De mens in de oneindigheid

image_pdf

21 maart 1966

De mens in de oneindigheid is niets. Als hier op aarde een satelliet met mensen in de ruimte wordt gelanceerd, ach, dan is dat niet veel meer dan een microbe, die ronddartelt in het achtertuintje van de zon. Als die mens dus zijn eigen belangrijkheid in de kosmos moet gaan afmeten, dan zegt hij: “Nou ja, ik ben eigenlijk niets”.
Nu bestaat er een heel eigenaardige omschrijving van de mens. Er werd eens gezegd: “De mens in de oneindigheid is een tessaract dat zich langs een Möbius-strip beweegt rond het centrum van bewustzijn.”

Nu moet u natuurlijk weten wat dat allemaal is? Een tessaract is een kubus, uitgeslagen in de 4e dimensie. Stelt u het zich voor als een soort kubus met daaromheen allemaal kubussen, boven en beneden; een soort kruis – u heeft het heus wel eens gezien – maar dan zo dat alles, wat aan de buitenkant zit, naar binnen wordt geslagen. Dan zitten er dus eigenlijk, als we het zo voorstellen, 8 kubussen in een kubus, want er zijn ook nog tussenrelaties. Dit is 2-dimensionaal natuurlijk niet voor te stellen. Maar een mens doet daaraan denken. Een mens in zijn geheel, voorgesteld vanuit een menselijk standpunt, is dus niet één mens of één leven, maar is een veelheid van personen.

Dan wordt er gezegd: “die zich beweegt langs een Möbius-strip.” Nu, daarmee heeft u als kind wel eens gespeeld. U kent toch wel dat aardige van een strook krantenpapier: een slag erin en aan elkaar binden. Als ik die kant opga, dan begin ik aan de buitenkant en ik kom aan de binnenkant uit. Een heel eigenaardig ding dus.
De mens beweegt zich n.l. in de totaliteit van zijn wezen a.h.w. voortdurend rond het eigenlijke ego, het centrum van bewustzijn. Maar daarbij bevindt hij zich aan de ene kant aan de binnenkant – geestelijk, zouden we zeggen – en aan de andere kant is hij aan de buitenkant. En dat moeten we toch wel even verwerken, daarom heb ik die uitspraak ook aangehaald. Wanneer de mens n.l. in de geest leeft, is hij precies dezelfde als de mens, die in de stof leeft. De mens, die in de stof leeft, is niet alleen maar het leven, dat hij op dit moment kent – dat is maar een kubus van het tessaract – maar het totaal van alle voorkomende gelijkvormige ruimten, die in de 4e dimensie kunnen worden voorgesteld.

Een mens in de oneindigheid zou niets betekenen, indien hij niet zelf oneindig was. Niets zijn is een erg vervelende kwestie. Dat, wat u op het ogenblik denkt te zijn, is niets. Maar datgene, wat u werkelijk bent, is in de eerste plaats vanuit uw standpunt een veelheid en in de tweede plaats is het een oneindigheid, want dit blijft bestaan. Nu kunnen we daaraan nog wel andere dimensies toevoegen, maar dan wordt het helemaal onoverzichtelijk. Daarom gaan we proberen om de relatie van de mens tot die oneindigheid te omschrijven.

Elke mens bevat zoveel eigenschappen, dat hij zou kunnen worden gezien als een aantal onafhankelijke personen. Als je in je eigen gezelschap bent en je kent jezelf, ben je dus nooit alleen. Die veelheid van personen wisselen elkaar af in verschijning. Er is dus steeds één vorm, waarvan wij ons het meest bewust zijn, één karakter, één aard, één achtergrond. Zodra die ophoudt te bestaan, verdwijnen wij uit één wereld, maar komen gelijk in de andere wereld terug; en wel – en dat iets, wat u misschien nog niet hebt gehoord – met een ander deel van de werkelijke persoonlijkheid. Dus: je bent a.h.w. zo’n ring van poppetjes, die aan elkaar geknipt zijn en danst steeds in de rondte. Die rondedans gaat om één centraal punt, want al deze figuren, die wij a.h.w. uitbeelden, worden tot leven gebracht door een en dezelfde bron: de projectie.

Nu hebben wij dus iets gekregen, waarvan we kunnen zeggen. De mens in de eeuwigheid is een wezen, waarvan een facet voortdurend is geuit – hetzij in de geest, hetzij in de stof. Slechts zij, die de tussenwand, de Möbius-strip, kunnen doorbreken – die dus aan twee kanten tegelijk kunnen leven – leven in geest en stof. Zij zullen in geest en stof dan ook een andere persoonlijkheid bezitten. En dan is de volgende stap misschien eenvoudiger.

Ook als je dat niet weet, is een deel van je persoonlijkheid in de geest actief en dat is een ander deel dan je op aarde hebt. Het is dus krankzinnig om met je aardse persoonlijkheid naar de geest te streven, want je bent in de geest, maar je bent er anders. Je moet wel naar harmonie streven. Je moet trachten datgene, wat je nu bent volledig te vervullen. De tijd heeft alleen vat op je, voor zover het die vormen betreft. Misschien is de eenvoudigste voorstelling dit: Als iemand nu eens een uitgeslagen tessaract zou kunnen construeren en het zou mathematisch werkelijk volkomen juist zijn, dan zou een kleine schok voldoende zijn om het geheel te doen terugvallen op zichzelf. Het wordt dan een 4-dimensionale structuur en niet meer een 3-dimensionale uitslag. Er is dan een heel groot gedeelte weg.

Voor ons bewustzijn gebeurt nu hetzelfde. Wij leven in de oneindigheid, maar wanneer er een schok komt, reverteren wij – voor een kort ogenblik althans – tot onze totale persoonlijkheid. Voor die totale persoonlijkheid bestaat er, gezien de verbinding met de kern – de levengevende kracht, die dus leven projecteert – geen tijd. De mens is oneindig in de oneindigheid. De mens is eindig in elk aspect van de oneindigheid, waar hij zich afzonderlijk projecteert. En dan komt men dus vanzelf tot heel veel eigenaardige conclusies. Het zijn vooral deze, die vandaag van belang zijn.

Een godsdienst heeft alleen zin, indien zij een verbinding is met de kern, het ware ‘ik’, waaruit mijn leven wordt geprojecteerd. Geen enkele vorm, die daarmee niet in verbinding staat, heeft voor mij enig werkelijk belang. Al datgene, wat er in de wereld gebeurt, is voorbijgaand. Het heeft geen werkelijk belang, tenzij ik daaraan zelf deel heb. Indien ik nu eens in staat zou zijn om die oneindigheid te beseffen, die elke mens heeft – ik zou u ook die mogelijkheid kunnen geven – dan zouden we iets eigenaardigs zien: Hier leeft u in 1966. Wilson heeft het moeilijk. Johnson heeft het moeilijk. De Amsterdamse politie heeft het moeilijk, hoorde ik zo juist. Iedereen heeft het moeilijk. Kortom, we zitten in de moeilijkheden.

