De mens in de werkelijkheid

12 september 1967

Je kunt verschillende wegen gaan en verschillende richtin­gen kiezen, wanneer je met esoterie en magie wilt werken. Sommige daarvan zijn uitsluitend op de emotie ingesteld en hebben bezwaren. Een van die bezwaren is wel dat zij in de komende paar jaar, die zeer emotioneel zullen zijn, een te sterke invloed uitoefenen op het geheel van het dagelijks bestaan. En dat is zeker niet de bedoeling.

Een andere weg is de zuiver verstandelijke, waarbij kan worden uitgegaan van vele theorieën, vele stellingen op meer mentaal vlak. Ook dit menen wij niet geheel van toepassing te moeten verklaren voor deze groep, onder meer gezien haar samenstelling. Wij zoeken dus een middenweg.

Deze middenweg zullen wij trachten te volgen door het eerste deel van deze bijeenkomsten te bestemmen voor lessen, die – dat zeg ik u van tevoren – in vele gevallen enige studie uwerzijds zullen vergen. Daarnaast zal worden getracht – hetzij door gastsprekers of beschouwingen door sprekers van de Orde – ook die mystiek-magische kant, die de esoterie nu eenmaal kent, voldoende tot haar recht te doen komen.

Dan wil ik nu graag beginnen met de eerste les en aanvan­gen met te spreken over: de mens in de werkelijkheid. Ik moet daar­bij in het begin enkele punten herhalen, die u elders reeds gehoord hebt. Voor de samenhang echter is het beter alle gegevens bijeen te brengen.

Er is een werkelijkheid. De mens echter interpreteert deze werkelijkheid, zodat hij door zijn eenzijdig beschouwen en belichten van de feiten, voor zichzelf leeft in een wereld van waan.

Het is onmogelijk als mens buiten deze waanwereld te treden, tenzij men zichzelf volledig zou beheersen en zijn eigen wezen zou kunnen beschouwen als één van de vele factoren in het Al. En dit is voor de doorsneemens niet mogelijk.

Wij hebben bij onze studies dus te maken met een wereld van waan, met een eenzijdige interpretatie en juist daardoor ook met een persoonlijke toepassing.

Wanneer wij in die werkelijkheid leven, dan is één ding daar­in vast en dat is: het feit. Feiten – hoezeer zij ook voor vele interpretaties vatbaar zijn – blijven zichzelf. Vandaar dat wij een esoterische of een magische studie moeten opbouwen op feiten; niet op veronderstellingen, niet op theorieën, niet op dogma’s of op axioma’s.

Zelf denken is de eerste noodzaak in alle bestaan. Zelfstan­dig een oordeel vormen is echter zeer moeilijk, omdat men voortdu­rend wordt beïnvloed door zijn omgeving, zijn opvoeding, ja zelfs door je emotionele toestanden die men kent, door de materiële moei­lijkheden, kortom door alles wat men doormaakt. Maar wij kunnen toch proberen terug te gaan tot het feit en vanuit het feit de werkelijk­heid opbouwen.

Wat ik u nu ga voorleggen is theorie. D.w.z. het is materie ter overdenking; niet een reeks van feitelijke mededelingen, die u zonder onderzoek of overdenken kunt aanvaarden.

Tijd is een factor, die voorkomt uit de mens. Het is geen vaste waarde in het Al. Naarmate men losser komt van de materie, is de tijd meer aan de persoonlijkheid gebonden en zullen zowel levensmoment, belevingsmoment als daadmogelijkheid afhangen van eigen tijdsbesef.

Op het ogenblik dat ik buiten de tijd kan treden, zal ik dus vanuit het standpunt van de wereld daadloos zijn. Ik kan nl. in haar tijdsconcept niet werken. Ik zal innerlijk tijdloos zijn. D.w.z. dat -althans theoretisch – geen belemmeringen aan denk- en belevingssnelheid meer zijn opgelegd. Hieruit trekken wij dan de eerste con­clusie:

De mens, die zijn buitenwereld volledig uitschakelt, komt tot een beleven in de innerlijke wereld, waarbij slechts zijn eigen concept van bestaan van betekenis kan zijn voor zijn vermogen tot opnemen van feiten, reageren op feiten en het overwegen van feiten. Als zodanig is meditatie – en wat dat betreft ook contem­platie – een middel om te komen tot een nader inzicht. Maar een nader inzicht kun je alleen krijgen, wanneer je een punt van uitgang hebt. Een vast omschreven doelstelling en een punt van uitgang zijn noodzakelijk om enigerlei waarde te putten uit contemplatieve en meditatieve beschouwingen.

Wij moeten vaststellen dat de mens met de werkelijkheid voort­durend is geconfronteerd, al herkent hij haar niet. Ik kan niet uitgaan van de werkelijkheid buiten mij, daar zij voor mij onken­baar is. Ik kan slechts uitgaan van mijn eigen innerlijke waar­den, mijn innerlijke drijfveren. Wel moet ik trachten mijzelf zo goed mogelijk te begrijpen en – waar mogelijk – te kennen.

Wanneer ik met een redelijke zelfkennis reageer op de waan, die ik omtrent de wereld koester, zal de feitelijke reactie, die uit de werkelijkheid komt, voor mij een correctie betekenen op mijn beeld van de wereld. Daaruit vloeit als conclusie wederom voort:

De mens, die voortdurend bereid is zich aan te passen aan het gebeuren en dit gebeuren als belangrijker beschouwt dan zijn eigen denkbeelden, zal op den duur een werkelijkheidsbenadering kunnen vinden, waardoor hij een zekere beheersing bereikt van zich­zelf en van zijn wereld met beperkte waan. In deze beheersing is voor het eerst een doelmatig streven mogelijk, zowel geestelijk als materieel.

U zult begrijpen dat hieraan veel meer vastzit. En nu stel ik een oude waarheid, die u moet kennen: De geestelijke kracht en de gedachte, die haar vorm geeft, zijn de moedervorm voor alle mogelijkheden in de materie. Hieruit vloeit voort dat de waan die men kent bepalend zal zijn voor de wijze, waarop de werkelijkheid zich aan u toont, maar ook voor de waarde die u in deze werkelijkheid bezit.

Dit te begrijpen is vaak moeilijk. Wij gaan uit van onszelf als een vaste waarde. En wij zijn geneigd om overal en bij iedereen fouten te veronderstellen; zij het dan dat wij onszelf daarbij na­tuurlijk als arbiter buiten beschouwing laten. Maar zelfs indien ik mijzelf als enige bron van fouten zou zien, zou ik niet kunnen komen tot een juist erkennen van de feiten, van de werkelijkheid.

Dan moet ik dus stellen: Naarmate ik mijn eigen patroon van denken en gedrag wijzig en in voortdurende wijziging (dat is belang­rijk!) aanpas aan de mogelijkheden die ik in mijn leven erken, zal ik innerlijk een juister besef krijgen van mijzelf en de werkelijkheid. Daarnaast zal ik een groter vermogen krijgen ten aanzien van de wer­kelijkheid.

Dit moet dan worden uitgedrukt in een reeks van eenvoudige wetten en vergelijkingen.

Wij kunnen zeggen: Bereidheid tot verandering is gelijk aan het deelproduct van werkelijkheid en waan. Wij kunnen zeggen dat waan voortvloeit uit het deelproduct van werkelijkheid en veranderingsbereidheid.

Op deze wijze wordt duidelijk, dat de drie factoren, die in ons leven een hoofdrol spelen – waan, werkelijkheid en eigen wezen (hier uitgedrukt als veranderingsbereidheid) – dus alle beleven, al­le vermogen en alle actie zullen beheersen. Kennen wij één van deze factoren, dan is het reeds mogelijk het product van de beide andere te kennen. Kennen wij twee factoren, dan is de derde afleidbaar.

In de esoterie moet gelden: In mijn poging tot zelfkennis moet ik komen tot een erkenning van mijn bereidheid tot veranderen; en ik moet komen tot een erkenning van mijn waan, mijn wereld zoals ik deze zie. Wanneer ik deze beide ken, is de werkelijkheid afleid­baar geworden, zij het dan … niet aanvaardbaar. (Onthoud dit!)

