De mens in de tijd

uit de cursus ‘Praktisch occultisme’ (hoofdstuk 2) – november 1973

De mens in de tijd

Paracelsus had het al over iets wat hij ‘siderisch lichaam’ noemde. In zijn definitie daarvan gaat hij ervan uit dat het siderisch lichaam bestaat zolang de mens leeft en dan een bezieling vormt voor het eigenlijke levenslichaam. Hij zegt letterlijk: “Het levenslichaam is zonder het siderisch lichaam vormloos en onbeweeglijk.” Het ziet niet, het hoort niet, kortom, het reageert niet op stoffelijke prikkels. Dit laatste is dan mijn vertaling. Hij stelt daarnaast dat dit siderisch lichaam eigenlijk het ‘levende getij’ van het leven is en daarmee de beweging van het leven bepaalt.

Nu zult u zich afvragen: wat moeten wij na de vorige les daarmee beginnen? Wel, het zou bestreden kunnen worden of deze aanduidingen van Paracelsus wel geldig zijn. Maar het beeld van een tijdslichaam, een lichaam dat kracht heeft speciaal voor deze wereld, voor dit heelal, dat is iets wat wij als een vergelijking kunnen gebruiken. Wat is er namelijk aan de hand? Als de mens wakker is, dan is het siderisch lichaam in overeenstemming met zijn stoffelijk lichaam actief. Op het ogenblik echter dat de mens slaapt of stoffelijk bewusteloos is, is het siderisch lichaam zolang er levensenergie in het lichaam is wel actief, maar niet in het lichaam.

Nu heb ik u de vorige keer gewezen op het feit dat bepaalde lijnen in de hand niet aanwezig zijn wanneer u slaapt. Dat klinkt natuurlijk krankzinnig, maar door wat er gezegd is over het siderisch lichaam wordt het wat begrijpelijker. Er is een levensfunctie gebonden aan tijdruimtelijke omstandigheden waarin u bestaat, die zich uit het lichaam kan terugtrekken. Dit maakt duidelijk hoe een occultist zijn krachten kan projecteren.

Het projecteren van krachten – wat wij bij afstandsgenezing zien en bij bepaalde vormen van magie – is in wezen gebaseerd op een gerichtheid, die volgens de eigen wereldnorm wordt bepaald, maar waarvan de krachtoverdracht plaatsvindt op het niveau van het levenslichaam. En aangezien wij aan praktisch occultisme willen doen, hebben wij dit nodig.

Schedel

Ik ga nu weer uit van de schedel. Hierin hebben wij een aantal centra. Er is een hoofdverdeling te geven van ongeveer 21 gebieden of vlakken waarbij men, bovendien door de knobbels van de schedel, precies kan weten hoe het zit. Ik ga dit niet precies vertellen. U komt er toch niet toe om iemand, die u wilt helpen of op een andere wijze occult wilt benaderen, eerst diens schedel te bevoelen. Dat doet u eenvoudig niet. Maar er zijn wel gebiedsindelingen die interessant zijn.
Zo zegt men, dat een groot gedeelte van de perceptie (waarnemingsvermogen: daarmee bedoelt men niet de zintuiglijke perceptie, maar zoals die lichamelijk bestaat buiten de zintuigen om) zetelt in de rechter voorhoofdslob. Links vinden wij in hetzelfde gebied een aantal functies, die wij het best kunnen omschrijven als niet-gerealiseerde sensitiviteit. Dan is links in het voorhoofd, rond de voorhoofdsknobbel die bij de meeste mensen wel min of meer aanwezig is, het eerste gebied, de eigen stimulus. Daarnaast ligt een tweede gebied, dat men omschrijft als tijdsperceptie. Hier wordt tijdsgevoeligheid en ook de tijdsbeleving van het lichaam voor een deel geregeld. Daarnaast ligt weer een derde gebied, iets kleiner en iets dichter naar de slaap toe, waarvan men beweert dat het de overdracht van levenskracht naar en uit het eigen lichaam domineert. Dit zijn maar een paar van de functies; er zijn er veel meer. Laten wij voorlopig maar eens hiervan uit gaan:

Elke mens heeft een waarnemingsvermogen dat buiten zijn zintuigen om gaat. Dat wil zeggen dat zelfs de tastzin daarbij niet aanwezig behoeft te zijn. Indien de mens zich hiervan bewust is, zal hij ook zonder de mogelijkheid tot zintuiglijke waarneming toch tot een ruimtelijke voorstelling kunnen komen. Hij zal daarin de aanwezigheid van leven, van persoonlijkheden kunnen aanvoelen. Wij kunnen erbij zeggen dat bepaalde gevoeligheden van helderziendheid en helderhorendheid wel door dit orgaan in de rechter voorhoofdshelft (de prefrontale lob) wordt gereguleerd, maar dat voor ons, volgens dezelfde stelling, de beeldvorming niet daar moet geschieden, maar links bijna boven de slaap waar een paar gebieden zijn, die o.m. voor klank, voor kleur en voor beeld aansprakelijk zouden zijn.

Als u probeert waar te nemen, is het dus erg belangrijk dat u bij de waarneming niet probeert te komen tot een zintuiglijke vormdefinitie. Iemand die helderziend waarneemt en met zijn ogen probeert te kijken naar het punt waar hij de eerste indrukken heeft ontvangen, doet daarmede de perceptie wegvallen ten voordele van de sensorische waarneming. Dus dat houdt in dat hij het beeld voor een groot gedeelte kwijt is. Voor helderhorendheid, helderziendheid, perceptie van de uitstraling van mensen (bijvoorbeeld waarnemingen in de aura), moet dus worden gesteld: er moet geen poging worden gedaan tot de zintuiglijke waarneming ervan. Ook indien er een zintuiglijke impressie wordt ontvangen, sluit men desnoods de ogen en probeert even niet te luisteren, omdat eerst dan het werkelijke dat men kan waarnemen voor het ‘ik’ gestalte krijgt.

Perceptie beheerst de waarneming. De waarneming wordt bepaald aan de andere kant van het hoofd (links boven de slaap bij de twee veldjes), die ik heb geprobeerd u aan te duiden. In dit geval wordt dus gesteld dat de supra-sensorische perceptie niet wordt bepaald in beelden. De beeld- of klankbepaling geschiedt aan de hand van de normale klank-, beeld-, vorm- en herinneringscentra, die in de persoonlijkheid aanwezig zijn.

Als wij helderziend of helderhorend enige waarnemingen doen, zo dienen wij ons voortdurend ervan bewust te blijven dat dit onze interpretatie is van een niet zintuiglijk ontvangen prikkel.

