De mens (1974)

uit de cursus ‘De wereld’ (hoofdstuk 7 ) – april 1974

De mens

Vanuit menselijk standpunt is een wereld geen wereld als er geen mensen wonen. Mensen hebben denkbeelden. Mensen stralen gedachten uit en zonder het te weten beïnvloeden ze, zoals u in vorige lessen al heeft kunnen horen, hun gehele omgeving, de dode materie zowel als het leven dat de mens soms met enige verwaandheid het lagere noemt. Wat is kenmerkend voor de mens?

In de eerste plaats, de mens is deel van de aardse ontwikkeling. Hij behoort tot de groeps- of kuddedieren en leeft in groepsverbanden. Hij heeft, zoals vele andere diersoorten, de neiging zijn eigen groep tegen elke andere groep, ook een van zijn eigen soort, zonder meer te verdedigen.

In de tweede plaats, de mens spreekt van liefde en beseft eigenlijk niet dat hier eerder een kwestie van groepsvorming een rol speelt dan van de hoogdravende liefde, die hij zo vaak en zo treffend heeft uitgebeeld. Kortom, de mens is, als wij het geestelijk element even buiten beschouwing laten, een van de dierlijke factoren van het aardse bestaan en als zodanig een functie in de wereld waarop hij leeft.

Wat kunnen wij over de mens zeggen ten aanzien van de niet tot de wereld behorende krachten of functies?

De mens heeft een ziel. De ziel is kosmisch. Hij heeft een geest. De geest is bewustzijn rond een kosmische factor en kan op geen enkele wijze gebonden worden aan een bepaalde wereld, een wereldbesef of een sfeer. Dan heeft de mens zijn voertuigen waaronder het astrale en het levenslichaam. Voertuigen die eigenlijk toch wel voor een groot gedeelte verknoopt zijn met de wereld waartoe hij behoort. De mens valt dus uiteen in twee delen. En zonder dat ik mij hier aan slagerspraktijken wens schuldig te maken zou ik toch die delen niet zonder meer en onbeperkt als een eenheid willen beschouwen in verband met de wereld.

Daar waar namelijk kosmische factoren een rol spelen, kan de mens daarop reageren onafhankelijk van de aarde voor zover het zijn geestelijk vermogen betreft, niet wat zijn lichamelijk vermogen betreft. Dat is gebonden aan dezelfde kosmische ritmen, tendensen en beïnvloedingen als de aarde zelf. De mens kan daardoor, en terecht, stellen dat hij geen volledig vrije wil heeft. Want zijn wil kan wel in hem bestaan, maar de verwezenlijking wordt vaak beperkt door de invloeden waaraan hij onderworpen is.

De aarde echter heeft een eigen besef. Rond die aarde zijn vele natuurkrachten en natuurgeesten, geesten en vermogens, die aan de aarde gebonden zijn, die meedenken en die een wisselwerking met de mens kennen.

Nu zijn er een aantal vragen die wij vanavond moeten oplossen. De eerste en misschien belangrijkste is wel: wat is liefde?

Wij kunnen daarover het bekende romantische verhaal ophangen van de twee zielen, die met elkaar versmelten en over de gevolgen Victoriaans zwij­gen. Wij kunnen ook zeggen, liefde in geestelijke of kosmische zin is versmelting; het is het opgaan van twee eenheden in een geheel. Maar dat geheel bestaat dan niet meer uit twee individuen. Het is één indi­vidu geworden en zal zich kosmisch gezien, en zeker ook in bepaalde hoge geestelijke werelden, gedragen als een eenling ten aanzien van alles wat daar buiten staat. Het bewustzijn van deze twee-eenheid is de som van de bewustzijnswaarden zoals deze in beide factoren aanwezig zijn. Dit is dus de kosmische liefde. Deze heeft niets te maken met al­lerlei lichamelijke contacten en alles wat daar verder bij te pas kan komen. Het is zelfs verkeerd te stellen dat een dergelijke liefde al­tijd primair is en dat haar vervulling op stoffelijk terrein dan noodzakelijkerwijze of waarschijnlijkerwijze daaruit zal voortkomen.

Daarnaast kennen wij de biologische attractie.

De biologische attractie is een biochemische werking. Ze berust op gevoeligheid voor uitwaseming, gevoeligheid voor vorm. De suggestivi­teit daarvan betekent een verandering van wilsvermogen en van beheer­sing van het individu. Hierdoor kunnen relaties ontstaan, die biologisch liefde genoemd zouden kunnen worden, omdat er een voortdurende streven naar eenheid is die gelijktijdig toch een liefde-haatverhou­ding uitbeeldt, omdat innerlijk deze eenheid niet bereikt is. Dit ele­ment liefde is voor de mens alleen werkelijk hanteerbaar, indien hij uit­gaat van de kosmische waarde.

Als Jezus over liefde spreekt, dan heeft hij het over kosmische liefde. Als de poëet wegdroomt over een liefde die, hoe platonisch ook, zijn hele wezen vervult, dan speelt hij ofwel met zijn begeerten en kijkt in de spiegel van het ego, dan wel beseft hij onbewust iets van een verbinding, die geen stoffelijke uiting nodig heeft en die daarvoor ook niet belangrijk is.

Als een mens liefheeft, zo zegt men wel eens, dan veranderen de wetten van het noodlot voor hem. Men zegt ook wel, geluk in de liefde, geen geluk in het spel en omgekeerd. Ergens is dat wel waar, want op aarde hebben wij bepaalde vermogens als wij mens zijn. Deze vermogens bevatten een mate van telekinese, een mate van voorkennis, een mate van aanvoelen en besef. Als er nu een lichamelijke binding ontstaat (een biochemische begeertebinding), dan zullen een aantal van die capaciteiten verdwijnen. Dat is heel begrijpelijk: de energie en de gevoe­ligheid, die daarvoor normalerwijze worden gebruikt, worden geprojec­teerd op de partner. Is er echter sprake van een kosmische liefde, dan zal deze (en dat is dan weer geestelijk) de gevoeligheid verveelvoudigen. Ook de telekinetische vermogens worden verveelvoudigd. Kortom, u kunt veel meer doen. In dit geval kunt u toeval beter beheersen.

