De mens achter de mens

12 november 1979

Vanavond is er zoals gebruikelijk weer een gastspreker.

Het is iemand die de mens achter de mens zoekt. Het is een beetje moeilijk om duidelijk te maken hoe zijn versie precies is. Heel globaal gegeven is die als volgt: Elke mens heeft een illusie t.a.v. de persoonlijkheid die hij denkt te zijn. Wanneer je echter kijkt zie je achter die geprojecteerde persoonlijkheid heel vaak nog een andere persoonlijkheid. Dat is het werkelijk bewuste ik en het is dat werkelijk bewuste ik dat de tegenstellingen veroorzaakt in de wereld, waarin mensen nu eenmaal plegen te leven.

De kern van de mens is licht. Dat licht dat gaat door vele vormveranderingen heen, maar door de vormveranderingen moet het zijn eigen mogelijkheden leren kennen.

Een mens leeft niet alleen maar één leven. Hij leeft in allerlei werelden en in allerlei sferen. Elke keer dat hij in zo’n sfeer of wereld terechtkomt denkt hij dat dat de werkelijkheid is. Maar de werkelijkheid is niet gelegen in hetgeen hij ziet en ondergaat, maar in hetgeen hij zelf op de achtergrond is.

De grote moeilijkheid van een mens is altijd weer dat hij kijkt naar de buitenkant en niet naar het innerlijk. Toch zou je kunnen zeggen, dat alle kleuren, die samen het plaatje van de toverlantaarn vormen, primair mede aanwezig moeten zijn in het licht waardoor ze geprojecteerd worden, want anders zou zo’n kleur nooit over kunnen komen.

Wij bevatten in onszelf alle kleuren van de werkelijkheid, gaande van het hoogste trillende blauw tot het diepste verdorvenste rood. Wij zijn een soort regenboog van werkelijkheden en mogelijkheden en ons bewustzijn kan zich op één van die mogelijkheden specialiseren. Wij gaan dan b.v. een blauwkleur na of we houden ons bezig met het goud of met één van de vele tussenkleuren die er kenbaar zijn. Er zijn duizend en één mogelijkheden. Maar altijd weer is de beleving niet de gehele persoonlijkheid.

Ik heb er eens over na zitten denken. Eigenlijk betekent dit dat iemand gelijktijdig in de hoogste hemel, in de diepste hel én op de wereld kan leven. Zijn wezen omvat het allemaal maar zijn bewustzijn kan maar één stukje daarvan voor zich als werkelijkheid aanvaarden. Dan wordt het ook duidelijk waarom we zo vaak op geestelijke trek­tocht gaan; u misschien nog niet zo vaak bewust.

Stel dat een mens uittreedt. Dat doet bijna iedereen. Als je je er niet van bewust bent, zal je toch de krachten en de gevolgen daarvan voor een groot gedeelte in jezelf ervaren.

Wanneer je uittreedt, kom je in verschillende werelden terecht: Je bent daar soms bezig met een heel schimmenspel, tot het ogenblik ‑ en dat komt bijna voor iedereen – dat je ineens lichtende gangen ziet. Je denkt dan: nu heb ik een lichtende gang te pakken, nu kom ik in het hoogste licht. Maar als je uit die gang komt, sta je weer in een ander soort duister. En dat gebeurt wel tien à twaalf keer. Je gaat door lichtende poorten heen en je vermoedt dat daarachter het hemelse Jeruzalem ligt. Wanneer je daar komt, is het toch weer een schaduwwereld omdat je buiten je een werkelijkheid zoekt, die je alleen in jezelf kunt dragen.

Ik vond het, om eerlijk te zijn, treffend om dat zo uitgebeeld te horen. Ik heb altijd gemeend dat je door poorten van inwijding gaat, trappen op gaat. Dat je duizend en één beproevingen vindt en je moet afdalen in het duister om zielen te redden of moet opstijgen naar het licht. De gastspreker zegt doodgewoon: “Dat is een droom. Niets meer dan een droom.” En ja, dat is dan wel een beetje pijnlijk. Je dacht net dat je heel veel goeds had gedaan en dan kom je bij iemand terecht die zegt, dat het maar een droom om is.

Wanneer je probeert te begrijpen wat hij ermee bedoelt dan is het geloof ik het volgende: Wat wij zien of denken te beleven komt voor een groot gedeelte uit onszelf voort. Het is onze eigen drang om iets tot stand te brengen of onze eigen angst om iets te moeten doorstaan. Degenen die we zien, zijn dezelfde die we in een lichtende wereld kunnen treffen als we in het duister zijn: En als we in de lichtende wereld zijn en zeggen: “Dit zijn toch de engelen”, dan blijven dat diezelfde entiteiten ‑ alleen met een ander facet van hun wezen voor ons kenbaar ‑ in de diepste duisternis leven. Licht en duister zijn dus een soort schijnvorm.

Het is erg pijnlijk als je in het duister komt, want dan denk je: nou heb ik het gehad. Ik heb dat kortgeleden nog meegemaakt bij iemand die ‑ laten we het netjes omschrijven ‑ als geestelijke mentor en raadsman een gemeente had geleid. Daarnaast had hij twee huishoudsters verleid en dus kwam hij in zijn hellewereld terecht. Toch was het een heel goede man geweest.

Had hij dat nou verdiend? Nee, hij had het niet verdiend en het was ook niet echt. Maar hij was zo onder de indruk van iets wat hij persoonlijk als een zonde, als een misdaad tegen God en de kosmos had er­varen, dat hij niets anders kon zien dan de hel.

De moeilijkheid is dan om zo iemand wakker te schudden. En het ant­woord dat je dan krijgt, is vaak ook zo veelzeggend. Bij deze man kregen we: “Ach Heer, ik heb gezondigd. Haal me eruit.” Dat was een schuld­bekentenis.

Maar ik heb ook iemand horen zeggen: “Ik wil alleen naar het Godde­lijk Licht.” Dat was iemand die stond er al in, alleen had ik het nog niet in de gaten. Toen ik daarachter kwam, werd voor mij dat denkbeeld van “een mens achter de mens” toch wel een beetje aansprekender.

