De mens en zijn leven

16 november 1956

Het is mij een genoegen om voor u op deze avond te mogen spreken. Ik moet u natuurlijk nog allereerst herinneren aan het feit, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Er wordt van u verwacht, dat u uw eigen oordeel gebruikt en datgene, wat u waardevol vindt, behoudt en overdenkt en maakt tot deel van uw eigen leven en levensbeschouwing. Mijn onderwerp is: De mens en zijn leven.  De mens en zijn leven. Wat is eigenlijk een mensenleven?

Een leven op aarde, een leven in de stof, een leven, dat beperkt wordt door eigenaardige verschijnselen, dat men tijd noemt. Voor de doorsneemens meen ik, dat men op het ogenblik 60 á 70 levensjaren mag aannemen als een normale levensduur. In deze tijd moet de mens op aarde iets volbrengen. Daarnaast heeft hij zijn tweede werkelijke leven. Wij moeten wel degelijk een verschil maken tussen het werkelijke leven van de mens en zijn mensenleven, het leven in een menselijke gedaante. Een mens leeft nl. ten allen tijde, voortgekomen uit de kosmos, geschapen in het eerste ogenblik, zoekend naar bewustzijn, zal hij blijven voortbestaan, tot het laatste ogenblik, dat de tijd dooft, de sterren verbleken en de Schepper anders beschikt.

Zijn mensenleven daarentegen is een soms vaak herhaalde, maar betrekkelijk korte episode, waarbij zijn dierlijk leven bepalend is voor de reeks ervaringen, die hij opdoet. Misschien klinkt het voor sommigen uwer wat hoog, of hoogdravend. Maar ik kan u verzekeren, dat het voor mij noodzakelijk is deze punten eerst vast te stellen. Wij nemen dus aan, dat een mens op aarde komt en leeft. Dit leven brengt voor hem mee een zich in voegen in een reeks van biologische en biochemische verschijnselen.

In de eerste plaats de gestalte en de vorm van zijn lichaam. De wijze, waarop u groeit bepaalt de wijze waarop u leeft in zeer aanmerkelijke mate. Het menselijk lichaam, het feit, dat de mens een zoolganger is tweevoetig, dat hij twee handen heeft met reversibele duimen. Reversibele duim wil dus zeggen, dat zij tegenovergesteld kan worden aan de vingers, niet slechts daarnaast staand, heeft voor hem de noodzaak geschapen zich een maatschappij op te bouwen. Zijn lichaam is nl. niet in staat om alle klimaat zonder meer te verduren. Eens is dat wel zo geweest, maar thans kan de mens dit niet meer. Hij is dus gedwongen aan bepaalde behoeften van zijn lichaam gevolg te geven en gebruik te maken van de capaciteiten, die dit lichaam biedt.

In de eerste plaats als kind. Als kind reageert de mens op de reacties van zijn omgeving, niet op de omgeving zelf. Het klinkt misschien heel eigenaardig, tenzij u zich nog kunt herinneren, hoe een kleine baby zich gedraagt. Wanneer u dat kind verwent, zal het steeds schreeuwen, omdat het weet: “wanneer ik schreeuw, dan komt iemand”. Wanneer het daaraan niet gewend is, dan zal het misschien het schreeuwen gebruiken om ongenoegen uit te drukken. Maar indien ook daarop weinig acht wordt gegeven, blijkt, dat de woede zeer groot moet zijn, voordat het kind zich een inspanning van enkele uren schreien getroost.

Dus: naarmate de reactie van de omgeving minder scherp is, zal het kind trachten meer te reageren op zijn omgeving. Dit doet ons dan al meteen zien, dat in het mensenleven twee grote categorieën moeten bestaan.

De categorie mensen, die verwacht, dat de reacties van het leven op eigen reactie steeds de vervulling van hun eigen verlangens zullen zijn,in de tweede plaats de reeks, die zich voorstelt, dat wanneer zij zichzelf voortdurend aanpast aan het leven en de verschijnselen daarvan, alles goed zal gaan. Zij zijn dus met elkaar eens, dat zij – in het begin althans – optimisten zijn. Zij zijn het echter niet met elkaar eens in de wijze, waarop de gelukstoestand, die zij zich voorstellen, bereikt kan worden. Deze verschijnselen zijn nu zuiver stoffelijk. Zij zijn het resultaat van een conditioneren door omgeving. Dus een wel degelijk bepalen van levenshouding door wat rond u bestaat.

Stoffelijk zien wij dan verder, hoe de maatschappij, die de mens zich heeft geschapen, bepaalde eisen stelt. Voor de mens is het altijd of beantwoorden aan deze eisen, of ondergaan. Ondergaan kan betekenen: sterven, maar ook buiten de maatschappij en alle voordelen daarvan staken. Begrijpelijkerwijze zal slechts een enkele mens het wagen om buiten de maatschappij te leven. Daarvoor moet je veel sterker zijn dan voor een leven in de maatschappij.

Wanneer er een verzet komt tegen de maatschappij, zal dit over het algemeen niet het verzet van de eenling zijn. Het is altijd het verzet van een groep. Dus een maatschappij in de maatschappij. Dit kunnen wij niet terug brengen tot geestelijke beginselen. Dit is het zuiver resultaat van het stoffelijk leven en al, wat er bij behoort. Ook in de oude tijd is dat zo geweest. De eerste stammen, die op aarde leefden, waren ook als groep sterk en moedig. De jagers gezamenlijk dorsten elk gevaarlijk dier aan. Elk voor zich was heel vaak een lafaard, bijgelovig, vol van angsten, die hij niet kon beheersen.

Hoe zal nu het geestelijke leven van de mens zich moeten gedragen in dit stoffelijke leven van de mens, wil voor beide soorten van leven een redelijk resultaat voortvloeien uit de bestaanstoestand: mens. Daar volgt dus uit: de geest zal zich voor een groot gedeelte moeten aanpassen aan de stof. Het klinkt misschien onzinnig, maar de geest staat hoger, zij is vrijer, zij zal de meester van de stof behoren te zijn.

Maar de mens kan de geest en de wereld van de geest slecht benaderen en slechts zeer zelden benaderen. Vandaar dat de stoffelijke uitdrukking voor hem het belangrijkste is. En deze stoffelijke uitdrukking wordt voor hem mede bepalend door al hetgeen ik u van te voren reeds heb opgenoemd. Het resultaat is dus werkelijk: de geest zal dus moeten leren zich gedeeltelijk aan de stof te onderwerpen. Er komen echter nog meer punten naar voren, die belangrijk zijn. Voor de geest nu spreek ik dus ook een ogenblik van de ervaringen van onze werelden vindt haar grote rust en grote kracht vaak in wat men met een wereldontruktheid een toestand van verrukking zoudt kunnen vergelijken. Zij schakelt geheel de wereld uit en beleeft slechts één waarde, maar dan zo intens dat haar hele wezen doorstroomd wordt van de krachten, die binnen deze waarden geborgen liggen.

In de stof zou men ook een dergelijke toestand weten te bereiken, zou van een gezamenlijk stoffelijk en geestelijk leven op één ook maar enigszins sprake kunnen zijn.

Dit houdt weer in, dat de mens dus genoopt is zijn stoffelijk weten, zijn denken en kunnen, zodanig te bepalen, dat hij geestelijk kan komen tot deze kracht, tot deze bereiking. Zolang het lichaam niet meewerkt, kan die arme geest niet rusten. Vandaar dat zoveel mensen vermoeid worden in hun leven. Niet, omdat zij geen kracht hebben. Zij hebben meer dan kracht genoeg, maar zij hebben de tijd niet deze kracht in zich te laten doorwerken. Dus als iemand, die zo gehaast door een grote feestzaal, vol met kostelijke spijzen, heen stormt, dat hij vergeet zich te voeden. Het voedsel is er. Wanneer hij verhongert is dit zijn eigen schuld.

De mens met zijn leven begaat vaak dezelfde dwaasheid. Hij begrijpt niet, dat de intensiteit van zijn eigen geestelijk streven, het doel van zijn geestelijk leven en beleven, de bewustwording alleen bereikt kan worden, wanneer hij voortdurend zichzelf voorziet van alle nodige krachten om verder te gaan.