Handen

Nu zegt men wel eens dat helderziendheid, helderhorendheid en andere mediamieke eigenschappen uit de hand kunnen worden gelezen. U weet het wel, als er hier een kruisje is, dan bent u het en anders bent u het niet. Dergelijke verklaringen kunt u met een kruis er achter wegzetten; die gelden niet. Maar wij hebben wel met iets anders te maken.
Kijkt u naar bijvoorbeeld deze hand (de hand van het medium), dan valt u daar een zekere samenhang op in het verloop van de vingers. Nu zal dat voor deze hand betekenen: een intellectueel type met wat meer sensuele gevoeligheden. Als die vingers, vier ervan, van gelijke lengte zouden zijn, dan zeggen we hier is een zakentype. Dit is iemand die recht toe recht aan leeft. Nu kunt u ook hebben dat de vingers heel slank en dun zijn, dan hebben wij te maken met een overgevoelig type. Ook hier is dan het onderscheid tussen de verschillende vingertoppen tamelijk groot.
Nu is het zo dat als we te maken hebben met iemand die paranormaal begaafd is, het onderscheid tussen de vingers duidelijk merkbaar is. Het is dus niet zo dat de vingertoppen op gelijke hoogte komen. (bv. de wijs- en de ringvinger). Altijd is de wijsvinger iets langer dan de ringvinger. Hoe dat komt?

Men zegt dat het siderisch lichaam bepalend is voor de vorm van het le­venslichaam en voor de actie daarvan. Dat impliceert weer dat de groeiprocessen van het lichaam mede worden beïnvloed door de gevoeligheden die in dat siderisch lichaam aanwezig zouden zijn. De begaafdheid is een samen­spel waarbij een tijdruimtelijke functie, die eigenlijk tot het lichaam behoort maar niet zuiver stoffelijk is, bepalend is voor de samenwerking tussen de verschillende voertuigen van de mens en zijn lichaam. Het gaat zelfs zover dat deze zelfde tijdruimtelijke functie (siderisch lichaam) gelijktijdig bepa­lend is voor een groot gedeelte van de levensstromen (de levenskrachtstro­mingen) zoals die in de mens pulseren.

Als wij zien dat er ergens een lichamelijke onevenwichtigheid is, dan moeten wij dus aannemen dat er ook met de levensstromen iets niet in orde. is. Als wij dat willen waarnemen, dan krijgen wij een beeld dat wij ons zelf die onevenwichtigheid maken. Het zal dan bij aurawaarneming heel vaak bestaan in een wat scheef staan van uw uitstraling; ze is dus aan de ene zijde wat krachtiger dan aan de andere zijde. Daarbij zijn er vaak lichte verkleuringen in de aura. Dit geeft dan de energie-inhouden aan.

Als wij het wat praktischer benaderen dan zeggen we: In waarnemingen ben ik niet zo goed, later kunnen wij altijd nog kijken. Hoe zit het met die per­soon? Zijn daar bepaalde deformaties? Als ze aanwezig is, dan weten wij:­ de levensstromen pulseren niet helemaal normaal. Willen wij dan zo’n per­soon behandelen, dan moeten wij rekening houden met een afwijkend patroon van de levensstromen. Daarbij geldt over het algemeen dat daar waar de sterkste afwijking is een vermindering van kracht is in de normale krachtbanen van de levensstromen zoals ze zich door het lichaam bewegen. In die gevallen moeten wij bv. bij genezing altijd rekening houden met een stimuleren of versterkt instralen op deze zwakkere punten. Zo krijgen wij vanzelf een evenwicht. Dat evenwicht maakt het ons dan later mogelijk (wij hebben daarover de vorige keer het een en ander gezegd) om op de juiste wijze dit evenwicht verder te beïnvloeden en eventueel extra energie te geven op die punten waar wij een kwaal hebben geconstateerd.

Als wij te maken hebben met mensen, die wij willen beïnvloeden op afstand of die wij willen hypnotiseren, want er zijn zoveel verschillende me­thoden om mensen te beïnvloeden, dan zullen wij dit feit in aanmerking moe­ten nemen. Indien u wilt werken met occulte waarden en krachten, die niet behoren tot het rijk van de geest, zult u altijd rekening moeten houden met de levensstromen van een medemens. Indien u de levensstromen beïnvloedt, beïnvloedt u tevens diens siderisch lichaam ofwel de functie die werkt tussen levenslichaam en stoflichaam. Deze beïnvloeding is dus niet astraal. Er zijn astrale beïnvloedingen genoeg te noemen, denk maar aan vormen van telekinese. Hier hebben we helemaal niet te maken met iets wat astraal werkt. Het is gewoon een functie van de materie die bepalend is voor de mogelijkheden van het levenslichaam en waarbij de vormvoorstellingen van het stoffelijk lichaam gelijktijdig worden opgelegd aan het levenslichaam.

Nu stellen wij een paar heel eenvoudige regels:
In alle gevallen waarin het gaat om zuiver stoffelijke werkingen, zullen wij rekening houden met dit siderisch lichaam en zullen wij het aanspreken als een vormbewustzijn dat het evenwicht van de levensstromen binnen een mens bepaalt. Indien wij dat functionele, z.g. siderisch lichaam opzij willen zetten, – dat kunnen wij namelijk heel rustig doen – dan blijft voor ons het volgen­de over:
Wij dienen ons in te stellen op de levensstromen (de gang van de levens­kracht) bij elke proefpersoon, ongeacht of het hier gaat om genezing, sugges­tieve beïnvloeding of andere werkingen. Daarnaast zullen wij in alle gevallen ook rekening moeten houden met het feit dat een onevenwichtigheid, die door ons op deze wijze wordt beroerd, de neiging heeft ons kracht te ontnemen, tenzij wij bewust trachten dit evenwicht te herstellen en wij ons gelijktijdig ook openstellen voor de ons omringende levensenergie en zo onze tekorten snel kunnen aanvullen.

De conclusies die ik geef, vereenvoudigt u desnoods nog voor uzelf. Als u die nu maar vasthoudt, dan heeft u een praktische mogelijkheid om te werken met occulte kracht.

Het geheel van het menselijk lichaam heet ook te corresponderen – wij hebben dat in de vorige les al vermeld – met de zogenaamde astrologische tekens. Belangrijk daarbij is voor ons op dit ogenblik de zon. Menigeen zal denken dat de zon in de aura wordt geplaatst ongeveer op de plaats van het topchakra. Dat is in de praktijk niet waar. In de praktijk plaatsen wij de zon op het voorhoofd en in de hand weer op de corresponderende plaatsen. Dat is dus één van de kussentjes onder de vingers, die worden benoemd naar de verschillende krachten en daarbij is ook de zon. Welk kussentje kunt u gemakkelijker zien, indien u een boekje over handlijnkunde raadpleegt? Daarin staan kaartjes waarop het precies staat getekend. Dat is duidelijker dan ik het u met woorden alleen kan vertellen.

De zon heeft altijd een leven-gevende functie. Zij bestaat voor ons voornamelijk krachtens haar stralingen, haar invloed dus. Als wij in het men­selijk lichaam iets met zon aanduiden, dan is dit in wezen bedoeld om duide­lijk te maken: hier kunnen wij straling van ons doen uitgaan.

Kijkt u nu eens naar de voorhoofden van uw medemensen. U zult zien dat die voorhoofden heel verschillend gevormd zijn, vooral als u even geen reke­ning houdt met de haardracht. U probeert de schedel te zien. U zult dan op­merken dat er heel veel mensen zijn bij wie u lijnen kunt trekken uit de oog­hoeken gaande langs de neus omhoog tot ongeveer de helft van het voorhoofd. Als u daar nu een dwarsstreepje doorheen denkt, dan is op dat punt en door dat streepje de stoffelijke bepaling van het voorhoofdschakra aangegeven. Dit is natuurlijk niet helemaal zuiver, dat weet ik wel, maar wie van u in de aura kan zien, heeft deze regel niet nodig. Kunt u dat niet, dan is dit een zeer eenvoudige hulpregel, ook voor uzelf. U weet nu op welk punt van het voorhoofd bij u die activiteit zetelt. U kunt zich dit dan gemakkelijker voorstellen.

