De mens (1989)

5 februari 1989

Wij hebben vanavond een gastspreker voor u, die zich bezighoudt met de mens. Ach, iedereen heeft zo zijn eigenaardigheden. Hij denkt aan de mens op een andere manier dan wij dat gemiddeld doen. Ik hoop dat het voor u interessant is.

Als je naar de mens kijkt op het ogenblik dan vraag je wel af waar ze mee bezig zijn. De mensen weten heus wel dat ze verduveld snel wat aan de wereld moeten doen. Een hele hoop slechte dingen moeten gaan nalaten. Maar ja, als een ander het nou zou willen doen, graag, maar zelf, nee. Ja, je kunt natuurlijk het oppervlaktewater wel schoner maken, maar dat kost werkgelegenheid en winst! En je kunt natuurlijk wel de lucht minder verpesten, maar ja, dan wordt het zoveel duurder om te stoken, en zoveel moeilijker om auto te rijden en al deze dingen bij elkaar brengen je eigenlijk tot de vraag of de mens nu iemand is die vooruit kijkt, of iemand die achteruit kijkt.

De meeste mensen denken altijd terug. Als je een jaar of 30, 35 bent, denk je een paar dagen terug. Als je een jaar of 50 bent, denk je een jaartje terug. En tegen de tijd dat je 65 of 70 bent geworden, denk je gemiddeld 60 jaar terug. Je gaat dan naar het verleden toe. Misschien omdat je denkt dat je geen toekomst meer hebt, ik weet het niet, maar altijd toch die neiging om terug te kijken en niet vooruit. Maar als u over straat loopt en u kijkt voortdurend om, dan kunt u zich als een zeer gelukkig mens beschouwen wanneer u niet tegen een boom, een lantaarnpaal, een voorbijganger of een auto aanbotst! U moet vooruitkijken. Wat is morgen? En natuurlijk ook: wat ben ik vandaag? De meeste mensen komen er pas achter wat ze vandaag zijn, als ze erover nadenken wat ze eigenlijk verkeerd hebben gedaan. “Toen had ik dat moeten zeggen”, “als het toen zó was gegaan”, “als ik dat had gekozen, dan…”

Dan zitten we meteen in een heel grote moeilijkheid, want voor de geest ligt het anders. De geest kent een hele tijd een ogenbliksbestaan, nadat hij heeft teruggedacht. Vlak na de dood krijg je een periode, dat je werkelijk afrekent met alles wat je bent geweest en wat je hebt gedaan. Dan leef je eigenlijk bij het ogenblik. Tot het moment dat je eindelijk gaat afvragen: wat komt er straks? En dat is dan de tijd dat je weer verder gaat, gaat leren, gaat begrijpen, of terugkeert naar de wereld om opnieuw te incarneren. En ben je als geest werkelijk hoog gestegen, dan is er eigenlijk niet meer zoiets als tijd. Er is een constatering van mogelijkheden: in het ene ogenblik zit je in het jaar 5000 na Christus, en het volgende ogenblik sta je te kijken naar een Tyrannosaurus Rex. Er is dan geen tijd. Zou terugkijken van de mens misschien voortkomen uit het feit, dat hij de toekomst nog vreest en niet bewust kan zien? Want wij zijn eigenlijk tijdloos.

Als je heel diep in jezelf gaat, dan komt er een ogenblik dat je helemaal niet meer aan tijd denkt. Je weet niet meer of je een seconde, een paar uur in die toestand verkeert, en het interesseert je ook niet. Je weet alleen maar, dat er allerhande dingen zijn. Je kunt ze niet ze verwerken dat je brein ze kan onthouden, maar alles vloeit naar je toe en eigenlijk geef je jezelf als antwoord op alle dingen.

Die innerlijke toestand lijkt me heel dicht te komen bij de werkelijkheid van een geestelijk bestaan op hoger niveau. En als je dan weer naar de wereld kijkt en naar de mensen, dan krijg je toch wel het gevoel: mensen, waar zijn jullie mee bezig? Jullie zijn bezig met een beperkte toekomst van een paar jaar, en daardoor doe je vandaag niet, wat er vandaag gedaan moet worden. Jullie zijn bezig met opvattingen die je zelf hebt en daardoor verwijt je anderen wat je jezelf op de hals hebt gehaald. Je bent voortdurend bezig om de wereld te verbeteren, maar je kunt niet eens je eigen slechte gewoonte bedwingen. Wat wil je dan eigenlijk?

De mensen zijn voor de vrijheid. Herinnert u zich die mooie Franse spreuk nog? Fraternité, égalité, liberté, in willekeurige volgorde genoemd. En wat was de liberté? Je kon gedwongen je hoofd verliezen. Dat heeft ook menigeen de kop gekost. En wat was de égalité? Dat je één moest zijn aan de massa, die gehoorzaamde aan de enkele. Dat je je kon uitleven tegen iedereen, die niet met de massa was, zodat je massagebonden bleef.

En dan zie je tegenwoordig die wereld, en dan hoor je dat allemaal: democratie en zo, maar waar komt dat eigenlijk op neer? De tirannie van het onbegrip.

Een verstandig mens denkt van zichzelf uit. Hij luistert niet naar wat anderen hem allemaal vertellen, tenzij het hem interesseert en hij daar de bewijzen voor ziet. Maar als er morgen iemand komt die zegt, dat je met tandpasta je pruik weer terug kunt krijgen, dan moet je eens kijken hoeveel mensen die tandpasta in hun haar smeren! En het ergste is, als dat eenmaal gebeurd is en ze hebben dat branderige gevoel weer weggespoeld. Dan zeggen ze niet: dus, het klopt niet, dan zeggen ze: ja, ik moet het toch nog een paar maanden proberen. En tegen die tijd stappen ze over op een polijstmiddel om de resterende hoofdhuid althans nog enige glans te verschaffen.