Weet u, elke mens loopt met zijn maskertje op. U denkt: dat masker is wat je laat zien als je met anderen spreekt en masker af wat je binnenskamers bent. Nou, dat is niet waar. Want dan ben je weer bezig om jezelf voor te spelen dat je iemand bent.

Ik denk dat de kern en dat licht waar we uit stammen, uit een on­metelijke komediant geboren moet zijn. Want als je ziet wat voor ver­toningen we allemaal soms geven ‑ ook in de geest hoor ‑ dat is werke­lijk verschrikkelijk. Ik heb er gezien, die met een heiligenkransje om omhoog aan het zweven waren. Nergens naartoe, want de werkelijkheid is overal. Maar zij zweefden naar één doel toe. En als ze daar kwamen – het duurt natuurlijk een tijd voordat je je realiseert dat je er bent ‑ dan stonden ze weer op hetzelfde punt waar ze begonnen met stijgen.

Dat is ook zoiets krankzinnigs. Enfin, ik zal zelf ook wel niet deugen op dat gebied. Eerlijk is eerlijk. Achter dit alles zit echter een kracht. Een bron. Een energie. En ik geloof dat het die kracht is waar we voornamelijk mee te maken krijgen.

“De bloesem is de vrucht die spreekt in schoonheid. De vrucht is de voltooiing en het begin, want in zich draagt hij de voltooiing van een cyclus en de nieuwe bloesem.” Dat is ook niet van mij hoor, dat heb ik van een ander gepikt. Voor ons is leven een voortdurende verandering. Maar de kern waarin die verandering of waardoor die verandering mogelijk is, is één en dezelfde.

Je zou het misschien in een soort geloofsbelijdenis moeten uitdrukken. U weet het wel: “Ik geloof in God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest” en dan komt er nog het één en ander. Ik zou zeggen: ik geloof in de ene Werkelijkheid waaruit ik stam. Ik geloof in de alomvattende kracht die zich ook in mij manifesteert. Ik geloof in de voltooiing van mijn wezen op het ogenblik dat ik het alomvattende van de kracht in mij kan erkennen en zo de bron kan aanschouwen waaruit ik ben voortgekomen.

Wat u nu bent, wat u nu denkt te zijn, is allemaal bijkomstig; is projectie. Maar de kracht waaruit u het bent, is niet te vermijden, is niet te veranderen. Die is. Die blijft bestaan.

We zien ons terechtkomen in een bepaald soort leven. De één wordt geboren als miljonair. De ander misschien als bedelaar en weer een ander als grutter, bootwerker of een ander leuk beroep. Dan denken we: “Dat is een toeval” of “Daar zijn we door ons eigen streven in terechtgekomen.” Maar dat is niet helemaal waar.

Het licht bepaalt de nadruk van hetgeen we projecteren. We komen in de materie terecht, maar de mogelijkheden, die er in zijn, kunnen alleen geactiveerd worden wanneer het licht erachter is. Wanneer de kracht van het licht erachter is. En dat betekent dat we voor een groot gedeelte vastzitten aan een programma. 0, niet dat er iemand is die ons programmeert en zegt: zo moet het. Maar door ons wezen kunnen we eenvoudig niet anders. Je brengt jezelf in situaties waarbij je steeds verder moet gaan op één en dezelfde weg.

Je kunt zeggen: Ik wil niet meer: Maar je ziet geen kans om van die weg af te stappen. Of je kunt zeggen: “Ik wil anders. Ik wil hoger en verder.” Maar je ziet gewoon de mogelijkheid niet om die stap opwaarts te maken want je blijft gewoon doordraven omdat je met kleine mogelijkheden tot varian­ten – maar die zijn niet zo belangrijk ‑ jezelf uitbeeldt. Je kunt alleen waarmaken wat er in je schuilt. Maar wat er in je schuilt is de gees­telijke waarde en die ligt achter alle vorm. Die ligt zelfs achter alle begrip.

Nou moet ik voorzichtig zijn; want nu zeg ik: alle begrip. Alle begrip zoals wij dit begrijpen, zoals wij dit woord verstaan. Want be­leven kan ook een begrip zijn, maar het is niet uitdrukbaar.

Wanneer ik met onze vriend spreek over die mens achter de mens, dan rijzen in me allerlei beelden van de wereld. Dan zeg ik: maar dat is toch ontzettend leuk. Maar, zegt hij er achteraan, dat is nu eigen­lijk allemaal hetzelfde. De vorm is niet belangrijk. Het gebeuren in de tijd is niet belangrijk. Belangrijk is wat je waarmaakt van je wer­kelijke wezen. Belangrijk is de helderheid waarmee je dat, wat je nu projecteert, kenbaar maakt.

Wanneer we zelf waarnemen wat we als projectie voortbrengen, dan leren we daaruit wat de mogelijkheden zijn die in ons schuilen. Hoe meer mogelijkheden we in onszelf ontdekken, hoe groter de kans ook wordt dat we die mogelijkheden gaan combineren.

Ik weet niet of u weleens het grapje heeft uitgehaald bij een projectie die u groter of kleiner kunt maken. Je kunt het intenser of vager maken wanneer je gewoon een plaatje in de straal van de projector beweegt. Bovendien kun je dan onder omstandigheden nog een lenzenstelsel wat verdraaien en dan staat ineens de hele boel op zijn kop. Het lenzenstelsel is de Goddelijke Werkelijkheid. Het licht zijn wij. Wat wij voortbrengen hangt voor een groot gedeelte ook nog af van de manier waarop we onszelve aflezen.

Zeker, “ken uzelve”. Die oude spreuk waar ze je overal mee dood gooien. Maar dan niet “ken uzelve” in de vorm van: ontleed uzelve even, maar ontleed jezelve in die zin, dat je leert de facetten te erkennen die er in je persoonlijkheid zijn. Probeer die te zien als één geheel en probeer niet het één de ver­klaring te doen vormen voor het andere. Want het één verklaart het ander niet. Het vult het alleen maar aan.