De anachoreet, de mens, die zich van de wereld afzondert in vrome overpeinzing, tracht iets dergelijks tot stand te brengen. Hij tracht n.l. de condities rond zijn lichaam zozeer te veranderen, dat meditatie, verrukking, verzinking in het zelf, in het “ik”, voor hem een normaal verschijnsel zullen worden. Hoe eenzamer immers de mens is, hoe meer hij gedwongen is tot zichzelf te gaan. Hoe meer hij tot zichzelf gaat, hoe verder hij kan reizen in zichzelf en in alle krachten, die met het “ik” verbonden zijn, tot het goddelijke toe.

Maar wanneer hij nu niet zorgt voor de lichamelijke noden, wanneer hij weigert aan de allereerste behoeften van de stof, wat zien wij dan? In plaats van een werkelijke wereld, die hem kwelt, komt er een schijnwereld, die hem kwelt. Of dit nu duivels zijn, of luchtspiegelingen, of hij benaderd wordt door verrukkelijk schone vrouwen, of door de afzichtelijkheid van demonen, die hem dreigen te verslinden, de beelden, die uit zijn bewustzijn geboren worden, maken het hem onmogelijk tot een lichamelijke, laat staan tot een geestelijke rust te komen.

De grootste wijzen en de grootste ingewijden waren daarom zeker geen mensen, die zichzelf iets ontzegden. Of wij nu spreken over de grote Boeddha, of Krishna, of Jezus, over Appolonius, over Comte de Saint Germain, of wie dan ook, in alle gevallen zullen wij zien, dat zij zeker geen tegenstanders zijn van gezelschap, van ontspanning, van vreugde.

Van de Boeddha is bekend, dat hij onherkend deel nam aan een feestmaal bij een paria. En enige dagen een feest bijwoonde bij een zeer hoog geplaatst brahmaan.

Van Mohammed is bekend, dat hij na gebeden te hebben, en zijn geest uitgezonden te hebben terugkeerde en zeer grote en uitgebreide maaltijden tot zich nam.

Van Appolonius is bekend, dat hij mee aanlag aan zeer vele feestgelagen.

De graaf De Saint Germain was één van de meest perfecte gastheren van zijn tijd.

Jezus droeg een kleed zonder naad. Een zeer grote kostbaarheid in Zijn tijd,een grote weelde ook. Hij vierde feest op de Bruiloft te Kanaan. Hij at mee daar, waar Hem voedsel geboden werd. Hij maakte geen grote verschillen. Zo waren zij allen.

Stof en geest waren twee levenssoorten. Maar pas wanneer zij zich parallel en harmonisch bewegen, wordt het voor de geest mogelijk rust te vinden, voor de stof mogelijk om kracht te vergaren.

Daarom is de eerste les, die ik wil trekken in dit onderwerp wel: een ieder, die tot een geestelijke bereiking wil komen, trachtte, daarnaast een stoffelijk streven te stellen, dat evenzeer bereiking betekent. Wanneer deze beiden redelijk in overeenstemming te brengen zijn, zal hij daardoor komen tot een zeer volledig beleven in de eerste plaats en tot een resultaat, waarbij grotere krachten gebruikt en verbruikt kunnen worden dan ooit het geval kan zijn. Dus…. parallel tussen geestelijk en stoffelijk leven niet eenzijdig, maar steeds beide factoren er zijn twee levens: het leven van de geest, dat oneindig is en het leven van het stoflichaam, waaraan zij gebonden is, dat wel zeer eindig is.

Het tweede punt, dat wel evenzeer belangrijk voor een ieder kan zijn, die zoekt naar geestelijke bewustwording, is dit: In een stoffelijk leven komt begrip vaak meer op de voorgrond dan kennis. Wie slechts kennis zoekt, verbruikt zijn krachten zonder de geest in staat te stellen zich parallel hiermede te bewegen. Want de kennis dezer wereld is voor de geest vaak nutteloos en zelfs dwaas en onzinnig. Maar zo’n begrip van de dingen wordt door een werkelijk beleven daarvan een juist waarderen daarvan mogelijk wordt, is zeer belangrijk. Wij zouden dus kunnen zeggen: Het zij niet het doel van de mens zoveel mogelijk te weten, maar van weinige dingen zoveel te weten, dat hij ze begrijpt in alle uiting. Dan eerst heeft hij iets bereikt, dat voor stof en geest gelijkelijk belangrijk is.

Een derde punt: strijd. Een geestelijke strijd, die geen stoffelijk evenbeeld vindt, is een nutteloze strijd. Het beste voorbeeld zien wij in de mensen, die voortdurend zichzelf bekampen in de geest en in hun denkvermogen voortdurend zeggen: “Dit heb ik fout gedaan en dat en ik zal het beter doen zonder er ooit stoffelijk toe te komen”. Zij voelen zich schuldig, zijn dus niet in vrede, maar zijn niet in staat de stoffelijke daad parallel met de bewustwording te stellen.

Het is in een dergelijk geval beter, dat men een enkele daad leert te stellen, die in overeenstemming is met het geestelijk bewustzijn, dat men bezit dan dat men alle fouten zich verwijt, die men gemaakt heeft en die men niet herstellen kan.

U zult met mij eens moeten zijn, dat dus de daad zeer belangrijk op aarde moet worden geacht. Maar dat deze daad moet voortvloeien uit een twee-eenheid van streven. Een stoffelijk streven, dat de daad en handeling aanvaardbaar en redelijk juist maakt. Daarnaast een geestelijk streven, dat zich bevestigd ziet in deze stoffelijke daad en daardoor een zuiverder beeld krijgt van de wereld en zichzelf.

Nog een laatste punt en dan zal ik uw geduld niet langer op de proef stellen,

Wanneer een lichaam bidt, dan wil het zeggen, dat alle redelijke vermogens zozeer geconcentreerd worden op het hoogst bereikbare punt, dat hier door die harmonie en eenheid met wezen wordt geschapen, waarbij men tijd en ruimte tijdelijk vergeet.

M.a.w. het ware gebed verplaatst de mens stoffelijk en wel buiten de tijdscontinuen, waarin hij normaal beleeft. De geest nu kan in het bidden evenzeer tot het Hoogste gaan. Zij kan biddende verder stijgen dan het een mens stoffelijk mogelijk is, omdat zijn begripsvermogen reeds staakt, daar waar de geest nog aanvoelen, begrijpen en verwerken kan. De geest echter moet evenzeer willen bidden en het gebed moet zuiver zijn. Een onzuiver gebed is een gebed, waarin men zelfzuchtig bepaalde punten naar voren brengt, dan wel een stoffelijk ingrijpen tracht te bewerkstelligen, zonder dat men overzicht heeft van de werkelijke behoeften en noodzaken van degene, voor wie men een dergelijk ingrijpen verlangt.

Hieruit volgt, dat stoffelijk bidden mits onzelfzuchtig, zonder haat, zonder begeren en zonder angst de beste weg is om het de geest mogelijk te maken zich in hogere, lichtende krachten terug te trekken. Waar het de mens soms moeilijk valt om het in gebedsvorm te doen, dus de aanvaarde vorm van smeking tot God, kan hij dit ook doen in een vorm van een contemplatie, een beschouwing van het deel der goddelijke waarheid, of zelfs van de goddelijke schepping, binnen zijn eigen leven.

Hierdoor verenigt hij n.l. in zichzelf alle krachten weer op punt, een hoog punt. Hij verandert in deze meditatie verschillende delen in zijn lichaam. O.a. zijn ademhaling, zijn polsslag en zelfs ook verschillende secreties en afscheidingen in het lichaam. Op de duur bereikt hij hierdoor een stoffelijk evenwichtige toestand. Zijn gericht zijn op het hogere maakt het de geest mogelijk haar eigen ervaring gedeeltelijk stoffelijk uit te drukken binnen het gebied van rede en gevoel. Omgekeerd zal deze mogelijkheid voor de geest betekenen: een scherpe realisatie van al hetgeen zijzelf biddend boven haar eigen sfeer ontmoet, aanvoelt en leert kennen.

Wanneer de mens zijn leven goed gebruikt, is het een menging van daad en denken, van geest en stof. Hij weet, dat zijn leven op aarde instrumenteel is voor iets anders, waarvan hij meestal geen juiste of zuivere voorstelling heeft. Hij vergeet soms wel eens, dat dit doel na moet worden gestreefd ook in de stof, maar met de middelen der stof en op stoffelijk redelijke wijze.