Wanneer we nu maar een heel klein stapje verdergaan, van het ene huis naar het andere, naar de dichtstbijzijnde ster buiten de zon en we kijken, vandaar naar de aarde, dan is Kennedy nog druk bezig te regeren en verwacht men nog heel veel van hem. Gaan we nog een paar stapjes verder, m’n lieve mensen, dan is Jezus nog niet eens op aarde geboren. En zouden we ons werkelijk de moeite getroosten om naar een van de sterrennevels te gaan – bv. de nevels in Cygni of bij de Maagd – dan kunnen we wel zeggen: “Nu ja, die aarde is er nog niet”. Misschien komt dat ding eens een keer, misschien ook niet. Waarmee ik wil zeggen, dat het tijdsverloop voor u alleen gebonden is aan uw aanwezigheid in dit facet van uw bestaan. Om daarom de dingen op aarde zo op te blazen en zo belangrijk te maken, dat lijkt me eigenlijk wel wat overdreven. Het aanzien, dat u nu heeft is een illusie. Als u met veel moeite van niets tot iets bent gekomen, dan bent u overal, behalve in uw eigen omgeving nog steeds niets. Die uiterlijkheden doen er dus niet toe.

Maar nu komt er iets anders: Indien ik mijzelf verrijk – ik word dus bewuster – wat gebeurt er dan? Dan zal dit bewustzijn tijdelijk in dat ene deeltje van het tessaract zijn; dus in dat ene facet van de persoonlijkheid, dat is geopenbaard. Maar dan komt de schok, die wij overgang noemen, de zaak klapt in elkaar en op dat moment wordt in het geheel datzelfde bereiken uitgedrukt. Wat ik dus innerlijk aan ervaring verwerf, aan bewustzijn, dat is eeuwig. In de oneindigheid heb ik hier een werkelijke waarde.

Als je de 100.000 trekt, dan ben je een arme ziel, vlak daarnaast in de tijd ben je rijk en een eindje verder ben je weer een arme ziel want dan heb je de belasting betaald en ontdek je dat je meer hebt uitgegeven dan je kon. Daarom moeten wij de mens in de oneindigheid proberen te situeren op de juiste manier. En dat gaan we in een paar stellinkjes wat eenvoudiger maken.

  1. In het heden is, behalve misschien voor het ogenblikkelijke bewustzijn, niets belangrijk buiten de opgedane ervaring, het verkregen werkelijke inzicht.
  2. Ik zal steeds weer in verschillende werelden en vormen in verschijning treden. Wat ik innerlijk heb bereikt, zal in elke vorm mede geuit zijn. Dat, wat ik qua vorm ben, is onbelangrijk en gaat teniet.
  3. Het werkelijk ego is de bezielende kracht. Al het andere is een projectie volgens natuurlijke wetten, welke een meer dimensionaal stelsel a.h.w. beheerst.
  4. Hoezeer je je ook haast, je komt nooit op tijd. Hoe langzaam aan je ook doet, je komt altijd te vroeg. Deze laatste stelling is een mooie. Daar moet u eens heel goed over nadenken.

Als je je haast, bestaat er een bewustzijn van onvolledigheid. Zolang het bewustzijn van onvolledigheid bestaat, is er het gevaar dat in het geheel van de persoonlijkheid de disharmonie wordt overgebracht; je bent altijd te laat. Iemand die streeft, maar met, een zekere tevredenheid met wat hij heeft, die doet het misschien veel langzamer, maar hij gaat uit van een bezit van één-zijn, van een innerlijk vaste vorm. Hij heeft dus alles, wat er met die vorm ooit kan worden bereikt, reeds op dit moment. Als mens is dit moeilijk te realiseren. Toch zul je eens zover moeten komen, dat je die hele ‘multiple personality’ – de veelvoudige persoonlijkheid – gaat erkennen voor wat zij is. Het is niets anders dan het tasten van het ware ‘ik’ in de oneindigheid.

Wat is nu die oneindigheid? Is die zo oneindig als wij haar ons voorstellen? We kunnen zeggen: “Oneindig is onbegrensd”. En toch kan ik in het oneindige een grens stellen, zonder dat ik de oneindigheid minder maak. Dat klinkt gek. Maar als ik de oneindigheid heb en ik trek een lijn er midden doorheen, dan heb ik aan de ene kant een oneindigheid en aan de andere kant een; ik heb er dan twee. Of: als ik een oneindig aantal punten wil hebben, dan zet ik gewoon een stip, 1 per kilometer of 10 per cm2; het aantal blijft oneindig. Oneindigheid is geen vaste waarde. Het zegt niets omtrent structuur of omtrent aantal. Het enige, dat er gezegd wordt is: “Er is geen kenbare grens”.

Nu wordt de mens geschapen. We kennen die oude theorie misschien wel: God schept. Dat is dus de scheppende kracht. De golven van licht bereiken de grens, via de Jonkvrouw ontstaat de spiegeling van de oervormen enz. enz. Nu moet u zich voorstellen, dat het mens-zijn in zich een oneindig aantal mogelijkheden bevat, maar dat het gelijktijdig oneindig is, omdat alle vormen en mogelijkheden, die niet met het mens zijn verbonden zijn, uitsluit. Het is dus een beperkte oneindigheid.
Wij kunnen in die beperkte oneindigheid dus nooit zover doordringen, dat we alles kennen. Als wij de kern van ons wezen, de ziel, het ware ‘ik’ onderzoeken, dan moeten we tot de conclusie komen, dat die alleen de menselijke wereld kent en dat wij – zelfs in deze veelheid van vormen en mogelijkheden, die er voor ons bestaan – alleen de mens in al zijn fasen kunnen uitdrukken. En dat leidt dan weer tot een stelling, waarover u misschien ook even moet nadenken:

Mens-zijn omvat het totaal der vormen van het ego en het totaal der uiterlijkheden, waarin het ego zich kan formeren vanaf de bereiking van het hoogste bewustzijn tot aan de vorm van het onbewuste, het ternauwernood eencellige wezen. Wij zijn dus niet slechts een complex van vele menselijke levens, nee, we zijn een complex, dat een totale scheppingsgang omvat. Als wij willen spreken over de oermens of de oervorm in de spiegel, dan moeten wij zeggen: Dit is niet alleen een mens. Dit is het totaal wat ook maar tot de bewustwordingsgang van mens-zijn kan worden gerekend. En dat is ergens hoopgevend.
Als we nl. te maken hebben met een onbegrensde oneindigheid, dan is het nooit mogelijk om tot een definitie te komen. Maar in die oneindigheid van het totaal zijn wij zelf een begrensde oneindigheid. Dat houdt in, dat wij niet het geheel ooit zullen kunnen doorgronden. Wat wij wel kunnen doorgronden, is ons eigen wezen. Wij kunnen terugkeren tot de omschrijving van de mens.

