De mens en zijn levenskracht

SVGZ – 9 mei 1958  

Aan het begin van deze bijeenkomst mag ik u er wel op wijzen dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.

Wanneer wij de mensheid zo bezien, dan lijkt het ons normaal dat ieder leeft. Maar wij vragen ons niet af, hoe het komt, dat de kracht, waaruit het leven voortkomt, steeds weer aanwezig is. Wij vragen ons ook nooit af, of in het verleden de levenscondities en de levenskracht misschien anders zijn geweest dan heden, of ook de toekomst weer andere omstandigheden met zich brengt. Het lijkt mij daarom wel dienstig eens kort een beschouwing te wijden aan de levenskracht, die voor de mens van een zo buitengewoon grote betekenis is.

Levenskracht kan worden gezien als een verschijnsel, dat geborgen ligt in twee grote krachten van de natuur. Wij zien daarin namelijk zowel elektrische als magnetische verschijnselen optreden. Het is dan ook logisch, dat wij de levenskracht steeds weer koppelen aan de verschijnselen die in beide gebieden optreden. Van deze stellingen zult u bij de progressieve wetenschapsmensen zeker de bevestiging kunnen vinden. In het begin van haar bestaan was de aarde geheel anders dan nu. Wij mogen nooit vergeten, dat deze wereld toen o.m. veel actiever was. Om eens enkele punten te noemen: de aardkorst is sindsdien veel dikker geworden. De vulkanische activiteiten nemen langzaam maar zeker af. De stralingsactiviteit van de aarde verzwakt ook vaak langere tijd, ofschoon zij in golven hernieuwd op kan treden. In de vroegere tijd moest dus onder meer gerekend worden met een grotere intensiteit van stralingen, die door de aarde zelf werden voortgebracht. Gelijktijdig was er een zeer zwaar wolkendek, waar vooral in hogere delen van de atmosfeer ook verschillende edelgassen en meer metaalachtige gasvormen een deel van uitmaakten. Het gevolg hiervan was, dat zonnestraling en kosmische stralingen veel sterker werden getemperd dan op het ogenblik. De verhouding van krachten was een geheel andere. Dit impliceert, dat het leven zelf ook op een enigszins andere uitwisseling van krachten gebaseerd moest zijn. Om het eens heel simpel te zeggen, in de oude tijd lagen de gebieden van de levenskracht veel dichter bij de huidige bewustzijnsstralingen. Deze laatsten worden, naar ik meen, overigens slechts zeer ten dele wetenschappelijk enigszins erkend. Hoe ouder de aarde wordt, hoe minder de eigen straling van de aarde betekent ten overstaan van de kosmische stralingen, die de aarde bereiken. Een aanpassing hieraan door mens en dier betekent een verschuiving in de scala van de levenskrachten en dus ook van de levenscapaciteit.

