De mens van morgen

Uitgesproken in 1973

Het is een beetje moeilijk om zich daarvan een voorstelling te maken. Misschien kan ik beginnen met een commentaar van een van onze vrienden, die werd gevraagd of nu het tijdperk van de homo ludens was aangebroken. Zijn antwoord was; “Het lijkt in ieder geval niet veel meer op homo sapiens.” Waarmee hij wilde uitdrukken, dat de ontwikkeling een geheel nieuwe richting schijnt in te slaan, maar dat volgens zijn standpunt er toch nog niet kan worden gesproken van de “spelende mens”.

De wereld heeft haar stoffelijke structuur. Die stoffelijke structuur is mede bepalend voor al datgene wat er geestelijk gaat gebeuren. Dat is duidelijk. Zoals uw ontwikkeling, de manier waarop u denkt, waarop u zich kleedt, de mores die u aanhangt alle eigenlijk gebaseerd zijn op de wereld waarin u leeft. Dat alles gaat over al wat stoffelijk is en uw geestelijke ervaringen worden daardoor voor een groot gedeelte bepaald. Als we dus willen spreken over de mens van morgen, dan moeten we beginnen met wat er vandaag is.

Wij zien dan in de eerste plaats een verschijnsel, dat men wel eens polarisatie noemt. Men bedoelt daarmede dat men denkt in uitersten, in zijn bestrevingen ook vaak uitgaat van uitersten en daarbij de tussenliggende gebieden een beetje met rust laat. Er is a.h.w. minder ruimte voor een compromis. Materieel zal dat inderdaad hier en daar gaan doorklinken, maar geestelijk zal dat eveneens het geval zijn.

Er is een periode achter de rug waarin de mens altijd weer een compromis heeft gesloten tussen wat prettig was, wat noodzakelijk was en wat geestelijk wenselijk was. Een van de beste voorbeelden daarvan kunt u zien in deze maatschappij waar een groot gedeelte van de landen zich christelijk noemt, maar waarin men zich allesbehalve christelijk gedraagt en men eigenlijk voor een gedeelte uitgaat van het principe; hoe heb ik een beetje meer dan jij. Hierin is een onvermijdelijke verandering op komst. Deze zal reeds in de nabije toekomst – zeg maar voor de volgen­de generatie ‑ een grote rol kunnen gaan spelen. De mens gaat zich rea­liseren dat het belangrijk is om een idee, een ideaal te hebben en van­uit dat ideaal te leven.

Er zijn nu nog veel mensen die denken: Ik heb een ideaal en daar moet een ander dan maar naar leven. Dat is natuurlijk fout. U kunt een ander niet laten leven naar uw ideaal zonder gelijktijdig die ander zijn idealen en mogelijkheden tot ontwikkeling te ontnemen. Maar aan de andere kant, als een mens werkelijk leeft naar wat hij denkt, wat hij gelooft en zich ook een beetje minder gaat aantrekken van wat de wereld zegt, dan gaat hij volgens mij toch wel de goede kant uit.

Er is over heel veel dingen natuurlijk te twisten. Er zijn mensen, die denken dat de seksuele revolutie van deze dagen zich praktisch tot in het oneindige zal doorzetten. Maar dat ligt niet in de aard van de mens, omdat voor die mens ‑ of hij het weet of niet ‑ seksualiteit niet alleen een dierlijk aspect van het bestaan is (een hongeraspect), maar daarnaast ook wel degelijk de uitdrukking is geworden van het innerlijk beleven van een geestelijke waarde van het bestaan. Daarom moeten we dus aannemen, dat daarvan nieuwe vormen gaan ontstaan.

Als je nieuwe vormen krijgt in dingen, die zo essentieel zijn voor het menselijk bestaan en voor de menselijke maatschappij als seksualiteit, maatschappelijke gerichtheid, geloof en ook geloofspraxis, dan moet je ook aannemen dat de mens van morgen in een wereld zal leven die anders is, dat hij andere idealen zal hebben en bovenal op een andere wijze zijn bestaan gaat beleven. Dat laatste lijkt mij het meest kentekenende en het meest belangrijke voor de meer nabije toekomst zo 3 á 4 generaties van heden.

Hoe beleeft men zichzelf? Op dit ogenblik beleeft de mens zich veelal in de spiegeling van zijn gestalte door de omgeving. Hij ziet zichzelf dus zoals anderen hem schijnen te zien en hij vergeet daarbij helemaal dat die anderen de uiterlijkheden beoordelen, maar zeker niet de innerlijke waarden. Ik meen, dat er meer en meer een neiging is reeds in deze dagen om zich ook wat meer met zijn eigen innerlijk bezig te houden en dat kan voor menigeen wel eens een slechte trip betekenen. Maar aan de andere kant gaat men ook begrijpen; ik ben iets anders dan alleen datgene wat men in mij wil zien. Ik heb een eigen betekenis. Ik heb een eigen waarde. Om mijzelf te kunnen zijn (dat moet je zijn om een beetje geluk te kennen) zal ik moeten beantwoorden aan wat ik innerlijk weet dat ik ben. Het is belangrijk dat ik zelf beantwoord aan wat ik ben en voel te zijn. En daarmede krijgen we natuurlijk een enorme verschuiving van waarheden.