De mens die op geestelijk niveau een eenheid bereikt, wordt sterker ten opzichte van de hem omringende aardfactoren. De mens die een zui­ver biologische genegenheid beleeft, wordt daarentegen meer gebonden aan de krachten van de aarde.

Het is misschien een beetje wreed om op deze wijze te spreken over iets wat mensen altijd als hoog verheven hebben beschouwd. Maar in de naam van die liefde horen wij ook vaak van strijd en oorlog. De term: je moet vechten voor je gezin, is zelfs in deze dagen nog niet uitgestor­ven. Wat betekent dat? Is dit een kwestie van liefde? Of ligt het dich­ter bij wat de Duitser noemt “Geltungsdrang”, de wil je te laten gelden. Ik meen dat dit laatste juister is.

De verzorgingsdrang ten aanzien van de vrouw bestaat namelijk bij de man al­leen volgens aardse wetten in de periode waarin zij gebonden is aan een kind. Dat betekent dus na de geboorte (dus niet tijdens de zwangerschap) tot ongeveer het 2e tot 3e levensjaar van het kind. Daarna valt deze verzorgingsdrang weg. Als ze desalniettemin wordt gehandhaafd, zoals in de beschaafde wereld overal het geval is, dan is dit een kwestie van gewoonte die door de omgeving wordt aangemoedigd en tot wet ver­heven. Wij moeten begrijpen dat het vechten voor je gezin, en wat dat be­treft het vechten voor de groep, een leuze is die wij wel kunnen ra­tionaliseren met mooie begrippen als strijden voor de democratie, de vrijheid van de arbeidersstand, de vrijheid van de ondernemer, de ontwikkeling van ons gebied tegenover de andere kapitalistische staten, maar al deze termen zeggen niets. Ze zijn holle en lege leuzen. Al datgene wat men eraan verbindt is zinloos, als het werkelijk wordt ontleed. Het is gewoon een roofpartij waarbij een groep die minder heeft probeert meer te krijgen. En waarom? Omdat meer krij­gen betekent macht uitoefenen, gezag hebben en daarmee het bereiken van een onaantastbaarheid voor jezelf. Het is juist deze vreemde re­actie van de mens die een grote rol kan spelen in zijn relatie tot de aarde.

Wanneer een mens namelijk agressief is en dat kan net zo goed zijn op religieus terrein, dus zonder enige oorlog, als in oorlogsge­weld, dan zal hij daardoor de harmonie van de aarde verstoren. Hij brengt uitstralingen tot stand die voor een groot aantal van de bezielende krachten der aarde niet aanvaardbaar zijn.

Wat de mens verder ook nog doet, is de natuurgeesten uit hun even­wicht halen, want ook deze worden door de intense haatgedachten als het ware afgestoten. Er ontstaat een chaotische relatie en vinden de mensen het vreemd dat er in landen waar die haat enorm sterk is grote overstromingen komen. Maar eigenlijk is dat heel natuurlijk, het evenwicht van de natuur is in de war gebracht. Ergens anders zijn er weer grote droogten. Kijk je wat het probleem is, dan blijkt ook hier weer dat het probleem ligt in de relatie van mens tot mens.

Dit beseft men niet zozeer. Men gaat uit van het standpunt dat strijd voor de mens onvermijdelijk en noodzakelijk is. Ze komt uit de aard van de mens voort. Dat ben ik met u eens. Maar onvermijdelijk is het ze­ker niet, omdat de mens kan komen tot een samenwerking; en waar die samenwerking niet mogelijk is tot een zekere onverschilligheid. Een wonderlijk voorbeeld voor de manier waarop zich dit kan afspelen kunnen we zien in de mierenwereld.

Er zijn tweesoorten weidemieren: de groene en de zwarte. Beide stam­men hebben de neiging bladluizen te telen. Ze zijn dus eigenlijk veete­lers. Beide soorten hebben hun eigen gebied waar ze gaan melken. Het komt voor dat de wegen van de twee stammen, die niet te ver van elkaar af zitten, elkaar kruisen. Let u op wat de mieren doen. Ze gaan hun eigen reuksporen na zonder op de anderen te letten. Komt er een ontmoeting, dan wijken ze voor elkaar uit. Hier is een dulding ont­staan. Die dulding is begrijpelijk. De twee stammen leven namelijk onder pre­cies gelijke condities. Hun grootte verschilt iets en dat betekent dat een oorlog voor de zwarte weidemier altijd vernietiging zou betekenen door restanten van de groene weidemier, die zich dan in het nest van de zwarte weidemier gaan bewegen. Ze weten dat van elkaar en ze respec­teren elkaar. Dit wederkerig respect is dus in feite een soort afdrei­ging van vrede. Maar met die afdreiging kunnen ze elkaar aanvaarden. Dat geldt voor de mier, dat geldt voor de mens.

De aarde zelf probeert er ook iets aan te doen, want het is duide­lijk dat vele oorlogen juist daar ontstaan waar gemeenschappen abnormaal sterk onder pressie komen te staan. Waar een gemeenschap onder pressie staat, heeft ze namelijk de neiging zichzelf (wat ze betekent, wat ze is) door agressie te verdedigen tegen al hetgeen haar omringt. Naarmate de bevolkingsdichtheid van een bepaald gebied toeneemt, zullen dergelijke conflicten meer voorkomen.

Wat zegt de natuur? Dan zal ik in zo een geval condities schep­pen waardoor het bevolkingsaantal terugloopt. Dat kan een neigingskwestie zijn. Het kan een vermindering van vruchtbaarheid zijn. Het kan ook een aantal natuurrampen zijn. Grote epidemieën zoals die in het ver­leden vaak een decimering van de bevolking hebben betekend, waren wel degelijk een van de middelen die de aarde gebruikte om een evenwicht tot stand te brengen. Hier kunnen wij dus gevoeglijk aannemen dat de aar­de agressie met agressie beantwoordt. Waar vrede is, is de aarde in evenwicht; en dat betekent voor de mens dat hij leeft onder omstandig­heden waarop hij kan rekenen. Er is een gelijkmatigheid. Er zijn geen grote klimatologische of andere verschuivingen. De rampen die gebeuren zijn in verhouding klein en behoren tot wat je als mens kunt verdragen. Op het ogenblik echter dat er onvrede is, reageert de aarde met onvrede.

