De mens als komediant

image_pdf

2 december 1966

Laat mij beginnen u erop te wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Dan heb ik daarmede tenminste mijn plicht weer gedaan. Ons onderwerp van heden zou u allen na aan het hart moeten liggen: De mens als komediant.

Dit is immers een onderwerp, dat bij uitstek in deze sinterklaastijd past. Wij zien in deze tijd vele mensen zich verkleden in geleende kostuums, om geleende gulheid van anderen rond te brengen. Waarin een vreemde, doch opvallende overeenkomst schuilt met veel, wat ook in het normale leven van de mens eigen is. De mensen zijn altijd buitengewoon royaal met datgene, wat zij namens anderen en op kosten van anderen kunnen geven. Een aardig en recent voorbeeld van de menselijke komedie in dit verband vinden wij in de politiek, waarin men immers meent, verdere stijgingen van lonen en prijzen te moeten beperken en zelfs te beheersen – i.c. stopzetten. Bovendien zullen ter dekking van tekorten op de betalingsbalans en in de volkshuishouding verhogingen van lasten tegemoet worden gezien. M.a.w., de gewone man moet een veer laten. Men voegt hier wijselijk niet openlijk aan toe, dat hierbij een uitzondering moet worden gemaakt voor de leden van regering en kamers, die, gezien hun vele bezigheden, een ruimere beloning verdienen, dan zij nu krijgen. Waarbij men denkt aan een reële verhoging van hun vergoedingen met 20%. Dit is zeker nu nog geen feit. Maar na de komende verkiezingen zal het vrijwel onmiddellijk besproken worden en op een “psychologisch gunstig moment ” worden aangenomen. Dit is wel een sprekend voorbeeld der eigenaardige komedie, die er in het menselijke leven zo vaak wordt gespeeld.

Aan de ene kant is de mens een buitengewoon wijs en wetenschappelijk iemand met vele goede, zo niet te zeggen overbeschaafde accenten op alle waarden van het leven. Het geweten van sommige mensen is zo eng en smal, dat er zelfs geen zondige vlo doorheen kan. Maar van binnenuit bezien blijken diezelfde mensen vaak tamelijk egoïstische beestjes, die eigen gevoelens en doeleinden op een voor de wereld moeilijk merkbare en buitengewoon handige wijze plegen te verbergen. Denk in dit verband aan het achterbuurt jongentje, dat op de bühne de graaf speelde met een perfectie van taalbeheersing en gebaar, zodat eenieder zou menen, dat dit geen volkskind kan zijn, maar tenminste een te vondeling gelegde adellijke telg moet zijn.

Zolang hij op de bühne staat, blijft het een edel en beschaafd wezen. Maar als je dan hoort, wat hij na de voorstelling zegt tegen lastige jongentjes, wanneer hij de artiestenuitgang verlaat, weet je opeens beter. Het is jammer, dat er zo weinig lastige jongentjes zijn, die de belangrijke mensen van vandaag achterna jouwen en zichzelf even doen vergeten. Want de reeks van komedies, die mensen voor mensen opvoeren, of de mens voor zichzelf pleegt op te voeren, is bijna onmeetbaar groot geworden. Laat ons eens enkele van de voor deze komedie kenmerkende tegenspraken opnoemen.

“Wij vechten voor de wereldvrede.” Deze leuze kunt u haast overal te zijner tijd horen. Zelfs met het gebruik van de meest gevaarlijke wapens of onder onterende en mensonwaardige omstandigheden vechten wij voor de wereldvrede…. Dit klinkt goed. Ga je echter de feiten na, zo zou men eerder moeten zeggen: wij vechten om eigen rijkdommen, voordelen en leefwijze te kunnen behouden. Want dat is de waarheid. Maar zo zal men het nooit durven zeggen. Het klinkt zo ontzettend egoïstisch, dat het tegenspraak uit zou kunnen lokken, weet u. Dit is dan ook de reden van de komedie, waarbij wij degenen, die er beter van denken te worden in macht of anderszins – altijd weer horen zeggen, dat dit en dat noodzakelijk is voor het behoud van de wereldvrede, dat het noodzakelijk is voor de internationale integratie, dat dit eenvoudig menselijke plicht is. En ondertussen wordt er achter de schermen gekibbeld, wie de baantjes zal krijgen.

In de kerken treffen wij hetzelfde aan. Er is, zo zegt men, maar één God. Er is slechts de Ene Zoon Gods, Jezus Christus, op deze wereld voor de mensheid geboren, die ons door zijn leven, lijden en dood de weg tot het koninkrijk der hemelen heeft geopend. Men is het daarover eens.

En begint dan met elkander te kijven over bijkomstigheden. Want in wezen gaat het niet om Jezus, niet om God. Het gaat om de mens zelf. De mensen hebben zich hun God geschapen, een God, die hen en hen alleen uitverkiest en begunstigt. De werkelijke God interesseert hen niet.

Zij willen gelijk hebben, zij willen meer zijn dan anderen, meester zijn. Zij willen anderen kunnen verdoemen of verheffen naar eigen verkiezing. Deze mensen willen als geestelijke reuzen staan boven de als kronkelende slaven voortkruipende massa van eenvoudige zielen en hun leven bepalen, van hun inkomen genieten, hun denken regeren. Dit alles, om zo hun eigen ego te bevredigen. Dit is een komedie. Maar er zijn zovele dergelijke voorstellingen. Er wordt bv. in Nederland gesproken, voor en tegen het koninklijk huis. Maar gaat het in wezen om het koningshuis of om de belangen van een status als koninkrijk of republiek? Uiterlijk misschien wel. Bezie je de zaak op de keper, dan gaat het niet tegen de koningin of voor een republiek.

Men is eenvoudig tegen de bestaande orde, een orde, die het eigen ik belet, de gewenste heerschappij eens te bekleden en de in het ik levende hang naar terreur naar buiten te dragen.

Een ander voorbeeld van de jammerlijke komedie, die de mensen voor zich en tegenover anderen spelen: In Nederland is men zeer sterk tegen Duitsland en alles, wat onder het gezag van dit land in het verleden is gebeurd. Men gedraagt zich daarbij, althans naar buiten toe, veel haatdragender en veel zwaarwichtiger dan in de meeste andere landen. Het schijnt dus, dat men in Nederland wel een buitengewoon sterk besef heeft van het vele kwaad, dat in de laatste oorlog ontstond. In en door Duitsland dus. In feite echter voelt dit aanklagende Nederlandse volk zich schuldig, omdat het zelf heeft meegewerkt aan alles, wat de Duitsers hier gedaan hebben en van de uiteindelijke doeleinden van deze arbeid evenveel wist als de doorsnee Duitser. De Nederlandse spoorwegen hebben zonder enig verzet de joden naar de concentratiekampen gebracht. En precies op tijd gereden ook nog. Nederlandse agenten en marechaussees hebben joden en verzetsmensen gearresteerd en begeleid. Nederlandse cipiers hebben de door Duitsers gevangenen bewaakt. Vele mensen, die nu verklaren zulke goede verzetsmensen geweest te zijn, wilden wel risico lopen voor een Engelsman, maar een jood moesten zij niet…. Is het een wonder, dat men vol verontwaardiging wijst naar die slechte Duitsers en naar de mensen met “besmet verleden”?

Men spreekt over dezen als vervloekte antisemieten, die bijna een geheel ras hebben uitgeroeid. Men wil immers niet zeggen: “Wij, wijzelf, hebben evenzeer gefaald.” Ergens beseft men dit misschien wel, maar men durft het niet te zeggen, men durft vooral niet aanvaarden, dat zoiets ook voor eigen ik-je zou kunnen gelden. Om iets onrechtmatig te verwerven, om zichzelf te rechtvaardigen, om zich te verheffen en macht te krijgen, speelt de mens komedie, zo goed, dat hij zelf na enige tijd pleegt te vergeten, dat het maar komedie is. Is het een wonder, dat ik, dit alles overdenkende, geneigd ben bitterder te zijn, dan mijn gewoonte is? Wanneer de mensen tenminste tegenover zichzelf eerlijk durven zijn, zou er op aarde heel wat minder kwaad gebeuren. Wanneer je antisemiet bent, geef het dan eerlijk toe. Dan weet t.m. iedereen, waar hij aan toe is. Dan is het zowel voor de Semiet als voor u gemakkelijker uw houding te bepalen, maar zeg niet, dat u in ieder mens uw gelijke ziet, maar natuurlijk niet houdt van die “jodenstreken”. Want dat is eenvoudig zelfmisleiding of huichelarij.

