De mens onder invloed

uit de cursus ‘Algemene zelfvorming’ (hoofdstuk 1) – oktober 1959

Inleiding: Algemene zelfvorming

In ons bestaan, onverschillig in welke wereld, doen zich steeds weer vragen voor, die berusten op kosmische wetten en in direct verband staan met een goddelijke Werkelijkheid. Indien wij niet in staat zijn deze goddelijke Werkelijkheid te bevatten, maken wij fouten. Elke fout betekent een noodzaak tot herstel, omdat wij een evenwichtig bestaan moeten voeren te midden van de Godheid. Het resultaat is dat van uit het standpunt geluk, kracht, vreugde, wetenschap, het noodzakelijk is in zo groot mogelijke harmonie te leven met al wat ons omringt. Deze harmonie kan niet worden uitgedrukt in menselijke waarden. Vaak zullen daden op zichzelf disharmonisch lijken in een wereld, terwijl zij in de goddelijke Werkelijkheid juist de harmonie uitdrukken. Wij kunnen dus ook niet afgaan op de enkele gegevens van onze wereld en wij moeten die harmonie bereiken.

Er zijn vanaf het begin der tijden pogingen gedaan door de mens om deze harmonie te vinden. Wij vinden de systemen van yoga, vanaf het vaak gevaarlijke hatha-yoga tot het raja-yoga toe; wij zien de wijsgerige systemen, waarvan in Azië bv. de Chinese filosofen Lao Tze, Kong Fu Tze e.d, de vertegenwoordigers zijn; en degenen, die als denkers naar voren komen in de Griekse beschaving als de wetenschappelijk denkende Aristoteles, maar ook anderen als de staatslieden Cato, Zeno, Socrates en anderen. Hun denksystemen worden later aangevuld door sommige kerkvaders Augustinus om er een te noemen, maar al deze systemen zijn eenzijdig. Zij hebben de grote fout dat ze niet passen in uw tijd, in uw begrip en uw ontwikkelingsmogelijkheid. Wij zullen noodzakelijkerwijze een filosofie moeten opbouwen, die een praktische aanpassing aan de kosmische harmonie mogelijk maakt. Daarnaast hebt u zolang u in de stof leeft te maken met de cyclische verschijnselen van de stof. Voor ons echter zijn zij alleen als persoonlijke verschijnselen belangrijk en wij kunnen constateren dat voor elke mens perioden bestaan van grote kracht en grote zwakte, van grote onrust en grote vrede, van buitengewone scherpzinnigheid en het tegendeel, een stompzinnigheid die je later doet zeggen: “Ik kan mij wel voor mijn hoofd slaan dat ik zo dom ben geweest.” En deze dingen komen regelmatig terug. Het is dus voor ons niet alleen belangrijk een filosofie op te bouwen, maar tevens om te weten op welke ogenblikken wij met deze filosofie gunstig kunnen werken.

Daarnaast is de stoffelijke wereld een brandpunt van vele geestelijke invloeden. Elke geestelijke kracht en invloed, die op uw wereld werkt, kan uw evenwicht, uw visie op de werkelijkheid verstoren. Zij kan ook uw innerlijke harmonie en kracht aanmerkelijk vergroten. Zo zal het voor u noodzakelijk zijn te leren hoe u zich tegen de geestelijke krachten, die voor u disharmonisch zijn, kunt wapenen; en tevens hoe u gebruik kunt maken van de voor u harmonische geestelijke impulsen die u bereiken. Wij willen deze reeks van lezingen zeker niet alleen richten tot hen, die sensitief of zelfs paranormaal begaafd zijn. Dit alles moet een reeks van lezingen blijven voor gewone mensen, met de doodgewone mogelijkheden die elke mens in feite bezit. Wij hopen dan ook in de loop van de komende lessen dit alles zo duidelijk aan u voor te leggen dat u in staat zult zijn zelf deze dingen in praktijk te brengen en zo de voor u noodzakelijke ervaring op te doen, die u harmonisch in God kan doen leven.

De mens onder een invloed

Een onvolledige titel, want de invloed waarover ik spreek kan velerlei zijn. Hoofdzakelijk wordt hij geboren uit de eigen psychologische factoren van de mens, de psychische invloeden, die de mensheid zelf creëert en de geestelijke beïnvloedingen daarbuiten. Allereerst zullen wij trachten aan te tonen, dat een mens in vele gevallen handelt tegen de rede, dat hij handelt tegen zijn eigen beter weten in en dat hij hierbij voortdurend voor zichzelf onrust en disharmonie veroorzaakt.

Op het ogenblik dat een mens getroffen wordt door wat wij noemen een hartstocht – onverschillig of deze woede, trots, stoffelijke vormen van genegenheid of iets anders behelst – blijkt hij monomaan te worden. Hij heeft wel degelijk een inzicht in wat voor hem wenselijk is, maar hij beheerst dit niet. Hij handelt dan ook onder de invloed van deze impuls tegen elke regel in en tracht toch zichzelf steeds weer te overtuigen dat zijn gedrag aanvaardbaar en normaal is. Datzelfde verschijnsel zien wij voorkomen bij mensen, die in een roes verkeren van hasjiesj, marihuana, alcohol of zelfs die lijden onder een overdaad van cafeïne of nicotine. Ook veroorzaakt het vergif een opstand in het lichaam, met als gevolg irreële reacties op mentaal terrein. Voorbeelden hiervan zijn te over te vinden. Wanneer u rond u kijkt, zult u zien hoe de mens tegen zijn beter weten in vaak hetgeen hem het liefst is vernietigt; hoe hij ongeacht zijn beheersing en zijn weten in normale ogenblikken handelt als een dwaas en het later berouwt.

Het is duidelijk dat dergelijke verstorende factoren niet geëlimineerd kunnen worden voor zover zij uit een zuiver stoffelijke bron ontstaan. Maar op het ogenblik dat wij te maken krijgen met geestelijke invloeden, is het mogelijk deze invloed voor onszelf aanmerkelijk te beperken, dan wel aanmerkelijk te vergroten. Daarom wil ik allereerst voorop stellen: een roes is niet altijd te vermijden. Zolang men in de stof leeft, zal de roes een deel uitmaken van het leven. Het lichaam vergt in vele gevallen een roes om in staat te zijn normaal te functioneren. Deze roes is meestal op de primaire levenswaarden gebaseerd, bevat heel vaak seksuele elementen, maar kan daarnaast ook uit geheel andere drijfveren zijn opgebouwd. Een niet te vermijden roes moet dus gericht worden. Wanneer wij een kracht niet kunnen tegenhouden, dan moeten wij haar zo leiden, dat zij zo weinig mogelijk schade aanricht. Dit kan alleen wanneer wij niet handelen tegen onszelf, tegen ons weten.

