deze meesters komen, dan doen ze een beroep op een basiswaarde in u. Op uw behoefte om magisch te werken, uw behoefte om het bovennatuurlijke element in uw leven belangrijker te maken. Zij geven u ook de mogelijkheid dit te doen, maar het moet van uzelf uitgaan. U bent de bepalende factor. Niemand kan het initiatief nemen buiten u. Niemand kan iets tot stand brengen behalve uzelf voor zover het uw eigen streven en werken betreft.

Het enige dat u moet doen is zoeken naar het antwoord in de wereld, naar een antwoord dat voor u past, een werkwijze die voor u past, naar iets dat de voor u begeerlijke resultaten tot stand brengt. Iets dat u de kracht en de mogelijkheid geeft te volbrengen wat u doen wilt. Of dat voor anderen is, voor het algemeen belang of voor bijzondere personen, doet niet ter zake, Ik heb niet veel tijd meer. Ik zou alleen nog dit willen zeggen:   Ieder reageert op zijn eigen manier; wanneer u in contact komt met een magische kracht, dan moet u niet denken dat die kracht u domineert, tenzij die kracht zwart-magisch is. Zij kan u dragen wanneer u ermee harmonisch bent. Wanneer ze u niet beroert, gaat ze aan u voorbij. Er zijn op het ogenblik veel verschillende krachten en mogelijkheden, elk met eigen inhoud en lering. Enkele daarvan zult u ook vanavond ontmoeten en wanneer wij de toekomst juist inzien, dan zal het voor deze groep in toenemende mate, vooral in het volgende verenigingsjaar, hoofdzakelijk een kwestie worden van lessen die de meesters willen geven. Maar uzelf moet selecteren. Onderga die meester als u kunt, maar trek er de eigen gevolgtrekkingen uit. Zoek voor uzelf de manier waarop u moet leven. Aan de hand van hetgeen u geopenbaard wordt. Ik geef thans het woord aan de eerste spreker.

0-0-0-0-0-0-0-0

Eerste gastspreker

Alle leven is het gaan op een pad naar het einddoel. Alle leven is daarom zinrijk. Er is niets wat zinloos is, maar wij moeten voor onszelf de zin der dingen erkennen. Wij hebben vele mogelijkheden, maar wij kunnen slechts weinige van die mogelijkheden omzetten in werkelijkheid. Soms zijn wij geneigd om het lot te laten beslissen; maar de bewuste zoekt voor zich naar het ogenblik, dat hij bepalen kan welke keuze hij maakt. Want alleen hij, die weet wat hij wenst, die beseft dat hij kiest uit de mogelijkheden, zal de werkelijke vruchten van zijn leven plukken.

Een ieder zijn bepaalde krachten ingeschapen. Zo weet elke mens dat er een recht en een rechtvaardigheid moet bestaan. Maar de rechtvaardigheid der mensen is niet de rechtvaardigheid der eeuwigheid. Wij kunnen dus slechts trachten rechtvaardig te zijn volgens ons eigen beste weten. Die rechtvaardigheid houdt in dat wij ons soms zullen vergissen, want geen mens en geen geest kent het totaal der dingen. Maar wanneer ik gehandeld heb naar mijn beste weten, heb ik voor mijzelf een schrede voorwaarts gedaan in de bewuste beleving van de Eeuwige.

Zo is er een weg der goedheid. Wanneer ik goed ben omdat mij dat op dit ogenblik past, dan laat ik mij leiden door omstandigheden. Wanneer ik goed ben tegenover een mens, tegenover een levend wezen, omdat ik meen goed te zijn en bewust mij dit als doel stel, dan beantwoord ik aan de eeuwigheid en dan zal mijn bewust doen van het goede voor mij een schrede voorwaarts betekenen, zelfs wanneer de gevolgen van mijn goedheid, buiten mijn beheersing vallende, niet in overeenstemming zijn met mijn verwachtingen.