Wanneer wij een straling willen overbrengen aan een medemens, dan zul­len wij dit altijd bewust proberen te doen door het voorhoofdchakra te acti­veren. Wij stellen ons voor dat de straling of de kracht als een bundel naar buiten treedt. En nu is het vreemde – dat is weer het siderisch lichaam – dat het vormbewustzijn (dus de vormfunctie die voor het levenslichaam, de levenskracht, bepalend is) hier in de aura actief wordt en daardoor de gehele uitstralingsmogelijkheid van de aura op dit ene punt zal concentreren. Het voordeel hierbij is dat het voorhoofdchakra niet geheel ontwikkeld be­hoeft te zijn om daaruit toch kracht te kunnen uitstralen. De voorstelling zal de chakra’s, die reeds enigszins ontplooid zijn, gebruiken om daarmee een maximale krachtafgifte mogelijk te maken.

Indien wij iemand binnen ons gezichtsbereik willen beïnvloeden, willen genezen of aan hem kracht willen overdragen, dan doen wij dit het best door onze ogen naast de persoon te richten dus nooit precies kijken naar de per­soon, maar als het ware langs hem heen te kijken. Stel u dan voor dat de straling als een bundel uit het voorhoofd treedt en de ander beroert. Als u deze werkwijze volgt, dan gelden bovendien nog deze regels:

  1. U kunt impulsen overdragen. Bevelen overdragen is veel moeilijker. Suggereer iemand dat hij omkijkt en hij kijkt om. Bevéél hem dat hij omkijkt en hij zal kregel worden en daardoor zijn actie vertragen, terwijl boven­dien het contact dat u met hem heeft minder goed wordt.
  2. Genezende kracht wordt in deze gevallen overgedragen aan de hele persoonlijkheid. Als wij daarnaast mentale functies willen beroeren, dan kan dat door een suggestie van rust of vrede te geven. Indien wij dit evenwicht als denkbeeld projecteren en tevens kracht toevoegen, zal dit in zeer vele gevallen een goede genezende werking hebben en wel op alle kwalen waarbij het zenuwstelsel betrokken is en voor zover dit zenuwstelsel daarbij betrokken blijft. Een directe beïnvloeding van spierweefsels langs deze weg wordt moeilijker. Wel kan weer een sug­gestie worden overgedragen waardoor een andere verdeling van eigen levensenergie bij die persoon tot stand wordt gebracht.

Hypnose en suggestie

Indien wij iemand willen hypnotiseren geldt weer precies hetzelfde. Hypnose is in feite een vorm van suggestie waarmee wij de persoon langzamerhand in de waan brengen dat het beter is te doen wat wij zeggen en desnoods te doen alsof men gelooft wat wij zeggen dan op enigerlei wijze zelfstandig te reageren. Hypnose moet u nooit gebruiken voor een grapje. Dat kan zeer gevaarlijk worden. Het is natuurlijk leuk om uw directeur op kantoor te suggereren dat hij een haan is en boven op zijn bureau moet staan kraaien. Maar wat bereikt u ermee? Wij kunnen hypnose echter wel gebruiken, en zelfs heel goed gebruiken, als iemand bv. overspannen is, als iemand onder enor­me druk staat van bepaalde problemen, als iemand monomaan met bepaalde denkbeelden bezig is, als iemand met een gewoonte zit die gebroken moet worden.
In deze gevallen kunnen wij dan met hypnose helpen. Hierbij geldt: men richt de blik op ongeveer de plaats van het voorhoofdchakra. Men concentreert zich op een denkbeeld dat men wil overdragen. Men projecteert een kort ogen­blik dit denkbeeld, voordat men probeert – op welke wijze dan ook, in woord of gebaar – de suggestie uit te drukken. U begint dus eerst de kracht uit te stralen. Daarbij kunt u als afleiding nietszeggende woorden spreken, als u dat in uw concentratie althans kunt, en u gaat pas over tot de vocale wer­king (het werken met de stem), wanneer de indruk reeds is gegeven.
Bij alle hypnose is het eerste beginsel: ontspanning. Hoe wij deze ont­spanning suggereren hangt een beetje van onszelf af en van de waardering die wij hebben voor ons sujet. Dat wordt bepaald door bv. de vorm van het voorhoofd of de vorm van de handen. Wij kijken eens naar de oren. Ook de vorm van de oren kan heel veel zeggen omtrent de mens. Als wij die schatting heb­ben gemaakt, dan zullen wij daarop de vocale suggestie en het denkbeeld baseren. Onthoudt u dus: eerst de kracht, dan pas de suggestie. De suggestie moet u zoveel mogelijk aanpassen aan het type dat wij bij ons sujet hebben vastgesteld.
Nu zullen de meesten van u niet zo graag direct aan hypnose willen doen. Maar hypnose is een vorm van suggestie en suggestie hebben wij nodig. In het occultisme is een groot gedeelte van hetgeen wij tot stand kunnen brengen verwant aan, verbonden met of gebaseerd op suggestie. U kunt natuurlijk een tijdloze wereld betreden, daar is helemaal niets op tegen. Maar indien u die tijdloze wereld met een ander zou willen delen, dan is het noodzakelijk dat u die ander door suggestie ontvankelijk maakt voor al datgene wat er in u bestaat. Als u met een medemens praat en u heeft denk­beelden die u aan de ander wilt overdragen, dan is het vaak heel goed een mate van suggestie te gebruiken, opdat die ander ook middels het onderbe­wustzijn gaat opnemen en zo beter begrijpt wat u bedoelt. Als u iemand wilt genezen is suggestie belangrijk omdat u daardoor de persoon a.h.w. gemakkelijker toegankelijk maakt voor genezende kracht en bovendien in hem een denkbeeld van genezing brengt waardoor hij de gegeven krachten niet zo snel zal verspillen en misbruiken. U ziet, de suggestie kan heel erg belangrijk zijn.
Als wij suggestie willen gebruiken, dan kunnen wij dat niet zo nadrukke­lijk doen als bij hypnose. Hypnose is een situatie waarin ook het sujet moet weten: nu wordt er gehypnotiseerd of er wordt een poging daartoe gewaagd. Bij suggestie proberen wij heel vaak de zaak te versluieren. Daarom zullen wij meestal na een eerste blik, waarmee we de plaats van het voorhoofdchakra een ogenblik sterk onder onze aandacht brengen, gewoon verdergaan alsof er niets aan de hand is. Wij kijken dus niet meer naar de persoon. Wij kijken om ons heen, maar wij stellen ons wel voor dat een draad van kracht vanuit ons voorhoofdchakra verbonden is met het voorhoofdchakra van degene aan wie wij de suggestie willen overbrengen. Tevens omschrijven wij onze denkbeelden en doen dat een klein beetje voorzichtig.
Kijk eens, u moet nooit tegen iemand zeggen: “Je bent een hufter”, dat gelooft hij nooit. Maar u kunt wel tegen iemand een betoog houden, waardoor hij zelf naar hij meent, en zonder dat u het merkt, tot de conclusie komt dat hij is opgetreden als een hufter. Dat hij het is, geeft hij nooit toe. Maar dat hij zich als een hufter heeft gedragen, dat zal hij toegeven.
Het suggestieve proces houdt dus in dat wij niet direct het punt aan­snijden en daardoor tegenstand wekken, maar dat wij eerder de ander ertoe brengen in zichzelf te denken aan het punt dat wij hem eigenlijk zouden wil­len opleggen. Wij hebben de medewerking van ons sujet nodig bij suggestie.
En die krijgen wij het best, indien wij de aandacht weten te boeien. Die aandacht boeien we gemakkelijker wanneer een levensstroming van onze persoon­lijkheid overgaat naar de ander. Ik mag hier in het kort zeggen hoe dat pre­cies werkt.
De straling die u middels – een vorm van zelfsuggestie, bij uzelf heeft opgewekt, beroert weer het vormbewustzijn of het siderisch lichaam in de an­der. Dat betekent dat de relatie tussen zijn levenslichaam en zijn stoffelijk lichaam en zelfs de relatie tussen bepaalde geestelijke voertuigen die het sterkst met het levenslichaam in verband staan, a.h.w. wordt gecoördineerd, maar ook eenzijdig in een bepaalde richting. Dat betekent dat in het denkproces van die mens dus de nadruk anders valt dan normaal. Hiervan maakt u gebruik door aan bepaalde dingen uitdrukking te geven. De woorden die u daarvoor gebruikt, moet u aanpassen aan de persoon, maar het denkbeeld moet worden omschreven. De persoon moet in zich a.h.w. worden geactiveerd, zodat de door de krachtstroming reeds beïnvloede centra nu ook in de hersenen worden aangesproken en daarmee het tijdelijk beperkte eenzijdige denkproces op gang wordt gebracht, waardoor de reacties binnen die mens (stoffelijk beïnvloed) en binnen zijn levenslichaam (voor een deel onstoffelijk beïnvloed) weer gelijk lopen en daarmee een nieuwe benadering van levensenergie en van opname van gegevens en dergelijke mogelijk maken.