De werkelijkheid aanvaarden is een ontkennen van jezelf voor een groot gedeelte. Maar zolang je die werkelijkheid althans kent, haar kunt omschrijven (al aanvaard je haar niet), dan kun je op grond van de werkelijkheid ageren. En dat is belangrijk.

De volgende eenvoudige wet, die in dit geval voor u van belang is, luidt: Mijn vermogen is afhankelijk van mijn wil en van mijn mogelijkheid. (Mogelijkheid is méér dan kunnen.) Mijn vermogen om iets te bereiken is afhankelijk van de mogelijkheden (dus de kracht, vaardigheid en condities die ik aantref) plus mijn wil. Dit betekent dat een geringe wil bij grote mogelijkheid vermogen schept. Maar het betekent ook dat een sterke wil zelfs bij een beperkte mogelijkheid, toch nog een redelijk vermogen tot stand brengt.

Wil is dus belangrijk. Maar wil is voor de mens alleen omschrijfbaar als: begeren ten koste van alles. Wie weten wil wat zijn mogelijkheid is, wat zijn vermogen is tot geestelijke of stoffelijke be­reiking, zal dus moeten uitgaan van zijn wil: Wat begeer ik meer dan iets anders.

En dat impliceert dat als een begeren ons beheerst, dat niet strookt met hetgeen wij in feite denken te verlangen, wij eerst met dit begeren zullen moeten afrekenen. Je kunt nimmer drie of vier waarden gelijktijdig en afwisselend als hoofdwaarde in je leven hanteren. Wie bereiken wil moet voor die bereiking in staat zijn tot absolute eenzijdigheid; ook t.a.v. willen en begeren.

Wie esoterisch iets bereiken wil, zal dus de esoterische inhoud zozeer moeten begeren dat hij al het andere van nul en generlei waarde acht. Hij zal dan – zelfs bij zeer ongunstige mogelijkheden – een goed resultaat bereiken.

Wie magisch iets bereiken wil, moet zozeer opgaan in het doel van zijn magisch streven dat hij bereid is daarvoor al het andere – of dit onaangenaamheden betreft, risico of wat anders – te accepteren. Pas dan krijgt hij het magisch vermogen.

Misschien dat dit u duidelijk maakt, dat wij in de esoterie en in de magie op grote moeilijkheden stuiten, zodra wij uitgaan van een zeer complexe reeks waarden. Wanneer ik een geloof heb, waarin een groot aantal dogma’s en beperkingen voor mij bestaan, zal ik -al begeer ik het einddoel dat dit geloof mij voorstelt – door de regels, die mij voortdurend in mijn werkzaamheden beperken, niet veel bereiken. Waar beperkingen bestaan is het met een zeer grote wil mogelijk een zeker vermogen te bereiken. Waar echter geen wetten be­staan is het met een kleine wil vaak reeds voldoende om vermogen, te bereiken.

Dit zou – schijnbaar althans – pleiten voor een wereld, waarin elke wet terzijde wordt gesteld. Maar deze wetten zijn voor een deel de mens zozeer aangeboren, zozeer deel geworden van zijn wezen, dat hij ze voortdurend hanteert als maatstaf t.o.v. de wereld. Ze zijn deel geworden van zijn waan. Of zij met de feiten stroken of niet, zijn interpretatie is van deze inhoud aan regels en wetten afhan­kelijk. En daarom kunnen wij hieraan weer toevoegen:

Een mens kan slechts zoveel bereiken, als hij aan wilskracht bezit en als regels voor zich als onbelangrijk leert beschouwen. Dit is dus een heel belangrijk punt, waarover u eens moet nadenken.

Dan komen we vanzelf tot de elementen van meer magische be­tekenis. Want wanneer ik in de werkelijkheid leef, zou er geen magie kunnen bestaan. Magie immers zou zijn: gaan boven de regels, boven de norm. En waar ik dus eenvoudig streef en werk, zijn de kosmische regels bekend en alle andere regels gelden niet. Daarom moet ik dan veronderstellen dat magie geboren wordt uit een verwerping van re­gels, die voor anderen bestaan. De magiër kan niet meer dan een an­der, maar hij beseft meer dan een ander. Door zijn groter besef van werkelijkheidswaarden is zijn vermogen groter en kan hij voor anderen onverwachte resultaten bereiken.

Voor de magische kant van de zaak zou je dus ook een aantal regels kunnen stellen. En die zijn eigenlijk heel eenvoudig:

Het doel is belangrijker dan de middelen, maar heiligt de mid­delen niet

De verklaring van het feit is onbelangrijk; de bereiking van het feit is het enig belangrijke.

De weg die je gaat is alleen belangrijk, omdat je hem móét gaan, niet omdat hij een weg is. Slechts het doel, waartoe hij voert (dat ons begeren is) is van belang.

Hieruit volgt dat een magiër in zijn magisch streven zich altijd moet baseren op het voor hem haalbare, het voor hem bereik­bare. Zodra u verder grijpt dan uw eigen vermogen, zult u falen. Maar wanneer de weg voor u aanvaardbaar is en volgens uw beste besef tot het doel voert, kunt u hem gaan. Het in dan slechts de wilskracht, waarmee u die weg gaat, die bepaalt in hoeverre dit doel onmiddellijk kenbaar zal worden voor anderen.

Ik zeg hierbij uitdrukkelijk: onmiddellijk. Want magie berust voor een zeer groot gedeelte – ongeacht de stoffelijke begeleidings­verschijnselen – op geestelijke actie. En in geestelijke actie – heb ik zo-even gezegd – bestaat geen vaste tijdswaarde. Het is dus duidelijk dat ik niet kan volstaan met een magische werking zonder meer, daar het mij dan onmogelijk is een predictie te geven van het ogenblik dat het magisch resultaat kenbaar wordt. Ik zal dus in mijn strevingen altijd moeten trachten mijn magisch doel te vereen­zelvigen met tijd.

Dan vloeit voor de magiër daaruit verder nog het volgende voort: Alle middelen die ik gebruik zijn een extensie van mijn eigen wezen of een symbool van factoren in mijn eigen wezen. Daarom zijn de magische middelen onbelangrijk, mits mijn eigen wezen maar voldoende geconcentreerd is. Procedure kan belangrijk zijn, omdat zij een gewoontevorming tot stand brengt. Zij is echter nimmer onontbeerlijk.

Alle oude magie is versleuteld. Wanneer ik begrip wat men wil zeggen, is het niet noodzakelijk dit voor mijzelf duidelijk te formuleren. De reactie – zelfs indien zij haast automatisch is – is voldoende.

Alle krachten waarmee ik werk in de magie (of ik hen goden noem, dienende geesten, demonen of wat anders) zijn eveneens voor mij werkelijkheid, maar niet kosmisch. In de werkelijkheid zijn zij fac­toren, die misschien onpersoonlijk tot die werkelijkheid behoren, misschien deel uitmaken van de energieën, welke die werkelijkheid in stand houden of tot stand brengen.

Elke voorstelling van God of geest, elk oproepen van demo­nen, geesten, etc., berust dus in wezen op schijn. Hier is mijn in­terpretatie belangrijk; maar het verschijnsel zelf kan totaal ver­schillen van wat ik daarin zie.

Daarom heeft het alleen zin te werken met krachten, die je kent. Aangezien de mens materiële krachten het best kent, zal hij er goed aan doen een zo groot mogelijk aantal van zijn krachten ma­terieel tot uitdrukking te brengen.

U ziet, ook in de magie speelt dus deze werkelijkheidsvervreemding, die de kern is van het menselijk bestaan, een zeer grote rol.

De esotericus zal voor zich het effect in de buitenwereld misschien van minder belang achten. Maar hij moet erg voorzichtig zijn. Esoterie is een afdalen in jezelf. Het kan echter geen zelfontleding zijn, omdat een zelfontleding betekent: een koppelen van het eigen wezen aan de wereld; een herleiden dus van het “ik” tot de waanwaarden, waarin je bestaat. Het moet zijn: een aanvaarding van eigen wezen. En daarom heb ik voor de esotericus ook enkele richtlijnen, die vooral in het verdere van de cursus – naar ik meen – van belang kunnen zijn.

Indien u afdaalt in uzelf, analyseer uzelf dan niet. Aanvaard uzelf zo, dat u het beeld kunt herkennen. Vergelijk: U ziet een vreemde voorstelling. Wanneer u haar lang genoeg beschouwt, kunt u later uit uw herinnering die voorstelling terugvinden. U zult dan voortdurend die voorstelling a.h.w. bezitten.

