De meditatie van het rad

12 juli 1963

Ik wijs u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik koos voor heden een onderwerp, dat misschien voor u wat zwaar is, maar m.i. toch belangrijk kan zijn bij het verwerven van een begrip omtrent de ontwikkelingen van deze dagen en de invloeden van deze tijd. Ik wil u spreken over: De meditatie van het rad

Het rad is een symbool van het leven, dat wij vooral aantreffen in de streken van de wereld, waar het lamaïstische boeddhisme heerst. Het is een voorstelling, waarin alle werelden worden geschetst, die de ziel kan doorlopen tijdens haar bestaan. De voorstelling heeft echter vele minder algemeen bekende betekenissen en is als zodanig het onderwerp van vele meditaties. Zelfs de grootste denkers uit dit deel van het Oosten zetten zich soms neer met een afbeelding van het rad voor ogen en komen al mediterende tot beschouwingen, waarvan ik er hier enkele wil trachten weer te geven. Natuurlijk kan ik u geen letterlijke weergave van hun gedachten geven. Het volgende is dan ook eerder een vrije samenvatting van de vele beelden, die tijdens hun overwegingen ontstonden.

“Het rad zelf toont ons, hoe wij ons bevinden aan de buitenzijde van het leven. Vele spaken lopen van de rand naar het middelpunt. Daar, in de naaf van het rad, begint de werkelijkheid. Alles wat wij kennen is schijn, maar alle schijn heeft zijn oorsprong in de werkelijkheid zelf. Uit de werkelijkheid worden dan ook alle werelden en mogelijkheden geboren.”

De mediterende probeert zich voor te stellen, wat deze werelden wel kunnen zijn. Want wanneer de geest bevrijd is van het menselijke lichaam en doordringt in de geheimen van de kosmos, zal zij zich tevens vrijer maken van de vele begoochelingen, die de mens beletten de waarheid zelf te zien. Boven alles is het echter belangrijk, dat men inzicht krijgt in eigen leven. Het rad is een aanwijzing voor de paden, die de geest tot dit doel moet volgen. Vandaar dat het niet zo dwaas is, wanneer een mediterende priester stelt:

“Wanneer wij ons laten drijven door het rad der tijd, zo zijn wij slaven van de waan: ons zijn beperkingen gesteld. Wij leven op een wereld, wij leven in een heelal. En deze zijn onze begrenzing. Wie echter zal ons zeggen, dat de wereld, die wij als alomvattend en het geheel van het levende beschouwen, in wezen niet meer is dan de afstand tussen twee spaken van het rad? Hoeveel heelallen, hoeveel werelden kunnen niet gegroepeerd liggen rond de naaf van het rad? Elk van hen zal dan een bepaalde eigenschap bezitten, een bepaald weten bezitten, een bepaalde werking van de waarheid weergevende. Zonder bewustzijn is echter alles nietig. Daarom is het aan te nemen, dat elk van deze werelden, elk van deze ruimten tussen de spaken van het rad, een levensvorm voort zal brengen, die eens tot de naaf, tot de kern van alle dingen door zal kunnen dringen. Zijn dan alle geestelijke werelden die wij menen te kennen, alle sferen, die wij betreden, wel zover van onze eigen stoffelijke werkelijkheid verwijderd, als wij wel denken? Zouden hel werelden en hemel werelden niet even werkelijk bestaan als onze wereld, maar deel uitmaken van een ander heelal?”

U zou hier misschien over verschillende dimensies spreken. En wanneer men zich zo intens met het leven na de dood bezig houdt als in de kloosters van Tibet veelal het geval is, zal een meditatie als de voorgaande, ongetwijfeld bij de bewuste de vraag doen rijzen, of er nu wél werkelijk verschil is tussen de werelden van de geest en van de stof, of het in wezen niet even stoffelijke en werkelijke, maar op vreemde wijze van elkander gescheiden bestaande heelallen zijn. Dit is echter slechts een begin van de overwegingen, die men aan het rad kan binden. Een andere grote denker stelt al mediterende:

“Wanneer het rad nu verder draait en wij blijven bij de wenteling ervan achter, zal er misschien een ogenblik komen, dat een spaak ons voorbij kan gaan. Zullen wij ons dan niet – zonder dit werkelijk te beseffen – in een ander heelal bevinden, plotseling alle grondwaarden van onze wereld, onze werkelijkheid zien veranderen zonder te beseffen hoe of waarom?”

Het is duidelijk, dat deze vorm van mediteren de wijze van de gebaande paden afvoert, zodat zijn denkwijzen zeer moeilijk te volgen zijn. Sommigen beseffen, dat zij met deze overwegingen de menselijke mogelijkheden van begrip té ver achter zich laten en geven hun overwegingen een geheel andere vorm, ofschoon zij in wezen dezelfde invloeden registreren. Dan treffen wij de volgende gedachtegang aan:

“Er is een wet, die alle ontwikkelingen bepaalt, want er is een scheppende kracht of een scheppend wezen, dat, vanuit ons standpunt, zetelende in de naaf van het rad, bepaalt op welke tijd, waar en hoe een bepaalde vorm van leven ontstaan zal. De mens is een wezen, dat zich enigszins vrij heeft gemaakt van deze bindingen. Hij is niet geheel vrij, maar zijn vermogen tot zelf denken, zelf willen en streven, de zo voor hem geschapen mogelijkheid het pad te gaan en de pijlers van de waarheid te beseffen, maken hem tot een wezen, dat als verschijnsel niet meer gebonden kan zijn aan één enkel deel van het rad, aan één enkel deel van de tijd. Het menselijke wezen zal in elke nieuwe wereld, die ontstaat, kunnen passen. De levende krachten wijzigen de wereld, de mens echter dient zichzelf te wijzigen.”

Met deze vorm van meditatie komen wij onder meer dicht bij de stelling van de wortelrassen. Zoals echter vaak gebeurt, liet deze mediterende wijze zich ten dele beïnvloeden door de eerste gedachte, door mij gesteld en komt dan tot de gedachte:

“Wanneer de mens echter achterblijft bij het totaal der ontwikkelingen, zal hij met zijn betrekkelijke vrijheid van willen en denken niet als mens en vrij wezen kunnen blijven voortbestaan in de bereikte vorm, maar zal terugvallen naar een vroeger vlak, omdat de ontwikkelingen in de wereld hem een werkelijk gevormd bestaan daarin steeds moeilijker zullen maken. Zal hij dan niet eerder het verleden bereiken in plaats van in te passen in de door de levende kracht gevormde toekomst?”

Ongeacht de grote verschillen in denken tussen het Oosten, dat dreigt achter te blijven en het Westen, dat zijn innerlijke waarden nog niet voldoende beseft, is dit een punt dat de overweging ook voor de westerse mens ten volle waard is. Wanneer in deze moderne wereld de mensen terugvallen op de in zich dwaze denkbeelden van macht en geweld als enige middelen om te bestaan, zoals men dit noodzakelijk acht, ja, als oplossing voor alle problemen, daarbij verder de al even dwaze opvatting hanterende van recht en gerechtigheid als zetelend buiten de mens, in plaats van te beseffen, dat deze waarden alleen in de mens tot werkelijk leven kunnen komen, is het inderdaad niet verwonderlijk, wanneer de mensen terugvallen tot hun oerstaat, weer wonend in holen en met primitieve middelen jagend op dieren, sterker en machtiger dan zijzelf.

Indien echter de innerlijke mens zich mee ontwikkelt met de ontwikkelingen van de tijd, zal er een ogenblik komen, dat de waarden waaruit zijn wereld is gebouwd, de begoochelingen, waaraan hij gebonden pleegt te zijn, geheel zullen veranderen. Nu is het kenteken van de afgelopen tijd een snelle ontwikkeling van de techniek en sociale gemeenschappen. Bij een voortgaan van de menselijke ontwikkeling zal een geheel nieuw tijdsbeeld moeten ontstaan, waarvan men nu de mogelijkheden en consequenties nog niet kan overzien. De mens zal geestelijk overwicht moeten hebben op de wereld van vandaag, om de wereld van morgen te kunnen aanvaarden.

Terug echter tot de meditaties van de wijzen. Wij kunnen wel trachten de achtergronden van deze denkwijzen duidelijk te maken en de waarheid, die ook voor de wereld van heden daarin schuilt, nadrukkelijk te vermelden, maar het is toch de oorspronkelijke gedachte vooral die belangrijk is en blijft.