Laten we het zo zeggen: Iemand wil eerlijk zijn. Maar op een ge­geven ogenblik staat hij voor de keuze oneerlijk te zijn met weinig kans op betrapping of eerlijk te zijn en zelf het slachtoffer te worden. Hij kiest natuurlijk voor het eerste. Bijna natuurlijk; er zijn uitzonderingen maar die zijn niet zo groot. Hij zegt dan: “Dat ik oneerlijk ben geweest is verklaarbaar, omdat ik hiermee het kleinste kwaad heb gekozen.”

Neen. Ik heb die keuze gedaan: Ik heb die kwaliteiten: Daar is een kwaliteit. Dat is mijn waardering voor de zaak. Dat is heel iets an­ders. Dat kan nooit verontschuldigend werken, maar ook nooit beschul­digend. Ik zie dat ik ook anders had kunnen handelen. Mijn besef om­vat dus nog een kwaliteit. En deze zijn tezamen een vlak van bewust­zijn waardoor de omstandigheden voor mij betekenis krijgen. Ik kan nooit één van die delen wegraderen, vergeten of terzijde schuiven.

Toen ik zover was dacht ik: Is dat nou wel verstandig? Want dan kun je niets verontschuldigen. Wij verontschuldigen zoveel, dat weet u wel: We gaan uit van het standpunt: wij willen het goede voort­brengen en dan mogen we heus weleens een keertje gemeen zijn wanneer het goede doel maar gediend wordt.

Het antwoord is: Neen. Dat mag niet. Het kan wel, maar je kunt het niet samenvoegen. Je kunt niet zeggen: Het resultaat heft de bedoe­lingen op. Voorbeeld: Je wil iemand doodslaan maar hij had een graat in zijn keel. Je sloeg iets te laat, waardoor je die man zijn leven redde. Dan zeg je: Wat ben ik toch een edel mens, ik heb mijn vijand het leven gered.

Neen. Wacht even. Je wou hem doodslaan. Dat je gefaald hebt en dat dat deze gevolgen heeft gehad is een mogelijkheid, die moet je overzien. Maar je eigen intentie blijft bestaan. Ook het feit dat je door het redden van het leven van die ander in een andere relatie tot hem bent gekomen. Je moet dat allemaal bij elkaar bezien.

We zijn dus niet zo mooi en edel als we denken. We praten veel dingen gewoon weer goed door te zeggen, dat we ze met de eerlijkste bedoe­ling doen. Aan de andere kant kun je ook zeggen: Nou, we vallen eigen­lijk toch wel mee. Want we hebben misschien wel veel kwade dingen ge­daan ‑ als we eerlijk zijn ‑ maar aan de andere kant hebben we toch ook weer veel goede dingen gedaan en vooral veel goede mogelijkheden beseft. Onze wereld is groter geworden.

Zodra we uitgaan van het licht dat we zijn, gaat het niet meer om de koele feiten, maar om het totaal van de erkenningsmogelijkheid. Ga je dan zoeken naar de mens achter de mens dan is er eigenlijk niets dat niet goed is, maar er is ook niets wat wel goed is. Dat ligt er maar aan hoe je het benadert.

Misschien zou het voor een mens het verstandigst zijn ‑ ook voor een geest ‑ om over zichzelf geen oordeel te speken, ook al is het erg verleidelijk om je op je borst te kloppen en te zeggen: “Ik ben iemand”. Ja natuurlijk, behalve als je zwak en amechtig bent. Dan moet je het niet doen want dan krijg je een hoestbui.

Wat ik ben is iets, wat ik zelf niet heb gedaan. Ik heb mijzelf niet gemaakt, ook al denk ik het misschien. Ik heb eenvoudig de moge­lijkheden uitgebeeld die er waren. Niet mijn mogelijkheden, maar dat wat ik erken omtrent die mogelijkheden en omtrent de praktijk die erbij hoort. Dat is het enige belangrijke voor mij.

Ik heb u in de gauwigheid heel wat voorgelegd. Denk maar eens aan al die pastoors die in biechtstoelen zitten te luisteren naar al die zondetjes en kruisjes geven compleet met absolvo te (ik scheld je zon­den kwijt). Die mensen doen dat met grote ernst en het haalt geen pest uit. Maar het feit dat de mensen tot de erkenning komen van wat ze zijn en doen ‑ niet dat ze zeggen: ik heb gezondigd ‑ is het enige be­langrijke. Eigenlijk gek hè? Je zou kunnen zeggen dat de waarheid even vaak wordt geboren in het Vondelpark, in het Haagse bos of voor mijn part aan het strand als in de kerk.

Maar wat is dan die magie die we soms ontdekken? Dat bijna onredelijk, wetenschappelijk benaderen van het nieuwe totaal? In het begin denk je: misschien bezweer ik geesten of heb ik een leider. Maar wan­neer je dan kijkt dan heb je eigenlijk geen leider, maar je hebt een contact, een harmonie.

Wanneer je magie, bedrijft maak je een ander deel van je eigen wezen voor jezelf en misschien ook voor anderen kenbaar. Je roept geen krachten op uit het onbekende; maar je manifesteert de kracht die in jou is en maakt daardoor in jouw wereld een kracht kenbaar, die veel verder gaat dan de mogelijkheid die je omtrent jezelve hebt beseft.

Je kunt ingaan in elke wereld en in elke sfeer. Je kunt veldslagen leveren in het diepste duister en je kunt jubelend opgaan naar die hoogste hoogte, waar zelfs harpspel iets is wat uit de mode is geraakt. Maar in beide gevallen ben je jezelf.

Ik sprak hierover ook met Henri. Ja, u vindt het misschien vreemd, maar Henri is de laatste tijd weer even op verlof. Hij heeft het ontzettend druk gehad. Hij zei: “Ja, dat heb ik ook gehad en toen heb ik tegen iemand gezegd ‑ ik weet wie hij bedoelde ‑ nu ben ik zover dat ik begrijp wat je bedoelt. Maar dan is niet alleen het Koninkrijk Gods in mij, maar de Vader en ik zijn één. En ik geloof dat dat de essentie is.”

Achter het masker van de mens schuilt God. Achter de schijnbare onvolledigheid en soms chaotische verdeeldheid van het bestaan schuilt de eeuwigheid: De volledige perfectie. De alomvattendheid: Als ik dat gevoel krijg dan ben ik toch een klein beetje van de kook.