Status, zoals die in deze maatschappij nog een grote rol speelt, is eigenlijk niets anders dan het zoeken naar een gunstige beoordeling van jezelf door de omgeving. Maar als je zoekt naar wat je zelf bent en je probeert dat te leven, dan heb je geen status nodig. Je status wordt bepaald door de manier waarop je hetgeen je bent zo harmonisch mogelijk tot uiting te brengen. Een groot gedeelte van de macht, die op het ogen­blik wordt uitgeoefend ‑ juist doordat mensen afhankelijk zijn van de openbare opinie – valt dan weg. Daar staat tegenover dat de mensen toch weer met elkaar moeten gaan leven. Het denkbeeld van een zuiver anarchistische wereld waarin iedereen a.h.w. los staat van de ander is niet te verwezenlijken.

Mens‑zijn betekent samenleven met mensen. Geestelijk mens‑zijn betekent een geestelijk contact, een verbondenheid erkennen met andere mensen. De mens van de toekomst zal juist deze verbondenheden een veel grotere nadruk geven dan de mens van vandaag.

De mens van vandaag voelt wel dat het niet in orde is. Hij wordt sterk agressief, hij heeft geen respect meer voor orde. Zeker niet een orde, die door de gemeenschap aan allen wordt opgelegd. Hij probeert zich zoveel mogelijk los te maken uit de gebondenheid, maar valt daardoor a.h.w. tussen de wal en het schip. Want aan de ene kant vindt hij toch niet de vrede, het geluk in het leven dat hij zoekt. Aan de andere kant echter kan hij toch ook weer niet de maatschappij helemaal opzij gooien. Hij blijft er ergens aan gebonden en van afhankelijk.

De ziens van de toekomst zal begrijpen dat denkbeelden erg belangrijk zijn. Men zou kunnen zeggen; Een van de belangrijkste feiten (geestelijk zowel als stoffelijk belangrijk) van de mens van morgen is wel een verandering in de communicatie. En dan bedoel ik hiermede vooral de communicatie van mens tot mens. Het zal u duidelijk zijn dat het erg belangrijk is, als je essentiële dingen tegen elkaar kunt zeggen. Als je niet eerst alles met veel voorbeelden moet aanduiden, maar gewoon tegen elkaar kunt zeggen; Zo ben ik, zo denk ik, zo voel ik, dat lijkt mij de juiste weg. En de ander daarop kan antwoorden; Zo ben ik, zo denk ik en daarom kan ik zover die weg met jou gaan.

Dit is een vooruit lopen op een toestand, die je na de dood kent. Na de dood heb je die harmonische mogelijkheid, die verbondenheid waardoor je tot samenwerking komt. Dat betekent, dat je geestelijk daaruit zeer veel zult kunnen putten en gelijktijdig dat er veel ­minder teleurstelling is, als je met een ander samenwerkt. Nu lijkt mij dat een nogal frustrerende factor in het bestaan. Je doet iets met anderen samen en je denkt dat je weet wat die ander wil, maar je wéét het niet. Je méént dat, die ander jouw weg zal inslaan en het blijkt dat hij toch een andere weg gaat. Je hebt altijd weer het gevoel dat je verraden en verkocht wordt. Naarmate die communicatie duidelijker en klaarder wordt, zal uit de aard der zaak een dergelijke frustratie minder voorkomen. Je weet meer waar je aan toe bent.

Hier zou iemand onmiddellijk kunnen uitroepen; “Maar de leugen dan.”

Zeker, de leugen speelt in het maatschappelijke spel een enorm grote rol. Aan de andere kant; de leugen is nu nog onvermijdelijk, omdat nie­mand bereid is de feiten te horen zoals ze zijn en omdat niemand bereid is om ook de dingen precies te zeggen zoals hij ze aanvoelt en weet. Dat is natuurlijk een heel belangrijk punt. Als de mensen bang zijn om zichzelf te zijn, dan is de leugen noodzakelijk. Als de samenwerking tussen mensen alleen maar op misvattingen berust, is de leugen soms noodzakelijk alleen maar om een samenwerking tot stand te brengen. Indien dit wegvalt, wordt de mens dus vrijer.

De stoffelijke ontwikkeling zal natuurlijk ook moeten afwijken van wat er nu gebeurt. We hebben tegenwoordig te maken met een wereld, die steeds meer menselijke functies door mechanische vervangt. Het lijkt erop dat de mens op een gegeven ogenblik niets anders meer behoeft te doen dan alleen maar een vinger te oefenen om op knoppen te drukken. Er zijn mensen die zeggen; Over een paar honderd jaar hoor je ochtendgymnastiek door de radio en dan is het; Strek de vinger, buig de vinger. Dat is kolderiek, maar je zou het haast gaan denken. Alleen…. reeds nu blijkt, dat de wijze waarop energie wordt verbruikt op aarde nu niet bepaald de juiste is. Reeds nu blijkt aan alle kanten dat dat kleine beetje gemak soms ontzettend duur betaald wordt. En dat zal een volgende generatie al duidelijker zien en beter beseffen dan de nu levende.

