De mens en zijn doden

image_pdf

2 mei 1958

Aan het begin van deze avond zou ik u erop willen wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn, u zult dus zelfstandig na moeten denken.
Deze avond zou ik met u willen spreken over: De mens en zijn doden.
Door haast alle eeuwen heeft de mens op bijzondere wijze zijn doden herdacht, geëerd. Het lijkt mij goed thans dit onderwerp te berde te brengen om tevens een vergelijking te maken tussen de wijze waarop de mens thans zijn doden herdenkt en de vroegere waarden.

In de allervroegste tijden was de dood voor een mens een absolute ondergang. Zoals het dier als onvermijdelijk dit aanvaardt en er niet verder over nadenkt, zo was ook in de eerste gemeenschappen van de mensen de dood iets, wat nu eenmaal komen moest en waar men zich dan ook maar zo weinig mogelijk van aan trok. Toen echter de banden van genegenheid tussen de mensen sterker werden en de herinnering aan bepaalde heldendaden meer en meer de nadruk op bepaalde persoonlijkheden ging leggen, begon men zich af te vragen waar een dergelijke persoonlijkheid heen zou gaan. Men geloofde niet, dat helden werkelijk onder zouden kunnen gaan zonder enig overblijfsel. Daaruit trok men de conclusie, dat er ergens een andere wereld moest zijn. Door de eerste priesters, profeten en sjamanen werd dit al snel bevestigd. Vooral dank zij enige fenomenen die men thans bij het spiritisme onder zou brengen.
Hieruit
volgde ook een zorg dragen voor de doden. Op de duur ging deze zorg gepaard met een aan de doden meegeven van alle gemakken die zij in het leven hadden gekend. Wij weten, dat zelfs in betrekkelijk recente tijden naast gebruiksvoorwerpen, ook huisdieren, rijdieren, dienaren en dienaressen werden geofferd op het graf, zodat de dode niet verarmd in de andere wereld aan zou komen.

Toch bleek wel, dat, daar immers het lichaam achter blijft, die andere wereld verschillend moet zijn van deze. Velen hebben dan ook nagedacht over het leven in de wereld van de doden en getracht zich daarvan een voorstelling te maken. Dit beeld is zeker niet altijd even verheffend en vrolijk. In sommige gevallen gaan de gedachten over het hiernamaals in de richting van een eindeloze slemppartij, afgewisseld met een paar gezellige oorlogjes, waarin je toch niet meer sneuvelen kunt. Een dergelijke opvatting vinden wij bij de Germanen maar ook in Indië. Ook in het oude Perzische en Babylonische geloof bestonden dergelijke opvattingen enige tijd. Een laatste uitklinken van dergelijke voorstellingen vinden wij in de verwrongen versie van het Paradijs, zoals de westerling zich dit – verkeerdelijk – voorstelt, wanneer hij denkt te spreken over het islamitisch geloof. Ook dit beeld is verstoffelijkt en gaat over een tuin vol van allerlei schoonheden en attracties.

Daar tegenover moest ongetwijfeld ook een ander rijk bestaan, waarin men gestraft kon worden. Die straf ligt de mens over het algemeen nogal zwaar op de maag. Geloof aan hel, duisternis en verdoemenis heeft de mens ertoe gebracht zoveel mogelijk voorzorgen te treffen. Niet alleen in het christendom maar ook in de verre Oudheid werden daarom priesters beloond met een zekere welstand en aanzien voor het voltrekken van magische rituelen en het brengen van offers, kortom, die een begeerlijke en aangename toestand aan de overgeganen in hun wereld moesten verzekeren. Daarbij werd de relatie, die tussen overgegane mens en wereld bestaat, ongetwijfeld door velen juist aangevoeld. Wij weten dat bepaalde stammen als bv. sommige indianenstammen hun doden begraven in hangmatten. Zij worden van de aarde weggehouden. Het lichaam heeft niet meer het recht met de aarde in contact te zijn, wanneer de geest reeds weer in een andere wereld vertoeft.