Typerend daarvoor is de mentaliteit in het Zeeuwse gebied indertijd geweest. De watersnoodramp in Zeeland was niet alleen maar een herha­ling van de opzettelijke inundatie van deze gebieden in de laatste da­gen van de oorlog. Het was wel degelijk een gevoel van: wij zijn meer en wij weten het beter. De toen nog afgesloten leefgemeenschap had een men­taliteit van zelfrechtvaardiging, die gepaard ging met een zekere af­wijzing van anderen. Deze overigens zuiver geestelijke agressie (in vele kleine kerken voortdurend aangemoedigd) voerde tot spanningen tussen dit deel van Nederland en de nabij gelegen delen van België en van alle andere gebieden; dus tussen de mensen.

Deze spanningen moesten worden opgelost. Het betekende een zwak punt, een chaotisch punt. Daar waar een normale evenwichtigheid bestond, kon de ramp bijna gebeuren. Daar echter waar een verstoring van het even­wicht plaatsvond, kon de ramp werkelijk plaatsvinden en was het niet meer mogelijk haar te voorkomen.

Hier heeft u een gedragslijn van de mens. Ik zou op grond hiervan willen zegen: oorlog is praktisch onvermijdelijk, omdat erfelijke psycho­logische factoren van de mens bij het optreden van bepaalde levenscondi­ties het ontstaan van agressie inhoudt en daarmede de neiging tot vernietiging van alles wat vreemd is. De aarde reageert daarop en zij zorgt voor vrede indien de mens dat niet kan, ook als die vrede voor de mens dan de vrede van het graf moet morden.

De mens is meer. De mens schept een versnelde verandering in de om­standigheden op aarde.

Als wij bijvoorbeeld nagaan wat de voortdurende uitwaseming van carbon­dioxyde en bepaalde stoffen als koolwaterstoffen in de atmosfeer bete­kenen, dan kunnen wij nagaan dat hierdoor een verandering in het even­wicht van de aarde tot stand moet komen. Hier is sprake van een menselijk egoïstische agressie tegen de totaliteit van de aarde zelf. De aarde zal zich dus moeten aanpassen. Maar zij past zich niet aan de begeerten van de mens aan, maar aan de nieuwe condities die zijn ge­schapen. Een klein voorbeeld.

Als bepaalde wateren sterk worden verontreinigd door zekere stoffen, dan zien wij daarin een toenemen van algengroei. Algengroei betekent zuurstofonttrekking aan het water. Leven is daar zelfs voor vissen niet meer mogelijk. De alg echter is weer een voedingsbodem voor een groot aantal insecten, die onder deze condities wel kunnen leven en floreren, omdat hun stofwisseling nu eenmaal op andere waarden is gebaseerd dan op een zuivere zuurstofomzetting. Daar ziet u dan dat de natuur onmid­dellijk begint met de voedingsbodem te scheppen voor die levensvormen welke in staat zijn onder de heersende omstandigheden voort te bestaan. De aarde zal nooit een pruik opzetten omdat ze kaal begint te worden. Ze plant gewoon nieuwe wouden. Wanneer ze te kaal wordt, dan verschuift ze eenvoudig het geheel van haar belangstelling en haar neerslag naar een ander gebied waar ze wel in staat is een welige plantengroei te handhaven. Indien een zuurstofproductie noodzakelijk is voor de wereld zoals op dit moment het geval is, dan zal de aarde ertoe overgaan zo­veel mogelijk wouden te doen ontstaan, omdat deze wouden gelijktijdig at­mosfeerfilters en atmosfeervernieuwers zijn. Nemen we teveel daarvan weg, dan zien wij een vreemd verschijnsel: verandering in de waterhuis­houding. De aarde reageert anders. De vruchtbaarheid is in deze gebie­den niet meer zo belangrijk, want zo zegt de aarde tegen zichzelf: hier wordt mij immers toch het harmonisch deelnemen aan mijn levenscyclus onmogelijk gemaakt, althans door middel van de plantengroei. Dus ver­niel ik alles. Denkt u aan de “dustbowl” verschijnselen zoals de Verenigde Staten die heeft gekend, ook ten gevolge van verkeerd ploegen en voor­al van onoordeelkundige ontbossing. Datzelfde zien wij trouwens ook in Italië.

Hier speelt de mens eigenlijk de rol van verstoorder, omdat hij zich­zelf niet beschouwt als deel van een geheel, maar als meester over een geheel. Dat dit meesterschap imaginair is zal een ieder begrijpen. De mens zal zijn milieu moeten aanvaarden zoals de natuur het maakt. Op het ogenblik dat hij afwijkt van het natuurlijk evenwicht, ontstaat er een nieuw evenwicht. De mens zal, zoals alle levensvormen, zich in het begin wel daaraan kunnen aanpassen. Gaat de verandering echter te snel, dan ontstaan er conditiewijzigingen waaraan de mens te gronde kan gaan.

In de voorgaande punten heb ik getracht u duidelijk te maken wat de relatie is tussen de mens en de wereld. Want het is heel aardig om de mens te bezien zoals hij is, maar in dit onderwerp van deze cursus gaat het ten slotte om de wereld.