Nu zult u zeggen: “Als de mens in de oneindigheid zichzelf heeft erkend, dan is het afgelopen”. Nee, dan is het niet afgelopen want dan is er een vormomschrijving en krijgen we de steeds fijnere definitie. In het begin is er alleen maar een vorm: een klos met een menselijke gestalte. Dan worden alle cellen gedefinieerd. Op de duur alle moleculen, alle atomen, totdat zelfs de kracht, die deel uitmaakt van het mens-zijn, in alle delen is gedefinieerd. Dan blijken er zo oneindig veel mogelijkheden van variatie en samenstelling te zijn, dat wij in dit mens-zijn voortdurend kunnen beleven en voortdurend kunnen erkennen, zelfs indien wij het hoogste bewustzijn hebben bereikt. Dat houdt in, dat de mens in de oneindigheid nimmer daadloos is. Dat houdt tevens in, dat hij wel een top bereikt, maar dat dit niet betekent: een uitblussing van het werkelijke ego; wel van het ‘ik’ begrip, zoals dat thans bestaat.

De kwestie van de hedendaagse wereld en haar spanningen zouden wij in verband met de oneindigheid en in verhouding tot het oneindige wezen dat wij zijn misschien ook even moeten beschouwen.
Het totaal van onze conflictmogelijkheden en van onze harmonische mogelijkheden wordt gedefinieerd door het facet dat wij uiten, de kubus van de tessaract die actief is in deze wereld is altijd kenbaar. Nu zitten we in een wereld vol verwarringen en dan zegt u misschien: Tjonge tjonge, die provo’s toch! Maar hier krijgen we te maken met een normaal verschijnsel in de mens in de oneindigheid. Hij doet dit dus altijd. Ik wil niet zeggen dat u allemaal provo’s bent; sommigen van u zouden dat toch niet van zichzelf durven geloven. Maar wat is de oorzaak? Onzekerheid. De jonge mensen kunnen geen huis vinden. Hun werk is niet bevredigend. De liefde is ten slotte vervelend. Kortom, er is een verveling, een spleen. Er is niets nieuws, want het enige, dat ze kunnen onderzoeken, is zichzelf; en tot dit zelfonderzoek zijn zo niet geneigd, omdat ze hun handen liever niet vuil maken.

Dat is nu het typische beeld van de mens, zolang hij niet innerlijk bewust wordt. Hij wil iedereen onderzoeken. Hij wil alles beleven, hij wil alles zien, maar naar buiten toe. Hij wil niet in zichzelf keren. En als dit tot zichzelf keren wordt geforceerd, dan is dit een zo verschrikkelijke beleving, dat hij zich bij een volgende projectie – onverschillig of het in een geestelijke wereld of elders gebeurt – eenvoudig niets meer daarvan wil herinneren. Er is ergens een blanke plek, een wit plekje op de landkaart van het ego. In dat plekje kunnen we heel goed doordringen, indien we dat kennen; en dan kunnen we alles harmonisch en zinvol beleven. Maar we willen het niet.

In Nederland wil men bv. heel graag beweren, dat men in een democratie leeft. Ze zeggen: “In een democratie is het volk belangrijk”. Als het volk dus een dans rond het Lieverdje wil maken, dan heeft het daartoe evenveel recht als een ander heeft om het laatste standbeeld van Jan Pietersz Coen of een moderne, onbegrijpelijke kolos te onthullen. Dat is democratie. Maar niemand wil het zien. Wat zijn we dan wel? Wij horen die provo’s zeggen, dat ze anarchisten zijn. Maar ze vergissen zich een beetje, want een anarchist kent geen organisatievormen; maar hij kent ook niet de terreur. Een vergissing, die men wel meer heeft gemaakt. De terreur, zoals ze gebruikt wordt, is fascisme. Men wil het niet zien en men kan het niet zien, want het zit aan de binnenkant. Men wil wel de buitenwereld zien met haar fouten, haar noodzaken en mogelijkheden, maar nimmer datgene wat in het ‘ik’ bestaat.

Als we moeten spreken over de tragedie van de mens in de oneindigheid, dan zou ik zeggen is het deze: dat hij weigert zijn werkelijk wezen te beseffen; dat hij de waarheid over zichzelf niet wil weten. Een mens op aarde probeert om vergeestelijkt te zijn. Hij probeert te ontkennen dat hij een dier is, maar gelijktijdig voelt hij in zich het dier. Of hij stelt zich aan als een beest en tracht te vergeten dat er iets edeler in hem zit. Die eenzijdigheid is het drama van de mens. En als je dat eenmaal doet in het leven, slaat dat door in elke andere projectie. Dan spreken we niet van karma, maar moeten we spreken van eigenschap.
Als we één zo’n kubus van het tessaract, teruggebracht dus tot het 3-dimensionale, beschouwen als een soort kristal dan kunnen we zeggen: Datgene, wat in een kristal optreedt, zal de doorlaatbaarheid van het kristal voor keuzemogelijkheden in een volgend bestaan beïnvloeden.

Misschien kunt u zich voorstellen, dat men een kristal zo slijpt, dat het voor een bepaalde golflengte is afgestemd. Men noemt dat in radiotermen geloof ik een stuurkristal. Een zender, die daarmee is uitgerust, is een kristalgestuurde zender; d.w.z. dat de zaak dus op één golflengte blijft. Als je leeft, dan vorm je a.h.w. in het huidige kristal een aantal spanningen, maar de selectiemogelijkheid van dat kristal, dat je nu bent, blijft gelijk. In je leven ben je gebonden aan één bepaalde reeks mogelijkheden. Nu keer je terug. Het tessaract valt in elkaar en projecteert ze opnieuw in een 3e dimensie, een 3-dimensionale wereld. Dan is dus de spanning ontladen en die heeft mede bepaald hoe het volgende kristal regeert. De mens selecteert dus in de beperkte oneindigheid van mogelijkheden die het mens-zijn biedt voor zichzelf steeds de reeks mogelijkheden die hij voor zich kan realiseren.
En dat geldt niet alleen in de stof, want wij leven in de geest en in de stof gelijktijdig. Die twee ontmoeten elkaar niet – denk aan de, Möbius strip – maar het ene ogenblik is het ene deel van de persoonlijkheid a.h.w. in de stof en het andere deel in de geest. Er komt dan een moment, dan schakelt de zaak om, wat geest was wordt stof, wat stof was wordt geest en gaat verder.
Dat is natuurlijk de inhoud. Dat begrijpt u wel. Daardoor heeft ook voor de geest precies hetzelfde plaats. Je selecteert. Op het ogenblik, dat een mens niet meer selectief zou zijn, zou hij het totale zijn gelijktijdig kunnen verwerven. En daarmee kom ik vanzelf tot het slot van deze inleiding, die hopelijk niet al te hoog is gegrepen, dat is nl. dit:

Wij staan nu als mens te kijken tegenover die oneindigheid. Wij begrijpen onszelf niet en zeker niet wanneer we op aarde zijn. We proberen die relaties allemaal op de een of andere manier vast te stellen en we kunnen het niet. Maar laten we nu eens stellen, dat we het totaal van de mogelijkheden gelijktijdig zouden ervaren, dan zouden we heel anders zijn, anders leven, anders denken en toch zouden wij dezelfden zijn. En dat laatste ziet men over het hoofd.
U heeft in zich een groot aantal mogelijkheden en facetten, die u normalerwijze niet ontwikkelt, omdat zij eenmaal door uw afstemming voor u afgesloten zijn. Dan is het gemakkelijk te zeggen: “Mens, verander je innerlijke afstemming en je eigenschappen veranderen”. Dat is theoretisch waar, maar in de praktijk is het haast niet te doen. Je kunt misschien een heel klein beetje de scala, waarop je bent afgestemd uitbreiden, je kunt je beleven iets ruimer maken, maar nooit veel. Indien je het totaal zou kunnen ervaren, dan zou je alle eigenschappen bezitten, die behoren bij het geheel van het tessaract, zowel in het ontvangen als in het scheppen van indrukken. Daaruit volgt dat de mens, die de oneindigheid in zich beseft – die dus niet meer selectief is afgestemd – op een gegeven ogenblik de gehele oneindigheid van zijn huidig bestaan kent als één deel – maar dan geprojecteerd in het totaal van de mensheid en in alle krachten, die voor de oermensheid bestaan in dat deel – en die voor zich bezit. Wij zijn dus ook niet zo beperkt als we denken.

Het is natuurlijk voor veel mensen moeilijk aan te nemen, dat er vroeger een tijd is geweest dat de mensen met geesteskracht dingen deden, die men nu alleen met een vliegmachine doet. Toch is die tijd er geweest. Het is voor hem nog veel moeilijker zich voor te stellen, dat er chirurgen zijn geweest, die grote operaties konden verrichten in een tijd, dat men nog niet eens de bloedsomloop in kaart had en precies wist wat de bloedsomloop was, althans niet kon omschrijven. Toch is het zo geweest.

De innerlijke waarde van de mens is iets anders dan de uiterlijkheid. En wil de mens in de oneindigheid een klein beetje de betekenis beseffen van wat er rond hem is, dan zal hij in de eerste plaats die selectiviteit eigenlijk wel wat moeten beperken. Hij moet proberen dit uitzoeken der dingen te verminderen. Hij moet openstaan, zoals dat dan mooi wordt gezegd. Als ik opensta, dan moet ik wel begrijpen dat niet mijn ogenblikkelijke wens of verlangen maar mijn ogenblikkelijke ware zijn bepaalt wat er geschiedt; dat bepaalt wat uit het totaal van de mogelijkheden voor mij wordt geselecteerd. Mijn wezen zal dus uit een – zij het beperkte – oneindigheid voor zich die mogelijkheden verwezenlijken, die het zelf door de geaardheid van zijn wezen wenst. Niet door zijn z.g. wil maar door zijn wezen. De mens is als wezen volledig vrij. De wil van de mens is beperkt door het facet, waarop hij is afgestemd plus de wijze, waarop dit facet t.o.v. de wereld is afgestemd. De vrijheid van wil is een beperking van de oneindige vrijheid, daar zij gebonden is aan het eigen bewustzijn.

Ten laatste: als u dus in moeilijkheden komt te zitten met uzelf of met de begrippen van de oneindigheid, als u theorieën opbouwt, die nog complexer zijn dan wat ik u hier vanavond heb voorgezet, dan moet u zich wel even realiseren dat u daarmee niet meer bereikt dan door niet zo te redeneren of zo te vechten. Alleen wat u in uzelf als waar voelt en in uzelf waar maakt, dat is van blijvende betekenis, dat is eeuwig. Het andere kan dienen als een verklaring, een poging misschien om voor een ander uit te drukken wat de waarheid is, maar voor uzelf kan het nooit een verrijking zijn. Maakt u dus niet zo druk om ingewikkelde theorieën, maar probeer a.h.w. de essentiële dingen in uzelf te erkennen of aan te voelen. Daarmee komt u zeker verder.

Beklaag u niet zo erg over de wereld. De wereld, zoals u haar ervaart en ziet, heeft u zelf gekozen uit een oneindig aantal mogelijkheden. Het is uw wezen en uw persoonlijkheid wat de wereld voor u maakt, zoals ze is. Erken uzelf en u begrijpt de wereld. Ken uzelf, begrijp de wereld en u vindt een harmonie, waardoor misschien, heel misschien en klein beetje nu, maar zeer zeker in een volgende vorm van bestaan een harmonie met alle dingen werkelijke bereikbaar is.

En nog iets: Probeer uzelf niet teveel te veranderen. Dat kunt u immers toch niet. U bent nu eenmaal afgestemd op een bepaalde richting van leven. Waarom dan een façade opbouwen? Een doodbidder met een feestneus is nog geen grapjas. Zo moet u het ook begrijpen.

Bouw uzelf geen uiterlijk idealisme, dat niet beantwoordt aan uw wezen. Bouw geen schone schijn op, als u weet dat u anders bent. Maar dat wat u bent – dat is het belangrijke! – moet u beseffen als een deel van een eeuwigheid. Door alles wat u dan bent en wat u doet harmonisch te beleven waar dat mogelijk is en het harmonisch te uiten, door nooit de schuld alleen in de wereld te zoeken, maar te beseffen dat uw visie op de wereld bepalend is, kunt u zeker in latere vormen van bestaan die harmonie vinden, die u nu misschien ontbeert. Dan zal blijken dat u de eigenschappen, die u nu zo graag wilde hebben en niet kon verwerven, eigenlijk allang bezat.

Ik hoop, vrienden, dat dit als een korte inleiding op het onderwerp voldoende is. Ik besef zeer goed, dat er nog heel veel andere punten zijn, die u onder deze titel kunt onderbrengen. Vergeef me echter, dat ik niet probeer volledig te zijn want dat zou voor u vervelend, voor ons allen – zelfs voor het medium – zou het vermoeiend zijn en ik denk, dat het dan minder resultaat zou opleveren dan hetgeen ik nu heb gezegd. U hebt nu toch al niet alles kunnen begrijpen. Maar als u de tendens nu te pakken hebt, dan komt u misschien zover, dat u uzelf begrijpt. En als u uzelf begrijpt, begrijpt u ook de eeuwigheid.

Vragen

  • Heeft schizofrenie iets te maken met de verschillende fasen in het wezen van de mens?

Nou, nee, over het algemeen niet. U kunt het zich misschien zo voorstellen: Ik heb in de inleiding de persoonlijkheid, die tot uiting komt, vergeleken met een kristal. Als er nu in dat kristal een barstje zit, dan krijgen we een ongelijkmatige lichtbreking. We krijgen dus a.h.w. twee verschillende aspecten. Dat is dan wat men noemt: schizofrenie. Die kan tot stand worden gebracht door vergiftigingsverschijnselen. Ze kan het resultaat zijn van ziekelijkheid. Het kunnen psychische oorzaken zijn. Maar ik geloof toch niet, dat men schizofrenie moet gaan zien als iets, dat thuishoort bij de meervoudige uiting van de ware persoonlijkheid. Daarmee heeft het niets te maken. Het is alleen een kwestie van a.h.w. de twee kanten van de medaille, die op het ogenblik gelden, welke afwisselend naar voren worden gedraaid. Soms is het een dobbelsteen en dan krijgt men nog veel meer kanten

  • Dus schizofrenie is zuiver een kwestie van de persoonlijkheid; niet van het wezen, het totale leven van de mens.