Dus wanneer hij stoffelijk redelijk handelt, kan hij tot een zodanig beleven, dat de geest verrijkt is aan het einde van het leven, terwijl het leven in de stof zelf praktisch onbeperkt verlengd kan worden, waar het zich in deze toestand reinigt van alle vermoeidheidsstoffen, die slijtage teweeg brengen. Hierdoor verjongt hij zichzelf, schept voor zichzelf meerder levensmogelijkheden en leert het stoffelijke het biologische deel van zijn bestaan steeds meer te beheersen. Ik geloof, dat ik hiermee een onderwerp heb aangesneden, dat uw aandacht waardig is.

  • U zei zo-even: er zijn twee levens. Het geestelijke en het stoffelijke leven. Maar dit is toch een continuïteit, een evenwicht?

Elke mens, die sterft, bemerkt dat hij leeft en toch niet meer leeft zoals hij leefde. Hieruit blijkt al, dat stoffelijk en geestelijk leven verschilt. Wanneer wij verder gaan, dan zien wij, dat conglomeraties van onbewust, of slechts beperkt bewuste cellen gezamenlijk een stoffelijk voertuig vormen met zeer definitieve eigenschappen,die niet uit de geest, maar uit de stof komen. Wij weten, dat het leeft, zolang er voldoende levensenergie aanwezig is. Vindt u het dan zo vreemd, dat ik deze laatste vorm beschouw als iets verschillends, iets tijdelijk aanvullend binnen het eigen leven van de geest en niet deze beiden als één eenheid wil zien? Kosmisch gezien heeft u natuurlijk gelijk met uw continuïteit, maar welke mens kan kosmisch zien en denken? Welke geest kan het Al overzien en keert nog terug om tot u te spreken? Vandaar dat wij moeten beginnen waar wij staan. Dat betekent dus voor u: in de stof. En vanuit de stof moet u opbouwen. Maar u moet zich bewust zijn, dat er twee heel verschillende waardemeters voor u bestaan: een geestelijke en een stoffelijke. Dat dat in de stof aanvaardbaar is, geestelijk soms verwerpelijk is. Dat omgekeerd, datgene, wat geestelijk volledig aanvaardbaar is, door de stoffelijke omgeving en de daaruit resulterende denkwijze van het “ik” verwerpelijk zijn. Dit brengt ons dicht bij het terrein van goed en kwaad. Met goed en kwaad moeten wij altijd zeer voorzichtig zijn. Al stellen wij ook duizend maal, dat er geen goed en geen kwaad bestaat, toch zullen wij, zeker voor onszelf, weten, dat er dingen bestaan, die wij beter en minder goed vinden beter en minder goed zijn aan goed en kwaad gelijk. Voor ons bestaat het dus wel. Maar indien ons bewustzijn zich op verschillende vlakken beweegt, zal de waardering van goed en minder goed op elk dier vlakken aangepast zijn aan de daar heersende toestand.

Mag ik dan niet spreken van twee verschillende levens, wanneer wij weten, dat de geest vooral gedurende de rust van het lichaam haar eigen geestelijk bestaan vaak voortzet, terwijl daarnaast het stoffelijk leven bestaat, waarin de geest weliswaar tot bewustwording komt, of komen kan, maar desalniettemin niet vrij is geheel te handelen naar eigen inzicht. Ik mag hier toch wel zeggen: twee verschillende levens?

  • Maar dat ligt dan in de eerste plaats in het verschil van denken, van bewustzijn tussen stof en geest?

Ik zou zeggen, dat het in de eerste plaats is gelegen in net verschil tussen stof en geest. Om een eenheid te bereiken zoudt u de stof moeten veranderen. Zoals de geest thans leeft, kan de stof niet redelijk bestaan.

  • Er wordt gesproken van het bewustzijn van het lichaam en het bewustzijn van de geest.  Dit is voor een mens moeilijk te begrijpen en te aanvaarden. Wilt u dat nog eens toelichten? 

Ik zal het proberen. Wanneer een mens geboren wordt, heeft zijn lichaam genetische eigenschappen. D.w.z. hij wordt geboren met bv. een vergrote mogelijkheid tot bepaalde ziekten. Even grote capaciteiten op een bepaald gebied. Hij is op sommige punten vlugger, op andere punten weer trager dan zijn omgeving. Dit is toch, geloof ik, toch algemeen aanvaardbaar en vastgesteld, ja? Wanneer deze mens nu verder gaat, dan zal hij dus leven volgens de eigenschappen, die in hem zijn. Een mens, die werkelijk driftig is vanuit zijn eigen wezen, die kun je misschien zover krijgen, dat hij zijn drift onderdrukt, maar nooit zover, dat hij niet meer driftig is. Deze drift kan ontstaan door een erkennen of ervaren, maar in wezen is zij een directe uiting van het lichaam. Evenzeer kunnen wij zien hoe dat lichaam reageert u zegt dan: instinctief op bepaalde gevaren, bv. dit lichaam door spiertrekkingen bv……u rilt….. eigen temperatuur tracht op te voeren tot een aanvaardbaar minimum enz.. Dit lichaam heeft dus wel degelijk een bewustzijn. Dit bewustzijn is een bewustzijn, dat zetelt in alle weefsels en in alle spieren, maar ook in de hersenen. Want eigenschappen t.o.v. het denkvermogen, plus de hersenen, zijn evenzeer vaak erfelijk. D.w.z., dat iemand dom geboren kan worden en iemand knap geboren kan worden volgens de norm van de wereld. Iemand, die dom is heeft minder geheugencapaciteiten, is vergeetachtiger, of kan zelfs bepaalde begrippen soms helemaal niet verwerken en aanvaarden. Dan is het resultaat alweer, dat wij aan moeten nemen, dat hier een zuiver stoffelijke waarde bestaat, die voor het bewustzijn van dit lichaam mede van groot belang is. Er zijn mensen, die erfelijk kleurenblind zijn. D.w.z., dat hun ervaring op een bepaald gebied beperkt is. Deze beperking is niet geestelijk, maar stoffelijk.

Wanneer ik u zo al die punten opvoer, zult u ongetwijfeld willen begrijpen, dat dus het menselijk lichaam voor bewustwording e.d. in stoffelijke zin, wel degelijk zijn eigen regels stelt. Heb ik dit duidelijk kunnen maken?

Dan moet ik verder gaan en zien: wat is de geest? Dan blijkt mij in de eerste plaats, dat voor de geest denkbeelden en gedachten veel, belangrijker zijn dan daden. Dat het denkbeeld voor de geest zo intens kan worden beleefd, dat het bij een bewustzijn, dat nog naar de stoffelijke vormen zoekt, een vorm aanneemt, die volledig echt en werkelijk lijkt. U zult dit in vele beschrijvingen gehoord hebben van verschillende sferen. Hieruit concludeer ik dus, dat de geest zelf een vormend vermogen heeft en ook een eigen denkvermogen, dat niet geheel afhankelijk is van het stoffelijke. Kunt u dit met mij eens zijn?

  • Ik kan het wel met u eens zijn, maar nog niet helemaal aannemen.

Dit laatste is misschien voor u moeilijker aanvaardbaar. Maar wanneer u zich wilt wenden tot de moderne experts op psychologisch gebied, dan zult u zien, hoe deze u ook bevestigen, dat er diep in de mens een soort van denken bestaat, dat geheel vrij blijft te staan van alle andere denken. Een soort verborgen persoonlijkheid, die zich soms wel mee in die mens uiten kan, soms met die mens met zijn redelijk denken in strijd is, maar die zeker bestaat en zijn invloed gelden doet. Zoudt u dit dan als bewijs willen aannemen? Dit kunt u werkelijk nagaan en controleren.

Is het abstract denken een functie van het lichaam, of van de geest? Indien dat laatste het geval is, dan hebben wij daar al een voorbeeld, hoe de waarden gescheiden zouden kunnen zijn. Werkelijk abstract denken in die zin zonder vormen en zonder relatie met de vormenwereld, is een taak van de geest, maar zodra het denken schijnbaar abstract is, d.w.z. zich bezig houdt met niet-bestaande waarden, maar zich voortdurend baseert op wel bestaande waarden daarbij, kan het nog lichamelijk zijn.

