De mens

uit de cursus ‘Kosmogonie’ 1961-1962

De mens

Nu wij de genesis van de kosmos hebben getracht te volgen, hebben wij het stoffelijk beeld redelijk wel gezien en ook bepaalde geestelijke ontwikkelingen, naar ik meen, redelijk geschetst. Maar al deze dingen zijn groot en ver. Voor de mens is de mens nog altijd het belangrijkste wezen en te midden van ongetelde planeten en sterren is de aarde nog steeds de belangrijkste planeet. Laat ons dus nagaan wat eigenlijk de plaats, de functie en de taak van de mens is.

God schept. In die schepping zijn alle mogelijkheden verwerkelijkt. Ook de mogelijkheden die wij nooit zullen kennen of zullen zien. Alles is mogelijk. En in al die mogelijkheden is ook een mens ontstaan. Een mens die misschien wat kosmisch van geaardheid is, een wezen dat bestemd is om als tussenschakel te dienen tussen ongetelde werelden.

In het begin is het alleen maar een lichtstraal die uit het hoogscheppend Principe neerdaalt tot het laagst‑stoffelijke toe. En terwijl overal grote krachten en geesten vormend aan het werk zijn en er overal werelden worden geschapen, zonnen ontstaan, is die mens eigenlijk een wezen dat ten hoogste tot zichzelf zegt: “Ik besta.”

Naarmate echter de vorming groter wordt en er dus levensmogelijkheden in de stof beginnen te ontstaan, zullen die stralen licht (die mens heten) hun speciale band met een aspect van de schepping aangaan. Zo ontstaat een verbinding tussen de laagst‑stoffelijke vormen die zich via verschillende werelden en sferen tot in het hoogste, de meest lichtende kosmische werelden voortzet. Denk niet dat de mens zich in het begin daarvan bewust is geweest. Ook in uw dagen weet hij ternauwernood dat hij feitelijk in de stof alleen maar een vorm is en meer niet. De ziel, het feitelijke leven, wordt door de mens over het algemeen niet geacht.

Ik heb hiermee, naar ik meen, de eerste en misschien wel de belangrijkste functie van de mens geschetst: Een bewust en wetend wezen dat een schakel vormt tussen het hoogst‑kosmisch bewustzijn en de grootste bewustzijnsmogelijkheden in bepaalde delen van de stof.

Dat houdt natuurlijk in dat er heel wat meer mensen zijn dan alleen maar op aarde; en het houdt ook in dat bepaalde krachten kunnen evolueren. Zij kunnen gaan van plantaardig en dierlijk leven naar het menselijke toe en wie weet welke hogere vorm. Belangrijk is echter de band die op deze wijze wordt gelegd. Ik stel het mij ongeveer zo voor:

God leeft a.h.w. in al het geschapene. En of wij dat nu willen accepteren of niet, wij zijn een deel van God dat leeft in het geschapene. Onze persoonlijkheid is alleen maar de functie die wij binnen het Goddelijke hebben. En zo bezien is het ook begrijpelijk dat wij eeuwige wezens zijn, dat wij in vele werelden gelijktijdig zouden kunnen bestaan, dat wij zouden kunnen indringen in de meest kosmische geheimen en gelijktijdig de meest stoffelijke dingen beleven en kennen.

Hier begint dan de historie van de mens. Die mens is overal, op uw planeet zowel als elders, ongeveer gelijk begonnen. Ergens ontstond een eerste leven. Dat eerste leven werd verbonden met een bezieling; want hier was een erkenning van de schepping en niet slechts een vormgeving. Naarmate een meer juiste en scherpere erkenning door ingewikkelder vormen mogelijk werd, groeide de band mee en ontstond een bewustzijn dat zichzelf kon gaan beschouwen te midden van de schepping en dit is het wezen dat wij mens noemen.

Op aarde groeide die mens uit de vormen van de in de nog lauwe zee levende amfibieën langzaam maar zeker in de richting van de vertebraten. Van de mens die nog geleefd werd door de kosmische wetten van zijn omgeving en door de invloeden van natuurkrachten, groeide hij langzaam uit tot een wezen dat meer en meer binnen de bestaande natuurwetten zijn eigen weg kon gaan. En wanneer wij dan eindelijk de mens zien (dat is ongeveer de Atlantis‑mens), die voor het eerst rechtop durft staan en God in het gelaat durft zien, dan hebben wij te maken met de eerste ingewijde, de eerste bewuste schakel, die niet alleen maar in de menselijke wereld leeft. Het zijn die bewuste schakels die ‑ althans van uit ons beperkt standpunt ‑ een bijzonder belangrijke rol spelen.

Zolang wij alleen nog maar menselijk leven volgens menselijke opvattingen en gedachten ‑ onverschillig in  welke werelden, hoe goed of hoe kwaad die wereld verder ook is, betekenen wij weinig. Wij zijn a.h.w. voelhorens of trilharen, uitgestoken door de één of andere goddelijke amoebe die zichzelf op deze wijze in een oceaan van ruimte beleeft. Maar zodra wij de bewuste krijgen (de ingewijde) dan wordt het anders. Dan komt er een wezen dat de krachten van de schepping erkent; dan wordt uit die enkele lijnen van licht, die van het hoogste tot het laagste reiken, plotseling een weefsel geschapen. Er is een samenhang. Zij kruisen elkaar, maar bewust.

Zij werken voor elkaar; niet alleen maar omdat het toeval of een andere kracht dit zo wil, maar omdat ze zelf beseffen dat dit op hun weg ligt en deel is van hun taak.

Een bewuste mens (zoals in Atlantis) kon dan ook leren hoe de werkelijke wetten van de innerlijke‑mens op de juiste wijze te vertalen. Hij kon begrijpen hoe God werkt. En dan moogt ge die God een abstractie noemen, iets wat wij niet kunnen begrijpen, het blijft toch altijd het Hogere dat wij op de één of andere manier aanvoelen: Het Hogere dat zich helemaal niet voegt of schikt naar onze beperkingen en opvattingen, maar naar wat er is, wat blijft.

Deze bewusten beginnen dan met de ontwikkeling van de wereld.

Zo ontstaat bv. de Witte Broederschap. Zo ontstaan ‑ ook op andere werelden ‑ een groot aantal groepen van ingewijden, die langzaam maar zeker het bewustzijn opvoeren. Niet opdat er geen mens, opdat er geen menselijke vorm of menselijk verschijnsel meer zal zijn, maar opdat de band die bestaat tussen God en de materie, juister, grootser, intenser kan worden.

Zodra een groep samenkomt, blijkt die groep een zeer grote macht te zijn; d.w.z. zij werkt met gedachtekracht. Dat doet ook de geest, want ook in de geest bestaan dergelijke groepen en in elke sfeer en in elke wereld. Die gedachten verwerkelijken een deel van de kosmische mogelijkheden.

Men zou kunnen zeggen: De mens is als een kind dat door de speelgoedwinkel van de schepping dwaalt. En als hij eenmaal bewust is en dus niet meer willekeurig kiest, met zijn middelen, het schoonste en het beste, het meest harmonische tot stand kan brengen.