U moet nooit krampachtig doen. Als u iemand met goed gevolg suggestief wilt benaderen, onthoudt u dan:

  1. Werken met hoge spanning en onder hoge druk wekt altijd weerstand. Begin langzaam, op een laag pitje. Haast u niet, ook als u geen tijd heeft. Het is beter een gedeeltelijke suggestibiliteit van de ander te bereiken en een suggestie over te brengen dan met grote kracht een beeld in hem op te roepen dat hij als een verstoring van zijn persoonlijkheid kan ervaren en daar­door gaat verwerpen. Dus, altijd langzaam beginnen.
  2. Als wij zien dat de suggestie werkt (dat merken wij aan het gedrag, aan de reactie van de persoon die wij willen beïnvloeden), dan kunnen wij deze suggestie versterken. Wij kunnen onze kracht dus ook aanmerkelijk versterken. Dit geldt voor elke stoffelijke uitdrukking en ook voor een poging om met gevormde gedachten de ander te beïnvloeden. Het geldt dus niet voor de straal die wij uitzenden, want deze wordt door onze levensenergie en eventueel onze relatie met de kosmos bepaald. Het heeft niets te maken met de vorm die wij dan later daaraan verbinden.

Wij keren weer terug naar het menselijk lichaam, want het is een ontzet­tend interessant geheel.

Er zijn heel wat associaties. Men zegt bijvoorbeeld: iemand heeft een grote neus, een grote mond, dus moeten ook zekere delen van het lichaam corresponderend groot zijn. Dat is helemaal niet waar. Men neemt het wel aan, maar er klopt niets van. Wat echter wel klopt is dit: de karakteristiek van een bepaald lichaamsdeel vertoont altijd kentekenen van de ontwikkeling die de persoonlijkheid doormaakt. Het best kun je dat zien in de hand.

Als je de lijnen van de hand gaat lezen, dan zie je onder de vingers, net onder de kussentjes, drie vakjes en daaronder nog eens drie vakjes. De eerste drie geven geestelijke vorming aan, de andere drie lichamelijke vorming. Dit doet hier overigens minder ter zake, maar het is toch wel in­teressant.
Als u nu ziet hoe die vakjes in de loop der jaren veranderen (hun ver­deling), de kleine arceringen bij zo’n lijn, dan begrijpt u dat het lichaam verandert naar gelang het besef verandert.

Deze illustratie moet u echter niet beperken tot de hand. Er zijn ver­anderingen in het gelaat, in de huid, er zijn zelfs veranderingen in de groepering van de spieren. Al deze veranderingen geven de persoon weer. En omdat een mens ook lichamelijk een zekere variabiliteit kent, zullen wij veel omtrent die mens kunnen aflezen aan de lichamelijke kentekenen.

Oren

Een oor met een sterk gekrulde rand (net alsof het boven een rolletje heeft) geeft over het algemeen een zekere beslotenheid van die mens aan. Als het oor spits toeloopt, dan heeft zo iemand iets demonisch over zich, zo zegt men. Dat is ook niet altijd waar. Toch hebben veel van dergelijke mensen wel de neiging anderen op de een of andere manier te domineren. Zij doen dit meestal tot hun eigen bevrediging, dat kunt u wel zien. De vorm van het oor zelf zegt weinig. Die vorm is er bij de geboorte al. Er kunnen alleen kleine veranderingen in komen, waardoor men kan zeggen hoe zo’n mens ongeveer lichamelijk in elkaar zit, wat zijn karakteristieke reactie is. Evenzo kan de neus mij ook iets zeggen over het type.

Neuzen

Als u een wipneus ziet, dan weet u: dit is een kinderlijk type. Het zijn mensen die kinderlijk reageren. Hun denkprocessen hebben iets van het speels intuïtieve dat voor een jong kind bepalend is. Hun fantasie zal vaak in de plaats treden van hun wensleven. Zij fantaseren zich omstandig­heden die niet waar zijn, die nooit waar kunnen worden en zij spelen dat het waar is. Zij weten dat zo knap te verweven met hun dagelijks leven dat ieder­een denkt: dat is normaal voor die mens. Men beseft niet wat het proces is dat zich hierbij afspeelt.
Dan zijn er mensen met een licht gebogen neus. Ik bedoel niet zo’n gok. Dat is een afwijking die ook mede lichamelijk wordt bepaald. Als de neus een lichte buiging heeft, zonder teveel knop eraan, dan heeft die mens over het algemeen een tamelijk rijpe persoonlijkheid en daarbij een zekere openheid te­genover de medemens. Zo iemand kan edelmoedig zijn, maar is het zeker nooit in zo’n mate dat hij buurmans gek wordt.
Dan kennen wij de haakneus, waarbij de neustop aanmerkelijk beneden de aanzet van de neusvleugels is gezakt; heel vaak is ze ook spits daarbij; zoals u dat van een toverkol op plaatjes gewend bent. Als wij een soortge­lijke neus zien, dan hebben wij te maken met iemand die sterk de neiging heeft om alles vast te pakken en vast te houden. Hij heeft het gevoel dat hij alleen zeker is door hetgeen hij bezit (of dat nu invloed is of zuiver stoffelijk bezit) en daarvoor vecht hij zijn hele leven en voor niets anders. Zo’n persoon is dus onbetrouwbaar zodra zijn eigen belangen geschaad zouden kunnen worden. Daar moet u dus rekening mee houden.
Verder hebben we nog een neusje dat niet al teveel gebogen is. Het komt zelden voor. Stel dat dat neusje mooi recht is. Als de rechte lijn van de neus een haak van ten hoogste 45 graden maakt met het voorhoofd, dan hebben we hier te maken met iemand, wiens reacties zeer normaal zijn. Bij zo’n persoon moeten wij rekening houden met hetgeen hij heeft geleerd. De achtergronden zijn dus erg belangrijk voor zijn denkwijze, zijn uiting, maar zijn reactie is volkomen redelijk en normaal. Zo iemand kunnen we lo­gisch benaderen en alleen werkelijk beïnvloeden met een argumentatie die uitgaat van zijn eigen achtergrond. Is hij christelijk, dan moeten we begin­nen met een op het christendom gebaseerde argumentatie, ook als we eigen­lijk willen duidelijk maken dat bv. drop ongezond is.