U ziet: de scheiding is moeilijk te maken. Ik geloof, dat in ieder geval het wel duidelijk wordt, wanneer ik spreek over een scheiding, dus tussen twee bewustzijnsnormen, die van de geest en die van de stof. Nu wil ik verder gaan. De grove materie bestaat uit een voortdurende uitwisseling van elektronen binnen atomen en moleculen. Hiervoor is een bepaalde kracht noodzakelijk, die de stof voortdurend vormt, instand houdt en hervormt. Is dit aanvaardbaar en redelijk?

Dan moet ik daar tegenover stellen, dat de geest een kracht is, die met moleculaire structuren noch atoomstructuren van doen heeft. Zij bevat in haar wezen ten hoogste de kleinste deeltjes, die de materie kent en wel in een voortdurend wisselend patroon, dat haar eigen wezen uitdrukt. Dat laatste kan ik u helaas niet bewijzen. Ik hoop, dat u dit laatste dus van mij wilt aannemen. Maar hier zijn dus twee verschillende soorten kracht aan het werk. Wederom een scheiding.

Verder: het begrip van mens en geest verschilt. Terwijl de mens automatisch alle dingen in zich fotografisch op kan nemen en deze slechts ten dele bewust verwerpt, bestaat voor de geest geen scheiding tussen onderbewustzijn en bewustzijn in deze zin. De geest kan zich onbewust zijn van een deel van hetgeen in haar sluimert, maar dit wordt niet bepaald door wat buiten haar gebeurd is en wat haar voorbij ging, maar door haar eigen wezen. Al wat in haar gebeurt, wordt ook in haar bewust verwerkt, wederom een verschil.

  • Zegt u dit laatste nog eens…..

Ik zal trachten het te herhalen. Zeggen wij dus nogmaals: de geest kan wel onderbewust zijn t.a.v. waarden, die in haarzelf bestaan. Of zo u liever wilt: van de niet in haar ontplooide potenties. Maar al wat van buiten op haar toekomt, wordt door haar volgens haar eigen vermogen volledig verwerkt in één waarde. Dus niet twee waarden van beleving. De geest kent maar één waarde. De mens kent er twee: de bewuste en de onderbewuste. Zo kan ik verder gaan. Naarmate ik al deze dingen opsom, blijkt steeds weer een deling in twee aparte factoren, waarbij soms tussen beiden een band kan bestaan, die elk voor zich, onafhankelijk en geheel different, werken. Dan geloof ik hiermede ook duidelijker aannemelijk te hebben gemaakt, dat wij inderdaad van twee levens moeten spreken. Want “leven” noemen wij uiteindelijk een bestaan, waarbij men bepaalde krachten heeft en vermogen tot bewustworden en handelen, nietwaar? Deze formulering aanvaardend voor “leven”, kunnen wij zeggen, dat het leven van de stof geheel anders is, dan dat van de geest, waar de krachtbron van beiden verschillend is, de uitdrukkingswijze van beiden verschillend is. Op grond daarvan meen ik te mogen stellen: er zijn twee levens: een geestelijk leven, dat eeuwig en onbeperkt is en een stoffelijk leven, dat zeer beperkt en tijdelijk is. Is dit voldoende?

  • Ja, maar een onderdeel uitmaakt van de geest….. Deze stelling is van u, niet van mij…..

Een onderdeel van het eigenlijke leven is slechts het bewustzijn, dat de geest uit de stof kan putten: niet het stoffelijk leven zelf. Wanneer een stoffelijk leven nodig is voor de geest om bewustzijn op te doen, kunnen wij ook zeggen: dat het geestelijk leven voor de stof noodzakelijk is om een mogelijkheid tot bewustzijn te scheppen. Deze band bedoelde u ongetwijfeld. Maar laten wij niet vergeten, dat zo nodig onbezielde wezens ook kunnen leven en bestaan op elke stoffelijke trap, gaande dus van het hoog astraal gebied tot de diepst stoffelijke werelden. Het bezield zijn bepaalt uitdrukking en streven, inderdaad, maar ook zonder dat is een leven mogelijk. Zonder geest dus. Ik zeg niet zonder ziel. Want Goddelijke levenskracht is voor alle dingen gelijkelijk noodzakelijk. Ik hoop dus, dat u het mij niet kwalijk neemt, dat ik niet met uw stelling het eens ben. Zo ben ik het wel net u eens. Daar ben ik dankbaar voor.

  • U heeft een paar maal het woord “erfelijk” gebruikt. Is daarmede bedoeld “aangeboren”, of bedoelt u een erfenis van de ouders? 

Ik bedoel dus hiermede een overbrenging van de eigenschappen der ouders in een nieuw mengverhouding door de chromosomen in de cel. Ik heb dit zelfs wel eens meegemaakt met een hoogstaand medium, waarin de eigen geest sprak en toch van het dagbewustzijn was afgesloten. Inderdaad. Maar wanneer van een mediumschap op deze wijze sprake is, blijken er bepaalde overeenstemmingen te bestaan. Omdat de geest juist van deze gelegenheid, uitschakeling van het bewustzijn, gebruik zal trachten te maken, te verwerkelijken, wat zij stoffelijk als beleving begeerlijk vindt.

  • Gaarne uw inzicht over het begrip: haat. Waarbij o.a. graag te behandelen ontstaan, oorzaak. Is haat iets specifieks menselijk, of stoffelijk. De plaats van de haat en de bestrijding.

Haat is de absolute ontkenning van iets, wat men voor zichzelf tevens begeert. Deze definitie is de meest juiste, die ik u geven kan zonder in lange uitweidingen te vervallen. Haat, is een kwaliteit, die zeer aan liefde verwant is. Want in liefde en haat schuilt gelijkelijk een eigendomsrecht, of een deel hebben aan iets buiten jezelf vast te stellen. Je kunt niet haten, wat je niet diep innerlijk beroert. Evenmin kun je iets liefhebben, tenzij het je innerlijk beroert. Hiermede heb ik mede vastgesteld, dat de haat dus een van voor de geest voorname drijfveren kan zijn. Dit betekent tevens, dat de geest ook buiten het lichaam de haat kan kennen. Want zij is een emotie die voortkomt uit een vereenzelviging van het “ik” met bepaalde waarden. Wanneer men zegt, dat een demon God haat, dan kan hij God slechts haten, omdat hij zich zozeer met God één voelt, dat hij God lief zou hebben, indien God hem niet zou verdringen van zijn eerste plaats, die hij boven alles begeert. Ik hoop, dat ook dit duidelijk is.

De plaats, die de haat inneemt, is dus eigenlijk niet een plaats, die wij als eerste gelegenheid een noodzakelijk iets moeten noemen voor een mens. De haat zelf, het woord haat, of de emotie haat, is de uitdrukking van een ander proces. Haat is verschijningsvorm. Oorzaak is vereenzelviging en bezitslust. De plaats, die de haat dan ook verder inneemt, is dan verder ook duidelijk geworden, want indien bezitslust en vereenzelviging de haat veroorzaken, kan men slechts datgene haten, wat men nog niet wil erkennen in het redelijke, maar wat buiten de rede om reeds als achtenswaardig heeft ervaren.

Voorbeeld:De wereld van het westen haat het communisme. Deze haat kan niet voorkomen uit de onbelangrijkheid van het communisme. Integendeel: Om dat men eerst in de tegenstander zovele dingen erkent, die men zelf begeert, verlangt, of meent reeds bereikt te hebben, voelt men zich daardoor bedreigd en haat men dit. En dat zal men misschien kunnen vrezen, maar niet haten. Wanneer Hongaren tegen elkaar vechten, dan haten zij elkaar meer bitter dan wie dan ook. Waarom? Omdat zij elkaar erkennen als een eenheid. “Je bent een deel van mij, een deel van mijn land, een deel van mijn wezen. Je verzet je tegen mij. Dit kan ik niet aanvaarden en daarom zal ik je vernietigen.” Wanneer iemand zijn geloof los laat, zal niemand hem zo diep haten als degene, die hij verlaten heeft, want hij was deel van zijn gemeenschap. Wanneer hijzelf dit geloof nog gedeeltelijk in zich draagt, zal hij dit uiten door zijn vroeger geloof en alle leden daarvan te haten. “Want”, zo meent hij immers, “dit is een deel van mijzelf, dat ik niet kan dwingen te gaan, zoals ik zelf wil gaan”. Haat is dan ook een deel van een bewustwordingsproces en gelijktijdig een uiting van een onvolledig bewustzijn. De ongelukkigste mens is de mens, die noch liefhebben kan. De gelukkigste is hij, die zeer intens kan haten en zeer intens kan liefhebben maar wiens liefde voortdurend, zijn begeren, zichzelf boven anderen te stellen, dus haatimpuls, te overwinnen.