Op die manier ontstaat er dus een perfecte uitwisseling; niet slechts tussen het hoogste en het laagste, maar een bewuste band tussen alle sferen en alle werelden. Er ontstaat in elk van die werelden een mogelijkheid tot samenwerking van groepen. De geest die eens haar wezen als bezielende kracht heeft gegeven aan een wereld (de aarde bv.), krijgt nu een band met de schepselen die erop leven. Maar die schepselen hebben weer een band met een andere wereld (een sfeer, een zomerland, bv. een lichtsfeer). En vandaaruit reiken die banden als een lichtend spinnenweb uit naar alle sterren, naar alle planeten, naar alle werelden.

Er ontstaat nu een organisme. Wanneer wij de schepping als geheel, zoals wij haar in het ontstaan hebben getracht te volgen, willen beschouwen als het lichaam Gods, dan zouden we kunnen zeggen: De bewuste mensen, de ingewijden van alle sferen en werelden vormen het zenuwstelsel. Zij geven de impulsen van het Goddelijke door. En zij geven op hun beurt hun waarnemingen, hun erkenningen aan het Goddelijke door en daardoor kan het Goddelijke dus op tijd ingrijpen.

Ik mag hier misschien het lichaam als vergelijking even aanhouden.

Wanneer u ziek bent (er is bv. een ontsteking), dan stellen uw zenuwen dat vast. Er is ergens iets niet in orde. Plotseling is er een drang in het bloed; de witte bloedlichaampjes vallen aan. Schitterend, zegt het lichaam, maar er is meer nodig. Er is kracht nodig en dus wordt een gedeelte van de lichaamsenergie naar de gewonde plek gedirigeerd die op deze wijze zich gemakkelijker tegen indringers kan verweren en gemakkelijker haar eigen geaardheid kan handhaven.

Op deze wijze zou men kunnen zeggen dat de ingewijden het signaal geven, waardoor bepaalde fouten in de goddelijke schepping ongedaan worden gemaakt. Niet‑harmonische gebeurtenissen zijn in feite alleen maar een verkeerde keus uit het totaal der mogelijkheden die er in de schepping bestaan. En als die keuze dus kan worden veranderd, ontstaat er harmonie. Alle mogelijkheden blijven aanwezig, maar ze moeten op de juiste wijze worden samengevoegd.

Hier speelt de mens ‑ naar ik meen ‑ een zeer belangrijke rol. Maar de bewuste mens. Want de bewuste mens is het, die de impulsen van het Goddelijke doorgeeft. Alle andere mensen zijn maar als een onbewust zenuwstelsel dat de automatische acties en reactie wel doorgeeft, maar dat niet in staat is voor zich a.h.w. mee te besluiten. Soms vindt men zo hier en daar ‑ wat men zou kunnen noemen ‑ zenuwknooppunten. Dat zijn punten waarop vele zenuwen samenkomen en waarbij, zij het zeer beperkt, a.h.w. denkende acties plaatsvinden. Men zou zich kunnen voorstellen dat bv. in de zonnevlecht, in de ruggengraat bepaalde reacties reeds worden begonnen, vooruitlopende op hetgeen de hersenen later zullen zeggen. Want dat is de wet van het lichaam.

Uit de vele bewusten ontstaat weer een kern van de hoogst‑bewusten (de inwijders in de schepping) die op hun beurt reeds besluiten nemen en richtlijnen geven, voordat de kosmos deze dwingend heeft gemaakt.

En dan komt men vanzelf op de vraag: Wat betekent nu een mens die niet ingewijd is?

Wanneer een mens niet ingewijd is, zou hij meestal een door God en omstandigheden geleefd wezen moeten zijn. Maar het is niet noodzakelijk dat hij dit blijft. Hij kan nl. uit zichzelf een zeker bewustzijn verkrijgen, hij kan uit zichzelf begrip krijgen voor zijn mogelijkheden. Hij kan leren zijn eigen wezen, geestelijk zowel als stoffelijk op de juiste manier te gebruiken en daardoor zal hij automatisch in de richting van een bepaalde inwijding gaan. Dus men zou kunnen zeggen dat in het kosmisch lichaam het directe zenuwstelsel zich voortdurend versterkt, totdat er een ogenblik komt dat alle cellen van die schepping volledig bewust zijn.

Toch is een mens eigenlijk maar erg onbelangrijk. Hij is als een zonnestraal van de kosmische zon; en al noemt hij zich wel een bijzonder belangrijk wezen (soms doet hij dit door te vertellen dat hij natuurlijk helemaal niet belangrijk is, alleen gelooft hij het zelf niet), hij zal toch met onnoemelijk velen zijn.

Wanneer die mens in de stof heeft geleefd en daar een bepaalde functie heeft vervuld, trekt die zonnestraal zich even terug. Hij komt in een andere sfeer; maar ook die sfeer heeft een eigen functie. De mensen denken al te vaak dat bv. een Zomerlandsfeer of een Nevelland alleen maar een gebied is, waar de geest zich gaat voorbereiden op verdere ontwikkeling. U vergist zich zeer. Deze werelden nl. zijn weer een samenvoegen van mogelijkheden; maar verschillend van de zuiver materiële werelden zijn de mogelijkheden daar gemakkelijker af te wegen. Men zou kunnen zeggen: De aarde (de materie) is de fabriek en de sferen vormen tot op zekere hoogte het laboratorium. Lagere experimenten en het afwerken van vormen zouden dan geschieden in de vormkennende sferen. De meer theoretische berekeningen vinden plaats in de Lichtsferen. En de hoogste experimenten, ach, die zullen misschien wel ergens bij de Schepper Zelf geschieden. Zeker is het dat elke sfeer dus ook als een soort experimenteel gedeelte van de schepping zin heeft.

Wanneer de geest van de mens in zo’n sfeer leeft of zich daarin bewust is, dan volgt hieruit zeer logisch dat hij daarin aan het experiment deelneemt. Hij bereidt in de sferen een reeks harmonieën ‑ zo plegen wij dat dan te noemen ‑ voor; een samenvoegen van juiste gebeurtenissen, juiste omstandigheden, zodat zij één ongebroken harmonisch geheel kunnen vormen binnen het Goddelijke. En als men daar klaar is, dan kan het wel eens nodig zijn dat men die op aarde gaat verwerkelijken, hetzij als mens in de menselijke vorm, hetzij als vormgevende geest of iets anders. Maar zeker is wel dat men aan die vormgeving meewerkt.

Conclusie: Elke mens zal een toenemende mate van belangrijkheid verwerven, indien hij leert in zijn wereld en de werelden waarin hij bewust kan handelen en denken, zo juist en zo goed mogelijk te werken. En dit is menselijk gezegd. Zouden wij het in kosmische zin willen zeggen, dan kan men misschien beter deze uitdrukking gebruiken:

Elke ziel vormt uit het totaal van de in de kosmos bestaande mogelijkheden een voor haar harmonisch snoer dat alle werelden en sferen omvat en door haar geheel kan worden erkend binnen de Schepper. En dan is die ziel a.h.w. een kracht die op alle vlakken gelijktijdig bezig kan zijn. Menselijk bewustzijn kan soms twee of drie werelden gelijktijdig kennen.

En de stofmens kan tenslotte alleen maar werken in zijn eigen wereld. En daarmee kom ik dan weer aan een volgend punt dat toch ook wel belangrijk is: Waarom leeft de doorsneemens in strijd?

Oorlog is één van de meest kentekenende verschijnselen van de menselijke wereld; tenminste in een bepaald stadium van ontwikkeling. Innerlijke strijd, innerlijke verdeeldheid, zgn. psychische storingen en al wat erbij hoort is één van de meest kenbare verschijnselen in elke cultuur en elke beschaving die haar hoogtepunt tegemoet treedt. Waarom?

