De mens

16 november 1954

Wij zullen dan deze avond weer door brengen met beschouwingen van meer esoterische aard.

Wij zullen trachten om met beschouwingen, die wereld omvattend zijn, maar in zuiver geestelijke zin dan een onderling verstaan tegenover alle schepselen op te bouwen. En nu dan onze eerste beschouwing van deze avond. Ik begin met de mens.

De mens is het heersende, het regerende dier in een wereld, waarin vele soorten en rassen bestaan. Dat de mens dit is, dankt de mens voor een groot deel aan zijn verwaandheid. De mens denkt n.l. dat hij en hij alleen uit de Goddelijke Geest geboren werd en dat slechts zijn bewustzijn het Goddelijke kan benaderen, misschien zelfs in het Al. Feitelijk echter ontstaan hierdoor toestanden die de onevenwichtigheid op aarde wel heel sterk beïnvloeden. Want er is veel leed onder planten en dieren, er wordt veel leed veroorzaakt door de materie als alleen en kristal, die niet goed worden begrepen en verkeerdelijk worden aangepast aan wat de mens noemt: het doel. Hij bedoelt natuurlijk niet het werkelijk doel dezer dingen, maar hij bedoelt daarmede zijn doel. En zo zullen wij sprekend over de mens moeten beginnen met een negatieve noot. De mens is in zijn wijze van leven, denken, handelen, optreden etc. het meest eenzijdige wezen, dat er bestaat. Wat dit met esoterie te maken heeft? Ach, u bent toch mensen, nietwaar? Geest in de menselijke vorm en met het menselijk bewustzijn in de stof bestaand. Dan bent u dus ook, in meerdere of mindere mate misschien, eenzijdig. Het doel van de esoterie is natuurlijk om bij de mens weg te nemen deze eenzijdigheid en daarvoor in de plaats te stellen de relatie met het kosmische, dat zich in alle dingen uit. Nu staat die mens hier op zijn wereld en hij leeft daar. Alleen in een hut onder groene palmen, in een dessa met zijn haast melancholieke rumoer, in een grote stad, een wereldstad, of ergens in een model boerderij op het land misschien en hij realiseert zich niet, dat hij fouten maakt. De mens bouwt zich kunstmatig een woning. Hoe doet hij dat? Door de materialen, waarmede hij bouwt, meestal van hun aard en natuur te vervreemde. Maar dat kun je alleen doen. Wanneer het bouwmateriaal op zich zelf een harmonisch geheel is, niet alleen qua uiterlijk, maar vooral qua innerlijke gesteldheid.

Om u duidelijk te maken, hoe ik dit bedoel, zou ik graag weer een voorbeeld geven. Heeft u wel eens bloemen van verschillende soorten bij elkaar in een vaas gezet? Dan zult u misschien gemerkt hebben, dat sommige dier bloemen anderen doden, zij kunnen niet samen leven. De ene bloem kan lang blijven, ondanks haar afgesneden toestand, de andere bloem kan lang fris blijven, ondanks haar afgesneden toestand. Maar komen zij tezamen, zal één van beiden snel en plotseling verwelken. Hier wordt dit als levensverschijnsel geuit. Maar er zijn ook gesteenten bv., die kracht absorberen. De kracht van u, van uw vrienden en van alle levende wezens. Zij hebben echter ook een eigen kracht. En uw woning, die, meestal per ongeluk, harmonisch werd samengesteld doordat de juiste verhouding van gesteente en steensoorten tegen hout en metalen aanwezig is, is een gezonde woning, die geestelijk wel reflexen terug geeft, maar in een vredige vorm: n.l. geladen met vitaliteit van het minerale rijk, dat in zichzelf vredig is. Zo’n woning is een plaats van rust en ontspanning.