Hoe meer een mens bewust wordt, hoe groter het gevaar, dat hij gaat haten. Maar hoe groter tevens de mogelijkheid, dat hij de oorzaak van zijn haat begrijpt en in zichzelf datgene verbetert, wat de haat hem dwong bij anderen te vernietigen. Zo neemt deze haat een plaats in in elk leven, in elk bestaan, in meer of minder ernstige mate en zal zij ten allen tijde en volledig voor de mens blijven werken, zelfs wanneer het zijn schijnbare ondergang is, omdat zij hem dwingt in anderen te vernietigen, wat in hem zelf nog leeft, tot hij, zonder vijanden, maar met haat, ook in zichzelf ten onder zal brengen, wat zijn ware bewustwording in de weg stond. Heeft hij dit in zichzelf vernietigd, dan blijkt hem plotseling, dat hij het bij anderen kan aanvaarden. De fouten, die je zelf niet hebt, kun je bij anderen tolereren. De fouten, die je bij anderen vreest en tracht te beheersen, zal je bij een ander haten. Zo is de haat een middel om de strijd in het “ik” op te voeren. Als zodanig heeft zijn in het kosmisch bestel haar plaats. Maar wij mogen de haat nooit zoeken, want de haat is immers de uiting van onvolledigheid.  Wij moeten trachten tegenover de haat de liefde te stellen, opdat ons begrip en ons ontkennen in het “ik” van hetgeen de haat veroorzaakt, de krachten van strijd absorbeert, daarvoor in de plaats een harmonie schept, die ook bij anderen het gehate vernietigt zonder dat strijd, of gewelddadigheid daarvan, noodzakelijk zijn.

  • Maar als je nu niet haten wilt, haat je soms toch. Daar kun je toch niets aan doen?

Wanneer men haat en men zegt niet te willen haten, dan bedriegt men zichzelf. Want wie niet wil haten, haat niet. Maar in vele gevallen betekent het niet willen haten, dat men een andere toestand wenst, men wenst echter niet een verandering in het “ik”, die de haat onmogelijk zal maken.

  • Zou het dan een kwestie van tijd zijn?

Neen, dat is geen kwestie van tijd, dat is een kwestie van zelfoverwinning. Zelfkennis en zelfoverwinning zijn de krachten, die elke haat onmogelijk maken. Zelfkennis om te weten, dat je een onvolledigheid, een fout in jezelf af reageert door ze bij anderen te haten en te verwerven. Zelfbeheersing door deze fout bij jezelf uit te roeien en daardoor je haat zelf als een onmogelijkheid in het leven te stellen, want je kunt niet meer haten, wat je zelf overwonnen hebt. Slechts wat men vreest, kan men haten. Wanneer men over het gevreesde in zichzelf meester is, zal men het ook bij anderen niet meer haten.

  • Als ik u dus goed begrijp is de gelukkigste mens degene, die kan haten en kan liefhebben.

Een mens, die niet kan haten en niet kan liefhebben, kan niet werkelijk leven. Want zijn bewustzijn omtrent de wereld is te klein om hem de liefde mogelijk te maken. Zijn kennis omtrent het eigen “ik” is te klein om hem tot haat te brengen.

  • Maar wanneer je nu weet, dat het mogelijk is, maar tot het inzicht bent gekomen, dat het niet goed is in deze wereld.

Ja, wanneer u dat stelt, brengt u een typisch menselijk argument in het geding. Het haalt niets uit. Inderdaad. En zo zult u de uiterlijkheid van de haat misschien laten vallen, maar in u zult ze nooit kunnen verloochenen. Haat kun je niet terzijde stellen, omdat zij niet past, omdat zij niets uithaalt. Haat kun je alleen vernietigen door de oorzaak van de haat in jezelf te vernietigen.

  • Mag ik een voorbeeld geven? Op die zondag van Hongarije weet ik dat er mensen waren, die zeiden: wanneer ik naar Moskou had kunnen gaan en het vernietigen, dan had ik het gedaan. Dat was toch een uiting van haat?

Dit is inderdaad mogelijkerwijze een uiting van haat. Het kan ook een kwestie zijn van erkennen, dat het kwaad niet in Rusland zetelt, maar in een bepaald deel van Moskou. Een chirurg, die een gezwel uitsnijdt, behoeft het niet te haten. Dus ook liefde kan daartoe nopen. Het is niet mogelijk uit deze uitlatingen zonder meer op te maken, dat er hier sprake is van haat of van liefde. Liefde voor de Hongaren, die men leed wil besparen, of haat tegen de Russen, die haat aandoen. Beiden kunnen samen gaan, maar behoeven dit niet te doen. Hier denkt iemand, dat ik een gladde jongen ben…. Ik voel mij hierdoor zeer gevleid, maar de gladheid is hier toch eerder gelegen in het probleem dan in mij….

  • Dat is toch afhankelijk van de persoon in kwestie?

Zijn vermogen om te haten en lief te hebben, ja. Maar heeft men dit vermogen, dan houdt in het vermogen om de haat te overwinnen.

  • Maar als je je stelt op het standpunt van de liefde, hoe kun je dan haten?

Zij, die liefhebben en zeer intens liefhebben, komen vaak tot haten, omdat hetgeen zij liefhebben bedreigd wordt.

  • Dat is iets, wat kan voorkomen…..

En wat dus bewijst, dat uw stelling niet in alle gevallen opgaat.

  • Zoals vele stellingen.

Er zijn stellingen, die in vele gevallen opgaan. Ook hier. Een van die stellingen is deze: Degene, die liefhebben kan en haten tegelijk, kan de haat overwinnen en kan de liefde veredelen tot een onpersoonlijk iets. Deze feiten liggen vast in het feit, dat liefde en haat mogelijk zijn. Liefde en haat zijn emotionele toestanden, die voortvloeien uit een bepaald geestelijk en stoffelijk bewustzijn. In de geest betekent het, dat dus het vermogen alleen reeds inhoudt een bepaalde bewustwording, die een nieuwe taak en daarmede een nieuwe bereikingsmogelijkheid schept. De stof weerkaatst voldoende van dit geestelijk streven om daarvoor dezelfde wet te stellen, zij het met één uitzondering, nl.: dat de haat pas kan overwonnen worden, wanneer de liefde leert de daad te beheersen. Deze beperking moeten wij daarbij toepassen.

  • Maar het wordt je soms zo opgedrongen, dat je wel gaat haten, zonder dat je het zelf wilt.

Slechts een dwaas staat een ander toe voor hem te denken…..

  • Ik zeg het misschien een beetje verkeerd, maar…..

Neen, u zegt het heel goed. Men dwingt u de haat op door de eenvoudige wijze waarop men u benadert. Wij denken dus niet aan de algemene problemen als propaganda e.d., maar eenvoudig aan de houding van de ene mens tegenover de andere. Die houding kan zodanig zijn, dat het U zeer moeilijk wordt om nog lief te hebben. Maar indien u wilt liefhebben boven vele dingen, dan zult u kunnen vermijden te haten.

  • Dus zouden wij kunnen komen tot het eenvoudig negeren van haat?

Dit is een mogelijkheid, geen vaststaande regel. Geen negeren. Als u wilt negeren, dan heeft u het gevaar, dat u ook zult hebben, wanneer u op een spitsuur hier het Spui, of de Laan van Meerdervoort , met gesloten ogen wilt oversteken.… het risico is zeer groot. Wij kunnen, wat ons bedreigt, dat ons niet bevalt, zo maar niet negeren, maar wij kunnen onze houding daartegenover wijzigen. Dus niet haten betekent niet een negeren van de haat, of van hetgeen gehaat kan worden, naar een zeer actief werken van de oorzaak van de haat in ons zelf te verwijderen. In u zelf, in u. Negeren ligt buiten u.