We nemen altijd zo graag aan dat wij bereiken. Wij doen iets. Wij veranderen iets, denken we. En op ons eigen vlak is dat waar. Maar wanneer we dat bezien vanuit de werkelijke persoonlijkheid die wij zijn, dan veranderen we helemaal niets. Het enige wat we doen is dat we de nadruk van ons eigen wezen veranderen.

Ik heb ook nog even zitten denken over die toverlantaarngeschie­denis, want ik herinner me dat je daar bewegende plaatjes had. Ik weet, niet of u dat ook weleens hebt gezien. Er was b.v. een plaatje van een roeiboot en als je dan aan een wieltje draaide dan schoof het tweede plaatje op en was het net of het bootje vooruitging. Maar, dacht ik, dat is allemaal wel waar, maar wie draait nou bij mij aan het glaasje? Welke invloed verandert bij mij voortdurend die achter­grond zodat het lijkt of ik verander en beweeg. Ik heb deze vraag aan onze gast van vandaag voorgelegd.

Hij zei: “Ja, dat is nou het raadsel van het leven. We kunnen zeggen: Het is God. Maar als het God is dan zijn we het zelf. Maar zou het niet kunnen zijn, dat er Goddelijke Wetten bestaan die de schijn van beweging veroorzaken, omdat we de wet als zodanig nog niet kennen?” Weer een klap op het hoofd. Ik dacht dat ik aardig wat wist van de Goddelijke Wetten, maar kennelijk niet. Maar aan de andere kant kan ik niet zeggen dat hij ongelijk heeft. Wanneer je met deze gastspreker kennis maakt ‑ in het begin vraag je je af: is het nu een grapjurk of niet ‑ denk je ergens: wat je zegt zou waar kunnen zijn. Maar als ik de volledige waarheid ervan erken dan heb ik het gevoel, dat ik te veel afstand moet doen van hetgeen ik zelf meen te zijn. Misschien voelt u met me mee. Daarom kan ik het niet helemaal aanvaarden, maar het zou mogelijk zijn.

Wat zegt u van de stelling, dat ons samenzijn hier alleen maar de projectie is van iets dat eeuwig bestaat? Wie zegt dat het onmogelijk is dat de veranderingen, die in u en in uw denken, misschien als gevolg van zo’n overweging ontstaan, gaande van gapende verveling tot absoluut geïntrigeerd zijn, bij elkaar eigenlijk niets anders zijn dan bundeltjes licht of de wijze van de projectie? De manier waarop wij de waarheid zien? Je kunt het niet zeggen. Dat is mijn eindconclusie. Alles wat onze vriend vertelt, is volgens mij waarschijnlijk. De manier waarop hij probeert te kijken naar de mens achten de mens is voor mij een zoeken naar een kosmische werkelijkheid in de mens. Heeft hij volledig gelijk? Het kan zijn. Misschien ben ik er nog niet rijp voor, dat is ook heel goed mogelijk.

Maar of hij gelijk heeft of niet, één ding is zekere wanneer ik mijn eigen bestaan bezie, al wat ik ben en niet ben, wat ik doe en niet doe, dan moet ik niet meer oordelen over mijzelf maar begrijpen wat ik ben.

Niet de zelfkennis waarbij je al je eigenscheppen kunt opsommen en misschien je afkomst en alle afdelingen van geestelijk bestaan die er in je zijn; maar de zelfkennis, waarbij je niet komt tot een oordeel over jezelf of over de wereld, maar registreert wat is en wat moge­lijk is. Ik denk dat dat de manier is waarop wij tot bewustwording komen.

Dat laatste is voor mij nieuw. Daar ben ik nu pas de laatste paar uren achter gekomen. Wat we misschien nog het meest verbaasd heeft in dit alles is ‑ hoe gek het moge klinken ‑ dat het iemand is die, zeg maar rond 1900, gewerkt heeft in café chantants en dergelijke. Iemand die met een praatje en een liedje de mensen kwam amuseren. Ie­mand die nog niet eens zo lang dood is. Hij heeft nog net de eerste wereldoorlog gehaald, geloof ik. Iemand die door zijn manier van leven bedenkelijk zou zijn geweest vanuit mijn standpunt, als ik eer­lijk mag zijn. Want per slot van rekening, hij had geen grote gage. Maar wanneer er wat was, dan was het wijntje en Trijntje. Als er geen gage was dan was het Trijntje en die mocht wijntje betalen. Dat was zijn leven. En toch kan hij zo ver komen.

Misschien wel een waarschuwing voor ons dat we niet denken, dat we zo zonder meer hoge geesten zijn of lage geesten. Maar dat we ge­woon aanvaarden dat we zijn en dat we daaruit dan toch iets bereiken wat ik nu nog niet kan overzien.

U heeft een heerlijk praatje een me gehad, maar ik hoop dat u er rekening mee wilt houden, dat dit inderdaad voor mij ontstaan is als een soort achtergrond voor die gastspreker. En dat alles wat ik hier heb gezegd, ook uit mijzelf, toch ook wel ergens behoort tot de ach­tergrond van alles, wat die gastspreker gaat zeggen. Dan zult u hem misschien anders waarderen.

U zult ongetwijfeld ook gaan ontdekken dat hij stralend is. Stra­lend, omdat alle woorden en alle uitingen alleen maar een projectie zijn van iets, wat meer omvat. En ik denk dat als we geluk hebben u dat meer omvattende ook vandaag te pakken krijgt.

De Gastspreker

Het is me een werkelijk genoegen om weer eens in uw midden te mo­gen zijn.  Een gastoptreden kan er altijd goed af. Maar de moeilijk­heid is natuurlijk, dat ik hier eigenlijk meer als expert dan beroeps­halve ben gevraagd. Nu ben ik wel expert geweest in mijn beroep; wel­iswaar tweederangs. Dat is altijd zo geweest. Ook wanneer ik bij de kassa kwam kreeg ik tweederangs loon. Mijn optreden was eerste klas maar daar heeft men nooit op gelet.

