De meesters en hun volgelingen

uit de cursus ‘kosmische leringen’ ( hoofdstuk 2 ) – oktober 1972

Als je spreekt over een Wereldleraar, een Wereldmeester, over de grote Meesters als Jezus, de Boeddha, eventueel Mohammed, Esir en al die anderen, dan denkt de mens eigenlijk in termen van de grote Meester die een wijsheid brengt op aarde. Wat men meestal vergeet is dat die wijsheid eigenlijk op aarde bestaat zolang die Meesters er zelf zijn. Na hun dood begint ze te veranderen. De zaak fermenteert a.h.w., wordt meer menselijk en op den duur is er maar heel weinig van over.
Ik heb deze avond voor u enkele voorbeelden uitgezocht; slechts enkele uit zeer vele, waarmee ik zal trachten aan te tonen wat er gebeurt, als wij met een grote lering te maken krijgen.
Esir, later ook wel Osiris genoemd, was vorst in het latere beneden Egyptische rijk. Hij was een soort stamhoofd en om zijn gezag te vestigen noemde hij zich de zoon van de God, die men toen aanbad. De mensen waren daar toen vuur en zon aanbidders. Vandaar dat hij later ook als zoon van Rê wordt aangesproken.
Zijn lering was eigenlijk heel eenvoudig. Zij betekende:
Mensen, al datgene wat gij met werken zelf kunt doen in uw eigen omgeving, geeft u voorrecht en voordeel boven al datgene wat gij uit de wereld zonder arbeid tracht te verwerven.
Hij vertelde daarnaast:
Wees rechtvaardig tegen uw buurman, want gij weet nooit wanneer ge hem nodig kunt hebben.
Dan zei hij:
Indien de ziel van de mens na de dood een geschikt voertuig vindt, dan zal deze ziel voortbestaan in een wereld, waarin alle dingen zijn zoals op aarde, maar waarin hij naar zijn verdienste het goede zal kunnen vinden.
Dit zijn de leringen van Esir. Laten wij nu kijken wat daarvan terecht is gekomen.
De volgelingen zeiden al heel snel:
Het is je plicht te werken op de plaats, die je wordt aangewezen door de bevoegde instanties. Daarmee bedoelden zij natuurlijk zichzelf. Want als iemand het heeft over “je plicht”, dan beschouwt hij zichzelf meestal als de “bevoegde instantie”.
Het is je taak om onderdanig te zijn tegenover je meerderen en om eerlijk te zijn tegenover je naaste. De meerderen waren zijzelf.
De ziel kan na de dood voortleven en gelukkig zijn, indien zij beantwoordt aan de eisen, die de priesters stellen.
En daarmee ontstond, zoals u waarschijnlijk weet, een godendienst (oorspronkelijk in de buurt van Memphis, later over geheel Egypte verbreid), waarbij de priesters de macht hadden en de mensen vertelden wat zij moesten doen en daaruit de nodige revenuen wisten te verwerven. Hier is van een systeem van leven een staatssysteem gemaakt. Degene die in de Egyptische geschiedenis thuis is, weet heel goed dat de pharao practisch niet kon regeren zonder de pries-ters. Er was er één, die het heeft geprobeerd: de pharao, die zich zelf noemde “de zoon van Aton (Ichnaton).”
Als wij kijken naar Jezus, dan valt ons ook weer op: wat hij doet is de mensen leren hoe te leven. Hij komt niet met geboden en verboden aandragen, maar zegt tegen de mensen: Je moogt je niet hechten aan bezit, want alleen zo ben je vrij om de werkelijkheid en God en het Koninkrijk Gods in je te ervaren. Jezus zegt tegen de mensen: Heb God lief boven alle dingen, maar je naaste gelijk jezelf. Hij zegt tegen de mensen: Verkondig de boodschap en als ze niet luisteren, ga verder. Ik neem waar meer enkele punten uit het geheel. Wat hebbende leerlingen daarvan gemaakt? Zij zeggen:
Je moet je bezit aan ons geven, want daardoor kun je je onthechten. Hij, die zijn bezit aan ons overdraagt, zal verdienste krijgen in de ogen van God. (Ik weet niet, of dat verdienste is in de ogen van God, maar het is op deze manier zeker verdiensten voor de kerk.)
Heb God lief boven alle dingen. Daar is de kerk het onmiddellijk mee eens, maar zegt erbij: Heb God lief boven alle dingen zoals Hij wordt vertegenwoordigd door ons. Heb uw naasten lief gelijk uzelf, maar bedenk wel, dat de een meer uw naaste is dan de ander, want degene die gelooft zoals gij gelooft is uw naaste. Op deze manier wordt dus eigenlijk langzaam maar zeker weer een hiërarchie, een machtsstructuur, opgebouwd waarin de leer niet meer een wijze van leven is, maar een systeem van denken wordt met een hoop filosofieën erbij plus het leven onder het gezag van een uitverkoren Clan.
Denk niet dat dit alleen bij Jezus zo is. Neem de Gautama Boeddha Siddharta. Als deze zijn leerlingen vertelt dat zij zich moeten onthechten, dat zij geen bezit mogen hebben, dat zij eigenlijk moeten leven volgens de regels van verdienste, eerlijkheid en wijsheid, dan zegt ieder-een: Ja, dat moet ge doen. Maar onthoud wel één ding: Deze Meester is méér dan gij zijt en als hij u zegt welke wijsheden voor u belangrijk zijn dan zult gij hem daarin volgen. Totdat er weer een systeem is ontstaan waarin eigenlijk datgene wat de Boeddha zelf heeft gebracht (de onverschilligheid voor wereldlijk bezit, wereldlijke macht en daar tegenover het medegevoel voor de mens) langzaam maar zeker begraven is. Ik zou zo kunnen doorgaan.
De volgelingen hebben altijd weer de neiging om de leer van de Meester te gebruiken om hun eigen belangrijkheid te onderstrepen. Zij doen dat met opofferingen en heel vaak oprecht, maar dat neemt niet weg dat wat een Meester brengt (de kosmische wijsheid) in de handen van leerlingen al heel gauw een menselijk gewrocht wordt, waarin men anderen probeert te vangen. Om een van onze vrienden te citeren: Op het ogenblik, dat de mens overgaat tot de exegese (uitleg), blijft er van de waarheid niets over. Want waar de mens uitlegt, daar is de werkelijkheid niet meer. De kritiek die wij kunnen hebben op b.v. moslims, islamieten is ook al van dezelfde soort.
Wat Mohammed, de zoon van Abdallah de kameeldrijver, de mensen heeft geleerd is in de eerste plaats een zekere eerlijkheid, een zichzelf beperken, het erkennen van verplichtingen tegenover God maar ook tegenover de medemens. Maar hij heeft zijn volgelingen nooit gezegd dat zij nu maar alle heidenen de kop moesten inslaan. Hij is nog niet weg of onder zijn volgelingen begint de strijd. Ze vertellen dat Mohammed het wel zo heeft gezegd, maar het anders had bedoeld.