Wij hebben over het algemeen een zeer bekrompen weten, waar onze denkwijzen zijn gevormd door vele voorschriften, die niet in feite behoren tot ons wezen of tot onze wereld, maar die gebaseerd zijn op uitleggingen van openbaringen, uitleggingen van hetgeen men vroeger eens gezegd heeft, uitleggingen kort en goed die passen in een maatschappelijk verband, maar die de waarden van de mens zelf daarbij geweld aandoen of zelfs buiten beschouwing laten. De eerste methode die wij dus moeten aanwenden voor een praktisch resultaat is: beseffen waar redelijke en waar onredelijke waarden zijn gelegen in ons leven. De filosofische achtergrond daarvan is de volgende:

Op gevaar af iets te stellen wat u allen reeds uit den treure hebt gehoord. Alle dingen zijn in God, alle dingen zijn uit God. In God bestaat geen kwaad. Er kan dus in de wereld geen werkelijk kwaad be­staan. Wanneer wij streven naar bewustwording, dan zullen wij streven naar een bepaald doel. Het is de gerichtheid van ons wezen op dit doel, dat voor ons de verschillen goed en kwaad tot stand brengt.

U gelieve dit goed te onthouden. Het oordeel goed en kwaad staat in directe relatie met het levensdoel, niet met allerhande andere factoren. Wanneer ik nu in het leven mij wil ontdoen van vele storende elementen, zal ik in de eerste plaats mij een doel moeten stellen. De doosneemens doet dit echter vaag. Hij zegt: “Ik wil opgaan tot God. ”Hij zegt: “Ik wil bewust worden. Ik wil ingaan in het Koninkrijk der Hemelen.” Hoe fraai deze woorden ook klinken, ze hebben een te algemene inhoud om als levensdoel te kunnen dienen. Het is beter uw doel dus eenvoudiger te stellen. Ga zelfs niet zover dat u zegt: “Ik wil alle mensen vrede geven, alle mensen gelukkig maken, alle mensen genezen.” Ook dit doel is nog te algemeen. Vraag uzelf af: Wat kan ik zelf doen, wat wil ik bereiken met dat deel van het leven dat mij thans nog rest? Definieer dit zo nauwkeurig en zo uitgewerkt mogelijk. Ook al zult u dat doel vaak variëren, bepaalde bestanddelen daarvan blijven u gedurende alle dagen van uw leven bij. Het zal dan op deze bestanddelen van uw beeld zijn, dat uw gehele leven gericht is. Hebt u dat doel gevonden, dan komt het volgende punt:

Realiseer u dat alles wat buiten dit levensdoel ligt voor u van weinig of van geen belang is. Het heeft geen zin, u te binden in duizend en één richtingen, terwijl u daardoor juist niet in staat bent u te concentreren op datgene wat voor u belangrijk is. Hoe groter wij trachten in de wereld of in de sfeer ons arbeidsterrein te kiezen, hoe beperkter het in feite wordt. Wij verschuiven nl. onze bewustwording van een verticale (dus van één die gaat in de richting van het Goddelijke en t.o.v. het onder ons liggende een overzicht geeft) naar een horizontale, die ons een zeer beperkt uitzicht in onze eigen wereld geeft, met een groter begrip over hetgeen er thans rond ons gebeurt, maar gelijktijdig een zeer beperkt vermogen tot klimmen, zodat het overzicht dat aan het einde van een dergelijk bestaan of een dergelijke fase gewonnen kan worden, praktisch nihil is. Wij kunnen dit natuurlijk niet begeren. Indien wij verder willen gaan, zullen wij ons levensdoel moeten nastreven met uitsluiting van andere doeleinden.

Het is ons echter onmogelijk een levensdoel na te streven, dat identiek is met een deel van de goddelijke Kracht en dus ook in harmonie met het Al, wanneer wij gelijktijdig andere delen van, het Al beledigen, pijnigen, kortom onjuist handelen. Bij het nastreven van ons doel zullen wij dus trachten zo weinig mogelijk anderen te kwetsen, zo weinig mogelijk anderen nadeel te bezorgen. In de termen van onze groep: Wij moeten verdraagzaam zijn in alle dingen buiten dat ene het doel waarnaar wij streven en dat wij in onszelf trachten te verwerkelijken. Ook dit is nog te algemeen om direct in praktijk te worden gebracht, maar het geeft u een inzicht in de denkwijze die noodzakelijk is. Over de meer praktische toepassingen komen wij later te spreken.

Gezien het voorgaande stel ik nu verder: Alle beperkingen van een sfeer of van een maatschappij zijn er voor ons alleen, zolang zij ons helpen ons doel te verwerkelijken. Indien zij harmonisch zijn en dus in ons geen storing betekenen, zullen wij ze accepteren, ook wanneer zij niets met ons doel te maken hebben. Zij betekenen dan een versterking van ons werken met de buitenwereld. Zijn zij strijdig met ons wezen, dan zullen wij ze eenvoudig terzijde stellen, zelfs indien dit een ontijdig vertrek uit een bepaalde sfeer of wereld zou kunnen impliceren. Ook hiervan zijn gro­te voorbeelden aan te halen o.a. de dood van Jezus Christus.

Nu wat betreft de door ons niet te reguleren driften, de door ons niet te beperken roes. Mens-zijn betekent behoefte hebben aan een roes:

Je kunt die roes zoeken in het geestelijke. Wij krijgen dan de dromers, die de stoffelijke elementen, die zij niet aandurven, omzetten in abstracte waarden en trachten zich te onttrekken aan het leven in de wereld. Wij kunnen te maken krijgen met mensen, die met een ijzeren zelfbedwang de uiterlijke vorm van de roes onderdrukken, doch innerlijk verteerd worden door een groot aantal beelden, waarvan zij geen meester zijn. Al deze dingen zijn dwaas. Zij hebben geen zin. Wanneer de roes noodzakelijk is, moeten wij haar dienstig maken aan ons doel. Op gevaar af dat ik u choqueer, wil ik hier een klein stukje uit de levens der heiligen citeren als voorbeeld.