De kinderen van degenen, die nu een beetje groot beginnen te worden, zullen zeker interesse blijven hebben ‑ dat is onvermijdelijk – voor de auto, voor de bromfiets, voor een vliegtuig misschien, een helikopter. Maar ze zullen begrijpen dat die dingen maar van relatieve beteke­nis zijn. Tegenwoordig probeert de mens een groot gedeelte van zijn span­ningen en frustraties af te reageren door zich in een andere vorm van spanning te storten. Bijvoorbeeld het moderne verkeer. De flipperkast is zo groot geworden, omdat ze spanningen ontlaadt. Dit weet u misschien niet, maar de eerste flipperkast is door een zekere mijnheer Bally ontwor­pen, kwam eigenlijk in de grote crisis in omloop. Toen waren er zeer veel werklozen, die nog wel een cent hadden. Voor die cent konden ze dan even de illusie hebben dat er grote getallen ontstonden. Zo konden ze door hun reacties tonen ‑ zeker toen de Maffiosi zich ermee gingen bezighou­den en de eerste elektrische flipperkasten kwamen ‑ dat ze iets meer wa­ren dan een ander. En kijk nu eens naar massa’s mensen, die staan te spelen aan een flipperkast of een “One‑armed‑bandit”, terwijl ze weten dat ze er geen winst mee kunnen behalen, hoogstens een paar vrije spelen, en die dat toch nodig hebben, die er a.h.w. bezeten van zijn.

Dit is een vervanging voor iets. Dat spel, goed, dat zal iedereen voor een keertje graag spelen, maar de verslaafdheid eraan, die bij velen voorkomt, is een bewijs dat er iets niet in orde is.

De verslaafdheid van de mens aan zijn auto is een bewijs dat er iets niet in orde is. De verslaafdheid van de mens aan de televisie, aan de radio, aan stimulerende middelen, die bewijzen dat er iets niet in orde is. Nu gaat de wereld veranderen. Als er eerlijkheid is en tevens de neiging van de mens om zichzelf voornamelijk aan zichzelf te bewijzen, dan vraag je niet meer naar een flipperkast; dan maak je liever iets met je eigen handen; dan vind je een auto een goed middel om je te verplaatsen, maar als het even kan, beweeg je je liever op eigen kracht en maak je jezelf duidelijk dat je lichtelijk in goede conditie bent.

Dat lijkt geen ontstellende verandering. Er zijn mensen die denken; Nou, een strop voor de H.T.M. of voor Ford of General Motors. De werke­lijkheid is anders. De nadruk valt weer op de mens zelf. Tegenwoordig gedraagt menig mens zich alsof hij een soort bijvoegsel of voorzetappa­raat is voor de technische verworvenheden van deze maatschappij. Maar als die mens zich gaat gedragen alsof hij de mens is en al het an­dere hoogstens een toevoegsel aan zijn kwaliteiten kan zijn en hij juist daarom zich niet meer wil overleveren aan en berusten op de kwaliteiten van dat andere, dan komt er van binnenuit een heel ander “ik”‑beeld vrij, en gaat dat wezen zich ook anders ontwikkelen.

Ik denk, dat bv. beroepssporten over drie generaties veel minder te zeggen zullen hebben dan nu. (Het is dus goed voor Cruyff dat hij in deze tijd geboren is) Ik meen, dat de persoonlijke sportbeoefening daarentegen veel groter wordt. Ik heb het gevoel, dat teamsporten wat minder belangrijk worden en dat vormen van atletiek meer op de voorgrond zullen komen, omdat het hier gaat om iets wat je zelf doet. Want de mens wil zich nog steeds afzetten; hij wil zich waar maken. In een teamsport is het een kwestie van je afstellen op anderen. Dat is alleen gemakkelijk als je slechts in uiterlijkheden gelooft. Geloof je in een innerlijke zaak, moet er een innerlijke harmonie zijn, dan krijg je haast geen goed team bij elkaar. Maar heb je er een, dan is het een team dat als een eenheid functioneert. Niet als een aantal delen, die toevallig zo goed mogelijk samenwerken, maar werkelijk als een eenheid, die telepathisch schijnt aan te voelen waar de mogelijkheden en kansen liggen en waar ieder op de juiste plaats staat. Wat zou dat een mooie wedstrijd worden!

Wat we verder nodig hebben ‑ en dat is altijd nodig geweest in de geschiedenis van de mensen ‑ is iets wat ons bezielt. Nu weet ik wel; God bezielt ons allen, natuurlijk. Maar bezieling krijgen we eigenlijk pas, als iets ons tot leven wekt, ons tijdelijk meer maakt dan we zijn, ons aan­vuurt tot prestaties die zelfs verder gaan dan we geloven. Als een mens begint in zichzelf te geloven, dan zal hij in zichzelf ook meer van zijn persoonlijke waarden ontdekken. Ik geloof, dat de nu nog sterk extroverte maatschappij zich voor een deel althans meer naar binnen gaat keren. Keert de mens zich naar binnen, dan komt gelijktijdig bij de grenzen tussen leven en dood, die nu nog overal bestaan. Dan vallen die grenzen. een beetje weg. De wereld wordt groter, maar het leven zelf wordt ook on­belangrijker. Je krijgt meer een geestelijk bestaan dat prevaleert boven de stoffelijke avonturen en waarden.

De mens van morgen zal zeker alle techniek niet overboord gooien. Hij zou dwaas zijn, als hij dat deed. Wat hij wel zal doen, is de techniek alleen dan gebruiken, als hij die werkelijk nodig heeft; en dat betekent dat ze op een andere plaats komt te staan.