Als we uitgaan van het standpunt dat het doel is om aan de hand van experimenten de juiste harmonie te vinden, dan is het redelijk dat er strijd komt. Want elke keer als een proef verkeerd afloopt, zal het een kwestie zijn van strijd, van disharmonie die tenslotte moet worden opgelost door een van beide waarden te vervangen of beide waarden te wijzigen.

Er is nog iets anders. Als ik twee elementen ‑ bv. in de chemie samenvoeg – dan versmelten ze met elkaar; maar dat gaat niet zonder strijd. Daarbij komt soms warmte vrij of er wordt warmte aan de omgeving onttrokken. Er is een uitwisseling van krachten nodig. Een groot gedeelte van wat de mens als strijd beschouwt (bv. de strijd in de natuur), zou u dus kunnen vergelijken met een chemisch proces. Hier worden de juiste evenwichten en de juiste verhoudingen vastgesteld door een actie waarbij bepaalde dingen moeten worden afgegeven en andere dingen worden opgenomen uit de omgeving. Er is een sterven en een geboren worden, een afgeven van levenskracht en een opnemen van levenskracht.

Dan is voor de mens en zijn plaats in de schepping één van de meest belangrijke punten dus wel dat hij leert harmonisch te zijn. Het is niet zijn taak alle strijd uit de wereld te helpen, want het voorkomen van alle strijd, zou alleen maar het experimentele stadium beëindigen. Te proberen een vaste en blijvende vorm te geven aan de mens en aan de wereld kan de bedoeling nog niet zijn, want zover is de mensheid, zeker in de stof, nog niet gestegen. Maar wat hij wel kan proberen, is om die strijd te limiteren. De strijd mag alleen voortkomen uit kosmische condities en nimmer uit de mens zelf. Wanneer blijkt dat de mens zelf ‑ onder omstandigheden misschien door kosmische prikkels mede aangespoord – tot krijg en oorlog zou overgaan, dan is het noodzakelijk iets in die mens te veranderen en zo de betekenis van de optredende kosmische condities eveneens te wijzigen.

Conclusie: Op aarde is het zoeken naar de juiste harmonie, het opheffen van tegenstellingen een zeer belangrijke taak. Het belangrijkste is echter dat men voorkomt dat de mens zelf en volgens zijn eigen beoordeling strijd veroorzaakt, waar deze niet noodzakelijk is.

Nu hebt u ongetwijfeld wel eens gehoord dat gedachten krachten zijn en dat je met gedachten, die sterk genoeg zijn, zelfs iets zou kunnen scheppen. Het klinkt dwaas, maar het is waar van uit een menselijk standpunt.

Indien een mens intens genoeg in een bepaalde waarheid gelooft en daarin volledig opgaat, dan verwerkelijkt hij voor zichzelf datgene waarin hij gelooft. Voor zichzelf, niet voor anderen. Hij schept voor zichzelf een sequentie van gebeurtenissen die hij a.h.w. door zijn voorstellingsvermogen heeft gekozen uit de oneindige reeks kosmische mogelijkheden. Als een mens leert de juiste keuze te doen, dan zal hij dus de harmonie aanmerkelijk kunnen vergroten en daarmee zijn eigen deelname aan de schepping aanmerkelijk kunnen uitbreiden. Gelijktijdig zal hij in staat zijn om de juiste kosmische vorm van het “ik” binnen het Goddelijke te leren kennen en zich steeds meer daarnaar te voegen. Hij heeft dus wel een zeer grote kans, zou ik zeggen.

De mens is niet onbelangrijk, zodra hij wordt bezien als ziel, dus als deel van de goddelijke Kracht en deel van de schepping. Bezien we hem alleen van uit stoffelijk standpunt als een ego, dan is hij onbelangrijker dan een korrel zand aan het strand van de zee. “Want die menselijke vorm kan vergaan en de mensheid zal toch blijven bestaan; die is in God als mogelijkheid geschapen. Want als je alle zandkorrels zou wegnemen, zou er geen strand meer zijn. Wij hebben hier de belangrijkheid van de mens dus wel een klein beetje bepaald.

Het hoe en waarom heb ik getracht u duidelijk te maken.

Wij nemen aan dat God leeft als een misschien wel zeer primitieve vorm van leven, voor zover dat stoffelijk moet worden bezien, maar dat Hij Zich in dat leven van Zichzelf bewust wil zijn, voortdurend in alle tijden en in alle mogelijkheden. Dan moet dus alles worden verwerkelijkt en niet slechts een bepaald gedeelte. En dan kunnen wij een onderscheid maken tussen goed en kwaad, tussen licht en duister; wij kunnen geen onderscheid maken tussen mens en dier bij wijze van spreken en tussen engelen en duivelen, maar moeten wij zeggen: Dit alles is noodzakelijk. De erkenning van de noodzaak van de verschijnselen als zodanig bepaalt echter nimmer de houding die wij persoonlijk daartegenover zullen aannemen. Het is misschien wel praktisch voor u daarover eens na te denken.

Vindt u het zo moeilijk? Dan zal ik het nogmaals herhalen. Ik ga dan nog even op het laatste punt door.

Wanneer een mens leeft, dan zijn alle mogelijkheden, alle verschijnselen, alle vormen van zijn, uit God. Er is niets wat niet goddelijk is. En zo wij stellen dat God licht is, is dus alles lichtend. Maar datgene wat dus in God goed en aanvaardbaar is, behoeft dat noodzakelijkerwijs niet voor ons te zijn. Wij moeten volgens ons wezen ‑ en niet volgens een algemene regel of wet ‑ de voor ons juiste en harmonische waarden weten te kiezen. Alleen als wij dit doen, kunnen wij tot een redelijke bereiking komen. Want wij moeten niet alle mogelijkheden in de kosmos verwerkelijken; daarvoor is zoveel in de schepping dat mens is en nog zoveel dat mens zal worden, daarover behoeven wij ons niet druk te maken. Neen, wij moeten in ons eigen leven leren de gebeurtenissen harmonisch samen te voegen. En dat wil zeggen dat onze gedachtekracht met haar scheppend vermogen nimmer mag worden gebruikt om ergens iets uit te roeien of weg te nemen.

Het mag slechts worden gebruikt om de voor ons meest juiste en meest harmonische conditie te scheppen en wel in zodanig dat zij bij ons daadwerkelijk beleefbaar is.

De mens in de schepping ‑ vooral wanneer wij het specifieke deel der mensheid dat op aarde leeft, bezien ‑ confronteert ons nogal eens met verrassingen. Want wij zien bv. dat naast de zgn. witte‑magiërs (de Witte Broederschap uit Atlantis) de magische genootschappen, de zwarte broederschap a.h.w. ontstaat. Een schijnbaar volkomen tegenstrijdige factor. Maar terwijl de ene groep ‑ en vanuit een menselijk standpunt gezien de meest juiste, omdat zij kosmisch ook de meest harmonische groep is ‑ zich richt op het geheel, op het Goddelijke, richt de zwarte groep zich op de beperking van het “ik”. Zij schept zuiver persoonlijke en tijdgebonden condities; terwijl de witte groep juist tijdloze en zo blijvend mogelijke condities schept. De activiteit, die het persoonlijk “ik” ontwikkelt, heeft voor dat “ik” zin en zal zinrijk blijven, zolang het geen disharmonieën wekt binnen dat “ik”, of op een wijze, die voor dat “ik” en de omgeving duidelijk kenbaar is.