“Wanneer het rad zich wentelt, kan ik mij van de kringloop wel bevrijden, maar slechts ten koste van veel moeite. Want hoe dichter ik de naaf van het rad nader, hoe verder ik van de primitieve verschijnselen kom af te staan. Maar gelijktijdig zal het mij toeschijnen, dat de buitenzijde van het rad steeds sneller gaat draaien en mijn wezen, daarin gebonden, zal steeds sneller de belevingen en noodzaken op elkaar zien volgen. Wanneer ik geestelijk opstijg naar de naaf van het rad, zullen dus de gebeurtenissen en ontwikkelingen zich in mijn leven steeds meer versnellen. Dat wat anders vele levens zou vergen, vergt voor hem, die is gestegen, misschien enkele dagen of uren, maar de lasten blijven gelijk en worden in verhouding zwaarder. Hoe dichter ik dus de naaf benader, hoe verwarrender de snelheid moet zijn, waarmede het gebeuren op stoffelijk niveau mij schijnt te beroeren. Om te komen tot het tijdloze moet men eerst de snelle drift van de tijd ondergaan.”

Ook déze denkwijze is, naar ik meen, zeer belangrijk. Wanneer een menselijk ras – of een enkele mens – bewuster wordt en dus de mogelijkheid heeft, zijn eindbestemming steeds meer te naderen, zullen de ontwikkelingen, waaraan dit ras – of deze mens – deel heeft, steeds sneller plaats gaan vinden en zo aan zijn aanpassingsvermogen steeds hogere eisen gaan stellen. Dit lijkt mij een logische stelling: wanneer wij de ontwikkelingen vergelijken uit de jaren 2000 v. Chr. en 1000 n. Chr., met de ontwikkelingen, die plaats vonden tussen 1850 en 1950, zullen wij immers toe moeten geven, dat op bepaalde gebieden deze 100 jaren meer waard zijn dan 30 eeuwen. Om dit alles te kunnen verwerken en hanteren, zal de mens ook zelf geestelijk en stoffelijk aanmerkelijk gestegen moeten zijn, al zal hij dit zelf niet zo gemakkelijk kunnen ontdekken. Sommigen zullen willen stellen, dat de ontwikkelingen van de techniek een aanpassing in denken en leven van de mens eisen. De wijze stelt echter, dat de levende kracht bepalend is voor alle mogelijkheden, maar dat de mens zelf alleen deze tot werkelijkheid kan maken. Zo zal het bewustzijn van de mensen eerst moeten stijgen, voor het tempo van leven zich kan verhogen en de ontwikkelingen steeds sneller ook in de stof merkbaar worden. Alleen wanneer de mensheid stijgt in geestelijk opzicht, zal de tijd waarlijk sneller worden.

Dit alles zou zinloos zijn, wanneer het geen doel had. De mediterenden spreken over dit doel wel als de afgrond van de waarheid of de kloof van de tijd. Een van hen beschouwde het rad en sprak tot zichzelf:

“Ik ben in deze werelden bevat als een kind in het lichaam van de moeder. Geborgen in een omgeving die aangepast is aan de behoeften van mijn wezen, geniet ik een beperkte vrijheid van denken en van handelen.  Maar hoezeer ben ik niet afhankelijk van alles wat mij voedt en in stand houdt, hoe beperkt is niet de wereld, waarin ik ‘vrij’ ben? Wanneer ik nu nog een ongeborene ben in het kosmisch bestaan, zal mijn bereiken van de naaf van het rad misschien betekenen, dat ik een geboren kind van de werkelijkheid word. Een kind van de levende god, van het tijdloze misschien. Maar als ik dan als kind leef, zo zal er een moeten zijn, die ouder is dan ik en mij heeft voortgebracht.”

Zo mediterend ontwikkelt de denker, die ik nu citeer, een stelling, die naar mijn oordeel niet alleen een grote schoonheid, maar ook een zeer grote waarheid bevat.

“Voor er mensen waren, moet er leven zijn geweest. Want eeuwig wentelt het rad. Zij, die vroeger opgestegen zijn, zo als allen die de naaf bereikten, zullen een keuze moeten doen: zij moeten het oude verlaten en leven in een geheel nieuwe zin, of terugkeren, zonder ooit de gebondenheid met de vroegere wereld geheel te kunnen herstellen. Zouden de demonen, die dreigend door de dalen sluipen wanneer de duisternis gevallen is, niet wezens zijn, die bij het bereiken van de kennis, het nieuwe leven hebben verworpen en terug wilden keren? Maar zij, die bereikt hebben en wel het nieuwe leven aanvaard hebben, zullen staan in een geheel nieuwe wereld, waarin zij niet méér kunnen zijn dan onwetende kinderen. Ook wanneer ik het einddoel bereikt heb, zal ik nog veel moeten leren. Want niet in de daadloosheid, die het ogenblik van geboorte in de werkelijkheid vooraf gaat, kan de mens de werkelijke bereiking bevatten. Verder en verder moet de mens gaan naar waarheden en nieuwe werkelijkheid. Want wij kennen slechts één enkel rad. Maar wie zegt mij, dat het leven niet een wagen is met meerdere raderen. Ja. Ik moet verder gaan, steeds weer strevende, tot ik de wagen in zijn geheel ken. Dan misschien zal ik beseffen, wie de voerman is.”

Dan besluit deze denker deze overweging door ongeveer als volgt te denken:

“Wij die deel zijn van het rad, moeten worden tot de as, waarrond het rad der gebeurtenissen en veranderingen zich wentelt. Wij moeten meer zijn dan dit: wij moeten groeien tot een erkenning van beweging, ruimte en tijd in een nieuwe volledige werkelijkheid. Daar zullen wij dan ons erfdeel van de volle bewustwording moeten aanvaarden, opdat wij leren de raderen te bouwen uit tijd en ruimte. Want een mens is een god, wanneer hij zijn erfdeel van bewustzijn aanvaard heeft.”

Vooral dit laatste deel van de overweging is niet geheel boeddhistisch te noemen. Vooral de gedachte aan de mens, die tot god wordt, wanneer hij zijn uiteindelijke bestemming bereikt, zal de zuidelijke boeddhisten onaanvaardbaar lijken. Wij moeten echter niet vergeten, dat de noordelijke lamaïstische boeddhist een wereld van goden en demonen aanvaardt. Hij bezweert in zijn kloosters goden en demonen, tracht de natuur te beheersen en geeft de goden voertuigen, opdat zij spreken kunnen. Daarom is het beeld van een mens, die tot god wordt, voor deze denkers wel degelijk geheel aanvaardbaar.

Wij spreken nu over de meditatie van het rad, daarbij steeds weer uitgaande van overwegingen, die beginnen met hetzelfde symbool. De gelijkheid van het punt van meditatie betekent echter niet, dat nu ook alle meditaties gelijk zijn: elk, die zo mediteert, zal de problemen daaruit lezen die voor hem belangrijk zijn, eenieder bouwt zijn eigen beelden op en eenieder zal op eigen wijze een vernieuwing of uitbreiding van bewustzijn in deze meditatie kunnen bereiken. Zelfs de waarde, die men aan het rad toekent als symbool, kan sterk verschillen.

Zo kan men ook uitgaan van het standpunt, dat het rad slechts een symbool is van de vele fasen van menselijk bestaan, van de vele levens, die gezamenlijk de bewustwording vormen, van de oneindige reeks van metamorfosen, die tezamen ‘leven’ vormen. Want al meent men als mens, slechts eenmaal te leven, wie zal zeggen hoeveel malen men reeds geleefd heeft en in welke vormen?

“Wij die niet weten, wanneer en hoe wij zullen herleven, wij die vaak slechts een vaag besef hebben van alles, wat wij geweest zijn in het verleden, dienen voor alles te zoeken naar een taak, die meerdere levens omvat. Want slechts wanneer men in zijn streven een continuïteit legt, die meerdere levens kan omspannen, zal men zich bewust zijn van elk punt van het pad dat men betreedt. Wat men eens bereikt heeft, zal men altijd weer kunnen bereiken, wanneer de innerlijke band met een verleden niet gebroken wordt. Daarom is het van uiterst belang een punt te vinden, dat verschillende levens en bestaansfasen samenbindt.”

“Wanneer ik een taak volvoer, zo geeft zij mij de tijd van vele levens zonder werkelijke onderbrekingen om daarin te leven, te streven en te mediteren. Zij geeft de inhoud van het eigen Ik geheel weer en voorkomt een uiteenvallen van eigen werkelijk bewustzijn in de vele kleine brokstukken van verwarring, die men als mens ‘denken’ pleegt te noemen.”

Deze denker bouwt zich een beeld op van een eeuwigheid, waarbij men niet meer gebonden blijft aan onwillekeurige waarden van bestaan, maar waar het Ik verbonden is met een taak, die de waarden van het Ik als geheel doet voortbestaan.