Maar wanneer dat niet gebeurt, wanneer de verhoudingen onjuist zijn, zal niet alleen het materiaal zelf veel sneller verweren, maar de kracht uit dit materiaal worden weggezogen. Ook de bindende kracht van het dood gesteente is leven. Het is een kracht, zoals er in u schuilt, al uit zij zich dan ook anders. De zelfde bindende kracht, die uw weefsels bij elkaar houdt, is de kracht, die alle wezens en moleculen bij elkaar houdt. Zo komt de mens vaak tot het leven in huizen, in omgevingen, die zijn levenskracht nadelig beïnvloeden. Zo een mens voelt zich één, waar hij mee wordt betrokken in de strijd der materialen, onzeker en onrustig. Ware dit alles wij zouden zeker nog met de mensheid tevreden kunnen zijn. Maar de mensheid getroost zich vaak niet eens de moeite, om rekening te houden met het wel en wee van plant en dier, van medelevende vormen. U maakt een dier ongelukkig, dat dier voelt zich ongelukkig Die gedachte straalt uit. Die gedachte bereikt uw gedachten en u wordt door de onrust van het dier gekweld en belemmerd in uw zoeken naar vrede, naar harmonie en geluk. U hebt een tuin rond het huis en u snijdt door zonder nadenken takken met de bladknop nog niet ontplooid, bloemen nog geheel hard en groen ingekapseld in de knop. De plant echter heeft al haar kracht juist op dat ontplooien gebaseerd; wanneer zij dat niet meer kan doen, lijdt ze. Plukt u de bloeiende bloem, dan is het goed. Dan is het een vrede en bevrediging voor de plant, want het wegvallen is dan het weg vallen van iets, dat nog in stand moet worden gehouden, maar dat aan de innerlijke drang reeds lang voldaan heeft. Niet meer een intrinsiek deel van eigen wezens uiting. Kijk, mishandelt u dus de planten, zijn zij ongelukkig, u zult in uw tuin, wanneer u dat doet op duur geen rust meer kunnen vinden. Raar? Misschien, maar waar. Nu is de esoterie juist de leer, die deze verbinding tussen alle dingen naar voren brengt. Die probeert te bewijzen, dat gij allen deel uitmaakt van een eenheid dat er wetten zijn, die ver boven het menselijke denken. Ver boven het redelijke voor de mens aanvaardbare zelfs. uitgaan. Die wetten, die voor de mens belangrijk zijn, moeten wij nu gaan beschouwen.

Daar is allereerst de wet van Eenheid. Heeft u daar wel eens iets over vernomen? Is deze wetmatigheid u ten dele bekend, of is zij u slechts onbekend? Ja, dan moet ik wel verstandig zijn en van het begin aan beginnen voor sommigen. De wet der Eenheid stelt dit: Alles wat deel uitmaakt van een gesloten veld staat in onderlinge relatie. Al wat binnen het veld gebeurt, onverschillig op welke plaats, heeft zijn totale uitwerking in het gehele veld, waarbij de waarden naargelang de plaatsing, in het veld veranderen. Dat betekent, mensen, dat wanneer een mens lijdt, ook al woont hij heel ver van je af, dat dat lijden mede beïnvloedend is voor je eigen geestestoestand, voor je eigen geluk en je rust of voor je onrust en je ongeluk. Wanneer aan de andere kant van de aarde een wrede oorlog woedt, dan zal deze krijg ook u schade berokkenen. Dit uit zich dan, in wat men noemt, geestelijk en moreel verval. Maar de werkelijkheid is, dat het totale veld der aarde wordt gestoord. Wanneer dieren lijden, wordt het veld gestoord. Nu kunnen die storingen van een zeer grote of zeer kleine omvang zijn. Is het een kleine storing, een vlieg, die lijdt onder de vliegenvanger en langzaam doodgemarteld wordt, dan maakt dat weinig uit, doordat het bewustzijn laag staat in verhouding en dus aan het ongeluk, het lijden en de wanhoop geen scherp gevormde uitdrukking wordt gegeven.

Maar lijdt een hond, een kat, of een ander huisdier in uw woning, een dier, dat een grotere mate van gedachte, gedachtevorming en gedachtekracht in zich draagt dan is deze storing al merkbaar, niet alleen bij u, maar ook al bij de buren. Wanneer een mens in wanhoop het uitschreeuwt, omdat hij het niet meer harden kan, omdat de wereld wreed is, wanneer die mens lijdt, dan kan dit een moment betekenen, dat een hele stad, ja, zelfs al een heel land, althans van de grootte van Nederland, wordt beïnvloed. Begrijpt u, hoe die wet van Eenheid een schrikbarende betekenis gewint, wanneer we haar bezien tegenover het gedrag van de mensheid op deze wereld? Er lijden mensen, dieren, planten. De aarde zelf lijdt. Al dat lijden wordt in uw denken, uw bewuste en onbewuste wezen als een onrust, een onvrede uitgedrukt.