De mens van morgen zal lichamelijk zeker alles doen om zichzelf in stand te houden. Hij heeft slechtere mogelijkheden dan de generaties van heden, want wat er op de wereld plaatsvindt aan verontreiniging e.d., de veranderingen van klimaat die daardoor zijn ontstaan, zelfs de moge­lijkheid dat we een algehele klimaatsverandering krijgen in de nabije toe­komst, die alle zullen een rol spelen. Maar hij zelf zal veel doen om zich lichamelijk in goede staat te houden. Dat betekent, dat ik geen ras zie van volkomen kale mannetjes met waterhoofden en verkommerde klauwtjes en handjes, die alleen nog maar goed zijn om op een knopje te drukken, maar wel degelijk gezonde, ontwikkelde mensen.

Ik zie het bevolkingsaantal teruglopen. In het begin zal dat met pijn en moeite gaan. Voor de eerste twee generaties moeten we er rekening mee houden dat een groot deel van het teruglopen van de bevolkingsaanwas op aarde zal plaatsvinden voornamelijk door rampen, gewelddadigheden en dergelijke. Daarna zullen we op een punt zijn gekomen dat de mensen zeggen: Wij willen wel kinderen hebben, als we voelen dat die kinderen nu bij ons horen. Voor die kinderen is dat natuurlijk een zegen; ze zijn dan niet het ongelukje dat in een klein hoekje zat en desondanks dan maar wordt bemind. Ze kregen een eigen bestaan en een eigen persoonlijkheid. Ze zijn dan wel minder het afgodsbeeldje van een maatschappij dat wel voor dat afgodsbeeldje wil buigen, maar er geen werkelijke offers voor wil brengen. Ze worden weer deel van de eenheid waaruit ze voortkomen. Een belangrijk punt psychologisch gezien.

Dan zie ik als vanzelf daardoor ook de onderlinge dienstbaarheid van de mensen, de menselijke relatie anders worden. De massa betekent in deze tijd voor de eenling vaak isolement. Maar als die massa iets minder druk wordt en gelijktijdig de mens meer zoekt naar een werkelijke respons, als hij zelfs zijn taal tot een soort steno gaat ontwikkelen, zodat dingen waarvoor hij nu een hele zin nodig heeft in misschien een halve lettergreep kan worden aangeduid, dan zal die mens ook meer tijd overhouden voor zijn medemens.

De mens van morgen is een mens, die meer naar de essentie van het bestaan toegaat. Zeker, het is geen blijvende ontwikkeling. De aarde is en blijft nu eenmaal een plaats waarop je een zeker bewustzijn moet opdoen. Heb je dat opgedaan, dan blijf je niet meer op deze wereld. Maar toch, ten aanzien van het heden, zie ik in de mens zelf een grote vooruitgang.

Er zullen natuurlijk grote omwentelingen plaatsvinden en die zullen de eerste tien generaties nog wel beïnvloeden. We hebben bv. te maken met een totale verschuiving van de machtsverhoudingen in de wereld, zoals u weet. Op het ogenblik berust een groot gedeelte van de macht ‑ of u dat wilt toegeven of niet ‑ in de handen van de multinationale ondernemingen of bonden. Vakbonden en ook maatschappijen, die multinationaal zijn, kunnen dus ook enorm veel doen. Al is het alleen maar omdat ze ongrijpbaar zijn voor het plaatselijke gouvernement. Dat betekent, dat de macht langzaam maar zeker aan de ene kant zakelijk gaat worden en aan de andere kant voor een groot deel zal worden bepaald door de houding daartegenover van een deel van de massa. Ik meen, dat hierdoor langzamerhand de eenheid van de continenten, die op dit moment nog zeer twijfelachtig lijkt, werkelijkheid wordt. Dat zal niet zo heel lang meer duren. Het is ook noodzakelijk, want alleen als we met grotere eenheden werken, dan is het schuifspelletje van machtsverhoudingen voor de andere groepen niet meer mogelijk. Dus zelfs de politici en de sociologen zullen zeggen; Wij moeten hier een eenheid scheppen. En dan ontstaan er eenheden, die in zich een zeer grote hoeveelheid mogelijkheden en denkwezen kunnen bevatten.

In mens van morgen zal aan de ene kant nuchter zijn. Vele filosofieën, die u op het ogenblik in de Oostbloklanden vindt, zullen ook in het Westen opgang maken. Aan de andere kant zal veel van het geloof en van de mystiek, die nu in het Westen en in bepaalde oostelijke landen de hoofdtoon voeren ook in het denken van de Oostbloklanden binnen komen. Er komt een eenheid waarin zakelijk, religieus en esoterisch denken tot een eenheid versmelten. Het is moeilijk om je dat voor te stellen, denk ik. Maar misschien begrijpt u wel wat ik bedoel.

De mens van morgen heeft een wereld die groter is. Niet omdat hij zoveel van de feiten overziet, want dat maakt de wereld eerder kleiner, maar omdat hij de mogelijkheden tussen mens en mens beter beseft. En tussen mens en mens ligt soms al een hele wereld. Daarom wordt je wereld groter en geestelijk rijper. Dat betekent ook dat het begrip van “haast” dat nu overal de boventoon heeft, gaat wegvallen. We krijgen eerder te maken met een zekere gezapigheid, die echter niet betekent niets doen. Het betekent alleen, dat men slechts dan reageert, handelt, indien werkelijk alle omstandigheden daartoe nopen.