Een ietwat andere visie die zeer bekend werd, vinden wij bij de Egyptenaren. De mens die overgaat, is ook hier iemand die in een andere wereld verder leeft en daarom alle gemakken met zich moet nemen. De groten schatten – die nu soms nog in de koningsgraven gevonden worden – zijn wel het beste bewijs dat men de dode in die dagen van alle goederen die hij vergaard had, van alle rijkdommen een groot deel meegaf. Er waren in die dagen vorsten, die heel hun leven niets anders deden dan schatten vergaren om deze met zich naar het hiernamaals te kunnen nemen. De gedachtegang van de Egyptenaren dat ook de geest, het onstoffelijke deel van het wezen tot de aarde terug kan keren, bracht met zich dat men het stoffelijke omhulsel verduurzaamde. De gewoonte lichamen te mummificeren vinden wij overigens al veel vroeger.
Dit gebruik treffen wij reeds aan in de Laat Atlantische periode. Deze praktijken worden daarna in bijna alle delen van de wereld voortgezet. Ook in de Germaanse gebieden wordt soms gepoogd, om, door insluiting van het lichaam in vaatwerk, het lichaam een langere bestaansduur te garanderen. Ook heeft de mens steeds weer zich gerealiseerd dat zijn relaties met de overgeganen voor hem van belang kunnen zijn. Nu nog zijn; een zich beroemen op de voorouders, een zich beroepen op de waarde van zijn geslacht normaal.

Zelfs in deze dagen is de familietrots nog niet helemaal uitgestorven en beroept menigeen zich erop, dat zijn voorvaderen groot en belangrijk waren. Men zegt dit, alsof de mens zelf hieruit enig voordeel zou kunnen putten. Geestelijk gezien is dit natuurlijk dwaasheid. Maar als wij rekening houden met de wetten van de erfelijkheid en de mogelijkheid dat door reïncarnaties met elkaar verwante zielen in ouder-/kindverhouding komen te staan, is het toch wel te begrijpen dat dit beroep op de voorvaderen in vele gevallen bevestigd schijnt te worden. Wij zien, dat de eigenschappen van de vaderen in hun nakomelingen worden geopenbaard en dat overal ook wordt geloofd, dat de daden van de vaderen op de kinderen worden gewroken. Dit laatste punt wordt, naar ik meen, overigens in deze tijd nogal eens over het hoofd gezien. De gedachtegang, die met dit alles samenhangt, is wel dat de doden ook voor het stoffelijke leven een bijzondere betekenis houden, zodat de wijze waarop zij sterven, overgaan, een directe invloed zal hebben op het dagelijkse leven.

Indien dit zo is – en ik meen dat wij binnen redelijke grenzen, dit als feit mogen accepteren – hoe staat het dan met uw wereld nu? De doden van uw wereld, de doden van twee wereldoorlogen, mensen die stierven onder enorme wreedheden, mensen die vergast zijn in concentratiekampen of werden neergeknald op de executieplaatsen, zijn uw wereld nog nabij. Maar ook de soldaten, die ruggelings werden neergestoken in de straten door de partizanen. De mensen, die als francs-tireurs hebben gevochten en in een laaiende haat en doodsangst zijn ondergegaan.

Wat men in het verleden geloofde: dat de doden nog meeleven met al wat er op aarde gebeurt, is hier – verschrikkelijker dan ooit – ook hier tot een werkelijkheid geworden. Zo dadelijk spreekt men weer allerwege over de doden. Zo dadelijk staat men weer aan het graf van een Onbekende Soldaat, zo dadelijk denkt men terug aan jaren van verschrikking en jubelt men nogmaals over een bevrijding. Maar realiseert men zich wel, wat dit alles betekent? Begrijpt de mens van heden, hoe hij ten opzichte van zijn doden faalt, elke keer weer? Weet die mens wel, hoe hij door te verloochenen waarvoor al die anderen hebben geleden en gestreden, ja, zijn gestorven, hij vele geestelijke krachten tegen zich in het geweer roept? Wat baat het u, dat er vele schone woorden worden gesproken en er wordt toch geen enkele daad van vrede gesteld? Wat baat het u, wanneer de redenaars zo dadelijk spreken over de eenheid van Nederland, terwijl men elkaar geestelijk en moreel tracht te vermoorden in een politieke strijd? Wat helpt het u, dat er gebeden opstijgen ten hemel voor deze doden, terwijl u metterdaad faalt ook maar één belofte te verwerkelijken, waarvoor zij dan toch gestorven zijn?