Kort na zijn dood is er al strijd tussen Ali en Héessein; twee richtingen, die elk op hun manier zeggen: Wij zijn de ware vertegenwoordigers van de profeet. Wat bouwen zij op? in feite een politieke macht, waarbij het godsdienstige gebaar eigenlijk een onderwerping betekent aan de machtsdrang van bepaalde personen. Als u wilt weten hoe ver dat gaat, denkt u dan maar aan de Groot Moefti die op het ogenblik staat achter de terreurgroepen, die zogenaamd vechten voor een vrij Palestina, maar die in feite worden gebruikt als een machtsmiddel om een bepaalde denkwijze in de islam op te leggen niet alleen aan Palestina dat moet worden bevrijd, maar aan alle Israelieten. Intrigues, onrechtvaardigheden te over. Ook hier weer een beeld van de leerling, die zijn leermeester niet begrijpt.
Waarom en wanneer? Dat zijn twee vragen, die onmiddellijk rijzen. Waarom begrijpt een leerling zijn Meester niet? Ik geloof, dat een leerling zijn Meester niet meer begrijpt op het ogenblik dat de Meester hem niets belooft. Zolang de Meester hem een vergoeding biedt hetzij in macht, hetzij in aanzien, hetzij desnoods in geestelijke verdienste voor hetgeen hij achter zich laat is de mens wel bereid om die offers te brengen. Maar als de Meester eenvoudig kosmische eisen stelt en zegt: “Je moet beantwoorden aan een kosmische harmonie,” gaat het die mens te ver. Hij kan daar niet op reageren; en doordat hij daarin niet meer kan leven, probeert hij het om te buigen naar iets wat voor hem wel betekenis heeft, De reden? De leerling kan de Meester niet volgen op het ogenblik dat zijn eigen belang op welke wijze dan ook niet meer wordt gediend door het opvolger van de lering van de Meester.
Wanneer begint de leerling dan de zaak te verschuiven en om te buigen?
Menigeen zal zeggen: Dat gebeurt natuurlijk pas nadat de Meester weg is. Dat is helemaal niet waar. Wij weten uit verschillende overleveringen dat zowel in Egypte, in Arabië als ook in Palestina en later in Rome de mensen eigenlijk, terwijl de Meester nog leeft, reeds beginnen er iets anders van te maken; er komt dan al een zeker sectarisme.
In de Handelingen der Apostelen leest u over Simon de Tovenaar (Simon Magus). Wat er niet bij staat is, dat deze Simon ook een volgeling van Jezus was. Een volgeling, die de macht die Jezus aan zijn leerlingen gaf, gebruikte. Hij deed wonderen, Hij was ook koorddanser, zeker. Maar bovenal was hij iemand, die practisch wonderen deed en die de leer eigenlijk zag als iets dat er maar achteraan hing.
Zo zijn er mensen geweest, die in Jezus’ tijd zijn lering hebben verstaan en die zijn uitgegaan en duivelen hebben uitgedreven, mensen hebben genezen, die wonderen hebben gedaan in dé naam van Jezus en de Vader. Als u het niet gelooft, de Apostelen klagen erover tegen Jezus. Het staat in de Schrift: “Heer er zijn anderen (dan wij bedoelen zij), die duivelen uitdrijven en genezen in uw naam “alsof zij willen zeggen: Mensenkinderen, daar wordt ons monopolie aangetast!
Als wij kijken, naar de reactie van Judas Ischariot, dan valt ons onmiddellijk op dat Judas eigenlijk niet zo gemeen is. Nee, maar Judas wil eindelijk eens resultaten zien. En als de Meester dan zelf de situatie niet creëert of geen gebruik maakt van de situatie, dan zal Judas er wel een creëren.
Datzelfde zien wij ook bij de Boeddha. Als de Boeddha vertoeft op dat stukje grond dat later het eerste klooster wordt, het Klooster van de Drie Bomen, dan bevindt zich onder zijn leerlingen onder meer: Anakananda. Dan komt er een oproep van een hof. Daar wil men die vreemde filosoof wel eens ontmoeten. Anakananda vraagt zijn Meester, zijn Goeroe “Ga daar nu alstublieft naar toe. Doe het dan.” Dan zegt de Meesters. “Neen, ik ga wanneer het mijn tijd is, niet wanneer zij mij roepen.”‘ Dan gaat Anakananda. Hij gaat daar dan de leer verkondigen en de excuses aanbieden voor zijn Meester, die belangrijkere geestelijke taken heeft.
Ik geloof, dat daaruit wel blijkt, dat de leerling eigenlijk in de tijd, dat de Meester er nog is, reeds probeert iets van hem te maken, omdat hij niet tevreden is met wat de Meester zelf is.
Dit zal ook verhelderend werken, als wij worden geconfronteerd met de geheimzinnigheid waarmee een Wereldleraar en een Wereldmeester zijn omgeven. Er wordt weinig gezegd over de streek waarin zij geboren zijn, hoe zij heten, hoe zij optreden. Niemand vertelt je wat. Je hoort alleen zo nu en dan iets over die leer. Waarom is dat zo?
Wel, dat is heel eenvoudig, omdat de Meester zelf een zekere mate van anonimiteit nodig heeft, wil hij in staat zijn althans iets van zijn ideeën en tendensen duidelijk te maken.
De tijd, dat je apostelen zocht, leerlingen die de gehele tijd bij je bleven, is nu zo’n beetje voorbij. O, ja, zeker, Jezus heeft het gedaan, de Boeddha heeft het gedaan en ook Mohammed had zijn getrouwen rond zich. Maar de modernere Meesters hebben met volgelingen nogal onaangename ervaringen gehad. Dat blijkt b.v. uit een openbaring, die zo ongeveer omstreeks 1850 werd gegeven en die a.h.w. werd geëxploiteerd. Geëxploiteerd door de leerlingen, niet door de leraar.
Dit kan blijken uit de ontwikkeling van b.v. de theosofie, waarin wij ook al met dezelfde moeilijkheid te maken hebben. De leerlingen nemen het heft in handen. Zij gaan er iets van maken. Totdat men te maken krijgt met figuren als een Annie Besant, die een Meester a.h.w. willen creëren, willen dwingen in het kader van hun eigen groepje, van hun eigen beweging. Dat een grote ziel zich daaraan onttrekt (Krishnamurti heeft dat inderdaad gedaan) heeft eigenlijk alleen maar aanleiding gegeven tot nieuwe bewegingen, die desondanks deze figuur toch tot Meester willen maken en willen blijven volgen op hun manier. Is het een wonder, dat een modern Meester eerder denkt in de termen van een soort practicum, een korte scholing waarmee hij aan zijn leerlingen vooral praktische wenken meegeeft dan dat hij denkt in de termen van een volgeling schap, waarmee hij rondtrekt met een vaste groep om zich heen en daaraan voortdurend lering geeft. Maar toch in het bijzonder aan die groep. Het is duidelijk daar krijg je alleen maar mensen mee, die denken dat zij teveel zijn. Maar als je de mensen een praktische mogelijkheid geeft, dan kunnen zij misschien wat bereiken.