In uw wereld gaat men vaak uit van het standpunt, dat het leven nu eenmaal een verschijnsel is dat men ondergaat. Om aan het leven echter een werkelijke inhoud te geven en als mens werkelijk iets te bereiken, moet je van het begin tot het einde van het leven in een vaste richting leren gaan en streven. Dit streven, dat het leven beheerst, bepaalt de waarde van de eigen persoonlijkheid. Het zal ongetwijfeld ook bepalen, wat men later zal zijn, bv. wanneer de dood u tijdelijk uit de menselijke gemeenschap wegneemt. Zeker zal het streven, dat men kende op aarde, in grote mate bepalend zijn voor alles wat er verder met het Ik gebeurt. Daarom is deze denker wel gerechtigd te stellen, dat het vinden en volvoeren van een taak in alle leven het meest belangrijke aspect van bestaan is.

De volgende meditatie bevat gedachten, die mijn inziens het voorgaande kunnen aanvullen:

“Het rad wentelt niet in het ledige. Het wentelende rad gaat langs de weg van de bereiking. Zo zal een ieder voor een kort ogenblik in contact zijn met het ware pad van de bereiking. Maar slechts wie beseft, dat dit de weg is, zal er vruchten van plukken, terwijl slechts hij, die weet waarheen het pad voert, zal kunnen beseffen wat bereiking in wezen is. Het is dus voor mij niet voldoende het rad op zich te beschouwen. Want om de zin van de dingen te doorgronden, zal ik uiteindelijk moeten beseffen, waar dit rad heen wentelt. Maar dit is alleen denkbaar, wanneer het Ik zich los kan maken van de beweging van het rad, die alle leven en bewustzijn meesleurt, nu eens het Ik verwijderende van het pad van de bereiking, dan weer het daartoe terugvoerende, zonder ooit dit duidelijk kenbaar te maken. De beroeringen, die het rad in mij veroorzaakt, beletten mij de waarheid te zien. De inkeer tot mijzelf, het vinden van de sfeer van rust in mijzelf, is daarom voor mij een allereerste noodzaak. Het is dus goed alle streven allereerst daarop te richten. Want eerst hij, die de innerlijke rust gevonden heeft, zal de wenteling van het rad in ware vorm kunnen erkennen en zo iets van de weg kunnen beseffen, die door het rad wordt afgelegd.”

Een andere denker spreekt in beelden tot zichzelf, wanneer hij mediteert. Ook hij beschouwt de vooruitgang van de wereld als iets, wat een voortdurende terugkeer, een in zich besloten reeks van herhalingen inhoudt. Hij vraagt zich af, wat de mens in deze wentelingen gebonden houdt, beseft  wat de basis is van de menselijke dwaasheid, en komt tot de conclusie, dat de grootste dwaasheid, de kracht, die de mens het sterkst van de werkelijkheid verwijdert, de haat en de verwerping is.

“De mens, die de haat aanvaardt als een normaal deel van het leven, aanvaardt daarbij ook het geweld als een normaal deel van het leven. Wie echter tijdens de loop van het rad geweld aanvaardt, dwingt zichzelf het geweld te herhalen, het hernieuwd te ondergaan. Daarom is het gewenst, dat men allereerst de stelling, dat geweld een noodzakelijk bestanddeel van alle leven is, verwerpt.”

Er zijn knappe staatslieden die menen, dat oorlog en geweld onvermijdelijk zijn. Zou dit misschien de reden zijn, dat de mensheid op aarde steeds weer naar dierlijkheid en primitiviteit dreigt terug te keren? Zou dit misschien de reden zijn dat in de geschiedenis van de aarde zich steeds weer gelijke situaties ontwikkelen, dezelfde situaties zich met slechts zeer geringe wijzigingen herhalen? Zou het niet mogelijk zijn om vrede te vinden? Het rad zelf kent echter geen vrede. De vrede, de rust, kan niet liggen in een rad dat in voortdurende beweging is en voort rolt langs ongekende wegen. Om vrede te kennen, dient men ook rust te kennen. De volgende meditatieve overweging sluit hierbij aan:

“Ben ik niet zelf als een rad, voortdurend mijzelf opjagende tot steeds grotere snelheid, steeds grotere belevingen? Ik vernietig echter de rust in mijzelf, door bovenal steeds weer meer te willen studeren, te willen beleven, te willen bereiken. Is dit alles, wat ik zo belangrijk acht, niet eigenlijk alleen de buitenzijde van mijn wezen, de band van het rad, dat ik ben? Ergens in mij moet een verborgen kern zijn van vrede en rust. Wanneer ik deze kern in mijzelf kan bereiken en beseffen, krijgt alles in leven zin en eerst werkelijk betekenis. Dan eerst kan ik verleden en toekomst samenbrengen en toch de juiste betekenis daarvan blijven beseffen. De wereld van goden en demonen, de verborgen grotten van de heerser van de wereld, liggen dan voor mij open. Wanneer ik innerlijk rust ken, ben ik waarlijk eeuwig en zijn de krachten van de eeuwigheid geen ondoorgrondelijke geheimen meer. Maar waar ik innerlijk niet gerust ben, daar, waar een streven zonder erkende zin, zonder werkelijke inhoud, mij voortdrijft, zal ik gebonden zijn aan de waan van de tijd, de begoocheling, die men leven noemt, maar slechts een droom is.”

Mogelijk zijn deze beelden, en vooral het laatste, u vreemd. Bedenkt dan, dan deze gedachten voortkomen uit mensen, die de rust op eenvoudiger wijze weten te vinden dan u.

Deze meditaties hebben vele mensen er toe gebracht zich terug te trekken in de bergen. Er zijn zelfs kloosters, waarin alle werkelijk monniken, die waarlijk streven, zich terugtrekken en, levend in eenzaamheid als kluizenaars in de bergen, alleen naar het klooster komen, wanneer de hoorn klinkt die hen samen roept. De westerse mens in de moderne wereld kan die vorm van stoffelijke rust misschien niet zo gemakkelijk meer vinden. Maar de kern van de stellingen is steeds weer, dat de rust niet van buitenaf kan komen, maar door de mens in eigen innerlijk gevonden dient te worden.

De meditatie over het rad des levens brengt enkele haast ontstellende ontdekkingen met zich. In de eerste plaats wel, dat er een ogenblik zou kunnen komen, waarin alle wetten en regels, die tot dan toe op de wereld golden, opeens en zonder kennelijke oorzaak opeens veranderen. De mens, die zich daaraan niet binnen redelijke termijn kan aanpassen, zal terug moeten vallen tot de beginontwikkeling van de periode, die hij reeds voltooid meende te hebben. Ten tweede blijkt het niet voldoende te zijn om te streven naar de eeuwigheid: de eeuwigheid zelf moet zin hebben.

Het is om waarlijk bewust te leven niet voldoende innerlijke rust te vinden, of zelfs maar een begrip van eeuwigheid te verwerven. Men is eerst werkelijk bewust, wanneer men de zin van alle leven en eigen bestaan heeft doordacht en beseft. Daarbij komt, dat dit laatste niet zo gemakkelijk mogelijk is. De zin van het leven wordt eerst kenbaar in de bereiking. Dus zal men steeds onzeker zijn, steeds weer zichzelf moeten ondervragen en is er geen vaste en onveranderlijke leidraad voor de mens, die misschien wel wil geloven, maar dit niet kan doen op basis van een eigen erkennen en weten.

Ten laatste, vrede moet gevonden worden in het Ik en niet daar buiten. Het Ik moet het geweld verwerpen, niet omdat het het geweld vreest, maar omdat alleen door het verwerpen van alle geweld en haat de vrede binnen het Ik waarlijk gevonden kan worden. En alleen zij, die vrede in zichzelf hebben gevonden, kunnen de eeuwigheid benaderen en uiteindelijk ook bewust beleven. Ofschoon dit alles geen wetten zijn, maar alleen regels, die door de denkers en ingewijden erkend werden, zijn zij ongetwijfeld van groot belang voor eenieder, die zijn eigen plaats te midden van de schepping wil leren kennen. Toch is dit niet alles, want:

“Zoals de naaf bepaalt hoe het rad loopt, zo bepaalt de bewuste, wat de wereld zal zijn. Zo alle uiterlijkheden waan zijn en de innerlijke band met de oneindigheid de enige hier hanteerbare werkelijkheid vormt, zal eenieder, die in die werkelijkheid leeft, alleen reeds door zijn kennen van de werkelijke toestand en feiten alle waan kunnen richten, beheersen en veranderen.”