Er zijn mensen, die zichzelf toeroepen, dat zij uitverkorenen en ingewijden zijn. Als je de kolder hoort, die zij uitslaan, vraag je je wel eens af, hoe zelfs zijzelf daarin eerlijk kunnen geloven.

Deze mensen weten innerlijk heus wel beter. Zij beseffen wel degelijk, dat zij zover niet zijn. Maar zij hopen op iets voor niets en spelen daarom, zowel naar buiten toe als innerlijk, een rol.

De rol van het verheven ego. De mens heeft over het algemeen één behoefte: Hij wil boven de massa staan. Dit brengt met zich, dat er een tweede behoefte ontstaat. Door zijn pretenties ontstaan innerlijke onzekerheden. Daar hij geen afstand van zijn pretenties wil doen, zoekt hij iemand, die hem wel kan steunen, maar niet zal hinderen. Hij schept zich een God om zich aan vast te klampen. Deze mens heeft, om eigen gevoel van onvolwaardigheid en zondigheid, behoefte aan een denkbeeld als een plaatsvervangend offer, dat slechts erkend hoeft te worden, om alle vergeefse moeite overbodig te maken – wat tussen haakjes kolder is. Zo bouwt men zich een droom, die men “geloof” noemt en loopt vooraan met het hoofd in de wolken. Men voelt wel vaag aan, dat voor anderen de wereld er anders uit kan zien, maar dan moeten zij zich maar bekeren. Of die anderen misschien op hun wijze evenveel of meer van de werkelijkheid kennen en beleven als onze “gelovige”, interesseert hem immers niet. Zelfs het christendom is in zekere zin een komedie. Wanneer wij bv. christenen spreken over de werkelijkheid van een kruisdood, over het werkelijke sterven van Jezus, zoals wij hier eens hebben gedaan, dan spreekt men er schande van. De werkelijkheid mag zo niet worden gezegd.

De onsmakelijke werkelijkheid van zweet, bloed, pijnen, verkrampte spieren en onbeheerste lozing van faecaliën hoort er niet bij. Het moet een zoete en liefelijke Jezus blijven, die waardig aan het kruis hangt en met een glimlach de mensheid verlost. Om van de kotsen. Men weigert deze werkelijkheid te erkennen, omdat men bang is, dat de verlossing, die Jezus predikt, een weg is van dingen, die men “onwaardig” noemt en van vele pijnen. Dan heeft men liever een meer aanvaardbaar geloof, waarin alle reële dingen met mooie woorden worden bemanteld of weg verklaard.

Jullie spreken van democratie. Nederland bv. is een zeer democratisch land. Zo democratisch is het, dat de vrije wil van de eenling wordt doodgepraat onder het mom, dat dit tegen het belang van de massa zou zijn. Er wordt bijvoorbeeld al lang niet meer erkend, dat een ware democratie met een minimum aan regelingen de eenling de mogelijkheid dient te geven binnen de gemeenschap eigen leven, beleven en mogelijkheid zelf te bepalen. Eerder stelt men, dat ware democratie gebaseerd is op het zich willoos onderwerpen aan hetgeen de wil van de massa heet te zijn, maar wat in feite iets anders is. Want de massa weet meestal niet zo goed, wat zij staatkundig wel wil. Die “wil van het volk” wordt meestal geleverd door mensen, die heel goed beseffen, wat voor hen het beste zou zijn, dat wat de massa zou willen; dit noemt men dan zolang, tot iedereen gelooft, dat dit het ware belang en de werkelijke wil van de massa is.

Komedie!!!

Wij zitten hier nu bij elkaar. Spiritisten. Ik zeg nooit spiritualisten, daar dit meer aan ‘geestrijk’ dan aan ‘geest’ doet denken. En het contact met de geest lijkt mij toch iets geheel anders dan het tot zich nemen van vloeibare versterking. En bovendien, waarom zouden wij niet eenvoudig onszelf spiritisten noemen, ook al denken wij anders en benaderen wij de geest misschien anders. Wij geloven ergens in de geest. Best. Maar houdt u er dan ook rekening mee, dat de geest hier is, dat de geest overal met u kan zijn? Zelfs wanneer u “alleen” bent, zijn er vele toeschouwers. Houdt u daarmede rekening? U zegt wel, dat u het gelooft en zegt misschien zelfs, dat u in het leven daarmede rekening houdt, maar dat is theorie. In de praktijk blijkt u het steeds weer onmiddellijk te vergeten. En elders stelt men eveneens: God is alwetend. Dat is de stelling. Maar kennelijk meent men, dat men God toch wel kan bedriegen. Wanneer wij zeggen te geloven aan een alwetende God en gelijktijdig menen, dat wij in het geheim kunnen zondigen, zo spelen wij ergens komedie. Ofwel t.a.v. de geheimhouding, dan wel t.a.v. ons geloof. Je kunt nu eenmaal niet beide mogelijkheden gelijktijdig en gelijkelijk aanvaarden. Indien wij de komedie van deze tijd bezien, vallen ons ook al een aantal interessante ontwikkelingen op. Er zijn bv. nog evenveel doctoren als in het verleden, die werken uit roeping en de mensen helpen, omdat dit hun roeping is. Dit schijnt niet te stroken met de houding van de artsenbond als geheel. Wel, de arme kerels zijn zo stom geweest zich te organiseren. En dat nog wel in een organisatie, die een zekere rechtsmacht opeist over haar leden en haar eisen waar moet maken, door ook nut en baten op te leveren voor hen, die lid zijn. Wat voor menig arts betekent, dat hij eigenlijk tegen wil en dank gedwongen wordt de hebzuchtige uit te hangen.

Velen durven zelfs niet te luid te zeggen, dat zij het met deze eisen en benadering niet eens zijn. Hun organisatie zou hen kunnen uitstoten en hen daarmede beroven van voordelen van  samenwerking, waaraan zij nu eenmaal gewend zijn. Het lijkt al haast op een wettelijk dwingende regeling, een soort medicijnen manschap, met gelijke eisen en mogelijkheden als men meende te kunnen vinden in Landbouwschap en andere -schappen. Er blijkt ook een steeds groter wordende afwijking te ontstaan tussen de “wetenschappelijke logica” en het logisch denken van de eenling. Indien iemand u bv. komt vertellen, dat u een betere toekomst en meer mogelijkheden zult krijgen, naarmate u meer schulden weet te maken zo zult u zeggen, dat uw zegsman gek is. Zoals u op de verklaring, dat iemand die blijvend spaart, gelijktijdig beter van zijn geld zal kunnen leven, bij u de reactie zal wekken, dat je niet gelijktijdig hetzelfde geld kunt uitgeven om goed te leven en het toch besparen. U acht slechts een van de twee dingen mogelijk, nimmer beiden gelijktijdig. Maar indien men u vertelt, dat een staat slechts via deficit financiering een steeds grotere welvaart zal kennen, aanvaardt u dit vaak zonder meer als juist. Zoals u het onmiddellijk gelooft, wanneer iemand u vertelt, dat u in dit leven veel aan de kerk moet geven en vele goede werken moet doen, om later een plaats in de hemel te krijgen – die wel vaak omschreven wordt, maar het bestaan waarvan men niet kan aantonen. Zowel van wetenschapsmensen als van de gewone man kan men zeggen, dat hij vaak iets gelooft, zonder dat daarvoor een werkelijk bewijs is geleverd, maar desondanks handelt, alsof zijn geloof de enige mogelijkheid zou zijn. Waarom? Zoekt men misschien zijn toevlucht in het onredelijke en de schijnlogica, omdat men bang is voor de lasten en moeiten van eigen bestaan?

Het is zeker niet voldoende vast te stellen, dat de mens komedie speelt en dan over te gaan tot de orde van de dag. Wij zullen ons ook af moeten vragen, waarom de mens een komediant is. Ik heb wel enkele korte verklaringen, die dit begrijpelijker maken, naar ik meen: De mens speelt komedie, omdat hij schrikt, wanneer hij zijn eigen werkelijkheid beseft en deze steeds weer angstig ontvlucht. De mens treedt op als komediant in het leven, omdat hij de reacties van anderen belangrijker vindt dan eigen waarheid.