Wanneer men spreekt over de heel oude heren als bv. Enoch, mensen die honderden, ja, soms meer dan 1000 jaar oud werden, dan klinkt dit de moderne mens als een fantasie. Maar vroeger waren de levensomstandigheden geheel anders. Indien wij nu verder weten, dat de telling van de jaren vaak met de wisseling van de jaargetijden ging, zodat er op elke, nu als jaar geldende wisseling van seizoenen twee jaren van de toen gevolgde telling vielen. Desondanks zal het toch wel duidelijk zijn, dat deze mensen in hun dagen over een andere soort van zenuw- en levenskracht beschikten, dat zij desondanks toch ook in feite ouder werden dan de mens van heden. Als ik mij niet vergis, is de gemiddelde leeftijd in Nederland thans rond 70 jaren. Vroeger bestonden er echter gebieden, waar volgens de huidige telling – de gemiddelde bereikte leeftijdgrens rond 200 jaren lag. Een dergelijk verschil kunt u niet alleen verklaren door te zeggen, dat zij in hun dagen veel rustiger leefden. Er moet wel haast meer levensenergie geweest zijn. Wanneer ik echter de toestand vanuit mijn eigen standpunt bezie, dan was de mens in deze tijden ook veel meer gevoelig voor alle variaties die in de stralingen van de aarde optraden. Soms gaf dit zelfs aanleiding tot een betrekkelijke snelle verandering van menselijke vorm en gedrag. Nu kan die straling van de aarde voor de mens onder meer worden beïnvloed door de optredende temperatuursverschillen, windkracht, e.d. Deze hebben n.l. invloed op het door de mens ervaren luchtpotentiaal en alles wat daarmede weer samenhangt. Wij hoeven ons er dan ook niet over te verwonderen, dat de levenskracht van de mensen uit zeer oude tijden – 5 tot 800.000 jaren geleden – veel meer gelijk was aan de eigen krachten en velden van de aarde, dan thans. Zo een mens kon, evenals planten nu nog, door beroeringen met de aarde, onmiddellijk daaruit een zeer groot deel van de benodigde krachten opnemen. Hij was dan ook met die wereld geheel vergroeid, terwijl ook zijn voorstellingsvermogen en denken geheel door die wereld werden bepaald. Hij kon zich die wereld niet anders voorstellen dan als een barende – dus vruchtbare – kracht, die hem het bewustzijn schonk, dat de vader, het vuur, later gesublimeerd tot de zon, deed aanschouwen. Ik noem nu als gesublimeerde levensvader de zon. Maar u zult wel begrijpen, dat er in het verleden tijden zijn geweest, dat de zon heel vaak niet zichtbaar was. Misschien maar eens in vele jaren. Daarvoor in de plaats waren er vele onweersbuien zichtbaar, die gepaard gingen met felle overslag van vonken. Daaruit ontstonden dan weer branden. Hierdoor heeft de mens het vuur eigenlijk het eerste leren kennen als een hemelmacht. Toen de wereld wat veranderde, werd de mens echter meer los van de directe binding aan de aarde. Zeker, ook u put nog een deel van uw krachten uit de aarde. Maar in verhouding tot de wijze, waarop dit vroeger geschiedde, is dit nog geen 30%. U trekt dus wel veel minder levenskrachten uit de stralingen en velden van deze wereld zelf. Het grootste deel van uw levenskrachten wordt op het ogenblik opgenomen uit de atmosfeer.

Ik doel hier natuurlijk bij voortduring op stoffelijke levenskrachten. Het zij verre van mij om hier meteen te spreken over de krachten van de ziel. Dat zou ons in deze korte tijd veel te ver voeren. De mens werd dus meer en meer een wezen, dat van de krachten in de atmosfeer afhankelijk is. De atmosfeer is echter, ook in de krachten die erin optreden, veel sneller variabel dan de aarde. De aardkorst had de gewoonte bepaalde stralingsenergieën vast te houden en langzaam af te geven. Zij verkeerde altijd een langere tijd in rust of onrust. Er was dus in de wijzigingen van omstandigheden een zekere geleidelijkheid. De lucht rond u is geheel anders in haar wisselingen. U weet wel, vandaag is het koud, morgen is het weer warm. Vandaag is er een luchtelektriciteit, die in al u leden tintelt en u haren overeind doet staan, morgen is de lucht zo leeg van krachten, dat u van meligheid haast niet weet, waar u moet gaan. Er ontstonden veel grotere verschillen en hierdoor ook meer uitdrukkelijke wisselwerkingen met de omgeving. Deze verschillen hebben de aandacht van de mens wel in de eerste plaats naar boven toe gericht. In verband met de levenskrachten die de mens zo ervaart, vinden wij bv., de maanaanbidders, die geloven, dat het vreemde gepolariseerde licht van de maan een directe invloed uitoefent op de vitaliteit van de mensen. Geheel onjuist is dit niet en bij sommige mensentypen zien wij dan ook nog heden een sterke beïnvloeding door het maanlicht optreden. Toch was dit niet in de eerste plaats een kwestie van stralingen, doch berustte het meer op de eenzijdige lichttrillingen. Men verwarde m.i. hier dan ook vaak het verschijnsel en de oorzaak met elkaar. Deze maanaanbidders meenden, dat de maan met haar licht ook een bepaalde levenskracht schonk. Zij stond dichter dan de zon bij de aarde, en waar het licht van de zon vaak een vernietigende kracht kon zijn, was de maan altijd mild. Vooral in de tropen is haar licht haast levengevend na de felheid van de dag. In de tijd, waarover ik nu spreek, bestond dan ook de gewoonte zich te baden in het maanlicht, zoals u dit nu wel doet in het licht van de zon. Tempelgebruiken, die in oorsprong al zeer oud zijn, brachten nog in bekende tijden de mens voor het beleven van de tempelslaap en het ontvangen van profetische dromen in bepaalde centra samen, waar men de patiënten en cliënten bij volle maan gedurende de slaap aan het maanlicht blootstelde.