Het is voor een mens belangrijk te beseffen dat hij in zijn lichame­lijke vorm voor de wereld een deel van haar bestaan is. Men heeft wel eens gezegd: De mens is een luis op het hoofd van de aarde. Maar men zou eerder kunnen zeggen: De mens is een extensie van het leven van de aarde voor zover het zijn biologisch bestaan betreft. Dat dit leven be­zield is, zal de aarde niet zozeer beroeren. Er zijn zoveel krachten die bezield zijn en het maakt voor haar weinig uit, of er nu een beziel­de jetstream is of een onbezielde jetstream. Voor het bewustzijn dat er in leeft is dat belangrijk, voor de aarde zelf niet. Voor de aarde is het verschijnsel belangrijk. Het is een noodzakelijke verplaatsing van atmosfeerdelen om door deze beweging een al te snelle afstoting van atmosfeer krachtens de rotatie te voorkomen.

U bent een deel van de wereld. Een groot gedeelte van uw zuiver stoffelijke eigenschappen vloeit voort uit wat uw wereld is. Je kunt nu wel met Paulus “foei” en “zonde” roepen, wanneer een mannetje achter een vrouwtje aan gaat of omgekeerd wat ook vaak voorkomt, ook zonder emancipatie. Het is altijd weer de natuurlijke werking, de natuurlijke factor. Er zit niets verkeerds of zondigs aan. Het is deel van het rit­me van de aarde. Datzelfde levensritme brengt nu de vogels ertoe te gaan nestelen, paren te vormen en de eierproduktie aan te vangen, waarbij ze overigens niet concurreren met de legbatterijen die de mensen van een van Gods schepselen hebben gemaakt.

Let wel, voor de mens is het belangrijk dat hij niet alleen stoffe­lijk maar ook geestelijk aan zijn trekken komt. En hierin zit de strijdig­heid tussen de mens in zijn stoffelijke en in zijn geestelijke vorm. Daarom heb ik beide als gescheiden waarden aangeduid en behandeld. De geest is sterker dan de stof. Een stelling die wij heel vaak horen en die ten dele waar is. Echter maar zeer ten dele. Men zou het misschien beter als volgt kunnen zeggen:

In een perfect evenwichtig en natuurlijk reagerend lichamelijk geheel heeft de geest de mogelijkheid de voor haar belangrijkste factoren te be­vorderen en vele andere factoren van leven te onderdrukken of tot onbelangrijkheid terug te brengen. Maar die geest kan u zeker niet verande­ren. Dit is het geliefde waanbeeld van de mens dat hij door een bepaal­de manier van leven of denken zichzelf tot een heilige maakt. Nu ja, een heilige is een menselijke benaming en als zodanig kunnen wij dit zien als een deel van de waanwereld, die een mens voor zichzelf creëert. Maar je kunt van je zelf geen heilige maken. Je kunt alleen geestelijk bewust of geestelijk onbewust functioneren in de materie.

Bij een bewust functioneren zul je kosmische tendensen aanvoelen en ze op een persoonlijke wijze interpreteren. En aangezien de aarde kosmische tendensen gewoonlijk op een meer algemene manier duidt, is het voor u mogelijk om krachtens uw reactie op die kosmische krachten een wijziging te brengen in het gedrag dat u volgens de kosmische tendens op aarde eigenlijk met alle anderen zou moeten doormaken. Afwijkingen van gedrag zijn mogelijk, zonder dat daardoor de harmonie met de wereld of met de geestelijke werkelijkheid wordt verstoord. Maar het zijn afwij­kingen; het is niet een totale verandering.

De mens moet begrijpen dat hij nooit naast de mensheid kan gaan staan, maar dat hij ook nooit naast de wereld en de wetten van de wereld kan gaan staan. Eerst wie dit beseft, zal m.i. in staat zijn te komen tot een bewust geestelijk leven op aarde, waardoor de wereld voor hem een voortdurende aanvulling van zijn bewustzijn en mogelijkheden betekent. En aangezien de mens altijd van zichzelf uitgaat, lijkt mij dat voor de mens werkelijk het meest belangrijke dat denkbaar is.

Aan het einde van deze les zie ik dan nogmaals de mens, die in de wereld bepaalde behoeften en bepaalde mogelijkheden heeft. De mens is in aanleg magisch. Magie is het vervangen van kennis en reëel bewuste mogelijkheid door gevoelens en riten of spreuken, waardoor men gevolgen tot stand kan brengen zonder dat men ze zelf behoeft te begrijpen. Om u een typisch voorbeeld te geven:

Er zijn zelfs nu nog magiërs in India die Sanskriet formules gebrui­ken zonder dat ze weten wat ze betekenen. De resultaten zijn zelfs nog redelijk te noemen. Hier is de mens dus niet alleen maar een wezen dat leeft in de krachten van de natuur, het is ook een wezen dat door zijn gevoeligheden het evenwicht in de krachten van de natuur kan arrangeren of herbepalen, omdat het zelf (het “ik” van de mens) een variabele waarde is. Als wij die waarde veranderen, zal de aarde de neiging heb­ben een evenwicht tot stand te brengen. Dat heeft niets te maken met de zogenaamde overdrachts- en besmettingstheorieën en de gelijkheids- of identiteitstheorieën in de magie. Het is doodgewoon: een evenwicht wordt altijd weer gezocht. En waar de mens dit evenwicht in zichzelf verandert, creëert hij condities waarin dit evenwicht buiten hem weer herontstaat.

De mens heeft langzaan maar zeker een groot gedeelte van deze intuïtieve kennis, verhuld in formules en allerlei vreemde gebaren, om­gezet in bewuste kennis. De wetenschap is voortgekomen uit de magie, zoals de rede is voortgekomen uit de drang tot zelfbehoud. Het is een logische voortzetting.

Maar deze wetenschap, dat moeten wij wel begrijpen, is menselijk. Het is het stellen van een stramien waarbinnen de mens zich op een ta­melijk harmonische wijze kan bewegen zonder daarbij voortdurend zijn toe­vlucht te moeten nemen tot het onbekende. Maar daarbuiten ligt niet al­leen het onbekende. Buiten de wetenschap liggen ook al die gebieden waarin intuïtie een veel grotere rol speelt en gevoeligheden belang­rijker zijn dan kennis.