Wanneer iemand zegt: “Ik weet precies hoe goed het gaat met u!” dan geloven ze hem. Dat gaat zelfs zover, dat ze bepaalde mensen kiezen, omdat ze er leuk uit zien. Denkt u dat Reagan, als hij niet zo’n goed acteur was geweest, ondanks alles, werkelijk president was geworden? Als hij een deskundige was geweest, dan had hij het nooit gehaald. Hij straalde de vaderlijkheid uit, de medemenselijkheid, en daardoor werd hij gekozen.

Een heleboel mensen stemmen bijvoorbeeld op Margaret Thatcher, omdat ze zeggen: “Blij, dat ik niet met haar getrouwd ben!” En zelfs hier. Als je eens een minister-president hebt die ’t dan wel goed doet, maar die een beetje in het oog loopt, dan is hij gauw weg, hoor. Ja, Drees heeft het een beetje uitgehouden, maar die deed ’t dan ook door uitkeringen vast te stellen. En, denk aan Joop (die op het ogenblik in de Olmen zit bij ons); Joop was een prima jongen. Hij liep zelfs heel mooi rood aan in de partijkleur, maar ergens was hij te volks. Hij hoste met de voetballers en hij wist niet eens precies hoe ’t kon, want hij deed het op de AJC manier, en de voetballers op de moderne hippe manier, en dat hipte dus een beetje verkeerd.

Als je daar allemaal over nadenkt dan zeg je: jongens, wat is jullie democratie anders dan de schijnvertoning, waarbij iedereen op onbelangrijke punten gelijk kan krijgen, zolang als hij het volk daarvoor kan laten betalen. En waarbij de grote dingen of niet besloten worden, of in het geheim besloten worden en dan later natuurlijk door stemming bevestigd worden, omdat ze als iets anders worden voorgesteld

Het mensenleven is iets wonderbaarlijks. Mensen geloven in een God, die wonderen doet. En als hij dan geen wonder doet, dan zeggen ze: “Ja, dat is Zijn wil. Maar hij kan het doen”, en zo blijven ze doorgaan. Of ze zeggen: “Nou, als hij het voor mij niet doet, dan kan ie oprotten.” Dan worden ze ongelovig en bekeren ze zich op het sterfbed, zoals Voltaire heeft gedaan.

Dus, wat moet je eigenlijk van die mensen denken? In zichzelf draagt hij het geheim van de kosmos. En omdat dat geheim zo moeilijk te benaderen is, laat hij zich liever door iedereen, vergeef me het woord, belazeren, totdat hij even met zichzelf worstelt om eindelijk door te dringen tot de kern.

Er zijn mensen die naar ‘de bron van het leven’ hebben gezocht, die eens ergens door een Spanjaard gevonden zou zijn. Terwijl de levensbron in zichzelf te vinden is. Maar ja, dat is te dichtbij, het moet ver weg zijn. Dat is met het gebeuren ook. Je hoort de mensen niet praten, als ze belangrijk zijn, over wat er morgen gebeuren moet, maar wat er in het jaar tweeduizend aan de hand zal zijn. Rekening houdend met de verkeerspatronen, die verwacht worden in het jaar 2010 moeten wij op het ogenblik…, ja wat moeten ze op het ogenblik doen? Zorgen dat de zaak nu goed gaat. Gezien de verwachtingen ten aanzien van… moeten wij: … altijd jaren vooruit. Want regeren is vooruitzien, ja ja! En geregeerd worden, is afzien.

Kijk die dingen, u mag erover denken zo u wilt, maar die brengen mij altijd weer tot de vraag: “Ja mens, waar ben je mee bezig?” Je draagt de grootste kracht in jezelf. Maar je gelooft niet in jezelf! Je gelooft zelfs meestal niet aan de kracht, die in je woont. Je bent voortdurend bezig met de wereld. Maar voor jezelf kun je die ene stap niet verzetten, die ene gewoonte niet breken. Waar ben je mee bezig? Je zegt dat je heer van de schepping bent en je maakt jezelf tot slaaf van iedereen, die dat wil toegeven. Ben je dan niet dwaas?

Wat dat betreft zijn er een heleboel dingen, die voor mij eigenlijk anders zouden moeten. Waarom gaan we niet van binnenuit, waarom zijn we voortdurend uit als mens op de erkenning van anderen? Terwijl het enige dat we behoeven te doen en te zijn, is onszelf innerlijk aanvaarden en de ander vanuit onszelf erkennen. We draaien de zaak geloof ik om.  Dan komt er een broeder, die zegt: “Ja, leid jij het maar in, ik ga spreken over ‘de mens’. Dan denk je: “Waarom niet wat leukers, waarom niet over een vlooiencircus of zo, daar zit veel meer muziek in.” En dan moet je een inleiding verzinnen, een inleiding die slaat op de mens. En als ik naar de mens kijk zoals hij zichzelf ziet: een kruising tussen lachspiegels en een spookhuis. En als ik kijk naar de mens zoals hij is, dan zie ik een geest die nog wacht op het ogenblik dat zij uit de cocon kan komen en eindelijk iets van een volledige werkelijkheid kan proeven. Wat moet ik daar nou van zeggen? O zeker, ik kan diepzinnig worden. Maar ik heb geen zin in diepzinnig zijn. En ik wil ook niet oppervlakkig blijven. Ik wil gewoon een beetje waar zijn, zoals ik ben.