Wanneer u probeert om de verschillende waarden in die voor­stelling onmiddellijk te ontleden, dan zult u veelal wel iets weten over bv. de techniek, waarin ze is uitgevoerd, maar u zult niet het totaalbeeld in zijn juiste verhouding kunnen zien. Indien u door­dringt in uzelf, onderga uzelf. Ontleed uzelf niet. Zo vindt u de meest herkenbare en daardoor ook meest bruikbare waarden van het in­nerlijk terug in uw dagelijks bestaan.

De weg die u volgt, de theorie vanwaar u uitgaat, is van geen belang. Belangrijk is de kracht, die u erkent. Daarom moet u altijd bereid zijn om een kracht die optreedt te laten prevaleren boven de theorie, van waaruit u die kracht bereikt hebt.

Indien u nu werkelijk en oprecht innerlijk zoekt naar het eindpunt van alle dingen (wat u God noemt), ga dan op weg zonder voorstelling. Juist doordat men zich een beeld maakt van een ge­beurtenis, van een bereiking, zal de werkelijke bereiking niet be­seft worden, of – zo zij plaats vindt – ontstellend, verblindend of teleurstellend zijn.

Maak u geen voorstelling van hetgeen u bereiken gaat. Stel wel een doel. Stel uw doel in de vorm van een harmonie; nimmer in de vorm van een ontmoeting, van een macht of van een gezag.

En hiermee hebben we dan – althans in beginsel – enkele punten gefixeerd, die wij later steeds zullen ontmoeten.

De mens in de werkelijkheid is de mens, die door zijn illu­sies heen met de feiten wordt geconfronteerd. Op grond van dit alles zal het u heel erg moeilijk vallen om zelfs t.a.v. de geest of van een leermeester, die hier misschien spreekt, u een oordeel te vormen. Vorm u dit oordeel dan ook niet over de geest of het wezen van die geest. Vorm u een oordeel over de betekenis die voor u bestaat. Dit is het enig geldende. Dit is het enige, waaruit u een werkelijke bereiking en werkelijke vruchten kunt plukken.

En nu ik dit eerste lesje heb afgemaakt, kan ik nog enkele meer algemene beschouwingen hieraan toevoegen; en wel t.a.v. de kring als zodanig en t.a.v. het doel dat wij in deze kring kennen.

Harmonie is een van de meest belangrijke dingen in de wereld. En niet alleen in de wereld. Het betekent niet een jezelf verliezen maar een samengaan. Een samengaan met anderen impliceert dat er geen rechten op die ander bestaan en dat de anderen geen rechten op u hebben, maar dat in een vrijwillig harmonisch zijn men elkaar vergezelt, zolang de harmonie bestaat. Dit is niet alleen geeste­lijk, dit is zelfs materieel volledig waar. Op een ogenblik dat dis­harmonie ontstaat, dient men zich zover mogelijk van de disharmoni­sche aspecten te distantiëren. Men moet zich er los van maken.

Door het disharmonische te verliezen, schijnt vaak een vereen­zaming te ontstaan. De mensen zullen waarschijnlijk zeggen: hierdoor vecht je niet genoeg. Maar wanneer je de nadruk blijft leggen op het harmonische, op het punt waarop met anderen samengaan mogelijk is – voor korte of voor lange tijd, geestelijk of anders – zul je door de nadruk op het positieve in jezelf en in de wereld rond je een mate van positiviteit tot stand brengen, die vanzelf je a.h.w. pushing power, kracht geeft, energie.

Een harmonisch mens zal vanuit materieel standpunt gezien weinig bereiken, want hij heeft geen drijfveren om zich de meerdere van anderen te tonen. Maar hij zal menselijk en geestelijk gezien zeer veel bereiken. Hij zal als mens de mensheid kennen. Hij zal geestelijk de eenheid met de geest ondergaan. Hij zal geen grenzen stellen aan zichzelf, maar zal slechts zorgvuldig zijn weg kiezen in de richting van het harmonische.

Wanneer u hier samen bent, is het onbelangrijk wat u buiten deze kring doet of wat u bent. Het is wel belangrijk dat u elk op eigen wijze tracht harmonisch te zijn met de gemeenschap. Niet alleen met mij of met een andere spreker, maar ook met elkaar. Zoek in el­kaar de positieve dingen, de positieve waarden. Probeer a.h.w. een zekere vreugde te kennen in het samenzijn. Hierdoor krijgt u vanzelf de nodige achtergrond. Dan kan er meer bereikt worden en er kan ook meer gedaan worden.

Wat betreft de wijze, waarop het contact tot stand komt: wij werken – zoals gebruikelijk – zo direct mogelijk. Wij zullen daarbij ook in dit jaar ons beperken tot de uitstraling, die zeer belang­rijk is; en daarnaast proberen uit te gaan van de werking van het woord.

Wanneer u een les wordt gegeven (en die les is meestal in haar belangrijkste deel, ongeveer de helft van de tijd dat gesproken wordt door de eerste spreker), dan hoop ik dat u zich de moeite zult getroosten u die les een beetje eigen te maken. Wanneer u voor uzelf geen beeld vormt van wat er eigenlijk gezegd is, wat het be­tekent, dan zult u bij een volgende samenkomst de harmonische moge­lijkheid verminderen. Daarnaast zult u vaak komen tot verkeerde in­terpretaties, omdat in u niet langzaam het beeld groeit. Elke ont­wikkeling voor de mens is een langzame groei. Ook wanneer een ver­schijnsel acuut is, gaat daaraan, een lange ontwikkelingsperiode vooraf.

De grote kunst in een kring als deze is een gelijkmatige groei tot stand te brengen. Dit is voor ons zelfs aanleiding ge­weest – zoals u zult weten – het aantal aanwezigen te beperken. Het werd te veel, er waren te veel stromingen.

De krachten die wij gebruiken zijn uiteraard nogal veelvoudig; ze krijgen vele verschillende vormen. We zullen ons echter zoveel mogelijk bij deze kleinere kring gaan onthouden van de z.g. sugges­tieve processen. Want een suggestie geven is aardig, maar door de verschillende reacties kan zij vaak eerder disharmonie brengen dan harmonie. U zult dus veel bewuster en ook veel kritischer alles moeten beschouwen en ondergaan dan in de afgelopen jaren.

Daar staat tegenover dat de aanwijzingen die u krijgt van grotere praktische waarde zijn. En verder, dat wanneer u een har­monie kunt vinden (niet alleen vanuit de emotie maar mede vanuit het denken) met gastsprekers of met sprekers zoals ik, u hierdoor voor uzelf een sneller en juister contact opbouwt met de geest en met de sfeer.

Gevoeligheid voor de geest zal zoveel mogelijk worden aange­moedigd; echter beperkt met het oog op de stabiliteit van sommige karakters. D.w.z. dat wij u niet allen evenveel kunnen helpen, in dit opzicht althans. Maar wij zullen trachten hier dus een zekere ontwikkeling aan toe te voegen.

En dan kom ik vanzelf tot het einde van dit eerste deel, waarin ik wil trachten u een paar beelden te geven van hetgeen belangrijk kan zijn, indien u mediteert of indien u een magische werking beoogt. Onthoud:

Meditatie, die besloten blijft binnen het eigen ik en zich­zelf alleen als doel kent, zal falen.

Een meditatie, waarin men echter de wereld tot zich trekt (zelfs de waanwereld) en deze gaat ervaren als deel van eigen ik of tracht te ervaren als eigen ik, betekent een uitbreiding van bewustzijn en daarmede een juistere mogelijkheid om de innerlijke waarden van het ik te ondergaan.

Magisch gezien:

Al hetgeen magisch is en terugvalt op eigen wezen alleen, wat gebaseerd is op exclusiviteit voor eigen wezen in welke zin dan ook, zal voeren tot mislukkingen. In het begin krijgt men snelle resultaten; later echter wordt de risicofactor steeds groter.

Wie magisch wil denken of werken moet daarom uitgaan van algemene waarden en algemene krachten. Hij moet ook middelen ge­bruiken, die niet exclusief de zijne (of de hare) zijn, maar die behoren tot de wereld als eigen en afzonderlijke waarden.