Zeer juist uitgedrukt.

  • U zegt dat wij ons niet kunnen veranderen. Maar moeten we niet trachten ons te verbeteren?

Ja, dat is nu een kwestie, waarover we kunnen vechten. Er was vroeger een reclameslagzin van een zekere firma Liebig. Die zei: “In Argentinië maken we van een koe een blokje” dat waren soepblokjes. Nu vraag ik me alleen maar af: Was dat blokje nu beter dan de koe? Nee. Het enige, wat we dan zouden kunnen doen, zou zijn te proberen om datgene, wat goed in ons is, te concentreren. Maar daarmee halen we een klein beetje het leven uit de zaak. U kunt uzelf niet veranderen. Laten we daarvan maar eens uitgaan. U bent een bepaalde persoonlijkheid. U heeft een zeker karakter. Nu kunt u, als u eigenlijk snibbig bent, zeggen: “Ik doe altijd lief”. Maar denkt u dat die snibbigheid daarom minder wordt? Het kan een gewoonte zijn om op een lieve manier snibbig te zijn, inderdaad. Maar dan wordt het nog veel storender.

U bent qua aanleg zwaar erotisch en u kunt u voordoen als iemand, die – laten we maar zeggen – nog geen ijs zou kunnen doen branden, zelfs geen kerosine. Maar is dat nu de werkelijkheid? Nee, want dan explodeert u toch, zij het op een ander terrein. Waarmee ik maar wil zeggen: Je kunt de zaak niet veranderen. Wat je wel kan doen en wat in de maatschappij normaal is: je verschuift bepaalde delen van je persoonlijkheid op een zodanige manier, dat hun uitingen voor de buitenwereld op een ander terrein komen te liggen. Maar daarmee heb je jezelf niet veranderd. En dat vergeten de meeste mensen.

Dan zeggen ze: Wij willen onszelf verbeteren. Ja, maar hoe? Het enige wat je kunt doen, is jezelf rein houden. En dan bedoel ik dat niet in de vorm van wassen of rein denken, zoiets als: Gebruik Omo voor de hersenen, dan denkt u beter. Maar eenvoudig alle onnodige bijkomstigheden, het vuil dat a.h.w. van buitenaf aanslibt, verwijderen. Dat is dus het enige wat je werkelijk kunt doen. Want zoals ik, al zei: U kunt uzelf niet veranderen. U denkt het misschien. En dat houdt ook in, dat u uzelf niet werkelijk kunt verbeteren. U kunt alleen – en dat is dus het punt, waarop het aankomt – datgene, wat u bent op een zo juist en zo harmonisch mogelijke wijze leven. Of u kunt het verdringen en daardoor disharmonisch beleven. U kunt uw begeerten een rol laten spelen, die helemaal niet passen bij uw persoonlijkheid, waardoor u steeds in een verkeerd parket komt te zitten. U kunt ook proberen uw eigenschappen zo juist mogelijk te uiten.

Nu is dat laatste wat u eigenlijk moet doen. U verandert uzelf niet en u verbetert uzelf niet, maar u probeert op de meest juiste manier uzelf te zijn. Geloof me, dat kost heel wat meer moeite dan uzelf te verbeteren.

Uzelf verbeteren is het scheppen van de illusie, dat u nu anders bent dan vroeger. Meestal is dat een kwestie van ouderdomsverschijnselen of iets dergelijks. Maar in wezen, nee. Wat je bent, zal in je leven op verschillende manieren naar buiten treden. Dat past bij de manier, waarop je de wereld beleeft en waarop je in die wereld staat. Dan verander je mee met de wereld wat je uiting of wat je beleving betreft en je blijft jezelf wat jezelf betreft.

Een mens kan niet zichzelf genoeg zijn. Dat is onmogelijk. Maar die mens kan wel – en dat is heel belangrijk – zijn relatie met de wereld voortdurend baseren op datgene, wat hij als zijn werkelijke persoonlijkheid erkent. En dan kunnen we daaruit weer heel gemakkelijk een conclusie trekken, die u op vele terreinen zult horen, maar die ook hier op haar plaats is: Een mens, die zijn ware ‘ik’ leeft en daaraan in de wereld zo harmonisch mogelijk uiting geeft, is gelukkig. Als u ongelukkig bent, dan komt dat niet omdat de wereld slecht is of omdat u slecht bent, maar doodgewoon omdat u op verschillende manieren denkt goed te zijn.

Een mens, die zichzelf verbetert, berooft zich van uitingsmogelijkheden; wat hij aan de ene kant beter wordt, wordt hij aan de andere kant dus automatisch slechter. Als u dat vergeet, loopt u vast. Daarom geloof ik, dat ik de beantwoording van de vraag dus kort mag samenvatten. U kunt uzelf niet verbeteren, omdat u uzelf niet waarlijk kunt veranderen. Maar u kunt wel op een zodanige manier uzelf leven en beleven, dat u innerlijk harmonisch bent en harmonisch tegenover de wereld. Dan bent u misschien niet wat anderen noemen braaf, maar u leeft in ieder geval goed en dat is ook wat waard.

  • Dan heb je geen façade meer nodig. Ben je dan niet kwetsbaar?

Ik geloof juist, dat je onkwetsbaar bent als je geen façade hebt. De kwetsbaarheid van de mens komt nl. voort uit zijn façade. Hij bouwt zich allerhande illusies op en die zijn kwetsbaar, de werkelijkheid niet. Er is niemand, die de werkelijkheid kan veranderen, begrijp dat goed. Ook uw werkelijkheid niet. Maar alles, wat u vóór die werkelijkheid schuift omdat u haar zelf niet wilt kennen of misschien omdat u haar niet kent, dat kan worden veranderd. Een denkbeeld kan worden omver gepraat, een mens niet. Daar zit nu het hele eieren eten in. Uw kwetsbaarheid komt dus door het idealiseren van de dingen.

Wij zeggen bv.: “Ik heb lief en dat is een geestelijke zaak”. Het kan zijn. Maar dan bent u in die liefde ook onkwetsbaar, want dan is het een kwestie, die in u bestaat en is er ook geen antwoord nodig. Dan kunt u ook zeggen: “Die liefde is allemaal edel en die moet dan ook stoffelijk geconsumeerd worden”. En dan – neemt u me niet kwalijk – ligt voor u de feitelijke nadruk, ondanks alle mooie praat, op het consumptieartikel. En dan komt daarmee vanzelf de bezitsillusie enz. en daardoor ontstaat de kwetsbaarheid.