Er is een ontstellend licht, zo scherp dat het nog erger is dan de zon. Het verblindt je. Wanneer je probeert in de zon te kijken, ben je een dwaas. Maar als je kijkt wat de zon doet, dan zie je de schoonheid van vele werelden. Ik kijk niet naar het licht, maar naar datgene wat het me laat zien. Natuurlijk, een geest droomt ook z’n dromen en die zijn veel meer werkelijk dan bij u. Als ik droom, dan weet ik toch dat ik droom. Waarom moet ik m’n droombeelden dan voor werkelijkheid nemen? Waarom moet ik me bezatten aan de onfeilbaarheid van een droombeeld? En zo de werkelijkheid uit het oog verliezen? Als ik droom, weet ik dat ik droom. Maar de schoonheid, die ik zelfs in de droom proef, is voor mij een teken dat er achter een werkelijkheid schuilt.

Ik kan diepzinnig praten over: niet denken. Maar als een mens denkt dat hij niet wil denken, denkt hij. Ik geloof dat en voor de mens en voor de geest de benadering van de werkelijkheid en van het grote licht het meest intens wordt, wanneer je gewoon maar rustig bent; vrede kent in jezelf. En dan zeker niet wat ze op aarde vrede noemen! Want vrede op aarde is een geheime oorlog, die je voor anderen ontkent om ze zo beter te kunnen voeren. Nee echt, gewoon rustig zijn! Stil. En dan ook niet denken: “O, nou moet ik heel diep gaan,” want als je dat denkt, dan ben je alweer erg oppervlakkig bezig. Nee, werkelijk gewoon jezelf in de stilte weg laten drijven. Gewoon maar meedrijven met de stroom. Je komt wel brokstukken gedachten tegen, ze drijven wel voorbij of ze blijven ergens haken, net als houtstukken in de stroom. Drijf maar gewoon mee. En pas wanneer je het gevoel hebt dat je één bent met de stroom, dan wordt het tijd om de kracht, die je dan in je voelt te bekijken. En als je dan een ogenblik – het is meestal maar een flits voor een mens – een ogenblik kijkt, dan zie je de oevers niet alleen op het punt waar je bent, maar vanaf de bron tot aan de oceaan.

Het is die stilte, die eigenlijk voor mij de werkelijkheid benadert. Het is de aanvaarding, die daaruit voortkomt, die me sterk maakt. Omdat ze me ook mezelf doet aanvaarden. Precies zoals ik ben. Zonder daar iets aan toe te doen of vanaf te doen; ik aanvaard mezelf zoals ik ben. Met alles wat er bij hoort. En of ik dan een goede droom of een slechte droom beleef, maakt niet uit. Ik ben. Ik besta en in mijn bestaan heb ik de zekerheid dat ik tot alle dingen behoor. Uiteindelijk gaat u ook wel eens kijken naar de schoonheid van een druipsteengrot, terwijl buiten de zon schijnt. Wat geeft het of je een keer wat andere dingen ziet of beleeft. Het is me heus in het begin overkomen. Wanneer je in jezelf gelooft, dan kom je er boven uit. Het is de aanvaarding, waaruit de vrede voortkomt. En dan kun je naar buiten toe allerhande dingen willen: jullie zijn mensen, jullie willen naar buiten toe altijd wel wat. Maar… laat ik het zo zeggen:

De uiterlijkheden zijn de lijst. Het schilderij is het innerlijk, de ziel. De uiterlijkheden kunnen nadruk verlenen aan hetgeen in dat kader zit, natuurlijk. Of ze kunnen er niet bij passen, ook mogelijk. Maar verandert het beeld zelf daardoor? Ik geloof dat ik eens geschapen ben. En zoals ik geschapen ben, leef ik nog steeds, besta ik nog steeds. En dan kunnen we wel zeggen: “ja, maar ik ben bewuster geworden!” Goed, noem het bewuster worden, noem het vervullen van de potentie die in je zat; ’n klein zaadje kan ook een mosterdstruik worden! Maar zegt dat zaadje nou tegen zichzelf: “ja maar ik ben wijzer geworden of groter,” nee: “ik heb mijn bestemming vervuld.” Als ik kennis opdoe of als ik mezelf leer kennen of de kosmos, ja dat moet in me gelegen hebben. Ik geloof niet dat dat anders is. En daarom kan ik mezelf aanvaarden, maar ook wat ik in die kosmos beleef.

Pas wanneer je zover komt, dat je dat aanvaardt allemaal, gewoon als een deel van iets wat bij je hoort dat uiting is van jezelf, omkadering misschien van je innerlijke werkelijkheid, dan kom je een stap verder. Dan kun je die rust en die vrede in jezelf vinden! ’t Is allemaal niet zo belangrijk. Zolang je jezelf belangrijk vindt, verdrink je in de onbelangrijkheden. Als je gewoon jezelf aanvaardt zoals je bent, zonder te zeggen ik ben meer, of ik ben minder of ik moet zus of zo zijn, maar gewoon tegen jezelf zeggen: Hoe vind ik het meeste vrede in mezelf? Hoe kan ik tevreden zijn met mezelf, met mijn bestaan zoals ik het nu beschouw, zoals ik het aanvoel dat het zou moeten zijn,” dan komt de vrede.

En als de vrede komt, ontstaat de tijdloosheid. En wij zijn tijdloze wezens, geloof me. Ik weet wel, je kunt over mensen een hele hoop andere dingen zeggen, maar groeien is hun bestemming. En misschien zou je dat tegen de mens ook moeten zeggen. Een mens is allemaal niet zo belangrijk, en dat verleden waar je zo vaak mee bezig bent, is eigenlijk alleen maar een ontwikkelingsstadium geweest, waar maak je je druk over? En wat je nu bent, is dat eigenlijk ook niet precies hetzelfde? Is dat niet de vervulling van iets, wat bij jou hoort? Dan kun je voor mijn part 150 jaar worden, of 25, dat maakt geen verschil. Wat je moet zijn, maak je waar. Doe de dingen die je te doen vindt omdat ze bij je passen! Meer niet. En wees tevreden met jezelf. En dan zijn er een hele hoop grote woorden over de “kracht die in u schuilt” en wat je er allemaal mee kunt doen. Ik krijg er de rillingen van over mijn geleende rug.