Toen de mens meer en meer van een leven uit de eigen krachten van enkel de aarde werd losgemaakt, wist hij een tijdlang eigenlijk niet goed raad. Zijn energie was op het ene ogenblik te veel, op het andere ogenblik te weinig. Er ontstonden dan ook cellen in deze periode van de menselijke geschiedenis, die zelf in zekere mate de nodige kracht konden voortbrengen gedurende niet al te lange tijd. De ontwikkelingsperioden tonen ons dan ook tegenstellingen, waarbij nu een langere tijd de maximum leeftijd van de mens ligt rond de 25, dan weer rond de 150 jaar. Belangrijk was, dat het lichaam zich aan ging passen bij de opname van krachten uit de omgeving op nieuwe wijze. Nu vraagt u zich af: Hoe staan wij er dan tegenwoordig voor? Kort gezegd: t.o.v. het totaal van de krachten die de mens nodig heeft? Buiten deze uit voeding gewonnen, komt ongeveer 70% uit de atmosfeer, of van buiten de atmosfeer. Dit omvat dus zowel de kosmische straling, die ten dele via de atmosfeer de mens bereikt als de statische en andere energieën, die inherent zijn aan de atmosfeer zelf. 4 tot 25% van de levenskrachten komt nog onmiddellijk uit de aarde zelf voort. Het resterende deel van de levenskracht kan worden geput uit de eigen activiteit binnen de mens van sommige elementen. Zoals u weet, kunnen wij vele stoffen en elementen verdelen in verschillende wentelende soorten van moleculen en atomen, die o.m. de stabiliteit van een bepaald deel van een element, of stof kunnen bepalen. Nu kan de mens wel zeggen, dat hij door het juiste kiezen van zijn voeding meer levenskrachten gaat verwerven en zo ouder zal worden en meer ervaringen op zal kunnen doen. Men meent vaak, dat men door aan de voeding bepaalde stoffen toe te voegen, meer arbeid in een zelfde periode zal kunnen verrichten. Dit is echter, helaas, niet helemaal juist. Degenen, die zich gewennen aan een te geregeld gebruik van kunstmatige vitaminen, zullen bv. bemerken, dat hiermede wel een zekere hoeveelheid energie in stand kan worden gehouden, maar dat bij een langdurig en regelmatig gebruik de werking toch wel heel sterk terug loopt. Het waarom is duidelijk. Vitaminen zijn chemische stoffen, of zijn uit chemische stoffen opgebouwd. Zij kunnen de cellen tijdelijk beter in hun functies doen werken. Voor de zenuwcellen bv. is dat een werken als een klein zakbatterijtje. De afgegeven krachten zijn wel miniem, maar het aanwezig vermogen is toch tamelijk groot, daar het over een langere periode kan worden afgegeven. Wanneer men nu te veel van die stoffen in het lichaam heeft, krijgt men vergiftigingsverschijnselen, kun je bv. in delen van het zenuwstelsel kortsluiting krijgen. Ook kan bij opname van deze stoffen door de celwand zich in de cellen een soort neerslag vormen, waardoor residuen in de cel komen te berusten, die haar levensduur en de reactiesnelheid aanmerkelijk verminderen.

