De mens (1971)

uit de cursus ‘De mens in al zijn aspecten’ (hoofdstuk 1) – oktober 1971

De mens

Wat is een mens? Het is heel moeilijk dit te definiëren, zo gemakkelijk als het ook lijkt. De mens is aan de ene kant een verschrikkelijk dier; verscheurend, egoïstisch, enorme kuddedrift en meestal ook nogal bloeddorstig. Aan de andere kant is een mens een wezen dat denkt, dat idealen koestert, een wezen dat zoekt naar een hogere bestemming. Dan zou je daaraan nog kunnen toevoegen: bovendien is hij, volgens het geloof van de mens, veelal het middelpunt van het goddelijk streven zodat, volgens die mens, de gehele schepping door God voor hem geschapen is.
Als je dat zo bekijkt, dan ga je je afvragen: Hoe kan ik die mens ontleden? Wat is aansprakelijk voor zijn gedrag? Wat zit op de achtergrond van zijn problemen? Om dit te doen, moet je proberen de samenhang aan te tonen tussen het zijn van de mens (zijn stoffelijk bestaan zonder meer) en zijn verschillende drijfveren, zijn milieu, zoals dit in vele gebruiken als scholing, huwelijk e.d. tot uiting komt. Dan zou je ook moeten nagaan in hoeverre geestelijke waarden bij dit alles een rol spelen en zo ja, welke betekenis ze hebben. In de loop van deze cursus zullen wij op al deze punten ingaan. Maar laat ons eerst beginnen bij het begin.
De mens heeft een lichaam. De reacties van dat lichaam worden bepaald o.m. door een aantal kleine organen (klieren), die verschillende stoffen afscheiden. Gaan wij na op welke wijze de mens reageert, als wij hem b.v. een hormoonbehandeling geven, dan zien wij inderdaad een afwijking van gedrag en in sommige gevallen zelfs een totale verandering van persoonlijkheid. Werken wij met enzymen, dan blijkt eveneens dat door een enzym een groot gedeelte van de gedragscodes van de mens teloor schijnt te gaan of wordt gevarieerd.
De mens is dus niet zo meester over zichzelf als hij pretendeert te zijn. Zijn lichaam dicteert hem grotendeels zijn stemmingen; en zijn stemmingen zijn direct of indirect aansprakelijk voor zijn gedrag in de wereld.
Wij kunnen hier de geest natuurlijk bij slepen maar dan blijkt dat de geest hoofdzakelijk werkt via het onderbewustzijn en dus hoogstens medebepalend is. Maar ook in het willen van de geest blijft de beperking door het stoffelijk lichaam bestaan.
Het is duidelijk dat die mens dan wel sterk afhankelijk moet zijn van zijn eigen lichamelijkheid.
Proberen we dan verder na te gaan: hoe leeft de mens? De mens leeft vanuit zichzelf. Hij ziet, hij ruikt, hij hoort, hij voelt, hij ondergaat de dingen. Maar altijd vanuit zichzelf en beoordelend ‑ dat is onbelangrijk volgens wat hij noemt ‘zijn waarneming’, of die waarneming nu compleet en concreet is of niet.
Iemand, die kleurenblind is, ziet de wereld niet alleen in verschillende tinten grijs met misschien hier en daar een enkele kleur die er doorheen loopt, neen, hij beoordeelt de wereld (de verhoudingen, de schoonheid ervan, de contrasten) volgens zijn manier van zien. Dat houdt in dat iemand, die kleurenblind is, dus anders kijkt dan iemand, die normaal ziet. Wanneer beiden nu doen alsof zij het met elkaar eens zijn, dan is er niets aan de hand. Maar stel dat er ook uiterlijk bepaalde verschillen zijn, dan is de kans groot dat een verschillende manier van zien en beleven van de wereld aanleiding geeft tot grote conflicten. Althans een deel van de bestaande rassenconflicten is volgens mij hiertoe te herleiden. Een andere wijze van zien en beleven van de wereld, daardoor een andere rangorde van belangrijkheid ten aanzien van verschillende gebeurtenissen, ontwikkelingen en handelingen en dientengevolge doodgewoon ruzie, oorlog, discriminatie en wat dies meer zij.
De mens probeert te denken. Maar in hoeverre denkt hij werkelijk? Ook hier zouden wij ons moeten afvragen: Wat doet het denkproces in feite? Het lijkt zo gewoon te zeggen: Ach, elke mens kan denken. Dat denken is voor iedereen. Nu ja, de ene denkt wat meer na dan de andere, maar verder is het heel gewoon. Maar is dat waar? De mens denkt, dat wil zeggen: hij registreert een groot aantal feiten en belevingen. Als hij waarneemt, refereert hij elke nieuwe waarneming aan de reeds beleefde. Dat wil zeggen dat een mens in zijn denken in de eerste plaats gebonden blijft aan zijn persoonlijke ervaringen, of hij dat wil of niet. Zelfs indien de mens overgaat tot het z.g. abstracte denken, waarbij er dus geen directe associatie met zuiver menselijke gebeurtenissen denkbaar schijnt te zijn, dan nog blijkt hij in zijn benadering van het probleem te worden bepaald door zijn zuiver stoffelijke ervaring. Ook hier weer een reden te meer om te zeggen: De mens is in zijn denken niet zo vrij als hij denkt te zijn.
Gaan wij eens na hoe het dan zit met het geloof van de mens. Een mens gelooft. Maar wat gelooft hij? Eigenlijk schijnt het er niet zo erg op aan te komen. Want wij vinden heel veel mensen, die pretenderen alle geloof af te wijzen, maar die op hun beurt dan weer gelóven dat zij gelijk hebben; Zij kunnen echter net zo min als de anderen bewijzen dat de door hen geponeerde stellingen ook maar enige grond van waarheid hebben.
Geloof is voor de mens noodzakelijk. Waar zou dit uit voortkomen? Uit rationalisatiedrang, zegt men dan. Men staat tegenover bepaalde ervaringen, die men misschien niet wil erkennen of waaraan men niet een normale betekenis durft toekennen, omdat dit voor het beeld van het eigen ‘ik’ (de relatie tussen het ‘ik’ en de rest van de mensen) onaanvaardbaar is. En dan begint men prompt met, wat men noemt, de rationalisatie: het verdraaien van feiten. Als je het zo bekijkt, is de mens wel een wonderlijk wezen.
De grote vraag blijft natuurlijk wel: Kunnen wij met al die feiten, die wij toch kennen, iets doen? Want een mens, die heeft geleerd zichzelf te onderzoeken en te beschouwen, zal misschien weten dat hij onjuist reageert. De vraag is alleen: kan hij voorkomen dat hij zo reageert? En in negen van de tien gevallen blijkt dat niet juist te zijn.