Het zijn niet de verwachtingen van de mens die tenslotte bepalen wat hij is en wat hij zal worden. Het zijn zijn daden, het is zijn werkelijkheid. Nu is de mens die op de wereld leeft deel van de natuur. D.w.z. dat alle wetten die in de natuur gelden voor hem gelden en dat hij zich daaraan niet kan onttrekken. Dan zal men ook moeten erkennen dat rechtvaardigheid. En goedheid altijd kunnen worden afgeleid uit de natuur. Wanneer het zwakke sterft dan is dit misschien wreed in de ogen van de mens. Maar wanneer het voortvloeit uit de eeuwigheid is het rechtvaardig. Want dat wat incarneert in het zwakke, deed een verkeerde keuze en door dit te beseffen zal het een volgende maal juister en verantwoorder kunnen incarneren. Wanneer wij goed zijn en die goedheid wordt onjuist beantwoord, dan is onze goedheid altijd voor ons waardevol, zolang wij daarbij niet alleen gehandeld hebben vanuit een beeld dat in ons bestaat, maar tevens volgens de wetten die in de natuur bestaan. Ik zal dan immers kunnen beantwoorden aan mijn eigen wezen zonder daarom de eeuwigheid te verloochenen. En beantwoordt men de goedheid die ik geef verkeerd, dan is dit niet mijn schuld, maar is het een oorzaak voor een verdere bewustwording voor een ander, die immers dit alles zal moeten ondergaan.

Dan is er het pad der onthechting, daar is onthecht-zijn. Maar in de zin die mensen eraan hechten, natuurlijk? Is de onthechting der natuur niet eerder een aanvaarding dan een verwerping? Wanneer gij u onthecht van alle dingen en gij verloochent daarmee uw eigen natuurlijk bestaan en wezen, zo vervreemdt ge u van de kracht waaruit ge zijt voortgekomen en ge zult moeten terugkeren om die kracht hernieuwd te beleven. Maar zo gij handelt vanuit uw wezen zoals dit leeft in de natuur, zo zal uw onthechting zijn een aanvaarden zonder erkennen van bezit of bezitsrechten. Dan zal het zijn een verdedigen van datgene wat het uwe is, zonder daarom uw recht te baseren op iets anders dan uw eigen krachten en vermogens. Zo is onthechting goed; want onthechting is geen laf ontgaan aan het leven, maar het is een besef dat men met de omstandigheden van het leven rekenende, slechts dit heden mag leven en nooit dit heden mag continueren reeds nu voor komende tijden.

Wanneer ge zoekt naar vrede, zo kunt ge alleen vrede vinden wanneer ge tevreden zijt. D.w.z. wanneer ge uw leven aanvaardt zonder verzet.

Vrede kennen en tegelijk ontevreden zijn is een onmogelijkheid. Gij kunt niet iets doen en gelijktijdig iets laten. Gij kunt geen vrede kennen of vrede brengen en gelijktijdig strijden om iets te bereiken of om iets te onderdrukken. Daarom zal in de mens de vrede steeds zijn; de pauze in zijn strijd voor zichzelf en met zichzelf. En zo deze vrede hem het dichtst brengt bij de oneindigheid, zo zal hij uit deze korte ogenblikken de kracht moeten putten om op de juiste wijze verder te leven en te strijden.

Geweldloosheid kan voor de mens belangrijk zijn. Maar er komt een ogenblik dat geweldloosheid betekent een ondergang, die men niet aanvaarden kan. Kan men eigen ondergang accepteren, dan is het goed om geweldloos te zijn, want daarmee wordt de meest juiste harmonie met de eeuwigheid uitgedrukt. Maar kunt ge niet aanvaarden, zo is het beter om te strijden dan in onvrede ten onder te gaan.

Meen niet dat ge ooit iets voor alle tijden kunt bereiken, kunt beseffen, of kunt wijzigen. Gij kunt slechts in een toestand komen waarin de juiste verhouding van alle dingen u duidelijk wordt. Meen niet dat gij kunt dromen en gelijktijdig kunt leven. Wie droomt, leeft niet en wie leeft, droomt niet. Maar een mens die droomt, kan soms die droom tot werkelijkheid maken. Dan is dit een deel van zijn eigen leven en zijn eigen kracht.

Wanneer hij een droom tot werkelijkheid maakt, versmelten innerlijk leven en werkelijk leven en komt de ware vrede meer nabij.