Een vrouw, die behoorde tot een nonnengemeenschap, kreeg de opdracht zo snel mogelijk naar een ander klooster te gaan. Dit was van levensbelang. De veerman weigerde haar over te zetten, totdat zij met haar lichaam betaalde. Dit was volkomen in strijd met de levensopvattingen van haar gemeenschap. Maar waar zij alleen zo haar doel (het feitelijk dienen van die gemeenschap) kon verwerkelijken, was het toelaatbaar.

Een ander voorbeeld, deze maal gegrepen uit de geschiedenis der ingewijden, zoals die verteld wordt in het zuidelijk deel van Azië. Een yogi had in meditaties van vele jaren de wereld bijna vergeten. Hij voelde dat hij vreemd was geworden aan al wat stof was, maar in hem was een knagende honger. Hij ging toen terug naar de stad en diende een jaar lang in een der laagste taveernen (met bijbehorende vermakelijkheden) als bediende. Hij leefde volgens menselijk inzicht misschien slecht. Maar in dit leven had hij een doel. In de eerste plaats die vreemde onbevredigdheid, die vaagheid, uit zijn eigen leven wegbannen; in de tweede plaats door zijn ervaringen een beter inzicht krijgen in de werkelijkheid van een wereld, waarin hij toch ten slotte zijn harmonie moest vinden. Men zegt dat hij na dat jaar terugkeerde en zeer kort daarna een Boeddha werd, dus zich kon onttrekken aan de totale wereldse krachten en zonder begeerte was.

Deze voorbeelden zijn voor u misschien niet in de praktijk te gebruiken. Maar als u zich herinnert wat er een vorige maal werd gezegd, dan zult u begrijpen dat het soms verstandig is je woede om te zetten in arbeid, je trots in doorzettingsvermogen, je hartstocht misschien in offerbereidheid. En dit is mogelijk. Ook wanneer wij menen geestelijk ver te moeten gaan, wordt dit vaak een roes. Indien wij ons verwijderen van de praktijk van de wereld door al te geestelijke stellingen, kan dit een zodanige grondeigenschap van ons wezen zijn, dat wij daaraan niet ontkomen. Willen wij hiervan gebruik maken, zo zullen wij bij dienst aan de mensheid uit dit geestelijk principe puttend, de kracht gewinnen om meer voor onze medemensen te betekenen, dan ons anders mogelijk was en zo via deze weg de stoffelijke ervaring kunnen vergaren, die voor ons noodzakelijk is om ons werkelijke doel te vinden en na te streven.

Hier hebben wij alleen maar een begin aangesneden van de praktijk der bewustwording. Per slot van rekening zijn er andere krachten dan zuiver menselijke, die een rol spelen in ons bestaan. Bijna iedere mens heeft wat men noemt een geleidegeest. In katholieke termen heet dat een engelbewaarder. In andere gevallen noemt men het engelen Gods of indien men ze vreest demonen. Geesten zijn er te allen tijde rond u en zij zijn afgesteld op uw wezen. Tussen een mens en zijn geestelijke geleiders bestaat altijd een balans van intentie, een balans van streven. Wanneer u in feite diep in uzelf verborgen kwaad wilt, dan zult u de krachten aantrekken die eveneens een verwerkelijking van dit kwaad nastreven. Indien u ondanks alles goed wilt, dan zult u rond u krachten vinden die u juist in dit goede steunen en u helpen het tot werkelijkheid te maken. Maar deze krachten zijn niet altijd even sterk. Wij kunnen er niet op rekenen dat een of andere geestelijke meester of begeleider of engelbewaarder te allen tijde kan en zal ingrijpen. Wij moeten voor onszelf leven. Wij kunnen ten hoogste van uit ons wezen, door zo eerlijk mogelijk tegenover onszelf te zijn en voortdurend onze intenties ons te realiseren voor wat zij zijn, zorgen dat wij de steun krijgen die wij nodig hebben om onze wil te verwerkelijken. Indien wij bemerken dat onze intenties volgens concept van goed niet aanvaardbaar zijn, dan kunnen wij door onze intentie, al is het maar een klein beetje, te veranderen, daaruit weer de kracht putten om het goede aan te trekken.

Er is een voortdurende samenwerking tussen mens en geest. En naast deze persoonlijke geestelijke banden bestaan er meer algemene. U behoort bv. tot de Orde der Verdraagzamen of in ruimere zin tot de spiritualisten of misschien in nog ruimere zin tot de occultisten. Dat wil zeggen dat u zich beweegt in een gedachte milieu en dus een uitstraling van gedachten rond u hebt die alle geesten en krachten daarmee in verband staande aantrekt. Er zijn geesten bij die niet uw persoonlijk heil of onheil zich als doel stellen. Zij trachten de wereld te manipuleren om hun eigen wensen en hun eigen voorstellingen van goed of aanvaardbaar te realiseren. Op het ogenblik dat uw denken wetenschappelijk of anders in harmonie is met zo een grote geest, wordt u tot instrument van deze geest. Dat wil zeggen dat u voortdurend impulsen van die geest ontvangen zult, die u drijven in een richting, die uzelf misschien niet zoekt. Indien u uw eigen doel uit het oog verliest, zult u op de duur een willoos instrument zijn, geen levenservaring opdoen en geen werkelijk praktische bewustwording vinden. Onze levensbeschouwing mag dus nooit gebaseerd zijn op het vooral vervullen van de wil van de geest. Er moet een samenwerking zijn tussen geest en stof, ongetwijfeld. Maar de mens moet in staat zijn zijn eigen doel na te streven, desnoods ondanks de geest.