Verbaast het u nog, dat er zo weinig mensen gelukkig zijn? Echter, er bestaat ook natuurlijk, de tegengestelde werking onder dezelfde wet. Want op het moment, dat u een mens troost, vreugde geeft, de onrust van een mens vermindert, een dier troost of een kleine vreugde bezorgt, een plant misschien bewondert en daardoor met uw gedachten zachtjes streelt, dan is er een geluksmoment geschapen in het veld. Dan wordt deze besloten wereld in zichzelf tijdelijk verhoogd in trillingsgetal. Het is, of de waarden der onstoffelijken dichter komen te staan bij de wereld der stoffelijken. Er zijn momenten, dat juist een zodanig in naastenliefde troostend, begrijpend, helpend, zelf opofferend ingrijpen van mensen de waarden van rampen, van krijg, van al dat lijden, dat de wereld kent, maakt tot iets positiefs. Want alle lijden, elke ramp, elk ongeluk is een uitdrukking van een bestaande onrust en wordt in deze uiting een er aan tegengestelde stroming geboren, dan wordt daaruit geluk gebracht, bewustwording, kracht, rijpheid. Niet alleen voor degenen, die gelukkig worden gemaakt. of die geluk schenken, maar voor allen. Dat is het belangrijke punt van deze wet.

Nu bestaat er een tweede wet, waar de meeste uwer ook nog niet veel van hebben gehoord. Dat is wel de wet der aanklinkende Harmonieën. Ook dat is een kosmische een esoterische wet. Ik kan die in haar volle beduiding nog moeilijker uitdrukken dan de eerste. Maar iets duidelijker en dus ook iets onjuister dan het totale wat globaler nog uitgedrukt als volgt: Elke waarde, ontstaan in een veld, zal aanspreken de gelijke waarden in andere velden Voorbeeldje: de piano. U slaat een C en G gaat meeklinken. Er is dus een trillingswaarde in toon C, die een medeklank veroorzaakt bij toon G. Dat is ook weer begrijpelijk, wanneer wij het toepassen op de mensheid. Wanneer u, in uw gewone leven, in uw eigen wereld iets doet, veroorzaakt u daarmede wel degelijk een gedachtetrilling, een gedachtestroom. En deze gedachtestroom reikt door deze harmonische in het rijk van de hogere of lagere geest. In elke aangrenzende mogelijkheidswereld.

Mogelijkheidswereld zal ik u dadelijk uitleggen. Deze toon C krijgt wanneer andere tonen meeklinken een geheel eigen klank. Het is niet meer een toon. maar het is een hoofdtoon, waar in misschien 20 of 30 andere tonen in septimen of akkoorden gearrangeerd mee klinken. Uw daad doet precies hetzelfde. Uw daad, uw gedachte, is de hoofdtoon, maar zij wekt rond u zoveel mee klanken dat de daad en de gedachte nooit bepaald tot zich zelf kan blijven. Wat u doet wordt versterkt of verminderd naar gelang de tonen, die mee aanspreken in een andere wereld. Wanneer een mens dus absoluut goed is, dan klinkt de daad tot in de hoogste sfeer mee en ook tot in de diepste. In de diepste wekt zij al wat nog edel kan zijn. In de hoogste bereikt zij de idealisering van eigen oorzakelijkheid. Die twee klinken samen en verheffen het wezen, maken het gezonder, steviger, sterker vooral geestelijk. En nu sprak ik over mogelijkheidswerelden. Het is voor ons allen onbepaalbaar, welke werelden naast de onze liggen.

Wanneer ik alleen denk aan de sferen, die ik ken, weet ik, dat er een hemel is met Halleluja zingende mensen en een op een troon zetelende God en een hel, waar duivels zijn. Maar vlak daarnaast leeft de Lotusvijver, de grotten der duizend kwellingen, de oneindigheid van verschillende onderwereldsvormen van verschillende bewustzijnsvormen in de gelukssferen. Onmetelijk. Elk denkbeeld, elke gedachte kan, positief of negatief in de sferen een wereld scheppen; een wereld, die door anderen gedeeld kan worden waar in dus niet enkelen, maar zeer grote groepen entiteiten kunnen bestaan. En wij kunnen nooit zeggen, in welke wereld nu juist, wat gij doet, mee zal klinken. Is het een grondwaarde, dan klinkt het even goed in de hemel van de Christen of net paradijs, dat Mohammed zijn volgelingen voorlegde, de lotusvijver, het Nirwana. Dan klinkt het overal. En het kan gericht zijn op zo’n wijze, dat het bv. op een zodanig christelijke wijze wordt uitgedrukt, dat dit dus in die hemelsfeer, in die waan van hemelbereiking, aan klank vindt.