De mens handelt in tegenstelling tot zijn werkelijk wezen, omdat hij hoopt hierdoor een erkenning en goedkeuring te vinden, die, volgens zijn besef, zijn werkelijke persoonlijkheid nooit zou kunnen verwerven.

Men verwart bovendien vaak waarden. Dit zien wij, wanneer wij een stap verder gaan. Indien een chirurg zegt, dat een operatie slaagde, ofschoon de patiënt succombeerde, overleed, zegt hij in feite: “Mijne heren, mijn werk is mijn werk. De patiënt gaat mij in wezen geen bliksem aan. Het gaat hier om een mechanisch defect, dat ik moest herstellen. Ik heb dit gedaan. De motor hield wel op met lopen, maar dat was mijn zaak niet.” Dergelijke formuleringen hebben ten doel de buitenwereld vertrouwen te geven. De operatie was immers geslaagd? Maar ontkent men zo niet gelijktijdig, dat het gehele doel van alle medische hulp, dus ook van het chirurgisch ingrijpen, het behoud van de patiënt zou moeten zijn? Indien een regeerder stelt, dat het belangrijk is, een volledige werkgelegenheid te behouden, zo is dit denkbaar. Indien hij daarnaast verklaart, dat een klein percentage werkelozen geen ramp is, heeft hij ook hierin waarschijnlijk gelijk. Maar indien zo iemand dan verder uit gaat leggen, dat een bepaald percentage werkelozen noodzakelijk is om een proces in stand te houden, waardoor de algehele werkgelegenheid te behouden is, zo kan men toch wel zeggen, dat zo iemand ofwel maar wat kletst dan wel komedie staat te spelen en bepaalde dingen verborgen wil houden. Want een bepaald percentage werkelozen om volledige werkgelegenheid te behouden, is eenvoudig een contradictie. Toch werd juist dit laatste nog niet zo lang geleden door iemand gezegd.

Indien de pastoor de mensen voorhoudt, dat zij goed moeten leven, zo kan hij daarin gelijk hebben. Indien de dominee zegt, dat men trouw moet zijn aan het woord, is er geen noodzaak deze uiting te bestrijden. Maar wanneer de pastoor daaruit de conclusie trekt, dat hij alleen weet, hoe het leven geleefd moet worden en automatisch begint een reeks van volgens hem toch ook door God tot stand gebrachte delen van de schepping op een morele index te plaatsen, zo zal ik hem zeggen: “Pastoor! Nu matigt u zich de rechten Gods aan.” Het antwoord van pastoor zal dan wel luiden, dat Hij het woord Gods spreekt. Vraag ik hem dit te bewijzen, zo zal hij mij antwoorden, dat dit alleen bewijsbaar is binnen het geloof. Daarbuiten bestaat er geen werkelijk bewijs. Op mijn reactie, dat ik hem dus niet kan geloven, zal het antwoord luiden: “Bidt dan om de genade des geloofs. Deze wordt u dan wel gegeven.”

Stel het nu eens zo: “Moeder, ik heb honger” “Denk dan aan lekker eten, jongen, dan voel je het niet zo.” “Ga dan ergens voor een etalage staan met eten erin, als je het je zo niet voor kunt stellen.” “Dan krijg ik nog meer honger.” “Doe dan je ogen maar dicht en wacht geduldig, het  zal je dan wel gegeven worden…” En dit klinkt veel meer als kolder, maar komt in feite op hetzelfde neer. Want of het nu gaat om geloof of om eten, wanneer ik iets nodig heb, wat ik niet bezit, zal ik het op de een of andere wijze moeten verwerven en daarbij kan ik geen gebruik maken van hetgeen ik niet bezit. Bidden om geloof heeft alleen zin, wanneer je reeds gelooft.

En als je reeds gelooft heeft het geen zin meer om te bidden, dat je geloof je gegeven zal worden. Wanneer dominee mij zegt, dat wij hét Woord moeten geloven en leven volgens hét Woord, vind ik dit best. Maar als ik hem vraag, wat het woord dan in wezen is, zo krijg ik ten antwoord dat het het woord Gods is. Indien ik vraag, hoe men dit weet, bewijst hij het mij met teksten uit de bijbel, dus met het woord zelf. Mag ik mij even voorstellen? “Ik ben Napoleon”.

Lach nu niet, want het is zo. Ik zeg het toch zelf? Daarmede is dan bewezen, dat het waar is…. U lacht nu niet meer? U wilt zoiets liever niet doen? Luister dan eens. Wat dominee ook zegt, hij mag het voor mij doen. Indien ik iets geloof, is dit geheel mijn zaak. Wil ik niet geloven, zo zijn argumenten als voornoemd niet overtuigend, zolang men mij dan met rust laat tenminste.

Maar dominee zal zich al snel terugtrekken op de stelling van zijn uitgebreide theologische studie. En zo ik dan nog niet aanvaard, zal hij mij beklagen of zelfs uitwerpen. Kennelijk gaat hij uit van het standpunt, dat de studie van een reeks onbewezen stellingen, die men hoogstens een filosofische en wijsgerige achtergrond kan toekennen, een zekerheid schept. Misschien dat hij door deze studie zelf gaat beseffen, dat sommige dingen wel eens anders kunnen liggen, dan hij predikt naar buiten toe. Maar hij moet zijn ambt vervullen, dus speelt hij komedie. Er bestaat een mooi gezegde. Jezus kwam op aarde om de naastenliefde te prediken. Toen kwamen de theologen en maakten van het nieuwe testament een nieuwe en wredere versie van het oude testament, waarin slechts de woorden, maar niet de inhoud en leer van Jezus zelf bewaard bleef.

Ook hier rijst het eeuwige waarom weer op. Waarom hebben de mensen zo graag een toornige en wraakzuchtige God? Waarom leert men, dat God liefde is, om met dezelfde ademtocht te waarschuwen: “Hoedt u voor de hel en de wrake des Heeren?”

Mijn verklaring is, dat degenen, die zo prediken, niet in een werkelijke God geloven of willen geloven. Zij geloven in een zelfrechtvaardiging, niet in een God. Dat is de oplossing van het raadsel. Ik heb zo even een voorbeeld gegeven over salarissen, waaruit u kunt aflezen, dat men bestedingsbeperking noodzakelijk acht, voor ieder, uitgezonderd voor degenen, die deze beperking de anderen opleggen. Logisch, de mens weet precies wat goed is, zolang het het leven en werken van anderen betreft. Voor zich weet hij alleen, wat hij wenselijk acht. Erg is dit overigens niet, eerder natuurlijk. Indien men dan echter pretendeert – komedie – dat hetgeen hij voor zich aangenaam en goed acht, niet aangenaam en goed kan zijn voor anderen, omdat zij niet bewust genoeg, wijs genoeg, hoog genoeg e.d. zijn, zo liegt men in feite. Want men beseft zeer wel, dat de regels, die men voor anderen noodzakelijk acht, ook voor eigen ik de juisten zullen zijn. Maar het is te lastig en daarom wil men de gelijkwaardigheid in dit opzicht liever niet voor zich toegeven.

Wij worden geconfronteerd met het drama van de mens, die zichzelf niet durft zijn. De mens durft zichzelf niet te zijn, omdat hij zich een milieu heeft geschapen, dat veel verder ontwikkeld is, dan hijzelf. Mensen doen vaak denken aan de apen in een dierentuin, die alleen lekkere pap krijgen, wanneer zij dezen met een lepel van een bord eten. Lepel en bord zijn voor de dieren vaak het symbool van de begeerde pap geworden. De aap heeft in wezen lepel en bord niet nodig om te eten, zelfs niet om pap te kunnen eten. Maar hij weet niet beter meer, dan dat hij juist daaraan zijn rijkdom te danken heeft en zal ten koste van alles proberen lepel en bord te behouden. De mens meent, dat zijn stoffelijke ontwikkelingen zijn geluk uitmaken – ofschoon het geluk een innerlijke zaak is en niet door uiterlijkheden bepaald kan worden – en verdedigt daarom de uiterlijke waarden ten koste van alles, zelfs, indien hij hierdoor zichzelf een werkelijk leven volgens eigen waarde en aard onmogelijk maakt. De wereld van de mens is steeds complexer geworden. Hij kan het organisme, dat hij maatschappij is gaan noemen, alleen nog regelen, door de hem bekende mechanische wetten daarop toe te passen. Dit betekent echter een gelijkschakeling, waarin de mens zelf niet meer volgens de waarden van eigen wezen kan en durft bestaan.