  • U stelt dus haat en liefde op het emotionele peil?

Inderdaad.

  • Het komt mij voor, dat liefde van een andere orde is.

Liefde is waarheid….. Haat evenzeer.….

  • Een ontkennen van de waarheid

Om de waarheid te kunnen ontkennen, moet ik de waarheid kennen. Dus houdt de haat is een evenzeer kennen van de waarheid als de liefde. Alleen wordt de uiting van deze erkenning negatief. Het wezen van liefde en haat is gelijk in bepaald erkennen. Liefde betekent een bevestiging van de erkenning, haat een bestrijding van de erkenning. Daarin ligt het verschil. Zij staan dus op gelijk peil, maar brengen een verschillende uiting in het positieve voor liefde en in het negatieve voor haat.

  • Maar liefde is toch het eenheidsbesef?

Het eenheidsbesef is geen liefde. Eenheidsbesef is het verliezen van eigen persoonlijkheid.

  • Maar dat is toch liefde?

Liefde is een aanvaarden. Een aanvaarden houdt in een zelfstandig handelen, dus een persoonlijkheid. Eenwording betekent een opgaan in de persoonlijkheid en kan ook geschieden de werkelijkheid van de persoonlijkheid en werking van de persoonlijkheid om. Wanneer God zegt: “Gij zult één zijn met Mij” en Zijn schepping terugtrekt, dan zijn wij allen één met Hem, maar niet door onze liefde en ook niet door Zijn liefde en Zijn wil om ons onvermogen Zijn wil ontkennen. Maar wanneer wij zeggen: Wij willen één zijn met God” en daartoe streven, dus vanuit onze persoonlijkheid een daad stellen, dan is er liefde, die streeft tot eenwording, maar is de eenwording er, dan houdt weer de liefde, zoals wij die beschouwen, op.

  • Maar God is toch liefde? God is toch geen persoonlijkheid in de zin van afgescheiden wezen?

Wanneer wij zeggen: God is liefde, dan proberen wij daarmede een tegenpropaganda te maken tegen degenen, die beweren, dat God een toornige God is enz…

  • Dat is een overwonnen standpunt.

Voor u misschien wel, maar voor de meeste niet. Als u wist, hoeveel mensen menen, dat God wreed, vreemd en willekeurig is, dan zoudt u waarschijnlijk schrikken. Gaat u luisteren naar de predikers in uw eigen stad en vraag u af, hoe vaak gij God allerhande idiote straffen hoort opleggen, volgens de predikers, voor daden, die in zichzelf redelijk zouden zijn. Kan een God aanvaard worden, Die een paar jongens door een beer doet aanvallen en verslinden, omdat zij een prefect hebben uitgejouwd als “kaalkop”? Toch is dat de God, Die gepredikt wordt in een van uw kerken.

  • Maar daar hebben wij toch niets mee te maken?

Daar hebben wij evenzeer mee te maken, wanneer wij spreken over het begrip eenheid.

  • Ja, maar zij kennen dat niet…..

Zij kennen dat evenzeer op een andere wijze. Wij zien het proces in gaan tot God als een positieve handeling onzerzijds. Degenen,die geloven op deze andere wijze, zien het als een genade Gods. D.w.z. een willekeurige handeling van de zijde Gods. Wij zien het als binnen een wet liggende en loon voor ons eigen streven, als een gift, die God geeft en kan het terugnemen, wanneer Hij wil. Dit laatste is misschien waar ten opzichte van de Kracht Gods, maar kan niet waar zijn ten opzichte van het eeuwig wezen Gods.

  • Maar dan is haat toch één deel? Vandaar mijn bezwaar dat u ze op één lijn stelt.

Wanneer ik spreek over één lijn van haat en liefde, dan zeg ik u: zij hebben een kern, de uiting is verschillend. Ik moet ze dus op één lijn stellen, waar de kernwaarde gelijk is. En ik moet zien, dat er dus een tweeledige uiting van een kernwaarde moge lijk is. Nu kunnen wij zeggen: voor ons is God liefde. Dat is het vast stellen van onze relatie met God. Een relatie, die voor elk schepsel kan bestaan en o.i. de enige aanvaardbare is. Men kan ook zeggen: God is haat. Dat is meerdere malen gebeurd. En dan is in zijn wezen het begrip niet onjuist, maar de uiting ervan is o.i. verkeerd, dus vanuit ons standpunt. M.a.w. onze uiting God is liefde, is slechts in zoverre objectief, dat zij ons wijst op een noodzakelijkheid volgens ons weten: zij is subjectief, waar zij beantwoordt aan een behoefte in ons. Ik hoop, dat het niet te verwarrend wordt.

  • Integendeel! Wanneer het niet in tegendelen kon worden uitgedrukt, dan kon het geen waarheid zijn.

Inderdaad, en dus is de kern van de liefde en de haat evenzeer waar, en gelijk, nietwaar? Positieve en negatieve uiting van een waarde liggen op gelijke lijn, behalve in uiting, waarin zij tegengesteld zijn.

  • Men hoort vaak spreken over de superioriteit van het christendom, daarmee bedoelende, dat andere godsdiensten in het christendom op moeten gaan en dat men alleen over Christus tot God kan komen. Wilt u hierover vat zeggen? Wilt u in uw antwoord over het z.g, zendingswerk betrekken?

Laat ik dan beginnen met het betrekken van het zendingswerk, hé? Zendingswerk berust op de waan, dat men zelf wijzer is dan een ander kan zijn…..Datzelfde geldt ook voor de superioriteit van het christendom. Indien het christendom werkelijk superieur zou zijn, dan zou dit moeten zijn door zijn praktijk, niet door zijn theorie. In feite beroept het christendom zich juist dan op zijn superioriteit: wanneer andere groeperingen zich niet voegen naar hetgeen het christendom verlangt. Dat maakt het zeer bedenkelijk, deze wensdroom van het christendom hier te bevestigen zonder meer.Het christendom baseert zich dan verder vaak op de stelling , dat Jezus heeft gezegd: “Ik ben de Weg en de Waarheid en niemand komt tot de “Vader dan door Mij”. Inderdaad, maar willen de christenen dan zo goed zijn de weg te beschrijven. Maar dat kunnen zij niet, omdat de weg kosmisch is, zoals de leer van Jezus, kosmisch is. Niet gebonden aan een religie, maar aan een daadwerkelijk beleven. Zolang als zij dat verschil niet begrijpen, dan zitten zij in de kerken met wierookvaten te zwaaien, of met holle woorden te galmen, zonder dat zij ook maar één jota doen aan het werk van het christendom. Per slot van rekening: een werkelijk christen is niet iemand, die naar de kerk gaat, niet iemand, die de bijbel leest en psalmen zingt, maar is iemand, die leeft, zoals Christus wil, dat de mensheid leven zal.

Zolang zij daar nog niet aan bezig zijn, zou ik zeggen: laten zij dan de zendelingerij maar buiten beschouwing laten. Indien zij zendelingen nodig hebben, laten zij die dan gebruiken in deze christenmaatschappij om ze tenminste een klein beetje dichter te brengen bij het ware leven van Jezus en een beetje verder af te brengen, want hun …. nee, ik mag geen lelijke woorden zeggen van hun verwaandheid…..waarmee zij menen op grond van een geloof, dat uiteindelijk 9/10 formeel en de rest bijgeloof is, zichzelf de meerdere te achten van anderen. Evenzeer als op grond van een serie theologische betogen, waarmee zij menen zichzelf beter te mogen achten dan ieder ander in religieus opzicht.

Een Mohammedaan, die leeft volgens de wetten, die Mohammed heeft gesteld, is meer christen dan een christen hier, die zit te snoeven op de juistheid en reinheid van het christendom, maar die in feite zo onchristelijk leeft als het maar mogelijk is,omdat hij meent, dat je een scheiding kunt maken tussen godsdienst en dagelijks leven ….. Ik hoop, dat ik niet op tenen heb getrapt……. maar ja, er zijn er bij, hoor, dat is misschien nog een klein tikje onverdraagzaamheid in mij…..er zijn wel christenen op de wereld bij, die ik niet alleen op de tenen zou willen trappen…… al is het alleen maar om ze aan hun domme verstand te brengen, dat zij met al hun goede bedoelingen niet de leer van Christus prediken, maar de grootheid van hun eigen “ik”.