Dit nam ik uit een meditatie over het rad door een priester, die ook als groot magiër naam had. In zijn verdere overwegingen vind ik onder meer dit:

“Wanneer ik erken, dat er geen werkelijk vuur is en geen werkelijke regen, dat er geen werkelijk zon of aarde hoeft te bestaan, zal ik regen, vuur, zon en aarde uit mijn gedachten kunnen herscheppen naar mijn behagen. Wanneer ik roep tot de wind en meen te roepen tot een werkelijke kracht, zal zij mij niet gehoorzamen. Indien ik echter roep tot mijn eigen dromen en die dromen zeg: wijzig u, zo zal men mij gehoorzamen. Waar ik erken, dat mijn werkelijkheid niet deel is van een onveranderlijk geheel, maar in de vorm, waarin ik haar ken, iets is, dat ik schep uit mijzelf, een droom, gebouwd uit bouwstenen van kracht die de kosmos mij gegeven heeft, zal ik mijn meesterschap over alle dingen kunnen bewijzen en slechts afhankelijk zijn van één kracht: de kracht van de kern van de waarheid.”

Deze mens mediteert dus wel op een zeer bijzondere wijze. Hij tracht zijn eigen positie en mogelijkheden te bepalen. Hoewel deze stellingen onwerkelijk lijken, dient men te beseffen, dat deze priester een groot magiër was en vele malen zijn meesterschap over mensen, dieren en natuur bewezen had, ook al beoefende hij deze magie slechts incidenteel. Hij komt tot de volgende conclusie:

“Ofschoon men zegt, dat ik ver gevorderd ben op het pad, ben ik nog te zeer slachtoffer van waan, om alle dingen te beheersen. En waarlijk, wanneer ik mijzelf niet aan de waan kan onttrekken, hoe kan ik hopen de waan rond mij bewust te vervormen? Daarom moet ik stijgen tot het bewustzijn (hier vinden wij weer dezelfde term terug, die wij in andere meditaties reeds aantroffen) van de kosmos en een innerlijke verbondenheid daarmede. Zodra de tijd mij niets meer zegt en plaats mij niets meer betekent, maar in mij de werkelijkheid woont, zal ik meester kunnen zijn van alle dingen. Tot die tijd ben ik niet meer dan een zoeker, die vaak slaaf is zonder dit zelf te beseffen.”

In deze gedachtegang is veel verborgen, wat men ook de moderne mens wel eens voor zou mogen leggen:

Uw wereld wordt op het ogenblik overstelpt door vele eigenaardige gebeurtenissen. Boeren en arbeiders komen in opstand en staken. Men begaat in toenemende mate onrecht tegenover zichzelf en anderen in naam van het recht. Overal zijn revoluties. Moord wordt een steeds meer gehanteerd middel om eigen wil door te zetten, ook al noemt men dit dan oorlog of gerechtvaardigd verzet. Zouden de redenen, die men daarvoor geeft nu werkelijk zijn, of zou de mens alle omstandigheden die hem, naar hij beweert, hiertoe dwingen, zelf geschapen hebben? Hoe groter de angst, hoe machtiger de dreigingen die de mens voor zich denkt te zien, hoe machtiger de dreigingen in zijn wereld zullen worden. Dit is belangrijk, wanneer men de toestanden van heden wil verklaren. Ook de verschijnselen van de natuur, een stormvloed, een vulkaan, een aardbeving enz. zijn geen onveranderlijk en onvermijdelijk deel van de werkelijkheid volgens deze denker.

Volgens hem zijn ook deze dingen waan, het product van een menselijk denken, dat een wereld schept, waarin rampen noodzakelijk, onvermijdelijk zijn, omdat zij de rechtvaardiging vormen van de vrees die de mens in zijn wereld koestert. Zonder te stellen, dat deze denkbeelden noodzakelijkerwijze geheel juist zijn, erken ik, dat men er vele leringen uit kan trekken en zelfs vele proeven zou kunnen nemen aan de hand hiervan. Een goed voorbeeld van deze wijze van denken vindt u ook in het volgende citaat, waarin ik een denker zoveel mogelijk in extenso aanhaal. Hij denkt over het rad, denkt over het leven. Omdat zijn ziel die van een dichter is, maar zijn denken dat van een bewuste, ontstaat namelijk iets, dat je niet kunt breken, omdat het – althans voor mijn gevoel – een te grote schoonheid heeft.

“Zou het zaad weten, wanneer het nog in de bodem ligt, hoe de zon de planten koestert, hoe de wind met hen speelt of hen dreigt? Hoe kan de mens weten, wat werkelijkheid is, zolang hij besloten blijft in zijn eigen wezen? Wij wentelen voort met het rad van het leven, gedreven door krachten, die wij niet beseffen. Maar zijn wij niet zelf levende kracht?

Ik leef. Wanneer ik mijn leven maak tot vreugde en vrede, alles verwerpende wat mij aan begeren of angsten kan belagen, wanneer ik rechtvaardigheid schep, omdat het recht bestaat in mijn wezen en niet, omdat ik meen, dat de rechtvaardigheid doel is van de kosmos, goedheid beoefenende, omdat het de harmonie van mijn wezen weergeeft en niet omdat ik meen, hierin verdienste te vinden, zal er dan geen ogenblik komen, waarin ik bevrijd wordt?

Weet de nachtegaal, welk lied zij zingt? Weet de jak, waarom hij trekt over de bergpassen? Weten de monniken, wat de plechtige spreuken betekenen, die zij lezen tijdens de bijeenkomsten? Zo weet ik niet, waarom ik leef.

Maar ik weet, dat al deze dingen zin hebben. Ik weet, dat mijn leven heilig is, dat het zin heeft. Zoals de jak, onwetend van het doel, langs de weg zijn voeding neemt en zijn vreugden zoekt, zijn lasten dragend met groot geduld, zoals de nachtegaal zingt zonder te vragen wat het betekenen zal voor anderen, en zo schoonheid schept voor allen in de warme dalen van het zuiden, zoals de priesters eeuwige waarden lezen en herhalen, ook wanneer zij niet beseffen welke dit zijn, zo moet ik leven uit mijzelf. Uit mijzelf moet ik bouwen. Ontplooien moet ik mij als een zaadkorrel, die nog in de aarde van het stoffelijk leven is ingesloten en verborgen, maar eens op zal groeien tot een plant die door de zon gekust wordt en spelen zal met de wind.

Het rad wentelt voort en de tijd gaat snel. Maar is de tijd niet slechts de schaduw van de eeuwige wind, die mij zal beroeren? Eeuwig is mijn wezen, eeuwigheid zelf is mij ter beschikking gesteld om het doel van het zijn te bereiken. Ik heb alle rust en alle tijd, geen dood kan mij bedreigen. Ten hoogste kan mijn vorm een ogenblik aarzelen en dreigen te blussen, op het ogenblik dat een volgend leven zich reeds weer voor mij opent.

Hoe groot is de wereld! Hoe groot is het geschenk van het leven dat mij is gegeven! Levende zal ik bouwen. Want waarlijk, zij die het levensrad reeds zo lange tijd doen wentelen, moeten moe zijn. Laat mij dan hun zoon zijn en hun plaats innemen, laat mij mijn bestemming bereiken en hun plaats nemen om het levensrad voort te doen wentelen, zodat voor alles wat leeft, leven en vreugde mogelijk zal zijn.

Niet wil ik zelfzuchtig mijn Licht doven met het laatste Licht van hen, die nu het rad zich nog voort doen spoeden. Licht wil ik zijn, zelfs in het duister. Wie gebonden aan het rad zijn taak heeft volbracht, moet weten dat het goed is, dat het rad voort wentelt. Mijn wezen moet gegaan zijn door hemelwerelden en hellewerelden. Laat mij deze scheppen vanuit mijzelf voor anderen als een pad, dat Lichtend tot bewustzijn voert. Laat mij streven, om alles wat in mij is voort te brengen in volmaaktheid, opdat ik eens zal kunnen zeggen tot een van hen, die reeds bereikt hebben: Hier ben ik en het antwoord mag horen: welkom, mijn zoon, in de werkelijkheid. Draai nu jij het rad.

Maar zelfs wanneer wij het levensrad doen wentelen, dat op aarde alles beslist, zijn wij misschien slechts monnikjes, die het gebedswiel doen draaien ter ere van een onbekende God.”