Als de mens werkt met wat men noemt zijn occulte of paranormale be­gaafdheden, dan kan hij dat niet doen tegen de natuur, en dus tegen de wereld in. Hij kan alleen functioneren vanuit een harmonisch geheel. Een helderziende, die emotioneel in de war is, kan niet juist zien wat morgen gaat gebeuren. Hij kan ook niet juist terugkeren in het ver­leden. Een medium dat onder bepaalde omstandigheden niet redelijk kan functioneren, is een medium dat ergens in de war is, dat doodgewoon zelf teveel problemen van oriëntatie heeft om op enigerlei wijze harmo­nisch te zijn. Die disharmonie is dan altijd een disharmonie waarbij de aarde mede betrokken is; dus van al hetgeen van de wereld is, van alle kracht die van de wereld uitgaat.

Een mens die veel weet en daardoor stoffelijk, al is het soms rationaliserend, zijn wereld voor een deel kan beheersen, moet begrij­pen dat hij juist in deze beheersing van de wereld gelijktijdig zijn deel­zijn van de wereld moet uitdrukken. Maar hij moet verder gaan dan dit, want de harmonieën die niet uitdrukbaar zijn volgens wetenschappelijke normen, werken op hem in. Deze krachten zijn voor hem erg belangrijk. Men heeft eens gezegd: Een eigen evenwichtigheid en een gevoel van aanvaarding vormen het landingsplatform voor de kosmische krachten, waardoor de mens datgene wat hij beseft kan verwezenlijken, ook op aarde. En dat is niet onjuist.

De mens heeft een stoffelijke rust nodig wil hij magisch kunnen wer­ken. Hij heeft een zekere lichamelijke ontspannenheid en rust nodig, als hij paranormale prestaties wil verkrijgen. De enige andere uitweg is die van de innerlijke chaos, de absolute hysterie, waarin dezelfde verschijn­selen mogelijk worden, maar nu volledig onbeheerst en grotendeels onbe­seft.

Ook waar het gaat om krachten van de geest, dus contacten met de geest, bent u afhankelijk van uw relatie met de wereld. Het is erg be­langrijk dat u dit begrijpt. De mens kan niet los van de wereld als mens bestaan en kan dus ook niet in het menselijk bestaan zijn geestelijke waarden, erkenningen en krachten tot ontplooiing brengen. Wij zijn één met de wereld waartoe wij behoren. Vanuit die eenheid bereiken wij onze persoonlijke ontwikkeling.

Elke mens kan een persoonlijke ontwikkeling bereiken, maar alleen indien hij uitgaat van bestaande harmonieën en niet probeert een be­staande harmonie door een andere te vervangen, maar probeert in zich die harmonie zodanig op te bouwen dat daardoor als vanzelf een harmonische compensatie buiten hemzelf door de krachten van de wereld zelf tot stand worden gebracht.

Wie dit beseft, mens zijnde, zal ongetwijfeld een groot gedeelte van zijn gedragingen met andere ogen gaan zien; zowel zijn eigen onredelijkheden, zijn liefdes en haat, als ook zijn gevoelens van onmacht en onver­mogen. Als u tot dit besef bent gekomen, vraag u dan af: hoe kan ik zo harmonisch mogelijk zijn?

Dat is in de eerste plaats natuurlijk een emotionele kwestie. Daarnaast is het echter ook een mentale kwestie. Uw denken, en als ge­volg daarvan ook uw handelen, zullen gericht moeten zijn op het bevorde­ren van eenheid, van harmonie, als het ware de gelijkstrevenheid en van rust. Want alleen van daaruit wordt voor u het beleven van de kosmische waar­den in de stof mogelijk. Alleen vanuit dit beleven van harmonie wordt het u mogelijk het maximum te bereiken met uw geestelijke vermogens.

Paradoxen van het bestaan

Een mens meent dat hij heer van de schepping is en wordt daardoor slaaf van datgene wat hij zelf heeft geschapen. Dit is ergens een paradox.

Een mens denkt dat naarmate hij ouder wordt, hij wijzer wordt. Naarmate hij echter wijzer wordt, komt hij dichter bij de dood en heeft hij dus daar minder aan. Een schijnbare paradox.

Het is eigenlijk altijd weer zo dat de mens met zijn manier van den­ken en van leven wordt geconfronteerd met dingen, die absoluut strijdig zijn met elke rede. Misschien heeft u wel eens opgemerkt hoe juist die zeer rationeel denkende mensen in hun persoonlijk leven irrationeel handelen. En misschien heeft u ook opgemerkt dat, en dat is zeker niet alleen maar een grapje, vele professoren buiten hun speciaal ge­bied zich gedragen als stommelingen. Waarom eigenlijk? Wel, omdat een mens in zijn gehele bestaan uitgaat van zijn eigen regels en wetten. Voor de mens is het bijna onmogelijk te leven zonder deze begrippen. Maar de ellende daarbij is dat hij zijn veronderstellingen poneert als zekerheden om voor zichzelf een gevoel van zekerheid te verwerven dat hij schijnbaar niet kan krijgen als hij de werkelijkheid aanvaardt.

Neem nu eens geloof. Als een mens iets gelooft, dan zegt hij dat hij het zeker weet, ofschoon hij hoopt dat hij ooit te weten zal komen of hij gelijk heeft. Maar hij zegt dat hij het zeker weet, omdat hij door deze pretentie van zekerheid misschien anderen kan overtuigen en tot datzelfde geloof kan brengen. Hoe meer mensen geloven wat hij denkt, of hoopt te kunnen geloven, des te zekerder hij zich zal voelen dat hij het ware geloof heeft.

Wat is de functie van het geloof voor de mens?

Bij een mens is het zo dat, als hij moet leven met de werkelijkheid, hij die werkelijkheid niet aankan, omdat de minderwaardigheidsgevoelens die hem dan onwillekeurig zouden bekruipen hem het leven onplezierig zouden maken. Daarom gelooft hij het maar. Hij gelooft alles.

Als u morgen wordt verteld dat er een nieuw systeem is uitgevonden waardoor ieder mens op aarde steenrijk kan worden, dan zijn er mensen die dit geloven, ofschoon iemand, die even nadenkt begrijpt dat, als iedereen evenveel heeft, niemand rijk kan zijn en rijkdom dan een andere betekenis zal moeten hebben. Maar daar denkt men niet over na.