Het scheppen van harmonie is de voornaamste taak. Waar gedachten kunnen scheppen, zal het richten van de gedachte op de harmonie, de eenheid, de éénklank van het leven, altijd bevorderlijk zijn voor het kiezen van de juiste mogelijkheden. Toch zal één en dezelfde gedachtekracht voor vele mensen een totaal verschillende uitwerking en betekenis kunnen hebben.

Ik zou mij nu eigenlijk moeten gaan bezighouden met alle levensvormen die er zijn. Maar ik hoop dat u mij vergeeft, als ik daarop niet te ver inga. Er zijn inderdaad vele levensvormen, maar die gaan u op aarde weinig aan. Want eerst wanneer ge geestelijk gestegen in staat zijt om zelf de gelijkwaardigheid van die andere levensvormen te erkennen en zo de mogelijkheden daarvan ook zelf te beleven bereikt hebt, bent u in staat u daarmee werkelijk bezig te houden. De gedachte van een direct stoffelijk ingrijpen ‑ hier en daar sterk gepropageerd ‑ behoort niet tot de waarschijnlijkheden van de schepping. Mogelijk blijft het natuurlijk.

Dan stellen wij de mens nu even kort en naar ik hoop ook krachtig in het kader van zijn stoffelijk leven en zijn stoffelijke schepping.

 De mens is even belangrijk in zijn denken en zijn daden, want beide waarden veroorzaken een aantal oorzaak‑en‑gevolg‑werkingen, karma‑werkingen, waarin harmonische reeksen bepaald kunnen worden.

  1. De belangrijkheid van de mens zal stijgen naarmate hij een meer omvattende, juister en hogere harmonie op elk vlak weet te bereiken.
  2. De mens zal zich als deel van God nimmer van die God kunnen losmaken; maar als deel van die Godheid kan hij het harmonisch aspect ‑ en in die zin een kosmische volmaaktheid ‑ tot uitdrukking brengen. Dit is de zin van zijn leven. Zonder de ziel, de menselijke ziel, zou God andere middelen moeten gebruiken om Zijn schepping te kennen en te erkennen. Nu doet Hij dit door de mens. Als zodanig is de mens ‑ niet alleen met God verbonden, maar voor het totale verloop van alle scheppingsgebeurtenissen is hij van buitengewoon groot belang.
  3. Elke mens moet zijn eigen weg zoeken. Hij moet deze weg baseren op een zo groot mogelijke harmonie. Waar harmonie in deze zin alleen kan voortkomen uit een persoonlijke binding t.o.v. God en eigen weten, maar nimmer door een binding met de buitenwereld, moet hij in een bewust aanvaarden van elk innerlijk erkennen gelijktijdig zich slechts laten leiden, voor zover dit noodzakelijk is, door de omstandigheden buiten hem. Waar het de mens zelf betreft, is hij actief, of dient hij dit althans te zijn.

Waar het die mens zelf niet onmiddellijk betreft, maar hij slechts optreedt als een figurant in het karma van een ander of als een eventueel aanvullende harmonische factor voor een ander, moet hij wel beseffen dat zijn werkelijke rol in de eerste plaats passief is. Altijd zal het persoonlijk harmonische element overheersen. Dit is het enig belangrijke, de zin en het doel van het menselijk leven.

Sferen

We horen bij de mens altijd van een indeling van de kosmos in sferen. Het aantal ervan verschilt nogal eens naar gelang van de mens met wie je spreekt. En ook in de geest is men het niet geheel met elkaar eens over de wijze waarop men die sferen nu eigenlijk moet onderscheiden. Men zou kunnen zeggen: Het is een proces van vervluchtiging van vaste vormen, waarbij in de plaats van vorm en vormbewustzijn op den duur licht treedt. Hoeveel graden men daarin wil kennen, is eigenlijk onbelangrijk; dat is een persoonlijke kwestie. De sferen zijn klaarblijkelijk het gebied dat tussen de stof en God ligt. En dus moet de werking van die sferen ook buitengewoon belangrijk zijn.

Wanneer de kosmos bestaat, moet er eerst een middel zijn om de wereld tot stand te brengen. In de eerste lezing hebben wij getracht duidelijk te maken dat er dus andere krachten of engelen zijn. Zijn echter al deze engelen nu alleen maar onstoffelijke wezens? Ik meen deze vraag ontkennend te mogen beantwoorden.

In de eerste plaats blijkt dat vooral in het begin praktisch alle bewustzijn dat toen bestond direct bezield werkte op de materie, maar gelijktijdig bewustzijn had van bepaalde zgn. sferen; dus het bewustzijn van deze wezens omvatte een veel groter terrein dan dat van de doorsneemens in deze dagen. Daar stond tegenover dat de stoffelijke functies over het algemeen heel wat eenvoudiger waren en dat er dus van een rijkdom van stoffelijke beleving, zoals de mens die kent, voor deze wezens geen sprake is geweest.

Uit de ontwikkeling die zo is ontstaan, zijn toen langzaam maar zeker rassen gevormd. Rassen die door hun bewustzijn geen deel meer namen in een stoffelijke (dus menselijk voertuiglijke) vorm aan het scheppingsproces, maar dit gelijktijdig op een ander niveau weer wel deden. Wij krijgen hier dus de kwestie van de verschillende rassen die in de kosmos of in delen van de kosmos (misschien zelfs op de verschillende planeten van deze wereld) levende, op geheel verschillend niveau staande en in geheel verschillende tijden bestaande volgens menselijke berekening, in staat blijken om van uit een bepaalde geestelijke fase de vorming in de stof te leiden.

Hoe hoger wij in de sferen komen, hoe groter de eenheid van alle bewustzijn dat daar bewustzijn is. Naarmate men verder doordringt in de richting van het licht (van het minder vormkennende), hoe groter de eenheid en de versmelting tussen de schijnbaar afzonderlijke ego’s worden. Er ontstaan steeds grotere samenwerkingen, waarbij op den duur een hoge sfeer kan worden geschetst te zijn. Een zeer groot aantal entiteiten met een gelijk bewustzijn van hun functie in het Goddelijke, een gelijk vermogen om deze functie te vervullen en zodanig onderling harmonisch dat zij ten opzichte van de schepping, praktisch als een eenheid kunnen reageren. Een zeer samengestelde wereld kent dus wel vele entiteiten. Maar zodra ze een hogere sfeer is, kent zo gelijktijdig een eenheid.

Wanneer wij spreken over ‑ laten we zeggen ‑ een lichtsfeer (een sfeer van een bepaalde kleur bv.), dan kunnen wij ons voorstellen dat daaruit zeer vele, op zich bestaande ego’s (entiteiten) naar voren treden, die echter elk slechts een verschijningsvorm zijn van het geheel: de harmonische eenheid van alle entiteiten, welke de sfeer vormt.

Een wat ingewikkeld betoog misschien. Het is echter noodzakelijk, omdat we daardoor kunnen begrijpen, hoe bv. een mens zijn God aanspreekt met zeer veel verschillende namen en tenslotte toch moet zeggen: Ze zijn verschillend, maar ergens zijn ze één: ze zijn God.

Wanneer ik God aanspreek als Elohim, als Adonai; als ik Hem aanspreek als Jahwe, dan noem ik verschillende namen en ik bedoel daarmee verschillende entiteiten. Entiteiten echter, die gezamenlijk de sfeer vormen, die voor mij de representatie is van het Goddelijke.