Er rijzen natuurlijk nog wel meer vragen. Bijvoorbeeld:

Hoe komt men er eigenlijk toe het primaat van Rome te stellen? Wat in het christendom zoals u weet een heel belangrijke zaak is geweest. Gaan wij dat na, dan berust het eigenlijk helemaal op een verklaring van een paar apostelen. Een verklaring, die vreemd genoeg oorspronkelijk niet in alle Evangeliën is opgenomen, maar die later wel erin wordt geschreven. Het is vooral omstreeks 800 na Chr. dat die verandering begint. In die verklaring wordt gezegd, dat Jezus verschijnt, wanneer de leerlingen bij het meer van Genesareth zijn en daar tegen Petrus zou hebben gezegen “Tu es Petrus.” Waarbij in aanmerking moet worden genomen dat Jezus natuurlijk Aramees sprak en geen Latijn, Maar dat wordt er dan niet bij verteld. Er wordt ook niet verteld, dat steenrots ook nog anders zou kunnen worden vertaald. Als we die uitspraak namelijk omzetten in het oorspronkelijke Aramees, dan zou ze met evenveel reden kunnen luiden: Jij bent een, keiharde en ik zie dat je nog eens een kerk gaat bouwen. Een klein verschil in betekenis misschien, maar essentieel in dit geval. En is het Petrus zelf die zegt: Ik ben de primus interpares (de eerste onder de gelijken, de leerlingen)? Neen, helemaal niet. Hij is een van de nederigste. Het zijn degenen die later op zijn plaats zitten, die zich op grond van wat Petrus niet wilde een primaat toekennen en daarmee een leergezag. Als wij zien hoe de zaak zich verder ontwikkelt, dan is dat bijna ontstellend.
De Apostelen en ook de eerste christenen doen wonderen. Zij genezen, zij drijven duivelen uit, zij profeteren, enfin, zij doen dus verschillende dingen, die op het ogenblik niet meer in de kerk te vinden zijn maar hoogstens in bepaalde spiritistische groeperingen.
Zodra de kerk dus machtig wordt ,dat begint vooral in Byzantium, is dat afgelopen. Er wordt niet meer geprofeteerd, er worden ook geen zieken meer genezen, er worden nog wel duivelen uitgedreven, maar alleen indien die duivelen zich kennelijk tegen de kerk richten. Langzaam maar zeker wordt de praxis verwaarloosd en in de plaats daarvan komt een leergezag, dat zich voortdurend uitbreidt tot op het ogenblik dat het weer eens aangevochten, probeert zich zeker te stellen, door de onfeilbaarheid van leergezag te postuleren en te zeggen: Indien je dat niet gelooft, ben je geen christen.
Deze ontwikkeling maakt duidelijk wat leerlingen maken van het werk van een Meester. Indien het gezag dat Jezus aan zijn apostelen had gegeven werkelijk was overgeleverd, dan zouden de verkondigers van het Woord ook nu nog met wonderen hun waarheid en waardigheid bewijzen. Dan zouden zij, zoals de apostelen, de volgelingen van Jezus hebben gedaan en ook de anderen die vergeten zijn, omdat zij geen christelijke figuren zijn volgens de structuur, die de paus heeft opgetrokken, wonderen hebben gedaan.
Als wij de Handelingen van de Apostelen lezen, dan horen wij dat ook daar wonderen worden gedaan. Met andere woorden, onverklaarbare genezingen en dergelijke worden tot stand gebracht. Denkt u niet, dat een werkelijk opvolger ook niet datzelfde zou moeten kunnen doen? Dat een werkelijk opvolger in staat moet zijn zichzelf te blijven ondanks alles. Dat betekent, dat van het hele christendom eigenlijk alleen nog maar de schil over is; een lege huls waarin de kern (de goddelijke Kracht) steeds meer schijnt te ontbreken.
Ik weet, dat dit een ernstige kritiek is en dat velen, die christelijk zijn opgevoed dit hier en daar toch wel met een beetje onrust zullen verwerken. Maar is het dan geen feit?
Neem de Boeddha. Zijn leer is onthechting. Hij spreekt met iedereen. Het is van hem bekend, dat hij op een keer ergens moet preken, maar hij komt niet. Als ze dan gaan kijken, dan zit hij daar bij een courtisane op een soort waranda een kopje thee te drinken. De leerlingen vragen dan, of hij dat wel kan doen. En Boeddha zegt: Waarom? Het is toch ook een mens. Maar diezelfde leerlingen maken later wel uit wat goed en kwaad is. En hun gedrag is zeker niet dat van degenen die niet in macht of machtsverhoudingen geïnteresseerd zijn, maar alleen in het welzijn en in de ontwikkeling van de mens.
De leerlingen worden een machtsgroepering. Het wordt zelfs ergens een soort regering. Denk maar eens aan Tibet. Daar is ook het boeddhisme. Hoe wonderlijk is dat daar, dat je met een levende incarnatie, die als vorst over het land regeert en geestelijk hoofd is te maken krijgt. Dat is iets wat de Boeddha nooit heeft verteld. Hij heeft ook nooit gezegd, dat dat mogelijk was. De mensen maken dat ervan.
De nieuwe Wereldleraar ging uit van het standpunt; de mens heeft gaven en die moet hij gebruiken. De mens heeft een lichaam en dat moet hij ook gebruiken. Misschien mag ik hier één van zijn opmerkingen citeren, die voor sommige mensen wel een weinig ontnuchterend is. Hij zei namelijk eens tegen iemand, die erg vergeestelijk wilde doen:
“Als het de bedoeling was dat je op aarde zou leven als een geest, zou men je geen lichaam hebben gegeven.”
Dat is natuurlijk erg vervelend. Maar hij zegt dat zo en maakt het duidelijk. Op een ander ogenblik zegt hij tegen iemand:
“Als u niet in uzelf vertrouwt, hoe zal dan iemand vertrouwen in u kunnen hebben? Als u niet in God vertrouwt, hoe zal God ooit iets waar kunnen maken voor u?’
De Wereldleraar zegt doodgewoon: je moet vertrouwen hebben.
En wat maken zijn leerlingen daarvan? Er zijn er al een paar, die denken dat je het kunt gebruiken om de een of andere politieke of religieuze richting te stichten.
Opvallend is het commune principe, dat wij bijna bij elke Meester aantreffen. De Meester gaat uit van het standpunt: wat wij nodig hebben, dat gebruiken wij. En of dat nu van de een is of van de ander, dat doet niets ter zake, zolang wij tezamen leven is het in orde. Maar dat is natuurlijk niets voor de leerlingen. De communes lopen elke keer stuk op het feit, dat de een meer wil hebben dan de ander; of dat iemand zegt: Maar het is op dit moment mijn schaap. (Dit is uit een islamietische geschiedenis). Iemand zegt op een gegeven ogenblik tegen de profeet: maar als het mijn schaap is dat gegeten wordt, zal ik ook uitmaken wie de ogen krijgt. (De ogen zijn een lekkernij voor een Arabier.) Nu ja, dat is natuurlijk kolder! Als je iets gezamenlijk hebt, dan heeft niemand er iets over te zeggen. Maar de mensen nemen dat niet aan.
Nu zegt de Wereldleraar eveneens:
“Alleen datgene wat gij werkelijk nodig hebt voor uw persoonlijk bestaan en uw instandhouding is waarlijk uw eigendom. Al het andere is een onnodige belasting, die eerst verdwijnt, indien gij haar weet te delen met anderen.” Daaruit worden natuurkijk weer de nodige conclusies getrokken.