Datzelfde zien we bij magie. Magie bestaat niet, zeggen de mensen. Maar als er een groot probleem is, en dat kan net zo goed een tech­nisch als een publiciteitsprobleem zijn, dan heeft men tegenwoordig een methode waardoor men vaak vooruit kan komen. Deze heet brainstorming. Wat is brainstorming?

Brainstorming is het teruggrijpen naar de primitieve magie waarbij willekeurige, onmiddellijk opkomende uitspraken tezamen worden gevat en later door een deskundige worden geïnterpreteerd. Maar dat kennen wij al lang. Dat behoort tot het oude heidendom van de Babyloniërs. Men kwam samen voor de tempel van Marduk en bracht zich dan gezamenlijk in een toestand van razernij. Alles wat men op dat ogen­blik dacht, gooide men er gewoon uit. Er stond een deskundig priester bij, die later zei wat het allemaal betekende; en hij had dan vaak gelijk ook.

Dus de mensen die magie en het magisch werken verwerpen, grijpen daarnaar terug op het ogenblik dat ze problemen hebben waarvoor ze geen onmiddellijke uitweg zien. Is dat een paradox of niet? Diezelfde mensen gaan uit van het standpunt dat de natuur haar eigen wetten stelt. Want, zo zegt men, wij kunnen wetenschappelijk bewijzen hoe alles ver­loopt. Aan die wetten kan niemand zich onttrekken. Maar als dat zo is, waarom maken de mensen dan nog wetten? Waarom zou je wetten maken, als er wetten bestaan die onontkoombaar en onvermijdelijk zijn? Als je stelt dat er nog een additionele wetgeving nodig is, dan is dat boerenbedrog. Maar nu het wonderlijke.

Mensen, die uitgaan van het standpunt dat er vaste natuurwetten of economische of andere wetten zijn, voelen zich juist genoopt extra wet­ten uit te vaardigen om daardoor de kans te krijgen de natuurwetten als het ware te manipuleren waarvan ze zeggen dat die onveranderlijk waar zul­len blijven. Maar iets wat onveranderlijk is, kun je niet manipuleren Een vreemde paradox in het menselijk denken, vind ik.

Zo vind ik het ook vreemd dat men in bepaalde kringen uitgaat van het standpunt: als je niet een geschoold geneesheer bent en tenminste arts achter je naam kunt schrijven en toch zou genezen, je een kwak­zalver bent. Een kwakzalver is dus niet iemand die niet kan genezen, maar zegt dat hij het doet. Neen, een kwakzalver is iemand die geneest zonder een diploma te hebben. Maar gelijktijdig zegt diezelfde medische stand die dat poneert, dat de eerste regel en de eerste wet is, dat je de mens moet helpen. Als een ander het doet, dan mag het niet. Paradox of niet?

Ik hoor mensen zeggen, dat wij voor onze zwakkere broeders moeten zorgen. Maar het wonderlijke is dat de mensen, die voor de zwakkere broeders willen zorgen, dit doen door de zwakkere broeders zo te mani­puleren dat dezen daardoor de baas kunnen spelen over de sterkere broe­ders in naam van de zwakkere broeders, waarna sterkere en zwakkere broe­ders lijden onder het gezag dat over hen wordt uitgeoefend. Dat heet dan politiek.

Politiek is trouwens helemaal een wonderlijke zaak. Je kunt het op heel veel verschillende manieren omschrijven. Er is eens iemand geweest die het als pseudo-crimineel gedrag heeft omschreven. Een ander heeft gezegd: Politici zijn mensen die ons van de moeilijkheden afhelpen die ze eerst zelf hebben gemaakt. Je zou ook kunnen zeggen: Politici zijn mensen die leven in een onwerkelijkheid, omdat ze de werkelijkheid van het leven eenvoudig niet aankunnen. Zij stellen een theorie in de plaats van de praktijk en doen alsof de theorie waar is, terwijl ze rustig de praktijk haar gang laten gaan.

Als we ons echter afvragen wat de politiek doet, dan blijkt dat de mens het gevoel heeft dat, als zij iets zegt, dat ook waar is. Maar dan, mijn waarde vrienden, leven we eigenlijk weer in de heel vroege geschie­denis van de mensheid waarin tovenaars waren, die iets zeiden en daar­door werd het waar. Vele politici schijnen te denken dat als zij iets zeggen het ook waar wordt. Het gebeurt natuurlijk maar zelden dat ze ge­lijk hebben, zoals dat vroeger met de tovenaars ook het geval was. Maar daarvoor bestond weer een methode.

Wat deed namelijk de oude tovenaar? Deze maakte een recept klaar (zoiets als een groot magisch werk) in de oudheid dat om een voorberei­ding vroeg, die lag tussen de 14 dagen en de 3 maanden. In die tijd moest er een enorm aantal handelingen worden verricht. De magiër was handig genoeg om dat niet alleen te doen, want hij moest altijd een paar hulpjes hebben, die eventueel gefaald konden hebben indien de zaak niet uitkwam.

Kijk nu naar de politici van vandaag. Doen die eigenlijk niet precies hetzelfde? Ze spelen het spel der democratie, of hoe ze het anders noemen, langs zo ingewikkelde regels, dat als het verkeerd gaat, ze altijd kunnen zeggen dat een ander het heeft gedaan. Gelijktijdig zweren ze bij het woord als de enige waarheid die bestaat. Mij dunkt, hoe paradoxaal het ook moge klinken, de tovenaar van vroeger en de politicus van vandaag hebben zoveel gemeen, dat ze krachtens hun gedrag praktisch als iden­tiek beschouwd kunnen worden. Maar we zijn er nog niet.

Wij horen op het ogenblik ontzettend veel over de emancipatie. Wat is nu emancipatie? Bevrijding van slavernij, roept menigeen uit. En sommige vrouwen voegen daaraan toe, baas in eigen buik, waartegen overigens niemand bezwaar zal hebben.