Door op deze wijze actief te zijn, verkrijgt u een vergroting van bewustzijn. Vergroting van bewustzijn betekent: juister begrij­pen en meer zien. Wie begrip heeft en wie ziet hoeveel mogelijkhe­den er in de wereld bestaan, hoeveel verschillende vormen en waarden zich aan de wereld openbaren, zal alleen hierdoor reeds een juistere relatie voor zichzelf verkrijgen met de wereld, met het Al.

Zoals ik u al gezegd heb: harmonie is belangrijk in uw eigen kring. Ze is daarnaast van het grootste belang voor de gehele we­reld. En onthoud ook dat disharmonie altijd ontstaat, wanneer twee krachten werkzaam zijn. Indien u harmonisch wilt zijn en het dishar­monische terzijde stelt, vanuit uzelf harmonisch blijft voor zover het u mogelijk is, is het niet meer mogelijk dat men u uit uw even­wicht brengt.

Strijd is niet uit den boze, zolang het een strijd is (een streven dus) om met alle middelen harmonie te verkrijgen of te be­waren. Zodra strijd echter een verzet tegen het andere inhoudt, wordt hij negatief en tast hij eigen mogelijkheden en bewustzijn aan.

Er zijn in dit betoog een aantal schijnbaar strijdige elementen. Ik hoop dat u daarover wilt nadenken. Want eenzijdigheid in het streven en gelijktijdig harmonie met alle dingen is misschien moeilijk denkbaar, om één voorbeeld te noemen. Maar in de harmonie met het totale kan ik mijn harmonische besef van het ene wel degelijk (zij het tijdelijk) opvoeren tot het (wederom tijdelijk) het besef van de bestaande harmonie met het andere verdringt. Dan zal uit die een­zijdige harmonie een ontwaken ontstaan, waarbij weer de totale har­monie wordt opgenomen op het punt, waarop ze werd achtergelaten. Het is dus wel degelijk mogelijk, al lijkt het tegenstrijdig.

Misschien wilt u nu nog een paar korte punten ontvangen, waarover u kunt mediteren. De volgende punten zijn voor meditatie voor u op dit moment zeer geschikt:

Wat wil ik zijn? Vraag u af wat u wilt zijn, wat u betekenen wilt in de wereld. Droom een eind weg. Maak van uzelf een miljonair, een tovenaar, of een dwaas. En vraag u dan af: waarom? Waarom wil ik dit zijn? Behoud voor uw volgende meditatie het doel en niet de voorstelling.

Mediteer de volgende keer dan over: Hoe kan ik, zoals ik ben, iets waar maken van hetgeen ik wil zijn? Hebt u ook deze meditatie voldoende uitgewerkt, dan is de daaropvolgende fase:

Welke innerlijke krachten erken ik? In welke krachten geloof ik? En wel voornamelijk krachten, die mij kunnen helpen om te bereiken.

Door deze overweging van de andere krachten zult u weliswaar voor een deel uw waanwereld activeren, maar u zult een besef krijgen van de voor u bestaande harmonische mogelijkheden in het rijk van de kosmos, van de geest, zelfs van de fantasie. En u zult daarmede over krachtbronnen beschikken, die u bij uw feitelijk streven kunnen helpen.

Voor degenen, die zich bij voorkeur meer magisch oriënteren, zou ik de volgende punten ter beschouwing willen vastleggen:

Wat vrees ik en waarom?

Wat meen ik te kunnen en waarom?

Wanneer slaag ik, wanneer faal ik?

Wanneer u deze vragen uitwerkt, zult u zien dat een deel van uw voorstellingswereld wegvalt; en dat er enkele elementen overblij­ven, waarmee u kunt werken. Gebruik deze elementen om proeven van eigen kunnen af te leggen. Door dit op de juiste wijze te doen zult u een besef krijgen van de krachten, waarover u beschikt en de krach­ten, waarmee u harmonisch kunt samenwerken. Dit kan u van pas ko­men, wanneer u misschien in een later stadium wilt trachten feite­lijke bereikingen tot stand te brengen.

Ik hoop dat deze eerste les – hoezeer zij ook een inleidend karakter moest dragen – voor u geen teleurstelling is.

Ik hoop ook dat u – al kent u reeds vele punten hieruit – deze les niet terzijde zult leggen als bekend. Zij bevat elementen, die u werkelijk goed moet weten.

En ten laatste: Op een volgende bijeenkomst gaan wij van hieruit verder en wij zullen trachten – zoals ik dit ook voor vandaag heb gedaan – een entiteit te vinden, die t.a.v. esoterie of magie vol­doende uitleg kan geven en voldoende ervaring bezit om u te helpen uzelf beter en juister te vinden en uw krachten en mogelijkheden beter en juister te gebruiken.

Degenen onder u, die menen dat dit programma niet aanvaard­baar of niet voldoende is, zijn nu nog in de gelegenheid de kring te verlaten. Degenen die deel blijven nemen aan deze kring moeten ech­ter wel beseffen dat zij hierdoor zichzelf niet alleen verplichten om regelmatig aanwezig te zijn, maar ook om in de zin van het ge­leerde zelf actief te zijn.

 

De gastspreker

 

Men heeft mij uitgenodigd voor deze eerste bijeenkomst, ver­moedelijk om het ijs te breken en mogelijk op dezelfde wijze, waarop men ministers e.d. verleidt om linten door te knippen.

Maar aangezien ik dan toch hier ben en een paar woorden moet zeggen over esoterie, zou ik graag willen beginnen met een paar heel eenvoudige ervaringen, die ik in de loop van de tijd heb gehad.

Wanneer je in jezelf doordringt, dan is dat dikwijls een nogal vervelende zaak. Je loopt altijd weer vast op je eigen illusies, op de voorstellingen die je je hebt gemaakt. En het is heel erg moeilijk daar afstand van te doen.

Nu kun je wel zeggen: In de esoterie moet je rechtlijnig verdergaan. Dat is heel aardig. Maar ik heb een vriend gehad, die meende dat je overal doorheen moest. Ik voor mij meen altijd dat je moet zoeken naar het pad dat gelijktijdig eenvoudig is en toch in de juiste richting voert. Hij ging door brandnetels heen; ik niet. Het resultaat was, dat ik fris mijn doel bereikte en hij prikkelbaar en vol jeuk.

Nu is dat al lang geleden. Maar ook wij komen vaak problemen tegen – ook in ons eigen innerlijk – die wij eigenlijk niet aankunnen. En wanneer wij in onszelf zoeken naar werkelijkheid, is het vaak ver­standig dergelijke gebieden tijdelijk te laten liggen. Want een probleem dat we ontgaan, komt terug. Maar in die tussentijd hebben we de tijd gehad om te groeien.

Wanneer je bv. geconfronteerd wordt met een probleem van religie – zoals dat vaak gebeurt – of ook vaak van een zekere haat tegen religie, dan is het moeilijk ineens een ervaring te accepteren, die aan de ene kant te dicht bij het Goddelijke ligt om haar volkomen areligieus te bezien; en die aan de andere kant toch weer te ver afwijkt van de bekende dogma’s en theologische stellingen om haar daarin onder te brengen.

Wanneer je zoiets ontmoet en je kunt er niet mee uit de voe­ten, je weet er geen raad mee, dan is het erg verstandig er even omheen te gaan. Niet om te zeggen: dit gaat me niet aan. Maar om te zeggen: ik moet eerst verder.

Want voor ons gehele wezen is ontwikkeling eigenlijk een kwes­tie van voortdurend meer begrijpen en meer beseffen. Je loopt te vaak aan de werkelijkheid – ook die in jezelf – voorbij. En naarmate je meer leert in jezelf dingen te zien en te ervaren, die voor jou be­tekenis hebben, ga je ook gemakkelijker staan tegenover die problemen, die eens zo erg theoretisch en zo moeilijk waren.

Er zijn mensen die heel graag de werkelijkheid ontwijken. En wat zien we dan? Zij vinden bv. dat het christendom niet aanvaard­baar is en zij grijpen naar het boeddhisme. Dat is helemaal niet kwaad. Maar in dat boeddhisme zoeken zij in feite dezelfde regels, die ze in het christendom niet konden aanvaarden. En dat is fout.