Kijk, daar komen wij weer bij onze filosofie terecht. Elke mens heeft een leven. Je kunt niet verscheidene levens tegelijk, niet vele bestaansvormen tegelijk hebben. Je kunt niet meer dan een levensdoel werkelijk goed dienen. Dit is jouw leven. Daar heeft niemand iets mee te maken. Het is jouw bestaan. Hoe je dit wilt doormaken is je eigen keuze. Wat de gevolgen daarvan voor jou zijn, is ook het resultaat van je eigen keuze. Laat dus nooit een ander ingrijpen. Wij zijn verantwoordelijk. Als een ander een dwaasheid uithaalt door ons te beïnvloeden, dan zijn wij het in de eerste plaats die voor die dwaasheid zullen boeten. Wij zijn verantwoordelijk, niet de geest en niet God. Want er is in God geen goed en kwaad. Maar elke handeling, die gericht is tegen ons eigen werkelijk innerlijk doel, die gericht is tegen ons eigen besef en leven, betekent voor ons kwaad, dus lijden; een afwijking van de door ons aanvaarde normen en zo het ervaren van delen van het Goddelijke, waar wij niet rijp voor zijn. Er is geen feitelijke hel, er is geen feitelijke ondergang. Wat er wel bestaat is een zodanige afwijking van de goddelijke Harmonie in jezelf, dat grote delen van het in zich harmonisch goddelijk Wezen, voor jou een haast vernietigende disharmonie betekenen. Maar alleen voor jou.

Ik geloof dat met deze gedachtegang veel u duidelijker wordt. De praktijk echter vergt dat wij niet alleen de theorieën kennen, maar dat wij leren bepaalde methoden te gebruiken. Die methoden lijken misschien in het oog van de z.g. rechtlijnig denkende mens veel op trucjes. Maar vergeet een ding niet, in de school hebt u ook geleerd met ezelsbruggetjes. U wordt nog voortdurend door associaties beïnvloed. Daar berust de reclame, maar ook de godsdienst op. Daar berust de politiek, daar berust zelfs uw idee op van geluk, van schoonheid en wat dies meer zij. Het is ons goed recht elke methode, die niet een ander schaadt, te gebruiken om ons eigen doel te verwerkelijken en onze eigen harmonie groter te maken. Wij hebben niet het recht anderen te beïnvloeden. Wij kunnen slechts trachten anderen te helpen om hun eigen doel te vinden en hun eigen weg te gaan. Maar voor onszelf zijn wij volkomen gerechtigd om elk middel te gebruiken. Wij mogen dan alles, behalve bedrog,

in de wereld plaatsen. Alleen bedrog is niet aanvaardbaar, omdat het in zichzelf een verloochening van eigen innerlijke waarheid inhoudt.

In deze eerste les wil ik dan graag een paar kleine en eenvoudige regels geven en u misschien ook een paar psychologische trucjes leren. Als regel geldt: Treur nooit over gisteren, maar leef vandaag zo intens als je kunt volgens de ervaring van het gehele verleden.

De tweede is: Denk aan heden en niet aan morgen. Slechts door nu zo intens mogelijk te streven naar wat nu noodzakelijk en begeerlijk is, zult u nu harmonie vinden. Want slechts in de harmonie die u nu schept, kunt u morgen een bron van kracht bezitten.

De derde regel is misschien nog eenvoudiger: Leef altijd zo, dat je alle dingen in het zonlicht durft stellen. Schaam je niet over wat je bent, noch over je lichaam, noch over je geestelijke capaciteiten of je opleiding. Slechts indien je je zou schamen, omdat iets volgens jou niet passend is, niet deugdelijk is, laat het dan zo zijn. Dit is een heel eenvoudig criterium, dat u helpen zal bij de oplossing van menig probleem. Vraag u af: Zou ik dit ergens in de vrije lucht, in het licht van de zon durven doen? En dan spreekt u er verder niet over of anderen dat kunnen zien. Daar denkt u niet aan. Het is alleen de vraag: Als ik nu ergens in een bos zou zijn, bv. op een open plek met het zonlicht en alles erbij, zou ik dit durven, zou ik dit willen, zou dit dan voor mij aanvaardbaar zijn? En wanneer u met problemen zit, die misschien niet in stoffelijke termen, maar alleen in mentale termen kunnen worden uitgedrukt, dan wijzigt u het iets. Dan vraagt u zich af: Zou ik zo durven handelen, denken en spreken, indien men mijn intenties kon zien? En dan ook alleen weer degene met wie u te maken hebt. De rest van de wereld heeft er niet mee van doen.

Men drukt dit in de esoterie wel eens uit als “God ziet u.”God ziet ons niet, God leeft ons. Hij weet veel meer over ons dan wijzelf. Juist omdat Hij zo intens één is met ons, zal Hij heel wat meer begrijpen dan de wereld of wijzelf. Tegenover God behoeven wij ons niet te schamen, want God zelf werkt mee in alle dingen die wij doen. Het gaat niet om God, het gaat om onszelf. Wij moeten harmonie vinden met God, moeten ons God realiseren, nietwaar?

En dan bestaan er een paar kleine trucjes, die een buitengewoon grote hulp kunnen zijn. Wanneer je zit met iets wat je bezwaart, een probleem dat je hebt, een verlangen, een vrees, spreek het uit tegenover een ander van wie je meent dat je hem vertrouwen kunt.

Het is op zichzelf niet belangrijk, maar voor u is het noodzakelijk dat u een zeker vertrouwen hebt, anders kunt u zich meestal niet uitspre­ken. Alleen daarom dus die laatste toevoeging. Spreek de dingen uit. Omkleed ze niet met schone woorden. Zeg ze rechtuit, zo rauw als het maar kan desnoods. Op deze wijze zult u zich beter realiseren wat er zich in u afspeelt. U zult beter beseffen wat mogelijk is. U zult ook beter kunnen beseffen wat u werkelijk wil. Door de dingen naar buiten te brengen, onverschillig of het nu angst is of begeerte, vreugde of wat anders, zul je het jezelf mogelijk maken te begrijpen wat het bete­kent. Zolang het in je besloten blijft, heb je geen werkelijk inzicht, geen werkelijk overzicht. Daardoor komen misvattingen en vaak ook handelingen die disharmonisch zijn. Let we1, ik vraag van u geen biechtstoel methode, ik vraag ook niet van u een openbare bekentenis. Beide kunnen nuttig zijn, maar ik wijs u alleen op dat ene hulpmiddel: het uit­spreken van wat je werkelijk denkt.