“Maar,” zeggen de leerlingen nu, dat betekent dat wij ons bezit moeten weggeven? Wel neen. Er is wel een stelletje dat daarover heeft gedacht: Nou, dan moeten wij maar een sleutelclub beginnen. Maar om hun bezit of hun zakelijke invloeden te gaan delen, daar voelen zij niets voor. Daardoor is ook de Wereldmeester eigenlijk al van het begin af aan afgesloten geweest. Hij heeft geen leerlingen gezocht, die bij hem blijven. Er is uit de aard der zaak een aantal reïncarneerden, dat moet dienen om zijn werk mogelijk te maken. Zijn werkelijke leerlingen zijn mensen, die hij voor een korte tijd ontmoet en aan wie hij iets meegeeft; een gave, een slagzin, meer niet. Hij weet: als ik hun alles geef, dan maken zij er toch een potje van. Maar als ik hun een klein stukje geef, dat zullen zij eerder waarmaken, omdat zij dan niet worden overdonderd door de eisen,’die het geheel stelt. Laat hen erin opgroeien.
Ook de Wereldleraar heeft dit aardig in de gaten, wanneer hij op een gegeven ogenblik tegen iemand zegt: “Waarom wil je alle geheimen weten? Je bent als iemand, die de grootste boeken van wijsheid wil lezen, terwijl hij de letters nog niet kan onderscheiden. Leer eerst spellen, mijn vriend.”
De Wereldmeester brengt dat geloof ik, erg in praktijk. Het is alsof hij geen volgelingen wil hebben. Hij wil wel leerlingen hebben mensen, die iets van hem leren. De gehele wereld moet iets van heem leren, maar hij wil niet een centrale figuur zijn met een kliek daar omheen.
Hij wil gewoon zijn als iemand, die door het land trekt en overal de mogelijkheid van een latere bloei veroorzaakt. Dat is typerend meen ik voor deze moderne tijd. Het verleden heeft trouwens duidelijk gemaakt, dat wij voor een geestelijke bewustwording eenvoudig niet kunnen werken met een gezag systeem. Want als een systeem uitgaat van een bepaald gezag dat gedefinieerd is en in wetten wordt uitgedrukt:, dan zijn er onmiddellijk mensen, die zich daarvan meester maken.
Dat is even typerend voor de ontwikkeling van het jodendom. God geeft zijn Wet op Sinaï Ik wil er niet over praten hoe dat nu precies is gebeurd, of het werkelijk God was. God geeft zijn Wet op Sinaï. Het is een priesterlijke wet, laten wij dat niet vergeten. Het is het begin van een theocratische ordening. Als het volk verder trekt door de woestijn en lange tijd hier en daar verblijft (er zijn oases waar de joden jarenlang hebben vertoefd), totdat ze eindelijk kunnen binnentrekken in het beloofde land, dan is dat wel de Wet, want Mozes was er bij. Maar nu is zijn directe opvolger (de geestelijke opvolger Aaron). Maar wie is degene die de macht in handen neemt en de uitvoering van de Wet volgens zijn inzichten regelt zodra zij in het beloofde land binnentrekken? Jozua, de generaal. Het is de generaal, die zijn macht baseert op de Tien Geboden en daarbij gelijktijdig vele handelingen pleegt die direct ingaan tegen het goddelijke gebod zoals het op de Tafelen staat gegraveerd volgens de overlevering.
Ook hier weer: zolang Mozes er is als leider van zijn volk gaat het wel. Het volk mort wel eens tegen hem en hij heeft wel eens moeilijkheden, maar dan kan hij tenminste de Wet laten gelden, zoals zij is een: manier van leven. Maar zodra Mozes verdwijnt, zien wij ineens een priesterlijke hiërarchie ontstaan. Wij zien een generaal, die door middel van de priesters de zaak probeert te regeren. Wij zien een heel systeem ontstaan dat eigenlijk pas weer wegvalt, wanneer het volk een tijd van vrede heeft gekend en daardoor van wanorde. Daarna krijgen wij weer te maken met de profeten. Dat zijn dan meestal de kleine plaatselijke profeten, die wat leerlingen rond zich verzamelen en dan op grond van hun profetieën proberen macht uit te oefenen. Maar wat heeft dat te maken met een wijze van leven, zoals Mozes eigenlijk wilde brengen?
Er zijn ook Meesters geweest waarvan men nooit heeft gehoord. En er zijn heel wat volgelingen geweest, die daaruit de dwaasheden hebben gemaakt waarvan u waarschijnlijk wel heeft gehoord.
Het denkbeeld, dat de ziel een woning moet hebben heeft b.v. bij de Egyptenaren gevoerd tot het maken van afbeeldingen. Het grote beeld van een farao was niet alleen maar een beeld. Neen, dat was ook een rustplaats voor de Ba, zijn astraal voertuig.
Mummificatie was precies hetzelfde. Oorspronkelijk, zoals het in het geloof is ontstaan (dus zoals het van Esir afkomstig is), is die helemaal niet belangrijk, want je vindt de woning in je daden. Later wordt in vroege versies van het Dodenboek zelfs gezegd, dat als je bent gewogen door de veertig Rechteren en kunt gaan door de Hallen der Herinnering, je zult treden in het land waar je woning is gebouwd uit je daden. In latere versies is dat weggelaten. Het was nog teveel een soort “eigen prestatie”, daar had men geen belang bij.
Maar vraag u dan eens af, of het redelijk is aan te nemen dat een leermeester, een gezondene, zeker in deze periode en in déze tijd volgelingen met zich meesleept en in een betrekkelijk kleine kring een compacte leer geeft. U zult het op grond van het voorgaande toch wel met mij eens zijn, dat dat eigenlijk roepen om moeilijkheden betekent. Het is gewoon vragen om versplintering, om machtsstrijd tussen de volgelingen. Maar als je een leerling een beperkte gave geeft en je leert hem daarmee te werken, al is het alleen maar de gave van genezing of van inspiratief ontvangen, dan kun je door de wijze waarop je die gave geeft de mens brengen tot een harmonie met het kosmisch geheel. En dan kunnen wij uit de woorden van de Wereldmeester citeren:
“Daar waar wij in ons zelve de verbondenheid bereiken met het Grote (met het Al), zal het Al zich door ons vervullen, niet alleen daar waar wij de harmonie bereikten, maar de harmonie zal ons vervullen en ons veranderen totdat wij leven uit het Grote.”
Dat is nu eigenlijk het punt waar het mij om gaat in dit betoog; Leerling zijn is goed, als dit leerling zijn betekent dat je een vaardigheid., een bekwaamheid vindt. Het is niet goed, als daardoor je hoofd alleen wordt gevuld met allerhande mooie theorieën. Op het ogenblik, dat je jezelf de meerdere gaat achten van een ander, word je in feite steeds minder. Op het ogenblik echter, dat je beseft de gelijke te zijn van allen en in allen de kracht te mogen uiten door jouw speciaal talent, die voor allen bestaat, maak je jezelf meer deel van de totaliteit, maar vooral ook van de kosmische kracht, die mede in die anderen vertegenwoordigd is. Dit is het punt, waarop wij altijd weer zullen moeten terugkeren.