We zien mensen, die zeggen dat ze esoterisch streven en die in feite alleen maar zoeken naar een zekerheid voor hun eigen bestaan. Laten we dat eerst toegeven. Laten we heel rustig zeggen: Ik zoek niet naar God; ik zoek alleen naar een zekerheid omtrent mijzelf. Of: Ik werk wel voor de geest, maar in wezen werk ik voor de be­tekenis, die ik daardoor zelf krijg. Ik wil weten dat ik iemand ben.

Als we op die manier beginnen, lopen we inderdaad om veel problemen heen, maar we brengen onszelf in een situatie, waarin we kunnen werken, waarin we kunnen denken, waarin we kunnen leven, waarin we actief kunnen zijn. We doen ervaringen op. We krijgen meer mogelijkheid tot referentie. En wat eens een onoverkoombare hinder­nis leek, is later een kleinigheid waaraan je voorbijgaat; die je constateert zonder dat ze je veel zegt.

In de esoterie is dat heel erg belangrijk. Want een mens denkt nu eenmaal menselijk. En een geest denkt in het kader van zijn eigen sfeer. En in jezelf vind je juist hogere waarden, hogere sferen, die je nog niet helemaal kunt begrijpen en omschrijven. Je maakt daardoor voor jezelf van bepaalde dingen problemen, terwijl ze het in wezen niet zijn. Kun je iets niet aan en zie je kans om toch verder te streven, ga dan eerst verder. Probeer eerst de moge­lijkheid te krijgen om overzicht te winnen, zodat je de moeilijkheid later kunt oplossen.

Het is misschien kinderlijk eenvoudig, als ik het zo vertel. Maar het is toch wel erg belangrijk. Want ik heb zo heel vaak gezien, dat de mensen juist in het esoterisch denken en het esoterisch stre­ven zijn vastgelopen, omdat ze zich vasthouden aan zo’n probleem. Tenslotte hebben we geen behoefte aan ballast. En problemen zijn ballast. Ze beletten ons in onszelf een beter begrip te krijgen van onszelf. Wanneer we onszelf leren kennen, zullen we op den duur die problemen in hun juiste verhouding kunnen zien. U begrijpt al, op die manier moet je eigenlijk beginnen. En pas wanneer je in staat bent de onbelangrijkheid van veel dingen te beseffen, kun je de een­voudig probleempjes innerlijk oplossen.

Heel bekend is de stelling dat de esoterie ten doel heeft, het ik te doen erkennen en te doen reiken van de aarde tot God. Nu beschouwen de meeste mensen dat als een soort heteluchtballon, die je stookt met voldoende energie om langzaam maar zeker omhoog, te zweven. Laat ik u garanderen – want daar mag ik een garantie voor geven – dat dat nooit lukt. Je kunt niet stijgen. Je kunt alleen groeien. En ook dat is voor menigeen moeilijk te begrijpen, want een groeiproces brengt nogal eens stuipjes met zich mee.

Elke groei brengt bepaalde groeistuipen met zich mee. Wan­neer je een geestelijke groei doormaakt, komt er een ogenblik dat je blasé bent van al het geestelijke. En er komt een ogenblik dat je blasé bent van alle goeddoen. En er komt een ogenblik dat je blasé bent van alles. Maar je moet verder leven. En er komt altijd weer een nieuw punt, van waaruit je door kunt gaan.

Juist wanneer u dus zoekt naar de geestelijke waarden en de geestelijke weg, moet ik u daarop wel wijzen. Anders hebt u zo de idee: Nu ben ik vastgelopen; ik kan niet verder. Het is doodgewoon wachten op een aansluiting. En dan zeker niet de “connection”, die het gif komt brengen waardoor je een ogenblik vrolijk kunt zijn, maar werkelijk op een nieuwe manier van leven, een nieuwe manier van den­ken of handelen.

Weet te wachten. In de esoterie is de kunst van wachten bijna net zo belangrijk – en soms veel belangrijker zelfs – dan alle krampachtig omhooggaan. Wanneer ik niet verder kan, moet ik rusten. Ik moet niet worstelen en mijzelf uitputten. Ik kijk of ik verder kan. En gaat het nu niet, dan ga ik rusten. Daarna heb ik wat meer kracht en dan kan ik verdergaan.

En wanneer ik de zaak moe ben, dan moet ik eenvoudig zoeken naar wat anders. Iemand die door een woestijn gaat, kan een rechte weg voor zich hebben. Maar als hij geen water meer heeft om te drin­ken, dan zoekt hij eerst naar een bron of een oase. En wanneer hij daar gerust heeft en zich heeft gelaafd, kan hij verder de woestijn door.

Het leven wordt vaak een woestijn, vooral wanneer je geeste­lijke waarden zoekt. Het is allemaal een beetje droog, een beetje vervelend. En je vraagt je af, of het allemaal wel nodig is. Kijk eens, een zekere discipline moet je hebben. Want het is gemakkelijk genoeg om te zeggen: “Tot zover heb ik het geschopt; en nu blijf ik gezellig hier, want zo is het goed.” Neen, je moet zeggen: “Nu kan ik weer verder en nu moet ik weer verder.” Maar zolang je zegt: “Ik ben nu werkelijk uitgeput” of “Ik zie geen weg meer”, dan is het een kwestie van wachten, van rusten, ontspanning, d.w.z. ook van de geest rusten. Uitrusten van je geestelijk pogen en streven is net ze belangrijk als geestelijk streven.

Ik heb dat aan den lijve moeten ervaren, meerdere malen en in meerdere werelden. En ik weet dus waarover ik praat. Je kunt nooit meer doen dan je op dit moment volbrengen kunt. Dat is heel erg be­langrijk. Je moet leren om de rest a.h.w. te beschouwen als: later; of: dat komt wel. Nu doen wat je nu kunt.

Esoterisch betekent dit dat je vaak genoegen moet nemen met heel kleine vorderingen. Dat je er genoegen mee moet nemen, wanneer je een tijdlang geen uitweg meer ziet. En dan laat je die esoterie desnoods rusten. Maar je blijft je wel trainen in de techniek, die je gebruikt; hetzij meditatie of beschouwelijk of misschien ritueel. Je blijft rustig verdergaan, maar je stelt geen eisen meer aan je­zelf. Je ondergaat de zaak maar gewoon een tijdje. Dan vind je de veerkracht terug.

En met magie is dat eigenlijk precies eender. De meeste mensen denken dat magie een kwestie is van een kunstje kennen en het vertonen. Nu ben ik zelf geen magiër geweest en ik geloof ook niet dat ik het ooit zal worden. Daar moet je blijkbaar aanleg voor hebben. Maar ik weet wel dit: magie kan alleen resultaten hebben op het ogenblik dat je zelf in een bepaalde toestand verkeert. Het is iets dat direct gelieerd is met je eigen situatie, innerlijk en zelfs ui­terlijk.

Daarom moet u alle magische strevingen dus niet beschouwen als iets, wat je plichtsgetrouw doet. Dat is kolder. Je moet het zien als iets, wat je doet op het ogenblik dat je daartoe in staat bent. Dat je voelt: dit is een noodzaak. En wat meer is, je moet die noodzaak ook niet al te scherp stellen in bepaalde lijnen.

Ik weet wel, het opbouwen van een gewoonte helpt je met ma­gische riten. Dat is waar. Maar per slot van rekening, wanneer ik misselijk word van biefstuk en ik heb behoefte aan een perzik, dan moet ik niet zeggen dat de enige manier om mij te voeden is: met biefstuk. Dan moet ik zeggen: dat gaat ook met een perzik. Dan kan die perzik evenveel waarde hebben als biefstuk. En voor mij op dit ogenblik meer, omdat ik die biefstuk nu niet en de perzik wel kan accepteren. Dan werk ik dus vanuit de perzik.

Ik heb mensen gezien, die vasthielden aan een vaste methode. Het resultaat was, dat ze op sommige tijden buitengewoon veel bereik­ten, maar dat ze op andere tijden machteloos waren en wanhopig werden.

En bij u zal het ook weleens voorkomen, dat u denkt: Kan ik nu werkelijk niets meer? Vertrouwt geen mens mij? Waar ligt het aan? Hoe zit dit? Het antwoord is doodeenvoudig: U hebt op dat moment niet de juiste methodiek. U hebt niet de voor u passende benadering. U stelt aan uzelf verkeerde eisen. U moet uitgaan van wat u kunt. Het behoefte-element en het element van mogelijkheden spelen een veel grotere rol dan alle vaste formulering, alle vaste manieren van werken.