Ik kan mij voorstellen dat een vrouw op een gegeven moment haar echtgenoot haat. Dat duurt niet lang, maar het is er. Wanneer dit uitgesproken wordt, al is het maar tegen een derde, die het misschien niet eens begrijpt, dan is dat voorbij; dan ziet men in dat dit maar een vlaag is, een ogenblik is. Maar als het van binnen blijft opgespaard, dan komt moment na moment erbij. En dan zal daardoor een uitbarsting tot stand komen, die een werkelijke verwijdering tussen man en vrouw en het begin van een werkelijke haat kan betekenen. Daar hebt u bv. zoiets. U hebt een begeerte, die u obsedeert. U wilt een bepaalde ring of een bepaald fototoestel of onverschillig wat hebben. Dat komt zo vaak voor. Wanneer u daar voortdurend alleen van droomt, dan blijft het u obsederen, blijft het uw handelingen beïnvloeden. Maar het maakt u tevens instabiel. U bent niet gelijkmoedig meer, want elk ogenblik komt dat weer opzetten als een golf en wij krijgen een niet te richten roes of begeerte. Wij krijgen irrationele handelingen. Dan ga je op een gegeven ogenblik met het geld, waarvan je eigenlijk eten moet kopen, die ring kopen of dat fototoestel of wat anders. En dan is het leed niet te overzien, nietwaar? Ik neem nu een eenvoudig stoffelijk voorbeeld. Wanneer je het uitspreekt, begrijp je beter wat het is. Je kunt een echo vinden voor je verlangen. Je kunt je realiseren wat er nu eigenlijk wel en wat er niet mogelijk is. En juist daardoor ben je over het algemeen bevrijd van het dwingende en zul je dus de juiste richting kunnen inslaan.

Er zijn natuurlijk bepaalde psychologische factoren, die het soms noodzakelijk schijnen te maken, dat men doordringt in uw verre verleden om de oorzaak te vinden van zekere angsten, lichamelijke afwijkingen enz.. Dat is maar beperkt waar. Er bestaat nl. een andere methode en dat is: jezelf zo duidelijk mogelijk uitdrukken, maar ook proberen voor jezelf bevredigend en voor degene tot wie je spreekt bevredigend te rationaliseren. Dus niet alleen zeggen: “Ik ben bang” of “Ik ben bang daarvoor,” maar ook proberen te zeggen waarom. Niet de ander mag dat zeggen, je moet het zelf zeggen. Als u zich aanwent dat te doen, dan zult u door gewenning op het laatst in staat zijn om alle onderbewuste drang-factoren af te reageren. U zult dus meer beheerst zijn, u zult dus in staat zijn de nu werkelijk noodzakelijke bestanddelen van uw leven eerlijk en oprecht te beleven en in de juiste richting te leiden. U zult in staat zijn de wereld rond u juist te schatten en daardoor een betere harmonische verhouding te scheppen zowel in uw eigen wereld als met de geestelijke factoren die ermee verbonden zijn.

Zo is er nog een trucje. Wanneer u op een gegeven ogenblik de behoefte hebt om eens na te denken en het is zo moeilijk jezelf te zeggen wat je nu eigenlijk voelt van binnen, probeer dan eens beelden op te bouwen als in een droom. Wees niet bang wanneer dat tot een uittreding overgaat. Het kan zijn dat door harmonische waarden een ogenblik uw geest een andere beleving heeft dan het normale stoflichaam. Dit op zichzelf is niet bezwaarlijk. Waar het op aankomt is, dat een beeld wordt gebouwd. De mens kan nl. zolang hij denkt in woorden niet voldoende beseffen wat zijn gedachte-inhouden impliceren. De poging om ze te maken tot een reeks van voorstellingen doet u meer deel hebben aan de gedachte, maar doet u ook beter beleven wat ze inhoudt en zo haar op een juistere waarde in uzelf schatten.

En dan een heel eenvoudige, zeer eenvoudige raad, die u toch heel vaak zal helpen. Er zijn ogenblikken dat je twijfelt. Je twijfelt aan de waarheid van iets, je twijfelt aan de belangrijkheid, je staat voor een keuze en je kunt niet beslissen. Je vraagt je af wat er zal gaan gebeuren en je kunt van die vraag niet afkomen. Gebruikt u dan eens de doodgewone orakel methode van de speld en het boek. U neemt de Bijbel of een ander boek – als u zo gezind bent kunt u evengoed Karl Marx nemen dat komt er helemaal niet op aan – en u steekt een speld tussen de bladzijden. En daar, waar de speld is gestoken, dus zo dicht mogelijk erbij, leest u regels (niet meer dan vijf), totdat er voor u een antwoord in zit. U zult zeggen: Dat is bijgeloof in de hoogste graad. Neen. Want het gaat niet om die woorden. Die woorden zijn niets anders voor u dan een starter. Het brengt uw gedachten in beweging en zal u in staat stellen onderbewuste impulsen aan de hand van het gelezene verder te vertalen. U krijgt daardoor een zuiverder beeld. En dit beeld moet dan niet behandeld worden als een orakel, maar als een normale overweging worden ingepast in de gewone alledaagse en redelijke beschouwingen. Het moet in verband worden gebracht met de logica. Een dergelijk orakel toepassen op anderen is uit den boze, want hier krijgt u slechts de weerspiegeling van uw eigen gedachten en zullen misvattingen vaak zeer snel en in grote mate kunnen optreden.

Hiermee heb ik mijn eerste les wat betreft de praktijk wel beëindigd. Maar zoals reeds gezegd, is het voor ons noodzakelijk ook op de esoterie wat verder in te gaan, willen wij deze praktische levenshouding werkelijk vinden. Het begin, dat ik zo even maakte omtrent God, moet uitgebreid worden tot een denksysteem. Elk stoffelijk denken moet gebaseerd zijn op een logisch systeem. Wanneer de premissen waarop dit systeem wordt opgebouwd aanvaardbaar zijn, behoeven zij op zichzelf niet bewijsbaar te zijn. Het is de ervaring, die het bewijs levert voor de juistheid van de premisse. Dit geldt overigens in de wetenschap evenzeer als in de esoterie. Logisch denken betekent dat elke godsvoorstelling een redelijke moet zijn. Ze zal uit de aard der zaak dus beperkt zijn. Wanneer wij denken over God in een stoffelijk leven, dan stellen wij ons een stoffelijke God voor. Hoe abstract wij ook willen. uitbeelden, wij zullen terug moeten komen tot een stoffelijke definitie van het goddelijk Kunnen, de goddelijke Kracht, de goddelijke Wet, het goddelijk Weten.