Dan wordt vandaar uit een sterke mee klank geschapen, die de mens dus versterkt in deze daad en tendens, maar vanuit het licht. De tegenklank zal dan ook liggen in de christelijke helvoorstelling, omdat deze geboren wordt uit hetzelfde gedachteleven. Daarom is deze wet erg belangrijk. Want deze wet van het mede klinken zegt ons, dat onze daden, ondanks ons zelf, altijd verhevigd zullen worden, dat onze gedachten, ondanks ons zelf, altijd versterkt zullen worden, dat de haatgedachte, zoveel haat gedachten wekt, dat zij kan worden tot een waanzin, een onberedeneerde en onbeheerste woede, waarin de haat van een heel heelal in de hoofdtoon, de mens, wordt uitgedrukt. Het kan zijn, dat de liefde voor de mensheid, uitgedrukt in een mens, verhevigd wordt door de aangeslagen akkoorden uit de eeuwigheid, totdat die mens wordt een fakkeldrager van menselijke liefde, een herboren Osiris, ja, een waardig christen. Ik wil niet zeggen, een christus. Een tweede Jezus zouden wij kunnen zeggen. De mens, die zich dat realiseert zal in de beslotenheid van het veld zijner wereld rekening houden met de waarden, die hij schept met zijn daad, zal zich realiseren, dat hij beheerst wordt soms door de waanzin, die buiten hem staat, dat hij deel uitmaakt van het veld, maar ook, dat zijn eigen streven en denken niet alleen het ik beïnvloedt of een naaste omgeving, maar weerklank vindt door de gehele wereld.

Wanneer zo’n mens, zo’n mens, die de liefde tot het levende in zich draagt, leeft en werkt, zal die mens nooit tevreden met zich zelf kunnen zijn. Dat is begrijpelijk, want deze mens wordt gedragen door de onvolkomenheid van anderen en hij realiseert zich niet: Dit is de kracht van buiten, die op mij indringt, maar denkt: Hier ben ik het, die faalt. En zo wordt juist vaak de grootste bereiking een teleurstelling voor de mens, omdat hij denkt, dat het niet genoeg is en niet voldoende. Maar die weet en kent deze wet, die zal voor zichzelf zeggen: Ziet ik heb het beste gegeven, dat ik had en daarmede heb ik genoeg gedaan. Ik zal altijd het beste blijven geven en niet in de verleiding komen, om teleurgesteld de volbrachte taak terzijde te werpen, om te zeggen: Het haalt toch niets uit, zo’n mens, die goed is, die houdt niet alleen van het leven en van de mensheid, maar die houdt ook van de dieren en de planten. Die begrijpt de werkelijke waarde van dit ene zijn, die leeft niet als heerser over dier en plant, maar met dier en plant, daarbij de plaats innemende, die hem krachtens zijn wezen en bewustzijn toekomt. En deze mens kan vooral voor deze kleine en minder bewuste machten betekenen de vrede van een paradijs. Deze mens kan, wat niemand anders op deze aarde tot stand kan brengen, de eenheid der materialen, al zijn zij elkaars vijand door hun verschillende kracht en geaardheid in de natuur, tot eenheid maken, omdat zijn levende kracht, zijn weerklank met het oneindige, zo groot is, dat hij alles omvaamt en omvat in deze kracht en er voor strijd geen plaats meer blijft. Daarom is ook deze wet belangrijk.

De derde wet is de wet van de Lichtende Kracht. Het gesloten veld geeft krachtens zijn wezen de lichtende kracht, die laten wij het maar menselijk zeggen, het bleke goud is. Deze kracht denkt, handelt en regeert en baart uit zichzelf wezens, die zichzelf gelijk zijn, maar kleiner, zodat uit het grote Licht, vele kleine lichten geboren worden en deze tezamen vormen een onzienbare maar onmiddellijk met het zijnde veld verknoopte eenheid, die op zich zelf, als entiteit tot andere velden spreekt. Uw veld heet Aarde. In de aarde woont dus een geest, een grote geest, een machtige geest, wiens lichaam is het veld, waar gij deel van uitmaakt. Deze geest heeft zo zichzelf voortgebracht vreemde krachten, die misschien door sommigen wel de lichte elementaal en worden genoemd, n.l. de lach en de wind, het spel met een zonnestraal, het golfje op het water. Zij kunnen in zich dragen een vonkje van dat licht, van een veld en deze krachten spreken voor ieder, wie er naar kan luisteren. Meestal zijn de zintuigen der mensen te grof, meestal hebben zij het geduld niet om op te letten. Zij denken, dat zij met geconcentreerde aandacht het vluchtige licht in een gestalte en vorm kunnen dwingen, die acceptabel zijn. Dat gaat niet. Maar toch klinken deze kleine stemmen, geboren uit deze grote geest. Zij zijn ook vaak helpende invloeden, wanneer een zekere eenheid met eigen krachten wordt bereikt. Zij zijn, als het ware, een aparte vitaliteit en sterkte, die geeft voor wetenschap van feiten en gebeurtenissen, die in staat stelt het eigen ik te bezien in het werkelijke licht en te komen tot een besef van de aardgeest.