Wij zien nu ook nog een ander verschijnsel dat voor de toekomst van betekenis kan zijn. Van het bijgeloof is men gekomen in de richting van de parapsychologie; de wetenschap, die in feite nog geen wetenschap kan zijn en eerder een wetenschappelijk benadering van onwetenschappelijke verschijnselen betekent. Daarnaast zien we het technisch onderzoek. Proeven, die bijna overal op de wereld worden generen met bv. telepathie. Soms probeert men er zelfs geheime wapens van te maken. Ja, als een mens een lucifer uitvindt, dan vraagt hij zich eerst af; Wie kan ik daarmee vernielen? Dat is nu eenmaal de menselijke maatschappij. Voor vernietiging wordt geld betaald; voor het redden van mensen alleen dan, als men wat over heeft. In een structuur waarin alles om macht gaat, gaat het om de macht tot vernietigen en niet om de macht van opbouwen; die komt pas secundair.

Men is bezig met het onderzoek van bepaalde verschijnselen van levenskracht. Men benadert in zijn waarnemingen astrale waarden en komt langza­merhand zover dat de chakra’s (de geestelijke organen die tot nu toe als mythen werden beschouwd) worden geïdentificeerd als delen van een levens­kracht, die in bepaalde kanalen van het menselijk lichaam pulseert. Overal gaat men een eindje verder. Men bestudeert telekinese en al die andere verschijnselen. Dat betekent, dat de mens in een wereld kort waar­in de kwaliteiten, die deze maatschappij stelselmatig onderdrukt als een normaal verschijnsel gaan gelden.

Je zou je kunnen voorstellen, dat er over 2 á 3 generaties reeds hier en daar scholen zullen zijn voor telekineten en telepaten. Niet dat ze er veel zullen leren voorlopig maar goed, ze zullen er zijn. De mens wordt dus vrijer in het gebruik van zijn krachten. Juist doordat zijn rationeel denken ‑ wat hij nooit helemaal opzij kan zetten en mag zetten als mens ‑ een nieuwe benadering mogelijk maakt van het z.g. occulte of bovenzinne­lijke. Onder diezelfde invloeden gaat de mens ook anders denken over veel wat tot nu toe bijgeloof heette.

Kijk eens, als men tegenwoordig een medicijnman ziet, die bepaalde ziekten kan genezen of vergiftigingsverschijnselen kan opheffen, dan zoekt men naar een rationele verklaring. Men wil het werkzame element uit zijn medicijn hebben. En dan blijkt dat dat wel iets doet, maar eigenlijk toch niet zoveel als bij de medicijnman, omdat men geen rekening houdt met de invloed, die zijn incantaties kunnen hebben of zijn dansbewegingen daarbij.

Men wil ook geen invloed toekennen aan andere dingen. Denk aan bv. aan acupunctuur, een geneeswijze, die zeker, niet past in het mechanische denken van de moderne geneeskunde van vandaag en zeker niet in Nederland. Maar toch, als je, die grenzen wegneemt, als je zegt; We gaan met het effect rekening houden en niet alleen maar met de juiste uitleg, dan kom je in dat wat vager denken dat de parapsychologie in deze tijd zo vaak kenmerkt, maar dat gelijktijdig betekent; hier openbreken van grenzen, het openbreken van een andere wereld en andere menselijke.

De mens van morgen zal zijn paranormale eigenschappen normaal zien. Hij zal er gebruik van maken. Hij zal veel gemakkelijker dan de mens van heden ertoe komen ze te gebruiken en ze te beheersen, zonder daaraan ge­lijktijdig allerhande voorstellingen van geesten, visioenen, goddelijke zen­dingen, engelen en dergelijke te verbinden. Hij heeft geen heksen en tovenaars meer nodig. Hij heeft geen geesten uit het hiernamaals meer nodig. Hij beseft; dit zijn werkingen die in mij bestaan, contacten die vanuit mij kunnen werken en daarmee kan ik verder gaan. Dat houdt wederom een verrijking in van zijn bestaan, maar ook van zijn mogelijkheden.

Kijk ik verder naar de wereld van vandaag, dan valt me op dat we op dit moment althans te maken hebben met een sterke vervreemding van het natuurlijke, zelfs tot in de voeding, en dat er gelijktijdig een is om toch naar het natuurlijke terug te keren.

Nu moet u me goed begrijpen. Ik ga nu niet vertellen dat in de toekomst iedereen biologisch‑dynamisch gaat eten. Dat heeft er niets mee te maken. Maar de mens gaat begrijpen dat hij dwaas is, als hij zijn voedsel en zijn milieu kunstmatig verandert. Hij zal gaan begrijpen dat een park mooi kan zijn, maar dat de volheid van een ecologisch evenwicht alleen daar kan ontstaan waar de mens zo weinig mogelijk ingrijpt. Hij zal begrijpen dat een bespoten appel mooier is, maar dat een appel die tegen de verdrukking in is gegroeid zonder al teveel bescherming beter is, dat ze kwalitatief van meer waarde is.