Waar de natuur de kern is van het menselijk bestaan, zal de natuur ook alle symbolen en krachten geven, waardoor de mens zijn onsterfelijk wezen, zijn eeuwig bestaan, kan rechtvaardigen of kan aantonen. Elke harmonie met de oneindigheid moet voortvloeien uit een erkenning plus een daad in de eindigheid. Elke daad en erkenning in de eindigheid kan juist zijn, wanneer zij voortvloeit uit de kern van ons wezen. Zij kan nimmer juist zijn, wanneer zij buiten eigen wezen om, of met minachting van een deel van eigen wezen tot stand wordt gebracht.

Weet wat gij zijt. Wie gij zijt, beseft gij eerst, wanneer gij uw weg hebt afgelegd. Wat gij zijt echter, is voor u belangrijk, wat zijn uw dromen? Zijn ze juist? Waarom droomt u ze? Tracht in uw dromen te zien wat waarlijk deel is van uw wezen en wat slechts ijdele gedachten zijn. Hoe handelt ge? Waarom handelt ge? Is dit deel van uw werkelijk wezen of is het misschien een ontgaan van problemen of zelfs maar een volgen van een weg van geringe weerstand? Wat is uw kracht? Bezit gij de kracht waarvan ge droomt? Wanneer ge kracht bezit, zult ge die kracht moeten kunnen uiten. Vraag u af hoeveel van de kracht die ge meent te bezitten waarlijk tot uiting komt. Eerst indien ge weet wat ge zijt, zult ge de meest juiste handelswijze vinden in deze wereld.

Misschien verlangt gij meer te zijn dan ge bewust thans zijn kunt. Bedenk dan dit: Iedere leerling kan de gedachten van zijn meester delen. Hij kan in de eenheid van denken met zijn meester komen tot een begrip dat zijn eigen vermogens te boven gaat. Maar eerst op het ogenblik dat hij het verworven begrip voor zich bevestigd heeft, is het zijn eigendom.

Denk met uw meester, bid tot uw God, mediteer over vrede, maar leef datgene wat gij leert.

Op deze avond word in uw kring magie besproken. Er bestaat geen werkelijke magie. Er bestaat de kracht van het “ik”, de kracht van dat wat gij zijt. En dit is de enige ware kracht. Er bestaan geen wonderen. Er bestaat slechts de volledige uiting van het eigen “ik” het wonder of de beperkte uiting in de normale wereld.

Gij meent dat gij een wezen zijt. Maar velen van u dragen in zich honderden zielen, die toch één geheel zijn. Want elk leven dat gij geleefd hebt, elke sfeer die gij betreden hebt, heeft iets aan uw wezen toegevoegd, is een afzonderlijke herinnering. Eerst wanneer deze alle saam gevloeid zijn tot één geheel, zult ge waarlijk één zijn. Zolang ge de werelden scheidt, en de herinneringen scheidt, zo zijt ge velen. Het is dus goed te beseffen dat gij niet alleen datgene zijt wat ge nu naar voren brengt. Gij zijt vele dingen. En het is goed dat ge vele dingen zijt, zo ge ze tot een eenheid kunt doen samenvloeien. Daartoe dient men te erkennen hoe groot de veelheid van krachten en wezens is, die gezamenlijk thans uw “ik” vormen. Wanneer ge deze allen gelijkelijk aanvaardt en gelijkelijk kunt uiten, zijt gij een geheel. En hoe wilt ge de begoocheling verwinnen, indien gij niet een geheel zijt?

De brug die de mens zich bouwt naar de oneindigheid is een illusie. De oneindigheid is nu, met u. Ge zijt oneindig indien ge het beseffen kunt.

Er is geen land van morgen, er is slechts eeuwigheid. Wie die eeuwigheid binnengaat kan nog vele malen een andere vorm nemen, maar hij zal altijd zichzelf blijven. Want in de verandering zijt ge veranderlijk, maar de verandering is slechts de uiting van de werkelijkheid, die onveranderlijk is.

Indien men u vraagt: hoe vind ik waarheid? Zo zeg ik u; mediteer. Maar mediteer niet over de dingen die zinrijk zijn, maar over de dingen die zinloos schijnen. Mediteer over een maan die pootjes heeft en glimlacht. Het lijkt dwaas maar daardoor zult ge de dwaasheid van de voorstelling beseffende, de essentie die er achter ligt kunnen aanvoelen, kunnen aanvaarden. Mediteer niet over de mensen zoals ge die erkent en over de bloemen, zoals ze de schoonheid geven die u nu verrukt. Stel u iets voor wat niet bestaat, een roos die eikels draagt, een bananenboom die danst, een sagopalm, die niet in zich het melig stof draagt, dat na verdroging tot uiting komt, maar bv. in zich draagt een alfabet.