Dit is iets dat niet eenieder zo gemakkelijk zal kunnen vatten, naar ik aanneem. Een eenheid kan echter wel degelijk samengesteld zijn. Uw hersenen bv. vormen een eenheid en toch zijn die hersenen uit vele cellen opgebouwd. Aannemend dat een enkele cel of een enkel centrum uit die hersenen een naam heeft, zou dit in een bepaalde functie kunnen optreden, handelend, denkend en reagerend voor het geheel: de hersenen. Op deze wijze kunt u zich dus voorstellen dat bepaalde namen (bepaalde entiteiten dus) optreden voor een sfeer; niet als eenling maar als representant van een geheel.

Hier is dan een facet van de sfeer naar voren gekomen dat voor het begrijpen van het ontstaan van de kosmos zeer belangrijk is. Men is geneigd ofwel alle dingen te beschouwen als op zichzelf staande eenheden, dan wel als één geheel. Maar slechts zeer zelden realiseert men zich dat er wel degelijk zeer complexe eenheden kunnen bestaan, die toch als een geheel reageren.

Wanneer ik tegen God zeg “Adonai”, dan roep ik Hem aan als een liefdevolle God. Ik roep Hem aan in Zijn vorm van schoonheid. Zeg ik tot Hem “Jahwe”, dan roep ik hem aan in Zijn vorm van gerechtigheid.

Roep ik Hem aan bv. bij de naam “Tetragrammaton”, dan roep ik Hem aan als de mathematische wijsheid, de wetmatige wijsheid. Maar al die vormen kunnen behoren tot één sfeer. Zoals het totaal van de mensheid dat op aarde leeft plus alles, wat deel ervan is geweest in de verschillende minder stoffelijke werelden, tenslotte ook wel eens één geheel zou kunnen zijn.

Een geheel dat nog niet georganiseerd is, maar dat ‑ door die eenheid te beseffen ‑ de volmaakte mensheid wordt en gelijktijdig naar buiten toe één wezen: de grote Mens.

Juist omdat vooral de hogere sferen deze eigenaardigheid bezitten, is het duidelijk dat zij als directe weergave van een veelomvattend deel van scheppingsmogelijkheden en ook als leidinggevend voor de verwerkelijking van bepaalde scheppingsprocessen kunnen optreden. De gedachtekracht van deze veelheid die als eenheid optreedt, is onmetelijk veel groter en hoger dan die van een gelijksoortig talrijke, maar verdeelde groep. Het is niet noodzakelijk dat Adonai meer is dan een mens, maar hij is in harmonie met het totaal van de goddelijke wereld. De mens staat alleen; en dit maakt het verschil in vermogen en kracht uit.

Dan is het op grond van het voorgaande, voorstelbaar dat een God of een Godheid, een engel, een scheppende Kracht, bv. op aarde wandelt, zich manifesteert in een menselijke vorm en in elke willekeurige sfeer. Maar zolang dit wezen werkt vanuit het geheel en alleen vanuit het geheel, is hij een representant van de totale sfeer, beschikkend over de totale vermogens, krachten en denkvermogen, kortom, alles wat u zich maar kunt voorstellen dat tot zo’n sfeer behoort.

Nu zijn die sferen natuurlijk langzaamaan ontstaan. Men zou kunnen aannemen dat, wat wij misschien de godenwereld noemen (de hoogste hemel), eigenlijk een verzamelplaats is van de meest bewusten, van de oudste bewuste vormen ergens in het Al. Voor ons maakt dat weinig verschil uit; wij kunnen het niet nagaan. Voor ons zijn zij Goden of God, als eenheid gezien.

Maar dan is de groei van het bewustzijn in het Al tevens te zien als een verveelvuldiging; want de eerste groep die zo ontstond, heeft uit zich vele groepen gestimuleerd en daardoor geholpen tot ontstaan.

Zo kunnen naast elkaar zeer vele werelden bestaan die elk voor zich geestelijk zijn, elk voor zich hun werkelijk aanzien danken aan de harmonische band van allen die daarin bewust zijn en toch een zeer groot verschil naar vermogen en bereiking vertonen. Elk van hen zal binnen het Goddelijke een taak uitzoeken die voor die sfeer past. De sferen hebben dan ook in toenemende mate een belangrijke functie bij het creatief proces. Zolang dit creatief proces voortgaat, doordat steeds nog delen tot een tijdelijk kleinere eenheid moeten worden gebracht, zal de schepping als geheel zich blijven uitbreiden. Op het ogenblik echter dat een zeer groot aantal groepen voor zich de harmonische samenvoeging van mogelijkheden hebben gevonden en daardoor met elkaar kunnen versmelten tot eenheid, zal hetzelfde Al krimpen en op den duur weer kunnen verdwijnen. Dit geldt niet alleen voor het stoffelijke maar ook voor het geestelijke Al. Wat overblijft is één persoonlijkheid, één wezen, één gedachte.

Nu kunnen wij zeggen: Dit is dan een beeld van die onbekende God. Ik voor mij geloof dat wij echt voorzichtig moeten zijn te zeggen wat het precies is. We weten alleen dat het proces zich zo afspeelt. En aan de hand van wat in de verschillende sterrennevels is gebeurd, kunnen wij met zekerheid zeggen dat elders bv. hoge sferen van zeer grote intensiteit bestaan, terwijl voor onze werelden (ons deel van het Al) die ontwikkeling nog niet zo ver gevorderd is.

De consequentie hiervan is, dat binnen een op zichzelf vaststaande schepping een steeds ruimere verwerkelijking van mogelijkheden plaatsvindt. Een verwerkelijking die door het bewustzijn wordt geabsorbeerd, zodat een steeds groter weten ontstaat in de uit persoonlijkheden samengestelde groepen, welke als wetende en bewuste eenheid naar buiten toe optreden.

Wanneer de kosmogonie zo wordt bezien, dan zijn alle krachten die de mens aanroept, oproept en beschouwt als groot‑mogendheden, van geen belang, tenzij ze als representanten van hun groep komen. Dan mag de mens ook voor zichzelf als consequentie de les daaruit trekken dat hij als eenling nimmer belangrijk is; maar dat hij ‑ zelf harmonisch zijnde met een zo groot mogelijke groep ‑ zo harmonisch mogelijk moet leven, omdat eerst hieruit de werkelijke bewustwording ontstaat en hierdoor een sfeer wordt gevormd, waarin ook de huidige mensheid haar deel in de schepping vervult.

Ik wil niet al te lang hierop doorgaan, want ik moet hier gaan besluiten. En dat brengt mij vanzelf tot een paar afrondende commentaren.

Wanneer wij de schepping zien als iets dat eerst uitdijt en dan weer a.h.w. inkrimpt, dat van eenheid (onbekend) tot veelheid gaat en daarbij terugkeert tot eenheid (maar nu wetend), dan mogen wij stellen:

In onze wereld is niets werkelijk van belang, behalve datgene, wat wij als juist voor de harmonie erkennen. In welke vorm dit optreedt en in welke sfeer is niet interessant. Belangrijk is dat wij zo snel mogelijk een zo groot mogelijke eenheid verwerkelijken. Waar de grootste krachten, die de mens daartoe onmiddellijk kan gebruiken zijn: de kracht van de daad en de kracht van de gedachte, zal hij met deze beide krachten intens moeten werken.