Al deze gegevens over het lichaam maken ons duidelijk met wie wij te doen hebben, maar ook wie zij zijn.

Heeft u wel eens gekeken naar de neus van Nixon? Dat is een heel ty­pische neus, die heel veel zegt omtrent de man. De neus is tamelijk recht, d.w.z. de man gaat sterk uit van zijn eigen achtergronden en heeft een mate van redelijkheid. Maar wat doet verder de neus? Deze maakt een lichte knik omhoog. En daar zit nu de moeilijkheid. Als wij deze neus zien, dan weten wij dit is iemand die zijn denkbeelden, zijn fantasieën voor werkelijkheid neemt. Het is niet iemand die volledig realistisch denkt. Hij kan dat niet, omdat zijn fantasie op de wereld wordt geprojecteerd en voor werkelijkheid wordt genomen. Daardoor zal hij voor zichzelf en ook voor anderen enorm veel moeilijkheden tot stand brengen.

Nu is het misschien ook aardig een foto van Sadat te pakken te krijgen. U moet dan eens kijken naar diens neus. Daar zitten enige kentekenen in.
De neiging tot een wat scherpe buiging is er. Gelukkig wordt het niet een haakneus. De neus blijft wat breder; dat ligt ook aan het ras. Deze neus duidt aan dat Sadat eenzijdig is, maar eigenlijk in wezen plooibaar. Hij zal ongetwijfeld op omstandigheden reageren en zich daardoor laten leiden. Innerlijk is het een heel verstandig mens. Hij heeft zelfs een heel redelijk gevoelsleven.

Kijkt u ook eens naar Breshjnev. Hier ziet u dat zijn neus, minder dan bij Nixon maar toch wel opvallend, weer dezelfde knopvorming toont. Het gaat niet zover naar boven (omdat de neus breder is, valt het ook niet zo op), maar er is toch een lichte ombuiging naar boven. Hier is alweer iemand, die geneigd is zijn gedachtewereld voor werkelijkheid te nemen.

Wij zeggen dit nu over drie personen van wie u veel foto’s ziet. U ziet mensen genoeg. Kijkt u eens naar de neuzen. Ze zeggen iets over de persoon. Kijk eens naar de handen. Kijk eens naar de manier van bewegen, want ook de verhoudingen van het lichaam, die door de bewegingen meestal wel tot uiting komen, kunnen van groot belang zijn.

Een mens is nu eenmaal een eenheid. Alles wat er evenwichtig en wat er onevenwichtig aanwezig is, zegt niet alleen iets over de lichamelijkheid, maar gelijktijdig ook iets over de relatie tussen de stof en het levensli­chaam, de functie die wij siderisch lichaam hebben genoemd. Dat maakt ons duidelijk hoe de relatie zal moeten zijn, ook tussen dit stoffelijk lichaam en de geestelijke voertuigen daarvan, hoe de reactie van dit stoffelijk li­chaam zal zijn op bepaalde geestelijke invloeden. Het is zelfs zover doorge­voerd geweest dat ten tijde der Arabische magie (ongeveer 700 tot 1200 na Christus, dat is de sterkste periode ervan geweest) er een tijdlang voor­schriften bestonden voor de lichamelijke kentekenen van mensen die aan be­paalde magische riten of bezweringen mochten deelnemen. Dit lijkt allemaal kolder en helemaal bijgeloof. Maar als wij praktisch occultisme willen begrij­pen en voor onszelf willen toepassen, dan moeten wij beseffen:
Ofschoon dit niet redelijk is, heeft de ervaring bewezen dat er andere relaties bestaan tussen de mens, zijn uiterlijke vorm, zijn geestelijke inhoud, zijn mogelijkheden dan alleen door psychologie (zelfs parapsychologie) ver­klaarbaar is en door de fysica kan worden omschreven. De relatie tussen de mens en de wereld wordt ook nog bepaald door onzegbare dingen.

Hier heeft u reeds wat materiaal ter overweging. Wij hebben nu eigenlijk minder dan de vorige keer praktische wenken gegeven. Daarom wil ik niet be­sluiten zonder een paar eenvoudige en praktische raadgevingen aan u voor te leggen:
Alle krachten, die positief of bevorderend moeten werken, worden door ons altijd ervaren als werkend van boven naar beneden. Dat zal altijd gelden behalve – let wel – bij genezing. Bij genezing is namelijk het hart het cen­trum; het punt dat voor het lichaam beneden is. Wij zullen dus van de bovenste extremiteiten (ledematen) naar het hart beneden werken, omdat hier door de functionaliteit van het menselijk lichaam de boven-beneden relatie nu eenmaal in het lichaam en zelfs in de aura mede aanwezig is en wij dus niet gewoon kunnen rekenen zoals in de wereld.
In de wereld wordt ook voor planten en dieren van boven naar beneden gewerkt, indien het gaat om positieve krachten. Negatieve krachten worden altijd gesteld te gaan van beneden naar boven. Dit klinkt weer vreemd, maar het berust op het duel dat tussen licht en duister wordt uitgevochten in de voorstelling van de magiër en ook van menig occultist. Het duister zal altijd naar boven moeten gaan om het licht te benaderen, terwijl het licht van boven naar beneden moet gaan om in het duister door te dringen. Daardoor krijgen wij deze voorstelling. Zij blijft houdbaar bij elke behandeling. Indien wij dus iets willen vernietigen (bv. bij genezing), dan gaan wij uit van het hart naar de plaats waar de kwaal, het te vernietigen gezwel, cyste of wat anders zetelt. Dit is doodgewoon omdat wij daarmee op de meest juiste wijze ingeschakeld zijn in het eigen beeld van die mens.