“Niemand kan u de zaligheid geven,!’ zo sprak een van de kerkvaders, “doch indien gij de weg gaat (hij bedoelde de weg van Jezus) die hij u is voorgegaan, zo zult gij vinden de innerlijke verlichting én kracht, het deelgenootschap (in het Koninkrijk Gods), waardoor gij zult zijn uit al, in al één met de Vader.” Het was maar een gewone kerkvader. Een man, die overigens al heel gauw vanwege schisma is uitgewezen. U weet hoe dat gaat. Als een leerling macht heeft verworven en een ander zal uit die leer de waarheid verkondigen, dan zegt hij gauw; “Anathema! Dit is strijdig met God, dit is gevaarlijk voor de mensheid, verwerpt haar! En dat verwerpen gaat dan meestal erg hardhandig, als zij daartoe de kans krijgen.
De gehele ontwikkeling heeft. ons laten zien dat de leerling eerst dan, werkelijk belangrijk is, indien hij leert datgene wat zijn Meester hem overbrengt te zien als een waarde, die in hemzelf bestaat, niet als een waarde, die hij alleen ontleent aan de Meester. Dat is een van de belangrijkste punten, die elke keer weer en bij elke Meester op de voorgrond treedt.
Jezus zegt niet tegen de leerlingen: Ik zal jullie wel helpen. Hij zegt: Ga uit en genees! Hij zegt niet tegen zijn leerlingen: Nu ga ik een wonder doen. Hij zegt: Laten wij uitdelen. En dan krijgen we de wonderbaarlijke vermenigvuldiging van brood en vis. Die overigens niet zo wonderlijk was als men tegenwoordig schijnt te denken. Het was een oneindige multiplicatie van enkele dingen. Het was eenvoudig het vrijmaken van de mens, opdat hij zijn gebondenheid aan zijn verborgen bezit even vergat en dit ook wilde delen met anderen.
Altijd weer: als je een Meester hebt, dan geeft hij je de kans om jezelf te zijn. Je begint natuurlijk als leerling. Maar als hij een werkelijke Meester is, dan is zijn bedoeling niet dat je leerling en volgeling blijft. Dan is zijn bedoeling dat je zelf tot meesterschap komt. Hier faalt de mens voortdurend weer door de hele geschiedenis heen. Hij is niet bereid zichzelf prijs te geven aan het Grotere om zo in eenheid met het Grotere de waarheid. te kunnen dragen en vertegenwoordigen in de wereld waarin hij leeft. De mens wil graag wetten waarmee hij anderen kan beperken. Hij wil offers brengen, zelfs kostbare offers ook voor hemzelf, opdat hij daardoor het gevoel krijgt dat hij een recht heeft tegenover God of tegenover een Meester.
Als wij iets doen als oefening, dan kan dat goed zijn. Als b.v. in bepaalde lamaïstische scholen de leerling op een gegeven ogenblik ’s nachts de eenzaamheid in wordt gezonden met een tamboerijntje en een doodsbeen om daarop te roffelen of soms ook met een fluit, ook uit een doodsbeen gemaakt, om daarmee de geesten op te roepen en te zeggen: Hier, demonen, neem mij maar, eet mij maar! Dan kan dat goed zijn als het overwinnen van de angst voor het demonische. Maar op het ogenblik, dat het een ritueel wordt waardoor jij je ingewijd zijn gaat bewijzen, is het zinloos geworden. Indien wij iemand aan de hand van dergelijke proeven gaan beoordelen – en dat gebeurt meestal – dan beoordelen wij hem naar uiterlijkheden en vertoon, niet naar de kracht die in hem is.
Jezus heeft daarover in de Kleine Lering (Hij heeft enkele leerlingen groepen gehad waar hij wel eens wat meer zei en zelfs bepaalde magische dingen heeft gedaan gezegd:
“Wanneer ik roep tot alle krachten in het AL en zij gehoorzamen mij, zo roep ik niet tot krachten, die  zijn, maar ik vorm mij het beeld van de Oneindige dat in mij bestaat en druk het uit in de wereld waarin ik leef.”
En de Wereldmeester, die op het ogenblik actief is, stelt:
“Gij kunt u op niets beroepen en niets beheersen zolang gij uzelve wilt zijn in de ogen van anderen.”
Dit is zeker heel belangrijk. Dus als het je wat kan schelen wat een ander van je denkt, dan ben je eigenlijk al geen goede leerling; dan kun je niet volgen. De mensen willen juist graag iemand hebben, die hun allerhande voorschriften geeft.
Mag ik om te eindigen u enkele, voor de doorsnee gelovige en de doorsnee leerling typerende punten opnoemen? Men vraagt, dat God een wet geeft, die voor een ieder geldt. Men is bereid zich eraan te houden zolang men van andere ditzelfde kan eisen.
Men vraagt een vaste leer, opdat men niet zelf behoeft te denken en verbiedt anderen zelf te denken.
Men stelt eenvoudig krachten, die nimmer praktisch worden bewezen en op grond daarvan eist men onderwerping van anderen.
Men zoekt zijn zekerheid in het behoren tot een uitverkoren groep, terwijl de uitverkorenheid niet wordt bewezen en de juistheid van de leer niet is bewezen, kortom niets is bewezen behalve dit: dat de groep je vertelt dat je beter bent, dat je goed bent en dat het je goed zal gaan.
Is het niet krankzinnig dat er mensen zijn in deze tijd, waarin de mensheid veel meer weet, veel meer wetenschappelijk kan nagaan, kan lezen, kortom kennis kan nemen van vele meningen en vele feiten, dat er nog mensen zijn die weigeren om zelfs maar te begrijpen dat een interpretatie van een spreuk niet hetzelfde is als de spreuk. Daarop is een heel grote beweging opgebouwd. Is het niet krankzinnig dat er in uw tijd, waarin men zoveel weet over de mens en datgene wat hem beweegt, wat hem tot zijn daden brengt, nog altijd mensen zijn die niet naar de mens willen zien, doch alleen maar naar wat zij noemen de harde goddelijke Wet, waaraan zij zichzelf onderwerpen, maar die zij gelijktijdig slaafs ook aan anderen opleggen. Dat zijn nu de leerlingen. Een Meester maakt geen slaven, hij bevrijdt. De werkelijke leerling wordt op den duur zelf tot Meester. Maar zij, die zich leerlingen noemen en pretenderen dit voortdurend te blijven, zij zijn meestal degenen, die de woorden en lering van de Meesters trachten te gebruiken om anderen te ketenen en zichzelf te verheffen.

De basis van alle filosofie

“Een filosoof is een denker, die zich baseert op de werkelijkheid om haar dan snel uit het oog te verliezen. Hij stijgt op de vleugels van zijn verbeelding als een leeuwerik naar de zon en laat hoogstens zijn vuil naar de aarde vallen.”
Een zinsnede, die ofschoon vrij vertaald zeker niet van mij stamt.