Kijk, het is natuurlijk wel waar, maar als je een ei openmaakt voor het kuiken vanzelf begint te pikken, dan heb je alleen een stink-ei. Die kracht, die in u is, die komt vanzelf steeds verder naar voren. Die wordt steeds meer deel van uw wezen, van uw uitstraling, van uw aura of hoe je het noemen wilt.  En het enige: wanneer je ontdekt dat ze er is, moet je er ook gebruik van maken. Natuurlijk. Maar moet je nu zitten hunkeren? Moet je zitten hunkeren dat je helderziende bent? Wel eens over een kerkhof gelopen als helderziende? Daar is nog heel wat aardsgebonden bezig, hoor, dat zich ook in zijn voorstelling niet aan de consumptiedrang van bepaalde kleinere dieren heeft kunnen onttrekken.

Niet gezellig, waarom zou je helderziende willen zijn? Als het je tijd is, kun je het doelmatig gebruiken. Maar als je het forceert, waar kom je dan terecht? Als het van binnenuit groeit, is het goed. Als je probeert om het te leren: negen van de tien gevallen is het verkeerd. Pas wanneer je een gave hebt en voor jezelf ontdekt dat ze bestáát, dat ze deel is van je, kun je gaan leren met welke methode anderen ermee werken, opdat je op je eigen manier kunt leren werken.

En als je een mens zo bekijkt, nou… Er wordt weleens gezegd dat bepaalde engelen in de hemel jaloers waren op de mens. Kan ik me voorstellen als het zo’n mens is. Maar als ik naar de doorsnee kijk en ik denk dat ze daar jaloers op zouden moeten zijn, heb ik medelijden met ze. Dan lijden ze onder waanvoorstellingen. Eerlijk waar.

De kunst van het mens-zijn is geloof ik om van binnenuit te leven en te groeien. En dan te begrijpen dat de buitenkant de noodzakelijke uiting is. De lijst, die je zet om je werkelijke persoonlijkheid. Niet meer en niet minder. Misschien zult u ook nog eens dit begrijpen: De mens denkt aan zichzelf als eenling apart staande, en het komt maar heel zelden voor dat je de laatste grens van dit toch ergens apart zijn, kunt doorbreken. Maar eigenlijk hoor je bij alles en bij iedereen, eigenlijk ben je deel van alle dingen. Net zo goed van de vogel die door de lucht vliegt, of de libel die er rondzwiert boven het water, als van die kikker die er rondkruipt, die adder die er is, of misschien zelfs iets wat nog nederiger is: een mestkever die zijn balletje aan het rollen is. Allemaal deel van jezelf: je bent er deel van.

Ik denk, dat je apartheid de mens tot mens maakt. Dat op het ogenblik dat die dit isolement doorbreekt, en deel gaat worden van alles wat hij herkent, dat hij dan boven het mens-zijn uitgroeit. Ik ben geen geleerde, ik ben geen filosoof ook hoor, denken sommigen nu op het ogenblik. Nee ik ben alleen bezig met mijn eigen ervaringen, en wat ik daaraan verbind. En waarom zou u het voor uzelf niet doen? Ook als het helemaal anders gaat. Ik denk dat we om onszelf te kunnen verliezen, dus de begrenzing die we “ik” noemen, eerst moeten beginnen met dat “ik” te ontdekken en te aanvaarden. Want zolang we doen of het niet bestaat, kunnen we de grenzen niet vinden. En als we de grenzen niet kunnen vinden, kunnen we ze ook niet slechten. In het zogenaamd onbewuste onderbewuste en bovenbewuste van een mens schuilen allerhande factoren, die hem eigenlijk zouden kunnen helpen. Maar omdat hij ze onderdrukt, en toch hun werking ondergaat, wordt hij het slachtoffer ervan. Men noemt ze misschien “noodlot” of een ziekte, of wat anders.

Het is daarom, dat ik probeer duidelijk te maken dat de mens voor mij een ontwikkelingsstadium is en dat het daarbij gaat om het innerlijk, terwijl de buitenkant eigenlijk bijkomstig is. Ze kan nadruk geven aan het innerlijk, ze kan het niet veranderen, ze kan het ook niet bepalen. Dan is misschien niet zo belangrijk wat er op uw wereld gebeurt. O ja, voor u is het wel belangrijk, omdat u zich daar vaak wel mee verbonden voelt en met andere dingen niet. Maar niet echt belangrijk. Want alle dingen vloeien samen; u bent de oceaan, en de uitbarstende vulkaan. U bent de duisternis, die heerst tussen de sterren en u bent de lichtgevende sterren zelf. Al die dingen bent u; u bent er deel van.

Maar als er dan iemand komt, en die praat met u over mens-zijn, vraag u dan alleen maar af: “zegt het mij van binnen iets? Word ik er iets anders van, innerlijk?” Als dat het geval is, dan vrienden, is het een nuttige avond voor u. Als u denkt: “wat is het hoog en wat is het mooi,” neem dan als de bliksem de lift naar beneden tot u weer met de voeten op de begane grond staat. Want dat is alleen maar een omschrijving die zinloos is. Het is iets, waaruit je leeft, of leven kunt, of het is iets wat aan je voorbijgaat. Een tussenweg bestaat er in werkelijkheid niet.