De mens reageert meestal ongeacht zijn bewustzijn. Het denken is als het ware de begeleiding van een groot aantal automatismen en impulsen van een niet bewust vlak. Zo gezien is de mens misschien een tamelijk hulpeloos wezen. Maar dat komt omdat wij nu werkelijk alle nadelen van het mens‑zijn hebben opgesomd. Ik zal daaraan in de volgende lezingen zeker niet zoveel aandacht meer besteden want het gaat ons niet erom te weten wat de mens mankeert, maar wel wat de mens beter kan maken.
Laat ons dan beginnen met de lichamelijkheid van de mens.
De mens heeft een lichaam. Dat lichaam is natuurlijk. Indien de mens dit lichaam als natuurlijk aanvaardt en de werkingen daarvan normaal kan accepteren, dan is er geen vuiltje aan de lucht. Op het ogenblik echter dat de mens eisen gaat stellen, van welke aard dan ook, of het nu morele zijn of meer schoonheidseisen, komt hij in een fout straatje en gaat het niet goed meer. Want dan beoordeelt hij zijn natuurlijkheid niet als iets wat is maar als een factor die anders zou moeten zijn. Het lichaam in al zijn functies zouden wij normaal moeten noemen.
Het is misschien een beetje vreemd dat iedereen het heel normaal vindt dat iemand ademhaalt terwijl anderen er bij zijn, dat iemand eet terwijl anderen er bij zijn, maar dat men de producten van de zo ontstane verbranding niet in het openbaar wenst te deponeren. Het is in de gebruiken nu eenmaal zo gegroeid. Daarvoor zijn er bepaalde redenen te geven, neem ik aan, maar op zichzelf is het een beetje vreemd, het is wat onnatuurlijk.
Waarom reageert de mens op deze manier op zijn lichaam? In de eerste plaats heeft hij het gevoel dat er een aantal functies zijn, die niet behoren tot het mooie, het goede, het schone. Hij verbergt zichzelf op het ogenblik dat er excrementen komen. Het is een verwerkingsproduct en hij wil zichzelf niet zien als een wezen dat verwerkt. Zijn voedsel is niet het in stand houden van het leven, het brandend houden van het biologisch kacheltje, het is voor hem een sociale ritus, gepaard gaande met eventuele smaak-genietingen en wat dies meer zij.
Dan vragen wij ons af: Op welke manier reageert dan het lichaam op de pretenties van de mens? Dat is ook interessant om te weten. Wat blijkt dan?
Iemand, die met smaak eet, zal beter verteren: Dat wil zeggen: uit dezelfde hoeveelheid voedsel haalt hij meer voedingsstoffen en gelijktijdig ‑ dat mag er dan ook bij worden gezegd ‑ zal zijn ontlasting over het algemeen ook wat vlotter komen. Voor een dier zou het een beetje vreemd zijn om daarover te spreken of het zou toevallig een huisdier moeten zijn, dat wordt vertroeteld en langzaam maar zeker dood gemest. Bij de mens zien wij in de omzetting hier en daar nog wel eens wat stakingen voorkomen, die dan met allerlei theetjes, pilletjes e.d. worden opgeheven. Waarom? Omdat er ergens in het proces van voeding en vertering een aantal reacties zijn, die niet passen bij de natuurlijke gang van zaken.
Een mens eet vaak niet omdat hij voedsel nodig heeft maar doodgewoon omdat hij het lekker vindt. In negen van de tien gevallen wordt hij dan in zijn verwachtingen beschaamd, want het is de eetlust die het best kruidt, zoals u weet. Als hij werkelijk tot het voedsel wordt aangetrokken, als hij daaraan, zij het een beperkte, behoefte heeft, dan ontwikkelt hij beter speeksel; d.w,z. dat het voedsel al onmiddellijk beter wordt verwerkt; het wordt met fermenterende stoffen voldoende doordrenkt. Als het dan in de maag komt, kan het dank zij de pepsines e.d. ook veel gemakkelijker verder worden ontleed, gekneed en verwerkt. De massa, die daaruit resulteert, is voor de darmflora (symbionten) van de mens ook veel gemakkelijker te verwerken waardoor de voedingsstoffen gemakkelijk en geleidelijk worden opgenomen.
Stel dat dit niet het geval is. Stel dat wij ergens een klein foutje hebben in één van de vele interne secreties, dan blijkt dat sommige delen (soms zijn het eiwitten, in andere gevallen zijn het suikers) niet voldoende worden afgebroken; zij worden wel opgenomen maar niet verder omgezet. De verschijnselen, die dan optreden, heten suikerziekte en dergelijke. In andere gevallen weer zien wij dat een weefsel de neiging heeft om nogal wat zouten op te slaan. Dat is normaal. De mens heeft een zekere mate van zout in de voeding nodig want daardoor kan hij voldoende vocht in het lichaam vasthouden; het bindt vocht. Maar stel nu dat iemand verzot raakt op zout voedsel, dan is de kans heel groot dat hij teveel vocht gaat vasthouden in de weefsels. Is dat het geval, dan moet het ergens worden afgescheiden. Wij krijgen dan ofwel een enorm papperig en waterrijk weefsel waarbij we een soort schijnvet en verschillende waterzuchtige zwellingen zien ontstaan dan wel, dat is ook mogelijk, wij krijgen een enorme belasting van o.m. de nieren en zien ook in de stofwisseling allerlei onaangename nevenverschijnselen.
U zult zeggen: Dit is een biologisch praatje. Wat heeft dit met de mens te maken? Het heeft heel veel met de mens te maken. Een rechter, die last heeft van hardlijvigheid, zal gedurende die toestand over het algemeen geneigd zijn een zwaarder vonnis te vellen over de misdadigers, die hem worden voorgeleid. Dat klinkt een beetje krankzinnig, maar het is waar.
Een mens, die last heeft van suikerziekte, krijgt perioden van onbehagen. In die periode is zijn reactie niet redelijk meer. Hij zal dan soms geheel niet reageren waar het noodzakelijk is; in andere gevallen bijzonder fel reageren waar slechts een beperkte reactie‑noodzaak aanwezig is. Dat lichaam doet dus nogal wat!
Dan hebben wij de gezondheid van de mensen.