Een tweede praktische tip, waaraan u misschien ook iets heeft:
Veel mensen hebben al een poging gedaan met de geheugenproef. Als wij nu een geheugenproef moeten afleggen waarbij het gaat om het opnemen van fei­ten, dan lukt dat niet zo gemakkelijk. Voor het terughalen (recall) is dit inderdaad geschikt. Maar u wilt soms bepaalde dingen bijzonder goed onthouden. Voor dit onthouden bestaat er ook een trucje.
Het onthouden wordt bevorderd, wanneer u zo regelmatig mogelijk adem haalt. Probeer niet om de woorden meteen te begrijpen en daarop te reageren. Laat ze op u toestromen en u zult ontdekken dat u ze opneemt. Op het ogen­blik dat u probeert een gedachte te verwerken, ontneemt u uzelf de mogelijk­heid om die gedachte te onthouden. Wat u onthoudt, is het verwerkingsproces dat zich in u afspeelt. U heeft dan tegelijkertijd geen aandacht voor daarop volgende elementen. Het is dus een vorm van concentratie, waarbij u bewust luistert naar elk woord, alles aanneemt en daar verder niet over nadenkt; dat komt later wel.

Inspiraties

Eenzelfde methode kan overigens worden gebruikt voor bepaalde inspiraties. Bijna elk mens heeft in zijn leven een of meer inspiraties. Hij weet nooit hoe het komt, maar hij doet bepaalde dingen juist op de tijd dat ze gunstig zijn. Andere dingen doet de mens juist op het ogenblik dat ze on­gunstig zijn. Er zijn mensen die daarin specialisten zijn. Zij zijn zelfs ‘accident prones’ (gepredisponeerd tot ongevallen), zoals dat in verzeke­ringstermen heet. Als u overtuigd bent dat u goede invallen heeft, dan kunt u de frequentie daarvan aanmerkelijk verhogen door de gewoonte aan te nemen een of tweemaal per dag de vragen, die op dat ogenblik belangrijk lijken, uzelf voor te leggen en daarna even aan helemaal niets te denken. U denkt echter wel. De gedachten die opkomen zijn onsamenhangend. Noteer ze, zoals u de vragen eveneens heeft genoteerd, voordat u ze aan uzelf ging voorleggen. U zult zien dat inspiratie niet altijd op alle vragen betrekking heeft, maar dat er vaak een zeer duidelijke relatie is tussen hetgeen u nu zou willen doen en hetgeen u gezegd wordt te doen. U krijgt dus een impuls voor een bepaalde manier van denken of van doen. Inspiraties op deze wijze verkregen zijn vooral dienstig, indien het gaat om beslissingen waarbij uzelf geen overzicht heeft over de omstandigheden en dus niet redelijk kunt reageren.

In het occultisme bestaat zoiets als wensvervulling. Absolute wensvervulling is natuurlijk onmogelijk. Maar elke wens, die in ons bestaat, betekent wel een gerichtheid van onze persoonlijkheid. Deze gerichtheid brengt een antwoord. Wensvervulling wordt het eenvoudigst bewerkstelligd door ons het ideaalbeeld voor ogen te stellen en onszelf duidelijk te ma­ken hoezeer wij dit begeren. Daarna laten wij de zaak rusten. Wij zullen dan merken dat wij in het vervolg attent zijn op elke factor die de wensvervulling kan bevorderen. Daardoor zullen wij juister en scherper reage­ren dan anders mogelijk is, terwijl wij ook geestelijk het een en ander ge­fixeerd hebben en bovendien nog de kans hebben op inwerkingen vanuit de geest.

Merktekens van kracht

Als wij kijken naar primitieve beschavingen, zo vinden wij daar in vele gevallen de zogenaamde fetisjen. Bij die beschavingen worden beelden ge­maakt, maar evengoed bepaalde symbolen gebruikt als zijnde reële brandpun­ten van kracht op aarde, waarmee men kan manipuleren. Meestal probeert men dan ook zelfs door bepaalde handelwijzen die kracht te beïnvloeden. Denk eens aan de z.g. spijkerbeeldjes, waarin spijkers worden geslagen om een bepaalde gave daarvan af te dwingen. Nu zal het u duidelijk zijn dat voor de westerse wereld deze primi­tieve vorm niet zo belangrijk is. Maar er zijn toch wel zekere waarden in verborgen, die wij kunnen gebruiken. Ik zal proberen dit achtereenvolgens in korte punten te stellen:

  1. Elk voorwerp dat een sterke emotionele of ook een sterke begripswaarde heeft, kan worden gebruikt als een soort fetisj.
  2. De betekenis van een fetisj wordt bepaald door de wijze waarop wij deze beschouwen en door de krachten die we daaraan toekennen.
  3. Alle krachten, die wij toekennen aan een bepaald voorwerp of een bepaalde voorstelling, bestaan voor ons reëel zolang wij daaraan volledig geloven. Onze eigen instelling betekent in dit ge­val een aantrekken van de krachten, die overeenstemmen met datgene wat wij als invloed aan de fetisj toekennen.

Wij maken dus inderdaad uit de hele kosmos krachten vrij, die door onze voorstelling een brandpunt vinden in het voorwerp dat wij daarvoor hebben uitgekozen. Wij kunnen dit niet alleen doen ten aanzien van krach­ten uit de kosmos, wij kunnen het ook doen ten aanzien van krachten die wij zelf willen uitoefenen.
Een eenvoudig voorbeeld. Indien wij iemand voortdurend willen beïnvloeden of hem willen gene­zen, zo zullen wij een voorwerp nemen en dit instralen met onze eigen kracht. Eventueel gebruiken we een tweede identiek voorwerp als concentratievoorwerp voor onszelf. Daardoor leggen wij een zo sterke band tussen de plaats waar dat eerste voorwerp zich bevindt en waar wij ons bevinden dat de overdracht van kracht zonder enige aarzeling en met een zeer hoge frequentie kan ge­schieden. Wij zijn dan niet meer afhankelijk van de instelling van personen ter plaatse. Wij kunnen middels het voorwerp op elk ogenblik inwerken zo­lang er een overeenstemming blijft bestaan tussen de door ons uitgestraal­de en de in het voorwerp gelegde kracht. Op deze manier kan men voorwerpen gebruiken om een deel van de eigen kracht of van de eigen sfeer elders te verankeren.

Iets dergelijks zal misschien niet meer als fetisj worden beschouwd, maar dat is het in wezen wel, want alle krachten daaraan toegekend en door ons ingestraald zullen daarin bestaan voor zover wij deze krachten nog in onszelf kunnen wekken en projecteren. Op het ogenblik dat wij niet meer in staat zijn de juiste kracht op te wekken in stoffelijk vorm, zal de bete­kenis van de fetisj veranderen of zal de werking daarvan geheel teloor gaan.

Het gebruik van dergelijke kleine voorwerpen is dus zeer interessant voor degenen, die bepaalde banden of contacten willen leggen met anderen op andere plaatsen zonder de zekerheid te hebben dat personen in die om­geving voortdurend met hen voldoende harmonisch zijn.

Willen wij kosmische krachten daarmee in verband brengen, dan moeten wij ons realiseren dat eerst het eigen ‘ik’ op die kosmische krachten moet worden afgestemd. In dit geval betekent dus het instralen van het voorwerp dat wij via zekere rituelen of via bepaalde meditatieprocedures proberen in onszelf eerst de aanwezigheid en activiteit van een kosmische kracht, een God, een demon, een engel etc. te voelen en dan deze kracht trachten af te leiden op het voorwerp. Is dit eenmaal gebeurd, dan zal het voorwerp gedurende zeer lange tijd geladen blijven en kan elke impuls, overeenstemmend met de daarin gelegde kracht, de werking van de kracht in de omgeving tot stand brengen.