Als wij filosoferen, dan gaan wij uit van wat wij zien van de wereld en van de wenselijkheden, die wij in de wereld veronderstellen. Indien alle filosofen de mogelijkheid kregen hun denkbeelden op deze wereld geheel te verwezenlijken, dan zou de wereld geen mensen dragen; dan zouden er alleen nog maar dieren óf misschien geen enkel leven meer zijn. Er is een filosoof die zegt:
“De mens wordt geboren, geleid door zijn karma of noodlot op een plaats in de wereld, die hij dient te vervullen. Het is zijn taak daarmede verder te gaan tot het einde van zijn dagen. Want ziet, dit is voor hem bestemd. Eerst als een ieder zijn eigen taak vervult en niets ander verlangt, zal de wereld een perfecte ordening kennen, die gelijk is aan die van de hemel.” Wat betekent, mijne vrienden, als wij het goed ontleden, dat de mens die op de wereld komt en begint met drinken en het tegendeel daarvan dit tot het einde van zijn dagen zal moeten voortzetten. Indien wij aannemen dat er een sociale ordening is die onveranderd moet blijven, dan moeten wij ook aannemen dat de mens niet moet denken, maar alleen moet leven uit gewoonte.
Als wij een andere filosoof horen stellen, dat de mens slechts de innerlijke waarden moet beseffen en alleen deze tot uitdrukking moet brengen in de wereld, zo vraag ik mij af, in hoeverre die innerlijke waarden voedzaam zouden kunnen zijn? Ik vrees, dat indien de mens alleen zijn innerlijke waarden tot uiting brengt, de wereld, zou verhongeren. Maar de filosoof houdt zich daarmede niet bezig. Hij zegt eenvoudig; Volgens mij zou dat goed zijn. Als hij zegt: Alleen de permanente revolutie kan de maatschappij leefbaar maken, dan vraagt hij zich niet af, of tegen zijn filosofie ook met een revolutie mogelijk zou zijn. Hij meent, dat dat onmogelijk is. Hij zoekt in de voortdurende fluïditeit van gebeuren als enige vaste maatstaf zijn eigen gedachten te plaatsen en daarmede faalt hij evenzeer.
Wij, die zoeken naar de waarheid, ook bij de Grootmeesters in de geest en de Grootmeesters die op aarde worden geboren, wij dienen ons te realiseren dat filosofie op zich nutteloos is. Zij kan dienen als vermaak, zij kan dienen als een poging je een ogenblik andere mogelijkheden te realiseren, maar zij kan nimmer de basis zijn van je leven. De basis van het leven is de werkelijkheid.
De werkelijkheid kun je echter niet nemen met enkele grammen. Toch lijkt mij voor de opbouw van een filosofie het volgende recept te gelden. Men neme 2 gram werkelijkheid, 10 gram verlangen, 500 gram fantasie en menge deze met wetenschappelijke gegevens, totdat er een aanvaardbaar geheel ontstaat, dat licht verteerbaar kan zijn. Maar hebben wij daar wat aan? Laat mij enkele voorbeelden geven van de verwarring, die kan ontstaan:
De basis van de magische filosofie is een aantal veronderstellingen omtrent het heelal. Op grond van die veronderstellingen is een rituele magie ontstaan, die een zeer groot aantal plechtigheden en vereiste handelingen naar voren brengt. Voor bepaalde vormen van magie wordt b.v. gevraagd naar de hersenen van een witte ekster. Je moet dat maar weten te vinden! Daarmee is de uitvoering van het recept onmogelijk geworden. Maar dan zegt de magiër volgens zijn filosofie: dit is noodzakelijk, omdat wij alles toegankelijk maken, en eenieder de magie zou kunnen beoefenen. Maar daarmee heeft hij gelijktijdig zichzelf de beoefening van de magie onmogelijk gemaakt. Hij heeft de magie gemaakt tot iets wat geen wetenschap meer is, maar een krankzinnig mengsel van werkelijkheid en fantasie.

Het denkbeeld dat wij de wereld moeten hervormen is ook iet dat bij menige filosofie een rol speelt. Of wij nu Nietzsche zien met zijn poging om de Übermensch uit te beelden als een wezen dat eerst in de eenzaamheid zijn werkelijkheid moet vinden – om dan bezeten door zijn meerderaardigheid terug te keren – of dat wij ons bezighouden met andere denkers, misschien Schopenhauer – of als u dat liever heeft Sartre- wij komen altijd weer tot de conclusie: zij gaan uit van een veronderstelling; zij gaan niet uit van de feiten.

Er zijn geen supermensen. Er zijn geen mogelijkheden tot innerlijke, religieuze onthullingen waarbij de werkelijkheid wordt weggevaagd. Er is geen mogelijkheid om door ontkenning van de zin van het bestaan te komen tot een gelukkig leven. De mens is niet besloten in zichzelf. De mens leeft in een wereld. Die wereld bouwt hij voor een deel misschien zelf, maar zij bevat voldoende waarden waarmee hij wordt geconfronteerd. Indien men zegt, dat de mens zijn hel zelf bouwt, zegt men iets dat niet waar is. Men kan hoogstens zeggen dat de mens – en ook de geest- de hel vormt, waarin hij of zij denkt te leven.

Daar wij feiten kennen, kunnen wij op grond van die feiten bepaalde conclusies trekken; maar die conclusies zijn zondermeer nog geen filosofie. Pas indien wij daaraan een aantal zeer vergezochte conclusies gaan verbinden of bepaalde ideële waarden, komen wij tot filosofie. Filosofie is een werkelijkheidsvervreemding, die zich baseert op een klein deel der werkelijkheid. Het is een poging de mens te onttrekken aan de werkelijkheid waarin hij leeft.

Een groot gedeelte van de godsdiensten wordt door dergelijke filosofen gedragen. Maar al zegt de filosoof dat God tot ons kan spreken, zo is het voor ons toch belangrijk of hij dat doet. Als de filosoof zegt, dat wij vrij kunnen zijn, dan is de vraag niet of het voor ons mogelijk is belangrijk, maar of het voor ons mogelijk is, of wij een vrijheid kunnen vinden. Als iemand zegt, dat het geluk te vinden is, dan is het niet de vraag, of dat ergens mogelijk is voor iemand, maar of het voor ons mogelijk is. Een filosofie heeft pas betekenis, als wij haar herleiden tot het voor ons belangrijke en het voor ons mogelijke en dat enten op onze werkelijkheid, niet op onze dromen.

Vermoedelijk heeft u zich hier en daar wel met filosofie beziggehouden. U zou zich kunnen afvragen, waarom de filosoof altijd weer het ideaalbeeld tekent. Ik meen, dat dit een vorm van narcisme is, van zelfverheerlijking, als de filosoof het ideaalbeeld tekent waarin hij zelf volmaakt denkt te kunnen zijn. Hij zal nooit iets tekenen waarin de mens ideaal kan zijn, maar waarin hij ideaal kan zijn.

Een groot gedeelte van het utopisme is in feite slechts de uitdrukking van de mens die denkt, die filosofeert. Ik wet wel, dat men bepaalde denkwijzen en filosofieën beschouwt als prognoses. Er zijn ook nu nog Bellamyanen die met spanning wachten op het jaar tweeduizend waarin de mensheid volmaakt zal zijn. Het is voor hen gelukkig dat zij nog enige jaren hun illusies kunnen koesteren. Er zijn Orwellianen, die geloven aan de krankzinnige machtsbezetenheid waarin eenieder tot slaaf wordt gemaakt. Ik geloof, dat ook zij verkeerd dromen en vrezen. Voor hen is het gelukkig dat het tijdsstip van hun droom dichterbij ligt.