U bent allemaal eeuwig. Dat klinkt zo buitengewoon mooi. En de meeste mensen knikken ijverig “ja”, wanneer je dat zegt, omdat het zo’n heerlijke geruststelling is, dat je eeuwig bent. Behalve wanneer er een reïncarnatie is, dan wordt die eeuwigheid een beet­je bedenkelijker; maar dat nemen we dan maar op de koop toe. De angst voor de dood moet overwonnen worden en daarom zeggen we: we zijn eeuwig.

Maar eeuwig zijn wil heel wat anders zeggen. D.w.z. dat alles wat je bent altijd zo zal blijven. De dwaasheid, die je een paar weken geleden hebt uitgehaald, is niet voorbij, die blijft bestaan. Daar moet je mee leven; dat kun je nooit meer van je afgooien. En dat ene ding dat je ineens zo buitengewoon goed hebt gedaan, dat is niet teloorgegaan. Dat ogenblik van slagen of van geluk of van be­reiken blijft net zo goed voortbestaan als dat ogenblik van ellende.

De hele kern van je bestaan is dus eigenlijk niet gelegen in wat er gebeurd is en gebeuren gaat en hoe en wanneer. Het gaat erom dat je gaat begrijpen: Ik ben een geheel. En dat geheel is op dit moment aanwezig. Wat ik vandaag ben, dat houdt al mijn falen in en al mijn slagen. Niets gaat werkelijk teloor. Ik zal er altijd een beroep op kunnen doen, als ik dit niet krampachtig doe.

Menigeen, die zich bezighoudt met esoterie en magie, probeert een groot gedeelte van zichzelf uit te schakelen. En dat is dwaas.

Wanneer je bv. een tuin hebt, dan kun je zeggen: “Ik wil het onkruid niet zien.” Of: “Ik wil bepaalde bloemen niet zien.” Maar ze zijn er. Wanneer u kijkt naar uzelf, naar uw wezen, naar uw moge­lijkheden, dan kunt u kiezen waarnaar u kijkt, mits u accepteert dat het andere aanwezig blijft.

U kunt uzelf niet veranderen. U kunt uw aandacht in uzelf richten op punten, die bijzonder aangenaam zijn. En misschien denkt u: dan kun je het onkruid wieden. Ja, maar het schiet toch weer op. Want wat eenmaal onkruid is (dat is nu juist die eeuwigheid), dat gaat niet meer verloren. Wat je hebt gehad in het verleden aan ver­rukking en aan teleurstelling, wat je nu hebt aan aardigheid en aan verdrietelijkheden, dat is blijvend. Dat is een bron, waaruit je kunt putten.

En in de esoterie gaat het dus zo: Ik wil nu geestelijk iets bereiken. Dat kan ik wel doen door mij te beroepen op bepaalde delen uit het verleden, maar ik kan mijzelf nooit afsnijden van wat ik ben. Het blijft aanwezig.

En ik kan ook niet zeggen dat ik de toekomst ga veranderen. Want die toekomst ben ik ook vandaag; met veel meer mogelijkheden dan ik nu waar zal maken, maar ik ben er. Ik ben ook de toekomst.

Ik ben voor mijzelf een heelal. En in dat heelal kan ik alle sterren bezoeken. Ik kan de dorre planeten bezoeken en de vrucht­bare. Ik kan mijzelf in de zon storten om toch weer als een Phoenix te herrijzen. En ik kan blijven drijven in de kilte van de een of an­dere ruimtelijke duisternis. Dat ligt aan mijzelf. Maar ik ben het Al. Ik kan op al die punten zijn. Ik kan elke ster, elke planeet, elk stukje ruimte afzonderlijk bezien, maar ik ben al die dingen gelijk­tijdig.

Ik weet niet, of u me volgen kunt. U bent hier gekomen om een “meester” te horen. En een meester is iemand, die erg gewich­tig is. Ach, gewichtig is eigenlijk niemand, weet u. Zelfs u niet. U bent niet gewichtig en ik ben het ook niet. Het enige wat gewich­tig is, is dat wij begrijpen hoe we een beetje in elkaar zitten, wat we zijn en wat we kunnen.

En wanneer ik u zo’n beeld bouw van de mens als een eigen kosmos, dan doe ik dit niet om u nu een keer te zeggen dat u zo belangrijk bent of zo groot, maar om u duidelijk te maken dat alles, wat er in uw leven aan mogelijkheden bestaat – of u ze waar maakt of niet – voor u een waarde is, die u voortdurend kunt terugvin­den. Een waarde waarop u altijd weer terug kunt vallen. Desnoods, iets wat even onveranderlijk lijkt als een ster aan de hemel.

Wanneer je dat beeld eenmaal in jezelf een beetje gevonden hebt, wordt het met de esoterie ook veel gemakkelijker. Want dan krijg je niet meer het denkbeeld dat je uitwijkt voor een moeilijk­heid. En je denkt niet dat er een bepaald iets noodzakelijkerwijze moet gebeuren. Je hebt alle tijd. En wat je vandaag niet doet en misschien graag gedaan zou hebben, of wat je vandaag ontkomen bent en dat eigenlijk niet prettig vond, dat komt altijd weer terug. Wat je tekortkomt, krijg je er a.h.w. bij, maar wat je teveel hebt, daar­voor moet je ook betalen. Het werkelijk ik is een evenwichtig en af­gerond geheel. En al dwaal je daarin rond, je kunt er nooit werke­lijk iets afnemen of werkelijk iets bijdoen.

En dat is juist met die esoterie de hele kwestie. Je kunt niet méér worden dan je bent, maar je kunt je meer bewust worden van wat je bent. Dat is het enige. Je kunt met de magie niet ver­anderen wat je bent of wat je wereld is, maar je kunt bepaalde aspecten van die wereld veranderen, nu. Terwijl je later dan met de aspecten, die je voorkomen hebt, toch geconfronteerd wordt.

En daar ligt dan de knoop voor menigeen. Dan zegt mens: “Wat heb je er dan aan om goed of kwaad te zijn?” Ach, mijn lieve mensen, je hebt er eigenlijk niets aan. Het enige wat je eraan hebt is, dat je daardoor nu, in deze kosmos die je zelf bent, een weg gaat. Want het enige, wat gevaarlijk is, is rusten voordat je het geheel beseft.

Het is niet belangrijk hoe je jezelf leert kennen en hoe je de eeuwigheid, de kosmos en God en al die mooie woorden leert be­seffen. Het is alleen maar belangrijk, dat je in beweging blijft. Dat je niet voortdurend hetzelfde blijft herhalen. Dat er verandering is.

Verandering is het meest belangrijke. Wanneer je maar steeds voor jezelf veranderen kunt, steeds de wereld weer een beetje anders zien, weer een beetje anders beleven, je eigen streven weer wat an­ders richten; daardoor krijg je nl. dit reizen in jezelf.

Dat gebeurt niet alleen door meditatie- en contemplatieoefe­ningen en al die deftige woorden, door yoga, enz. Ze kunnen er al­lemaal toe bijdragen. Maar waar het om gaat is eigenlijk dat je voortdurend in ontwikkeling blijft. Dat je steeds meer geconfron­teerd wordt met iets dat deel is van deze kosmos, die je zelf bent.

En dan begrijpt u het vanzelf al: Zelfkennis is het resultaat van leven en beleven; niet van veronderstellen. Dat geldt voor de esotericus. Die moet zichzelf leren kennen. Dus moet hij ook leven, hij moet voortdurend andere dingen zien, andere dingen kennen. Hoe meer je je vastbijt in één onderwerp, hoe groter de kans is, dat je verstart, dat je niet verder komt.

Heel veel mensen zeggen dan: “Ja, maar ik ben niets”. Of: “Ik bereik niets.” En dan beginnen ze zich te beklagen over de tekorten, die ze hebben. Maar lieve mensen, vandaag ben je oerlelijk en morgen ben je een schoonheidskoning of ‑koningin. Wat maakt het uit. Het is niet belangrijk hoe je er uitziet, want morgen zie je er toch weer anders uit. Al die andere aspecten en mogelijkheden, die er voor jou bestaan, worden eens waar voor jou. Je zult ze kennen, je zult ze beleven in een geestelijke wereld, in een droom, in wat u de wer­kelijkheid noemt. Dat maakt niets uit. U zult ze allemaal kennen.