Daarover praten wij wel veel maar wij moeten ons realiseren dat de mens oorspronkelijk toch op handjes en voetjes heeft gelopen. Dat betekent dat genetisch gezien zijn organen door zijn rechtop gaan, toch niet helemaal in de prettigste positie hangen. En dat betekent weer dat het hart, dat overigens zijn taak over het algemeen goed aan kan, een zwaardere taak heeft te verrichten dan bij de oorspronkelijke houding van de voorouders. Dit impliceert weer dat er grotere spanningen noodzakelijk zijn. En dan zien wij dat de spanningen o.m. ontstaan door de functie van de dwarsgestreepte spieren waardoor er een soort spanning (elektriciteit, daarmee kun je het vergelijken) wordt opgewekt. Hierdoor ontstaat er ook een sterke overlading van de zenuwkanalen, het zenuwstelsel. Het zenuwstelsel zal daardoor minder gevoelig zijn voor kleine inkomende signalen. Als je een grote spanning aanlegt, blijken de neuronen minder snel te reageren op de kleine plaatselijk gevonden signaaltjes en dus ook niet op bepaalde hersensignalen. De reactiesnelheid wordt trager.
Een automobilist, die een goede maaltijd heeft genoten, reageert ongeveer drie keer zo traag als iemand, die met een zeer summiere voeding, die net voldoende is, achter het stuur zit. Het is maar hoe je het bekijkt.
Nu zegt u: Daar komt weer de voeding bij te pas. Ja, de voeding is een van de factoren waarmee de mens het meest kan doen.
Dan zien wij in de moderne tijd bovendien dat de mens nog wel eens wat stoffen naar binnen krijgt, die eigenlijk helemaal niet in het lichaam thuishoren, DDT om er maar eens één van te noemen. Dat is een stof, die je niet zo gemakkelijk helemaal uit het lichaam uitscheidt. Dat betekent dat, als je steeds kleine beetjes binnenkrijgt (je raakt er wel iets van kwijt), er een stapel‑effect ontstaat. Maar, vergeet niet, die stof is giftig. Dat wil zeggen: zij tast bepaalde functies aan. Uw hele gedrag gal daardoor veranderen. U gebruikt voeding die met alkali en ander kunstmest is getrokken a.h.w., rijker gemaakt. Dat is helemaal niet zo erg indien u een redelijk afwisselende voeding heeft en niet in alle voedingsbestanddelen steeds maar weer dezelfde stoffen voorkomen. Dus ook hier kan een soort vergiftiging ontstaan. Die vergiftiging betekent in het begin een gedragsafwijking.
Maar de mens is veerkrachtig. Zoals hij zich aan het rechtop gaan heeft aangepast en dus zijn grotere traagheid van reactie al zeer snel wist te compenseren door zich van hulpmiddelen te bedienen zodat hij, ondanks een wat tragere reactie, toch de overwinnaar kon blijven. Op dezelfde manier past de moderne mens zich aan de vele giften, die er zijn, aan. Er zijn heel veel mensen die zich bij een zuiver natuurlijke voeding ziek zouden gaan voelen om de doodeenvoudige reden dat zij de stoffen niet meer krijgen waaraan het lichaam gewend is. Datzelfde zien we bij een roker, die ophoudt met roken; die heeft ook een pesthumeur. Als je zo gaat redeneren, dan blijkt dus dat milieu en alles wat daarin zit, ook invloed heeft.
Laten we nu eens kijken naar de ademhaling van de mens.
De mens heeft een bepaalde hoeveelheid zuurstof nodig. Maar hoe haalt hij adem? Gebruikt hij werkelijk de gehele long of slechts een klein gedeelte daarvan? Hoe oppervlakkiger hij ademhaalt des te groter de kans is dat bepaalde afvalproducten, die osmotisch worden afgezet bij de ademhaling (o.m. koolzuur en nog zo wat), in de long blijven hangen en die steeds minder actief maken. Aan de andere kant, de longblaasjes zijn heel tere dingen met een heel dun wandje. Als daar voortdurend heel fijn verdeeld stof naar binnen komt, ontstaat er vaak een soort verstening of een versmering waardoor dus de begeerde zuurstof minder gemakkelijk de bloedbaan kan bereiken; en dat bij voortduring uitgeoefend, heeft weer invloed op uw stamina, uw kracht. Het heeft invloed op uw humeur, op uw omzettingsprocessen, dus stofwisseling etc. Het heeft bovendien invloed op uw hersenen. Hersenen, die weinig zuurstof krijgen, reageren meestal niet zo scherp meer. Men heeft wel eens gezegd: als je mensen het kritisch vermogen wilt ontnemen, moet je ze vooral samenbrengen in een ruimte waar weinig of geen zuurstof is. Daar treedt dan een versuffing op en in die versuffing is de mens suggestibele. Dat blijkt allemaal juist te zijn.
Dan hebben we verder nog een paar moeilijkheden.
De mens eet wel, maar als je voedsel opslaat, moet je het ook verbruiken. Het voedsel wordt in de weefsels opgeslagen, niet om reserves te kweken maar om bewegingsmogelijkheid, dus reactiemogelijkheid, te scheppen. Een mens die veel eet en zich weinig beweegt, wordt niet alleen dik maar voor hem wordt het voedsel, dat oorspronkelijk een zegen was, in vele gevallen bijna een giftstof.
U ziet, het is belangrijk om als mens zuiver fysiek te zoeken naar een regelmaat, een leefgewoonte, die voldoende past bij wat je werkelijk bent, werkelijk doet en ook wat je wilt worden. Iemand, die weinig beweging neemt, zal ervoor moeten zorgen dat hij in verhouding weinig calorieën tot zich neemt, dus niet teveel eet.
Als je veel denkwerk hebt, dan is het wel goed erop te letten dat er in het voedsel wat meer jodium en fosfor zitten, want dat helpt nu toevallig weer om bepaalde processen van het zenuwstelsel en van de hersenen te stimuleren.
Als je zwaar lichamelijk werk moet verzetten, dan heb je absoluut behoefte aan dierlijke vetten. En dan moet je niet denken: nu kan ik het wel met plantaardige vetten af. Je hebt werkelijk dierlijke vetten nodig. Dan moet je die vetten ook in een zo eenvoudig mogelijke vorm nemen; dus geen supersmeersel met vele onverzadigde vetzuren, dat kracht geeft, maar spekvet.
Als u gaat autorijden, dan heeft u een snel reactievermogen nodig. Dat betekent dat het bloedsuikergehalte wel een beetje hoog mag zijn. U mag wat extra suiker hebben, dat geeft reactie-energie. Maar u moet er wel voor zorgen dat u geen volle maag heeft. Uw spijsverteringsprocessen zouden anders uw reactievermogen vertragen en daarmee vaak ook uw besluitvermogen beïnvloeden. Ik geef enkele voorbeelden. U kunt ze zelf tot in het oneindige aanvullen.