  • Behalve het godsdienstige aspect heeft de zending ook nog sociale zijden. Dezen zijn toch wel zegenrijk door ziekenzorg, brengen van beschaving enz.

Dat is, hoe je het bekijkt. Zending brengt een aanpassing aan het westers systeem van denken en aan de westerse beschaving. Maar ik vraag mij af, of er nu een Europeaan kan zien, hoe ver die verandering werkelijk gaat. Per slot van rekening een beetje zindelijker dessa een beetje beter ziekenverpleging zijn erg aardig, en een negerdorp, waar de negermeisjes voortaan niet meer lopen in het originele blad, dat Eva ook al heeft gedragen, maar in een afdankertje van het westen, dan kan dat ook een verbetering lijken.…. Maar de vraag is, of de mensen zelf daardoor gelukkiger zijn, of zij hun houding tegenover het Goddelijke en de mensheid daardoor beter leren stellen. Ik geloof, dat de zending in heel veel gevallen meer verwarring heeft gebracht dan bewustwording. Dat de nadruk vaak meer ligt op catechismusvragen en een onderbroekje en een jurkje voor de dames, dan op naastenliefde. Dat de poging van de zendelingen, hoe lovenswaardig op zichzelf door hun, opoffering, om zich aan te passen bij de mentaliteit van een volk, of wel moet leiden tot een parafraseren van het christendom, dat het in westelijke zin niet meer aanvaardbaar maakt en dan voor het volk wel, dan wel een regide preken van het westers christendom, wat voor het volk een breken betekent met oude tradities, die zozeer zijn ingeworteld dat een voortdurende innerlijke strijd, die tot het christendom overgaan daarvan het resultaat zal zijn, tenzij, zoals sommige negers zeggen:”Nu ja, zolang als de missie betaalt. zal ik christen zijn!: Die zijn er ook: christenen tegen salaris. Het eigenaardige is, dat zelfs nu in Europa, zelfs in uw eigen Nederland, mensen rondlopen, die in feite bijgelovige heidenen zijn, ook al gaan zij elke zondag naar de kerk en kennen zij de grote catechismus van A tot Z van buiten.

Mensen, die misschien de naam van hun Goden vergeten zijn, maar ze nog net zo goed vereren. De dans om het gouden kalf is niet opgehouden, toen Mozes toornig van de berg naar beneden kwam, hoor, kijk uit…..Zij dansen nog steeds. En of het nu een jitterbug, een boogie woogie, of een Charleston geheten wordt, of dat zij het beursspeculaties, of bevrijding van onderdrukte naties gelieven te noemen….. het blijft hetzelfde. Het gaat niet om de mens, het gaat om dezelfde oude goden van vroeger. Om de macht, om het persoonlijk voordeel, om het aanzien, om het hiernamaals voor jezelf. Hoeveel van die vrome broeders zouden erbij zijn, denkt u, die gaarne voor de bekering van een ziel hun eigen zaligheid zouden offeren?

Ik geloof niet, dat er veel zijn, die dat werkelijk en feitelijk durven zeggen en durven opofferen. Zolang zij zover nog niet gekomen zijn, zijn zij nog geen christenen. Dan vereren zij misschien hun eigen stellingen, hun wijsheid, of misschien hun bijgeloof, maar niet Christus. Als je wilt weten, wie volgens mij een waar christen is: dat is een mens, die door de hel gaat om een ander ook maar een beetje pijn en een beetje zorg te besparen, zo dit mogelijk is zonder hem zelf geestelijk daardoor te benadelen.

  • Een krantenartikel over een behandeling van het onderwerp: aardstralen in de vereniging voor natuurgeneeswijze, brengt mij tot de vraag: Bestaan aardstralen en zo ja: zijn zij zo gevaarlijk voor mens en dier?

Er bestaan aardstralen. Wat wij er verder over denken, is na te gaan in ongeveer 50 verslagen, die wij in het verleden al weten, dat zij opgenomen zijn. Ik kan dus kort blijven. Een aardstraal is activiteit van de eigen aardkern met een invloed op de luchtelektriciteit. De stralingsbanen kunnen ontstaan, die soms bepaalde zenuwkrachten van de mens doen afvloeien, dan wel zijn eigen potentiaal t.o.v. aardstralen verkleinen. Dit betekent een wijziging van bio-elektrische reacties binnen het menselijk lichaam met als resultaat een verzwakking en mogelijk vergrote vatbaarheid van ziekten, woekeringen e.d. in het lichaam. Het resultaat is in de eerste periode meestal: onrust, slapeloosheid e.d.. Ik zou zeggen: het is kort, krachtig en tamelijk volledig…

  • Op een avond werd gezegd, dat bij uittreding het astraal lichaam, gewond of gedood kan worden, zonder dat de mens zelf zich hier van bewust is. Nu vraag ik mij af, hoe moet dat nu als je dood bent en je hebt geen astraallichaam?

Ja, dat is zoiets als in je haast zonder bovenpantalon de straat oplopen. U moet zich dat zo voorstellen: een astraal lichaam is fijnstoffelijk. Op het ogenblik, dat die geest zelf er geen zeggingschap over heeft, is het gedood….. M.a.w. zodra een ander zeggingschap krijgt over het astrale lichaam, dan krijgt hij daardoor verder de mogelijkheid om het contact, dat het straal lichaam heeft met het lichaam, te gebruiken, maar ook dit lichaam gedeeltelijk te beheersen. Duidelijk?

Dat brengt met zich mede dus, dat het lichaam zich het misschien niet realiseert, maar plotseling onder geheel andere invloed komt te staan. Wanneer het astraal zich zou bevrijden daarentegen en daarbij wordt gekwetst, dan is een gedeelte van die energie, die in het astrale lichaam ligt en ook voor het weefsel mede noodzakelijk is, dan niet. En dan gaat het lichaam het wel weer spiegelen en dan krijg je zo die heerlijke wonden e.d., zonder kenbare oorzaak.

  • Dus de dood van een astraal lichaam speelt zich niet af als dood in de gebruikelijke zin?

Och, in de letterlijke zin: wat is dood, hé? Dood is dood, zei Jan. Ben je dood, dan weet je nergens wat van…. Daarom ben je dood gegaan, kun je verder niet meer bestaan en denk je nog te leven, of verder voort te streven, dan is het allemaal waan…..

  • Dus dood in de zin van vernietiging is hier niet het geval?

Neen. Neem mij niet kwalijk. Dacht u, dat als u hier dood was, dat uw lichaam vernietigd werd? Heus hoor, vandaag ga je onder de aarde en het volgend jaar sta je als een serie klaproosjes tegen de mensen te wuiven, die je komen opzoeken….. Het klinkt misschien een beet je cru…… maar het is zo…..het mogen ook korenbloemen ook zijn, als het gezellig is…..

Maar nu moet je eens goed luisteren….. Stof blijft opgenomen in het stoffelijk levensproces. Maar het wordt deel van een andere persoonlijkheid. Een astraal lichaam kan onder invloed komen van een andere persoonlijkheid. Omdat het materieel niet uit elkaar behoeft te vallen, een stoffelijk lichaam, voordat het door die ander gebruikt en opgenomen kan worden, blijft het proces precies het zelfde, want een astraal lichaam vormt zich naar beeld en gelijkenis naar degene, die er nacht over heeft. Dus als ik u nu in een soort van machine zou zetten. Ik zet hier een aap neer, daar zet ik u neer, ik draai de knop om…..en er zit plotseling die aap in uw body en u zit u zelf daar te bewonderen en u zegt: “Kom, kom, kom, wat ben ik ineens harig geworden, hé?” Dan is er ongeveer hetzelfde gebeurd. Dan is dus uw lichaam voor de mensen nog steeds meneer Zus, of mevrouw Zo, maar u weet wel heel goed, dat als die apenstreken, die daar door dat lichaam worden uitgevoerd, niet voor uw rekening komen. ….

  • Als ik het goed begrijp, blijft het astrale lichaam toch in voortdurend contact met de oorspronkelijke eigenaar?