Dergelijke verschijnselen kunnen ook ontstaan door een teveel, of tekort van de stralingen en stralingsvelden, waarvan wij als mensen voor een groot deel van onze levenskracht afhankelijk zijn. De ideale mens is zeer adaptabel. Hij kan zich aanpassen aan elke variatie van omstandigheden en zal vooral zijn energiegebruik weten aan te passen aan de mogelijkheden van zijn omgeving. Voorbeeld: u bevindt zich in een geladen atmosfeer. Hierdoor ontstaat een over geprikkeldheid van het zenuwstelsel. Dit kan voeren tot een verspillen van energie. Kan men het verbruik van energie beheersen en aanpassen aan de mogelijkheden, dan ontstaat, ondanks de ongunstige overlading van de zenuwen, toch nog een vergroting van energiereserves, van levenskracht. Laat de mens zich echter drijven door de onrust, die in dergelijke omstandigheden vaak in hem is, dan zal hij door ongedurigheid vaak meer energie verspillen dan hij uit de overdaad voor zich weer werkelijk op kan nemen. Het is juist de onmogelijkheid zich ideaal aan de condities aan te passen, die de levensduur en levenskracht van de mens zozeer verkleinen. Bij een niet constant blijven van humiditeit en temperatuur, volgens een gewend schema, zal door een zich niet aan kunnen passen aan, en reageren op de omringende waarden – in plaats daarvan behoudt de gewoonte meestal de overhand – zeer vaak veel energie teloor gaan.

Wanneer wij een ogenblik in de toekomst zouden willen schouwen, zullen wij reeds hieruit kunnen zien, dat alleen het controleren van het weer en de atmosferische omstandigheden niet voldoende kan zijn. Op gevaar af, dat u mijn lezing te sensationeel vindt, zou ik daarom hier een voorbeeld van een andere planeet aan willen halen. Bedoelde planeet had in de loop van lange tijd een groot deel van haar atmosfeer verloren. De aanwezige vochthoeveelheid was betrekkelijk gering. De in de atmosfeer optredende krachten en stralingen werden zeer ongunstig beïnvloed door het onjuist werken met atoomkracht. Voor het volk, dat daar leefde, betekende dit, dat men zich aan moest passen, dan wel ten onder gaan. Wanneer die aanpassing genetisch gebeurde, dus door verandering van de soort, zou een sterke terugval van intellect en dergelijke kwaliteiten plaats hebben gevonden. Er zouden mutanten op zijn getreden, die niet helemaal evenwichtig zijnde, een vernietigende invloed voor heel het aanvaarde maatschappelijke bestel zouden betekenen. Men kon dit niet aanvaarden. Daarom ging men er toe over zogenaamde stralingstorens op te richten. Deze torens waren zeer eigenaardig, daar zij niet zozeer zelf een straling opwekten, dan wel als transformatoren kosmische stralingen opvingen en omzetten in andere stralingen, die voor het daar levende ras belangrijk waren als levensenergie. Deze torens waren zo geplaatst, dat zij met deze straling zekere gebieden geheel oversluierden. Hierdoor werd voor dit volk een levensduur normaal, die vertienvoudigd was. Leeftijden van 5 à 600 jaren kwamen geregeld voor. In de woonplaatsen heerste immers de ideale levensconditie. Wel bleek na enige tijd, dat, wanneer een inwoner zich van de zo bestraalde steden of woonplaatsen voor langere tijd verwijderde, hij, onverschillig of hij jong of oud was, snel zijn krachten verloor, terwijl het lichaam snel uitteerde. Reactie- en denkvermogen vertraagden aanmerkelijk. Binnen ongeveer 4 maanden was zo iemand dan – gezien t.o.v. zijn medeburgers – een soort idioot geworden. Door een speciale soort therapie kon men soms hier nog wel iets aan doen.

Dit voorbeeld duidt aan, dat de ideale verdeling van aanwezige levenskracht gevende stralingen ook op aarde vooral snel en zoveel mogelijk nagestreefd moet worden, zeker in de toekomst. Om dit te kunnen doen, zal men uit dienen te gaan van een zuiver stoffelijk standpunt. Men mag niet vergeten, dat geestelijke krachten op aarde slechts in zoverre kunnen worden geopenbaard, als de aarde deze verwerken en bevatten kan. Een groot deel van de velden en stralingen die noodzakelijk zijn voor het instand houden van de stoffelijke levenskracht liggen nu echter enigszins buiten het veld, dat wij geestelijk geheel kennen en beheersen kunnen. Conclusie: de mens heeft levenskracht nodig en zal er zorg voor moeten dragen, dat zijn omgeving die te allen tijde in voldoende mate kan verschaffen.