Dit is een mengel van overwegingen, meditatie en filosofie. Maar hoeveel waarheid is daarin niet geborgen? Het is misschien wel prachtig je op de borst te slaan en uit te roepen: wij zijn esoterisch bewust, wij zijn geestelijk hoogstaand. Maar wat ben je werkelijk in alle onbetekendheid van je wezen op deze wereld? Wat maakt het voor de wereld, voor het geheel uit of je leeft of sterft? Wat maakt het uit wie en wat je bent, waar je vandaan komt en waarheen je gaat? Voor het geheel betekent dit alles niets, helemaal niets. De belangrijkheid van ons leven en bestaan ligt in onszelf besloten en bestaat alleen werkelijk voor onszelf. Wij kunnen de wereld niet blijven dienen. Vóór wij onszelf eeuwig en bewust gemaakt hebben, betekenen wij  voor de wereld niets. Laat ons deze werkelijkheid dan aanvaarden en het zoeken naar bewustwording, naar innerlijke belangrijkheid als ons voornaamste doel zien. Laat ons vooral nooit leven omdat de wereld dit van ons eist, of ons leven vormen omdat de wetten van de wereld, waarin wij leven, dit van ons schijnen te eisen. Laat ons streven, omdat ons eigen wezen de zin van wetten, het doel, de plicht erkent.

Boven alles moet wij echter realisten blijven. Wanneer deze mediterende monniken spreken van het rad des levens, spreken zij over iets, wat voor hen veel meer werkelijkheid is dan voor velen van u: alle leven en denken, ja, alle geloof tezamen. Voor hen is het rad een voortdurende wenteling van leven en dood. Zij zien de wentelingen van het rad in de hoge luchten, in de jagende winden, in de voorbijtrekkende karavanen en de bezoekers van hun klooster. Wedergeboorte is voor hen een werkelijkheid, zoals u deze nimmer zult kennen. Zij zien soms in hun kloosters monniken terugkeren, knapen, die eens als oude mannen stierven in ditzelfde klooster toen zij, die nu oud zijn, nog jongelingen waren. Hun leven is geheel anders dan het uwe, kent geheel andere waarden in de stof, geheel andere mogelijkheden. Vergeet dat niet: dit bepaalt hun wijze van leven en denken. Maar zij zoeken naar dit alles, omdat er een zin in het leven te vinden moet zijn binnen hun eigen Ik. En dat geldt voor u evenzeer. Het is niet het klooster, dat bereikt, zo stelt men in Tibet. Het is de heilige man, die in zich bereikt. Het klooster ziet in hem een weg, een mogelijkheid om te leren en bewuster te worden. Maar ook dan streeft een ieder voor zich.

Zeker, de wijze monniken weten het vaak goed te zeggen, maar men moet hen begrijpen, om iets te doen met hun wijsheden. Zo zei een van hen eens:

“De woorden: bewustzijn, verantwoordelijkheid, de zucht naar macht zijn in wezen alle dezelfde: een uiting van de zucht tot zelfbehoud, voortkomende uit de ons ingelegde taak: te leven.”

Het klinkt misschien wat wonderlijk wanneer men deze uitleg voor het eerst hoort. Maar is zij niet waar? Wat kunt u, mijne vrienden, aan uw wereld veranderen? Niets! Gij zijt te onbelangrijk, gij zijt te klein om dit te doen. En wat kunt gij werkelijk aan uw eigen wezen veranderen, vrienden? Weinig, tenzij gij aan de wereld weet te ontvluchten. Maar wat kunt gij niet al in uzelf veranderen? In uzelf kunt gij bijvoorbeeld uw benadering van het leven zelf veranderen. U kunt de meditatie van het rad a.h.w. voor uzelf tot werkelijkheid gaan maken. U kunt boven alles leren beseffen, dat niet de wereld buiten u, maar uw innerlijk bereiken, de inhoud, die u aan het leven geeft, belangrijk zijn.

Niets in het leven is u verboden. Niets in het leven wordt u geboden. Alles is deel van het leven en daarom voor u bestemd. Anders zou het niet kunnen bestaan.

Vergeet nu niet, dat de oosterling niet gelooft aan een God, die gaven in een paradijs stelt, om de mens dan het gebruik daarvan te verbieden. Voor hem betekent het bestaan der dingen, dat zij ook gebruikt mogen worden. Maar, zo stelt men onmiddellijk daarna: u leeft in een wereld, waarin u de werkelijke betekenis van alle dingen niet kent. U weet niet wat uw spel, uw lusten, uw droefenis werkelijk betekenen, zo min als u weten kunt, wat de werkelijke achtergronden zijn van de gebeurtenissen die buiten uw eigen wil soms geheel uw leven dreigen te veranderen. En nuchter stelt men dan: leer daarom jezelf kennen. Vertrouw niet op anderen, vertrouw op jezelf. Vraag de wereld niet te volbrengen, maar volbreng zelf, vanuit jezelf. Zoek niet een wereld te scheppen die u vrede geeft, maar zoek vrede in uzelf. Wanneer u in uzelf vrede hebt gevonden, zult u misschien daarvan ook iets aan de wereld kunnen geven. Zoek geen macht in de wereld, vraag niet van de wereld dat zij u macht geeft. Want de wereld zal u nimmer waarlijk machtig maken. Macht is zelfbehoud. Daarom zoekt eenieder macht voor zich in de wereld. Wanneer men u macht schijnt te bieden, is dit nooit ware macht, doch schijn. Zoek in uzelf naar macht over uzelf. Dan misschien zult u eens macht kunnen uitoefenen vanuit uzelf, die waarlijk macht is.

Maar misschien stel ik u met dit alles teleur en had u andere dingen verwacht. Laat mij dan duidelijkheidshalve nog grijpen naar een beeld uit uw eigen land:

Wanneer een mens een huis wil bouwen in uw schone grachtenrijke hoofdstad Amsterdam, moet hij eerst in de moerassige en door vocht onbetrouwbare grond palen drijven, opdat het huis kan staan. Wij zoeken bewustwording, wij zoeken Licht, wij zoeken bevrijding van de lasten der tijd, intensifiëring van innerlijk weten of geloof misschien. Hoe kunnen wij dit echter doen, wanneer wij aan de oppervlakte van deze waarden, van het leven zelf blijven? De mens is voor zich vaak een ondoorgrondelijk moeras. Wie aan zijn bewustzijn bouwen wil, zal eerst in zichzelf door moeten dringen, in zich een vaste basis van zelfkennis moeten scheppen. Eerst dan kan men aan blijvende waarden in het Ik gaan bouwen, eerder niet.

Vrees niets. Wanneer uw wereld vol verwarringen is in uw dagen, zo zult u daaraan ten onder kunnen gaan. Dat is waar, tenminste wanneer u daaraan gelooft, wanneer u zelf dit in wezen wilt. Maar indien u sterk zijt en in uzelf een vaste basis hebt, bovenal in uzelf iets van vrede weet te vinden, dan kan de wereld u niets meer doen.

O, de dood komt natuurlijk evengoed. Maar de dood op zich is onbelangrijk. De dood is onbelangrijker dan een nacht waarin men droomt. Want in de slaap droomt men vaak dwaasheden en waan. Maar hij die sterft, droomt de waarheid en ontwaakt rijker dan hij insliep. Daarbij zal u dichter bij de werkelijkheid komen, u steeds meer een waar contact tussen de werelden van leven en dood geven, zelfs al zal met een toenemen van de bereiking het tempo van realisaties en belevingen vaak zo zeer oplopen, dat men zich soms af zal vragen, of alles nog wel zin heeft, of men misschien waanzinnig dreigt te worden.

Wanneer men echter in staat is deze toenamen van beleving te verdragen en desondanks in zichzelf rust weet te vinden, zal men leren beseffen, waartoe het wentelen van het rad van het leven voert. Dan zal men misschien ook aan een volgende taak kunnen beginnen: een pogen om de richting, die het rad van het leven voor het Ik heeft genomen, zelf mede te bepalen en te richten, zodat men meester wordt over het lot, eigen meester op de weg van het leven.

Hiermede wil ik mijn lezing besluiten, voor de pauze geef ik echter het woord over aan een van de broeders van uw eigen Orde, zodat u commentaar kunt geven.

Leraar

Wij brachten u deze gastspreker, omdat zijn leringen, hoewel vanuit een zeer bepaald standpunt verkondigd en gebaseerd op een vorm van geloof en leven, die niet eenieder zal kunnen aanvaarden, toch ook voor u allen belangrijke inzichten en standpunten bevatten.

Wij spreken niet zozeer van het noodlot, van de wentelingen van het levensrad, maar geloven in een goddelijke wet, die wel degelijk ons leven kan beïnvloeden en in zekere ogenblikken in ons leven ingrijpt. Ook de christenen weten, dat men door eigen zoeken en streven aan een noodlot kan ontkomen. “Vraagt en u zal gegeven worden, klopt en u zal worden opengedaan.” Verder is deze uiteenzetting nuttig om u in te doen zien, dat ook nu nog vele mensen op de wereld anders denken dan u. Wij hopen in de komende tijd dergelijke sprekers aan het woord te kunnen laten, zodat zij u hún denkwijze voor kunnen leggen. Want in alle leringen en geloofssoorten schuilt ergens een voor ons belangrijke waarheid. Er bestaat geen enkel geloof, geen enkele filosofie op aarde, die geheel onwaar is. Wij hopen dat u, met ons, uit deze veelheid van leringen en stellingen, als ware gouddelvers wilt zoeken naar de kostbare waarheden voor onszelf, waarmee wij ons een eigen bewustzijn, een steeds groeiend aandeel in de Goddelijke Werkelijkheid kunnen opbouwen.