De mens moet leren zich lichamelijk in te stellen op datgene wat hij doet. U kunt als mens niet zeggen: Wij gaan terug naar de natuur. Dat is niet doenlijk. Je kunt de mens niet laten terugkeren tot een voor hem natuurlijk milieu, maar je kunt de mens wel de raad geven zich dan in zijn voeding, ademhaling en beweging aan te passen aan wat hij is en wat hij moet doen.
Ik meen dat wij daarmee een eerste belangrijke conclusie hebben getrokken op deze avond. De mens kan een groot gedeelte van de bezwaren, die hij in het mens-zijn voortdurend ervaart, ondervangen door de verzorging van zichzelf aan te passen aan de werkelijke en concrete behoeften van zijn lichaam. Hierbij dient hij geen rekening te houden met wat bijzonder lekker moet zijn, maar wel met wat aanvaardbaar is, wat hij met smaak kan eten en wat de begeerde voedingswaarde geeft.
De mens houdt geen rekening met de soort beweging, die hij misschien het mooist vindt: voetballen of iets dergelijks. Dat kan hem altijd weer een lange tijd rust in een ziekenhuis opleveren. Hij zegt doodgewoon: Ik heb een zekere mate van beweging nodig? Wat is mijn werk? Hoe leef ik gewoonlijk?
Hij zal daarnaast ook met zijn denken rekening moeten houden. Hersenarbeid is vermoeiend. Het is een andere vermoeidheid dan van het ‘werken met je spieren’, dat ben ik met u eens. Maar ook hier ontstaat vermoeidheid. Het nadeel van zwaar hersenwerk is wel dat, in verhouding tot een gelijke tijd van intense spierarbeid, er meer afval is, meer van de lichaamsenergie wordt verbruikt en er dus op de een of andere manier een tegemoetkoming moet worden gevonden. Het pas‑u‑aan in uw voedings‑ en in uw bewegingsgewoonten, als het even kan zelfs in alle lichamelijke gewoonten, aan wat u bent en wat u doet, dat lijkt mij voor een mens, die verder wil komen dan hij nu op dit moment is, noodzakelijk.
Ik heb nu het een en ander gezegd over de lichamelijkheid van de mens. Ik zou daarmee vandaag niet willen besluiten.
Uw gedrag is niet alleen maar gebaseerd op de werkelijkheid rond u. U vertekent de werkelijkheid voortdurend en interpreteert haar voortdurend anders. De oorzaak daarvan kan zijn gelegen in uw lichamelijke toestand. Als er een bepaalde hormonale deflciëntie is, dan zult u misschien erge last van spierpijn krijgen, maar daarnaast zult u waarschijnlijk met heel andere ogen de wereld zien. U gaat dan de mensen of de instanties, waarin mensen aanwezig zijn, anders benaderen. Uw lichaam is de basis voor uw contact. Maar als mens kun je niet volstaan met een eenzijdig contact. Je kunt niet alleen maar spreken. Je kunt slechts dan nuttig spreken, indien er wordt geluisterd. Omgekeerd kun je pas het spreken van een ander betekenis geven, indien je daarnaar luistert.
De moeilijkheid is dat twee mensen weleens heel verschillend geaard kunnen zijn. Als wij het hebben over b.v. hormonenafwijking, dan blijkt dat de benadering van de mensheid en zelfs van bepaalde delen daarvan zeker hierdoor bepaald kunnen worden. Degenen die door hun hormoonevenwicht een bepaalde benadering hebben verkozen, blijken eenvoudig niet te kunnen luisteren of te begrijpen hoe het is bij iemand die anders is. Zij doen alsof zij er begrip voor hebben maar zij begrijpen het niet werkelijk. Op dat punt is er geen communicatie mogelijk. Het enige dat mogelijk is, is een duiding. We zeggen: Ik begrijp het wel niet, maar ja, het zou zin kunnen hebben. Heel veel mensen doen dit natuurlijk niet. Dat geldt net zo goed voor geloofszaken, die vaak zijn gebaseerd op de behoefte iets te rationaliseren in de wereld, alsook voor het gebied van b.v. politiek, waar men ook de werkelijkheid wil aankleden door haar te voorzien van een fraaie terminologie. Iemand heeft eens gezegd: Een politicus is de stuurman, die zegt dat het schip de goede richting ingaat, indien de wind de richting doet veranderen. En daarmee hebben wij ook weer het begrip gekregen: hier moeten wij eerst begrijpen wat de functie is van een ander. Je kunt als mens niet meer gewoon communiceren met een ander, indien je niet begrijpt wat hij is, wat zijn functie is op dat ogenblik, wat zijn toestand is en, als het even kan, al zou je daarmee vaak moeilijkheden hebben, wat zijn lichamelijke conditie is. Wij moeten begrip ervoor hebben dat iemand, die toevallig last heeft van een overmaat van gal, nu niet direct jeugdig en vreugdig jubelend op je afstormt om elk ding dat je zegt te aanvaarden als een nieuwe wijsheid. Zo iemand heeft nu eenmaal de neiging om bitter te zijn. Gal is trouwens een bitter vocht en het schijnt dat die bitterheid dan op de stemming overslaat. Als wij te maken hebben met het contact tussen de mensen, dan moeten wij een paar grondregels opstellen.
Verschillen in lichamelijke structuur veroorzaken een verschil in denken, in reactie en in benadering van de buitenwereld. Je kunt de ander nooit volledig begrijpen, indien dit verschil ten aanzien van jezelf aanwezig is. Je kunt hoogstens de ander benade­ren, indien je zijn gedrag als uitgangspunt neemt.
Een uitwisseling van gedachten zal bij de mens niet alleen plaatsvinden met woorden. De gedachte wordt onderstreept door het gebaar. Zij wordt geaccentueerd door de toon, de houding van het lichaam, ja, zelfs de wijze waarop de ogen van stand veranderen, geven een nieuwe inhoud en betekenis aan woorden. Het begrijpen van de ander betekent dus niet slechts luisteren naar diens woorden, maar bovendien zien op welke wijze hij die woorden uit. Je kunt nooit iemand volledig begrijpen over de telefoon, zo zou ik het willen zeggen.
Er zijn geen werkelijk vaste maatstaven voor de mens buiten de maatstaven, die door de natuur zijn gesteld. Er is een zekere erfmassa in elke mens. Die erfmassa beantwoordt aan bepaalde grote lijnen, die overal gelijk zijn. De verfijning daarvan kunnen voortkomen uit de meer persoonlijke hereditaire achtergrond van de mens. Ze kunnen verder voortkomen uit zijn opvoeding, zijn aanpassing aan milieu e.d. maar de grondregels zijn ingelegd. Deze grondregels hebben zelden iets te maken met gedragingen; zij hebben te maken met relaties. Het gedrag zelf is dus niet belangrijk maar slechts de uitdrukking van de relatie tussen het ‘ik’ en een ander en daarnaast het handhaven van het ‘ik’.