Misschien zijn er onder u enigen, die menen, dat het leven heus zo prettig niet is en zich afvragen, wat het nut zou zijn van het verwerven van extra levenskracht. Voorbeeld: geestelijke bewustwording vraagt altijd weer een zekere innerlijke rust.  Eerst de mens, die zichzelf tot rust kan brengen, komt tot een objectief beschouwen van het stoffelijk leven en daardoor tot een subjectief beleven van hogere waarden. Uit deze hogere waarden kan hij dan weer bepaalde krachten putten, die wenselijk voor hem zijn. Komt hij tot hoger bewustzijn, dan kan hij ook leren, hoe bepaalde geestelijke krachten tot lagere krachten om te vormen. Het is zelfs mogelijk deze krachten terug te brengen tot stoffelijke levensenergie. Hierdoor kan dus uiteindelijk ook het stoffelijke lichaam beter geregeerd en gehanteerd worden. Eerst is deze stoffelijke levenskracht en rust noodzakelijk. Er is een zekere graad van gezondheid en vitaliteit nodig om met succes grotere en hogere geestelijke krachten te kunnen bereiken. Wij moeten dus wel allereerst zorgen, dat wij lichamelijk voldoende krachten hebben. Om dit te bereiken bestaan er methoden genoeg. Verschillende wegen uit de yogaleer bv. leren ons de nodige krachten in ons samen te trekken. Maar niet iedereen is in staat om met goed gevolg de yogaoefeningen te volbrengen. Zelfs indien dit laatste anders ware, heeft toch lang niet iedereen er de lust toe. Wij moeten dus een mogelijke vervanging hiervoor zoeken. Deze moet m.i. in de eerste plaats worden gevonden in een verandering van levenswijze.

Iedere mens heeft een zekere hoeveelheid levensenergie. Hij kan die intens en kort gebruiken, hij kan er ook langer mee doen. Maar deze kracht kan hij niet sneller na verbruik weer aanvullen, dan zijn eigen gestel en geestelijke instelling hem mogelijk maken. De doorsnee mens gebruikt in deze moderne tijd teveel van die levenskracht onbenut. In de Oudheid was het anders. Toen leefde de mens meer met de natuur verbonden. Zelfs zijn zorgen en problemen waren veelal van een zo materiële geaardheid, dat hij hierdoor zijn verbondenheid met de aarde nog weer bevestigde en dus krachten uit de aarde kon putten hiervoor. Tegenwoordig is dat niet meer zo. Werkelijk levensbelangrijke, zuiver materiële problemen bestaan er niet meer voor de meeste mensen. De problemen, die op het ogenblik bestaan, komen veelal voort uit een te hoog levenstempo, een te intens zoeken naar een leven en beleven. Een zich in de ogen van anderen te vitaal willen voordoen en daardoor eigen krachten aanmerkelijk schaden. Vroeger was de voeding, ofschoon vaak frugaal (sober), voldoende en aangepast aan de werkelijke behoeften. Tegenwoordig krijgt de voeding vaak eerder de functie van een tongstreling, dan een werkelijk voldoen aan de behoeften van het lichaam. U zult wel begrijpen, dat bij een dergelijke wijze van zich voeden, aan het lichaam vele stoffen worden toegevoegd, waarmede het niets of weinig kan doen. Het heeft echter wel de normale moeite van het verwerken. Geloof mij, een spijsverteringsproces kost het lichaam heel wat kracht. De mens, die te veel eet, wordt dan ook niet alleen dik, maar verspilt een groot deel van zijn vitaliteit bovendien. Beheersing is hier wel in de eerste plaats noodzakelijk. Klein voorbeeld van voorkomende krachtverspillingen in het hedendaagse verkeer. U staat voor een drukke straat en moet oversteken. Er zijn veel auto’s, fietsen, etc. Bent u nu in staat om rustig te blijven wachten, tot u kunt oversteken, als het nodig is desnoods drie à vier minuten? Kunt u dit, dan zult u beheerst en rustig oversteken, ondanks een mogelijke versnelling van pas. Hiermede zult u geen energieën onnodig verbruiken. Of bent u misschien dat type, dat op de rand van het trottoir heen en weer loopt te dansen, steeds proberende naar voren te schieten en steeds door het verkeer weer gedwongen om terug te keren, zich ergerend over het feit, dat aan de file geen einde schijnt te komen? In dat geval verbruikt u voor de eenvoudige handeling van het oversteken, omdat u zich boos en zenuwachtig maakt en zich onnodig veel en krampachtig beweegt en, ten derde door het nemen van risico’s waardoor u aan voortdurende emotie onderhevig bent, ongeveer 400 maal zoveel energie dan in het eerste geval. De eerste kan dan ook met de gespaarde energie, die hij op deze wijze door beheerst zijn, rustig een uur lezen, of ongeveer 20 minuten gemiddeld zware lichamelijke arbeid verrichten. Het is daarom wel in de eerste plaats noodzakelijk, dat wij geduld hebben, dat wij rustig zijn. Dat wij ons niet onnodig geïrriteerd gevoelen over kleinigheden, die wij toch niet kunnen vermijden. Wanneer u naar een theater wilt gaan en de tram schiet niet op, maakt u zich dan niet druk. Desnoods blijft u in een foyer of hal wachten, tot men u weer in de zaal kan binnen laten. Wanneer het een bioscoop is, dan maakt het toch niet veel uit, dat u enige ogenblikken gezichten van staatslieden moet missen, die glimlachende uit vliegtuigen stappen om ons te vertellen, dat het zo goed gaat. Die dingen zijn immers niet belangrijk. Toch wordt aan dergelijke kleinigheden juist onnoemelijk veel energie verspild. Heus, al, wat nodig is, kunt u bereiken, kunt u, wanneer u rustig bent, volbrengen met betere resultaten en minder inspanning, dan wanneer u jachtig begint u te haasten. Ieder zal hierbij voor zich natuurlijk een evenwicht moeten vinden tussen eigen kunnen en de eisen van de maatschappij. Maar indien men zich zelf instelt op rust en leert a.h.w. voortdurend geduldig door het leven te gaan, kan men zich veel ellende en veel kracht besparen.