De mens gaat begrijpen, dat het met zijn gedrag precies hetzelfde is. Hij zal zeggen; Kinderen moeten leren; maar hun leren moet deel zijn van hun opgaan in de gemeenschap. Tegenwoordig zonder je de kinderen van de gemeenschap af. Je zet hen in een apart milieu. Je geeft hun daarbij vaak een zeer zware taak en laat hen ploeteren totdat ze een hoop ken­nis hebben vergaard. En worden ze volwassen, ze gaan werken en kunnen dan alles vergeten wat ze hebben geleerd, want dan beginnen ze pas wer­kelijk te leren. Het is net als met een chauffeur. Iemand gaat rijexamen doen. Dan weet hij hoe hij een auto moet besturen. Hoe hij kan rijden, dat leert hij in de komende paar jaren, als hij tenminste niet teveel ongeluk­ken maakt. Zo gaat het ook met de kinderen. Maar als het kind direct deel gaat uit­maken van de gemeenschap, het werken, het spelen, de communicatie, dan zal het ook gewoon leven in een gemeenschap. Naarmate het er deel van wordt, zal het ook zelfstandiger en zelfbewuster gaan leren. We krijgen dan, jonge mensen, die snel volwassen worden en gelijktijdig veel meer van hun kinderlijke vitaliteit behouden dan de jongeren van deze tijd. De jongere van deze tijd blijft ofwel kind tot zijn 60e jaar, dan wel hij wordt volwassen op zeer jeugdige leeftijd, maar bevindt zich dan in voort­durend conflict met de maatschappij en kan er geen deel van worden. Dat verandert.

Ik zou verder kunnen gaan met het opsommen van allerhande ontwikkelingen, maar het gaat om een beeld van de toekomstige ontwikkelingen en vooral van de mens van morgen. Laat mij het dan zo zeggen.

De mens ven morgen is iemand, die zijn bestaan ernstiger neemt dan de mens van vandaag, omdat hij dit bestaan niet meer beschouwt als een in‑stand‑gehouden‑worden of een zich‑in‑stand‑houden, maar als een deel van het zijn met anderen. Hij zal daarnaast vele van zijn taken op een andere manier benaderen dan op het ogenblik. Zijn taak volbrengt hij, omdat ze deel is van zijn wezen, een uitdrukking van hetgeen hij is, niet meer het verdienen van de middelen om dan ook eens de beest uit te hangen. Nu ja, de beest uithangen doet u natuurlijk nooit, maar “uit, goed voor U” en de rest. Voor wie “uit”, verder goed is daar praten we dan niet over. Het is in ieder geval zo:

De mens van morgen werkt dus ernstiger, maar met meer overgave, met meer vreugde. Hij heeft het vermogen om met anderen sneller en directer in contact te komen dan voor u nu denkbaar is. Hij kent minder taboes, maar aan de andere kant zal hij zichzelf veel meer beperkingen opleggen dan men op dit ogenblik gewoonlijk wil doen. Hij is een bewuster mens. Of hij daarbij zo ontzettend gelovig zal zijn, betwijfel ik eerlijk gezegd. Hij zal echter innerlijke zekerheden vinden. Hij zal beseffen, dat het le­ven van de mens niet ophoudt met de stoffelijke dood. Dit zal op zijn ge­drag ‑ mijns inziens ‑ een zeer grote invloed gaan krijgen.

Hij zal geneigd zijn om in kleine gemeenschappen gezamenlijk iets tot stand te brengen. De algemene organisatie laat hem koud. Hij zal zich daaraan conformeren voor zover het hem mogelijk is zonder er zich werke­lijk mee te bemoeien. Voor hem is de wereld iets waarin je zelf leeft, waarin je zelf je taak zoekt, erkent en aanvaardt, maar die je dan ook volbrengt.

Zijn wereld zal er een zijn waarin het compromis minder een rol speelt dan tegenwoordig. Het compromis, dat hij vermijdt, is het compromis met zichzelf, niet het ten dele samenwerken met anderen op punten waarover een redelijke gelijkheid van denken bestaat.

De mens van morgen zal minder ideëel praten, maar hij zal meer idealistisch leven. Hij zal de techniek in stand houden en zelfs verder ontwikkelen, maar hij zal die ontwikkelingen aanpassen aan zijn werkelijke behoefte, niet aan de een of andere economische behoefte.

Voor de mens van morgen wordt het leven in de geest steeds meer een reëel deel van zijn bestaan. Daardoor zal hij het geheel van het leven een beetje anders zien. En dat brengt met zich mee dat hij enerzijds minder respect heeft voor zijn eigen leven, het in stand houden daarvan is niet zo belangrijk meer. Hij heeft ook minder medelijden met anderen, want hij beseft dat hetgeen zij doormaken voor hen ook een deel is van hun geestelijke ontwikkeling. Aan de andere kant zal hij zich niet onttrekken aan zijn gevoel van aansprakelijkheid tegenover een ander.

De wereld zelf zal ondertussen de noodzaak van veranderingen meermalen aankondigen en soms zelfs zeer nadrukkelijk. De mens van de toekomst zal zich daaraan conformeren niet omdat het niet anders kan, maar opdat hij beseft wat voor hem de juiste weg is. Hij is dus een bewuster mens. Een mens, die van vele kwaliteiten en gaven gebruik maakt, die niet meer alles wil binden aan een bepaalde schoolse kennis, maar die Uitgaat van het reële denken en werken. Een mens, die niet zegt;

We moet een diploma hebben voordat je een winkel kunt leiden, maar die zegt; Als je het niet kunt, ga je vanzelf wel failliet. Maar hij is ook een mens die zegt; Wanneer ik snijwerk wil maken, dan maak ik dat. Ik zal liever verhongeren terwijl ik snijwerk maak dan dat ik voor een ander spijkers ga inslaan. Dus hij is een wat koppige mens.