Wat ik hier voor u opbouw zal in dit opzicht misschien hier en daar falen. Ik behoor nl. tot een wereld, waarin enigszins andere verschijnselen de goddelijke Wet duidelijk maken dan bij u. U gelieve dus het volgende te wijzigen, tot het voor u past. Indien u wenst, kunt u ons in een volgende bijeenkomst deze concepten voorleggen na ze rijpelijk overdacht te hebben. Dan zullen wij daarop commentaar geven. Nu dus allereerst een algemeen wereldbeeld.

God moet een kracht zijn en moet een persoonlijkheid hebben. Een persoonlijkheid kan niet bestaan zonder denken. Maar een gedachte kunnen wij ons niet onbelichaamd voorstellen van uit de stof. Er moet een begrenzing zijn, waarin het denken behouden is. Rond dit denken althans buiten dit centrum van denken moet de belichaming zich uitstrekken. Wij mogen dus stellen, dat de schepping gezien als lichaam van de Godheid, het denken van de Godheid in een bepaald punt daarvan geconcentreerd moet zijn. Gezien het feit dat het denken voor de mens, het bewuste en het onbewuste denken, de reacties van het lichaam volledig beheerst en alle levensprocessen mede reguleert, kan worden aangenomen dat het deel van de kosmos, waarin wij het goddelijk denken geconcentreerd kunnen zien, aansprakelijk is voor het functioneren van het geheel en voor elke variant van functie, die daarin kan voorkomen.

Ofschoon wij weten dat het tijdloze bestaat, zullen wij althans van een persoonlijke tijd moeilijk afstand kunnen doen. En naar ik meen zal een stofmens zich niet een werkelijk tijdloze wereld kunnen voorstellen, waarin de maatstaven van beleving, zoals hij die kent (de uren, de dagen, enz.) wegvallen. Dus dienen wij ons onze God voorlopig voor te stellen als een proces in de tijd, dooreen denken binnen de belichaming van het heelal tot stand gekomen. Dit houdt in dat onze God voorlopig voor ons een veranderlijke of variabele God moet zijn. Want waar tijd is, is ontwikkeling. Ook wanneer wij weten dat een feitelijke God abstract van uit ons standpunt en niet evoluerend de absolute volmaaktheid en volheid van alle dingen omvat, zo zullen wij in onze benadering God moeten zien als een veranderlijke factor, die zich aanpast bij het verloop van ons wezen, de gebeurtenissen rond dat wezen en de bewustwording in dat wezen. De consequentie die hieruit te trekken valt is: wanneer ik leef met een dergelijk godsbeeld, zal ik in harmonie zijn met tenminste een gedeelte van het Goddelijke en een volledige uitdrukking van dat Goddelijke binnen mijn eigen wereld kunnen bewerkstelligen. Ik kan geen kosmische en abstracte God tot een Kracht maken die mij helpt en drijft. Ik sta dan altijd voor het geheim. Maar indien ik de beperking van mijn voorstellingsvermogen aanvaard, kan ik mij ook voorstellen hoe die God ingrijpt en kan ik mij zelfs verklaren waarom Hij soms Zijn ingrijpen tegenhoudt of een andere zienswijze heeft dan de onze.

Het is voor ons zeer belangrijk dat we op deze basis beginnen te denken voor zover het onze praktische bewustwording betreft. Waar wij echter – naar ik meen in het menselijk bestaan evenzeer als in het geestelijke – ook abstracte beelden en gedachtegangen kennen, moet daarnaast het beeld van de Eeuwige, Alomvattende en Onveranderlijke God blijven bestaan. Wij moeten leren op twee wijzen te denken aan onze God. In de eerste plaats zoals wij misschien innerlijk beseffen dat Hij kan zijn. In de tweede plaats zoals wij van uit ons wezen in contact kunnen komen met Hem en kunnen werken met Hem. Elk middel, dat ons dichter tot God brengt, is aanvaardbaar. Wij zullen dus in alle dingen die wij doen steeds naar die God moeten zoeken. En wij zullen al onze gedachten moeten opbouwen op die ene basis: hierin wil ik God erken­nen. De God van nu, niet die van morgen en van gisteren. God, zoals Hij Zich thans aan mij toont.

De veranderende aangezichten van God zijn in het begin voor ons verwarrend. Maar wanneer wij leren ons aan te passen aan de kracht Gods, zoals die zich thans openbaart, zullen wij ontslagen zijn van vele gewetensbezwaren en vele worstelingen enerzijds. Wij zullen anderzijds eenvoudiger – juist door die harmonie met de thans kenbare vorm van God – kunnen komen tot het beleven van datgene wat voor ons noodzakelijk en goed is. Wij zullen ons kunnen onthouden van wat misschien door de hele wereld geroemd wordt, maar wat voor ons op dit ogenblik onjuist is. Wij zullen in staat zijn ons gehele wezen in te passen in het goddelijk plan, zoals het zich thans aan ons openbaart.