Dan nog een punt. Indien u de levenskracht zo hard nodig hebt – en u weet nu uit mijn betoog, dat o.m. de atmosfeer daar een zeer grote rol in speelt, – waarom zou u zich dan bij voorkeur ophouden in drukke straten, vergiftigd door verkeer, in een besloten vertrek, waarin feitelijk niet eens voldoende zuurstof is? Wanneer u overal tijd voor kunt vinden, hebt u zeker ook tijd genoeg om regelmatig de frisse lucht in te gaan. Kunt u niet buiten de stad gaan, geen bezwaar. Overal staan bomen en bomen zijn de vrienden van de mens. In de eerste plaats zullen zij vele van de krachten en stralingen in de atmosfeer op hun eigen wijze verwerken, waardoor zij in hun omgeving een potentiaal-verandering teweeg brengen. In de tweede plaats voorzien zij u door hun levensprocessen van de voor u zo noodzakelijke zuurstof.

Een andere methode is regelmaat. Wanneer u eet, eet dan niet teveel, maar bovenal, eet op een bepaalde tijd. Uw lichaam kan zich daarop instellen en met minder krachtsinspanning grotere hoeveelheden voedingsstoffen aan het voedsel onttrekken. Hierdoor neemt uw eigen kracht ook toe. U leeft zo gezonder en prettiger. Deze raadgevingen zouden vanuit geestelijk standpunt weinig waarde hebben, wanneer de levenskracht voor ons niet een instrument was, wat ons ter bewustwording is gegeven. U herinnert zich misschien uit de evangeliën de gelijkenis van de talenten. Een heer geeft aan zijn bedienden talenten. De een vijf. De ander twee, een laatste één. Daarmee moeten zij zien iets te doen. Wanneer je het gewoon laat liggen tot de heer zijn bezit op komt eisen, bent u in zijn ogen schuldig. De talenten, die u hebt meegekregen van de meester, of zo u wilt de kosmos, zijn de levenswaarden, de levenskracht die tot uw beschikking staat, de lichamelijke mogelijkheden, die u bezit. Daarmede moet u werken. Dit wil zeggen, dat u daarmee zo goed en zoveel mogelijk ervaring op moet doen, terwijl u daar tegenover een zo gering mogelijk energieverbruik en zo weinig mogelijk schuld moet stellen. Om te beantwoorden aan het geestelijke doel, dat in elk stoffelijk bestaan is gelegen, zal dus de mens zijn leven en kracht zo goed en intens mogelijk doen exploiteren. Degene, die dit doet, zal ontdekken, dat ongeacht de veelheid van beleving, ongeacht verder het al of niet aanvaardbaar zijn daarvan voor de wereld, in hem of haar een steeds groter vermogen groeit om ook geestelijke krachten voor zich te activeren. Daarnaast zal juist het goed gebruiken van de levenskrachten, zonder ooit uzelf te overbelasten zonder noodzaak, resulteren in een verscherping van stoffelijk denkvermogen. Een vergroting van geheugencapaciteit ook. Er is dus alles voor te zeggen de levenskrachten van deze tijd – geborgen in de atmosfeer vooral – zoveel mogelijk uit te baten en zo weinig mogelijk van deze levenskrachten te verspillen in onnode bezigheden, ongeduld of emoties, die voor ons geen werkelijke zin hebben.