Emancipatie betekent in wezen gelijkwording en niet bevrijding van slavernij. Maar gelijkwording kan alleen dan bestaan, indien je begint met de gelijke verplichtingen te aanvaarden. Eerst daardoor namelijk kun je een gelijk gerechtigdheid bewijzen. Het wonderlijke is echter dat zeer veel mensen (en dat zijn mannen en vrouwen, dat zijn onderontwikkel­de en zeer ontwikkelde volkeren) uitroepen dat de emancipatie nodig maakt dat hun gelijkwaardigheid wordt aanvaard, en als die is aanvaard, zullen ze er misschien over denken om er iets aan te doen ook. Is dat niet erg paradoxaal? Dat is wat men noemt: het paard achter de wagen spannen. Vandaar dat deze wereld met zijn streven naar vooruit­gang steeds achteruit gaat. Wat misschien een paradox lijkt, maar het zeker niet is. Het is het vaststellen van een feit.

Het is wonderlijk dat de degenen, die roepen “progressiviteit” in feite teruggaan naar de vroege middeleeuwen waar elke kleine ridder koning was op zijn kasteel en plunderend en brandschattend de eigen grootheid voortdurend aan zijn onderdanen probeerde te bewijzen.

Het is geen wonder dat er in deze dagen zo onnoemelijk veel geweld­misdrijven en roofovervallen gebeuren. Dat komt gewoon voort uit de pro­gressieve mentaliteit die immers zegt: ik heb mijn eigen rechten. Die rechten kan ik nemen ten koste van ieder ander, want zolang mijn rechten als zodanig niet worden erkend en iedereen mij niet vrijwillig belasting betaald, zal ik die nemen. Zo zien wij dat de vooruitgang in wezen een teruggang naar de vroege middeleeuwen is.

Als we nog iets verder teruggaan, zitten we weer in de kruistochten. Zoals u weet zijn de kruistochten een methode geweest om rijkdom te ver­werven waarbij men per ongeluk ook nog enige beschaving verwierf; dit on­der een hoog heilig motto en met praktijken die beneden alle normen waren.

Als je het zo bekijkt is de gehele samenleving vol van vreemde ver­schijnselen. Dat kun je alleen maar verklaren als je zegt dat de mens zelf eigenlijk een zeer paradoxaal wezen is. Een mens hunkert naar zekerheid en strijdt gelijktijdig voor zijn zelf­standigheid. De mens hunkert naar rust en daarom maakt hij zich zo druk.

Een mens wil liefde, maar juist daarom stelt hij zich zo strijdvaar­dig op dat iedereen eerder bereid is om slag te leveren dan om lief te hebben.

De mens wil eenvoudig leven, maar omdat de buren meer hebben vindt hij dat eenvoud bestaat uit een Cadillac, een landhuis en alle daarbij behorende weelde, terwijl hij zelf weet dat hij er waarschijnlijk niets aan vindt. Er zijn zelfs mensen die naar de televisie kijken omdat ze die hebben. Als er iets paradoxaler is, dan is het dit wel. Het is het ge­voel van de mens dat alles wat je hebt en wat je kunt krijgen, dat moet je dan ook maar gebruiken. Daar staat tegenover dat de mens ook andere behoeften heeft. Deze zijn veel belangrijker dan alles wat je hebt. Maar aan die behoeften komt hij vaak niet tegemoet, omdat hij volledig wil gebruiken wat hij heeft.

Als ik in een poging iets opbouwends te zeggen over de paradoxen in het leven van de mens, en het menselijk bestaan alleen met deze paradoxen zou komen aandragen en geen oplossing daarvoor zou geven, dan zou mijn streven daardoor volledig teniet worden gedaan en zou mijn pretentie inderdaad een paradox vormen t.a.v het onderwerp. Daarom wil ik proberen daar iets tegenover te stellen.

Alles wat noodzakelijk is voor een mens wordt door zijn gevoelswereld aangetoond, niet door zijn verstand. Als je het gevoel hebt dat alles in orde is, dan kun je daaruit vermogen putten. Als je het gevoel hebt dat je genoeg hebt gegeten, dan hoef je niet meer, ook al zeggen ze duizendmaal dat je met knäckebröd nog bijzonder mager wordt. Dat doet mij denken aan die mens die vroeg: hoeveel pakjes moet ik dan nog buiten de maal­tijd om gebruiken om mager te worden?

Het gaat erom dat je jezelf bent. Maar om jezelf te zijn moet je be­seffen waar men je probeert te beïnvloeden. Als je die beïnvloeding stelt boven het zelf zijn, dan zul je nooit aan jezelf, je eigen leven en je eigen mogelijkheden toekomen. Wat je dus als mens dient te doen is, hoe wonderlijk het ook moge klinken, in de eerste plaats zorgen dat je elke poging om je te beïnvloeden zo goed mogelijk erkent en daarop zo bewust mogelijk reageert. Want alleen op deze manier kun je een werkelijke harmonie bereiken. Indien je je door anderen laat beïnvloeden, ontstaat er een strijdigheid met jezelf waardoor de schijn van harmonie al snel wordt verstoord door de z. g. onredelijkheid van je gedrag en de grote emotionele problemen waarmee je komt te zitten. In de tweede plaats moet je als mens niet proberen alleen rationeel te denken. Een mens die de rede boven alles stelt, is geneigd zijn gevoe­lens te onderdrukken en aan de rede aan te passen. Maar dat lukt nooit. Een mens die redelijk denkt, castreert als het ware zijn gevoelsleven en leeft dan met alle gevolgen van dien. Een mens echter die zijn gevoelsleven probeert te begrijpen, zal het in zijn verstandelijke wereld kunnen in­passen zonder daardoor aan zijn gevoelsleven ook maar iets tekort te doen. Daardoor vindt hij de evenwichtigheid waardoor zijn rede in al haar beperkingen overigens een volledig bruikbaar instrument voor hem wordt.