Belangrijk is alleen, dat je niet blijft staan op één punt. Dat je niet blijft aarzelen t.a.v. één actie of van één denken of van één bepaalde proeve van magisch kunnen. Misschien kan ik u daar een voorbeeld van geven.

Ik heb een vriend gehad, die buitengewoon goed kon paard­rijden. Maar zodra het ging om een drie- of een vierspan, kon hij de paarden niet baas. Deze man had dus gemakkelijk en zonder ongelukken te paard kunnen reizen. Maar hij wilde in een koets rijden en hij wil­de deze zelf besturen. Daardoor hoeft hij veel meer ongelukken ge­had en veel meer ellende dan nodig was. Maar – wat meer is – hij kwam nooit zover als hij had kunnen gaan, als hij was uitgegaan van zijn eigen begaafdheid en zijn eigen mogelijkheid.

En zo gaat het u allemaal. U hebt een bepaalde kracht, een bepaald inzicht, een bepaalde mogelijkheid. Wanneer u daarmee steeds nieuwe dingen kunt bereiken, beleven, zien, erkennen, ervaren, wan­neer u daaruit op steeds weer nieuwe wijze kracht of mogelijkheid kunt putten, dan is het goed. Maar zodra je merkt: “hiermee kom ik niet verder”, dan moet je gaan overwegen: wat dan? Wat anders.

Ja, misschien vindt u dit allemaal veel te eenvoudig. Maar er zijn zo van die dingen, die een mens haast niet kan begrijpen, wanneer je ze ernstig zegt. Wanneer ik u ga vertellen wat tijd is, och, dan komt u er niet ver mee uit. En wanneer ik u vertel wat ruimte is, dan komt u er ook niet uit. En wanneer ik u vertel wat eigenlijk een ziel is, dan knikt u allemaal gewichtig “ja” en u komt er ook niet uit. Het enige wat u weet is – vreemd genoeg – wat le­ven is. En dat kunt u niet eens omschrijven. U kunt het alleen zijn. U wéét wat het betekent, omdat u in uzelf de tegenstelling voelt van leven en niet-leven.

U weet wat gedwongen daadloosheid is en u weet wat daad is. Want dat hebt u allemaal weleens meegemaakt. Maar u weet ook dat uit de daadloosheid weer een passende, een voor u aanvaardbare daad geboren kan worden.

U weet wat leven is. Alleen, u kunt het voor uzelf niet om­schrijven. En wat ik nu vertel, dat hangt samen met leven. Alle esoterie, alle magie, alle diepzinnigheden, vrienden – dat moogt u rus­tig van mij aannemen – zijn eenvoudig een facet van léven. En leven, dat kunt u, dat moet u zelfs. Daaraan kunt u zich niet onttrekken.

Ga dan uit van het leven. Van dat, wat leven voor u is, met al zijn teleurstellingen, met al zijn tegenstrijdigheden, met zijn ge­luk, met zijn vreugden, met zijn mogelijkheden en verrassingen. Ga daarvan uit. Maak dat tot de basis van uw manier van leven en van denken, tot basis van uw zoeken naar de innerlijke waarheid. En tot basis van uw zoeken naar het uiterlijke effect, de uiterlijke mani­festatie misschien van vermogens of krachten. Want dan gaat u uit van iets, waar u werkelijk iets van afweet.

U hebt bepaalde eigenschappen, die in uw leven altijd een rol spelen. De een heeft altijd pech en de ander loopt het altijd mee, zeggen ze dan. Maar dat pech hebben en dat meelopen, dat blijkt al­tijd met een bepaald iets in verband te staan. U kunt niet zeggen, dat iemand over de hele breedte van zijn bestaan altijd geluk heeft. Maar u kunt wel zeggen dat hij dus op een bepaald punt zoveel succes heeft en zoveel meevallers, die u niet kunt verklaren, dat u denkt dat die mens gelukkig is.

En zo is het met tegenvallers ook. U weet wat leven is en u weet wat uw eigen leven is. Er zijn bepaalde dingen voor u, die misschien langzaam maar zeker eens een keer afgedaan moeten worden. Waarvan u zegt: “Daar wil ik van af.” Hebt u pech op een bepaald terrein? Ga dan van dat terrein uit die gebeurtenissen te lijf. Dan verdwijnen ze. Blijkt het dat u op een ander terrein toch resultaten boekt, dat u meevallers hebt, neem dat terrein en probeer het toe te passen. Dan kunt u een ontwikkeling krijgen; dan kunt u iets be­reiken.

Ga uit van jezelf. Wanneer je zoekt naar hogere waarden en je kunt ze niet vinden, dan moet je je gewoon maar afvragen: wat kan ik goed? Of dat nu boekhouden, rekenen, zingen of wat anders is, neem dat als basis. Dan kun je de hogere geestelijke waarden uit de getallen toveren of je kunt er een melodie van maken. Dan kun je dat hogere uitdrukken en dan kun je het beleven. Anders niet.

En als je met zorgen en verdriet zit, met dingen die je niet aan kunt, kijk dan eens naar de dingen die je nooit gelukken. Vraag je dan eens af: wat zou erachter zitten? Er is altijd wel een uit­leg te vinden, zodat je zegt: Dat hoort bij elkaar. Dat is altijd op dat terrein. Of: Het is altijd in dit verband, dat het tegenzit. En als het je nou niet bevalt, pas dat terrein toe op wat je tegen­zit. Dan dwing je het daardoor om te verdwijnen.

Want het eigenaardige is, dat alles wat u geluk en ongeluk noemt in het leven, slagen en falen, dat is eigenlijk niet afhanke­lijk van de ander, dat is afhankelijk van uzelf, U draagt uw eigen onzekerheden over aan de wereld en daardoor krijgt u mislukkingen. U gebruikt uw eigen zekerheden in de wereld en daardoor krijgt u suc­ces, waar u het eigenlijk niet verdient. U kunt dus voor uzelf in het leven al heel veel bepalen. En voor uw innerlijk gaat dat precies zo.

En nu wil ik geen schoolmeester spelen en met een stel re­geltjes komen. Maar het is toch eigenlijk heel eenvoudig. Onthoudt u dat maar van mij. En het is voor de meesten toch wel bruikbaar.

Alles wat faalt, wat mij wanhopig maakt, dat staat in rela­tie met andere dingen, die ik mij herinner. Waarom??? Als ik dat weet, dan kan ik die toestand meester worden door dat waarom te gebruiken tegen al die tegenslagen of tegen die toestand.

En wanneer ik bepaalde dingen heb, die ik toch wel prettig vind en die eigenlijk toch nooit komen, dan moet ik mij eens afvragen hoe het kwam dat het vroeger wel gebeurde. Hoe was ik zelf, toen die dingen gebeurden? Hoe was mijn denken? Hoe was mijn houding tegen­over het leven op dat ogenblik? Dan hervindt u de houding, waardoor u in het leven de zaak kunt sturen. En dat is nu de hele magie van het bestaan. Vandaar ga je uit.

Denk nu niet dat u er iets bij wint of dat u iets verliest. Neen. Maar u kunt het nu zó leven, dat u het leven aan kunt, dat het een voortdurende actie, een vooruitgang blijft. En tegen de tijd dat dan dat andere komt, hebt u het bewustzijn om de zaak te verwerken. Dat is alles.

En nu hebt u misschien ontdekt, dat u dus eigenlijk allemaal magiërs bent. En dat het hier één grote verzameling is van esoterici. Ach, het zijn vreemde woorden. Het zijn dingen die je gebruikt bij ge­brek aan beter. Dat moet u ook maar eens onthouden. Hoe ingewikkel­der je de dingen zegt, hoe minder je weet wat je zeggen wilt. Hoe complexer je de zaak voorstelt, hoe minder je zelf een voorstelling hebt van hetgeen je zeggen wilt. Dat geldt ook voor u. Niet alleen: vereenvoudig de zaak. Maar vooral: probeer de zaak duidelijk te maken voor jezelf.

Leef zelf. Ga uit van uw leven. Baseer uw leven op wat u reeds weet omtrent slagen en falen, geluk en ongeluk. U bent altijd de beslissende factor.