Het is b.v. voor ouders heel erg onbegrijpelijk dat op een gegeven ogenblik hun kinderen zo enorm vervelend opstandig worden. Zij weten ineens alles beter. Zij weten alles, de ouders weten niets meer. De ouders hebben altijd goed voor hen gezorgd maar dat was alleen maar hun plicht, daarvoor hoeven zij geen ‘dank je’ meer te verwachten. Dat soort dingen. Dan zeggen dé mensen: Dat begrijpen wij niet. “Vroeger in mijn tijd”, zeggen de oudjes dan, “was dat heel anders.” Dat was helemaal niet anders. Alleen durfden zij het toen waarschijnlijk niet te zeggen. Wat is nl. het geval?
De mens, omnivoor van professie, heeft de neiging voor zich een jachtgebied af te grenzen. Nu is in het gemeenschapsleven dit afpalen van een jachtgebied, dit vinden van een vaste plaats in de hiërarchische opbouw van de kudde niet meer bereikbaar. Maar je moet je toch laten gelden, de behoefte om zelf betekenis te krijgen. De eerste tekens van maatschappelijkheid bij het kind zijn gelijktijdig meestal de oorzaak van misverstanden tussen de ouders en het kind, omdat de algemeen aanvaarde gezagsverhouding, die voor het kind in zekere zin volgzaamheid betekent en daardoor ook aanhankelijkheid, wordt verwisseld voor een verhouding van gezag en standpunt. Wilt u als ouders met uw kinderen communiceren, dan zult u dit moeten begrijpen. U Zou moeten begrijpen dat het niet gaat om wat u méént dat uw kinderen u schuldig zijn maar dat het erom gaat hoe de kinderen instinctief vanuit een grove erfmassa a.h.w. uitgedreven zoeken naar een manifestatie van hun eigen persoonlijkheid en gelijktijdig van een zekere onafhankelijkheid, zodat zij in een hiërarchie hun eigen plaats kunnen veroveren.
Dit alles is uiteraard erg samenvattend. Op vele van deze punten zullen wij later nog verder moeten ingaan. Maar ik hoop u toch reeds enigszins een beeld te hebben gegeven van de moeilijkheden, die er in de mens schuilen.
Je bent als mens een wezen, bepaald door lichamelijkheid, gedreven door zuiver stoffelijke instincten, die in de groei en ontwikkeling van het ras zijn ontstaan en die in jou optreden. Hoe zij schijnbaar ook worden beheerst door een maatschappelijkheid, ze zijn de werkelijke drijfveer van acties binnen die maatschappelijkheid. Contact met de mens is niet alleen maar een taalcontact omdat de werkelijke taal, waarin het ‘ik’ zich uit, zich niet beperkt tot klanken. Het is het gehele gedrag, de gehele habitus zelfs die meespreekt. Eerst als we die kunnen interpreteren, kunnen wij een ander begrijpen.
De mens is ‑ zo wij hem als dier mogen beschouwen althans ‑ een dier, dat twee bijzonderheden heeft: het is het enige dier, dat bewust lacht en huilt en het is het enige dier, dat bewust en bij voortduring liegt.
Nu wil ik niet zeggen dat de mens een dier is. Er zijn zeker vele geestelijke aspecten in het dierlijke deel van de mens aanwezig. Maar wij moeten er rekening mee houden dat de mens zijn gedrag aanpast aan datgene wat de buitenwereld wenst en niet de waarheid voortdurend naar voren schuift. Ook dit komt voort uit een zekere maatschappelijkheid. Het is het gedrag van een jonge stier in een kudde, die voor de oudere stier wat opzij gaat, niet omdat hij ‑ zoals de oudere stier misschien denkt ‑ respect heeft voor de ouderdom en het gezag, maar alleen omdat hij denkt: als ik nu aanval, ga ik tegen de vlakte en word ik misschien de kudde uitgedreven.
De mens heeft dat gedrag gespecialiseerd tot een hele serie uiterlijkheden, die niets met het innerlijk te maken hebben (ook dat punt zullen wij zeker later moeten overzien). Want vergeet niet, alles wat ik nu heb opgesomd, en vele dingen daarbij, spelen in alle menselijke problematiek (huwelijk, relatie met kinderen, maatschappelijke en sociale problemen, geestelijke ontwikkeling, de wijze waarop de esoterie wordt benaderd en zelfs ervaren) een rol). Eerst degene, die zich de moeite geeft om de complexe eenheid, die zo gemakkelijk ‘mens’ wordt genoemd, enigszins te ontrafelen, ontdekt wat zich werkelijk in de mens en ook in zijn eigen wezen afspeelt. Met die kennis kan hij verdergaan en komen tot een begrip zowel van de mensheid als van zichzelf.

De eenheid in het Al

Indien men uitgaat van een eenheid in het Al, zo gaat men uit van de goddelijke totaliteit. Deze omvat echter meer dan het kenbare heelal. Het resultaat is dus, dat er in het Al, zoals u het kent, geen werkelijke en totale eenheid te vinden is. Er zijn uiteraard een aantal regels die het wezen van uw heelal bepalen en die daarom overal gelden.
Daarin zit echter niet verwerkt de absolute evenwichtigheid, die de mens geneigd is aan het totaal van zijn Al toe te kennen. Alle dingen, die hier in uw stoffelijk zichtbaar Al bestaan, zouden vanuit ons geestelijk standpunt kunnen worden vergeleken met een verlengstuk van een geestelijke totaliteit, die echter veel meer werelden en heelallen omvat dan het uwe alleen.
In deze verlengstukken blijken onder meer de volgende eigenaardig heden te bestaan.
Het atoom, gezien als geheel, is evenwichtig. Zodra wij het ontleden in zijn bestanddelen, blijkt het echter onevenwichtig te zijn, blijkt er geen volledige opheffing mogelijk van b.v. positieve en negatieve krachten ten opzichte van elkaar.
Gaan wij naar het stoffelijk heelal kijken, dan ontdekken wij dat daar materie en anti‑materie aanwezig zijn, maar niet in gelijke mate.
Wij komen verder tot de conclusie dat de anti‑materie, gezien vanuit uw materievorm, niet één soort kent maar vele soorten, die onderling elkaar evenmin verdragen. Er is niet alleen maar kwestie van een links‑rotatie of een rechtse rotatie. En er is in feite sprake van vele baanverschuivingen ten aanzien van een vast vlak. Indien deze draaiing naar boven of naar beneden 15 graden of meer verschilt in het atoom (een vergelijkende term uiteraard), dan zijn de materievormen t.a.v. elkaar anti‑materie en zullen zij elkaar bij beroering dus oplossen in energie.