Het is duidelijk dat wij hierdoor werkingen oproepen, die voor een ge­voelig persoon afleesbaar zijn. Het eenvoudigste voorbeeld is misschien wel een kasteel waarvan de bewoner Gilles de Rais was. (Zwart magiër in de de helft van de 15e eeuw). Een man die erg veel aan magie en dergelijke praktijken heeft gedaan. Men beweert dat voorwerpen uit dat kasteel nu nog voor gevoelige personen allerlei spookbeelden oproepen. Het zal u eveneens be­kend zijn dat kastelen waarin iets gebeurd is, waarmede hevige emoties gepaard zijn gegaan, deze indruk bewaren en later uitstralen op gevoelige per­sonen, waardoor zelfs bepaalde verschijnselen voor anderen waarneembaar kun­nen ontstaan. De parapsychologie zegt daar genoeg over. Dan zult u ook begrijpen dat, als wij een bepaald voorwerp op de juiste wijze prepareren en laden, wij daarmee bereiken dat een ieder die gevoelig is, de uitstraling van het voorwerp zal moeten aanvoelen.

Er bestaan veel voorwerpen, die op de een of andere manier een derge­lijke kracht bezitten. Het is voorgekomen dat mensen een kris hebben gekocht bijeen antiquair die poesaka (heilig erfstuk) was en waarin bepaalde emo­ties voor lange tijd waren vastgelegd. De invloed van deze kris was in de om­geving merkbaar, werd door een helderziende herkend en bij verwijdering van de kris vielen bepaalde verschijnselen weg.

Datzelfde kan gelden voor kleine beeldjes, die origineel zijn en die lange tijd als bv. huisgoden of huiswachter zijn gebruikt. Zij kunnen deze functie dan weer opnemen in het huis waarin zij terecht komen, als de sfeer maar harmonisch is. De mensen, die zoiets als een duur kunstvoorwerp beschou­wen, zullen daarvan heel veel nadelen ondervinden. Degenen echter die het aanvaarden voor wat het is, namelijk een voorwerp dat een eigen uitstraling heeft, zullen door die uitstraling worden beschermd..

Ik hoop hiermede duidelijk te maken dat het begrip fetisj nadrukkelijk niet beperkt blijft tot datgene wat als zodanig bekend is. Elk voorwerp kan die ‘fetisj functie’ onder bepaalde omstandigheden overnemen. Elk mens, die in zijn persoonlijke omgeving voorwerpen heeft van een grote gevoelswaarde waarmee bepaalde emoties verknoopt zijn, moet er rekening mee houden dat die voorwerpen deze emoties weer terug uitstralen. Het verhaal dat er vervloekte edelstenen zijn, is helemaal niet zo vreemd. Die edelstenen (op zichzelf kristallijnen structuren, die hier­door zeer veel energie kunnen opnemen) zullen door de emoties (als nijd, haat, bezitzucht) van de omgeving dermate sterk worden aangetrokken, dat zij dat als een soort waas rond zich blijven verbreiden en iedereen die daarvoor gevoelig is wordt daarvan het slachtoffer.

De praktische conclusies die hieruit te trekken zijn:
Als wij te maken krijgen met voorwerpen of beelden waarvan wij de ori­gine niet kennen en wij brengen deze in ons huis, dan zullen wij ons moe­ten afvragen of de uitstraling daarvan voor ons wel aanvaardbaar is. Laat u nimmer door de kunstwaarde of de voorstellingswaarde van een voor­werp overweldigen. Er zijn heel veel beeldjes, vooral uit bepaalde onder­ontwikkelde gebieden, die – ofschoon voor de handel gemaakt – toch nog invloeden met zich meedragen die voor u storend kunnen zijn. Wees niet bang om dergelijke voorwerpen uit uw omgeving te verwijderen. Het helpt u alleen om een grotere harmonie te scheppen.
Bedenk dat uw relatie met de mensheid en met het leven kan worden bepaald door een aantal voorwerpen, die in uw omgeving zijn. Indien een storende invloed voortdurend in uw huis merkbaar is, probeer na te gaan of u deze in een bepaald voorwerp kunt localiseren. U doet dit door uw ogen te sluiten en even het voorwerp a.h.w. af te tasten. Is zo’n voor­werp aanwezig, verwijder het dan. Kunt u het niet verwijderen, om welke reden dan ook, berg het dan weg afgesloten van licht en als het even kan gewikkeld in zijde of fluweel. Berg het goed weg. U zult zien dat u er weinig of geen last meer van heeft.
Als u bepaalde beeldjes heeft (dat kunnen soms heel eenvoudige voor­stellingen zijn, er zijn zelfs beeldjes van plastic die het kunnen doen) en u kent daar een bepaalde betekenis bij voortduring aan toe, terwijl u het gevoel heeft of het geloof dat het wel eens waar zou kunnen zijn dat er een zekere kracht van uitgaat, dan krijgen dergelijke voorwerpen inder­daad de bedoelde uitstraling. En dan is het hanteren van deze uitstraling voor u een middel om kosmische althans niet stoffelijke krachten rond u te wekken en daarmee de verwezenlijking van hetgeen in het voorwerp werd vastgelegd door uzelf of anderen mogelijk te maken. Dergelijke fetisjen kunnen ook worden weggeschonken. Als u ze wegschenkt, zou u echter het volgende goed moeten onthouden:
De werkzaamheid ervan wordt dan bepaald door uw geloof plus uw aan­dacht voor het voorwerp. Indien er een van deze beide factoren wegvalt en de persoon aan wie u het heeft gegeven zich niet bewust is van de kwali­teiten en dus zelf het beeldje voedt, valt het als contactpunt uit en wordt het waardeloos voor zover het de uitstraling betreft.

Oude Gebouwen kunnen eveneens een dergelijke sfeer en uitstraling bezitten. Er zijn zelfs bepaalde gebouwen die bevorderlijk zijn voor een bepaal­de mentale ontwikkeling, terwijl andere gebouwen die weer afremmen. Er zijn gebouwen waarin u zekere emoties kunt krijgen en zelfs een hogere be­wustzijnstoestand kunt bereiken, ook als ze normaal voor wereldse doeleinden worden gebruikt. Indien u in uw omgeving dergelijke gebouwen heeft, is het misschien wel eens goed na te gaan hoe u daarin reageert? Want in zo’n geval kunt u, als de behoefte daartoe bestaat, u naar die gebouwen begeven om die invloeden sterker te ondergaan, in uzelf te erkennen en vast te leggen om zo bepaalde denkprocessen mogelijk te maken of bepaalde emotionele of zelfs geestelijke erkenningen voor uzelf te verwerken.

Indien een ander u vertelt dat hij voortdurend wordt achtervolgd en deze achtervolging zich concentreert in een huis of misschien zelfs in een bepaald vertrek van een huis, ga na of zich daarin een bepaald voor­werp bevindt. In vele gevallen blijkt dat één enkel voorwerp daarvoor aan­sprakelijk kan zijn.