Ons abstracte denken maakt het ons mogelijk bepaalde theorieën op te bouwen. Wij kunnen aan de hand van de bekende feiten en de aanvaarde stellingen de gehele kosmos met onze geest erkennen. Wij spelen onderzoekings reiziger in het onbekende en vinden steeds meer verrassende openbaringen van God. Soms alleen op een stoffelijk of geestelijk vlak, soms op een vlak dat verscheidene werelden gelijktijdig omvat. Wat wij daarbij vaak vergeten is dit: onverschillig in welke wereld en vorm wij met God in contact komen, onverschillig ook de voorstellingen die wij aan de God op dit ogenblik geven, zal elk contact met de Godheid het totaal van het Goddelijke bevatten, voor zover dit in ons kenbaar of te openbaren is. Wij kunnen dus ook met deze wijze van fantaseren over God en de onbekende rijken Gods in contact komen met God. Vragen als: “Waarom is God zo wreed?” vragen als: “Maar is dit Gods wil wel?” vallen dan weg. Wij beseffen dat de abstracte God, Die voor ons geestelijk weten bestaat, geen kwaad kent, dat Hij geen wil heeft, die voor ons kenbaar is. Wij zijn delen van een zo groot heelal dat wij onbelangrijk zijn. Gelijktijdig erkennen wij echter in onze persoonlijke voorstelling de God, Die alleen voor ons a.h.w. bestaat, de huisgod, de persoonlijke Godheid. En in deze persoonlijke Godheid vinden wij steeds weer de corrigerende flitsen, die ons in staat stellen ons beeld van het totaal Goddelijke op abstracte basis te corrigeren. Wij kunnen zo het stoffelijke of laag-geestelijke godsbesef en de abstracte visie, die voor ons bewustzijn nog mogelijk is, langzaam maar zeker naar elkaar doen toegroeien. Op het ogenblik dat beide beelden zich met elkaar vereend heb­ben in ons wezen, zullen wij een absoluut contact met God ervaren. Dan zal elke beleving van God identiek blijven.

In de esoterie is de zelfopenbaring een van de meest belangrijke punten. Het “Ken uzelve” wordt u duizenden malen toegeroepen, met steeds andere variaties van toon en nadruk. Indien u echter naar God streeft, zult u op de duur in de God, Die u beleeft, elk ogenblik weer met Zijn wijzigende eigenschappen, uzelf leren erkennen. Gij zijt deel Gods. Ge kunt daaraan niet ontkomen. En omdat gij deel Gods zijt, zult gij te allen tijde in de goddelijke schepping een volledig harmonische uitdrukking hebben van uw eigen wezen. Uw persoonlijke God is steeds weer de realisatie van een deel daarvan. De delen samengevoegd brengen u de volmaaktheid, waarin de zelfkennis is bevat, omdat de vele wisselende godsvoorstellingen tevens de absolute openbaring zijn van uw bewustzijn en onderbewustzijn. Ja, meer: zij zijn de uitdrukking van de totale bewustwordingsmogelijkheid, die in u besloten is.

Uit deze laatste stellingen zullen wij een volgende maal trachten nog enkele praktische consequenties te trekken.

In verband met voorgaande praktische en esoterische beschouwingen valt ons i.v.m. de stoffelijke wetenschap en kennis nog het volgende op:

De mens heeft een grote reeks van motieven, die niet door het gedachteleven kunnen worden uitgedrukt. Hij heeft vele motieven en beweegredenen, waarvan hij zelfs ten koste van alles onbewust wil blijven. Men heeft in de psychologie dit heel vaak toegeschreven aan bv. prenatale of jeugd gebeurtenissen. Men zegt: Er is ergens een groot bezwaar gerezen en dit brengt een reactie met zich mee, waarvan wij ons de oorzaak niet willen herinneren, gezien de verschrikking die ze voor ons inhoudt. Deze verklaring is ten dele waar. Maar wij moeten allereerst stellen dat het onderbewuste en het bewuste denken volkomen verschillende waarden zijn. Het is niet zo, dat het bewustzijn alleen maar de oppervlakte is van het onderbewuste. Het is ook niet zo, dat het normale denken een gelijke vorm of inhoud kan kennen als het onbewuste. Het bewuste denken van de mens is steeds gebaseerd op het woord. Een mens die denkt, spreekt tegen zichzelf. Het onderbewustzijn echter stelt daarvoor een geheel andere waarde. Deze mens beleeft een deel van zijn vroeger “ik”. Het onderbewustzijn is een beleven, het bewustzijn is een bespreken. Het resultaat is, dat beide waarden niet onderling vergelijkbaar zijn. En dat – zoal een deel van het in het onderbewuste bevatte besproken of herinnerd kan worden – het toch in de woorduitdrukking een deel van zijn werkelijke inhoud en betekenis verliest. Om door te dringen in het onderbewustzijn is het dan ook niet voldoende de onderbewuste gedachte te kennen of zelfs te interpreteren. Wij moeten haar ondergaan. En eerst wanneer een beschrijvende reconstructie van het onderbewuste gepresteerd kan worden (zoals bv. onder hypnose mogelijk is), kunnen wij alle belangrijke punten met hun gewichtigheid inderdaad vinden.

Het vreemde hierbij is, dat wanneer het onderbewuste eenmaal tot woordbeeld is geworden, het vaak zijn belevingsvorm verliest. De uitgesproken beelden hebben een nieuwe vorm gekregen, die het “ik” niet meer aantast. Hieruit volgt dat innerlijke en onderbewuste problemen die uitgesproken zijn – waarlijk uitgesproken zijn – een onaangename beleving met zich brengen; maar die hierin meteen het onderbewuste – dus het niet erkende – purifiëert en daarvoor, in de plaats stelt een woord-kennen in het dagbewustzijn, dat een directe beheersing en hantering mogelijk maakt. Een herbeleving en het dus onder woorden brengen van een belevingswaarde uit het onderbewustzijn kan slechts in enkele gevallen kunstmatig tot stand worden gebracht; nl. alleen dan, wanneer zij met zeer veel tijd en technische middelen de mens dwingen tot een herbeleving van een bepaalde reeks associaties. Het geheel van het onderbewustzijn op een dergelijke wijze te openbaren is echter onmogelijk.

Waar dus voor de mens de onmogelijkheid bestaat om het gehele onderbewustzijn om te zetten in een woorddenken en er zich van te bevrijden, is er slechts één andere mogelijkheid om dit onderbewustzijn en daarmee eigen wezen nader te kunnen kennen. En dit is de herbeleving; dus het omzetten in plaats van in woorden in beleven. In vele gevallen hoeft dit niet praktisch te geschieden, maar kan het ook heel vaak symbolisch geschieden. Wij zien dat een symbolische gave vaak een vroegere offerdaad doet herbeleven en haar daardoor uitblust als een beïnvloedende waarde uit het onderbewustzijn. Bij het opnieuw uitacteren van het in ons behoudene hebben wij nl. precies dezelfde bevrijding als bij de realisatie bij het uitspreken, de rationalisatie.