Ik noem deze dingen alleen maar om duidelijk te maken dat in het stoffelijk heelal het begrip ‘eenheid’ maar zeer beperkt is. Het is een algemene regel, versterkt door vele menselijke illusies.
Indien wij de eenheid willen bezien vanuit de totaliteit, vanuit de Godheid, dan kunnen wij niet zeggen dat alle dingen evenwichtig verdeeld zijn volgens menselijke zienswijze. Wij kunnen echter wel stellen dat alle bestaande waarden elkaar zodanig aanvullen dat zij gezamenlijk een grotere totaalwaarde vormen en de onderlinge verschillen of strijdigheden blijken in het geheel noodzakelijk te zijn om daaraan een evenwichtigheid te geven. De werkelijke evenwichtigheid ligt dus op geestelijk niveau, niet op ander niveau.
Voor de mens is het mogelijk om hieruit t.a.v. zichzelf en zijn bestaan enige lering te trekken. De mens is geneigd te zoeken naar harmonie In de zin van een absolute evenwichtigheid, waarbij de tegendelen elkaar opheffen en daardoor een zekere status wordt bereikt. Dit nu is menselijk gezien reeds onbereikbaar. Het is een illusie! Het is een hallucinatie ten aanzien van een voor de stofmens nimmer mogelijke toestand.
Als u op aarde werkelijk vrede heeft waarbij er dus geen strijd en strijdpunten meer aanwezig zijn, dan houdt gelijktijdig de ontwikkeling van de mens op. Dat betekent dat de mensheid dan in zeer korte tijd uitsterft. Het bestaan van de mens is verbonden aan de strijd. De mens schept zelf door zijn gedrag, zijn wijze van voortplanting, zijn poging om zijn milieu te beheersen voortdurend nieuwe strijdpunten en brengt voor zichzelf steeds weer de onmogelijkheid tot stand voor werkelijke harmonie en vrede. Het is wat wreed, vanuit een menselijk standpunt gezien althans, dat het niet mogelijk is om een werkelijke eenheid te bereiken. Men heeft eens gezegd dat de ogenblikken van vrede slechts de rustpunten zijn tussen twee antithesen. Men heeft ook eens gezegd dat de menselijke eenheid in de vorm van liefde slechts het rustpunt betekent in een strijd tussen geslachten. Men zou kunnen zeggen dat elke fase van sociale ontwikkeling voor de mens een vernietigingsproces is, waarbij voortdurend het ene deel van de mensheid het andere deel aantast. Daar, waar tijdelijk een dergelijke ontwikkeling tot stilstand komt, weten wij dat onmiddellijk een andere toestand zal ontstaan. In de staatskunde en de sociologie kunnen wij stellen dat elk ogenblik waarop een bestaand gouvernement zodanig evenwichtig en rustig is dat schijnbaar de tegenstellingen zijn weggewerkt, het gezag zelf zo zwak wordt dat het daardoor alleen een revolutie veroorzaakt.
Dit is een aantal stellingen, die uws inziens misschien niet zoveel met de eenheid in het Al te maken hebben. Maar indien wij een diagnose willen stellen, zo zullen wij ook moeten letten op de symptomen. En de voor u meest kenbare symptomen liggen in uw eigen menselijk milieu. Wij zullen trachten het begrip van eenheid en harmonie in het A1 dan ook nog verder uit te werken.
Harmonie kan op geestelijk terrein bestaan. Deze harmonie is echter niet, zoals men misschien denkt, het bereiken van rust en vrede. Het is slechts de versmelting van eenheden waardoor het gewicht en de mogelijkheid van een bepaalde op zich vredige gerichtheid t.a.v. andere gerichtheden groter wordt, zodat wij niet te maken hebben met het oplossen van een aantal geschillen, waardoor grotere geschillen minder voorkomen, maar eerder te maken hebben juist met het scheppen van een toenemend gewicht per standpunt, zodat de bestaande geschillen inderdaad groter worden. Dit is misschien in tegenstelling met veel van hetgeen u heeft geleerd, maar het zijn feiten.
Als wij daarnaast spreken over harmonie ‑ en dat doen wij altijd weer ‑ zo spreken wij dan ook niet over een totale harmonie, want die is onbereikbaar. Harmonie is een bestreving, niet een toestand. Het zoeken naar eenheid met en begrip van anderen betekent dat de eenheden waarin vrede mogelijk is, groter worden terwijl door het delen van capaciteiten en begrip het vermogen van de ontstane eenheid eveneens groter wordt. Maar het betekent gelijktijdig dat hierdoor de strijd tussen de in zich vredige eenheden eveneens in intensiteit en kracht toeneemt.
Dit zal u misschien wat koud op het lijf vallen, nogmaals, maar u moet zich realiseren dat u nooit een werkelijke eenheid kunt bereiken zonder over te gaan tot nivellering. Indien wij een nivellering ver genoeg doorvoeren, is er inderdaad geen verschil meer. Er ontstaat wat wij vrede en harmonie noemen, maar gelijktijdig houdt alle beweging en ontwikkeling op. Er is dan een langzaam tot stilstand komen van alle ontwikkelingsprocessen en alle energie-uitingen, zodat op de duur het bestaan niet meer aanwezig is in de vorm van leven doch hoogstens nog in een uitdrukking van zijn. Maar een zijn dat in zich volledig stabiel schijnt te zijn, kan zichzelf niet meer handhaven omdat het altijd omringd wordt door andere waarden en krachten ten aanzien waarvan nog geen stabiliteit is verkregen. Hoe rustiger en vredelievender een land is, des te kwetsbaarder het zal zijn voor een vijand van buitenaf. Hetzelfde geldt uiteraard voor de mensheid als geheel. Indien de mensheid als geheel een volledige vrede op stoffelijk terrein bevochten en bereikt zou hebben, dan impliceert dit dat onmiddellijk een grote strijd zal aanvangen met bepaalde geestelijke waarden en elementen met krachten van de natuur.
Als wij denken aan het Al en de eenheid daarin bestaande, zo mogen wij niet redeneren in menselijke termen. Wij moeten redeneren vanuit een voortdurende strijd, waarin evenwichtigheid slechts mogelijk is op een zo hoog niveau dat alle strijdfactoren daarin onderling functioneel aanwezig blijken te zijn.