De Gastspreker

Toen mij gevraagd werd om vanavond wat voor u te zeggen, heb ik als onderwerp ‘de mens’ gekozen, want de mens is datgene, wat we allemaal samen zijn.

De mensheid is in feite één fase in de ontwikkelingen van het geheel. Eén kwaliteit of één orgaan van oneindigheid. En het zal u duidelijk zijn dat iemand, die zo naar de mens kijkt, zich gaat bezighouden met de verschijnselen van het mens-zijn, de verschijnselen van geestelijke ontwikkelingen, het rad van incarnatie en al die dingen meer. En ik ben tot de eigenaardige ontdekking gekomen, dat de meeste mensen die denken dat ze resultaat hebben in hun leven, daarna nog vele malen incarneren. Degenen, die denken dat ze niets zijn, die incarneren eveneens. Maar degenen, die proberen van wat ze zijn het meeste te maken, die zullen geestelijk vaak verder kunnen gaan.

Zolang je probeert je boven of onder anderen te stellen, ontken je in feite de eenheid van de mensheid. Een doodgepraat woord zegt: de naastenliefde, de naaste, maar de werkelijkheid is (of je het beseft of niet): je bent onderling verbonden. En die verbondenheid is niet iets, wat van buitenaf bestaat, of wat als een soort solidariteit kan worden uitgelegd. Het is eenvoudig een feit: wanneer je een medemens ziet, herken je iets van jezelf. En wanneer je dat kunt aanvaarden, kunt verwerken, dan zal elke mens ook jou rijker achterlaten. Maar op het ogenblik dat je denkt: “ik weet het beter dan een ander”, dan zit je al in moeilijkheden. Dat kan alleen wanneer je dit daadwerkelijk aan een ander bewijst. Dus de ander helpt om het beter te doen. Door wat je zelf bent en kunt.

Eigenlijk is onze hele weg er een van confrontatie met wat we zien als ons “ik”. Confrontatie met belevenissen, met gebeurtenissen, misschien uit een vroeger bestaan. En een enkele keer wat vage elementen van een geestelijk bestaan erbij. En elke confrontatie blijkt dat we delen proberen te ontkennen, te ontkrachten of te verschuiven. Je ziet dat, wanneer je de incarnatieherinneringen van een geest nagaat.

Er zijn altijd bepaalde herinneringen, die wel bestaan, maar die nooit naar voren schijnen te komen, alsof de persoon zelf ze liever niet zou weten. Het is die verdringing van zaken, waardoor de mens zichzelf eigenlijk afzondert. Het is gelijktijdig datgene, waardoor hij de problemen veroorzaakt die hij niet meer zelf kan oplossen. En dan gebruik ik een menselijk woord, want problemen bestaan eigenlijk niet. Problemen ontstaan daar, waar we niet bereid zijn ons innerlijk weten te aanvaarden en daarvoor in de plaats een uitleg zoeken die verstandelijk of anderszins aanvaardbaar is voor ons. Emotioneel, zowel als rationeel.

De mens is ook niet beperkt tot deze wereld, al denkt hij dat. Want hetzelfde bewustzijn dat op uw wereld bestaat, in de menselijke vorm, treffen we op vele duizenden planeten aan. En in al die gevallen is het probleem ongeveer hetzelfde. Dat is opvallend. Zolang als je denkt aan jezelf als behorend tot een bepaalde planeet en een bepaald wezen, heb je problemen. Op het ogenblik dat je vergeet, dat die verschillen bestaan, kom je tot een rijkdom van uitwisseling, die onvoorstelbaar is. Ik zie de mens ongeveer als volgt: elke mens is in wezen deel van een totaal bewustzijn dat buiten de tijd bestaat. De mens vervult (naar hij denkt) zijn eigen bestemming maar gelijktijdig maakt hij de gestalte waar, die buiten de tijd al bestaat.

En wanneer die mens verder gaat, van het ene leven naar het andere, dan kan het zijn dat hij ook gaat van de ene wereld naar de andere. Zijn verbondenheid verandert daardoor niet; hij is nog steeds bezig om de lijnen te trekken a.h.w. die eigenlijk er al zijn, die alleen nog uitvoering behoeven. Dan is de vrijheid van de mens aanmerkelijk minder, dan hij soms veronderstelt. En zijn gerechtvaardigheid, waarin hij eisen stelt voor zichzelf, zijn eveneens niet zo belangrijk en zo juist als hij denkt.  Dat geldt niet alleen voor de aarde, maar voor al die andere werelden.

Ik weet dat er heel veel wordt gesproken over aanvaarding, maar aanvaarding is iets, wat emotioneel en rationeel tegelijk is. Je kunt niet iets aanvaarden, wat je niet kent. Ik geloof dat het beter is om te zeggen: je moet steeds het heden erkennen en de paden kiezen die volgens jouw wezen juist zijn op dit ogenblik. Schep geen denkbeelden of verplichtingen, waardoor je langer voort zou moeten gaan met bepaalde normen van moraliteit of wat anders wanneer je zelf anders bent. Begrijp dat alle wetten en normen buiten de grenzen van het bestaan, materieel en kosmisch, eigenlijk maar regels zijn die betrekkelijk willekeurig worden gesteld. En meestal het uitvloeisel zijn van onbekendheid met een werkelijkheid. In het mens-zijn treft mij diep altijd weer het verschil dat men maakt tussen redelijkheid en gevoel.

Ik weet dat bepaalde gevoelens door redeneringen kunnen ontstaan. En ik weet dat rationalisatie van gevoelens tot redeneringen voert, ongetwijfeld waar. Maar ik weet ook, dat wat werkelijk in je bestaat, niet uitdrukbaar is. Al wat je daarvan weergeeft, is alleen maar een schaduwbeeld uit de werkelijkheid. Dan moet gesteld worden dat het innerlijk van de mens in wezen eerst bepaald wordt door zijn emotie. En dat zijn denken daarbij het uitvoeringsbevel kan bevatten, maar in vele gevallen de ontwijking betekent van een innerlijke werkelijkheid.