Naarmate de mensheid voortschrijdt, zullen de sferen zich kunnen consolideren. (Ik bedoel de sferen die uit het menselijk ras van deze tijd stammen.) En zo zal op den duur een aantal samengestelde persoonlijkheden ontstaan, die gezamenlijk een totale reeks mogelijkheden, zoals de mens met al zijn strijd, zijn zoeken naar evenwicht e.d. heeft gevonden, weergeven. Op het ogenblik dat de harmonische eenheid is ontstaan, houdt de strijd op; het experiment heeft plaats gemaakt voor het volledig uitgevoerde en juist aangepaste product.

Eenieder die naar persoonlijke bewustwording streeft en die Zelf wil leven, zal hiermee rekening moeten houden. Het is niet zo belangrijk dat u hoog‑geestelijk bent of dat u stoffelijk zo bijzonder correct of zo bijzonder incorrect bent. Belangrijk is alleen maar dat u binnen de mogelijkheden die bestaan, zo harmonisch mogelijk leeft. Deze harmonie zo intens en zo groot mogelijk vormt met zoveel mogelijk mensen en geesten en krachten, opdat gij uit deze veelheid van harmonisch‑zijn tot een gezamenlijk streven en op den duur binnen de kosmos tot een groter complexe persoonlijkheid kunt komen.

De hiërarchische opbouw van de  sferen

Een hiërarchie is eigenlijk een opeenvolging van machten. Aan de top vinden wij de hoogste macht en dan dalen wij steeds een stapje af tot wij van de onderdirecteur bij de loopjongen zijn gekomen. En wanneer wij de sferen bekijken, dan geloof ik wel dat onze sfeer voor de lagere trap van loopjongen in aanmerking komt.

Wij hebben natuurlijk de grote krachten in het Al en die krachten worden meestal onderverdeeld naar de eigenschappen die de mens hun pleegt toe te kennen. Wij zouden dus kunnen zeggen dat er in het geheel zeven hiërarchieën zijn. Elke hiërarchie heeft aan het hoofd staan een kosmisch wezen dat meestal wordt uitgedrukt door een kleur en in sommige gevallen bovendien nog door een machtswoord en een omschrijving. Die hiërarchieën lopen dan uiteen van vorming, via wijsheid, schoonheid, rechtvaardigheid, liefde tot kosmisch weten toe.

Elke hiërarchie heeft dus aan het hoofd staan een wezen, dat ‑ vanuit het standpunt van de schepping gezien ‑ de perfecte representant is van de eigenschap, welke die hiërarchie beheerst. Indien wij bv. een hiërarchie uit het gouden licht nemen, dan vinden wij daarboven een perfecte Godsaanvaarding en een Godsbegrip. Uit deze Godsaanvaarding en Godsbegrip komen dan voort (dat is dan een trap lager) een aantal kosmische wezens of engelen (misschien zou u hen zelfs nog aartsengelen willen noemen), die dus een zeer groot Godsvertrouwen hebben en daarbij een zeker Godsbegrip.

Zij verwerkelijken bepaalde krachten uit het Goddelijke.

Daaronder zijn werelden, waarin deze krachten worden geuit en verdeeld. Wij vinden daar dus niet slechts Godsbegrip, Godsaanvaarding of Godsvertrouwen, maar wij vinden daar bv. al het gebruik van krachten van geloof; dus een zekere macht die daaruit voortkomt. Wij zien daarin de beschermende werking van het gouden licht. Wij zien de sacrale verhouding, waarbij de erkenning, het offer aan God a.h.w. een rol speelt. Daaruit zien wij dan weer allerhande kerken ontstaan in lagere hiërarchieën En nadat men al die eigenschappen heeft gezien, ontdekt men dat elk van hen weer aansprakelijk is voor bepaalde ontwikkelingen.

Ik noemde er zo-even één, die sacraal is. Wel, deze is ‑ ofschoon het u wat vreemd zal toeschijnen ‑ aansprakelijk niet, alleen voor alle kerken en godsdiensten, maar ook voor denkrichtingen als voodoo, bepaalde vormen van magie, welke met aanbidding gepaard gaan, ja, zelfs de duivelsaanbidding valt daaronder. Het is wel niet één van de betere aspecten daarvan, maar het behoort tot die hiërarchische verhouding. En dit alles wordt dan weer uitgebeeld en verwerkelijkt in sferen die daarop zijn ingesteld.

Elk van die sferen stuurt nu naar de stoffelijke wereld a.h.w. haar representanten, zodat de duivelaanbidding en bv. een kerkdienst twee geheel verschillende dingen lijken te zijn en dit tot in een bepaalde sfeer ook blijven. Maar daar komen zij samen en dan blijkt het, dat zij ‑ uitgaande van een tegengesteld standpunt ‑ tenslotte hetzelfde beogen.

Dit kan men dus overal aantreffen. Deze sferen zijn natuurlijk niet volkomen los van elkaar te denken. Wanneer ik bv. wijsheid zie, dan komt er een ogenblik dat wijsheid en geloof elkaar doorkruisen. Maar als ik mij verder ontwikkel, dan zal ik toch of de richting van de wijsheid moeten inslaan of die van het geloof. Ik kan niet beide richtingen volgen.

Ik kan mij richten op de kosmische liefde; en dan komt er een ogenblik dat kosmische liefde en rechtvaardigheid voor mij gelijk zijn. Maar vanaf dat punt moet ik verdergaan in de richting van de rechtvaardigheid of van de liefde. Ik kan niet beide handhaven. Zo kruisen deze werkingen elkaar voortdurend.

U kunt het zich ongeveer voorstellen als één punt (dat is het Goddelijke), van waaruit 7 lijnen gaan, die wij dan eenvoudigheidshalve weer in 7 verdelen en dan weer in 7. Dan hebben wij al een aardige hoeveelheid.

U zult dan zien dat die lijnen ‑ hoe u ze ook tekent ‑ elkaar ergens kruisen en meestal op een lager niveau. Zo blijkt dus dat ‑ juist als je leeft in de lagere sferen of bv. in uw wereld ‑ er nog vele wegen voor je openstaan.

Je kunt nog allerhande kanten uit, want je hebt in de hiërarchieën nog geen vaste plaats gekregen. Maar zodra je eenmaal boven de vormwerelden komt, behoor je dus definitief tot een bepaalde hiërarchie. Binnen die verhouding, binnen dit streven, werk je. Je leeft totdat je die grote kracht eerst helemaal hebt beseft en dan zijn alle andere krachten weer op één lijn en met elkaar verbonden; dan kun je alle krachten in hun ware gedaante, in hun harmonische samenhang zien.

Zo zal dus een bepaalde hiërarchie ook scheppend werken. Stel nu bv. dat wij de liefdeskracht krijgen. De liefdeskracht is dus een uitdrukking van het zoeken naar harmonie, naar eenheid. En dat is misschien in het begin een kwestie van een elektron, een neutron, een positron, die samen een atoom opbouwen. Later wordt het misschien dierlijke liefde, vervolgens kan het geestelijke liefde worden, uit die geestelijke liefde kan een kosmische, een alomvattende en niet meer persoonlijke liefde ontstaan en uit die niet meer persoonlijke liefde kan dan weer een eenheid met een groot deel van de schepping groeien enz. Een bepaald facet in de schepping ligt dus a.h.w. gebonden binnen d werkingssfeer van een hiërarchie.