Ik dacht, terwijl ik hiernaartoe ging, wat moet ik ze nou gaan vertellen? Dat is altijd erg moeilijk, weet u. Als je binnen komt bij het publiek dan zie je al die bleke vlekken zitten. Sommige dik, andere dun en dan kijk je of er een aardig vlekje tussen zit en als je dat ziet denk je: daar begin ik maar eens mee.

Je begint dan tegen zo’n vlekje te praten en als de andere vlek­ken beginnen te hinniken weet je dat je succes hebt. Als je werkelijk succes hebt hinnikt het erger dan in de stallen van Carré.

Voor mij is het altijd een kwestie geweest van: je moet kijken achter de mensen. Want wat daar allemaal zit is ‑ vooral op de eerste rij ‑ meestal de gedegen burgerij. Ik weet niet of u de gedegen bur­gerij weleens hebt zien zitten? Gedegen burgerij: de dames zitten met de knieën tegen mekaar, de benen iets x‑vormig, te kijken van: zouden we misschien vanavond kunnen lachen?

De heren zitten erbij van: Het kost me een hoop geld, dus laat me nou maar eens lachen. Want zo gaat dat. Op die manier kijk je naar de mensen en probeer je een beetje erachter te komen wat er achter zit. Dan zie je soms achter die echte gedegenheid de losbol zitten, die ze zouden willen, maar niet durven te zijn, omdat ma nu eenmaal beter van de tongriem is gesneden dan zijzelf. Op die manier heb ik geleerd de mens te waarderen.

In het begin dacht ik: ach, je richt je op één persoon en dan gaat het op dat eerste vlekje. Maar op de duur kwam ik tot de conclusie dat je eigenlijk een hele zaal moet zien als één geheel, als één per­soonlijkheid. Je moet ze allemaal aanspreken alsof het één en dezelfde persoon is. Dan voelt iedereen in de zaal dat je spreekt tegen hem of haar al beseft hij nog niet dat hij deel is van dat geheel waar je mee bezig bent.

Een speciale kunst, dat weet u ook wel. Hebt u het zelf ook weleens gehad dat u denkt: God, waar haal ik de onzin vandaan? Nou ja, dat heb ik ook vaak gedacht. Soms heb ik ook gedacht: waar halen zij die onzin vandaan?” Maar dat kun je niet laten merken want je staat daar voor je boterham.

Zo ben ik langzaam maar zeker doorgedrongen in het wezen van de mensen en als het te erg werd kocht ik een fles. Dat kon zo nu en dan van de gage. Geen dure hoor, maar een gewone goedkope Hollandse borrel ging dan nog wel. Als je de zaak een beetje smeerde was het geweten weer stil. Het bewustzijn verdwaasde een klein beetje en je droomde weer van geluk en erkenning. Zo is mij dat altijd gegaan. Ik heb mijn liedjes gezongen. Ik heb mijn mensen bekeken. Een praatje gemaakt en na afloop een stevige borrel genomen.

Want weet u, ik had één ding niet in de gaten. Als je in die zaal staat spreek je niet tegen een andere persoonlijkheid. Die zaal ben je zelf. Die zaal is niet een ander. Neen, je spreekt met jezelf. Je bent voortdurend met jezelf in dialoog. Je zingt je liedje voor jezelf en wanneer je dat over kunt brengen reageert die zaal precies zoals je wilt.

Nu denkt u; wij gaan nooit het toneel op. Wat hebben wij daaraan? Maar kijkt u nou eens zelf. U zit in een kleine kring met elkaar te praten, voor mijn part over de prijs van de aardappelen, de olie of de energie.

Energie dat is zo’n buitengewoon iets. Energie hebben de meeste mensen wel. Maar op het ogenblik dat ze het nodig hebben, hebben ze het niet. Zo gaat het kennelijk met alle energie in de hele wereld. Dat komt omdat de mensen hun energie alleen gebruiken wanneer ze ze niet nodig hebben. Als iedereen zijn energie alleen dan gebruikt wan­neer hij hem nodig heeft, zou er energie genoeg zijn op het ogenblik dat het nodig is. Maar omdat ze onnodig energie gebruiken, hebben ze de energie niet wanneer ze nodig is.

Wanneer u nu gewoon bezig bent met anderen te praten dan moet u eens een keer proberen aan te voelen dat u eigenlijk niet met de ander praat maar met uzelf. Als een ander u antwoord geeft, geeft u uzelf ant­woord.

Een krankzinnige situatie natuurlijk. Je wordt uitgekafferd door een ander en dan moet je ook nog denken dat je jezelf uitkaffert: Maar ja, als je even goed nadenkt dan ben je een kaffer. Dus is het goed dat je jezelf uitkaffert omdat je met het besef een kaffer te zijn langzaam maar zeker de kaffermode kan verlaten en de kraal uiteinde­lijk achter je kan laten.

Daar zucht iemand. Waarschijnlijk iemand die al vele kralen achter zich heeft gelaten en steeds weer nieuwe heeft gevonden. Dat is met primitieve mensen eenmaal zo. Die zijn dol op kralen en spiegeltjes. Ja, ook spiegeltjes. Wij kijken graag in de spiegel omdat we in de spiegel het beeld zien, dat we van onszelf verwachten te zien en zo de werkelijkheid kunnen ontvluchten die we zijn. Op die manier gaat het leven.

Maar wanneer ik spreek met u en ik spreek eigenlijk met mezelf ‑ dat zit ik op het ogenblik te doen ‑ ik zit gewoon komedie te spelen voor mezelf ‑ dan is het toch ook heel logisch dat wij samen één ik zijn. Maar als ik dan hier spreek tegen dit ik dat zo verbonden is met de eeuwigheid, dan spreek ik tegen de Totaliteit. Alles wat de totali­teit mij antwoordt, dat heb ik mijzelf ook gezegd. Dan ben je eigen­lijk veel meer dan je denkt.