Laat ons nu maar eens een enkel brandend punt nemen; vrije liefde, de pil, de heiligheid van het huwelijk. Zijn deze dingen nu werkelijk zo voor de mens, zoals men beweert, is hun waarde werkelijk, zoals men dit voorstelt? De “goeden” even buiten beschouwing gelaten en de aanwezigen natuurlijk uitgesloten, zou ik willen zeggen, dat zelfs de huwelijken, die uiterlijk heel goed zijn, huwelijken waarin men geheel trouw is aan elkaar en aan de regels, de zedenleer van de menselijke maatschappij, in feite vaak geen ware huwelijken meer zijn. Zij zijn eerder een gewoonte-gemeenschap geworden, waarin het stimulerende element, dat de sekse kan zijn, in wezen geen rol meer speelt. Seksualiteit speelt nog wel een rol, maar is meer een gewoontegebaar geworden. Nu kan men natuurlijk stellen, dat het huwelijk andere waarden omvat, dat het beter is steeds dezelfde zekerheden te blijven behouden, dan steeds weer te zoeken naar nieuwe stimuli en daarmede naar nieuwe onzekerheden. Maatschappelijk heeft men dan zeker gelijk. Menselijk betekent dit, dat de energie van de mens al te vaak in geheel verkeerde banen wordt geleid. Om u hiervan een voorbeeld te geven.

Wist u, dat velen van de grote staatslieden, krijgers en wetenschapsmensen in de geschiedenis, mensen waren, die de een of andere aberratie hadden. Niet, dat zij homo waren of zoiets, maar eenvoudig doordat zij zich in hun seksuele leven niet geheel konden uitleven, niet geheel konden geven. Zij konden hun energie dus niet meer langs natuurlijke banen tot rust brengen. Hierdoor kwamen zij tot steeds krankzinniger avonturen, steeds gevaarlijker proeven. Neem bv. Napoleon. Hij deed eerst werkelijk dwaze en gevaarlijke dingen toen hij zijn werkelijke liefde aan de kant had gezet, om een nageslacht voort te brengen, dat een keizerskroon waardig zou zijn en door de vorstenhuizen van Europa als gelijke zou kunnen worden erkent. Kort na het afscheid van Josephine begint hij plannen te maken voor een tocht naar Rusland. Zijn begrip voor de beperkingen van zijn mogelijkheden, voor de risico’s die aan bepaalde handelwijzen verbonden waren, viel weg. Ik meen dan ook te mogen stellen, dat een zeer groot deel van de eigenaardige situaties, die op het ogenblik in de wereld bestaan, politiek, krijgskundig en zelfs economisch, te wijten zijn aan een gebrek van werkelijke liefde belevingen. Hierdoor wordt de belangrijke energie in de mens al snel geperverteerd tot vervangingswaarde. Zij worden tot eerzucht, heerszucht, bezitslust en dorst naar erkenning en aanzien. Hieronder lijdt de gehele wereld op het ogenblik, zoals ook in het verleden.

De mensen spelen komedie, wanneer zij zeggen, dat het goed is om een hoge plaats te bekleden en bv. directeur te zijn van een groot bedrijf. Want wat heb je in wezen aan al die zorgen en spanningen? Het bezit, dat je daardoor verwerft, kan dit alles niet vergoeden, zelfs indien je de tijd blijft om ervan te genieten – wat zelden het geval is. Wanneer je je eigen leven leidt, ben je veel gelukkiger. Meent u werkelijk, dat het belangrijk is, dat er voor u na uw dood een standbeeld wordt opgericht en wilt u om deze roem te verwerven werkelijk uw gehele leven ongelukkig zijn?

Is het werkelijk zo belangrijk, dat de naam en daden van een mens voor het nageslacht bewaard blijven? Is het niet veel belangrijker voor deze mens – die toch ook een eeuwig wezen is – dat hij gelukkig en tevreden geleefd heeft?

En de pil? Het komt vaak genoeg voor, dat een vrouw een kind moet krijgen, terwijl zij dit in feite niet wenst. Men meent echter, dat niets gedaan mag worden, om een dergelijk gevolg van contact tussen de geslachten te voorkomen. Wat meer is, vaak volgt op een dergelijke tegenslag nog een gedwongen huwelijk ook. Hoeveel mensenlevens worden verpest in de naam van het fatsoen? Hoeveel kinderen groeien op tot misdadigers, omdat zij in feite niet gewenst waren en zo ertoe komen zich tegen de wereld en alle mensen te keren? Hoevelen mensenlevens worden niet voortduren verknoeid in de naam van het fatsoen, deze schijnheilige komedie, waarachter de vaak wat vieze, mistroostige en melancholieke werkelijkheid van het menselijk bestaan verborgen ligt? Natuurlijk, er zijn werkelijk goede, gelukkige en toch in fatsoenlijke mensen.

Niet veel misschien, maar zij zijn er. Maar de rest? Schijnheilige komedianten. Wanneer men spreekt over de mogelijkheid, dat een moslim meer dan één vrouw tegelijk mag huwen, zo vindt men dit onaanvaardbaar, een moraal, die ons niet past, waar wij niet in kunnen komen. Ik vind het alleen zo eigenaardig, dat dergelijke veroordelingen vaak het luidste klinken door mensen, die naast het huwelijk nog wel hier of daar een etage hebben, waar zij een mals kippetje bewaren voor incidenteel gebruik, en nu spreek ik heus niet van diepvrieskip. Anderen veroordelen alle lichtzinnigheid in de plaats, waar zij wonen, terwijl zij zo nu en dan naar een grote stad reizen om daar buurten met vele rode lichtjes van nieuw kapitaal te voorzien.

Wees eerlijk, een mens heeft lichamelijke en psychische behoeften, die vaak veel verder gaan, dat het uiterlijk fatsoen ooit zal toelaten. Maar de conventies laten niet toe, dat men uitgaat van eigen behoeften en noodzaken, met als gevolg, dat er vele mensen door het leven schrijden als waardige en heilige sinterklazen, zolang iemand ze ziet. Menen zij, dat er niemand is die hen kan zien, dan nemen zij de baard af en ontpoppen zich onmiddellijk als gehoornde saters. Wie eerlijk is, zal toegeven, dat hijzelf ook op dit of ander terrein een komediant is, dat men zich niet werkelijk houdt aan alles, wat men openlijk aanbeveelt en goedkeurt. Waarom zou men zich dan druk maken over wat in het leven van anderen goed of verkeerd zou zijn. Het is belangrijker eerst eens te zoeken naar een wijze van leven voor het ik, die eerlijk en waar is. En zo men de consequenties van een geheel trouw zijn aan eigen werkelijk wezen niet aandurft, kan men tenminste een middenweg volgen, door eerlijk te erkennen wat voor het Ik belangrijk is. Men zal dan tenminste anderen niet zo snel veroordelen en verwerpen.

En dan het schuldbesef. Ik haalde dit reeds even aan, toen ik u in het begin confronteerde met het probleem van de joden en de nazi’s, in Nederland. Meent u niet dat het schuldbesef veel minder belangrijk zou zijn, zo het al zou bestaan in maatschappelijk opzicht, wanneer de mensen niet de regels hadden gesteld boven al het andere? Er zijn Nederlandse politiemensen geweest, die met pijn in het hart en tranen in de ogen de joden hebben geëscorteerd naar de trein, die hen de eerste etappe naar de vergassing zou vervoeren. Deze agenten meenden het zo goed.

Zij zouden graag iets willen doen voor die arme mensen, maar ja, het dienstvoorschrift, de reglementen, de opdrachten van het gezag zeiden dat zij moesten optreden als uitvoerende macht, zelfs indien zij het met dit alles niet eens waren. Je kon natuurlijk wel eens een oogje dicht doen, je hoefde niet zo ijverig te zijn als mogelijk was, maar verder: het stond in de regels, voorschriften en orders, dus moest het gebeuren. Dergelijke figuren waren geen echte onmensen. Men maakte hen medeplichtig aan onmenselijkheden, omdat men boven menselijkheid, menselijk gevoel en eigen besef iets anders stelde, iets wat niet leefde. Zelfs de hardheid van de beulen was vaak komedie. Zij waren als mens in vele gevallen niet zo erg.