Ja, omdat het deel uitmaakt van uit stoffelijk leven. Dus dat wil zeggen: als wij de vergelijking nu verder gaan maken: een lichaam leeft in een kamer soms. Nu is dat ding, waar die aap in zit, uw astraal lichaam en deze zaal, dat bent u zoals u hier rondloopt. Ik wil niet zeggen, dat u zo groot en zo hol bent, maar wij stellen die vergelijking. Wat is dan het geval? Door het feit, dat deze aap in uw astraal binnengedrongen, hier rondwandelt, kan hij hier bv. lampen afrukken, ruiten in gaan slaan enz.. Die zaal blijft die zaal. Het lichaam blijft het lichaam. Maar hetgeen daar deze persoon er in doet.…. Hij kan ook hier bloemetjes neer gaan zetten. Hij kan wel een gat in de vloer zagen in de hoop, dat er iemand in valt. Al die dingen meer. Dat kan dat astrale lichaam dus ook doen, want het heeft krachtens de eenheid van het fijnstoffelijke met het stoffelijke toegang tot uw lichaam. Begint het duidelijk te worden?

  • Ja, in zoverre….dood is dus niet vernietiging?

Neen, vernietiging bestaat er nergens.

  • Maar door het woord dood raak je dan aardig in de war.

Nu ja, dat kont alleen, omdat u denkt aan dood, zoals ik net in dat gedichtje zei: Dood is dood, zei Jan. Maar dood is niet dood. Dood is alleen naar een andere vorm van leven.

  • Dus als iemand in het hiernamaals komt, moet hij slag nog gaan leveren om zijn eigen astraal?

Ik vraag mij af, of er een slag om wordt geleverd. Laten wij het nu eens anders zetten. U heeft een huis. Er komt een ander, die er in wonen gaat. Er zijn toch zoveel huizen te huur. Ja, niet Holland hoor. Er zijn nog zoveel huizen te huur. Wat doet u dan, als u blijkt, dat dat alleen maar strijd veroorzaakt? Als u zo gauw geen ander kunt betrekken, dan haalt u materiaal en bouwt zich een huis.

  • O, is dat mogelijk?

Ja, natuurlijk. Wat dacht je dan, hé? Dacht u, dat mijn uiterlijk zo fraai was geworden, omdat ik steeds in dezelfde woning was gebleven?

  • Ik hoor van astraal lichaam en misschien ook nog van mentaal lichaam. De geest, dus een soort bewustzijn is de eigenaar hiervan. Is dat tezamen nu het ego?

Als u ego wilt omschrijven in de stoffelijke vorm bv., dan zegt u: het ego is een complexe reeks van voertuigen, die elkaar voortdurend beheersen en gestuurd worden in het totaal van hun bewegingen door de kern van het wezen.

  • Dat is de ziel dus?

Ja. u ziet: formuleren kan ik nog wel.

  • Wat is het verschil tussen het onderbewustzijn en de geest?

Het onderbewustzijn, dat is de karakteristiek van het lichaam, waar het geheugen maar zelden in kijkt. De geest is de werkgever, die het lichaam zo nu en dan uitstuurt om in de cartotheek van het onderbewustzijn te kijken.  Geest is doelbewust, wetend en op zichzelf heersend. Onderbewustzijn is relatief, beïnvloedbaar door alle omstandigheden en gebaseerd op het totaal van ervaringen, die door het redelijk bewustzijn geheel of gedeeltelijk gepasseerd zijn en slechts via het redelijk bewustzijn, zij het soms op onredelijke wijze, wederom geuit kunnen worden.

  • Kan morfine, toegediend ter stilling van pijnen, aan een zieke een nadelige invloed hebben bij de overgang?

Het blijkt niet. Per slot van rekening: morfine kan alleen dan gevaarlijk worden, wanneer zij begeerte naar roes oproept. Wanneer het begeren naar de roes n.l. heftig wordt, dan is het niet meer de pijnstiller, maar de pijnveroorzaker. Een roes betekent een kunstmatige verdraaiing van de werkelijkheid. In het begin binnen het lichaam, later echter ook emotioneel aanvaard door de geest. In zo’n geval zou het belemmerend kunnen werken. Maar meestal zijn degenen, die er zo erg aan toe zijn, dat zij voor de pijn morfine-injecties krijgen, die tenzij zij genezen, niet meer de kans krijgen om aan morfine verslaafd te raken in de zin van roesvormend.

  • Ik weet van iemand, die morfine weigerde, omdat hij dit toch dacht. Mij verbaasde dit erg, want ik dacht dat de toestand bij de overgang door andere dingen bepaald word.

Aan de andere kant moeten wij toch even zeggen, dat die houding op zichzelf zeker bevorderlijk geweest zal zijn voor een bewuste overgang. Elk pijnverschijnsel is nu een herinnering geworden aan het verwerpen van het pijnstillende en de reden, waarom dat geschiedde. Dus een voorbereiding voor de overgang, plus een zeker offer, waardoor de innerlijke toestand een reiniging betekent van veel, wat het leven heeft aangebracht, een makkelijker aanvaarding bij de overgang, dat wel. Maar dat is dus door de speciale omstandigheden. Het heeft met de morfine weinig of niets te maken.

  • Dus u ziet dat dus niet zo donker in?

Donker? Neen. Ik zie het niet donker in. Maar ik zie het wel zo in, dat voor sommige mensen een grein morfine al gevaarlijk is, terwijl je anderen een karrenvracht kunt voeren, zonder dat zij er direct aan verslaafd worden,

  • Ik denk niet aan verslaafdheid, maar aan het stillen van ondraaglijke pijnen. Er zijn meer van die middelen.

Nu ja, dan gebeurt er voor de geest niets. Maar in het lichaam worden bepaalde functies belemmerd en ontstaan toestanden, waarbij het onderbewustzijn sterker werkzaam wordt, plus de sensitiviteit vaak verhoogd wordt. Gelijktijdig met de ongevoeligheid van het lichaam. Dus bepaalde delen zijn scherper gespannen. In ieder geval: op zichzelf dus niet zo bezwaarlijk, tenzij lang en regelmatig weer toegediend. Ik acht het bv. wel uit den boze bij een kankerproces, waar zij vijf, zes maanden maar iemand voortdurend onder de morfine houden. Daar wordt het gevaarlijk. Daar kunnen zij het weer afwisselen, wanneer zij het willen, met andere middelen, waardoor de verslaving toch wordt voorkomen. Die mogelijkheid bestaat op het ogenblik.

  • Kunt u iets zeggen over liefde?

Liefde is een raar woord. Geen woord, dat meer misbruikt wordt op de wereld. En geen woord wordt slechter begrepen. Men kan vaak niet begrijpen, dat liefde op zichzelf betekent een noodzaak om te doen lijden. Dat liefde op zichzelf de bron kan zijn van een spot, die fel lijkt en toch in zich de drang draagt van te schenken en te geven.

Het is een begrip van eenheid, die in jezelf leeft. Het is niet het groot kosmische, oh, neen, het is een toestand in ons. Het is een bewustzijn, een begrip, dat ons steeds sterker doet zien, hoe wij behoren in de grote eenheid van het Al. Van ons standpunt uit, vanuit ons leven.

Naarmate wij meer door deze liefde de eenheid aanvaarden met het Zijn, geeft al het Zijnde ons zijn krachten, houdt ons in stand en stelt ons in staat verder te gaan.

Daarom zou ik willen zeggen: Liefde is het kostelijkst goed, wat wij in ons leven kunnen erkennen. Daarom is liefde voor ons ook God. Omdat het het edelste, het reinste en het zuiverste kan zijn, wat in mens en geest kan bestaan.

Zo, dat zijn mijn denkbeelden over liefde. Misschien niet zo schoon als sommigen anderen, zo plechtig, maar geloof mij, evenzeer gemeend.

Ik heb ook de les van het leven geleerd: zonder liefde, liefde niet beperkt en zelfzuchtig, maar liefde, die je één maakt, steeds sterker met alle dingen, is geen leven wat waard op aarde, in de sferen, of in de hoogste hemelen. Het is voor ons het juweel van de schepping, waarin wij onszelf erkennen zonder daardoor afgezonderd te worden van de schepping en de Schepper.

Nu, als het nu niet voldoende is geweest, dan zou ik zeggen, vergeef mij mijn onvolkomenheid en aanvaard mijn bedoeling dan voor de daad.