Indien bepaalde punten onduidelijk zijn geweest, kunt u nu vragen stellen.

Vragen

  • Hoe zit dit met het toenemen van de snelheid naarmate men dichter komt bij de naaf van het rad?

Het beeld is niet geheel feitelijk juist. Onze vriend wilde echter stellen, dat de druk van de gebeurtenissen en realisaties groter wordt, naarmate men dichter hij de waarheid van het leven komt. Onze gast spreekt over het rad des levens en heeft zo, binnen zijn eigen termen, geheel gelijk. Maar indien men uitgaat van een gewoon wentelend wiel, kan men stellen dat de omwentelingssnelheid gelijk blijft, maar dat de baan, die wordt afgelegd kleiner wordt, zodat men schijnbaar langzamer gaat. Naar ik meen is de bedoeling van de spreker echter duidelijk genoeg tot uiting gekomen.

  • Dit beeld van palen in de modder slaan geeft, naar ik meen, het streven naar zelfkennis aan. Dit bereiken hebben wij ons tot op heden als einddoel gesteld.

Ken uzelf is een begin van de werkelijkheid, niet het einde. Bedoeld wordt, dat de mens eerst zijn werkelijke beweegredenen en drijfveren moet kennen, voor hij in waarheid kan gaan streven. Leuzen zijn drijfzand, een verraderlijk oppervlak, waarop men niet zonder meer kan bouwen, daarom zal men inzicht in zichzelf moeten verwerven, voor men werkelijk iets kan opbouwen, voor men werkelijk iets kan bereiken dat blijvende waarde heeft.

  • Wanneer je bij de wenteling van het rad achterblijft, zou je in het verleden terecht komen. Hoe zit dat?

Wanneer een mens te ver achterblijft bij de ontwikkelingen van zijn wereld, zal hij aan de verdergaande vorming niet kunnen beantwoorden. Een atoombom kunnen maken betekent dat men geestelijk ver genoeg gevorderd moet zijn, om van het gebruik daarvan af te zien, zodra dit schade betekent voor onschuldigen, wat praktisch altijd het geval zal zijn.

Om een voorbeeld te geven:

Er zijn veel auto’s op de weg in deze dagen, maar slechts weinig mensen zijn geestelijk zover, dat zij de daarbij behorende discipline en beheersing bezitten. Hierdoor zullen ongelukken, verkeersopstoppingen enz. zo sterk toe gaan nemen, dat men in vele gevallen veiliger en beter kan gaan lopen, dan een auto nemen. Misschien meent u, dat dit met geestelijke waarden niets uitstaande heeft. Maar de problemen van het gemotoriseerde verkeer komen hoofdzakelijk voort uit een gebrek aan zelfbeheersing en een ver doorgevoerde zelfzucht. Het komt hier op neer: wanneer de mens – of een ander wezen – geestelijk te ver achterblijft bij de eisen, die de tijd stelt, zal hij uitsterven, dan wel terugvallen in een primitiever bestaan, waarbij hij dus de waarden van het verleden doet herleven en zijn gewonnen mogelijkheden verliest.

Inwijdingsmogelijkhen en gebruiken die in Tibet bestonden

In dit tweede deel van de avond zou ik eens iets willen vertellen over de inwijdingsmogelijkheden en gebruiken, zoals deze tot voor kort in Tibet bestonden. Mijn inziens zal dit u helpen, de eerste spreker beter te begrijpen, terwijl het onderwerp ook op zichzelf zeer interessant is.

Zoals u weet begint men in Tibet vaak al zeer vroeg als monnik. In de kloosters leven dan ook als leerling-monnik vaak kinderen van 7 à 8 jaren oud. In het begin leren zij spreuken opdreunen, later leert men hen spreuken te lezen. Wanneer zij echter bijzonder geschikt zijn, wordt hen een verdergaande geestelijke scholing gegeven. Nu denkt u waarschijnlijk onmiddellijk aan beschrijvingen, zoals deze in vele opzienbarende boekwerken werden weergegeven en meent u dat daarbij bv. operaties om het ‘derde’ oog te openen, een grote rol zullen spelen. Maar dat is niet direct waar. De werkelijke feiten omtrent de opvoeding, die tot inwijding voert, wil ik u allereerst geven.

Zodra de jonge monnik heeft geleerd te lezen en in staat blijkt zelfstandig te denken, krijgt hij gelegenheid met oudere en wijzere priesters veel samen te zijn. Een westers mens kan zich echter niet goed voorstellen, dat dit een geestelijke opvoeding is: de jonge man treedt op als persoonlijke bediende van de oudere priester en blijft voortdurend in zijn omgeving. Ook wanneer de ‘wijze vader’ mediteert. Dit nu acht men voor de geestelijke groei van de jongere monnik van het allergrootste belang. De sfeer die tijdens de meditatie ontstaat, speelt in een ontwikkeling van geestelijke gaven volgens de monniken een zeer grote rol. Door regelmatig de sfeer van de mediterende oude monnik te ondergaan, zal de jonge monnik, ook zonder verdere beleringen, bepaalde denkbeelden gaan ontwikkelen. Hierbij is wel geen sprake van directe telepathie, maar zijn gedachten worden ongetwijfeld sterk beïnvloed door de beelden en wijsheden, die de mediterende oudere zich voor de geest stelt. Zo zal zich in de jonge monnik langzaam maar zeker een besef kristalliseren, dat aangepast is aan zijn eigen wezen en kunnen. Soms gaan de gedachten van de jongen de richting in van de wetten van de oneindigheid, in andere gevallen blijkt hij meer in de richting van de magie of de geestenbezwering te denken.

Na enkele jaren zo bediende te hebben gespeeld, komt de grote dag: hij begint zijn eerste grote meditatie. Daarbij brengt hij rond 24 uren door met denken, meestal in een grote hal met vele Boeddhabeelden. Voedsel krijgt hij niet in die tijd. Voor hij voedsel zal genieten wordt hij aan het einde van zijn overpeinzingen voor een groep van de oudere monniken gebracht, die hij iets van zijn gedachten mededeelt. Blijkt zijn wijze van denken belangrijk genoeg te zijn, zo wordt hij daarna met de abt zelf geconfronteerd. Hier wordt besloten, welke richting de jonge monnik verder zal gaan volgen. Natuurlijk heeft hij daarbij ook zelf wel wat in te brengen, maar de capaciteiten die men in hem ontdekt heeft, zijn ten minste medebepalend. Hij kan bv. stellen, dat hij verder in de magie wil gaan studeren, maar wanneer de ouderen menen, dat hij daarvoor geen aanleg heeft, komt hij niet uit zijn klooster weg. Zou hij op eigen gelegenheid weg willen trekken, dan ontbreekt hem de aanbeveling met het zegel van de abt, waardoor hem rang en opname in andere kloosters gewaarborgd is.

Nu waren er – en zijn er soms nog – in Tibet vele kloosters, die zich in een bepaalde richting gespecialiseerd hebben. In het noorden van Tibet bestonden tot voor kort de kloosters, die zich in het bijzonder hadden gewijd aan de studie van de magie. Zij vormden tezamen één groot geheel, terwijl de grootlama’s – de abten – van deze kloosters bovendien nog lid waren van de raad van de Dalai Lama in Lhasa. Onder meer wordt daar de kunst van het contact met de doden onderwezen, wij zouden zeggen: de necromantie. Dit was de hoofdstudie van een van deze kloosters. In een ander klooster wijdde men zich geheel aan de beheersing van natuurkrachten, terwijl in het derde klooster o.m. de kunst van de uittreding, geestelijke waarheden, maar vooral geestelijke beheersing – ook van goden en demonen – werd onderwezen.