In de Oudheid waren de mensen in dit opzicht tenminste verstandiger. Wanneer er een krijgsheld gestorven was, werd hij in een graf gelegd. Een graf zo goed en groot als zijn vrienden en dienaren maar konden maken. Men gaf hem mee, wat men geven kon, ten koste zelfs van eigen gezag en weelde. Men gaf meer dan menselijk eigenlijk wel verantwoord was, dan men missen kon. Alles, opdat hij zou weten dat hij niet voor niets was gestorven. Maar ook dit was niet genoeg. De barden kwamen, de zangers en heldendichters. Aan het graf zongen zij voor het eerst hun lied van de dode die leven zou voor de stam. Vaak heeft een heel volk, een hele stam zijn leven veranderd, zijn streven veranderd omdat een mens was gestorven.
De doden staan de aarde na, want de doden leven. Wanneer die doden vergeten worden, wanneer zij terug vallen tot een gemengd bericht ergens in een krant of een ergerlijke twee minuten stilte die je eigenlijk maar terug houden van je bioscoopje, of het bereiken van je bestemming… . Is dat geen smaad? Is dat geen verwerpen van de doden en alles waarvoor zij gestorven zijn? Laat ons elkaar goed begrijpen: wie over is gegaan, kent geen vijandschap meer. Er is geen verschil in het hiernamaals tussen Nederlanders, Joden uit concentratiekampen, Duitsers, Amerikanen, Engelsen en Russen. Zij allen lijden. Lijden om de haat waarin de wereld
hen deed leven en overgaan. Zij lijden om een wereld die nog steeds maar verder gaat met hetzelfde nutteloze en gevaarlijke spel van vechten om macht.

Dit laatste is erg belangrijk. Wanneer de mensen vriendelijk en hartelijk tegen elkaar zijn, zullen zij elkaar niet zo snel de das omdoen. Zal men een vriend gemakkelijk benadelen? Dan moet men al een heel grote egoïst zijn. Wanneer zo’n vriend toont dat te bemerken en er toch niets van zegt, zou je je dan niet schamen? Dan probeer je het weer goed te maken. Kijk, dat kunnen vriendelijkheid en hartelijkheid nu voor u doen. Zij scheppen een aangename verhouding tussen de mensen. Wanneer deze relatie eenmaal bestaat – en dat lijkt mij nog veel belangrijker – zullen de mensen ook geen zin meer hebben om elkaar kwaad te doen.

Zo kun je de wereld beter maken en jezelf tot een gelukkiger mens maken. Dan verbleekt op de duur de strijd van mens tegen mens en komt daarvoor in de plaats iets van de idealen waarvan u droomt tot werkelijkheid. Bedenk wel: men kan nooit iemand met geweld bekeren. Ten hoogste kun je een uiterlijke aanvaarding van jouw mening afdwingen die gepaard gaat met een steeds groter wordend innerlijk verzet. Door de mens echter van binnen uit te benaderen, kan men hem brengen tot een accepteren van alles wat voor hem nog aanvaardbaar is en een dulden van veel daar buiten. Zo kan men komen tot een eenheid  van streven die alle strijd in de wereld doet afnemen, totdat zij verdwijnt.

Misschien zijn er  mensen, die een dergelijk doel al die moeite niet waard vinden. Maar wanneer je dit alles met een beetje beheersing van het ‘ik’ met wat vriendelijkheid en hartelijkheid kunt bereiken, zou ik zeggen: “Waarom niet?” Met heel weinig moeite kun je de wereld beter maken. Leef alleen je eigen stemmingen niet uit op anderen. Leer ook anderen te accepteren wanneer zij je niet direct sympathiek zijn. Ga niet alleen op je eigen gedachten en wensen af, maar tracht steeds weer andere mensen ook gelukkiger te maken in deze wereld. Dat zal je heus niet beletten om toch jezelf te blijven.

Vragen.

  • Op de laatste Steravond werd door twee helderzienden geen uittreding waargenomen. Heeft een diepe inspiratie plaats gehad? Wat is het verschil van inwerking op een vrijdag en een Steravond?