Zodra wij mensen beschrijven, kunnen wij – ook in de filosofie – iets duidelijk maken. Ik noemde u Orwell. Deze heeft één van de mooiste spreuken geschreven in zijn “Animal Farm” toen hij zei: “allen zijn gelijk, maar sommigen zijn méér gelijk dan anderen.” Hij heeft daarmee duidelijk gemaakt dat de gelijkheid, die de mens nastreeft of zegt na te streven, altijd een illusie is. Maar welke filosoof is bereid toe te geven dat hij slechts het onmogelijke beschrijft? En vooral welke filosoof is bereid toe te geven dat op z’n best zijn gehele denken, een werkhypothese vormt, die aan de werkelijkheid getoetst dient te worden en zich zal moeten wijzigen? Dit ligt ten grondslag aan alle filosofie. Dit is de kern, waarmee wij altijd worden geconfronteerd.
Het zou mij niet moeilijk vallen ook hier zeer filosofische uitspraken te berde te brengen. Filosoferen is geen kunst. De kunst is het om de filosofie voor anderen aanvaardbaar te maken Degenen die dit weerstaan, worden in de ogen van anderen tot grote leiders en leermeesters. En zij veroorzaken dwaasheden?
Marx is in feite een sociaal filosoof. Zijn denken heeft ertoe geleid dat landbouwstaten zich zijn gaan omvormen tot industriestaten, terwijl ze als landbouwstaten beter hadden kunnen bestaan met minder kosten en met minder inspanning. Het heeft ertoe geleid dat er vele orde filosofen zijn ontstaan, die uitgaan van het recht om alle mensen gelijk te schakelen, terwijl het mens zijn en de menselijkheid juist is gelegen in de mogelijkheid anders te zijn dan anderen. Want het is het contrast waarin de mens groot wordt, niet de gelijkheid.
Er zijn filosofen, die u vertellen hoe u de beste steden moet bouwen. Hun filosofieën zijn goed, alleen in hun steden kunnen slechts termieten wonen, geen mensen. Op het ogenblik, dat de filosoof zich baseert op enkele feiten en niet op het totaal van de hen bekende feiten en ertoe overgaat ontwikkelingen of mogelijkheden te postuleren, begint hij een netwerk van onwaarheden te vlechten. Toch zal de filosofie soms nut hebben. Zij kan ons helpen aan gelijkenissen. Als wij denken aan b.v. de Levensboom, zo worden wij geconfronteerd met iets dat niet werkelijk is en kan zijn, maar ons een vergelijking geeft voor een aantal processen, die wij wel kunnen begrijpen en die wij voor een deel daadwerkelijk doormaken.
In de filosofie van de bewustwording zullen wij zowel in de yoga-filosofie als elders vele onjuiste gegevens aantreffen; voorstellingen, die niet reëel zijn, maar die als gelijkenis voor de werkelijkheid kunnen dienen en daardoor misschien het onbegrijpelijk iets begrijpelijker kunnen maken. Maar de filosofie op zich wordt daardoor niet méér waar, zij wordt slechts in delen meer bruikbaar.
De grote filosofen, ook op het gebied van natuurwetenschappen hebben zich een wereld opgebouwd. Er zijn filosofen geweest, die vertelden dat er 49 sferen zijn, 49 koepels met sterren en andere krachten die tezamen alles omringen waarop de mens woont. In hun tijd waren zij verlichte figuren. Toch weten wij nu dat alles wat zij zagen onzin is, dat hun beelden hoogstens ongelukkige verklaringen waren voor enkele verschijnselen. Datzelfde kunnen wij dadelijk constateren, als wij worden geconfronteerd met de filosofie over ruimte en tijd van deze periode. Men zal ontdekken dat die anders is en een geheel, nieuwe inhoud kan hebben. Als wij zien wat er tegenwoordig omtrent het atoom wordt verteld, zo zullen wij ontdekken dat een deel daarvan een filosofische opbouw is, die nu gebruikt kan worden om het atoom te benaderen en te hanteren, maar die niet meer gebruikt kan worden wanneer de wetenschap verder gaat, want dan blijken de eigenschappen totaal te verschillen van al wat men heeft gedacht en de mogelijkheden evenzeer. Hier ligt het grote gevaar van de filosofie. Wij nemen aan dat zij met haar opbouw, omdat zij redelijk schijnt te beantwoorden aan hetgeen wij zoeken, de totale waarheid zal bevatten, dat zij altijd waar zal blijven. Waarheid bestaat niet. Er bestaat slechts de voortdurende ontwikkeling waarin nieuw besef, de oude waarheid tot onvolledig verklaart en dan een nieuwe waarheid postuleert als de enige. Eens zal er misschien een waarheid geworden. Maar dan zegt de magiër volgens zijn filosofie: Dit is noodzakelijk, omdat als wij alles toegankelijk maken, een- ieder de magie zou kunnen beoefenen. Maar daarmee heeft hij gelijktijdig zichzelf de beoefening van de magie onmogelijk gemaakt. Hij heeft de magie gemaakt tot iets wat geen wetenschap meer is, maar een krankzinnig mengsel van werkelijkheid en fantasie.
Het denkbeeld, dat wij de wereld moeten hervormen is ook iets dat bij menige filosofie een rol speelt. Of wij nu Nietzsche zien met zijn poging om de Übermensch uit te beelden als een wezen dat eerst in de eenzaamheid zijn werkelijkheid moet vinden om dan bezeten door zijn meerwaardigheid terug te keren, of dat wij ons bezighouden met andere denkers, misschien Schopenhauer of als u dat liever, heeft Sartre, wij komen altijd weer tot de conclusie: zij gaan uit van een veronderstelling; zij gaan niet uit van de feiten
Er zijn geen supermensen. Er zijn geen mogelijkheden tot innerlijke, religieuze onthullingen, waarbij de werkelijkheid wordt weggevaagd. Er is geen mogelijkheid om door ontkenning van de zin van het bestaan te komen tot een gelukkig leven. De mens is niet besloten in zichzelf. De mens leeft in een wereld. Die wereld bouwt hij voor een deel misschien zelf, maar zij bevat voldoende waarden waarmee hij wordt geconfronteerd. Indien men zegt, dat de mens zijn hel zelf bouwt, zegt men iets dat niet waar is. Men kan hoogstens zeggen dat de mens en ook de geest de hel vormt (het is dus waarin hij of zij denkt te leven).
Daar waar wij feiten kennen, kunnen wij op grond van die feiten bepaalde conclusies trekken; maar die conclusies zijn zonder meer nog geen filosofie. Pas indien wij daaraan een aantal zeer vergezochte conclusies gaan verbinden of bepaalde ideële waarden, komen wij tot filosofie. Filosofie is een werkelijkheidsvervreemding, die zich baseert op een klein deel der werkelijkheid. Het is een poging de mens te onttrekken aan de werkelijkheid waarin hij leeft.
Een groot gedeelte van de godsdiensten wordt door dergelijke filosofen gedragen. Maar, al zegt de filosoof dat God tot ons kan spreken, zo is het voor ons toch belangrijk óf Hij het doet. Als de filosoof zegt, dat wij vrij kunnen zijn, dan is de vraag niet óf het voor ons mogelijk  belangrijk is, maar of het voor ons mogelijk is, of wij een vrijheid kunnen vinden. Als iemand zegt, dat het geluk te vinden is, dan is het niet de vraag, of dat ergens mogelijk is voor iemand, maar of het voor ons mogelijk is: Een filosofie heeft pas betekenis, als wij haar herleiden tot het voor ons belangrijke en het voor ons mogelijke en dat enten op onze werkelijkheid, niet op onze dromen.