Wanneer een jonge monnik tot een dergelijk klooster als student werd toegelaten, mocht hij aan de studies daar nog niet onmiddellijk deelnemen, terwijl hij ook niet onmiddellijk toegang kreeg tot de bibliotheek van het klooster. Wel werd hij herhaalde malen geconfronteerd met vaak toch wel verschrikkelijke manifestaties. Had hij de necromantie gekozen, dan werd hij als eerst beleving geconfronteerd met de zgn. levende doden. Dit is een experiment, waarbij het lichaam van iemand, die 3 tot 4 dagen dood is, bezield wordt door een geest – in sommige gevallen ben ik er van overtuigd, dat hier de eigen kracht van de lama’s een even grote of zelfs grotere rol speelt dan de bezitnemende geest, maar dat is een ander hoofdstuk. Het experiment bestaat uit een dood lichaam, dat op een verhoging wordt neergelegd en, na de nodige bezweringen met een vaak reeds gedeeltelijk tot bederf gekomen lichaam, zich houterig verheft, als een dronken man over het verhoog, dat tevens als een soort podium, een toneeltje dient, wandelt, om daar allerlei klanken uit te stoten, die door een oudere monnik worden vertaald in menselijke woorden. Na de nodige bezweringen stort het lichaam weer levenloos neer. Blijkt hij tegen deze verschrikkingen bestand, dan brengt men de jonge man in een soort trance, waarin men hem in contact brengt met de goden en demonen, die later misschien door hem zullen spreken. Op deze wijze zal hij misschien later de ‘taal der doden’ leren. Heeft hij dit alles doorstaan, dan begint de eigenlijke leertijd, waarbij hij veel zal moeten studeren en daarnaast voor de oudere monniken diensten zal moeten bewijzen.

Heeft hij gekozen voor de beheersing van de natuurkrachten, dan wordt van hem bv. gevergd, dat hij zonder meer in een diep water zal durven springen. Want bij dit klooster is een van de weinige rivieren van Tibet, die niet alleen snelstromend, maar ook diep zijn. Men vraagt hem, of hij de krachten van de natuur wil bedwingen. Antwoord hij ja, dan zegt men hem: loop over dit water heen. Kun je dat niet, loop er dan desnoods onderdoor, maar zorg, dat je aan de overkant komt en bewijs ons, dat je niet bang bent. Het is duidelijk, dat bij dergelijke experimenten wel eens een leerling omkomt. Maar dat telt niet. Om de leringen te mogen ontvangen, mag men nu eenmaal geen vrees hebben voor de elementen. Soms zegt men ook: hier brandt een vuur. Loop daar doorheen. Deze proef komt overigens niet zo vaak voor, wat waarschijnlijk in hoofdzaak te wijten is aan een chronisch gebrek aan brandstof.

Degene die een meer geestelijke weg kiest, heeft het schijnbaar gemakkelijker. Hij wordt voor zeven dagen – soms voor langer – alleen in een duister en dichtgemetselde cel gesloten. Hij krijgt weinig te eten, hoort en ziet verder al die tijd niets. Door reeds ingewijden worden nu bepaalde gedachten op hem afgezonden. Hij moet zich een beeld hiervan vormen, hoofdzakelijk een soort filosofie. Na zijn bevrijding uit de cel wordt van hem gevraagd, dat hij deze uitvoerig voorlegt aan de gemeenschap. Aan de hand van de boeken wordt nagegaan, of deze denkwijze aanvaardbaar is en een redelijke weergave van de gezonden gedachtebeelden vormt. Blijkt dit het geval te zijn, dan wordt de jonge monnik als leerling aanvaard. Faalt men bij deze proeven, dan kan men als mindere, als een soort bediende in het klooster blijven, met de mogelijkheid, dat men na jaren nogmaals de proef af mag leggen. Wenst men dit niet, dan wordt men eenvoudig weggezonden.

Er zijn ook kloosters, die geheel andere doelen nastreven. Soms houdt men zich vooral met de theologie bezig, soms met erediensten, bestuur en handel. Zo zijn er zelfs enkele kloosters, die zich met het lot van de wereld als geheel bezig houden. Hier wordt de aspirant-leerling in een staat van verdoving gebracht, meestal door hem thee te geven, waaraan behalve boter enkele kruiden zijn toegevoegd. Terwijl hij in hypnotische sluimering vertoeft, confronteert men hem met de ‘Heer der W

ereld’. Door suggestie en het reciteren van bepaalde spreuken doet men de jonge man afdalen in een onderaards rijk, waarbij hem allerlei ontmoetingen en verschijnselen worden gesuggereerd. Blijkt de neofiet niet bang te zijn en de boodschap, die men hem tijdens deze toestand zegt over te brengen, inderdaad juist overbrengt wanneer hij weer tot zichzelf komt, dan wordt hij als leerling aanvaard.

U ziet dat het begin vaak wat griezelig aandoet. Maar daarna begint een tijd van meditaties, studie en gebed. Daarbij wordt niet veel uiterlijke leiding verstrekt: de jonge mens moet zichzelf vinden. Wel krijgt hij in steeds toenemende mate de beschikking over de boeken van het klooster – in zoverre deze aanwezig zijn – en zijn de oudere monniken bereid zo nu en dan met hem te spreken. Ook nu heeft hij bepaalde stoffelijke taken binnen het klooster te vervullen, maar deze zijn niet bijzonder zwaar of tijdrovend. Dit gaat zo verder, tot het volgens de abt tijd voor hem wordt zichzelf te bewijzen. De leerling wordt nu vol lama en is dus met alle waardigheden bekleed.

Voor hij in de gemeenschap als zodanig aanvaard wordt, dient hij echter de ‘proef van de dood’ af te leggen. Hij moet in de duisternis alleen naar buiten gaan, zijn gebedstrom of ratel roeren en tot de geesten zeggen: “Als je honger hebt, neem mij als offer, verslind mij maar.” Ook nu moet de leerling weer bewijzen, dat hij niet bang is, dat hij niet meer aan het leven hecht, dat hij niet bang is voor de dood. Wanneer hij ’s morgens in het klooster terugkeert, wordt hem een feestmaaltijd aangeboden – wanneer zijn familie of hijzelf dat betalen kunnen een echte, anders blijft het vaak bij een symbool – wordt hij gewijd en als volwaardig monnik aanvaard. Daarna krijgt hij vaak de kans om een tijdlang in de eenzaamheid te gaan. In deze eenzaamheid dient hij te overwegen wat hij kan doen. Wanneer hij wenst, kan hij bij anderen die dezelfde richting gekozen hebben, in deze tijd een soort privéles krijgen. Meent hij, dat hij iets kan bereiken, dan dient hij dit te zeggen en te bewijzen. Wanneer hij dus zegt: “ik kan een dode bezielen en laten lopen”, dan zal hij een dode krijgen en zijn woorden waar moeten maken. Is hij van mening, dat hij de geest van een demon of geest in een medium kan doen dalen, dan wijst men hem een monnik, die dit pleegt te doen en zegt hem: daar heb je je medium, ga je gang, maak je woorden waar.

Blijkt hij ook hier te slagen, dan komt de meest eigenaardige fase van zijn inwijding. Ofschoon andere monniken steeds tussen kloosters heen en weer plegen te trekken, of zelfs in één enkel klooster plegen te blijven, wordt de zoeker naar inwijding het gewone leven ingezonden. Daarbij krijgt hij van dit klooster vaak een aardig bedrag aan geld of handelswaren mee, zodat hij in weelde kan leven. Hij komt dan in grote steden, zoals hij misschien nooit te voren in zijn leven heeft gezien. Men zendt hem bv. met een karavaan naar Lhasa toe. Daar wordt hem een adres van een agent gegeven, die voor hem zorgt, een huis bezorgt, hem aardige meisjes op zijn dak stuurt enz. Zo leeft hij een jaar of twee als een rijke man. Dan komt er een bode en moet hij dit alles opgeven. Zonder afscheid, zonder afrekenen. Ineens. Hij moet terugkeren tot de eenvoudigste dienstbaarheid in het klooster. Geestelijk keert hij terug tot de eenvoudigste oefeningen en meditaties: hij moet bewijzen, dat hij ook alle stoffelijke waarden op kan geven, terwijl hij ze kent en het wereldse leven niet uit angst daarvoor zal verwerpen. Ook komt het voor, dat men de jonge man tijdens zijn ‘wereldse’ periode verleidt om, of zelfs de opdracht geeft om, tegen alle regels in, dierlijk voedsel te gebruiken. Hij moet vrij zijn van die vrees en vooroordeel.

Keert de jonge monnik naar zijn klooster terug, zo begint voor hem eerst de werkelijke strijd. Spectaculair is dit niet: men doet hem niets aan, legt hem geen bijzondere beproevingen op. Maar hij wordt nu na enige tijd van eenvoudige dienstbaarheid gehuisvest in een afgelegen en vaak bouwvallig deel van het klooster. Hij moet hier voor zich iets scheppen. Hij moet a.h.w. een bijzondere geest in zich gevoelen. Wanneer men niet lang geleden het middelpunt was van een welvarende gemeenschap van handelaren of edellieden, voelt men zich dan ontzaglijk eenzaam. Wanneer men dan nadenkt over alle voordelen, die men heeft genoten, over de gezelligheid, die zelfs het leven van het klooster geeft, wordt het soms te erg: men verlaat zijn eenzaamheid en is daarmede gezakt voor zijn diploma: een verdere inwijding heeft niet meer plaats. In vele gevallen trekt de monnik naar een ander klooster, waar hij als volwaardig lama wordt aanvaard en zijn reeds verworven bekwaamheden kan gebruiken. Wie wel slaagt, blijft vaak lange tijd in de eenzaamheid.