Ik heb het weleens meegemaakt. Je hebt weleens dat een zaal je a.h.w. te pakken neemt. Dat kan elke artiest u zeggen. Er zijn ogenblik­ken dat de reactie van de zaal je a.h.w. boven jezelf uittilt en dan doe je de dingen anders dan je van plan was om ze te doen. Je zegt de dingen misschien anders.” En als het even kan, zeker wanneer je in een vrijere omgeving zit, zoals het cabaret of het café chantant, blijf je langer bezig. Dan sta je daar voor een kwartier en voor je het weet is er een half uur voorbij, terwijl je het gevoel hebt of het pas één ogenblik is. Het is of je vliegt. Op dat ogenblik heb je iets van de eenheid gevoeld.

Dat kan u ook overkomen. U kunt op een gegeven ogenblik gedragen worden door het onbekende: Dan bent u bezig en dan spreekt u misschien inspiratief. Of u doet precies dat ene, wat op dat ogenblik belang­rijk en noodzakelijk is. Dan staat u later achter de coulissen en zegt u: Hoe heb ik het aangedurfd en hoe heb ik het kunnen doen? Ik geloof dat dit kentekenend is voor de mens achter de mens.

Laat ik voorzichtig zijn, want mijn voorganger heeft over mij zit­ten praten en alles wat hij natuurlijk heeft zitten beweren omtrent mijn persoonlijkheid is volkomen gelogen, want ik heb dat zelf via hem tot u gezegd. En ik ken mezelf, dus weet ik ook wat het is, nietwaar?

Laten we het zo zeggen. Wanneer je je bewust bent dat je eigenlijk altijd met de totaliteit spreekt; dat het de totaliteit is die ook de kleinste dingen tegen jou spreekt, maar dat jij ook antwoord kunt geven aan die totaliteit dan wordt de hele betekenis van het leven anders. Dan word je een ander wezen. Dan zijn de uiterlijkheden meer die paar schminklijnen die je misschien aanbrengt om een mannetje te maken of zoiets. Of dat het licht misschien een beetje een andere kleur krijgt om de stemming bij het liedje erin te brengen. Maar daar blijft het bij. Voor de rest, daarachter, dat ben je zelf. De uiterlijkheden zijn bijkomstig.

Je denkt misschien dat je een grote stommiteit hebt uitgehaald. Dat komt zo vaak voor. Als u wist hoeveel stommiteiten ik heb uitge­haald, dan wist u waar ik expert in ben. Ik ben op dat terrein gepromo­veerd. Maar is een stommiteit wel een stommiteit? Bent u werkelijk wel zo dom? Ja, u hebt die dingen wel gedaan. U hebt daar niet over nage­dacht, dat is waar. En u hebt er heel andere dromen bij gekoesterd dan de werkelijkheid als antwoord geeft. Dat is waar. Maar wat heeft u daar in uzelf mee gewonnen? Wat is er in u veranderd? Welke nieuwe tonen zijn er gekomen in de dialoog tussen u en die oneindigheid rond u, die zich manifesteert in al die mannetjes en vrouwtjes in de hele wereld? Ik geloof dat dat de vraag is waar je antwoord op zou moeten geven.

Soms denk je dat je ontzettend goed bent; heb ik ook weleens gehad. Ik was zo goed in mijn eigen ogen, dat een ander er niet goed van werd. Ja, dan kon je dat met een paar borreltjes en een rondje wel weer bijbrengen. Maar ben ik zo goed?

Zeker, ik ben goed op een bepaald gebied. Maar ik ben alleen goed wanneer het goede niet mijn illusie is, die ik koester, maar het ant­woord dat de wereld geeft op wat ik ben. Je bent niet meer en niet min­der dan dat wat je bent. Je bent een werkelijkheid. En die werkelijk­heid zal in tienduizend vormen komedie spelen. Natuurlijk. Vandaag zing je bij wijze van spreken over het kind aan het graf en de ver­hongerende moeder. Morgen zing je een liedje over ome Daan die op rijtoer is gegaan in de Jan Plezier. Want zo is het leven. Je zingt vandaag dit en morgen dat.

Maar degene die zingt is toch altijd dezelfde. De liedjes zeggen het niet. Degene die ze brengt. Het is niet de rol die de acteur maakt, het is de acteur die de rol maakt. Het is niet de componist die de muziek maakt, want ze krijgt pas betekenis als het orkest ze goed speelt.

Wat dat betreft ken ik heel wat orkesten die postuum vele bekende componisten vermoord hebben. Vooral in de tijd dat men begon met de eerste kleine attracties van wat projectie met een paar nummers erbij van acrobaten. Dan werd de Unvollendete soms nog korter en de Radetzky­mars eindigde in een Teufelkranzel. Want zo gaat het in het leven.

Het is wat wij ervan maken. Niet het liedje op zichzelf. Als de ene een liedje zingt doet het heel wat anders dan wanneer de ander het zingt. Wanneer twee mensen dezelfde woorden, spreken klinken ze anders. En toch zijn we allemaal deel van het geheel. Wij geven dus een be­paalde toon aan in het geheel.

Met alles wat wij verkeerd en goed noemen en wat wij fouten en tekortkomingen noemen en wat we anders hadden willen hebben met alles wat we zijn, maken wij niets waar. Die waarheid is eigenlijk het meest komische wat er bestaat.

Ik geloof ook werkelijk als er ooit een schepping is geweest zoals die in de bijbel staat ‑ ik betwijfel het hoor; ik heb tegenwoordig zoveel andere dingen gezien, dat ik denk dat die techniek te beperkt en te bekrompen is geweest ‑ dat God geschapen heeft met in het ene oog een traan en aan de andere kant van zijn gezicht een glimlach. Dat kan haast niet anders. Want zo zijn wij geschapen.

Wij zijn een komische mengeling van plezier en zelfbeklag. Maar wij zijn ook een komische mengeling van kosmisch licht, kosmische kracht en menselijke kleinzieligheid. Zo zijn we nu eenmaal.

Wanneer we voor één ogenblikje kunnen vergeten wie we zijn, ons zelfbeklag kunnen vergeten en al die redenen, waarom wij meer zijn dan de ander, dan heb ik zo het gevoel, dat de oneindigheid ook nog steeds met een traan en een glimlach ons opeens meer maakt. Ons de exponent maakt van alles wat er om ons heen is.