Omgekeerd waren velen, die zich voordeden als goede, prettige mensen, die veel door de vingers zouden willen zien, wanneer het maar even kon, in hun hart sadisten en moordenaars. Komedie.

Tragisch, omdat vele mensen, die goed en gelukkig hadden kunnen zijn, niet zichzelf dorsten te zijn en in plaats van een beseffen van eigen wet en wezen grepen naar de “wetten en reglementen”. Zeker, het Duitse “Befehl ist Befehl” werd in Nederland tot: “compromis is compromis”. Maar de gelijkenis is treffend. Men weet in feite heel goed, dat iets niet deugt. Men weet heel goed, dat een gepaald compromis in feite onaanvaardbaar is, een verloochening van alles, waarnaar men streeft en waarvoor men leeft. Maar wij moeten ons houden aan de regels van het spel, dus mag ik het – onjuiste – compromis onder bepaalde omstandigheden niet verwerpen. Dwaas. Alsof het leven een spel zou zijn. Zielige komedianten, die dergelijke “spelen” heilig verklaren! Maar verder: “keep smiling”. Lach, Paljas, lach, het doek gaat open, al heb je een gebroken hart, nu moet je clown zijn. Dat is het drama in de menselijke komedie: dat men zichzelf niet is en niet durft, niet kan zijn.

Misschien heb ik nu vele dingen gezegd, waarover u zich geërgerd hebt. Dit kan ik best begrijpen. Daarom schakel ik nog even over op iets anders. Want wij hadden het over mensen, die komedie speelden, omdat zij moesten, omdat zij niet wisten, hoe anders te leven. Mensen kortom, die komedianten zijn, maar zelf weten te vergeten, dat zij komedie spelen. Dat er ook anderen zijn, moge blijken uit het volgende verhaal. Eventueel katholiek gezinde gelieven mij te vergeven dat de held van dit verhaal een pastoor is. De arme pastoor had eindelijk eens een kippetje in de oven staan. Zijn kerk was klein, de sacristie was klein, de deuren naar de pastorie stonden open en de geur van het bradende hoen drongen onmiskenbaar door tot in de vrome omgeving.

Zo bemerkte de pastoor, bezig aan de hoogmis, aan het veranderen van de eerst zo zoete geuren, dat zijn kippetje dreigde te verkolen. Even later kwam een moment in de dienst, waarop de pastoor tegen de gemeente het dominus vobiscum moest zingen. Maar het werd (zingt gregoriaans) “Marieken, draai de kip om”, en de gehele gemeente antwoordde “et cum spiritutuum”. Een oud mopje. Maar illustratief. Er zijn veel mensen, die kans zien om, a.h.w. al goochelende met waarden, woorden en mogelijkheden, hun werkelijke problemen onopgemerkt in de plechtstatig fatsoenlijke gemeenschapsbeleving te projecteren. Alleen merkt men dit meestal niet, omdat men eenvoudig het gewende verwacht.

Ook onbewust projecteert men zijn eigen problemen wel in de plechtstatige werkelijkheid. Als voorbeeld daarvan, kan de burgemeester gelden, die bij het leggen van een eerste steen, in diepe, doch zeer persoonlijke zorgen verzonken was, omdat zijn dochtertje wel heel erg de kinkhoest had. Hij beëindigde zijn passende toespraak als volgt: “Met het inmetselen van deze steen maken wij dan een aanvang met het belangrijke project, kinkhoest…” Dergelijke versprekingen komen meer voor. De kern daarvan is, dat de eigen problemen van een mens belangrijker zijn dan de schijnbaar belangrijke taken, die hij openbaar vervult. Een strijdigheid tussen eigen werkelijke gedachten en problemen en de conventionele verplichtingen en verklaringen resulteert dan ook steeds meer in de z.g. double talk. Weet u niet, wat double talk is? Wel, in feite is het een wijze om de zaken zo te zeggen, dat het lijkt, of je …. “nee” zegt, terwijl je in feite ook het andere zegt. Het resultaat van een bewust gebruiken van deze techniek houdt in, dat je ook met een schijnbaar feitelijke en definitieve verklaring nog alle kanten uit kunt. Onbewust gebruikt houdt het vaak in, dat men een mooie leugen zo vertelt, dat zonder dat men het zelf bemerkt, de waarheid toch nog om de hoek komt kijken.

Voorbeeld: “Gezien de huidige economische ontwikkelingen in Nederland, mogen wij aannemen, dat de toestand niet zo slecht is, dat elke verdere toenamen van loonopdrijving en prijsstijgingen dient te worden gestopt. Anderzijds dienen wij voorzichtig te zijn en zullen wij de nodige beperkingen in moeten voeren. Dit geldt natuurlijk alleen, wanneer onze verwachtingen volledig worden vervuld.” Wanneer men dus toch maatregelen neemt, kan men altijd verklaren, dat men dit toch eerlijk gezegd heeft, terwijl ook het niet treffen van maatregelen is aangekondigd.

Blijken de resultaten sterk af te wijken van de gegeven verklaringen, zo kan men altijd wijzen op de clausule, dat het voorgaande alleen gelding zou hebben, wanneer de verwachtingen – die niet geheel werden gestipuleerd – vervuld zouden worden. Men kan dus altijd beweren, dat men het eerlijk heeft gezegd en niemand misleid heeft, ofschoon men gelijktijdig in staat was anderen te doen geloven, wat op het ogenblik van de redevoering wenselijk scheen.

Double talk is een typisch kenmerk van een politieke toespraak. Weet u, wat een politieke rede is? Een hond van woorden, die zichzelf voortdurend in de staart bijt en, al ronddraaiende, probeert aan te tonen, dat hij iets anders is. Dergelijke verklaringen nemen toe, naarmate het politieke niveau stijgt; eerste kamer, tweede kamer, of eetkamer. De laatste is vaak de belangrijkste. Vandaar, dat er altijd heel goed gegeten wordt, wanneer hoge politieke heren tezamen komen, met een enkele recente uitzondering: op de Tiger, het oorlogschip, waarop Harold Wilson zijn bespreking houdt. Daar ziet men lichtelijk zeegroen en bestaat de kans, dat de oplossing van het conflict wordt uitgesteld door opkomende zeeziekte. Wanneer iemand opstaat en zegt, dat volgens zijn mening de zaken zo of zo staan, kan hij volkomen eerlijk zijn.

Maar als hij daar dan aan toevoegt, dat hij desalniettemin het grootste respect heeft voor de kennis en integriteit van zijn tegenstanders en hun werk zeer waardevol acht, rijst toch de vraag, of deze mens niet in het eerste of het tweede punt de kluit belazerd. En wanneer iemand zegt, dat hij positief ingesteld is t.a.v. de regering… O neen! Dan zegt men tegenwoordig, dat men erachter staat. Heeft u wel eens opgemerkt, dat de meeste partijen in de kamer vooral graag staan. Ik weet niet waarom, want zij zitten in feite als schooljongens in de bank. Maar de partijen staan: zij staan voor-, achter-, of positief tegenover de regering. Ik vraag mij wel eens af, of zo een regering nog wel iets tot stand kan brengen met al die mensen, die er omheen staan….

Maar goed. Deze heren verklaren zich en hun partijen dus voor of tegen de regering. Dit wordt vaak zeer positief gesteld zodat je meent, dat dit ook werkelijk iets te betekenen heeft. Maar in het merendeel van de gevallen is het eerder; dat had je gedacht. Deze mensen zijn tegen de regering bv., omdat de regering er is, niet om wat zij doet. Dergelijke groepen zijn, wanneer het eropaan komt, vaak tegen alles, zolang er niet voldoende van hun eigen liefhebbers voor een baantje aan bod zijn gekomen. Zij staan achter de regering, vaak omdat zij hopen, dat er voor hen dan ook iets afvalt. Blijkt er niets af te vallen, dan stellen zij zich afwijzend tegenover de regering…. Hier is trouwens een variatie mogelijk. Indien men hoopt, dat er toch nog enige winstmogelijkheid bestaat, zal men vaak liever open tegenover de regering gaan staan – in dit weer een koude bedoening -, maar is alle kans verkeken, dan zal men wel degelijk afwijzend zich opstellen. Wat mij overigens op een denkbeeld brengt. Meent u niet, dat de kortheid van de parlementaire vergaderingen en daarmede ook de politieke duidelijkheid in Nederland niet gediend zou worden met een plaats van samenkomst, waar de parlementariërs alleen staanplaatsen hebben?