Op een vrijdagavond wordt het medium versluierd. Het bewustzijn van het medium bevindt zich elders. De lagere voertuigen van het medium tot het mentale toe worden mede door ons gebruikt om een betere verwerkelijking van onze eigen persoonlijkheid mogelijk te maken.
Hierbij is sprake van een eenvoudige behandeling van het medium, een bereiken van onze zijde uit, zonder dat daarbij van het medium een reiken naar hogere sferen uitgaat. Op een Steravond worden de lichamen van het medium zelf zover mogelijk teruggebracht tot een zo groot mogelijke kracht. Het geestelijk bewustzijn wordt met het nog nodige voertuig ver weg gevoerd, het stoffelijke bewustzijn wordt afgesloten. Op deze wijze kan een aanmerkelijke verhoging van het normale peil worden verkregen. Met behulp van verschillende van onze broeders wordt op het hoogtepunt de verbinding nog verder naar boven doorgevoerd. Dit punt ligt veel hoger dan voor het medium alleen bereikbaar zou zijn. Vandaar vindt een onmiddellijke instraling van kracht plaats, gepaard met in bezit nemen. Dit is vollediger dan op een normale avond gebeurt. Wanneer helderzienden dit niet waar hebben genomen, denk ik, dat zij hebben uitgezien naar stoffelijke vormen. Dergelijke astrale, dus half-stoffelijke uittredingen zullen over het algemeen niet of zelden bij dit medium kunnen worden gezien. Dit is duidelijk wanneer men de gevolgde werkwijze in aanmerking neemt. Het astrale lichaam zal over het algemeen niet het lichaam verlaten, waar dit wordt vrij gegeven voor ons gebruik en mede een zo goed mogelijk resultaat helpt bereiken.

  • Wat is de functie van geest en ziel na de dood?

Dit antwoord werd reeds uitvoeriger gegeven in een kleine brochure, die inspiratief werd samengesteld.
Geest: het bewustzijn, dat de ziel omgeeft.

Ziel: kern van het wezen, Goddelijke kracht, voor het voorstellingsvermogen van de geest van de Goddelijke Alkracht gescheiden, zonder dat dit ook in feite het geval was. Voor en na de dood is de rol die geest en ziel spelen hetzelfde. De ziel brengt uitvoeringsdrang, is deel van de Goddelijke Scheppingsgedachte. Voor de geest: realisatie van de Goddelijke Scheppingswil zover deze zich uit binnen een facet of persoonlijkheid.

  • Hoe komt het dat vier rassen ontstaan zijn? Rood, zwart, blank, bruin?

Hoofdzakelijk doordat de levenscondities op de aarde in de loop der tijden zich aanmerkelijk wijzigden. De rassen, die aangepast aan de heersende condities ontstonden, bleven ook voortbestaan na een wijziging door een zich aanpassen. Het gevolg was, dat de kwaliteiten van de rassen genetisch veranderde, waarbij tevens een aanpassing aan een bepaald klimaat plaatsvond. Dit is de redelijke verklaring. Ik zou er echter prijs op stellen u hier aan een kleine indiaanse legende te herinneren.
Toen de Grote Schepper de mens wilde maken, vormde Hij Zich een lichaam uit klei en bakte het in Zijn oven. Hij liep echter even weg om te zien naar de zon, die nog niet helemaal goed aan de hemel hing, waardoor deze eerste mens teveel verbrandde. Hij wierp het resultaat opzij. Dat werden de negers. Daarop maakte Hij wederom een lichaam en bakte het. Zijn aandacht was echter zo op sterren en maan gericht dat Hij Zich in de tijd vergiste en het te snel uit de oven haalde. Dit werd het Aziatische ras. Daarop was Hij zo zeer bezorgd en geërgerd, dat Hij Zijn oven niet genoeg opstookte. Het product was dan ook niet gaar en heel bleek toen het uit de oven kwam. Dit werd het blanke ras. Nog eenmaal maakte God een lichaam en bakte het. Deze keer slaagde alles perfect. Het lichaam had een gezond roodbruine kleur. Dit waren de indianen.

  • Waarom antagonisme tussen de verschillende rassen?

Naar ik meen is dit in de eerste plaats een kwestie van zelfbehoud. Het antagonisme komt immers eerst dan naar voren, wanneer een sterker ras een zwakker gaat exploiteren en bekeren. Ook komt het antagonisme wel voor, wanneer er een zwakker en dommer ras voor zijn heersers van een ander ras, lastig of gevaarlijk gaat worden. Opmerkelijk is bv. (in de V.S.;Red.), dat de zwarten hoog werden geschat in de zuidelijke staten en veelal heel goed werden behandeld zolang zij slaven waren. Eenmaal vrij, werden zij echter tot een gevaar voor inkomen en mogelijkheid tot verdienen van de blanken. Vanaf dat ogenblik begon het blanke ras hier een strijd om de zwarten terug te dringen tot hun plaats van slaven. Vooral in de eerste tijd was daardoor de toestand van vele zwarten slechter dan in de slaventijd.
Ik meen, dat wij dit voorbeeld overal op de wereld in enigszins gewijzigde vorm terug kunnen vinden. Primaire oorzaak van het antagonisme is steeds weer de vastbeslotenheid van het heersende ras en zijn leden, om ongeacht bekwaamheid eigen meerderwaardigheid te handhaven, terwijl het zwakkere of onderworpen ras streeft naar een gelijkheid met het
heersende ras. Dit kweekt haat bij de meest bedreigden en hieruit komt uiteindelijk de rassenstrijd voort.