Een mens begint te sterven op het ogenblik dat hij wordt geboren. Dat is een feit, hoe paradoxaal het ook moge klinken. Ons leven zeggen sommige mensen is een voorbereiding op de dood. Biologisch kan dat juist zijn. Praktisch is leven juist bestaan. Dan is het ook niet rede­lijk je bestaan te wijden aan de dood en aan datgene wat daarna komt. Leef vandaag. Want wie vandaag leeft, kent de krachten en de mogelijk­heden van vandaag en zal daarmee de vorm bepalen van morgen. Maar hij die leeft voor de tijd die komt, wanneer hij zal sterven of voor datgene wat noodzakelijk zal zijn over honderd jaar, hij faalt zozeer in het heden dat hij daarmee de toekomst onoverzichtelijk en waarschijnlijk onverbeterlijk maakt. Dat moet u zelf ook goed realiseren.

Men heeft wel eens gezegd, regeren is vooruit zien. Er is geen won­derlijker verklaring dan deze. Want als regeren vooruit zien is, dan vraag ik mij af hoe het komt dat men altijd achteraf pas kan verklaren waarom het zoveel meer heeft gekost of zo onbruikbaar is geworden, of waarom men zich heeft vergist. Ik geloof dat de mensen die over zich­zelf regeren een soortgelijke fout maken. Regeren over jezelf betekent niet vooruit zien wat je over 5 uur gaat doen. Dat betekent beheersen wat je nu doet. Het betekent inzien wat je nu bent en wat je nu bete­kent, niet het veronderstellen wat je over honderd jaar kunt betekenen.

Leven is een voortdurende waanzin waar uit het woud van de illusie toch altijd weer een sprank werkelijkheid wordt geboren.

Leven is dolen door denkbeelden, die schijnbaar strijden met de fei­ten totdat je vindt dat denkbeeld en feit elkaar wel degelijk dekken op het ogenblik dat je niet meer tracht het feit je eigen betekenis op te leggen.

Bewust leven betekent leven met feiten die je aanvaardt en met een denken dat op feiten is gebaseerd.

Een mens kan niet leven zonder dromen. Volkomen juist. Maar als u als mens teveel droomt, leeft u niet. Indien u echter leeft, kan uw droom vaak de compensatie vormen waardoor u het leven aankunt. Vele psychologen zullen dit onderschrijven. Laten we dan nog een stap verdergaan.

De droom is een deel van ons leven en maakt deel uit van onze in­nerlijke werkelijkheid die onze reactie op een uiterlijke werkelijkheid mede bepaalt. Maar dan is de droom niet iets wat buiten het heden staat of iets wat het heden voorspelt of wat met een andere wereld te maken heeft. Dan is de droom iets wat het ons mogelijk maakt beter te functio­neren. Indien wij haar in de eerste plaats als zodanig aanvaarden, dan zullen wij juist daardoor gemakkelijker onze droomwereld aanvaarden zon­der erdoor te worden geabsorbeerd.

Dan heb ik voor vele mensen nog een wonderlijke raad. Pretendeer nooit dat u uw naaste meer lief hebt dan uzelf, want dat kunt u niet. Degene die dit pretendeert, heeft zichzelf zozeer lief dat hij zijn meerwaardigheid over zijn naaste probeert te bewijzen door te stellen dat zijn naaste voor hem meer betekent dan hijzelf. Heb uzelf rustig lief. U kunt niet anders. U bent een mens, u denkt egocentrisch en daardoor bent u altijd in zekere mate ook egoïstisch, of u het beseft of niet. Wees bereid om alles wat voor u vreugdig en goed is met anderen te de­len. Wees niet bang om uw leed te delen met anderen die er deel aan willen hebben. Wees niet bang uw wereldje uit te breiden buiten uw per­soonlijk kringetje, uw bestaantje. Werkelijke naastenliefde is namelijk niet: meer voor een ander doen dan je ooit voor jezelf zou doen. Het is gewoon datgene wat je voor jezelf begeert delen met anderen zoveel je kunt. Het is een eenheid vinden met anderen zonder daarbij jezelf min­der lief te hebben.

Als je jezelf haat, dan kan het niet anders of je haat de wereld, wat je ook zegt. Begin daarom eerst jezelf lief te hebben. Want pas als je dat doet, kun je de wereld liefhebben. Dit moge paradoxaal klin­ken, maar het is voor hen die een werkelijke harmonie in het leven wil­len bereiken de meest juiste regel die ik kan geven.

Zelfverloochening is een kreet, geen werkelijkheid. Want de uiter­lijke zelfverloochening is altijd weer het hunkeren naar een innerlijke bevrediging die u dan gelijktijdig boven alle anderen moet plaatsen. Wees maar gewoon uzelf. Wat meer is, deel datgene wat voor u belang­rijk is met anderen. Dring het hun niet op, maar ontneem het hun niet. Leef gewoon met de wereld zoals ze is. Op die manier vermijdt u veel van de paradoxen van het menselijk gedrag. Op die manier vindt u een harmonie die met de hele wereld, met de mensen en ook met geestelijke werelden en sferen kan worden bereikt.

U kunt gelukkig zijn, indien u begrijpt dat er niets is wat u niet met de wereld wilt delen en niets wat u de wereld benijdt. Die toestand is ideaal. Als u die toestand heeft bereikt, dan bent u één met de kos­mos. Dan bent u harmonisch met de ziel van de wereld, zo goed als met de gehele kosmische kracht en met al wat daarmee samenhangt.

Probeer nooit vanuit uzelf meer te zijn dan een ander. Maar als kos­mische krachten of wereldse krachten u als het ware stuwen tot een bereiken, tot een doel, laat hen door u werken. Reageer gewoon alsof het normaal is. Doe wat u voelt te moeten doen en ga verder. Want dit is de weg voor de mens om de paradoxen van zijn bestaan op te lossen en uit de schijn van tegenstellingen en onverenigbaarheden een eenheid te maken van de mens, die als geestelijk wezen leeft in een stoffelijke, beperkte wereld samen met de krachten van de geest, samen met de krachten van de wereld en toch zichzelf kan blijven.