Ik zal hierop niet verder doorgaan en wil nog slechts opmerken, dat de mensen ook hier vaak op een verschrikkelijke manier komedie spelen. Thuis doet men dit overigens ook. Pa heeft een glaasje gepikt… en daarbij een sappige mop gehoord. Hij begint die aan moeder te vertellen, die onmiddellijk wijst: “Ssst! De kinderen…” Waarop pa zwijgt of vervalt tot flauwiteiten. Maar even later komt ma, die zo afwijzend heeft gedaan: “De kust is schoon, vertel hem nu eens even…” Komedie. Men doet zich aan de kinderen anders voor dan men is, en beseft niet, dat het kind de mop alleen zal kunnen begrijpen, wanneer het al even doortrapt is als zijn ouders, zodat in het vertellen weinig gevaar schuilt. Vertel een vrouwelijk gehoor eens een z.g. half-verticale mop. De reacties kunnen zijn: Onbegrip, een wetende glimlach, die zich echter wat verwijtend van de spreker afwendt, of zelfs verontwaardiging. Stel, dat je op een grap de drie reacties hebt gehad van drie gehuwde dames. De mop is splinternieuw. Praat de volgende morgen met de echtgenoten van de dames en vertel ook hen de mop. Het zal vaak blijken, dat zij “hem al kennen”. Vraag u eens af, hoe dit mogelijk is. Is het eigenlijk geen zielige komedie? Alle drie dames vonden kennelijk de mop leuk, anders zouden zij hem niet doorverteld hebben, maar zij durfden niet te lachen.

Ook op andere wijze uit zich de neiging tot komedie spelen, ofschoon dit soms met de beste bedoelingen geschiedt. De mensen lopen op straat en komen iemand tegen, die misvormd is.

Velen zullen kennelijk opzettelijk doen, alsof zij de misvormde niet zien. Anderen kijken, wreder nog, openlijk, maar met een blik die schijnt te zeggen: is het circus in de stad? Haast niemand heeft de moed om eenvoudig te kijken, wat er is, het te aanvaarden als deel van het geheel en verder te gaan. De “fijngevoelige” afwending van eigen blik betekent in vele gevallen, dat men bang is, het ongeluk van anderen te erkennen, omdat men dan te zeer zou beseffen, dat men zich te veel met het eigen ik en eigen zorgen bezighoudt en te weinig denkt aan anderen, die er erger aan toe zijn en het slechter hebben. Degene, die de misvormde onbeschoft aangaapt, vergeet kennelijk, dat anderen ook mensen zijn en daarom hetzelfde recht op erkenning en aanvaarding hebben als het eigen ik. Zij weten dit wel, maar denken er liever niet aan, dat geeft zoveel verplichtingen, ziet u?

Dit nu baart mij enige zorg. Ik heb er niets op tegen, dat het menselijke bestaan soms vreemde surprises brengt, zolang de mensen in die surprises eerlijk zijn. Maar als de mens komedie speelt, geloof ik toch, dat hij zowel zichzelf als de wereld daarmede een slechte dienst bewijst.

Je kunt veel, van wat je bent, achterhouden of camoufleren. Maar je moet je nooit anders voordoen, dan je werkelijk bent. Je mag geloven, wat je wilt en bent m.i. niet verplicht je innerlijk geloof ook altijd en overal openlijk te belijden, maar je moogt m.i. niet uiterlijk een geloof aanvaarden en belijden, dat in strijd is met je innerlijke overtuiging. Volgens mij mag men rustig bepaalde waarheden wat “durch die Blume” zeggen. Maar je moogt niet bewust de zaak zo verwarren en verdraaien, dat niemand er meer wijs uit kan worden, of voor anderen slechts een onwaarheid begrepen kan worden. Tegen deze dingen maak ik bezwaar. Ik besluit daarom mijn inleiding, met de volgende opmerking.

De mens als komediant is een wezen, dat zijn erfrecht verloochent voor een bord linzensoep, dat hij eigenlijk niet eens lust. De mens, die komedie speelt, erkent hierdoor alleen de eigen minderwaardigheid. De mens, die zich tegen de dingen verzet, erkent door dit verzet de grote macht van hetgeen, waartegen hij zich verzet.

Poogt hij deze macht als kleiner en onbelangrijker voor te stellen, dan hij haar in wezen ervaart, dan zal hij hierdoor eigen verzet tot mislukken doemen. Heeft men de waarheid van dit alles niet toe, zo zal men in het verzet niet de vijand, maar zichzelf breken.

De mens, die waarheid kent in zichzelf – en macht kent in zichzelf, zal dezen moeten uiten en openbaren volgens de regels van het eigen ego. Zodra hij tracht zich te dien aanzien te houden aan regels, die anderen daarvoor gesteld hebben, verliest men de waarheid, ziet men de macht tanen en teloorgaan. Men wordt oneerlijk en zal in zichzelf de onvolledigheid ervaren, waardoor een hernieuwde en grotere bewustwording onmogelijk wordt.

Bedrieg jezelf nooit door te stellen, dat de uiterlijke wereld en de innerlijke wereld twee geheel verschillende werelden en waarden zijn. Want je zegt het wel, maar niemand kan zich dit voorstellen. Doet men dus, of deze stelling toch waar is, zo speelt men een komedie – vaak ook, of vooral, voor zichzelf -, waarmede men de fout maakt, in het leven te handelen, alsof alles is toegelaten, zolang men maar de juiste gedachten of geloofswaarden bezit. Of, omgekeerd, dat men mag denken en geloven, wat men aangenaam vindt, zolang men zich maar correct gedraagt.

Vragen

  • Als iedere mens zich geheel volgens eigen aard zou gedragen, zou dit dan niet in de maatschappij voeren tot een volslagen anarchie, waarin het recht van de sterkste regeert? Wordt dan juist dit niet de ondergang van de eenling?

Volgens mij niet. De mens heeft immers de neiging tot kudde vorming en organisatie. Menige moderne organisatie kan omschreven worden als een kudde, die leiders achternaloopt, die zelf ook niet precies weten, waar zij naar toe willen. De desorganisatie zou het recht van de onpersoonlijke macht, die nu de sterkste is, te niet doen. De eenling zou dus meer mogelijkheden vinden, al zou dit vaak met meer moeite gepaard gaan dan nu het geval is. Ik wil hierbij opmerken, dat het recht van de sterkste in uw maatschappij nu net zo goed een rol speelt als in het verleden. De holenmensen gooiden met stenen en sloegen met knotsen, tegenwoordig treft men elkander met nieuwe cao’s, stakingsrecht en uitsluitingen.

  • Die gelijkenis gaat toch wel erg mank….

Niet zo erg als u denkt. In beide gevallen wordt een bepaald iets een wapen, dat gehanteerd wordt, om anderen tot eigen voordeel te treffen, terwijl degene, die met zijn wapens het beste weet te manoeuvreren, ook in uw maatschappij het feitelijk voor het zeggen heeft. In zoverre is de vergelijking in ieder geval rechtlijnig. Ik zou dus willen constateren:

Ten eerste: De moderne maatschappij is uiterlijk een geheel, dat door innerlijke strijd en verdeeldheid onder de oppervlakte als geheel eerder een dwangbuis gelijk, waarin de mensheid zichzelf dreigt te verstikken. Er bestaan slechts de volgende mogelijkheden, om uit de huidige toestand tot een verdergaande ontwikkeling te geraken en wel mogelijkheid één; een algehele ordening, die een algehele en absolute onderwerping eist van elk individu, dat onderdanig wordt gemaakt aan het geheel en geen eigen rechten meer heeft, terwijl het geheel door een of twee personen zal worden geregeerd, die in wezen dus hun eigen wil en inzichten terecht of ten onrechte, juist of onjuist, aan het geheel op blijven leggen, met alle gevolgen van dien.

Mogelijkheid twee: een algehele anarchie, waarbij slechts door de groepen, die zich vrijwillig en zonder dwang vormen, een minimum aan regels zal worden gehanteerd, om zo zichzelf te beschermen.