De meditatie over het absurde brengt voor de mens het bewustzijn van de betrekkelijkheid der waarden. Wie glimlachen kan om de schijnbare ernst van het leven, vindt een glimlach voor zichzelf. Wie glimlachen kan over zichzelf en zijn schijnproblemen, benadert de waarheid.

Zeg niet, dat ge krachteloos zijt of dat ge kracht hebt, maar weet dat de gedachte de waan vormt en dat de wereld waarin ge leeft, waan is. Uw gedachte schept, maar slechts in dat wat vergankelijk is. Uw gedachte kan herscheppen, maar slechts dat wat reeds eeuwig bestaat. Schep uit uzelf wat ge kunt buiten waan, opdat ge in uzelf herschept de waarheid, waarin het werkelijk begrip en de werkelijke vrede zijn gelegen.

Glimlach om uzelf, glimlach om de wereld, glimlach en de geboorte en om de dood. Want ziet, al deze dingen zijn niet werkelijk, mits men de zin ervan begrijpt. En om de zin te begrijpen, moet men beseffen hoe ‘n groot gedeelte waan in alle voorstellingen hiermee verknoopt leeft. Wie beseft dat iets gelijktijdig ernstig en werkelijk en toch belachelijk en onbelangrijk kan zijn, weet hoe hij werken kan en handelen kan.

Hij is vrij van de angst, die de mensen drijft. Hij is vrij van het begeren dat hen verstikt, omdat hij waarlijk zichzelf is, elk ogenblik en ten allen tijde. Uzelf te zijn, de waan achter u te laten, wil zeggen: De rust vinden, waarin het onzegbare, werkelijke voor het eerst een is met het “ik”. Ik groet u.

0-0-0-0-0-0-0

Ik kom alleen maar om in te leiden. We krijgen dadelijk weer een gast. U moet goed begrijpen, dat dergelijke sprekers een eigen stijl en een eigen frequentie hebben. Wanneer u bv. goed hebt opgelet bij de vorige spreker, dan zult u ontdekt hebben dat er ergens een schijn van tegenstellingen in zijn betoog zat. Hij gebruikte nl. de kwestie van absolute kracht en absolute werkelijkheid, als tegenstelling tot de absolute kracht en absolute onwerkelijkheid. Dat is natuurlijk niet mogelijk. Maar zijn betoog was gebaseerd op de waanwereld, op de begoocheling, dus onwerkelijkheid, die ons omringt. En wanneer wij daarvan uitgaan klopt het wel. Want wat dus voor u klopt, is in de werkelijkheid niet waar, en omgekeerd. Een betrekkelijk lastige kwestie dus, waarin misschien de meer belezener een paar principes van het Zenboeddhisme hebben erkend.

We krijgen nu een spreker die m.i. meer in de westelijke denkrichting ligt. Zijn manier van denken kent wel dezelfde basis als zijn voorganger, maar zijn ideeën liggen meer in de richting van het menselijke en niet van het bijna bovennatuurlijke of van ons standpunt uit gezien van het niet menselijke als bij de eerste spreker. Toch harmoniëren die twee.

Alleen hun wijze van benaderen is een andere. Het probleem dat ze zich gesteld hebben en de oplossing die ze vinden, is uiteindelijk gelijk. Ik wijs u er op, omdat u anders geneigd zou zijn te zeggen; als de ene meester zo spreekt en de ander zo, wat moeten wij, arme mensen, dan wel denken? En dan geldt hier, als altijd wanneer u een gastspreker hebt, dat het erg belangrijk is te letten op dat wat niet gezegd wordt. Want vaak is hetgeen niet gezegd wordt belangrijker dan hetgeen gezegd wordt, als u begrijpt wat ik daarmee bedoel! Ik wens u een bijeenkomst die voor u vele vruchten kan dragen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Tweede gastspreker

Wanneer een mens een mens ontmoet, ontmoet hij ergens zichzelf. Want wie door het leven heengaat zoekt in anderen uiteindelijk de bevestiging van zijn eigen bestaan. Hoe kun je leven zonder een ander te herkennen? Alles wat je doet en alles wat je denkt is gebaseerd op dat ene; ik wil leven. En alles wat de wereld je geeft en je geven kan, is alleen maar de bevestiging van het leven. Wanneer wij spreken over de noodzaak om elkander lief te hebben, dan spreken wij in wezen over deze bevestiging van onszelf, want een mens mag zoeken naar het gelijk, hij mag zoeken naar zijn God, hij mag zoeken naar een vervulling, maar in wezen zoekt hij alleen naar de bevestiging van dat ik, dat hij is.