Er is buiten u een noodlot, natuurlijk. En het is de schuld van de wereld dat het zo gaat en niet alleen van u. En die ander, die heeft de fout en u niet. Dat weet ik wel. Maar als u eerlijk bent, dan zult u zien: mijn houding speelt ergens een rol. Hetzij door mijn eisen, hetzij door mijn verlangen, hetzij door mijn afkeer of mijn voorkeur. U kunt leren om uw eigen leven baas te zijn.

En dan komt vanzelf de geest in het geding. Dat moet wel, want ik ben zelf ook een geest. Het is zelfs zo dat ik de laat­ste tijd meer als geest dan in enige andere vorm contact heb met alles wat er gebeurt.

Kijk eens, de geest is iets dat optreedt binnen dat heelal, dat je zelf bent. U kunt met geen geest contact hebben, of hij moet ergens mee behoren tot uw universum, tot uw wereldje. Wanneer u met bepaalde geesten en problemen van geesten harmonisch bent, dan houdt dat dus ook in (en dat moogt u niet zo gemakkelijk terzijde schuiven) dat u zelf in die toestand verkeert.

Om u een voorbeeld te geven: Naarmate u beter geesten kunt helpen om vanuit het duister naar het licht te komen, zult u zelf grotere moeite hebben – innerlijk – om u aan het duister te ontwor­stelen. Dat hangt samen. En wanneer u een geest krijgt, die buiten­gewoon mooi allerhand dingen inspireert, dan doet hij dat, omdat in u de wens is om dit te doen en de mogelijkheid. Maar gelijktijdig is er ook iets, wat daartegenover staat. Want er is altijd een balans, een evenwicht.

Wanneer u contact zoekt met de geest en de wereld van de geest, dan moet u begrijpen dat u daar zelf ook bepalend en beslis­send bent. Het werk dat u doet met de geest, datgene wat de geest voor u kan zijn, de manier waarop ze u kan helpen, is afhankelijk van dit evenwicht dat in uzelf bepaald wordt. Een kwestie van harmonie.

En als u dus behoefte hebt aan geestelijke meesters of zo, dan moet u heel goed begrijpen dat de geestelijke meester die u past, in feite iemand is, die uitdrukking geeft aan deze balans, aan dit weegschaal-effect dat in uzelf bestaat.

Niet alleen dat u probeert de zaak aan te vullen; helemaal niet. Maar u probeert uzelf te uiten. En door deze poging uzelf te uiten, zoekt u ook een geest die in deze streving tot uiting kan meewerken. Dan krijgt u contact met de werelden en de sferen, die juist hierop moeten reageren. Alweer – ook wanneer het gaat om contact met de geest – bent uzelf het middelpunt.

En wanneer u dan meent dat een dierbare overgegane zich toch eigenlijk zou moeten manifesteren en hij doet het niet, dan komt dat niet door die overgegane, dan ligt het aan u. Dan is er in u iets niet zuiver. Dan is uw beeld (wat u zich dan voor­stelt over die overgegane) niet datgene, wat u werkelijk denkt en werkelijk zoekt met die overgegane.

En wanneer u meent dat u verlaten wordt door grote gees­telijke krachten die u altijd geleid hebben, onthoud dan maar dat u eerst zelf die geestelijke krachten hebt verlaten.

U bent het middelpunt. Uit uw kleine Al, uit uw wereld, wordt alles geboren, wat u met andere sferen, met andere krachten aan mogelijkheden, aan contacten zult vinden. En wat u verstaat van hetgeen ik nu zeg op dit ogenblik, ligt ook aan u. Dat ligt niet alleen aan mij. Het is de inhoud van uw wezen, die interpre­teert wat ik zeg.

U bent een heelal. Niets is vergeefs. Niets is tijdelijk. Alles is ergens eeuwig voor u. Niets kunt u werkelijk ontgaan. Maar u kunt wel de weg kiezen, waardoor u alles, wat nu ontgaan wordt, later beter kunt verwerken.

U kunt niet ineens deze hele kosmos kennen, waarvan u het bezielende element bent. Maar u kunt wel in die kosmos krachten leren kennen, die u in harmonie brengen met iets, wat werkelijk­heid is, ver buiten uw eigen wezen misschien. En dan is de weer­kaatsing daarvan in uw wezen de uitdrukking van uw mogelijkheid, van uw wereldje, van uw kosmos.

U bent niet machteloos of hulpeloos. Maar u zult zelf en vanuit uzelf moeten werken en streven. Niemand kan voor u een weg gaan. Niemand kan voor u iets leren. Niemand kan voor u een schuld boeten. Dat kunt u alleen zelf. De manier waarop kunt u zelf be­palen.

Er is haast geen enkel wezen dat zoveel mogelijkheden heeft als wij, mens en geest van deze ontwikkelingsgolf, van deze bepaalde vorm van goddelijke manifestatie. Laten we dan proberen om dat waard te zijn.

Onthoudt u nu één ding. Ik heb alle vormen en zelfs alle kleuren op den duur verloren. Ik behoor werkelijk tot een wereld, die in uw ogen hoog is. Maar daarom ben ik nog niet veranderd. Ik ben mij alleen anders bewust van mijzelf. En wat ik u gezegd heb, geldt niet alleen maar voor u. Dat geldt voor elke mens en voor elke geest. Het is een grondwaarheid, die je nodig hebt om te kun­nen leven en streven. Je kunt alleen vanuit jezelf voor jezelf met jezelf werken en handelen.

Alles wat de wereld en de kosmos en God en de duivel voor je kan zijn, bepaal je zelf. Wat leed is en wat vreugde is, bepaal je eigenlijk zelf. En waar je faalt en waar je slaagt, maak je ook zelf uit. Je bent zelf verantwoordelijk, je bent aansprakelijk en je bent zelf oorzakelijk.

Dat is het begin. En ik hoop dat ik hiermede het lint op de juiste wijze heb doorgeknipt. Dat er nu een brug openligt tussen u en ons van begrip. Tussen ons wereldje van geest – wat onpraktisch vanuit menselijk standpunt – en u mensen, die allemaal zo ontzettend praktisch bent en toch geestelijk dat evenwicht niet kunt vinden.

Later krijgt u ongetwijfeld heel wat hoogdravender woorden dan ik heb gesproken. En u zult contact maken met geesten van gelijke sfeer als ik beleef, maar met een veel feller, een veel krachtiger en veel definitiever uiterlijk. En misschien zult u ze beter vinden. Dat is uw zaak. Maar aan deze waarheid, die ik u vandaag verteld heb, kunnen ze niets af of toe doen. En wanneer u met die andere krachten en die andere trillingen, die uitstraling en die beïnvloe­ding iets wilt doen, dan ligt het aan uzelf.

Eigenlijk gemeen hè, om nu de hele avond voor zover ik daaraan deel heb te besteden om u te vertellen, dat het aan uzelf ligt. U had waarschijnlijk zo graag gehoord, dat een ander het wel even zou opknappen. Maar ik heb waarheid gebracht. Een waarheid, die voor mij nog steeds waar is en die voor u – wanneer u eerlijk bent – eveneens een waarheid is in uw bestaan.

En daarom hoop ik dat het een bijdrage zal mogen zijn voor u allemaal tot een juist esoterisch streven. Een streven dat voort­komt uit de beweging, dat voortkomt uit een voortdurende ontwikke­ling en niet uit het je doodstaren op een enkel punt.

Ik hoop dat het zal bijdragen tot vergroting van uw magisch kunnen. Want magisch kunnen is eenvoudig gebruik maken van de moge­lijkheid en de kracht, die je op een moment bezit voor een doel dat bereikbaar is. En ik hoop dat u zelfs daaruit een beetje energie, levensvreugde en kracht zult putten. Want energie, levensvreugde en kracht zijn voor een groot deel de dingen, die je zelf wekt in jezelf door de wijze, waarop je het leven benadert.

Dit is nu alles. Geen zegen, geen plechtige spreuk, geen mantram. Maar het is wel – hoop ik – voor u toch voldoende. Ik hoop dat u uw eigen wereldje leert kennen. Dat u de weg leert vinden in uw eigen heelal. En dat u daardoor de harmonie vindt met die eeuwi­ge waarheden, waarvan ons heelal alleen maar een klein deeltje is. Het ga u goed.