* Kan de levenskracht op eenvoudige wijze aan de atmosfeer worden onttrokken  door regelmatige ademhaling?

Dit is alleen mogelijk, wanneer de ademoefening op zich niet een te grote overbelasting van het lichaam betekent. Dit impliceert, dat een zekere lichaamsgesteldheid bereikt moet zijn voor men o.a. de oefeningen van de in de yoga op ademhaling gebaseerde scholen, ook werkelijk goed en nuttig in de praktijk kan brengen. De ademhaling is zeker belangrijk. Maar zij kan slechts worden beschouwd als een middel om eigen levenskrachten en vitaliteit aan te vullen, wanneer zij niet overmatig door de oefeningen zelf verspild of verbruikt wordt. Een regelmatig en diep ademen kan u in doorsnee van dienst zijn bij de volgende gevallen, zonder dat hierbij een bijzondere scholing nodig is. Zoals op het ogenblik, dat u zenuwachtig bent, iets moet doen of spreken op ogenblikken, dat u door hartstocht of woede vreest uw zelfbeheersing kwijt te raken; op het ogenblik, dat denkarbeid veel energie vraagt en overbelasting dreigt te ontstaan, of wanneer door arbeid van allerlei aard plotselinge vermoeidheid op gaat treden. In alle genoemde gevallen kan door diep en geregeld ademhalen – zonder bepaalde ritmen of andere speciale voorwaarden – een groot deel van de genoemde bezwaren worden opgeheven, zal men de kracht vinden voor werken, zich te beheersen, etc. Bij voorkeur haalt men adem in de vrije lucht, daar de werking er veelal groter is. Over de uitgebreide ademhalingsscholingen, die mogelijk zijn, wil ik nu hier niet verder uitwijden.

* Hoe verhoudt zich het energieverbruik bij geestelijke en lichamelijke arbeid?

Bij lichamelijke arbeid wordt meer zuivere cel energie gebruikt. D.w.z., dat meer kracht aan de weefsels zelf wordt onttrokken. Daar deze kracht van lagere kwaliteit is en geheel verwant met de aarde, zal zij snel en eenvoudig kunnen worden aangevuld door rust en voedsel. Geestelijke arbeid put het zenuwstelsel sneller uit en kan niet zonder meer door rust of voedsel worden hersteld. Gezien in de verhoudingen van deze wereld kan dan ook worden gezegd, dat geestelijke arbeid, mits intens genoeg, zwaarder en vermoeiender is dan zware lichamelijke arbeid. Ten opzichte van de zenuwkracht: de uitputting, die door geestelijke arbeid en inspanningen ontstaat, is 6 tot 14 maal groter dan de belastingen van lichaam en zenuwstelsel bij lichamelijke arbeid. Verschillen in krachtverbruik worden bepaald door de intensiteit van geestelijke arbeid. Het gestelde voor lichamelijke arbeid geldt alleen, wanneer geen bijzondere geestelijke inspanningen en denkarbeid bij het lichamelijke werk worden vereist. M.i. kan men daarom de doorsnee geestelijke- en denkarbeid op deze wereld tenminste even zwaar aanslaan als lichamelijke arbeid, behalve waar het de benodigde voedselopname betreft.

* Is een bepaalde training nodig om geestelijk te kunnen arbeiden? 