Het is misschien dwaas om je zo druk met jezelf bezig te houden, maar er is niets anders.

Wanneer ik geloof in een God, die in mij leeft, dan moet ik handelen alsof die God in mij is, of mijzelf verloochenen. En dat is iets wat menigeen vergeet. Je kunt niet leven zonder iets in jezelf werkelijk te aanvaarden, zonder werkelijk het leven, de wereld en de mensheid lief te hebben. Je kunt niet leven alleen uit haat of uit wrok en uit achterdocht.

Je kunt ook niet alleen leven uit de regels, die je jezelf hebt gesteld. Je kunt alleen naar leven uit het contact, dat je hebt met de wereld, die voor jou spreekt, die wereld waardoor je weet dat u leeft.

Wanneer u voorbij gaat aan een ander mens en u zegt; deze mens interesseert mij niet, dan hebt u iets van uzelf verloochend. En wanneer een mens u iets te zeggen heeft en u gaat er toch aan voorbij, dan verloochent u niet alleen uzelf, maar dan verloochent u het leven dat in u is en dan zal er altijd een vraag blijven.

Wij leven om vragen te beantwoorden. het is gemakkelijk en te zeggen: ik sterf voor mijn geloof, of ik leef voor mijn geloof zelfs. Maar het is heel moeilijk en te beseffen dat het geloof dat je leeft, het leven is, en dat je niet sterft voor je God of voor je geloof, maar dat je alleen sterft omdat je anders jezelf niet zou zijn.

De kern van de eenheid die wij erkennen met alle werelden, alle zijn en alle leven, is gebaseerd op onszelf. Maar niet op het beperkte, egoïstische “ik”, dat zo vele mensen kennen. Want u denkt wel aan uzelf en u probeert een oplossing te vinden, maar de oplossing die u vindt is nooit de goede, omdat u niet denkt aan het leven, maar alleen aan de beperkte waarden ervan. Wanneer u gezegd wordt dat ge het moet onderzoeken, dan zult ge onderzoeken. Maar wanneer u gezegd wordt dat ge alleen het goede moet behouden, dan zegt ge; maar sommige dingen die niet goed zijn, klinken zo verleidelijk: Laat me ze nog even behouden. En daarmede verliest ge het goede, dat ge bezit. Er zijn mensen die zeggen; het goede is alleen van mij wanneer het mij alleen behoort, en zij beseffen niet dat zij het daardoor vaak verliezen.

Misschien mag ik een gelijkenis geven: Er is een mens die spreekt over alle kosmische krachten en kosmische liefde. Hij spreekt over het heelal en het leeft in hem. Maar op een dag ontmoet hij een medemens en ziet, deze lacht om zijn kosmos en hij zegt: Voor mij is de wereld alleen maar die kleine wereld, waarin ik besta. Een leven na de dood, daarin kun jij geloven, maar voor mij is het dwaasheid. En wat zegt onze vriend die de kosmos tot zijn leven heeft willen maken? Deze is dwaas en wat hij zegt is onaanvaardbaar, deze mens deugt niet.

En daarmede heeft hij zijn kosmos in gruizels geslagen. Want hij heeft ontkend dat ook de mens, die niet aan een voortbestaan gelooft, de mens die alleen aan het kleine leven gelooft en niet aan het grote, deel moet zijn van het bestaan.

Er is een mens die zondig leeft, en een ander zegt: Deze mens is zondig, maar ik ben deugdzaam en dus verwerp ik hem. En zo verbreekt hij zijn eigen deugden. Want een deugd is slechts een deugd, wanneer zij voor anderen wordt geleefd. Wanneer je voor jezelf leeft is het geen deugd. Een deugd, die is er slechts om de fouten van anderen te compenseren. Maar als je alleen maar deugdzaam bent, omdat je het zo prettig vindt om deugdzaam te zijn, dan wordt de deugd zelf tot een ondeugd.