Mensen zeggen: “een ingewijde kan wonderen doen” maar wat is het verschil tussen een ingewijde en een “gewoon mens” zoals u het noemt. Dat hij weet wat hij is en dat u het voortdurend ontkent, dat is het verschil. Hij weet en aanvaardt; u vermoedt en ontkent. De wonderen die hij doet, zijn de dingen die u zou kunnen doen wanneer u uzelf zou zijn. Gaande door het scherm van het verblindende licht, ontdek je dat niets waar is of onwaar. Maar dat al in zijn onvolledigheid een omschrijving is van een werkelijkheid, die vanuit een menselijk of zelfs geestelijk standpunt als een mozaïek uit ongetelde levens en ontwikkelingen is samengesteld. Maar als je door dat licht gaat, wie komt je tegemoet? Het beeld van jezelf, want jij hebt geen uitdrukking voor het geheel. En als je op het hoogste niveau probeert totaliteit voor jezelf uit te drukken en je beleeft haar: zie je jezelf. Omdat je de enige totaliteit bent, die je kent.

Dat wil zeggen dat de mens in zich de totaliteit ergens moet vermoeden, moet kennen of weten. Dat ze in elke geest, van de hoogste tot de laagste sfeer bestaat. Maar dat we de moed moeten opbrengen om in de schijn van ondergang een waarheid te vinden die we alleen nog kunnen uitbeelden als onszelf, maar die ons daardoor bevrijdt van de noodzaak, om onszelf tegenover al dat andere te stellen. De diepste kracht is de kracht van het tijdloze.

In het tijdloze bestaan alle toestanden naast elkaar. Dan zie je een mens en hij verricht een geestelijke operatie. En hij denkt bij zichzelf dat hij hetzelfde doet als een chirurg, alleen zonder weefsels die niet beschadigd zijn te doordringen. In werkelijkheid draait hij de klok terug. Hij brengt een orgaan tot een toestand waarin het functioneert. Hij laat een gezwel verdwijnen tot op een punt waarop het niet bestond. Hij goochelt zonder het te beseffen met iets, wat de mens tijd noemt.

Ik zie mensen magnetiseren en ik zie hoe ze de kracht uitstralen, die ze van elders ontvangen of denken te ontvangen. Beseffen ze dan niet, dat gewoon vanuit hun eigen innerlijk de kracht opwelt op het ogenblik dat ze niet meer bezig zijn zichzelf te bewijzen, maar eenvoudig erkennen dat het gebrek, dat in de ander bestaat, voor henzelf iets is wat hersteld moet worden? Omdat de ander op dat moment deel is van jezelf. Menselijk zou je hier in termen van mentaliteit moeten spreken. Maar kan een gevoel mentaal zijn? Je kunt jezelf opzwepen, totdat je denkt bepaalde emoties te ervaren, maar ze helpen niet. Ze zijn niet blijvend. Ze zijn verdwenen als regen in de woestijn. Misschien een ogenblik een bloesem achterlatend die alweer verdort, wanneer je de tweede keer kijkt.

Je kunt een gevoel niet bewust opwekken. Je kunt alleen wat in je bestaat misschien voor jezelf een uiting geven door een daad, door een gedachte, door een uitstraling. En dan hoor je mensen spreken over het raadsel “dood”, waarvoor ze bang zijn.  Het raadsel dood bestaat alleen voor het conglomeraat van cellen dat een bepaalde levensenergie in zichzelf wel bezit, een soort biomechanisch geheel, maar daarnaast bestaat de werkelijke levenskracht die het mogelijk maakt. De klok heeft een veer. Als je die opwindt, wijst ze de tijd, maar als er geen hand is die haar opwindt, kan ze de tijd niet wijzen. Als die hand, die de klok opwindt, zo is datgene, wat we onze ziel of onze geest plegen te noemen. Het geestelijk deel van ons bestaan: daaruit ontstaat de spanning, die wij levenskracht noemen.

En deze levenskracht is weer – vreemd genoeg – overal praktisch gelijk. Kleine verschillen in uitstraling zijn mogelijk. Maar geen grote. Op elke wereld, waar leven is dat zichzelf beschouwt en probeert te benaderen, vinden we dezelfde uitstraling met deze levensvorm. Dan moeten we toch wel concluderen dat die levenskracht niet door verschillen wordt gekenmerkt, hoogstens door werkzaamheid. Dat de dood eenvoudig een toestand is, waarin de energie, die eens het stoffelijk leven en beleven mogelijk maakte, zich nu op een andere wijze manifesteert.

Waarom vreest men de dood? Omdat men denkt te kunnen verliezen, maar werkelijk verliezen, kun je niet. Dat wat bij je hoort, is onverbrekelijk met je verbonden. En dat wat niet bij je behoort, is alleen maar een voorbijgaand verschijnsel. Dat kun je toch niet behouden, ook niet wanneer je in leven zou blijven. Je hoeft de dood niet te vrezen, je hoeft haar niet te begeren. Ze is een fase, die ontstaat op het ogenblik dat de geest niet meer om welke reden dan ook een contact in stand wil houden met het lichaam. Het kan een beschadiging van het lichaam zijn, het kan een verzadiging van de geest zijn.

Laten we dan niet spreken over het noodlot, over sterven en dood. Maar laten we ons eerder bezig houden met de kracht, die in ons woont. De kracht, die in ons woont, is de uiteindelijke en tijdloze werkelijkheid die we zijn. Alles tezamen is misschien God, of een belichaming van een onbekend iets. Wij, wij zijn niet veel meer of veel minder dan een deel van die grote belichaming, van het grote geheel.