U zult mij toestaan dat ik nogmaals teruggrijp naar de mensheid als voorbeeld. Indien de mens in de beginperiode van zijn ontwikkeling niet als een betrekkelijk zwak wezen, in kleine kudden samenlevend, geconfronteerd was geworden met enorm grote en gevaarlijke vijanden, zou nooit de hiërarchische verhouding in de stam zijn ontstaan en als gevolg daarvan zou dus de kracht van de stam (de samenwerking tegen de buitenwereld) er niet geweest zijn! Het betekent ook dat in een dergelijk geval de ervaringen van een enkeling (b.v. het gooien met voorwerpen, het hanteren van een stok of knuppel) niet door anderen zou zijn overgenomen. Dit is echter wel gebeurd. En dat kon alleen omdat er een enorme spanning ontstond tegenover de buitenwereld.
Als wij zien dat de mens komt tot het zoeken van holen als bewoning, zo blijkt weer dat hier niet in de eerste plaats een nieuw denken een rol speelt maar de noodzaak zich te verweren, zich te beveiligen. Het is de strijd, die de mens brengt van het rondtrekken in kudden tot het zich vestigen. Het is de noodzaak deze veiligheid in de buurt te houden, welke hem ertoe brengt veeteelt en landbouw te gaan bedrijven. Eerst later ‑ wanneer grote vijanden deels zijn uitgestorven en de stam groter en machtiger is geworden – zien wij de nomadenvolkeren weer optrekken. Vóór die tijd hebben zij gewoond op veilige plaatsen.
De jagersstammen waren in verhouding zeer klein en hadden de neiging zich, zij het voor korte tijd, steeds weer aan te sluiten bij een van de in veilige woningen huizenden, die landbouw of jacht binnen een bepaald gebied bedreven.
Indien u de ontwikkeling van de menselijke techniek wilt nagaan, zo zult u met verbazing tot de ontdekking komen dat de gehele sociale structuur, zoals die zich op dit moment nog voortdurend ontwikkelt, in een groot gedeelte van de wereld tot stand is gekomen dank zij de veroveringen van Perzen en Romeinen.
Indien u zich afvraagt waar de techniek het meest bevorderd is, zo blijkt dat die bevordering is voortgekomen uit geschillen. Uitvindingen, die op zichzelf geen betekenis hadden, werden van grote betekenis op het ogenblik dat er een strijd was waarin zij konden worden gebruikt. De grootste vooruitgang, die de wetenschap maakt, maakt zij niet uit menslievende overwegingen. Zij maakt deze uit de behoefte wapens te scheppen om zich te verdedigen. Dit zijn haar belangrijkste drijfveren. De ontwikkeling van de mens is op strijd gebaseerd, niet op vrede.
Indien wij dit voor de mensheid kunnen zeggen, dit kunnen overdragen ‑ zij het in beperkte mate ‑ op het dierenleven, het plantenleven, zelfs op de gedragingen van planeten en bepaalde zwervende planeten of kometen, meteoren, sterren, dan moeten wij toch wel tot de conclusie komen dat in het gehele Al deze strijd, dit voortdurend zoeken naar de macht, de werkelijke drijfveer is en dat hieruit de energieën voortkomen, die leven en ontwikkeling mogelijk maken. En zo wij deze conclusie trekken, zullen wij ook moeten toegeven dat een eenheid van het Al in stoffelijke zin ondenkbaar is. Indien wij daarnaast dan toch poneren dat misschien op het allerhoogste niveau een eenheid denkbaar is, zo moeten wij ons daarbij onmiddellijk ook weer voor ogen stellen dat een eenheid mogelijk is zonder dat daarbij een toestand van vrede of harmonie volgens menselijke opvattingen heerst! Toch zou men kunnen zeggen dat de leeuw de grootste vriend is van de zebra en de gazelle, want door zijn jacht voorkomt hij dat de jachtgronden worden afgegraasd zodat er geen voedsel meer is. Door het voortdurend aanvallen van vooral de zwakkere exemplaren voorkomt hij dat het ras zwak wordt. In de dierenwereld heeft strijd dus zijn betekenis en zo ook elders.
Eenheid kunnen wij ons voorstellen als voortkomende uit een strijd waardoor een volledige ecologie, een soort kringloop, tot stand is gekomen waardoor de onderlinge spanningen tussen de verschillende elementen van de eenheid elkaar in stand houden. Slechts indien de uiting van de Schepper terugvalt tot nihil, zouden wij kunnen denken aan een harmonie of een vrede, die zo alomvattend is dat zij aan de overigens veelal vage menselijke droombeelden tegemoet komt.
Nu zult u zich afvragen waarom u dan persoonlijk naar vrede en harmonie dient te streven. Ik zal trachten ook deze vraag kort te beantwoorden.
U streeft naar vrede en harmonie, niet omdat ze hierdoor voor het gehele Al werkelijk zullen worden maar om in uzelf de ontvankelijkheid te scheppen waardoor u bewust deel kunt hebben aan grotere delen van het A1 waarin u leeft of van de kosmos waaruit u stamt. Vrede en harmonie zijn als zodanig geen waarden, die je in de wereld onbeperkt kunt creëren. Ze zijn waarden, die je in jezelf kunt beleven en waardoor je je mogelijkheden en begrip verder kunt ontplooien, terwijl je daarnaast je betekenis voor anderen juister kunt bepalen en aanpassen aan hetgeen je zelf als juist gevoelt.
Misschien is de evolutieleer wel schuld aan het bij velen bestaande denkbeeld dat alles geleidelijk groter en beter moet worden. De meesten beseffen niet dat ook een dergelijke opeenvolgende reeks mutaties tenslotte een kringloop moet gaan vormen. Er is in een dergelijke cirkel geen hoogtepunt en ook geen dieptepunt. Er is slechts een opeenvolgende reeks ontwikkelingen, die door de strijd met de omgeving van hetgeen zich ontwikkelt, tot stand komt.
Het denkbeeld dat er ergens een eindpunt is, is eveneens zeer menselijk. Het is de behoefte om een grens te stellen, te zeggen: tot hier kun je gaan en verder niet. Maar waar alles in het menselijk besef, alles in het menselijk leven het karakter van een kringloop heeft, op het ogenblik dat wij erkennen dat dood in feite slechts geboorte is op een ander vlak van bestaan, zo moeten wij denken aan een Rad des Levens, een wiel dat wentelt over een weg, die wij niet kennen, een weg die waarschijnlijk zelf een cirkel vormt en daarbij voortdurend dezelfde kringloop in zichzelf herhaalt.