Samenwerking van de mensen speelt natuurlijk ook een grote rol. Ik kan mij voorstellen dat mensen samen tot een conclusie komen; Hier moet een brug worden gebouwd of dáár een krachtcentrale. En dat ze dan niet zeggen; “Nou, ik ben benieuwd hoe ze dal zullen doen,” maar dat zeggen; “Ik heb ook een idee. Ik ga er naar toe, ik ga meewerken.” En op een gegeven moment zeggen ze; “Ik heb er genoeg van,” en dan gaan ze weg. Maar er zullen steeds mensen zijn die zeggen; “Nu moet ik hier ook het mijne toe bijdragen.” En dat lijkt mij ook geestelijk zo.

Ik kan mij gemeenschappen voorstellen, die me doen denken aan een ashram (een soort geestelijke leerschool) met een vlottende bevolking, zelfs zonder werkelijke leraar, waar de mensen komen die behoefte hebben aan geestelijke verdieping. Zij komen daar samen en mediteren, wisselen hun geestelijke belevingen uit en proberen daar dan weer rust en een nieuw besef te krijgen totdat ze zeggen; “Nu besef ik ineens welke taak voor mij passend is” en dan gaan ze weer weg.

De mens van de toekomst zal een mens zijn, die veel grotere vrijheden zal kennen, zeker, maar ook veel minder vrijheden voor zich zal opeisen. Hij is een mens, die zeker over grotere mogelijkheden beschikt om te leven zoals hij wil dan de mens van vandaag, maar die gelijktijdig daarvan veel minder misbruik zal trachten te maken dan de mens van heden doet.

De mens van morgen is een beter mens. Geen speelse mens, maar een mens voor wie “zijn” betekent “werken”, en “werken” betekent “Inspanning” omdat het werken een verwezenlijking is van wat hij in wezen is. Het is een mens, die geen verslaving nodig heeft om aan zijn wereld te ontvlieden, omdat hij in zijn wereld alles, kan vinden wat voor hem noodzakelijk is.

Als ik u dat beeld zo voorhoud, dan kan ik me voorstellen dat u er een hele hoop kritiek op heeft en dat u zich afvraagt; Hoe kan dat allemaal? Laten we echter nog een laatste punt aansnijden;

De mensen van morgen kunnen zich niet meer zo sterk beroepen en hun ras, hun land of hun godsdienst, omdat ze meer zijn aangewezen op de betekenis die zij volgens hun eigen begrip in de wereld kunnen vinden. Dat houdt in, dat heel veel tegenstellingen, die op dit moment erg belangrijk zijn, wegvallen.

Ik kan mij voorstellen, dat een Arabier er geen belangstelling meer voor heeft dat Israël de zee wordt ingedreven, maar wel belangstelling heeft voor de vraag: Hoe kan ik vruchtbaarheid brengen in dit dorre land?

Ik kan mij voorstellen dat een jood in New York niet meer uitroept. “Als Israël verdwijnt, dan zitten we weer helemaal in de diaspora, dan zijn we helemaal verworpen,” maar dat hij uitroept; “Ik heb mijn geloof, jij hebt het jouwe. Als ik mens ben volgens mijn begrip van mijn God en mijn besef van mijn innerlijk leven, dan ben ik net zo goed als jij. En dan gaat het er niet om, hoe ík het zeg, maar hoe ik het bén.” Ik kan me voorstellen, dat de Israëli zegt; Eigenlijk zijn die Arabieren kunstmatig een eind de middeleeuwen in geduwd en gehouden. Het is voor mij belangrijk, dat ik jullie help om, eerst eens moderner te leven en dus de tekortkomingen op te heffen. Daarnaast, moet ik dan aanvaarden dat jullie anders denken en innerlijk anders beleven en waarderen dan ik doe.

Als ik aanvaard wat we tezamen kunnen zijn, tezamen kunnen doen, dan zullen die andere tegenstellingen overbrugd kunnen worden door een weder­zijds gesprek met een wederzijds begrip. Ik zie in die toekomstige wereld heel veel dingen veranderen. Ik zie daarnaast ‑ en dat zullen velen treurig vinden ‑ ook het einde komen aan vele dictatoriaal aandoende belijdenissen. Men zal zich niet meer afvragen; Wat is de ware leer? Men zal zich afvragen; wat is in mij de ware God?

Men zal zich niet meer afvragen; Hoe moet ik dit geloofspunt uitdruk­ken? Men zal zich afvragen; Wat is dit geloofspunt in mij ten aanzien van wat ik ben in de wereld? Men zal zich niet meer afvragen; Wat weet die ander meer dan ik en staat daardoor boven mij? Men zal gewoon zeggen; Wat kan die ander mij bieden waardoor ik meer mijzelf kan zijn? Wat kan ik die ander geven, opdat hij meer zichzelf kan zijn?

Ik zie grenzen wegvallen. Zeker, de grote machten van vandaag zullen dat niet zonder meer laten gebeuren. De mens van morgen zal door vuur gelouterd worden, daar ontkomt hij niet aan. We moeten niet denken, dat deze wereld in een paar generaties ineens in een paradijs kan veranderen. Maar we moeten ons wel realiseren, dat de mens weer kan veranderen in de paradijselijke mens; de mens die wandelt met God en die leeft omdat het goed is zo te leven. En dan zullen die machten langzaam maar zeker hun greep verliezen. Dan zullen de vele illusies, de vele stellingen, die boven de werkelijkheid worden gesteld verdorren in het droge zand van de onvruchtbare gedachten. De onvruchtbare gedachten zullen steeds weer oasen van geestelijke rust scheppen.