  • Zijn atoomproeven verantwoordelijk voor de grote straling, die in de ionosfeer is vastgesteld?

Ongetwijfeld zal enige radioactiviteit ook hier zijn doorgedrongen. Ik mag u echter hier wijzen op wat wij reeds uitvoerig over ruimtevaart hebben verteld. Wij wezen er al een jaar geleden op dat harde straling en kleine stofdeeltjes het voor de mens gevaarlijk zouden maken de atmosfeer te verlaten. Dit stond niet in samenhang met atoomexplosies.

  • Wat is gasvormig metaal?

Hieronder verstaan wij een stof die in vast of neergeslagen vorm, zich gedraagt als een metaal,  doch bij andere temperaturen – niet te hoge – zich als een gas gedraagt. Dus grote tussenruimte en weinig onderlinge samenhang van de atomen of moleculen. Elk metaal kan een gasvormig metaal worden, mits de temperatuur groot genoeg is en geen verbranding optreedt.

  • De verschijning van Homo Sapiens dateert ongeveer 150.000 jaar terug. Bestonden er reeds ongeveer 1 miljoen jaren geleden rijken en beschavingen?

Ongeveer 800.000 jaar geleden wel. Dit waren echter nog geen mensen zoals zij thans bestaan. Wij mogen dus stellen dat dit de voorlopers van Homo Sapiens waren. Er bestonden toen echter beschavingen, die aan de beschavingen van heden ongeveer gelijk kwamen en in sommige opzichten zelfs enigszins overtroffen.

  • Opmerking: Homo Sapiens betekent denkende mens. Hoe kan dit alles, wanneer het redelijk denken nog niet ontwikkeld was?

Ik vrees dat Homo Sapiens zich verheft op een redelijk denken, dat hij slechts zeer ten dele bezit, terwijl dit op gelijke wijze in alle andere wezens kan bestaan, zodra een voldoende ontwikkeling van de geheugencentra heeft plaats gevonden. Ook andere vormen dan Homo Sapiens waren in staat tot redelijk denken. In het verleden gehoorzaamden deze vroege mensen echter nog wel aan bepaalde natuurwetten die u op het ogenblik niet meer als dringend ervaart. Zij wisten echter een gemeenschapsleven te voeren met alle technische middelen en commerciële mogelijkheden van dien.
Homo Sapiens is een naam die aan een bepaald type van
mens werd gegeven. Dit is het thans heersende hoofdtype. Daarvoor bestonden andere menselijke rassen die men niet met Homo Sapiens aanduidt. Denk bv. aan Homo Pekinensis. Deze wordt gezien als voorloper van Homo Sapiens, ofschoon hij ongetwijfeld even beschaafd was, als vele leden van het ras Homo Sapiens thans.

  • Opmerking: Maar daarbij werden benen artefacten aangetroffen. Dit pleit toch niet voor wat wij nu beschaving noemen?

Ongetwijfeld zullen uw achterkleinkinderen op een dergelijke wijze over u denken, waar u te voet gaat of een auto gebruikt in plaats van u met een anti-gravitator voor te bewegen. Mijn inziens kunnen wij beter stellen dat niet de werktuigen zelf de beschaving uitmaken, maar wel de wijze, waarop die werktuigen door de gemeenschap en ten bate van de gemeenschap worden gebruikt.

  • Stelt u dus, dat de mensen van die tijd een beschaving hadden die met de huidige kan worden vergeleken?

Inderdaad. Zij bouwden misschien een 1.000 jaar aan een tempel die u op het ogenblik  kunt oprichten in twee jaar. Maar in die tempel legden zij veel meer liefde en veel meer gemeenschapszin dan in uw tijd in de huidige tempels. Ook zij wisten grote gebouwen op te richten, wanneer deze ook in de tijd zijn onder gegaan. Zij waren meesters in houtbewerking. Zij wisten zelfs steen te bewerken en maakten een beperkt gebruik van sommige metalen. Zij kenden verschillende chemicaliën en maakten gebruik van bepaalde chemische reacties. Dit alles duidt m.i. toch op een hoog peil van beschaving. Nu spreken wij echter nog alleen over de Aziatische mens en niet over het ras dat in meer westelijke gebieden heeft geleefd. Deze hebben een tijd lang onder meer een beperkte beheersing van de atoomkracht gekend.