Wij kunnen geestelijk – en dit behoort niet onder de psychologie – belevingen van ongeveer een half jaar in ongeveer 30 minuten doen plaats vinden. Dit zijn geen normale dromen, die heel vaak een bijna identiek tijdsverloop hebben met de werkelijkheid. Zij hebben verder de eigenaardigheid, dat ze zich over het algemeen van achter naar voren, dus van einde naar begin afspelen. Maar dit is van geen belang. Wij kunnen door ons droomleven bewust te leren gebruiken hetzelfde doen wat een psychiater met zeer veel moeite doet t.o.v. zijn patiënten. Wij kunnen ons onderbewustzijn herbeleven en in de herbeleving ons ervan bevrijden, omdat de kritiek in dit droomleven blijft bestaan en dus – voor ons althans – variatie in het verleden kan worden gebracht. Het is niet meer onveranderlijk. Ons ingrijpen in het droombeeld verandert de waarde die het voor ons bewustzijn heeft en zal dus ook zo de drijfveren, die wij bezitten, enigszins veranderen en meer onder de beheersing van het bewustzijn brengen.

Een volgend punt, dat ik in verband juist met deze psychologie nog even naar voren wil brengen is dit: u hebt een grondtype. Deze typen bepalen o.a. uw temperament. Zij bepalen de hartstochtelijkheid, de behoeften van de mens, zij bepalen zijn reactie t.o.v. anderen. Deze stoffelijke waarden moeten natuurlijk ten dele beheerst worden, want u leeft in een maatschappij. Maar bij de erkenning van het type dat u bezit, weet u in welke zin u a.h.w. overdrijft ten opzichte van de normen. Dit maakt het u mogelijk de overdrijving zo te hanteren, dat ze binnen de normen nog aanvaardbaar wordt. Indien u echter zich aan de door de norm vastgestelde regels vastklampt en tracht daaraan voortdurend te beantwoorden, zult u noodzakelijkerwijze uw eigen stoffelijk grondtype moeten frustreren. Enerzijds zult u te veel, anderzijds te weinig van uzelf durven eisen. Het gevolg is, dat u bij een u houden aan de voor de gemiddelde norm geldende waarden te allen tijde ongelukkig zult zijn. Slechts een enkeling kan geheel beantwoorden aan wat “men” goed noemt en wat “men” aanvaardbaar noemt. Besef dit wel en maak u geen grote problemen uit het feit dat u zondigt tegen bepaalde regels van de gemeenschap, terwijl een ander er zich schijnbaar zo netjes aan houdt. Wees u ervan bewust dat praktisch iedereen wel volgens zijn grondtype van de norm afwijkt, maar dat men er een gewoonte van heeft gemaakt deze afwijkingen zoveel mogelijk te verbergen. Het gevolg is het ontstaan van schuldcomplexen, die op zichzelf weer de reacties t.o.v. de wereld nadelig beïnvloeden en zo uw voertuig – en dit is dus weer geen psychologie – minder geschikt maken voor de geest om daarin haar werkzaamheden volledig te vervullen en zich een zo snel en zo groot mogelijk bereiken van bewustzijn binnen een korte periode eigen te maken.

Een laatste punt in verband met de stoffelijke wereld. Wij weten allen dat de psychologische factoren een zeer grote rol spelen, niet alleen t.o.v. pijn en lichamelijk welzijn, maar ook wel degelijk t.o.v. innerlijke vrede. Op het ogenblik dat uw innerlijke vrede wordt verstoord door waarden waaraan u niets kunt doen, waarden waar u machteloos tegenover staat, heeft u zich laten beroeren door iets, wat voor de bewustwording geen betekenis heeft. Alleen datgene wat onder uw beheersing valt, is de moeite waard om er u zorgen over te maken. Wanneer iets te groot is, heeft het geen zin u ermee bezig te houden; tenzij dan in de beperkte kring waarin u misschien iets denkt te kunnen wijzigen, al is het alleen maar een gezindheid.
Ik zou daarom u allen willen aanbevelen u niets aan te trekken van ongelukken, waaraan u niets kunt doen. U niet boos te maken over jeugd relletjes, die geheel buiten uw eigen bereik, uw eigen stad misschien zelfs, zich afspelen. U evenmin zorgen te maken over maanraketten, atoombommen en wat dies meer zij. U hebt daarop een zeer beperkte invloed. Laat u uw fantasie spelen met de mogelijkheden daarin verborgen, dan zult u – enerzijds door uw onvermogen om de ontwikkelingen en de werkelijke psychische factoren van de laatste tijd te overzien – zich in een voortdurende innerlijke verwarring storten, die het u onmogelijk maakt als een normaal mens te reageren. Werp zoveel mogelijk deze dingen van u af en bemoei u er alleen mee in een zuiver theoretische zin of nog beter alleen in zoverre u zelf daaraan iets kunt doen.

Wanneer u al komt tot een beschouwing over atoomgevaar of iets dergelijks, dan zou ik u de raad willen geven: beperk u hierbij alleen tot de vraag. “Wat kunnen wij hier nu doen?” maar laat alle voorstellingen van versmeltende steden e.d. buiten beschouwing. En wanneer u dat al eens in een conversatie aanvoert als argument, onthoud dan wel:­ hiermee hebt u wel een theoretisch probleem geopperd, u hebt een moge­lijkheid gesteld, maar geen realiteit. Houd u zoveel u kunt aan uw reali­teiten en aan uw vermogen tot onmiddellijk ingrijpen volgens uw beste be­doelingen. U voorkomt dan een grote reeks van angst- en dwangcomplexen, die u binnen de maatschappij het leven moeilijk maken en u ongetwijfeld ook lichamelijk vaak meer doen lijden dan noodzakelijk is.

Hetgeen ik hier heb gezegd is althans voor een zeer groot gedeelte in directe overeenstemming met de stoffelijke werkelijkheid. Ook met de stoffelijke wetenschap. Slechts hier en daar ben ik verdergegaan en heb ik gewezen op kwaliteiten van onze wereld. Degenen die zich hiermede bezig willen houden, zouden misschien een studie van de psychologie moeten maken. Het is te veel om dit van u te eisen. Zo heb ik kort samengevat enkele eenvoudige beginselen weergegeven, die u kunt gebruiken bij de interpretatie van de eerste les van onze cursus.