Je hebt bezit. Bezit op zichzelf maakt je niet gelukkig of ongelukkig maar je gaat dat bezit vereenzelvigen met wat je in de wereld betekent: Als je bezit wegvalt, denk je dat je betekenis in de wereld wegvalt. Die illusie is de kwetsing. Begrijpt u? In werkelijkheid kun je ook zonder dat bezit bestaan. Dat is de werkelijkheid. En als je dat gaat begrijpen, dan zul je nooit meer zeggen dat je kwetsbaar wordt als je zelf in waarheid leeft. Maar dan moet je beginnen met eerlijk te zijn tegen jezelf; en dat is voor sommige mensen een uiterst pijnlijke zaak.

  • Wat denkt u van schuldgevoel?

Schuldgevoel vind ik eigenlijk kolder. Neemt u me niet kwalijk, dat ik het zo zeg. Als je een fout maakt, dan is de erkenning van de fout op zichzelf waardevol. Zo help je nl. die fout te vermijden. Maar al voel je je 10.000 jaar schuldig, wat is gebeurd, kun je niet veranderen. Dat schuldgevoel is alleen maar nutteloos zelfbeklag; waar nog bij komt, dat een groot gedeelte van het schuldgevoel eigenlijk ontstaat, nadat men de zonde heeft genoten, als ik het zo mag uitdrukken.

We doen iets, omdat we het leuk vinden. We ontdekken dat het gevolgen heeft en dan gaan we niet treuren over de gevolgen, maar over de oorzaak ervan. De rest is onze straf. Dat is kolder. Ik heb iets verkeerds gedaan tegenover een ander. Goed. Ik erken dit. Ik zal proberen het te herstellen. Maar als ik nu daarover blijf doorzagen, maak ik dan mezelf en waarschijnlijk ook die ander niet ongelukkiger dan we al zijn? Dat is een heel verkeerd iets, dat de mensen eigenlijk door het Christendom en door de andere godsdiensten voor een groot gedeelte is aangepraat. Dit is het idee: We moeten berouw hebben over onze zonden. Nee, om de dooie dood niet. We moeten niet meer zondigen. We moeten niet meer in dezelfde fout willen vervallen. We moeten haar beseffen en vermijden. Dan krijgen zelfs instellingen als de biecht, buiten het psychologisch effect om, een bepaald nut. Want door het uitspreken van wat je verkeerd hebt gedaan realiseer je je in hoeverre het verkeerd was en misschien ook hoe je het vermijden kunt. Dat heeft zin.

Maar ja, hoe moet ik dat zeggen, een dier heeft geen voldoende besef van zichzelf. Het ziet alleen de buitenwereld. Daarom herhaalt het dezelfde fouten. Het erkent dan dat het de fout heeft gemaakt, ofschoon het niet beseft waarom het fout is, en komt dan bv. als het hondje, dat ondeugend is geweest, kruipend en kwispelstaartend excuus vragen. Kijk, dat is nu schuldbesef. Als wij naar God toegaan en zeggen: “Ach, mijn lieve God, ik heb het weer zo verkeerd gedaan”, in de hoop dat Hij ons niet op onze lazerij geeft – daar komt het op neer – dan zijn we niet veel beter dan dat hondje. Maar als wij ruiterlijk kunnen zeggen: “Ik heb een fout gemaakt. Nu weet ik waarom ik haar heb gemaakt. Ik weet hoe ik haar heb gemaakt en daarom zal het zo niet meer voorkomen, al zal ik misschien andere fouten maken” dan geloof ik dat God ons wel als mens kan zien en ontvangen.
Ik vind het altijd verkeerd, als een mens zich vernedert tot het instinctief dierlijke peil van kruipen, kwispelstaarten en weer dezelfde stommiteiten uithalen. Neemt u me niet kwalijk, dat ik het zo zeg, maar dan weet u ongeveer, hoe ik erover denk.
Als mens zijn we gegroeid van het beginstadium – de dierlijke vorm – tot wat we nu als mens zijn. In het begin hadden we toch niet al die verschillende aspecten. Zijn we dan nu niet een biologisch resultaat?
We hadden in het begin alle aspecten; maar die waren niet geuit, d.w.z. niet kenbaar. Ik heb het beeld genomen van het tessaract. Dat is eigenlijk een in zichzelf besloten iets. Als je dat 3-dimensionaal zou zien, zou het ten hoogste een kubus zijn. Als we het uitslaan, ontstaat er dus op elk vlak van die kubus a.h.w. opnieuw een kubus. Dat zijn 6 vlakken. Dan ontstaat er in het midden nog weer een kubus – dat is de uitgespaarde ruimte: de zevende – en het geheel met zijn hoeken vormt bovendien nog een nieuwe kubus. Vandaar dat die tessaract 8 kubussen bevat.

Nu moet u zich voorstellen: Wat wij zien is dat ene ding. De ziel is er. Zij schept zich de geest, de mogelijkheid tot besef; dat is het tessaract. En nu realiseert zij zich, dat deze toestand van het ingevouwen, desnoods 4-dimensionaal, bestaan niet noodzakelijk is en projecteert zich. Dus de geest is er eigenlijk al vóór het stoffelijke er is.

  • Een andere vraag is: In hoeverre is de afstemming van deze delen van het tessaract dus doorlaatbaar voor bepaalde impulsen?

Dan kunnen we zeggen: In het begin is de doorlaatbaarheid levensbesef, dan omgevingsbesef, dan relatie ‘ik’ – omgeving en zo verder. Er is dus wel een groei van de waarden, die worden geconstateerd, vanuit ons standpunt. Of anders gezegd: per vlak kunnen gelijktijdig meer impulsen worden verwerkt. Maar dat wil nog niet zeggen, dat we een biologisch proces zijn. Het heeft niets met biologie te maken. Het zou trouwens helemaal geen leuk idee zijn, als mensen werkelijk een tessaract waren, want als u het biologisch wilt zien, dan is het dus ‘de mens’ zoals die hier leeft. Het is een bepaalde ontwikkelingsgang in een bepaalde dimensie met een bepaalde achtergrond, afstemming en een geestelijke waarde; en er bestaan nog vele andere. Als u naar het strand in Scheveningen gaat, weet u wat u dan ziet? Een heel stel kubusjes en verder niets. Helemaal niet leuk. Dan kun je niet eens kritiseren. Ze zien er allemaal hetzelfde uit.

Begrijp dit dus a.u.b. goed: Het evolutionaire proces in de materie is niet gebonden aan het menselijk ego, maar het menselijk ego maakt voor zich ervan gebruik door de afstemmingsmogelijkheden van een bepaald aspect van de materiële evolutie. Waar die evolutie wordt gebruikt, kan worden gezegd dat de totale evolutionaire waarde van het menselijk ras dus waarde heeft voor een bepaald facet van de werkelijke persoonlijkheid, maar dat nimmer kan worden gesteld, dat de werkelijke persoonlijkheid het resultaat is van het evolutionaire proces. Anders zou men kunnen zeggen: de eter van de tomaat ontstaat dank zij de tomaat; en dat zou toch ook dwaasheid zijn, of niet?