  • Maar zij hadden geen atoombommen?

Neen, zij niet, Maar bij gebrek daaraan hebben zij hun land om de hals gebracht door
vulkanen te activeren met zeewater.

  • Toen waren zij dus klaarblijkelijk gedegenereerd?

Mijn waarde vriend, het schijnt, dat elke beschaving, die een zeker hoogtepunt bereikt, een kritieke periode door moet maken. Wanneer men op dit punt is gekomen, moet het belang van de gemeenschap worden erkend boven het belang van het individu. Vindt deze ontwikkeling niet plaats, dan zullen die delen van de gemeenschap de gemeenschap vernietigen. Voor deze mensen, waarover wij spreken, is het laatste gebeurd.

  • Pithecanthropus erectus had veel minder hersencapaciteit dan wij. Wat doen wij dan eigenlijk met al die hersenen?

Over het algemeen denken (jullie) dat je ze gebruikt, maar ze in feite zo weinig mogelijk gebruiken. De hersenen zijn groter geworden toen verandering van leefwijze een verandering van lichaam- en schedelbouw veroorzaakte. En wel in overeenstemming met elkaar. Een groot aantal van de lichaamsfuncties werd hierbij aanmerkelijk verfijnd als bv. tastzin. Vroeger bezat men die in veel geringere mate. Een beheersing waardoor men zich – zoals u – kon afsluiten voor ongewenste invloeden van buitenaf, bezaten deze vroegere typen niet.
Ook het gehele zenuwstelsel was veel eenvoudiger ofschoon doeltreffend. U denkt, handelt en beheerst uw lichaam praktisch geheel door de hersenen. Vroeger deden nu nog bestaande zenuwknooppunten en centra de dienst, die thans voor een groot deel door de kleine hersenen wordt gedaan. Men zou misschien kunnen zeggen, dat de moderne (mens) met zijn – vanuit de natuur gezien ietwat ongelukkige vorm een voorbeeld is van wat er bereikt wordt met centralisatie.

  • Veertien dagen geleden vermeldde u, dat bepaalde ingewijden in Egypte de opbouw van de materie al kenden. Bij Thales van Milete, Herakles en Empedocles vinden wij opvattingen die reeds naar de huidige wijzen. Dankten zij hun inspiraties aan Egypte of anderszins?

Een groot deel van hun wijsheid dankten zij inderdaad aan Egypte. Er is een tijd geweest, dat de Egyptenaren in hun scholen vele voorname buitenlanders ontvingen en opleidden. In de tijd van de machtige farao’s was het gebruikelijk dat men – van verbonden of onderworpen volkeren – een aantal zonen en dochters van vorsten in de huishouding opnam. Daar de farao – als afstammeling van de zon – tevens hoofd was van de staatskerk, ontvingen zij daar meestal een religieuze opleiding en lagere wijdingen. Indien zij dit wensten, werden zij  vaak toegelaten in laboratoria van de tempels, mochten zij naar wetenschappelijke uiteenzettingen luisteren die geen priestergeheim waren en konden dit alles ook leren. Men deed dit omdat men ervan overtuigd was, dat een gemeenschappelijke achtergrond van weten en cultuur een onverbrekelijke band zou vormen tussen Egypte en deze in hun eigen gebied zeer belangrijke mensen.

  • De genoemde Grieken leefden tussen 600 en 100 v. Christus. Leefden die ingewijden veel vroeger?

Het hoogtepunt van deze ingewijden ligt ongeveer 2700 v. Christus. Eerst toen de Egyptenaren niet geheel meer begrepen welke kostelijke wetenschappelijke schatten zij bezaten, gaven zij anderen vaak inzage in de hierover handelende geschriften. Daardoor konden de leerlingen van farao’s huishouding, vaak reeds doordringen in belangrijke geheimen, terwijl men later zelfs aan vreemden de inzage niet weigerde in geheime geschriften, die vroeger nog voor haast een ieder verborgen werden gehouden. Toen door de handel, de Egyptische godsdienst ook in andere landen zijn tempels bouwde, gaf men vaak belangrijke vreemdelingen inzicht in geheimen, die men zelf niet geheel meer begreep en stelde hen hierdoor in de gelegenheid tot soortgelijke stellingen – ofschoon onjuister en niet zo uitgewerkt – te komen als vroegere ingewijden. Nu weten wij dat – van ongeveer 750 v. Christus  tot ongeveer 100 n. Christus – de Egyptische invloed in Griekenland het sterkste was i.v.m. de zich daar ontwikkelende machtige bonden en rijken. De handel met Egypte maakte het vestigen van heiligdommen daar toen op eenvoudige wijze mogelijk.