Ongetwijfeld. Geestelijke arbeid betekent in de eerste plaats in staat zijn zich snel en intens een voorstelling te maken van herinnerde of geleerde feiten. Een zekere fantasie a.h.w. De rekenaar of boekhouder, die een cijferreeks uit het hoofd controleert, zal zich de bewerkingen voor moeten stellen en een vastleggen van de tussenuitkomsten in de gedachten, waar hij deze anders zou opschrijven. Dit vraagt oefening. Hoe groter de veelheid van feiten, of de reeksen van waarden, die gelijktijdig moeten worden vastgehouden, hoe groter de inspanning. Ook al kan de voorstellingspunt puntsgewijs worden gerealiseerd, binnen het Ik zal het beeld in zijn geheel moeten worden opgebouwd. Hetzelfde geldt voor lezen. Wanneer het oog in staat is een groter hoeveelheid woordtekens in eenmaal op te nemen en in de herinnering te plaatsen, kan het bewustzijn woord voor woord zich de betekenis van de als groep ervaren tekens realiseren. Het beeld moet dus een ogenblik bewaard blijven, terwijl al nieuwe beelden worden opgenomen. Ook dit vraagt training. Zelfstandig denken beteken het combineren van feiten, die anderen nog niet zo hebben samen gezien. Niet alleen dus een weten omtrent hetgeen anderen hebben bewezen en gedacht, maar tevens een vermogen deze waarden onafhankelijk van elkaar te hanteren en met elkaar willekeurig samen te voegen, zonder dat de herinneringsbeelden op zich hierbij een te grote rol blijven spelen. Om dit goed te kunnen doen, moet men in de eerste plaats door oefening – studeren – de opnamecapaciteiten van de hersenen vergroten, daarnaast moet men de toegankelijkheid van de herinneringscentra voor een selectief bewustzijn activeren. Bovendien is het noodzakelijk dat men leert de werkelijkheid een ogenblik uit te schakelen en te vervangen door het in het Ik bestaande beeld, terwijl men alle invloeden van buiten af afwijst. Er bestaan verschillende methoden van oefening hiervoor, die over het algemeen gebaseerd zijn op lichaamsoefeningen, concentratie en meditatie, een zoeken naar hooggeestelijk bewustzijn, waarin de kracht voor ontwikkeling van eigen denkvermogens en meer scheppend denken kan worden gevonden.

* Is scheppend denken te vergelijken met een inspiratie, of mediamiek denken?

Dit is afhankelijk van de wijze, waarop u scheppend denken wilt omschrijven. Indien wij zeggen, dat scheppend denken een voortbrengen via de gedachten betekent van hetgeen nog nooit is geweest en opgebouwd wordt uit waarden, die nog niet bekend waren, dan kan dit alleen een resultaat zijn van inspiratie. Indien scheppend denken wordt gezien als het samenbrengen van reeds bekende waarden in een nieuw beeld, dat dus nieuwe opvattingen omtrent mogelijkheden en gebruik uitdrukt, dan behoeft dit niet inspiratief te zijn, doch kan het evenzeer het resultaat zijn van eigen logisch denken.

*U sprak over de invloed van de maan door straling. Heeft het feit, dat de  bijeenkomst in de Wessacvallei bij volle maan plaats vindt, hier iets mee te maken?

Ik heb niet gezegd, dat de invloed van de maanstralen als straling feitelijk was, maar dat men daarin geloofde. Het plaats vinden van de genoemde plechtigheid bij volle maan is niet afhankelijk van stralingen e.d. De keuze van tijd hangt samen met de symboliek van het geheel. Hierin speelt de satelliet van de aarde een grote rol als verpersoonlijking van de secundaire krachten binnen het scheppend vermogen.

* U maakt verschil tussen straling en trilling. Is niet elke straling een trilling?

Straling hoeft niet altijd trilling op te wekken. Indien zij zich zo beweegt door een tussenstof, dat zij deze niet of slechts incidenteel ternauwernood beroert, zal daardoor geen verwante trilling worden veroorzaakt. Trilling kan alleen in materie van een zekere dichtheid optreden. Straling kan zich ook in het ledige voortplanten, daar zij bestaat uit partikels ,die zelf bewegen. Bij trilling is er sprake van partikels, of kleinste delen, die hun eigen beweging aan andere overdragen, terwijl daardoor de delen in zekere vaste verhouding tot rust komen en tot nieuwe beweging geactiveerd worden. Er is tussen deze beiden wel een zeer groot verschil.