Dit denkbeeld van oneindigheid lijkt schrikwekkend. Het is het mijns inziens niet. Voor zover ik kan nagaan, is er maar één uitzondering in deze kringloop: Indien er sprake is van een kringloop, ga je verder dan iets wat wij in de geest kunnen constateren; en dat is iets wat ik empathie, verbondenheid, zou willen noemen. Het vermogen het bewustzijn te zien als deel van andere uitingen dan de onmiddellijke eigen lichamelijkheid of voorstelling neemt toe naarmate wij verdergaan op de weg. Wij kunnen dan gelijktijdig het dier zijn, dat ons lichaam verscheurt, en ons eigen ‘ik’ dat wordt verscheurd. De ervaring, die wij hebben, zal daarbij beide omvatten. Deze denkwijze kan misschien een zekere troost vormen.
Als u een onderwerp stelt ‘eenheid van het Al’, dan zult u na alle overwegingen – en het zijn ampele overwegingen, naar ik meen ‑ ontdekken dat u toch moet terugkeren tot de mens en de menselijke voorstelling. Want hoe groot het probleem ook is dat je aansnijdt, hoe hoog ook het onderwerp is dat je wilt onderzoeken of het doel dat je wilt bereiken, als mens kun je slechts terugkeren tot een uitgaan van de mens. En dit blijft een kringloop. Zoals je jezelf maar beperkt kunt veranderen, en dan nog grotendeel in bewustzijn en niet in uiting, zo is het overal elders.
Eenheid, die wij ons menselijk voorstellen, is bereikbaar voor eert kort ogenblik in tijd. De harmonie, waarover wij denken, kan bestaan voor een kort fragment van jaren misschien of zelfs voor een enkel ogenblik van aanvoelen; daarna is het voorbij.
Wij zijn geneigd bepaalde onderbrekingspunten in de ontwikkeling ‘einddoel’ te noemen. Laat ons dit doen want wij leven in een fase, die eerst kan worden beëindigd als wij die harmonie hebben gevonden, als die eenheid voor ons iets is wat wordt begrepen, wat kan worden beleefd. Maar laten wij onszelf niet voorspiegelen dat het daarmee ten einde is. Laten wij vooral niet vergeten dat, naarmate je van wereld en leven wisselt, rijzend bewustzijn als je bent in een oneindigheid van mogelijkheden, voortdurend ook je voorstellingen ten aanzien van harmonie, evenwicht, eenheid en dergelijke zullen veranderen. Verandering doet niet ter zake zolang het streven in ons bestaat.
In het hele bestaan van mens en geest ben ik geneigd alle werkelijke gebeurtenissen onbelangrijk te noemen en als enig belangrijke in dit geheel te beschouwen voor de mens vanuit diens standpunt, en voor de geest vanuit geestelijk standpunt, het streven waardoor men komt tot een zelfrealisatie plus een verbondenheid aan ontwikkelingen, die zich overigens grotendeel buiten je beheersing afspelen.

Lichtspel

Een licht flitst aan, een omtrek tekent zich sterk af. Plots verandert weer de kleur en elders slaat het licht weer aan, zodat er een dans van vormen en lijnen in de duisternis ontstaat, waardoor degene, die dit alles gadeslaat, voor zich begrijpt wat is geweest en wat kan zijn.
De tijd valt weg in het flitsen van de lichten. En al wat mogelijk is, treedt nu als beeld naar voren; een dichten met gedachten juist door de wisseling van lijn, van kleur en licht.
Wij staan voor de oneindigheid. Het lichtspel van de tijd belicht nu dit, dan dat en beschrijft soms in felle lijnen een ogenblik een werkelijkheid om dan in kleur vervagend, weer alles romantisch verhullend, alles in waas te tonen, dat wat zou kunnen zijn of dat wat is geweest. En wie die dingen leest, hij bouwt in zich uit spel een totaliteit waarin het wezen meer dan in een verloop van tijd of van gebeurtenissen vorm krijgt en gestalte.
Wij bouwen met de kleuren van licht. Wij bouwen met de felheid van het haast verblindend wit, dat soms de schijn doorscheurt, een werkelijkheid. En uit die wekelijkheid bouwen wij ons het huis, waarin wij wonen buiten tijd en buiten ruimte. Daar bouwen wij ons bezit, dat blijvend is en niet vergaat. Daar bouwen wij ons dat ene op dat altijd voortbestaat en niet door vorm, door wezen of door tijd ooit kan worden weggenomen.
Een lichtspel. Even nog was het felle licht in wit, omlijnend wezenlijkheid van bestaan. Nu komt de rode gloed en wakkert hartstocht aan. En even haast vergeet men dat, wat een lijn ooit was.
Nu de diepe purperen gloed, alsof de zon haast ondergaat.
En ziet, hier herontstaat een droom, beeld van lang geleden dat in het heden weer zijn basis vindt.
Dan even duisternis. Een nieuwe witte flits, die verzacht tot een gouden licht. Wij zien wat vóór ons ligt en dromen even hoe schoon het Al kan zijn. De werkelijkheid verdwijnt niet, maar krijgt een mildheid, een begrijpen en verstaan dat overgaat in waan van blauw dat alle licht omhult en nu – als de schuld van het zijn is gedelgd ‑ de droomgestalte voort doet komen, een werkelijkheid doet leven, daar waar geen leven nog bestaat.
Het ‘ik’ ondergaat de kleuren en mengt ze saam tot groen, waarin plots al wat uit natuur te bloeien lijkt en werkelijkheid schijnt, verrijkt is met de bloemen van gedachten.
Zo vlechten zich de krachten van eeuwigheid en leven tot spel van licht en kleur, waarbij de kosmos al bepaalt en toch de mens dit zelf vertaalt tot wat hij is, tot dat wat hij blijft.
En als de kosmos regels schrijft, het is de mens die regels leest en uit het vers van de oneindigheden voor zich gevoelens krijgt, die worden tot de kleur en de betekenis van het heden.
Een lichtspel met klank. Het is altijd de werkelijkheid weer.
Rond ons duizenden invloeden. Om ons heen veel onbegrepen dingen; soms enkele die je fel ziet en dan verdwijnt het weer. Een woord, dat je treft in een hele lezing terwijl je de rest als een dreun ver­geet. En toch zijn het die dingen tezamen, waaruit je je eigen werkelijkheid bouwt. Het is die eigen werkelijkheid van de mens, die – als alle tijd wordt gezien voor wat ze is en alle ruimte wordt samengevat tot één alomvattend begrip ‑ blijft bestaan.
Wij zijn de scheppers van de wereld, die wij zelf zijn. Die wereld gaat niet te gronde, wat er verder ook moge gebeuren. Ik weet dat onze wereld, hoe Vreemd ze u ook moge lijken, een lichtende, een gloeiende, een schitterende wereld zal zijn. Een wereld van geluk en schoonheid. Laten wij daar nu maar aan bouwen.