  • De gedachte van Theilhard de Chardin, dat de mens….of wat hij noemt het goddelijk milieu, is dat dan niet in tegenspraak met wat u nu net heeft uitgelegd? Is hier een soort christelijk beginsel in hem dat coûte que coûte wil doorwerken?

Kijk eens, Theilhard de Chardin moet uitgaan van de verlossingsleer als algemeen geldend, of hij dat wil of niet. En dat betekent, dat hij zich dus een wordingsgang moet denken, waarin de verlossing en daarmee een bepaald materieel evolutionair proces een plaats heeft. Maar wij gaan niet uit van een stoffelijk proces, dat we dan moeten aanpassen aan in feite een geloofsvoorstelling. Wij gaan eenvoudig uit van het feit: God is. In God is mensheid. In mensheid is mens. In mens is de veelheid der vormen, waarvan mens deel kan uitmaken. Dat is dus een andere verhouding.

  • Het bewustzijn evolueert toch vanuit de lagere persoonlijkheid (verder niet te verstaan).

Ja, als wij zeggen: “bewustzijn”, dan bedoelen we, op aarde eigenlijk denken. Denken is, tenminste in de vorm waarin u het kent, een stoffelijk proces. Dan is uw vraag al beantwoord. Maar nu kan men dus zeggen dat het denkvermogen – iets anders dan het denken – van het voertuig bepalend is voor het totaal van de te verwerken impulsen voor de werkelijke persoonlijkheid in deze projectie. Maar wanneer die keuze plaatsvindt, is dit potentiaal er al. Dat potentiaal wordt dus niet door de werkelijke persoonlijkheid a.h.w. gefokt, maar het wordt gebruikt, omdat het is ontstaan. Dat is heel iets anders.

  • In andere lezingen werd wel eens de uitdrukking “ten onder gaan” gebruik. Maar als de mens oneindig is, dan kan hij toch nooit “ten onder gaan”? Werd hiermee soms een stoffelijke dood bedoeld?

“Ten onder gaan” hoef je niet alleen te zien als een wegvallen. Een schip, dat op de oceaan vaart, kan ten onder gaan en dan bestaat het alleen als een onderzeeër, die niet als zodanig is gebouwd en daardoor voor de mens niet meer bruikbaar. “Ten onder gaan” wil dus zeggen: een wegvluchten van de werkelijke persoonlijkheid, waardoor een afwijzen van de ervaring of van een groot gedeelte van de ervaring plaatsvindt. Dat ligt dus op een wat ander niveau. Ik zal trachten het duidelijk te maken.
Ik heb reeds aangestipt, dat het werkelijke ego bepaalde ervaringen soms verwerpt en dat dit verwerpen van die ervaringen dan in deze dimensie van het uitgestulpte deel van het tessaract dus a.h.w. wordt vermeden. Het wordt gewoon niet geïnterpreteerd. Wij kunnen ons voorstellen dat er in alle uitingen – dus niet in het werkelijke wezen, maar in alle uitingen – een afwijzen van ervaring plaatsvindt. Dan heb ik dus te maken met een ondergang. Maar op het ogenblik, dat de totale uitings- en erkenningsmogelijkheid is afgesloten, is er ook geen sprake meer van een bewuste reactie en begint het proces opnieuw.
Ondergang impliceert dus een herbeginnen.

  • Hoe kunnen we de gebondenheid aan onze selectiviteit verminderen?

U vraagt hier een eenvoudig recept. Ik zal u het eenvoudigste geven:
Elke keer dat u in uw leven zo onoprecht – zou ik haast zeggen – selecteert uit de mogelijkheden, moet u eens lachen om de dwaasheid die u begaat. Ik verzeker u, dat u  een vrolijk leven hebt, u gaat lachend door de wereld en bovendien zult u daardoor uw neiging tot vaak, heel verkeerde selectie verliezen. Een mens, die begrijpt hoezeer hij zichzelf bedriegt, zal zich nooit meer aan een bedrieger ergeren, hij lacht zich dood. Laten we daarmee maar beginnen.

Dan zijn er nog andere dingen. Onze selectiviteit hoeft niet a priori kwaad te zijn. We zijn ergens tot op zekere hoogte selectief – dat heb ik in mijn inleiding ook betoogd – maar wij zijn vaak selectief niet omdat wíj zo zijn, maar omdat ánderen zo zijn. Nu zal ik maar een raar voorbeeld geven: Op het ogenblik, dat u geen roomsoezen meer eet, omdat u slank wilt blijven, terwijl niemand van die slankheid profiteert, bent u dwaas. Begrijpt u wat ik bedoel? Er moet dus een afwegen zijn. Op het ogenblik, dat u probeert mooi te blijven, terwijl iedereen u eigenlijk uitlacht, bent u gek. Word lelijk en lach de anderen uit, dan heeft u veel meer plezier. Dat klinkt gek, maar het is precies hetzelfde als u de gordijnen wast, omdat de buren ze zien, terwijl u het vuil onder het kleed veegt, omdat dat gemakkelijker is. Dat is kolder! U kunt beter in een schoon huis wonen en doe dan de ramen maar een keer minder, dan dat u in een vuil huis woont met schone ramen. Dat is een van de dingen, waar Nederland berucht om is geweest. Ze waren zo druk bezig om het straatje te schrobben, dat het huis er vaak onder leed. In de schone kamer kwam niemand, behalve de motten. Die dwaasheid moet u dus vermijden.

U bent een bepaald mens, goed. Als u in uzelf bepaalde neigingen of eigenschappen erkent, maak er gebruik van, maar begrijp ook heel goed dat dat ook consequenties heeft. U moet doodgewoon tegen uzelf zeggen: Is het me de moeite waard? En als u nu alleen doet wat u, na overweging, werkelijk de moeite waard vindt, dan moet u eens kijken hoeveel tijd u over houdt. Dat is dus ook weer een methode om a.h.w. los te komen van uw selectiviteit.

Dan nog een laatste punt: Indien iemand anders oordeelt over iets, wat uzelf kunt ervaren, moet u zijn oordeel nooit accepteren als iets, wat voor u belangrijk kan zijn. Het gebeurt zo vaak, dat iemand naar abstracte kunst gaat kijken, omdat de recensent heeft gezegd dat Rembrandt geen cent waard is, dat hij verouderd is. Maar als Rembrandt u wat te zeggen heeft, ga naar Rembrandt kijken. En als u er meer van houdt, bij wijze van spreken, om op een bankje te zitten in de stank van de uitlaatgassen en naar automerken te kijken dan in eenzaamheid de natuur te bewonderen, laat u dan niet bombarderen tot natuurliefhebber. Wees uzelf.
En elke keer als u ergens mee wilt beginnen of iets wilt doen, vraag uzelf af: Waarom doe ik het? Laat alles wat u alleen maar doet voor een ander, zonder dat die ander enige betekenis voor u heeft, weg.
U zult ontdekken, dat u dan veel meer tijd hebt om alles te doen wat u altijd gewenst hebt en waarvoor u nooit tijd hebt gevonden. U zult ontdekken, dat u prettiger en harmonischer leeft en u zult waarschijnlijk zeer tot uw verbazing ontdekken, dat u veel meer kunt dan u ooit hebt gedacht. Nu, ik zou zeggen, dat is een voldoende antwoord, maar als iemand commentaar heeft, kan hij zijn gang gaan.