Hier zullen velen vragen: Wat is dan uw leer? Dan kan ik alleen maar antwoorden, zoals altijd: Mijn leer is die van God in alle mensen. Een liefde die in alle mensen leeft. O, een heel doodgewone liefde. Wanneer Gods liefde alleen iets buitengewoons moest zijn, dan zouden wij God niet kunnen liefhebben en God zou ons niet kunnen liefhebben. Gods liefde ligt in de eenvoudigste dingen van het leven, ze ligt in het graan op het veld, ze ligt in ouders met een kind, ze ligt zelfs in een man en een vrouw en in de belofte van de lente; al die dingen zijn God.

Wanneer een mens beseft hoezeer alles deel is van het leven, dan zal hij voor zich zeggen; ik wil er het beste van maken. En wanneer je het beste wilt maken van het leven, dan moet je leren om te geven en niet om te eisen. Dan moet je leren en lief te hebben en geen liefde te vergen. Dan moet je leren om gelukkig te zijn en toch niet te verwachten dat het geluk jouw voetsporen zal treden.

Het is alles eigenlijk eenvoudig. Alle grote krachten zijn de uwe. Wanneer, u die krachten wilt bezitten voor uzelf, dan hebt ge ze verloren. Alle licht, alle wijsheid in de wereld is de Uwe, maar wanneer ge ze voor uzelf begeert, hebt ge ze verloren. Wanneer gij vraagt: Geef mij kracht of geef mij licht, dan hebt ge kracht of licht, want door de vraag te stellen hebt ge aanvaard dat die kracht en dat licht er kunnen zijn en wordt ge u ervan bewust.

Maar wanneer ge het vraagt in de gedachte dat iets voor u geschapen of u in het bijzonder gegeven wordt, dan zult ge ze niet vinden.

Wanneer ge erkent dat er een geheim is en ge zegt; laat mij binnengaan in dit geheim, dan hebt ge erkend dat het geheim bestaat en het zal in u groeien en het zal zich openbaren. De poorten van het geheim gaan open en ge kunt een nieuwe wereld betreden.

Maar op het ogenblik dat ge zegt: Geef mij het geheim voor mijzelf, dan klopt ge aan een poort die niet bestaat, want er bestaat daar geen waarlijk geheim. Het bestaat slechts in de wereld die gij nog niet kunt beseffen, het bestaat slechts een waarheid die zich aan uw denken onttrekt. Maar alle dingen zijn.

En zo zult ge vaak uzelf afvragen; Wat is er nodig in de wereld? Dan is altijd weer het antwoord: Zorg dat de hongerige verzadigd zijn, dat de dorstigen hun dorst kunnen lessen. Troost de gevangenen, genees de zieken, breng de mensen vreugde. Breng ze troost, zorg dat ze dichter bij God leven. Niet door over God te spreken, maar door iets van God aan hen te geven.

Misschien is dit voor u te eenvoudig, want het is maar geloof, nietwaar? Wanneer ge zegt: Geef mij geloof, dan erkent ge dat er iets is wat ge moet geloven en dan kan er een geloof geboren worden. Maar als ge zegt: Er is geen geloof en er is niets wat ik kan geloven, ik moet alles bewijzen, dan zult ge niets bewijzen en zult ge slechts uw eigen onvermogen zien en meer niet.

Wanneer u in het leven soms moeilijkheden tegemoet treden of ge strijdt met anderen, dan kunt ge zeggen: Dit is voor mij noodzakelijk, want zo ben ik. Maar ge kunt ook zeggen: In die ander is een wereld, die ik nog niet ken. Ik moet die wereld kunnen betreden.

Wanneer een mens u zondig lijkt of dwaas en ge begrijpt waarom hij zondig is of dwaas, dan zult ge ook beseffen dat hij even dicht staat bij alle lichtende kracht, bij God zelf als gij. Wanneer een mens genodigd wordt tot het licht, wanneer je in jezelf weet dat het licht bestaat, dat er een kracht is, dat er een gebeurtenis zal zijn, maar je zegt; ik heb nu geen tijd, zo dadelijk, dan komt er in de plaats daarvan het duister. Want wanneer ge licht krijgt en ge wilt het licht niet aanvaarden, dan wordt u geen licht gegeven en blijft u alleen het tegendeel over. Wat het leven u geeft, dat zult ge moeten aanvaarden, anders krijgt ge het tegendeel.