Ten derde: Ik meen, dat de mens zijn rechten en waardigheden verliest, wanneer hij te veel van eigen aansprakelijkheden en mogelijkheden onderwerpt aan het gezag van anderen, daar hij hierdoor steeds meer de speelbal wordt van een macht en een gezag, dat hij in zijn geheel en zijn bedoelingen niet kan overzien. Al geef ik graag toe, dat een dergelijke “anarchie” het huidige maatschappelijke bestel zou schokken, zo acht ik het ontstaan daarvan toch in zeer vele opzichten aanvaardbaar en, gezien de daarin voor het ik liggende mogelijkheden, toe te juichen.

Verder wil ik opmerken, dat uw maatschappij door mij niet zo sterk veroordeeld zou worden, wanneer zij niet grotendeels op huichelarij was opgebouwd, op komedie. Want dat is zeer zeker het geval. Als u mij hierin niet geloven wilt, kijk rond u. Zie naar de woorden, die men u voorhoudt en naar de daden, die men stelt. Dan hebt u reeds na korte tijd een overtuigend bewijs van de juistheid mijner stellingen in handen.

  • In principe moet ik u gelijk geven. Om zover te kunnen komen moet de mens echter een zeker geestelijk niveau bereikt hebben. Als ik zou doen, waar ik zin in had, zou ik naar een zaak gaan, en uit de etalage 3 bontjassen halen, omdat ik ze wil hebben. En dat is toch verkeerd.

U acht dat verkeerd, omdat u altijd geleerd hebt, dat het verkeerd is het bezit van een ander aan te tasten, omdat het u niet toebehoort. Gij zult niets begeren van hetgeen een ander toebehoort…. Dat is inderdaad een gebod dat ook voor de christenen geldt en waartegen wel het meest wordt gezondigd. Het heeft echter niets te maken met hetgeen ik wilde stellen. Indien wij uitgaan van de werkelijke waardigheid van de mens, zo meen ik, dat het feit dat hij leeft, hem het recht geeft alles te verwerven – hoe dan ook – wat hij behoeft. Indien u drie bontjassen zou nemen, zou dit dwaas en verkeerd zijn. Zou u er één werkelijk nodig hebben en niet meer nemen, dan werkelijk noodzakelijk is, zou dit volgens mij niet slecht zijn.

Uw verlangen naar bontjassen op zich is een bewijs van de vreemde maatschappij, waarin u leeft. In uw wereld ligt n.l. de nadruk steeds meer op het consumptie-element waarbij men de mensen ertoe tracht te brengen dingen te begeren en te verwerven – volgens de regels van de maatschappij zo mogelijk – die voor hun leven niet waarlijk belangrijk en noodzakelijk zijn. Men propageert zelfs de verwerving van artikelen die weinig of niets goeds brengen, maar in wezen voeren tot een steeds sterkere aantasting van persoonlijk leven en persoonlijke vrijheid.

Uw commentaar is begrijpelijk en zelfs juist vanuit het standpunt van iemand, die leeft in deze maatschappij. Men kan steeds redenerende vanuit dit standpunt, stellen, dat de mensen nog niet voldoende ontwikkeld zijn, om in een grotere vrijheid te leven. Ik wil hier iets anders tegenoverstellen. Wanneer een kind moet leren lopen, zo zal men trachten te voorkomen, dat het al te pijnlijk valt. Men zal echter niet zeggen, dat het kind niet mag proberen te lopen, omdat het dan misschien zou kunnen vallen. Zelfs de moeder beseft zeer wel, dat het risico, dat het kind valt en zich bezeert, niet vermeden kan worden, omdat het nu eenmaal moet leren lopen.

In de maatschappij van heden treffen wij echter een redenering aan, die erop neer komt, dat men de mens tegen zichzelf dient te beschermen. M.a.w. hij kan kruipen en dat is voorlopig voldoende, laat hem vooral niet proberen recht te staan en te lopen, want dan zou hij misschien schade oplopen. En dit kunnen wij niet voor onze verantwoordelijkheid nemen. Daarom belet men de mens vaak een verdere ontwikkeling. Men zoekt steeds grotere zekerheid. Men wijst de risicofactor af. Door het afwijzen van het persoonlijk risico wordt het onmogelijk voor de mens in zijn leven en gedrag een voldoende ervaring en menselijke rijpheid te bereiken, waardoor hij binnen een anarchie zou kunnen leven en dus geheel en vrijelijk zichzelf zou kunnen zijn. M.a.w. de anarchistische verhouding is de enige methode om een mens op te voeden tot een juister en meer persoonlijk bestaan. Hier heeft men de kans tot slagen. De moderne maatschappij onthoudt de mens deze kant en kan alleen misschien, heel misschien, voeren tot absolute ordening. Dit zal echter alleen blijvend tot stand kunnen worden gebracht door het wegnemen van alle persoonlijk initiatief en het doden van het werkelijk menselijk, geestelijk bewustzijnselement in de eenling. Ik acht dit laatste verwerpelijk. Onder de huidige omstandigheden is het echter niet mogelijk een samenleving te vormen, die geheel geleid wordt, dankzij een door eenlingen bewust en vrijwillig aanvaarden der leiding met een bewuste deelname in al hetgeen de leiding tot stand brengt. Maar ook dit is een mogelijkheid, die dankzij het “verzorgingssysteem” van deze tijden voor de mensheid onbereikbaar wordt. Dit is mijn antwoord.

  • Begon de wereld al niet in anarchie? Denk aan Kaïn en Abel.

Dat kun je zeggen. Maar waarom hierbij blijven stilstaan? God. God is de werkelijke schuldige: Hij begon met de anarchie, want Hij schiep vanuit de chaos. Dat had Hij nooit mogen, doen, tenzij hij de absolute vorm overal en eeuwig tot uiting bracht. Dergelijke argumenten kan men voldoende vinden. Maar laat ons het liever als volgt stellen: De schuld van de huidige maatschappij is voortgekomen uit de angst der onontwikkelden voor stoffelijk gebrek, terwijl zij niet beseften dat het stoffelijk gebrek niet alleen het gevolg is van een gebrek aan macht, maar ook van een gebrek aan inzicht en geestkracht.

  • Hoe kan men de behoefte, geleid te worden, er bij de mensen uit krijgen?

Heel eenvoudig. U hebt te zorgen, dat de mensen allen zelf hun leider kunnen kiezen en aan mogelijke leiders alle gezag over anderen dan degenen, die hen vrijwillig volgen, te ontnemen.

  • Maar zouden onze kiezers dit ooit kunnen begrijpen?

Neen. Wilt u al iets weten over de komende verkiezingen? Wel, die brengen een uitslag, waarmede niemand goed raad weet, waar iedereen een verklaring geeft en zoekt, zonder werkelijk iets te weten. Dit vloeit voort uit het feit, dat de meeste kiezers wel weten, wat zij zouden wensen, maar dat hetgeen zij zouden wensen, niet valt onder de gestelde partijprogramma’s. De mensen, de massa, weet heus wel, wat zij wil. Maar het wordt de massa nu eenmaal niet toegestaan, dat, wat zij werkelijk wil, naar voren te brengen. Zouden zij dit doen, dan zouden zij op elk terrein aangevallen, belasterd en gehinderd worden, tot zij niets meer zouden kunnen bereiken. In feite wordt het de massa slechts toegestaan zich uit te spreken voor de dingen, die anderen – die zich als wijzeren beschouwen – voor die massa verkieselijk achten.

Het beeld wordt nog verder vertroebeld door een, m.i. verkeerde, trouw aan een partij. Zo zijn er vele kvp-ers, die eigenlijk psp-ers zouden moeten zijn, indien zij volgens hart en geweten te werk gingen, maar ondanks dit het katholieke volksdeel niet in de steek willen laten. Er zijn vele pvda-ers, die het met de huidige leiding van de partij geheel niet eens zijn en wat dat betreft eigenlijk nog liever op Marcus Bakker zouden stemmen. Zij stemden echter toch op hun oude partij, omdat zij menen “het socialisme niet te mogen verraden”. Deze mensen zien het verkeerd. Door hun trouw aan de partij voorkomen zij niet een verraad aan de partij, maar zijn zij ontrouw aan zichzelf. Hier spreekt propaganda, reclame een woordje mee, een reclame, die zegt: Wij doen het nu misschien niet zo goed, maar wij hebben het gisteren goed gedaan en morgen doen wij het misschien ook wel weer goed, blijft ons dus trouw. Steeds weer zeggen falende partijbesturen tot hun leden: geef ons nog een kans. Om dan weer te falen en te beweren, dat dit een ongeval was, dat men niet anders kon. Maar de volgende keer zal men het wel degelijk goed doen. Dus, geef ons een kans. En iemand die daar nog invliegt, is niet alleen niet capabel om te kiezen, hij is zelfs te stom om logisch te denken. Ik zou dus zeggen: Daar in de democratische maatschappij de stemming geheim is, zal men zijn verstand moeten gebruiken en het kiesrecht volgens eigen oordeel moeten gebruiken. Trouw aan een partij is in deze gevallen niet alleen verkeerd, het is ook een stukje komedie, daar men voor zich niet toe wil geven, dat eigen ideaal onjuist was. Dat zover het de kiezers betreft.