Ik wil hier wijzen op het feit dat men soms ook oud hout heeft ver­werkt en dus ook oud hout bv. verwerkt in een schouw, aansprakelijk zou kunnen zijn voor een dergelijke uitstraling. Indien er geen andere mogelijk­heid is, kunnen wij meestal de uitstraling en de invloed enigszins breken door in ons tegengestelde beelden en tegengestelde gevoelens te wekken en daarbij natrium (keukenzout) te verdampen, het best op houtskool. Wij kun­nen die invloeden zelden of nooit geheel wegnemen. Wel kunnen wij de perso­nen in kwestie zeggen dat zij aan die verschijnselen absoluut geen aan­dacht mogen wijden. Indien zij daaraan aandacht geven, versterken zij namelijk de bestaande tendens weer. Als zij die verschijnselen als normaal be­schouwen en er gewoon geen aandacht voor hebben, zal de energie niet wor­den bijgeladen en kunnen eventueel de verschijnselen op den duur verdwijnen.

Als u bepaalde voorwerpen erg kostbaar vindt of u erg dierbaar zijn, dan is uw instelling daartegenover meestal onjuist. Heeft u wel eens op­gemerkt dat u vooral uw lievelingskopje breekt, dat u juist dat ene voor­werp dat zo waardevol is verliest of laat liggen? Hieruit blijkt dat een overwaardering van bepaalde voorwerpen een zekere neiging tot verwijdering van deze voorwerpen bij ons wekt. Het is alsof wij ze van ons afstoten, alsof wij ze kapot willen maken. Wij mogen ons niet te sterk bin­den aan voorwerpen. Als wij voorwerpen als normale gebruiksvoorwerpen be­schouwen, dan zullen wij ze minder snel verliezen dan als wij ze als kost­baarheden zien. Als wij iets bijzonder belangrijk, emotioneel belangrijk achten in onze omgeving, dan is het gevaar veel groter dat dit voorwerp wordt gekwetst, dan als wij het beschouwen als iets normaals. Normaal be­tekent eenvoudig: in oorzaak-en-gevolg-werking zonder meer opgenomen. Indien wij iets als buitengewoon beschouwen, hebben we de neiging om onze eigen invloeden toe te voegen aan de normale oorzaak-en-gevolg-werking en daardoor zullen wij meestal bepaalde en meer extreme gevolgen tot stand brengen.

U vraagt zich waarschijnlijk af, of dit nu werkelijk te maken heeft met fetisjisme. Dit is inderdaad zo. Zeer vele mensen maken van een foto of van een voorwerp een fetisj. Zij kennen er krachten aan toe. Dan zou het dus dwaas zijn te zeggen dat alleen primitieve volkeren dergelijke gebruiken hebben.

Of hetgeen ik heb gezegd praktisch nut heeft? Als u kijkt of u deze verschijnselen ziet, zult u ze keer op keer in uw omgeving kunnen opmerken. U zult zelfs zien dat bepaalde mensen ziek worden omdat zij bepaalde voor­werpen bij zich hebben, terwijl anderen – schijnbaar zonder enige reden – door de aanwezigheid van een bepaald voorwerp gezondheid genieten en het wegvallen van het voorwerp een zich ziek voelen en mistroostig zijn ten gevolge heeft. Als wij dat weten, kunnen wij daarmee rekening houden. Wij kunnen dan in de gevallen waar een werking uitvalt die begerenswaard is, deze misschien aanvullen door zelf een voorwerp te laden.

Als een voorwerp negatief uitstraalt, hebben wij dan misschien de kans om het op de een of andere manier weer in te kapselen, de negatieve invloed daardoor te doen verdwijnen of zelf krachten in de omgeving daarvan te bren­gen, die op zijn minst genomen de uitstraling enigszins neutraliseren.

Ik hoop dat dit onderwerp voor velen van u meer praktische waarden bezit dan men op dit ogenblik wel beseft.

Ordening

De mens wil alles hebben in orde en regel. Alles ontleed, cel bij cel en soort bij soort. Alles opgesloten in de kastjes van het verstand, van de rede, van het geloof en wat er verder nog voor beperkingen te bedenken zijn.

Ordening: een opbouw, die niet natuurlijk bestaat uit het evenwicht van wetten, maar die door de mens zelf eventjes nadrukkelijk wordt uitge­drukt. En daarmede onderdrukt de mens de werkelijke ordening ten bate van datgene wat hij ordening noemt: het scheppen van chaos uit een goddelijke wet.

Vraag mij niet wat ordening te betekenen heeft. Als de mensen spreken over ruimtelijke ordening, dan betekent dat over het algemeen dat ze de ruimte versnipperen en bederven, om daarna zich te beklagen over het feit dat de ordening niet die orde heeft gebracht, die ze van de ordening had­den verwacht.

Als de mens bezig is orde op zaken te stellen in de maatschappij, dan betekent dat over het algemeen dat hij – afgaande op een meerderheid die ook niet weet wat ze wil – minderheden onderdrukt, totdat alles gelijkvor­mig is, niemand meer weet wat hij wil en zo een ieder te gronde gaat aan zijn eigen onwetendheden.

Laten we a.u.b. ordening nooit gebruiken, zelfs niet voor onze eigen gedachten. Het is een verkeerd woord. Het is een woord dat alles wil vastleggen in regels. En de enige regels die er zijn, zijn de kosmische wet­ten die uit God zelf voortkomen. Het zijn de krachten, die ons leven rege­ren. Het zijn de machten waaruit wij bestaan. Deze dingen tezamen vormen datgene waarin wij leven, wat wij leven en wat we zijn.

Laat dan deze natuurlijke, deze goddelijke wetten in ons vorm vinden. Laten wij niet proberen de natuur te verstoren, omdat wij toevallig rozen willen zien groeien op een plek waar gras en riet beter op hun plaats zijn. Laten wij niet proberen om filosofische waarheden te stellen in plaats van een innerlijke beleving waarin wij werkelijk God kunnen vinden, terwijl wij Hem in onze filosofie verliezen.

Laten we de dingen zich laten ontwikkelen zoals ze zijn. Laten we de natuur en de kosmos zich ontwikkelen volgens de regels die de Schepper heeft ingelegd. Dat is dan de enige ordening die er bestaat. En of dit een ordening is waag ik te betwijfelen, want ik zie de schepping als een voortbrengsel van een machtige kracht, die zijn wezen daarin heeft uitge­drukt, zodat de eigenschappen van de schepping en alle wetten, die daarin voor ons bestaan, niets anders zijn dan de weergave van het Wezen dat alles heeft voortgebracht en alles in stand houdt.

Laten wij deze kracht dan erkennen in zijn uiting en in zijn wetten en ons niet vermeten ordening te brengen tegen deze wetten in, in onszelf, in ons denken en in ons zielenleven zo goed als elders.

Laten wij leven uit de kracht, die wij in onszelf beseffen. Laat de we­reld haar evenwicht vinden, zoals dit volgens de wetten der natuur is vast­gelegd. Dan zullen wij zonder ordening de kosmische orde van bestaan er­varen, waarin de zinrijkheid van alles, ook van de door ons als wanorde be­schouwde situatie, duidelijk zal worden.