U denkt dat u weinig kunt. Misschien gaat het bij u zoals bij mij dat je, wanneer je ouder wordt, steeds meer gaat twijfelen aan je eigen kunnen. Maar dat komt omdat u teveel uw eigen kunnen zoekt.

Ik heb het bestaan op aarde niet zo bijzonder lang gerekt. Trouwens daar was ook geen reden voor, dacht ik, en bovendien begon mijn lever op te spelen. Dat is heel eigenaardig. Als je vrouw opspeelt of je ouders opspelen let je niet op. Maar als je lever opspeelt, let je wel op. Bewijst ook weer waar de attentie van de mens gecentreerd is.

Maar ik was betrekkelijk oud, het was een jaar voor mijn dood en ik was een beetje uit de mode. Anderen deden het beter. Daar stond ik: invaller, remplassant, de gast, zoals ik het vanavond ben. En ik stond voor een zaal en dacht: je kunt het niet. Maar ik begon. En vreemd ge­noeg, de hele zaal met al die tafeltjes en stoelen, al die mensen ver­vloeiden tot één geheel. Het gekke is dat ik op die avond zelf heb gelachen en gehuild. En de zaal heeft mee gehuild én mee gelachen. Het was of we dezelfde timing hadden. Precies datzelfde juiste moment, zodat de perfectie opbloeide. En dat kan voor u ook.

Niet om wat u bent of wat u denkt te zijn. Maar doodgewoon omdat u deel bent van het geheel. Omdat achter dat masker van uw beperktheid en uw fouten en “had ik het maar anders gedaan” die ene werkelijk­heid zit die onveranderlijk is. Die ene kracht, die meer is dan die enkele inspiratie die u misschien meent te ontvangen. Die ene werke­lijkheid, waarbij alles samensmelt en de timing van de kosmos zelf komt alsof een eeuwige metronoom het ritme regelt voor het lied dat je zingt.

U weet dat waarschijnlijk niet. En toch, er zijn ogenblikken dat u de totaliteit vertegenwoordigt. Dat achter uw kleine menselijke masker God en alle werelden, alle zonnen en sterren, die hele wereld met zijn witte vlekken en zijn onbekende volkeren samengevat wordt, en dat u dit moogt zijn. Dat zijn geen momenten die je kunt oproe­pen. Was het maar waar, dan was ik eerste klas artiest geweest. Dan had ik het werkelijk gemaakt. (Ik denk dat een artiest het tegenwoordig gemaakt heeft als hij niet afgemaakt wordt door de critici).

Je kunt het niet forceren. Het is een besef dat van jezelf uitgaat. Het is een kracht die van jezelf uitgaat. En je weet niet waarom.

Misschien dat daarboven iemand zegt: Vanuit dit kleine lichtje gaan we nu voor een ogenblik de samenhang regelen. Deze ene lamp wordt het deel van de huidige beeldcompositie. Ja, zo moet het wel gaan. Want voor je het weet is er dat gloeien. Misschien merk je het niet eens. Je merkt alleen dat je op dát ogen­blik ineens meer weet te puren uit alles wat er in je is en wat er om je heen is. Je voelt hoe je stem gaat geven aan datgene wat die anderen zijn. Je hebt geen aarzeling meer. Je wordt gedragen. Het is of je mond woorden vormt voordat je ze gedacht hebt. Het is of je lichaam routine uitvoert, die het misschien ooit overwogen, maar nooit goed uitgevoerd heeft. Alles is anders en toch hetzelfde.

Et voilà, het wonder. Het ik is de kosmos geworden en alle andere ikken zijn voor één ogenblik deel geworden van diezelfde kosmos. Grenzen zijn weggevallen. Het is of de emoties één grote emotie zijn geworden. De stemmen zwijgen en zelfs de ademhaling gaat in hetzelfde ritme. Er is iets dat achter het masker werkt.

0 ja, ik weet het; zelfs wanneer ik probeer ernstig te zijn blijf ik toch altijd ergens een komédiant: Waarom niet? De wereld heeft komedianten nodig: Alleen hebben ze tegenwoordig vaak een andere, beter betaalde baan. Maar ze zijn er wel degelijk. Misschien dat de grappen ook wat specialistischer zijn geworden omdat de mensen niet meer kunnen lachen.

U bent ook vaak een komediant. Of wil u zeggen dat u nooit komedie speelt? U mag het zeggen hoor. Ik geloof het niet, maar u mag het zeggen. En dat is toch niet erg? Het is toch maar het front? We hebben een front nodig. We hebben een achtergrond nodig.

Er zijn dingen bij die gewoon straatliedjes zijn wanneer je ze zo zingt. Zet dertig dames op een trap achteraan, allemaal met veren, en het is het lied van de revue. Laten we eens een keer een klein beetje komedie spelen en een front maken voor onszelf. Een achtergrond maken voor onszelf. Wat hindert dat? Maar we moeten wel onszelf blijven, dat is het belangrijke.

We moeten de eerlijkheid, het licht dat we zijn, door laten klin­ken. Al het andere is niet zo belangrijk.

Wanneer er één kracht is en het licht, dat in mij leeft, is deel van die kracht dan kan ik u geen kracht geven. Maar ik kan wel uw licht wekken. Wanneer je dor bent en droog kan soms een enkel woord de tranen roepen die je zelf ‑ wanneer je zou willen ‑ niet kunt schreien. Want de kosmos is vol medelijden. Als de kosmos met je lijdt kun je eindelijk schreien. Soms kun je het geluk niet zien, maar de kos­mos is gul. Ze is gelukkig om het geluk. Wanneer je het geluk van de kosmos ervaart vallen een ogenblik de banden weg en ben je zelf even gelukkig. Even één met de werkelijkheid.

Denk nooit dat je het alleen doet. De man die alleen op de bühne staat heeft achter zich de sjouwers en toneelknecht, de man aan de trekker, de man aan het gordijn, de mensen die voor licht moeten zor­gen. En voor in de orkestbak zitten degenen die met hun instrumentale prestatie zijn lied de nodige nadruk moeten geven. Je staat nooit al­leen, want dat kun je niet.