Deze aardgeest spreekt met zijn broeders, zijn broeders, de grote planeten, met de zwijgzame van Neptunus, met de werkende van Mars, met de zoekende van Venus en met de scheppende Zon. Zij spreken met elkaar en zij beïnvloeden elkaar en door elkaar beïnvloeden zij elkaars veld. Zo spreekt de invloed der andere werelden op uw aarde, zo klinkt soms de ijzige lach van Saturnus door op uw wereld, of de verheven stilte van Uranus en Neptunus, zij zijn groter, omdat zij ouder zijn. Zoals de zoekende jonger is, dan uw eigen geest, want zij werden geboren als entiteit, toen hun veld tot stand kwam en moge hun bewustzijn verder leven. De vorm, waarin zij bestaan is sterfelijk, zoals de uwe. En gij ondergaat al deze invloeden en gedachten. Ge kunt uiteindelijk leren deze invloeden en gedachten mee te verwerken in uw leven. Ge ontdekt in uzelf ongekende harmonieën, die plotseling reiken ver buiten de wereld tussen de sterren; ge denkt misschien, dat ge het zelf zijt. Dan ziet ge een ogenblik door de ogen van de grote geest die de aarde is. Begrijpt u? Zo zijn er vele wetten en ik zou voort kunnen gaan met de bekende en minder bekende voor u op te sommen en te duiden. Maar dat ligt toch voor vandaag, althans verder niet in mijn bedoeling. Ik geloof, dat, wanneer u deze waarheden in u door laat dringen, wanneer u zonder, wat men foutievelijk noemt, het gezonde verstand in u laat werken en ze niet slechts ontleedt. Dan hebt ge u verrijkt, want het verstand kan deze dingen logisch of onlogisch vinden, begrijpen of verwerpen, maar meer niet.

En hoe is de mens? Arme mens, die in zijn grote verwaandheid zichzelf zet als criterium wat aanvaardbaar en niet aanvaardbaar is, zichzelf met zijn arme, dierlijke lichaam, met zijn nog niet ontloken verstand, met zijn zintuigen, die slechts 1/10 deel der aardse waarheid zelf kunnen waarnemen. En toch is die mens groot, want de mens, die tot bewustzijn opstijgt, die zich weet te binden met het grote veld der aarde, met deze harmonische, aangrenzende werelden wordt tot een eenheid, die niet meer door het aardveld bepaald wordt. Dan kan de aarde wegvallen, kan de zon doven, ja, de sterren aan het firmament verdwijnen en de mens zal, wanneer alle velden weg zijn gevallen, omdat hij bewust was, in zichzelf blijven. Veld, dus kracht. De kracht, dus Schepper in het Ledig. Dat is het wonderlijke en het grootse van diegenen, die de weg gaan die men Mensheid noemt.

Dan mogen wij zeggen, arme mens, dat je de grootheid van je zijn en je bestaan niet herinnert, dit je niet voelt, hoe oneindigheden in je vormend werken tot jezelf een zelfstandiger, oneindigheid bent naast de groten. Verheven naast de planeten, die als broeders in het Heelal spelen, verheven zelfs vaak boven hen, omdat ge niet sterfelijk zijt in uw lichaam, wat ge dan aanvaard hebt. Arme mens, geboeid en gebonden aan de kleinheid van zijn eigen bewustzijn. Gelukkige mens, die verder en verder kan gaan nog steeds, tot dat uiteindelijk hij een eenheid is geworden en dan eerst werkelijk en persoonlijk deel uitmaakt van de grote kracht, waaruit alle krachten en velden geboren worden. Weest dankbaar, dat je mens mag zijn, weest tevreden met het menselijke onvermogen en weest gelukkig, omdat je deze grote wereld, deze grote broeder, waarin je geboren bent, gezond kunt maken, alleen maar door te zijn, uiting van het beste, dat in jezelf woont.