  • Ja, daarom zijn recensies eigenlijk zo belachelijk.

Ach ik zou zeggen: Recensies bestaan om de mens de mogelijkheid te geven het met de recensenten niet eens te zijn. Want wij moeten goed begrijpen, dat de recensent een persoonlijke smaak uitdrukt, die hij heeft gecultiveerd ten koste van vele studies welke door weinigen zullen worden gedeeld. Als de recensent dus de massa vertelt, wat goed is, dan vergist hij zich elke keer weer.

Indien u geen vragen meer heeft, zullen we een einde gaan maken aan het onderwerp. Dat doen we altijd met een afscheidswoord erover.

De mens in de eeuwigheid is eigenlijk een verkeerde uitdrukking, want de eeuwigheid is in de mens. De mens is een klein facet van de oneindigheid. De huidige vorm is een waterdruppel; de mens zelf is een machtige stroom. Wanneer we begrijpen hoezeer wij eeuwig zijn en hoe onbelangrijk het is om nu op dit moment te bereiken volgens menselijke maatstaven, omdat nu eenmaal die maatstaven morgen anders zullen zijn en wij morgen anders zullen zijn, dan komen we pas aan de juiste houding tegenover het heelal. In de kosmos, stoffelijk bezien, bent u zo onbetekenend, zo klein en zo onbelangrijk, dat het krankzinnig is. U schrijft toch ook niet in de krant, dat een vlo in plaats van naar links naar rechts is gesprongen? En u bent minder dan dat in de totaliteit van het stoffelijk bestaan.

Misschien denkt u dat uw aarde iets bijzonders is. Laat me u teleurstellen. Er zijn duizenden, tienduizenden planeten te vinden in dit stoffelijk heelal, waarop leven bestaat; en op sommige daarvan leven dat beter en mooier is dan het menselijke. Ook daarom bent u dus niet uniek of belangrijk.

U denkt misschien dat u veel presteert als u een sprongetje in de ruimte maakt. Nu ja, in de ruimte, net buiten de atmosfeer. Misschien naar uw maan. En dat terwijl er andere rassen zijn die lichtjaren, verslindende voertuigen hebben, die van ster tot ster kunnen gaan. U bent als mens niet veel, als stoffelijke mens niet.

Dat impliceert, dat alle belangstelling, die u voor het materiële bestaan heeft, voor een groot gedeelte ergens verknoeid is, indien het niet een zijnsbevestiging van uw eigen wezen is, want in ú is de eeuwigheid. U bent de totaliteit. U bent niet alleen maar een tessaract, u bent óók de Möbius strip. U bent het geheel der waarden en dingen, samengevat in één. En omdat u dat bent, is het belangrijk dat het facet dat op dit moment van de eeuwigheid wordt geopenbaard, een harmonisch fragment is, een werkelijk met het geheel verbonden, een waar deel van het bestaan.

Wij kunnen in onze eeuwigheid geen leugen opnemen. Onze eeuwigheid kan alleen de waarheid van ons wezen accepteren. Zij kan alleen die waarheid realiseren. Wij kunnen niet meer of minder worden dan wij potentieel reeds zijn in het totaal van het Goddelijke. En daarom is het zo dwaas op uiterlijkheden te vertrouwen.

Zeker, je kunt uiterlijk bepaalde gewoonten vormen, die gunstig kunnen zijn voor je levensgeluk; en dan heb ik er niets op tegen. Maar als je je nu alleen maar aanpast aan een wereld, omdat die wereld dat zozeer vraagt en je jezelf erbij verscheurt en kapot maakt, dan ben je een dwaas, dan beleef je veel ellende en veel leed; het enige, wat je dan later zult weten, is dat het verkeerd was. En je bent geen stap verder, je hebt niets bereikt. Misschien kun je de mens vergelijken met een leeg huis. Een uitgeslagen tessaract zou misschien een aardig huis kunnen vormen. Alleen, als je de deur ingaat, kun je diezelfde deur nooit meer uitgaan; en dat zou misschien voor sommigen een bezwaar zijn, die niet van thuis zitten houden. Maar dit huis is leeg, wij moeten het a.h.w. meubileren. Wij moeten in dit wezen een besef van het eigen wezen, een definitie van het eigen wezen vormen, waardoor wij de eeuwigheid – dit alomvattende – in onszelf beseffen en die niet alleen maar nolens volens in afwisselende vormen beleven.
Laten we daarom ook niet al te veel aandacht hechten aan vorige en komende incarnaties, want die zijn allemaal hetzelfde. Ze zijn de uiting van precies hetzelfde wat we nu zijn. Een ander facet misschien, maar meer ook niet. Indien wij nu harmonisch zijn met onze werkelijkheid, zullen wij steeds meer in elk facet harmonisch zijn met onze werkelijkheid. En wanneer wij die perfecte harmonie hebben bereikt, dan kunnen wij het totaal van de indrukken ontvangen en verwerken. Dan kunnen wij het totaal van de kracht uiten. Dan leven wij a.h.w. verenigd met de oervorm van de mens. Ja, meer, wij kennen dan onze beperking, die we de vorm kunnen noemen, maar we kennen ook onze bron, die onbeperkt is.

Onze eeuwigheid in de tijd is een kringloop, een dans. Onze onbeperktheid in de ruimte is een kwestie van steeds verschuivende dimensies. Onze oneindigheid in God is de kracht, die altijd is, zelfs als zij niet is geuit. Die kracht is onze ware eeuwigheid. Zover te komen dat wij die kracht in onszelf, voor zover zij ons betreft, volledig verwerken, zouden we misschien het deel kunnen noemen van die eeuwigheid in ons, van dit mens-zijn in de eeuwigheid.

Daarom heb ik u vanavond geconfronteerd met voor sommigen van u misschien niet zo gemakkelijke materie. Het ging daarbij niet alleen om de voorstellingen, want er komt een tijd dat u dat toch zult weten, zo goed als ik het weet, maar om het u gemakkelijker te maken in deze tijd om nu in dit facet van uw wezen te leven.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de avond. Ik hoop, dat u in dit geheel wat meer hebt gevonden dan alleen een theorie. Overdenk eens het verschil tussen uw ware ‘ik’ en de komedie, die u voor uzelf en voor anderen pleegt te spelen. Dan hoop ik, dat u gelukkiger kunt worden, omdat u leert meer waard te zijn volgens uw eigen wezen.

image_pdf