De kruispunten of knooppunten, die er ontstaan, zijn altijd knooppunten, waarin een bepaald bewustzijn gaat werken. Het is bv. vreemd dat het dier (onverschillig welk dier) tot op een zekere hoogte voor liefde ontvankelijk is, maar daarnaast staat het sterk onder invloed van de rechtvaardigheid en over het algemeen onder invloed van het begrip; en ook in de mens vinden wij die factoren terug. Zolang een dier leeft, kan zijn ontwikkeling door één van de eigenschappen worden bepaald.

Er zijn dieren die dus hoofdzakelijk de liefde factor kiezen. Zo’n ras gaat de ontwikkeling van gemeenschapsleven uit. En dan kunnen wij terecht komen bij de bijen, de pinguïns bij bepaalde vogelvormen en zelfs bij de paarden en de koeien.

Anderen zoeken het juist meer in macht of in moed. Dat worden dan de eenlingen, die met zeer beperkte families leven. bv. beren en bepaalde soorten vissen die ook alleen plegen te jagen; bepaalde poliepen bv. hebben daar een handje van weg. Die zien alles als hun vijand, dus macht. Ze zien ook nog rechtvaardigheid, want ze hebben een jachtgebied.

Het is aardig om te zien hoe dat uitwerkt. Zo zullen heel veel jagende vogels, jagende vissen, ja, zelfs jagende dieren met een vaste legerplaats een neutraal gebied erkennen rond hun woning. Dan kunt u wel zeggen: Dat heeft de natuur mooi gedaan, maar dat is een kwestie van recht. Daarbuiten is hun jachtterrein, maar dat is ook beperkt. Dat jachtgebied wordt begrensd en als men daarbuiten gaat, is men ervan overtuigd dat men zal moeten vechten; dus dat men zich door strijd een recht zal moeten veroveren. Wordt men buiten dat jachtgebied aangevallen, dan is men nog wel eens geneigd zich terug te trekken (een zekere rechtvaardigheid).

Maar wordt men in zijn jachtgebied aangevallen, dan vecht men tot de dood, want hier staat men in zijn recht. Dat is een typische verhouding als men dat zo nagaat.

Zoals ik u dit vertel over de dierenwereld, zo zal dat ook in de mensenwereld een grote rol kunnen spelen. Steeds komt een ras ergens op een knooppunt te staan en dan moet het kiezen.

De mensheid bv. staat op het ogenblik ook op een knooppunt. Zij staat dus op een punt dat zij kiezen moet tussen wijsheid, rechtvaardigheid en liefde aan de ene kant en recht, macht en moed aan de andere kant. Het zijn factoren; en God speelt daarbij eigenaardig genoeg ‑ al praten de mensen er heel veel over ‑ een betrekkelijk kleine rol. Godsaanvaarding, de inwerking van het gouden licht is in verhouding betrekkelijk gering. Dat komt omdat de gouden hiërarchie eigenlijk pas krachtig kan worden, als er een zekere wijsheid bestaat. Maar wordt de mensheid wijzer dan zij nu is, heeft zij een juister inzicht in haar eigen wezen en mogelijkheden, dan komt er een ogenblik dat zij voor die Godserkenning en Godsaanvaarding komt te staan op vele verschillende niveaus. Zij kan er bewust aan deelnemen. Heeft ze nu gekozen, dan zal zo in de richting van het, gouden licht verdergaan, maar dan kan ze ook niet zo gemakkelijk meer terug. Er komt een ogenblik dat de bestemming van een ras is gefixeerd.

U begrijpt wel als ik u dit vertel over de eerste kleinste deeltjes die de mens zo’n beetje kent en ik vertel u dan over de dieren, dat dit ook voor alle daartussen liggende dingen geldt. Zo kan er een planeet zijn die bv. zeer sterk onder invloed van de wijsheid staat. Maar ergens anders kan er een ster of planeet bestaan die bijzonder sterk onder invloed van het Goddelijke staat; dan is er dus Godsvertrouwen, Godsaanvaarding of iets dergelijks. Weer een eindje verder vinden wij er één die gespecialiseerd is op schoonheid. En weer ergens anders vinden wij alleen maar wetten en regels, keihard en zonder menselijkheid; daar heerst de rechtvaardigheid. Want ook de vorming van sterren valt gedeeltelijk onder de hiërarchieën. En zolang het een vormen in de materie is, kan een hiërarchische verhouding voor zich zelfs de juiste werelden ook scheppen. Zo dragen de hogere sferen niet alleen bij tot de mogelijkheden, die wij in een lagere sfeer hebben t.o.v. bewustwording enz., maar zij vormen zelf ook werelden en geven daaraan a.h.w. hun eigen structuur en eigenschappen.

Gelukkig bestaat er op heel veel werelden een samenwerking van verscheidene hiërarchieën, van verschillende grotere verhoudingen en krachten uit hogere sferen. En daardoor kunnen er interessante werelden ontstaan. Uw eigen wereld wordt in de geest over het algemeen als een tamelijk interessante wereld beschouwd, omdat wij de meest onverwachte dingen zien gebeuren. Wij vinden een grootsheid van geest en een intensiteit van geloof, een volheid van mensenliefde regelrecht naast negativisme op elk terrein. Wij vinden machtslust en onmiddellijk daarnaast toch weer verstandelijk of wijsgerig begrip. Wij vinden ergens wreedheid; en daarnaast onmiddellijk toch weer rechtvaardigheid. Deze werelden leveren over het algemeen de beste resultaten.

Want u moet maar zo denken: iemand die in één richting, onder één invloed moet opgroeien, komt niet zo ver. Dan is alles zo vanzelfsprekend.

Je realiseert het je niet, maar juist zo’n wereld, waar meer wegen openstaan, waar je steeds moet kiezen, waar je a.h.w. je eigen karakter, je eigen wegen alleen door een ander streven aanmerkelijk kunt wijzigen, daar zal een mens worden gedwongen om zich aan te sluiten juist bij die groep, waar hij het best bij past. Hij zal dan in het begin niet begrijpen dat zo’n groep alles behelst. Hij zal bv. alleen denken aan een kosmische liefde, maar er helemaal niet bij denken dat dat ook betekent: de zweetvoetjes  van een bedelaar wassen of zo. Maar op den duur zal hij dit gaan begrijpen… als hij die keuze volhoudt. En omdat hij dan bewust heeft gekozen en dus zelf weet wat er voor verdere mogelijkheden kunnen bestaan, zal alles wat hij doet intenser, groter, machtiger zijn op geestelijk terrein. En dus is juist zo’n wereld, waar meer sferen samenkomen met hun invloeden gelijktijdig via die sferen verschillende hiërarchieën inwerken, een wereld met enorme geestelijke mogelijkheden.

Heeft iemand een grote plaats gekregen in zo’n lichtstraal, in een kleur, dan is het heel goed mogelijk dat hij vanuit een bepaalde geestelijke sfeer kracht krijgt, één wordt met anderen die daarmee ook wel harmonisch zijn en met hen dus gaat optreden bv. als de nieuwe bezielende kracht van een ster of planeet, of dat hij ergens gaat helpen om een ras te vormen of een wereld te ontwikkelen, mogelijkheden zijn er te over.

Aan de andere kant, wanneer je eenmaal tot een bepaalde richting behoort, dan is het net of je tot een soort school behoort. U weet hoe het op de wereld is: In mijn tijd had je de Franse school maar ook nog de gewone school met een doodgewone meester; de andere had een “monsieur”.