  • Als ieder zou doen, wat hij wilde, zou er dan geen chaos ontstaan?

Ik heb zojuist deze vraag reeds beantwoord. Ik voeg hieraan nog toe, dat het in uw wereld reeds een chaos is, zodat het werkelijk niet veel erger kan worden. Ik doel niet op het alledaagse leven – parkeerprobleem, verkeer in de steden bv. – maar vooral op ontwikkelingen in E.E.G., UNO, wereldeconomie, de vele conflicten en de machtsstrijd, die de mensheid dicht aan de grens van de ondergang doen balanceren in deze dagen. Maar hieraan is men gewend. Er is dus alles te zeggen voor een nieuwe chaos, daar de mensen die wel degelijk zouden bemerken en daardoor ook wel zouden trachten er iets aan te doen.

  • Ik speel wel eens komedie, bv. voor een kind, of om iemand aan te moedigen. Dat kan men toch niet slecht vinden?

Zolang u dit slechts voor een kort ogenblik doet en het blijft bij een “even meespelen”, dat door de ander ook wel als zodanig beseft kan worden, zult u van mij geen bezwaar horen.

Op het ogenblik echter, dat u met de ander meespeelt, omdat u bang bent die ander te kwetsen, terwijl de waarheid voor die ander evengoed of mogelijk zelfs beter zou zijn, maakt u zich schuldig aan misleiding en zal uw zelfrechtvaardiging toch ook voeren tot een vorm van zelfverwijt. Het is beter iemand de waarheid te zeggen – zelfs al wordt hij boos -, dan hem in zijn fouten te helpen volharden. Bezie het leven maar eens. Overal treft u vormen van bewust bedrog, die worden gerechtvaardigd met een: voor de ander is het beter, wanneer ik het zo doe.

Beziet men dit bedrog echter nader, dan lijkt het niet alleen ten bate van de ander volbracht te worden, maar ook, of zelfs geheel, geïnspireerd te zijn door gemakzucht, zelfzucht of zelfrechtvaardiging.

  • U sprak over verspilling van de seksuele energie. Betekent dit, dat elk bij de geboorte een afgemeten hoeveelheid hiervan meekrijgt. De gewone energie vult men immers dagelijks aan door voedsel, rust enz.

Dit ligt wat buiten het onderwerp zelf. Maar goed. Seks-energie is eenvoudig het product van chemisch-biologische reacties in het menselijk lichaam. Zij is dus niet in een bepaalde hoeveelheid aanwezig, maar zal, aan de hand van lichamelijke eigenschappen, wel een bepaalde potentie hebben. Naargelang men de seksualiteit beleeft en gebruikt zal deze potentie geheel gerealiseerd worden, deels tot uiting komen, of zelfs onrealiseerbaar blijken.

Het contact man – vrouw, dat niet slechts materiële, maar ook geestelijke waarden omvat, betekent echter wel een vergroting of toename van de levensenergie. Gelijktijdig resulteert een dergelijk contact in het wegnemen van spanningen in het ik. Dit was mijn punt van uitgang, toen ik dit aanroerde.

Wanneer hetzij het geestelijke of het lichamelijke element te veel ontbreekt, ontstaat eenzijdigheid, die resulteert in gedrevenheid – de energie kan niet tot rust komen – en onevenwichtigheid. De energie treedt getransponeerd – zo men wil getransmuteerd – op. De kracht, die langs deze weg te loor gaat, zal zich, in tegenstelling tot natuurlijker uiting daarvan, niet zo snel weer op het oude peil herstellen. In dit geval is dus sprake van een verlies, terwijl, tenzij bij excessen – bij een harmonisch contact een snel regenereren van energie plaats vindt.

Ik geef gaarne toe, dat bij een verouderen van weefsels en klieren langzaamaan het geestelijk element steeds belangrijker wordt, maar toch zal het geheel als een combinatie van lichamelijke en geestelijke eenheid blijven voortbestaan.

  • En indien het nu zuiver geestelijk is?

Dan ontstaat hierbij een lichamelijke disharmonie of een gebrek aan lichamelijke harmonie. Dit impliceert het ontstaan van onevenwichtigheden in het lichaam en het ontstaan van rusteloosheid, waardoor de energie op ander vlak tot uiting wordt gebracht. Hetgeen voorgaand gezegd werd, geldt dus in dit geval ten volle. In het genoemde geval zal de uiting van de energie hoofdzakelijk lichamelijk zijn, dus arbeid of mentale prestatie. Alleen na een zeer ver gaande scholing zal men de ontstane, niet harmonische energieën, ook voor meer geestelijke doeleinden kunnen gebruiken.

  • Wat blijft erover, wanneer je de komedie van het menselijke bestaan wegneemt?

Betrekkelijk weinig, maar dat weinige is ook zuiver en geheel bruikbaar materiaal. Indien men een mengmetaal zuivert en daar het edelmetaal uithaalt, zal men van dit weinige edelmetaal nog iets blijvends en kostbaars kunnen maken. Indien men echter het metaalmengsel laat voortbestaan, zal het langzaam vervallen en daarmede zal dan ook het daarin bevatte edelmetaal ten gronde gaan. Het verdwijnt en is niet meer weer te vinden.

Voor ik ga sluiten, nu nog enkele definities.

Illusie: Een beeld van de werkelijkheid vormen, dat voor jou niet geldt en erop vertrouwen, dat je daarmede toch iets kunt doen.

Waarheid: Iets wat je wel kunt bezitten, maar niet kunt beseffen; iets wat je wel kunt beleven, maar nooit juist aan een ander uit kunt leggen.

Sinterklaas: Het masker, waarachter zowel goedgeefsheid als schijnheiligheid geborgen gaan met een Spaans accent.

Zonde: Men kan zonde definiëren als de gemiste kans. Maar ik zou zeggen: zonde is het zelfverwijt, dat overblijft, wanneer men de onjuistheid van eigen handelen of niet handelen erkent.

Gehechtheid: De geestelijke kleefkracht, waarmee men zich aan iets of iemand anders weet vast te klampen, wanneer men niet voldoende zelfvertrouwen heeft, om op eigen benen te staan.

Gesluierd… Neen. U vindt mijn definitie van zo-even negatief? Dan zeggen wij het eerst nog eens anders: Gehechtheid is de wijze, waarop men een ander aankleeft en daardoor zowel de ander als zichzelf onrecht doet door de verwachtingen, die men op grond van die gehechtheid koestert t.a.v. zichzelf en de ander.

En nu toch werkelijk gesluierd: Een verborgen werkelijkheid, waarbij door het verborgen zijn een suggestie van belangrijkheid wordt gegeven, die, met de open en volle werkelijkheid waarschijnlijk niet gerechtvaardigd zou blijken. Vandaar dat de doorsnee mens vaak zijn werkelijke persoonlijkheid sluiert in de hoop, zo althans zijn werkelijke on-attractiviteit voor anderen te verhullen.

Ten laatste, onthechting: Je zou kunnen zeggen: De handeling die de dokter volbrengt ongeveer 10 dagen, nadat de hechting verricht is.

Onthechting is de erkenning, dat je niets waarlijk kunt bezitten, wat je niet bent. Daardoor zul je erkennen, wat je niet van node hebt en van bijna alles afstand kunnen doen, zonder zelf ook maar ooit in werkelijkheid iets armer te worden.

Verzoek nog een enkele extra: Komedie. Dit is de voorstelling, die men geeft van zaken, feiten of zichzelf binnen een kader, dat niet het werkelijke kader van eigen leven is en op een wijze, die niet strookt met eigen persoonlijkheid, maar toch wel op zo geloofwaardige wijze, dat men zowel zichzelf als anderen kan overtuigen van de juistheid van hetgeen men verkeerdelijk als waar heeft voorgesteld.

image_pdf