  • Hoe kan iemand met hoog geestelijke bewustwording willen incarneren als bv. een dronkaard, of een idioot? Ik zie dit als achteruitgang.

Bepalend is wel wat de behoefte is van iemand die zich hooggeestelijk bewust is. De dronkaard, gezien zijn onbeheerstheid, lijkt mij inderdaad een teruggang. De debiel niet. Want deze kan, ondanks de beperking van zijn wereld, bepaalde waarden van die wereld scherp beleven. Dit betekent veelal een veel groter gevoels- en begripswaarde binnen die beperking dan mogelijk zou zijn bij een normaal denkende mens. De debielen zijn vaak niet werkelijk onvolwaardigen. Zij zijn slechts onvolwaardig t.o.v. de eisen die de maatschappij stelt, maar kennen in zich een leven dat even intens is, dat even grote mogelijkheden tot leed, vreugde en ervaren bevat, als bij normale mensen en soms zelfs grotere. Een bewuste kan dus hiervan soms gebruik maken om dergelijke intense ervaringen te ondergaan en zich daarmede te bevrijden van de laatste banden die hem nog aan de stof binden.

  • In Engeland heerst grote verdeeldheid omtrent inseminatie. Wat behoort onze houding te zijn?

Kunstmatige inseminatie lijkt ons daar, waar men met huisdieren te maken heeft, een eenvoudige en betrouwbare oplossing. Het geeft de mogelijkheid door juiste methoden een select ras te kweken. Waar men het voor mensen wil gebruiken, brengt het gevaren met zich, omdat het misschien tot misbruiken aanleiding kan geven. Voor kinderloze echtparen, die ernstig naar een kind verlangen, zou dit een goede oplossing kunnen zijn. Uw houding zal m.i. moeten zijn: geen inseminatie zonder werkelijke noodzaak voor mensen. Indien al, op hun eigen verlangen, dan onder strenge controle van de staat. Terughouding zonder afwijzing.

  • Heeft een overledene er iets aan, wanneer hij wordt gemummificeerd of allerlei mee krijgt in het graf?

In de praktijk niet. De ervaringen die wij hebben opgedaan met gevallen van mummificatie onder de meer bewusten: iemand beschouwde zijn lichaam na enige tijd en zei toen tegen mij: “Ik kan mij niet voorstellen, dat ik vroeger zo lelijk ben geweest…” In feite heeft dit voor ons geen betekenis. De gedachten die met het treffen van dergelijke voorzorgen gepaard gaan echter wel.

  • Kan mummificatie niet een belemmering zijn voor het leven als geest?

Alleen wanneer iemand zo weinig bewust is, dat hij dit onbeweegbare en onbruikbare lichaam nog steeds als zijn werkelijke ‘ik’ blijft beschouwen. Het is o.m. hierom dat wij voor
onbewusten een snellere vernietiging van het lichaam voorstaan dan bij mummificatie het geval is.

  • Maar de oude Egyptenaren en zelfs de Atlantiërs meenden klaarblijkelijk toch, dat zij hiermede een houvast gaven aan het blijvend uittredende gedeelte.