Dat was een heel groot verschil in stof. Dan had je de christelijk en de katholieke school en ook nog ‑ ofschoon in die tijd ‑ meestal niet de beste, de openbare school. Je had richtingen zoals een H.B.S. maar daarnaast een Lyceum. Zo moet u zich voorstellen dat het in een lagere sfeer ook is. Je volgt de scholing van de groep waarbij je behoort.

Wanneer je dus overgaat en je hebt je bekend tot het gouden licht of tot het licht der wijsheid of het licht der kracht, moed of liefde, dan zul je dáár juist je ervaringen opdoen. Je zult a.h.w. uit hogere sferen voorlichting krijgen, je wordt geschoold; en je zult dus met wat je leert, experimenteert of doet binnen die hiërarchie, ook steeds verder kunnen doordringen tot haar ware wezen.

Zo vormen dus de hiërarchieën, die zich door alle sferen uitstrekken, eigenlijk de wegen langs welke men opstijgt naar een hoger bewustzijn.

Maar ergens komt een punt dat deze differentiatie in verschillende hiërarchieën niet meer is vol te houden. Dan krijg je zo het idee: kijk eens, we hebben allen in een andere afdeling van dezelfde fabriek gewerkt, maar nu de afdelingsbesturen bijeen zijn in de directiekamer, zien we dat ze toch alles samen bespreken en de directeur neemt de beslissingen.

Zo is het dan, als de hoogste kracht (waar ik ook niet veel van af weet, want zover ben ik nog lang niet) de richtlijnen a.h.w. geeft; dus de samenwerking in de schepping schijnt te bepalen van deze grote wezens (mijn voorganger zou zeggen: dat zijn vele entiteiten die als eenheid optreden in een hogere sfeer), die het hoofd zijn van wat wij noemen een bepaalde hiërarchie; en die daardoor samen met weer andere werkingen, die men wel eens Tronen of Heerschappijen noemt (en dus ook weer zelf hiërarchieën zijn, maar op een ander terrein werkzaam zijn) de schepping a.h.w. haar vorm geven en uit alle mogelijkheden die er binnen de schepping bestaan, iedere mens ertoe brengen juist datgene te kiezen en te ervaren wat voor hem nog goed is. En iedereen, die een weg heeft gekozen, de gelegenheid geven zich bewust te worden van de werkelijke betekenis en inhoud daarvan.

Ik wil nog één opmerking maken. Er zijn heel veel mensen die op aarde van hot naar her gaan. Het ene ogenblik zijn ze wijs, het volgende ogenblik rechtvaardig en een ogenblik daarop zijn ze liefdevol. Maar ze zijn het nooit tegelijk en hebben nooit een voorkeur.

Vandaag is dit beter, morgen dat. Op aarde kan dat. Maar in uw leven zult ge een bepaalde hoofdtoon moeten kiezen. Want als u eenmaal de vormwereld bent ontgroeid, dan bestaat er geen mogelijkheid meer om heen en weer te blijven springen; dan kunt ge u niet meer gedragen als een aap op een hete plaat die van de ene kant naar de andere kant danst. Dan moet u het gekozene volgen.

En kunt ge dat niet volbrengen, dan moet ge terugkeren tot een punt, waarop een andere keuzemogelijkheid bestaat. En dat betekent dan heel vaak dat ge van een betrekkelijk hoge sfeer weer op aarde moet komen.

Zonder de aarde nu direct een onaardige planeet te noemen, zou ik u de raad willen geven reeds nu te bepalen welke lijn u in het leven wenst te volgen en u er vooral goed aan te houden. Want met rechtlijnigheid van streven en denken, kunt u dan een onverhoopte terugkeer in wat minder gunstige omstandigheden besparen. U kunt het nooit overzien.

Terugkeren is altijd pijnlijk, vooral omdat het heel vaak betekent: werkelijk opnieuw beginnen. Blijf liever één richting nastreven, zelfs als u dan meermalen moet incarneren vóór ge geestelijk kunt verdergaan; maar met één lijn, één kracht, waar ge bij hoort. En in de gehele schepping blijkt dat wel van groot belang te zijn.

Meditatie

Wanneer je alles hebt overdacht wat werd samenbracht, wanneer je alles hebt vergaard en verzameld wat het verleden heeft gebracht, dan wordt het tijd het samen te voegen in één kader. Geen overweldigende apotheose, dat is niet noodzakelijk. Maar het is wel noodzakelijk om alles wat je kent, alles wat je begrijpt, zo samen te voegen dat het één geheel vormt.

Als ik dan een sluitstuk moet vervaardigen voor alles, wat dit jaar in deze cursus is gebracht, dan mag ik het misschien wel ongeveer zo zeggen:

Alle leven en alle krachten komen voort uit God; en ik ben deel van God. Alle daden, alle dromen, alle mogelijkheden bestaan in het leven. Ze bestaan in de kosmos, ze leven in God, zelfs als ze voor ons maar dromen of illusies blijven. Al wat wij licht noemen en al wat wij duister noemen, is gelijk uit God geboren. Alles is gelijk gevormd en ontstaan, althans naar ons begrip, uit goddelijke Kracht.

Maar willen wij de werkelijkheid erkennen, de waarheid kennen die leeft in kosmos, in God, in sfeer en hiërarchie, in het bestaan van geest en mens, dan dienen wij juist tot onszelf te gaan. Dan dienen wij goudzoekers te zijn, die delven naar dat enkele brokje kostbaarheid dat verscholen zit in de veelheid van het gesteente onzer gedachten. Dan moeten wij uit alle krachten die wij verspild en geuit hebben, zoeken naar dat ene wat de moeite waard is. Want de mens die zichzelf begint te begrijpen, die dat wat belangrijk is, in zijn wezen en leven op de voorgrond weet te stellen, die zijn richting weet te kiezen, die vindt een eenheid met de kosmos, die vindt een weg welke belangrijk is voor de geest en de stof gelijk. En of de geest je dan beïnvloedt, of je samenwerkt met die geest, is van minder belang, als je de juiste weg maar kiest.

Je kunt met je gedachten bouwen en scheppen en werelden optrekken, Maar als je niet de juiste wereld bouwt, wat heeft het voor zin om te scheppen? Daarom, mens, moet je uitgaan van jezelf. Rond je is de kosmos, wonderlijk en systematisch opgebouwd, gehoorzamend aan vaste wetten, aan vaste krachten. Maar je bent ook een wezen, waarin vaste krachten en wetten leven.

En of je nu spreekt over God met een holle galmtoon of met diep gevoel, of spreekt over dingen, die ver weg zijn en over de kracht die in je leeft, de waarheid die in je bestaat, de plaats die je hebt in het Al, de taak die je voelt nu te moeten volbrengen, die nu deel is van je wezen, je spreekt dan belangrijke dingen uit.

Dan vorm je dat kader waarin je zelf kunt leven. Dan is het sluitstuk van al die lezingen zo samengevoegd in meer dan drie delen, feitelijk slechts een beginpunt.

Vrienden, al wat ge hebt geleerd en wat ge weet omtrent uzelf, zult ge moeten samenvoegen tot het één geheel is, dat ge werkelijk durft beleven en erkennen om zo uw ware bestemming te vinden: de ware eenheid met het Hogere, de ware bewustwording die ons voert naar het einde van onze levensweg.