Maar we kunnen ons aan het deelzijn niet onttrekken. Wanneer we niet begrijpen wat er met ons gebeurt wanneer we op aarde leven, dan hebben we het over het noodlot. Over datgene wat anderen altijd hebben en wat wij niet hebben of misschien wel over de onrechtvaardigheden van het leven. Ze bestaan niet, we kennen niet alle dingen, we kennen onszelf niet voldoende. Anders zouden we beseffen dat wat wij zien als noodlot, een onvermijdelijkheid is. Dat wij zonder deze dingen niet zouden kunnen bestaan. Dat geldt niet alleen op aarde.

Wanneer een geest in een nevelland ronddoolt, wanneer iemand in een duistere wereld smachtend afwacht op het ogenblik dat hij eindelijk, eindelijk uit deze werelden van schemer en verrotting vrij kan komen, dan komt er misschien iemand, die hem bevrijdt. Want hij heeft die vorm nodig, heeft die hulp nodig. Maar zijn hele wereld, al zijn belevingen ontstaan alleen doordat hij zichzelf ten dele verwerpt.

Een denker heeft eens gezegd: “de duivel is de keerzijde van God.” En hij had in zekere zin gelijk, ofschoon de god waaraan hij dacht en de duivel, die hij zozeer vreesde, eigenlijk niet bestaat. Het zijn andere dingen, maar ze komen op hetzelfde neer. Wanneer een god genade kent, en rechtvaardig moet zijn, moet hij wel twee gezichten hebben. Misschien is de duivel alleen de werking van god, die we voor onszelf niet aanvaarden. Misschien is god alleen datgene wat we verlangen of aanvaarden zonder te beseffen waar het vandaan komt. Het is moeilijk om die dingen te begrijpen. En toch verspillen we vaak veel tijd juist om dergelijke vragen op te lossen. Waarom? Omdat dit een reden is, onze eigen werkelijkheid een ander aanschijn te geven. Om het als het ware een beter of voor ons aanvaardbaarder gezicht te geven. “God met ons”, een kreet die je altijd weer hoort daar waar het onrecht zichzelf als recht voorstelt. “De duivel moge je halen!” is de eeuwige kreet van frustratie, wanneer iemand zijn eigen meesterschap niet meer kan uitdrukken in het leven, denken en zijn van een ander.

Ik geloof in een mens, ik geloof in de kracht die een mens heeft voortgebracht, die achter hem staat. Ik geloof echter niet in een mens als een exclusief wezen of een uitverkoren wezen. Ik geloof in een mens als een deel van een geheel. Voor mij is die mens niet belangrijk door wat hij schijnt te zijn, maar door datgene wat hij als functie van het geheel in en voor het geheel voortdurend betekent. De eeuwigheid, die hij omschrijft, terwijl hij zwerft door de tijd.

Nu verbaast het u misschien niet meer zo, dat ik de mens tot een studieobject heb gemaakt. Ik zoek naar mezelf, en ik kan als geest mezelf alleen vinden, wanneer ik geen fase van mijn bestaan ontken. De weerspiegeling daarvan vind ik terug in een mens. Zoals ik mijn werkelijke wezen als geest terugvindt in een mens. Als je spreken moet over dergelijke zaken met wezens, die zich als mens omschrijven, is het dan niet beter om te spreken over de mens? Een mens is alle dingen, maar beseft slechts een deel ervan. Een mens is alle kracht, die kan alle kracht uiten, maar beseft alleen zijn eigen onvermogen. De mens is voor mij een spiegelbeeld, dat mij mijzelf leert kennen. Wanneer ik niet langer probeer bepaalde dingen in mijn uiterlijk laten we het zomaar noemen, ontken.

Ik behoor nog steeds tot de Orde der Verdraagzamen. Onze taken zijn veranderd, in plaats van stemmen te zijn die de rede aanspreken, zijn we nu gevoelens, die opwellen, remmen of stimuleren. Maar is daardoor iets veranderd? We zijn nog net zoals vroeger deel van de mensheid omdat we ons betrokken gevoelen daarbij. Omdat we begrijpen dat zonder het geheel van die mensheid de uiteindelijke bereiking ook voor ons niet mogelijk is.

Als ik dan tot u spreek, kan ik dat doen in fraaie en duistere woorden. Ik kan tot u spreken met de toon van de prediker, die ik in een incarnatie ook zelfs geweest ben, maar ik kan geen waarheid zeggen. Het is moeilijk om eerlijk te zijn, zelfs tegenover jezelf. Te zeggen: ik heb volgens de droombeelden in mij vele malen gefaald. Gelijktijdig erkennen, dat het droombeeld de werkelijkheid niet is. Alle licht en alle kracht bestaan voor en in mij. Wanneer ik de waan opzij stel en daarvoor mijn deelzijn van het geheel aanvaard.

In deze tijd lijken gevoelens belangrijker te zijn dan woorden. Misschien wel omdat er een teveel aan woorden is. Laat ons dan spreken over datgene wat nu belangrijk is. Niet zeggen: “de Orde is veranderd”, maar zeggen: “de wereld is veranderd.” En wij zijn een functie. Die functie kan nu alleen zo worden uitgevoerd.

De krachten, die in u leven, zijn de krachten waarop u zich niet beroept. Daar waar u ze erkent en ervaart, worden ze volgens uw wezen geuit en niet volgens uw woorden. Besef, dat woorden de grote misleiders zijn. Niet omdat ze leugens zijn, maar omdat u ze altijd weer op uw eigen manier vertaalt: tot een beeld dat u bevalt. Maar besef dan het gevoel dat daardoor in u ontstaat, echt is: deel van uzelf, deel van uw werkelijkheid. Kracht in u, geketend door gedachten. Vrede in u, aan kettingen gelegd door frustraties. Wijsheid in u, machteloos ingetoomd door het verstand. Dat is het beeld dat je krijgt van een mens.