Inderdaad. Maar als voorwaarde gold, dat men van het leven in een andere wereld op de hoogte was en deze wereld als werkelijkheid aanvaardde. Wanneer men de wereld van de geest aanvaardt en zich toch daarin in minder aangename omstandigheden bevindt, is een vlucht binnen het geconserveerde lichaam mogelijk. Het kan zelfs als een soort basis, een pied-à-terre worden gebruikt, wanneer men op aarde een zekere zending zou willen vervullen. Het is als verbinding met de stofwereld, vooral voor de magisch bewusten, dan ook  zeer bruikbaar.
Voor onbewusten echter is het eerder een vloek. Vereenvoudigd ligt de zaak zo. Wij bezitten geestelijk meestal nog enkele voertuigen waaronder een astraal voertuig. Dit astrale voertuig zou normalerwijze vervallen na enige tijd, wanneer wij het vrijlaten. Willen wij dan handelingen stellen, waarvoor een astraal lichaam nodig is, moet dit eerst weer worden opgebouwd. Een bewuste geest kan dus andere werelden betreden en zijn astraal lichaam zolang in de mummie parkeren. Doordat het lichaam niet ontbindt, kan het daarin verblijvende astrale voertuig, de nodige straling voor instandhouding ook hier ontvangen. Wanneer de geest nu tot het lichaam terugkeert, kan hij met dit astrale voertuig zonder verdere moeite of krachtverbruik in de omgeving opereren. Op de duur kan men ook leren hoe men bepaalde krachten, op eigen wil doch zonder eigen aanwezigheid, het astrale voertuig voor taken in en rond de stof kan activeren.
Bepaalde handelingen in onze wereld eisen bovendien soms enige stofverwante krachten. Vroeger wist men hoe deze door het laten van een astraal voertuig op aarde snel en in grote mate kon ontvangen.

  • Hoe moet ik mij de astrale actie voorstellen op het ogenblik dat het astraal voertuig binnen het lichaam is geparkeerd?

Geen actie dan wel automatische acties. In ieder geval geen bewuste actie, zolang het mentale en etherische in zijn eigen voorstellingswereld leeft. Eerst wanneer deze zich vereenzelvigen met het astrale voertuig kan actie op aarde plaatsvinden. Deze behoedt dan uitwisseling van gegevens, beïnvloedingen, magisch werk e.d. . Doordat het astraal gebied vaak geheel met het stoffelijke gebied is verknoopt, kan door een astraal voertuig zeer veel worden ervaren van hetgeen er op aarde gebeurt, terwijl eigen – op astraal gebied – gestelde handelingen omgekeerd ook op aarde grotendeels merkbaar kunnen worden gemaakt.

  • Ervaart de overledene iets van anatomie in de snijkamer en hoe?

De ervaring hangt af van het zich al of niet blijven vereenzelvigen met het lichaam na de overgang. Wanneer men zich nog één gevoelt met het lichaam, zal men kunnen waarnemen wat daarmede geschiedt en zich alles, wat er mede gebeurt, voorstellen als aangedaan aan het
eigen ‘ik’. Waar de voorstelling voor ervaring in de geestelijke wereld nu eenmaal overheerst en het wereldbeeld schept, zal men dan dus precies hetzelfde ondergaan als men bij een dergelijke handeling bij levende lijve zou hebben ondergaan. Heeft men echter geen bijzondere interesse meer voor het lichaam en beschouwt men het als een afgedaan voertuig, dan kan men er desnoods gehakt van maken, zonder dat de geest er maar ook iets van merkt.

  • Bij crematie moet men dus bewust zijn om er geen nadelen van te ondervinden?

Om geen pijn te ervaren, inderdaad. Over voor- en nadelen kan men overigens verder nog verschillend denken. Ik meen niet, dat het een groot nadeel is van zo iets lastigs, als het je één voelen met de stof, ontslagen te worden, zelfs al geschiedt dit ten koste van veel pijn.

Het schone woord : bril

Twee geslepen glazen die voor twee ogen staan, de sluier verdrijvend die een waan van schoonheid ons heeft gegeven.
Twee stukken glas waarin de wereld leeft,
waaruit het leven leert.
Scheppend uit licht ons de vorm,
die de wereld ons toont als normen wenselijk eert.
Een bril die je afzet vanwege de schoonheid,
omdat het niet past bij je figuur en je een waan leent kort van duur.
Een bril voor de geest moet er menigeen dragen
want hij ziet niet ver genoeg, meestal ziet zo iemand slechts wat hij verdroeg in het verleden en verder niet.
Maar toch, is het heden niet het ware leven?

Groeit niet hieruit slechts beleven en streven?

De bril van geestelijke werkelijkheid is gebouwd uit twee gedachten:

Dat, wat de wereld is, ben jezelf , dat is het eerste glas.

Wat ik zelve doe, zal ik ervaren. Het tweede glas.

Zie je de wereld zo, alles past ineen,
je ziet een werkelijkheid, waarin het ‘ik’ zijn God weerspiegelt voor alle tijd.
Dan weet je, wat zin het leven heeft,
dus leer de waarheid zien; als je scherp genoeg leert schouwen, misschien, leer je dan de Schepper zien en bouwen met Hem al, wat in Oneindigheid besta.
image_pdf