Je vergeet het zo gauw. En vooral de sterren. De sterren van het toneel, de sterren van het cabaret. Zij vergeten zo gauw hoe afhanke­lijk ze zijn van de mensen, die daar achter de coulissen staan, van de mensen die aan de touwtjes moeten trekken en een lampje moeten bijdraaien. Die moeten zorgen dat vooral de gasverlichting niet plotse­ling de geest geeft. Ze vergeten hoe afhankelijk ze zijn van diegenen die daar voor veel minder gage zitten met hun viool en trompet, hun klavier. Men vergeet het zo gauw, ook u.

Alles wat u bent werd voortgebracht door alles wat om u heen is. Alles wat u beleeft en doet komt mede voort uit die mensheid waarvan u deel bent. En alles wat de mensheid is, doet en beleeft is de weer­gave van de kosmos, die lacht en huilt tegelijk.

Ik kan u geen licht geven. Ik kan alleen deel zijn van het licht dat ook in u woont.

Ik kan uw maskerade niet ongedaan maken. Ik zou het niet eens willen. De maskerade is nodig. Maar achter de maskerade leeft de wer­kelijkheid. De mens in de mens. Dat is licht.

De mens achter de mens is de hopeloze honger naar een kosmos, waarvan je volledig deel kunt zijn. De mens achter de mens is dat deel van God dat probeert te spreken met God. Het is God die spreekt tot zichzelf.

Ik heb het gezien. Ik heb daar op de planken gestaan en naar be­neden gekeken. Ik heb achter in de zaal gestaan en gekeken hoe men op anderen reageerde. Ik heb in de coulissen gestaan en gezien met welk een geluidloze drukte men steeds weer, terwijl de een nog bezig is, het optreden van de ander voorbereidt. Ik heb het allemaal gezien. Ik ben het geweest. Ik heb het geleefd. Daarom zeg ik tot u: Denk niet dat u de ster bent van het programma. Nee, u bent afhankelijk van an­deren. Maar u bent soms wel op een bepaald ogenblik de uitdrukking van het geheel.

Er zijn ogenblikken dat uw licht gesterkt door al dat onbekende, het licht is waaruit de wereld licht wordt. Er zijn ogenblikken, dat u met dat beetje kracht dat u eigen is, in staat bent wonderen te verrichten. Niet u, maar alle krachten tezamen die door u vloeien, zijn het antwoord dat de kosmos en de wereld u geeft.

En zie, er is een wonder gebeurd. Ons wonder. Ons wonder, dat zich elk ogenblik weer kan vernieuwen. Ons wonder waar we voortdurend deel aan hebben wanneer we bewust deel zijn van al dat andere rond ons.

Niets van wat u bent, van wat u doet, van wat u voorwendt zelfs, is zinloos. Is nutteloos. Met uw masker en met de kracht die er ach­ter, schuilt bent u deel van het enige spel dat eindeloos is, de wer­kelijkheid.

Eigenlijk zou het hier tijd worden voor een liedje. Maar er is geen pianist. Het kan niet. Het enige wat ik heb is wat ik ben en wat u bent. Zullen we het dan maar een beetje anders doen? Improviseren, zoals dat zo vaak nodig is in het leven?

Hier zijn we, jij en ik, of ik of jij.

Het onbekende. Licht dat langzaam rijst,

De kracht die langzaam stijgt.

Wij? 0 ja, maar meer dan wij.

Zijn we hier, zitten we hier, dromen we?

Beperkt als we denken te zijn,

we vertegenwoordigen oneindigheden en voelen ons klein

en machteloos. Maar wij zijn!

Wij zijn het Zijn.

Wij zijn een deel van licht en kracht.

Als God er is, dan slechts omdat hij in ons woont.

Want God Die in ons troont

En leeft en alles kracht en aanzijn geeft,

Die met Zijn licht de waarheid weeft,

Dat is de Kracht die ik ook ben,

Of jij, of wij, of het Het.

Waarom dan geaarzeld?

Het licht gaat nooit werkelijk uit.

De kracht faalt nooit werkelijk.

De waarheid heeft geen duizend gezichten

En achter het spel leeft de waarheid. De werkelijkheid.

De kern van het Zijn.

En wat ben je dan?

Ik spreek tot u, o God, die ook in mensen leeft.

Waar straal je dan, vol licht van oneindigheid.

Dat in de mens verglijdt.

En vorm weergeeft aan al wat is.

Ik vraag niet meer.

Ik spreek als deel van u met deel van u.

Achter deze maskerade ligt de eenheid van uw kracht,

Genade van de werkelijkheid,

Die niet vergaat, verteert door tijd,

Gemummificeerd, historie wordt de werkelijkheid.

God leeft in u.

Achter het masker dat u denkt te zijn ligt de oneindigheid

En het oneindige licht.

Achter de schijn van beperking en gebrekkigheid

Ligt het eeuwige leven. Het werkelijke, het onverbreekbare bestaan.

En achter alles wat zo verkeerd schijnt te gaan

ligt de ene werkelijkheid.

Die juist ook daarin zichzelve is en ook zichzelf erkent.

De Werkelijkheid. Niet uw werkelijkheid of mijn werkelijkheid,

Maar de Werkelijkheid.

En nou weet ik geen goede wegwezer. Dat is een afgang: Wat kan ik meer zeggen? Welke laatste troef moet ik nog uitspelen? Ach, waarom eigenlijk? Heb ik uw applaus nodig? Ik zou maar applaudisseren voor mijzelf.

Heb ik uw liefde nodig? Ik heb mijzelve lief en met mijzelf de kosmos waaruit ik leef. Heb ik uw erkenning nodig? Dat wat ik ben én wat ik erken omtrent mijzelf als deel van het geheel is het enige wat telt. Het enige wat nodig is, is de waarheid. Geloof mij, God is in ons allen. We kunnen Hem het masker opzetten van een demon, maar Hij is en blijft God. Maar als wij aankleven het werkelijke licht dat in ons leeft, deel willen zijn van al wat dat licht voortbrengt, zonder te beperken, dan zullen we steeds meer beseffen, dat de maskers wegvallen en dat de waarheid het glorieuze bestaan is, waar een God zich openbaart aan Zichzelve.