Wie te ijverig streeft, zal zien dat hij met zijn streven niets bereikt, voor zichzelf. Wie te ijverig zoekt, zal ontdekken dat hij niet vindt. Slechts wanneer het zoeken is een erkenning in de eerste plaats, dat er verborgen dingen zijn, zullen ze zich openbaren. Wanneer u over het veld gaat, dan zal er in de hete zon soms een hagedis op een steen rusten. En wanneer je zo kijkt, dan zie je het diertje niet, maar ben je stil en rustig, dan opeens wordt tot weten wat je hebt gehoopt, dat er een hagedis is die de zon geniet.

Zo is het met de waarheid. Wanneer wij zoeken, dan moeten wij niet trachten om met groot geweld alles om te ploegen om alles te aanvaarden. Want dan zullen wij niets vinden. Dan is dat kleine feit, wat voor ons zo belangrijk is, al lang verjaagd door het gerucht dat wij hebben gemaakt. Maar wanneer wij rustig kunnen zijn en toch weten dat het feit er is, dan zal het zich aan ons openbaren.

In het hele Al is er een kracht die alles domineert. Dat is de kracht die u kan doen ingaan in de meest vreemde werelden van de geest. Het is de kracht waarmee ge duivelen kunt uitdrijven en kunt genezen, het is de kracht die u ook stompzinnig door het leven kan doen gaan, terwijl er niets is wat uw wezen werkelijk beroert. Die kracht is, zo vreemd als het klinkt, de liefde voor het leven. Hoe meer gij uzelf lief hebt, hoe minder het leven u liefheeft. Hoe meer gij het leven lief hebt, hoe meer liefde het leven u schenkt.

Waarheid, is iets wat wij allen begeren. Maar welke waarheid kunnen wij beseffen, als wij geen waarheid in onszelf dragen?

Slechts de mens die waar is tegenover zichzelf vindt de waarheid. Wanneer ge verraad pleegt is dat niet erg, maar dan moet ge erkennen dat ge verraad hebt gepleegd. Wanneer ge intrigeert dan is dat op zichzelf niet zo erg, maar ge moet erkennen dat ge intrigeert en u afvragen of het soms anders kan.

Sommige mensen gaan gebogen onder al wat het verleden is. Hen denkt dat zonden of schulden of fouten dingen zijn die je altijd bij je draagt. Wanneer u gezegd wordt: Gaat heen, uw zonden zijn u vergeven, dus uw schuld is gedelgd, het verleden is niet meer, dan moogt ge niet eens meer terugdenken aan het verleden. Het is alsof het nooit geweest ware. Wanneer ge dat aanvaardt, dan is dat verleden weg, dan is daarvoor in de plaats het heden gekomen.

Wanneer u gezegd wordt: Heb lief zonder grenzen en ge zegt; ja, maar hoe, dan hebt ge al gezondigd en hebt ge de liefde al weggeworpen. Wanneer u gezegd wordt: Heb lief zonder grenzen, dan betekent dit dat alles uw liefde waardig is, het lelijke en het schone.

Hebt ge het leven lief zoals het is? Ge zult leven uit die liefde en ge zult erkennen dat het hele leven tot u spreekt.

Gij zoekt waarheid, maar kunt gij waarheid vinden, wanneer ge de waarheid wilt binden aan uzelf? Gij zoekt God, naar kan God tegen u spreken wanneer gij niet naar God wilt luisteren? Gij zoekt kracht, maar kunt gij wel kracht bezitten wanneer ge u voortdurend inspant om die kracht te verkrijgen en niet wacht tot de kracht zich in u openbaart?

Tracht niet meer te zijn dan gij zijt. Wees u zelf, zoals gij zijt, zoals gij leeft. Maar verwacht in dit leven steeds weer de mogelijkheid om blijvend meer te worden. Niet het opvlammen van een ogenblik, uit een vreemde macht, die u weer verlaat, maar het groeien naar een volmaaktheid van leven en kracht.