Op een gegeven ogenblik komt er een vreemde aantrekking. De inwijding zoekende spreekt met mensen, die er niet werkelijk zijn: zijn gehele toestand is een vervreemding van de werkelijkheid. Maar juist in deze toestand wordt hem van alles geopenbaard. Onder meer houden deze openbaringen de weg, die hij verder zal gaan, zijn taak voor de komende tijd in. Hiermede is deze inwijding voltooid. Hij keert tot de gemeenschap terug en stelt, dat hij nu weet wat zijn taak is. Hij dient echter het door hem gestelde te bewijzen tot genoegen van de oudsten van het klooster en de abt. In enkele gevallen spelen hierbij ingewijden een belangrijke rol. Is het bewijs aanvaard, dan heeft de ingewijde voortaan een eigen plaats in de gemeenschap. Hij heeft een grote bewegingsvrijheid, kan tot zeer redelijke hoogte een beroep doen op de middelen van het klooster, heeft rechten, krijgt de beschikking over persoonlijke bedienden, eigen vertrekken en alles wat hij maar nodig heeft.

Zo daarmede de inwijding die de lama’s kunnen geven voltooid is, begint hier de werkelijke geestelijke inwijding pas goed. Hij heeft de vrijheid gewonnen door met ‘iemand te spreken’. Dit is soms de geest van een overleden monnik, soms een god, soms alleen maar een oude monnik uit het klooster, die later zegt zich van een dergelijk gesprek niets meer te herinneren. Er was een werkelijke band met nieuwe waarden, hij ontving van buiten zich openbaringen. Nu staat hij alleen. Nu moet hij het zelf doen. Van een contact via de buitenwereld is geen sprake meer. Dus grijpt de nieuw ingewijde al snel naar de middelen, die hem ter beschikking staan: hij telt de kralen van een gebedssnoer, draait een gebedsmolentje rond, leest spreuken op, kijkt naar de wapperende gebedsvanen met hun verschillende kleuren en inschriften, en vraagt zich ondertussen voortdurend af: wat is het leven?

Dan komt opeens het grote ogenblik van verlichting. Soms duurt het maar enkele weken voor men zover komt, vaak duurt het vele jaren. Het is een zuiver persoonlijke beleving. Wanneer men er al over spreken wil, beschrijft de een het zus, de ander zo. Soms zegt men bv.: het was mij, of ik los raakte van mijn lichaam. Ik dreef over de vreemde wereld, las de gedachten van de mensen, hoorde de stemmen van de goden en erkende mijn eigen bestemming. Een ander vertelt weer: het was of alles wegviel en mij niets anders overbleef dan een enkele waarheid. Waar ik mijn blikken richtte, daar zag ik – er was dus niets zichtbaar voor hem, behalve juist op de plaats waar hij keek klaarblijkelijk – en waar ik zag, werd de waarheid mij getoond. Hij heeft dus werkelijkheid gevonden.

Daarmede heeft de lama dan de laatste en belangrijkste fase van inwijding bereikt: hij is nu een ‘bewuste’. De bewuste begint vervolgens een strijd tegen zichzelf, om waarheid te zijn en niet slechts te kennen, maar strijdt daarnaast ook tegen de wereld van de demonen. Voor de lama’s zijn demonen van veel groter belang dan voor de andere boeddhisten. Een demon is niet alleen maar een wezen dat ergens in een sfeer of in de wolken leeft. Hij kan op aarde een gestalte aannemen. De demon kan zich verschuilen in alle vormen. Zelfs wanneer je thee of wat saffraanrijst wordt aangeboden, moet je overwegen of hierin een demon zich kan verschuilen of niet. Zo erg maken de bewusten het natuurlijk niet. Maar ook voor hen geldt, dat een van de belangrijkste waarden op aarde de gave is, een onderscheid te kunnen maken tussen het wel en het niet demonische.

Wij zouden zeggen: je moet een op waarheid gebaseerd oordeel kunnen vellen over goed en kwaad. Degene, die in staat is het kwade steeds weer af te wijzen, zal ontdekken, dat het kwade hem steeds weer aanvalt en met steeds grovere middelen. Want wanneer de bewuste het kwade bij voortduring af zal kunnen wijzen, wordt hij een toekomstige boeddha. Hij wordt natuurlijk niet als Bodhisattva of levende boeddha erkend. Maar in een volgende incarnatie zal hij dit geworden zijn en zal, in een toestand van beheersing van zichzelf en begrip van geheel, het Al, zijn eigenlijke leertaak beginnen. De bewuste trekt zich steeds meer terug. Slechts bij uitzonderingen treedt hij op de voorgrond en roept de monniken tezamen om tot hen te spreken. Hij wordt Panchen of Tenchen lama, wordt abt en leraart vanuit zijn verborgen bestaan, om het anderen mogelijk te maken inwijding te vinden.

Dit is niet zo spectaculair als inwijdingsriten, zoals wij dit bijvoorbeeld vinden in India, of de oude gebruiken die wij kennen van Griekenland, Egypte of de gebruiken bij de oude druïden. Het kentekenende van deze inwijding is wel, dat de werkelijke bereikingen, ja, zelfs de bijzondere leringen, alle voortkomen uit de meditatie, terwijl de in te wijden mens zelf als een weversspoel heen en weer wordt geworpen tussen de gebondenheid aan de materie en de materiële taak ter enerzijds, en de algehele wereldvreemdheid van een op het geestelijke gebaseerde bestaan. Hij moet leren deze beide met elkaar te verbinden, te verweven tot één waar wereldbegrip, zonder aan een van de beide mogelijkheden ooit waarlijk gebonden te zijn. Uit de tweeheid der wereldwaarden ontstaat het derde belangrijke punt in het menselijke leven: het Licht, de innerlijke Verlichting, die zich niet alleen maar in een wereld of een aspect daarvan uit, maar een nieuwe betekenis geeft aan geheel het leven.

Nu ik u dit verteld heb, zult u misschien beter kunnen begrijpen, hoe de lama’s komen tot de meditaties over het rad, en zo, wat deze dingen voor hen betekenen.

Ik wil besluiten door kort iets te vertellen over hun gaven.

Wanneer een monnik werkelijk tot ingewijde is geworden, stelt hij, dat de gehele wereld waan is. Daarom kan hij rustig zeggen: “deze rots is meel”, in de zekerheid, dat zijn woorden waarheid worden. Wanneer hij stelt, dat een gebroken been niet gebroken is, zo zal het lichaam van een minder bewuste hem gehoorzamen en zal het been niet gebroken zijn. Zijn gaven zijn dus niet in het bijzonder de gave om iets te scheppen of te genezen, maar komen voort uit zijn overwicht op de wereld. Voor de bewuste lama is het meest belangrijke, dat hij meester is geworden van zichzelf en geheel de wereld onder zijn vleugels kan nemen. Hij legt aan alle waan zijn eigen waarden en waarderingen op. Bij de uitingen van zijn overwicht zal hij echter rekening houden met de opvattingen en het begripsvermogen van eenvoudige mensen. Wanneer zij hem vragen om regen, of vragen om de wind – die op de hoge vlakten zeer hinderlijk kan zijn – voor een ogenblik stil te doen zijn, zal hij dus niet eenvoudig zijn wil op leggen, maar bv. op een hoogte klimmen, zijn armen uitstrekken en spreken tot de wind, bezwerende. Wanneer je dit ziet, ben je geneigd om te zeggen: dit is eigenlijk een Bönn, een tovenaar van het oergeloof van deze streken. Zijn optreden doet daar inderdaad aan denken en wanneer hij iets wil doen voor het gewone volk, is het optreden van de ingewijde dan ook zeer indrukwekkend. Maar voor zichzelf is hij eenvoudig. Hij doet dit niet, omdat hij op deze wijze werken moet, maar omdat deze wijze van werken anderen meer deel doet hebben aan zijn eigen werkelijkheid.

In het geloof van deze lama’s is verder de eigen kracht niet altijd voldoende. Vaak moet deze worden overgebracht door contact, iets wat in hun gebruiken tot uiting komt. Maar de ingewijde bezit zijn gaven, omdat eenieder die de werkelijkheid waarlijk kent, meester is over alles wat alleen waan is.

Print Friendly, PDF & Email