Vermoedelijk heeft u zich hier en daar wel met filosofie beziggehouden. U zou u kunnen afvragen, waarom de filosoof altijd weer het ideaalbeeld tekent. Ik meen, dat dit een vorm van narcisme is van zelfverheerlijking, als de filosoof het ideaalbeeld tekent waarin hij zelf volmaakt denkt te kunnen zijn. Hij zal nooit iets tekenen waarin de mens ideaal kan zijn, maar waarin hij ideaal kan zijn.
Een groot gedeelte van het utopisme is in feite slechts de uitdrukking van de mens die denkt, die filosofeert. Ik weet wel, dat men bepaalde denkwijzen en filosofieën beschouwt als prognoses. Er zijn ook nu nog Bellarnyanen die met spanning wachten op het jaar 2000 waarin de mensheid volmaakt zal zijn. Het is voor hen gelukkig, dat zij nog enige jaren hun illusies kunnen koesteren. Er zijn Orwellianen, die geloven aan de krankzinnige machtsbezetenheid waarin een ieder tot slaaf wordt gemaakt. Ik geloof, dat ook zij verkeerd dromen en vrezen. Voor hen is het gelukkig, dat het tijdstip van hun droom dichterbij ligt.
Zodra wij mensen beschrijven, kunnen wij ook in de filosofie iets duidelijk maken. Ik noemde u Orwell. Deze heeft één van de mooiste spreuken geschreven in zijn “Animal Farm” toen hij zei: “Allen zijn gelijk, maar zijn waar wij niets tegenover kunnen stellen, dat finaal is en volledig. Maar dan is ook het einde van alle leven en bestaan bereikt.”
Dit is een filosofie. Maar het is een filosofie, die rekening houdt met zovele feiten dat zij als uitgangspunt bruikbaar is.
Indien u in uw leven zoekt naar een levensrechtvaardiging, zo vraag ik u. Zijt gij gelukkig? Maakt ge anderen gelukkig? Hebt gij betekenis voor anderen. Zo ja, dan is uw leven goed. Er is geen andere rechtvaardiging voor het bestaan nodig dan het bestaan zelve. Voor u zal de waarde van het bestaan afhankelijk zijn van wat u bent, wat u beleeft.
Als er zo dadelijk een hiernamaals is wat in zekere zin voor u ook filosofie is omdat het voor een groot gedeelte onbewijsbaar is – dan zal datgene wat ge nu zijt bepalend zijn voor wat ge later zult zijn. Ik geloof, dat wij deze dingen goed moeten beseffen.
Als wij zelf willen filosoferen, laat ons dan uitgaan van de feiten, niet van de verklaring, die voor de feiten mogelijk is. Laten wij uitgaan van de resultaten, die er werkelijk zijn, niet van wat als mogelijk resultaat wordt gepostuleerd. Dan eerst zullen wij de filosofie zien in haar ware betekenis.
Wij zullen haar zien als een denkwijze, die wij kunnen gebruiken om ons te oriënteren ten aanzien van het bestaande om voor onszelf een richting te kiezen voor een eventuele ontwikkeling, zonder dat daarmee ooit een volledige rechtvaardiging voor onze daden kan worden gegeven, zonder dat daarmee ooit een volledige waarheid kan worden uitgedrukt.
Eerst als wij het geheel van de filosofie, dus het werk van alle filosofen, leren beschouwen als een werkhypothese, die wij voortdurend aan ons eigen bestaan en beleven moeten toetsen, zullen wij verder komen. Dan is de basis van de filosofie voor ons geworden een mogelijkheid om onszelf te realiseren en in en vanuit onszelf te beproeven in de wereld.

Leven

Leven is deel zijn van. Leven kun je alleen, indien je deel bent van de wereld. Als er geen wereld is, besef je geen leven, dan is het bestaan zonder kennen dood.
Bewustzijn kan alleen ontstaan uit het conflict tussen ons en dat wat we als niet deel van onszelf erkennen. Het conflict, dat wij kunnen oplossen door te beseffen dat wij op dit ogenblik anders zijn, zonder te stellen dat wij altijd anders zullen zijn.
In de wereld zijn er vele dingen, die de mens zichzelf en anderen pleegt te verbieden of aan te bevelen. Maar als je iets van ganser harte doet, dan leef je ook werkelijk. Als je van ganser harte geeft of ontvangt, als je van ganser harte speelt of met algehele overgave werkt, dan leef je pas.
Leven is wat je bent tegenover een wereld. Leven is de toets, die de wereld jou voortdurend doet ondergaan en het antwoord dat je daarop geeft. Wij leven alleen, indien wij innerlijk voortdurend activiteit kennen, indien wij delen met de wereld, indien wij niet bang zijn om uit die wereld te ontvangen.
Leven is het erkennen van tegenstellingen en het vinden van het juiste; het harmonische antwoord in onszelf.
Er komt een ogenblik, dat uiterlijke verschijnselen veranderen. De mensen spreken dan van dood. Maar ik zeg u: gij zult verder beseffen en gij zult een wereld kennen en daarom zult ge leven.
Altijd weer blijven er contrasten bestaan. In die contrasten moeten wij voortdurend waarmaken dat wij leven, dat wij zijn. Al wat daartoe bijdraagt, is goed voor ons. Al hetgeen ons terugdringt uit het besef te leven, is verkeerd.
Wij kunnen alle wijsheid uit de kosmos bezitten, maar als wij geen harmonie kennen met die kosmos, is het nutteloos.
Wij kunnen dwaas zijn en niets beseffen van de wereld, maar er gelukkig in zijn en voortdurend spontaan reageren op wat er buiten ons bestaat. En wij zullen dan niet slechts leven, maar ons leven zal steeds meer van de wereld en de kosmos bevatten, totdat wij werkelijk alle dingen kunnen zijn en leven, de tegenstellingen in ons erkennen als iets waaruit een voortdurende harmonie en geluk weer wordt geboren.
Het leven is de confrontatie met het andere. Maar die confrontatie met het andere betekent ook verandering van het “ik”: de manier, waarop je reageert, het jezelf schenken aan de wereld. Alleen daarin hernieuwt, als een phoenix in de as van het verterend vuur, de mens zichzelf voortdurend als een levend wezen dat kan opwieken tot de oneindigheid. Ik wens u een goed en gelukkig leven.
Ik zou u nog dit willen zeggen:
Wat ik in de laatste overweging heb gezegd is een ervaring, die ik zelf in vele jaren heb opgedaan in de geest en in de stof. Er zijn heel wat levens nodig geweest om deze waarheid voor mijzelf te beseffen. Ik kan haar u niet overdragen. Ik kan haar u alleen voorleggen in de hoop, dat ook u zult komen tot een werkelijk leven met de hele wereld, met alle geest, met alle krachten, opdat u daarin uzelf moogt vinden. Want dan ben je buitengewoon gelukkig. Dat kan ik u met de hand op het hart verzekeren.