Maar toch, zonder deze beperkingen zou de mens datgene kunnen vormen aan beelden, aan waarden, aan kracht in de tijd. Waardoor langzaam de eenwording van alle geest mogelijk wordt. Dan hebben we het niet nodig te fluisteren over de mogelijkheid dat het einde der tijden nabij is! De tijd bestaat niet eens! Ze is alleen een verschijnsel, gebonden aan een bepaald vlak van bestaan plus een reeks voortdurend variërende omstandigheden.

We hoeven niet te denken aan ondergang, de ondergang bestaat niet: alleen verandering. We hoeven niet te vrezen voor het duister, of ons te verheugen op de “hemelse vrede”. Dan hebben we alleen de vrede in onszelf. Wanneer we zo stil kunnen zijn, dat ons denken niet meer storend is, voor de werkelijkheid die in ons leeft.

Indien dat alleen in een wereld zou zijn, zou het nog denken dat het een kwaliteit is van het menselijke ras op aarde. Ik heb het teruggevonden op een groot aantal planeten en ik heb zelfs ontdekt dat vreemde emotionele warrelingen bestaan in werelden, waarbij de onderlinge contacten telepathisch zijn. En daardoor veel vollediger en minder beperkt dan bij u denkbaar mogelijk is. Kennelijk is dit een deel van het bestaan in de stof. Het zelfbedrog, zeker, maar ook de innerlijke kracht, de innerlijke rust en vrede die je kunt vinden op het ogenblik dat je je niet bezighoudt met uiterlijkheden. En in die werelden zoals in de uwe zal de mens die die innerlijke vrede voor een ogenblik heeft kunnen beleven, sterker zijn, meer kunnen, meer aanvoelen en beseffen dan voor die tijd. Tot zijn denken en zijn bezigheden hem weer overspoelen. Tot de gedachten van anderen misschien zo belangrijk worden, dat zijn eigen vrede erdoor wordt aangetast.

Ik heb bij alle rassen, die ik ken, hetzelfde teruggevonden. Als je dan nadenkt, zeg je: het is een begeleidingsverschijnsel van het stoffelijk bestaan. Vermoedelijk veroorzaakt door de beperking binnen een bepaald dimensioneel bestel aan de hand van wat men noemt beelden en materiele waarden. Maar dat is toch de buitenkant. In de mens is die vrede mogelijk. Ze kan gevonden worden. Zij is dus deel van de mens. In de mens kan die onbekende bron van kracht en begrip werken. Want in vele rassen zijn er mensen die op deze wijze waar worden.

In een mens is een vermogen, waardoor geest en lichaam één kunnen worden en juister en beter kunnen presteren dan zonder dat doordenkbaar zou zijn. Niet alleen op aarde, maar overal. Dan zijn de innerlijke waarden van de mens de meest belangrijke. Dan is het niet belangrijk ze te omschrijven, maar ze te beleven. En is de oplossing van het raadsel “mens-zijn”: de voortdurende terugkeer tot het andere deel van jezelf. Hetgeen dat je innerlijk voelt of benadert, de werkelijkheid die in je spreekt, ook wanneer je de woorden niet hebt om haar weer te geven. Mijn conclusie: na alle onderzoek en alle pogingen tot begrip (ook ik heb een dwaasheid) hebben gevoerd tot deze uiteindelijke stelling.

De innerlijke mens is de kracht, het vermogen en de wijsheid waardoor hij volledig kan zijn binnen elke wereld, dat hij als deel van de totaliteit moet zijn, is. Zodra daar een analogie is ontstaan, tussen wat je bent als functie van een tijdloos geheel en een in tijd levend wezen, ontstaat een brug waarbij vrede en kracht waar worden en uiteindelijk begrip voor alle dingen met zich brengt, maar ook weten omtrent alle dingen. Een mens kan op aarde deel zijn van God. Maar eerst wanneer hij dit beleeft, kan hij er uiting aan geven. En als hij dan zich richt tot de mensheid op een wijze die ze zich herinneren, dan is hij “de Profeet”, de “Wereldleraar”, de “Stichter”, de “Verlosser”. Het is geen leugen wanneer je zegt: “als ik spreek, spreekt God”, want God spreekt inderdaad in de beperking, die ik ben. Zodra ik innerlijk ervaar wat Hij is, wat ikzelf ben, zonder te omschrijven.

Uit innerlijke vrede wordt de waarheid geboren. Uit een poging tot begrip ontstaat steeds toch weer de zelfmisleiding of zelfs de leugen. Daarom zeg ik u: “zoek de vrede zonder eisen of omschrijving in uzelf”. Leef vanuit die vrede volgens hetgeen ge voelt te moeten zijn. En bereik zo die verbondenheid of harmonie waardoor de krachten in u zich manifesteren en ook binnen de termen van uw eigen wereld voor u bruikbaar zijn.

Dat is al wat ik te melden heb. Ik heb getracht door onbeholpen woorden van beperking iets te zeggen over een erkenning, die verder gaat dan woorden kunnen omschrijven. En indien ge denkt, dat ik daardoor hoog gestegen ben: ik ben op weg. Want het volledige heb ik niet bereikt. Maar het weinige dat ik erkend heb, maakt mij er zeker van dat de volledigheid in mij bestaat. En eens vervuld zal zijn op het ogenblik, dat mijn vrede in mijzelf gelijktijdig de volledige erkenning wordt van al datgene waarmee ik verbonden ben.