Ge zult beseffen dat dit alles maar het begin is van een leer. Want er is zeer veel wat je met mensen moet bespreken, voordat ze iets begrijpen van de werkelijkheid, van het leven. Maar laat mij u dan althans een paar dingen zeggen.

  1.  Waarom hebt gij zo vaak gehandeld tegen uzelf in? Als ge daarop een antwoord weet, dan weet ge waarom Petrus zijn Meester verloochende. Waarom Judas Hem heeft verraden. Dan weet ge waarom er oorlogen zijn op de wereld en dan weet ge ook waarom er geen wonderen gebeuren. Waarom verloochent ge uzelf? Wie zichzelf verloochent, verloochent het leven en wie het leven verloochent kan nimmer de harmonie vinden met de werkelijkheid.
  2. Laat mij u een tweede vraag stellen en trachten een tweede antwoord te geven. Waarom denkt ge dat ge belangrijk zijt? Nu? God is belangrijk. In Hem leeft gij en in Hem zijt gij eeuwig. Maar hoe dit gebeurt zult ge nog niet beseffen. Gij zijt niet belangrijk. Uw meningen zijn niet belangrijk. Belangrijk is slechts dat ge tracht om te leven, en uzelf te zijn. Belangrijk is dat ge in uzelf de strijd weet te maken tot vrede.
  3. Een derde waarheid: Alle mensen zoeken naar de bron des levens. Zij denken dat zij ergens een bron vinden van wijsheid en van kracht die de eeuwigheid zal zijn, voor hen. Waarom zoeken mensen naar datgene wat in hen leeft, altijd elders? Ook gij? Is het misschien omdat zij bang zijn dat die bron van eeuwigheid en leven in henzelf voor hen en grote verantwoordelijkheid betekent? Kunt gij dan uzelf ontgaan en dat wat in u leeft? Hebt ge het recht datgene wat in u is, te ontkennen? Erken wat ge zijt, leef wat ge zijt, maar leef het niet alleen voor uzelf, maar leef het omdat dit God is die door u spreekt. Dan zult ge weten wat de bron des levens is.

En nu wordt het voor mij tijd u te verlaten. Toch wil ik u een klein beeld geven. Waar de schapen geleid worden, moet de herder leiden. Waar de dwazen beschermd worden, moeten de wijzen beschermen. Maar wie eenmaal een begin van wijsheid heeft gevonden, zal nooit tot de dwaasheid kunnen terugkeren. Gij, hebt meer begrip dan voor de eenvoudigen noodzakelijk is. Gij bent niet zijn schapen. Gij zijt nog geen herders. Maar toch zult ge moeten groeien naar dit herder zijn. En zo ge twijfelt aan uzelf, beroep u op de kracht die in u is. Het woord, dat misschien dwaas klinkt in uw oren en dat toch een Waarheid is, waaruit kracht geput kan worden tot in het oneindige:

De Vader, God, leeft in mij.

In mij is Zijn kracht., in mij is Zijn wet. In mij is Zijn liefde.

Uit Hem volbreng ik,

Door Zijn wezen en kracht zal

Ik volbrengen, en Al wat geschiedt zal zijn Zijn

wil en Voeren tot de verwerkelijking van Zijn

eeuwigheid.

En zo u dit niet genoeg is, roep de Vader met de naam, die ge kent. Roep Hem als Adonai, roep Hem als Jahwe, of roep Hem als de Liefde of als de Onbekende. Want God antwoordt niet op en naam, maar op een behoefte. Zo gij in de naam van de Kracht Die, in u leeft wilt werken, zo ge uit die Kracht wilt volbrengen, aanvaard die Kracht in u, beroep u op die Kracht en werk met die Kracht.

Zo zal u de zekerheid gegeven worden van uw wezen en uw wens. Zo zult ge vrij zijn van alle dingen die onbelangrijk zijn, en zo zult ge Waarlijk in uzelf weten wat uw leven belangrijk maakt.

Speel met het onbelangrijke, leef uit het belangrijke en volbreng dat, wat God in u heeft gelegd als zijnde waarlijk deel van uw leven en taak.

Vrienden, ik zal u niet mijn zegening geven, al zou ik het kunnen doen. Zegen uzelf, beroep u op de Kracht in u en ge zult meer bezitten dan ik u ooit kan geven. Want dan zult ge het besef hebben van Gods Liefde, Die in u leeft. Het ga u wel.

image_pdf