Denk niet, dat er over 30 jaar een ogenblik komt waarop u niets behoeft te betalen voor hetgeen u nodig heeft. Het jaar 2000 brengt zeker nog geen Bellamy‑systeem. Er zijn nog veel te veel machten, die er belang bij hebben dat er geld in omloop blijft en vooral dat de waarde van dat geld naar behoeven kan worden veranderd. U zult gewoon betalen en u zult voorlopig ook gewoon verdienen. Maar men zal steeds meer zeggen; Dit kan ik en wat kan jij? De timmerman zal voor een ander een klusje gaan opknappen zonder over betaling te praten, gewoon uit vriendschappelijkheid en de ander zal omgekeerd dat ook doen. De mensen zullen hun bekwaamheden steeds minder gaan zien als een middel om ruilobjecten te verwerven en steeds meer als een middel om hun eenheid en saamhorigheid met anderen uit te drukken. En daardoor zullen die machten langzaam maar zeker inderdaad hun invloed zien verdwijnen.

De grote kracht van deze tijd is, dat men groep tegen groep weet op te zetten, mens tegen mens in het harnas weet te jagen, dat men gezagskwesties, en bewustzijnskwestie door elkaar haalt, dat men spreekt over de noodzaak voor elkaar te zorgen (solidariteit) en gelijktijdige solidariteit weer wil gebruiken om de ander zijn zelfstandigheid te ontnemen. Dat verandert, als mensen samen solidair zijn. Niet omdat het zo hoort of omdat wij arbeiders of intellectuelen of middenstanders nu een­maal samen moeten optreden tegen de rest van de wereld, maar gewoon omdat ze denken; wij kunnen samen wat meer tot stand. brengen. Als de solidariteit geen kwestie is van verplichting, maar van een bewuste actie, dan verandert er toch ook veel.

Denk niet, dat de maatschappij van morgen ineens een zonnige wereld is, maar realiseer u dat in de mens van vandaag de mens van morgen reeds begint te groeien, dat er vandaag steeds meer mensen komen die hun belangstelling van het zuiver stoffelijke in de richting van het geestelijke verplaatsen, dat er steeds meer mensen komen die niet alleen mooie redevoeringen willen horen, maar die voor zichzelf ook iets willen doen, iets willen ervaren, iets willen presteren. Realiseer u dat er vandaag steeds meer mensen komen die beseffen, de maatschappij manipuleert mij en daardoor minder manipuleerbaar worden. Dat betekent; minder waan, meer begrip voor de werkelijkheid, vooral voor je eigen werkelijkheid en betekenis. En dat impliceert weer bewustwording. En bewustwording ‑ dat geladen woord ‑ betekent langzaam opbloeien in een grotere wereld, in een wereld van meer krachten, van meer inhoud. Dat is nu aan de gang.

Daarom meen ik, dat ik de mens van morgen niet te optimistisch heb getekend. Ik wil u geen wereld voorspellen, die ineens beter wordt, maar ik voorspel u ‑ ja, wat meer is, ik geeft u de garantie ‑ dat op dit moment reeds een soort mensen aan het ontstaan is waarvoor innerlijke waarden en innerlijke betekenis zo belangrijk worden, dat ze daardoor de wereld buiten hen haast dwingen te veranderen.

Bewuste mensen scheppen geestelijke krachten en machten, die op de wereld steeds meer kunnen betekenen. Geestelijk en innerlijk bewuste mensen zijn mensen, die datgene wat ze zijn ‑ geestelijk én stoffelijk ‑ op een juistere wijze in de wereld weten in te zetten. Dat zijn de mensen van morgen!

*****************************

*  Is niet de overgang van homo sapiens naar homo superior nu reeds gaande? Ik denk hierbij aan de overgang van onze drie dimensies naar mul­tiple dimensies.

Ik weet niet, of de term, homo superior hier de juiste is. Ik meen, dat homo sapiens (de bewuste mens) nog in hoge mate van toepassing zou zijn op de mensen, die langzamerhand leren dat er meer dimensies in het leven bestaan dan die welke zintuiglijk waarneembaar zijn. Maar ik ben het met u eens, dat in deze periode er steeds meer mensen komen, die doordringen in die richtingen van leven, welke niet meer tot het zuiver materiële behoren en die toch reëel zijn, die werkelijkheidswaarde bezitten. In deze zin zou ik het willen omschrijven. Homo superior heeft echter een bijzondere bijsmaak. Als wij zeggen dat iemand superieur is, dan zal een ieder die dit niet is zich inferieur gaan voelen en daardoor in verzet komen. De mens is nu eenmaal zo, dat hij niet graag iets ziet wat in naam boven hem staat. Wanneer een ander als deel van zijn gemeenschap boven hem staat, dan kan hij deze bewonderen en navolgen. Als iemand echter los komt te staan van de mensheid, dan is hij ofwel een soort legende en heeft hij weinig invloed, dan wel hij wordt een vijand die men probeert te overwinnen om zo eigen grootheid te bewijzen. Dit is voor mij de reden om de term homo superior af te wij­zen. Ik hoop, dat u daarvoor begrip heeft.

*  Homo superior is niet een kwestie van een fase in het wezen van de mens. De mens is op het ogenblik geroepen om zich los te maken van het 3‑dimensionale en over te gaan naar het 4‑dimensionale. Ik wil niet zeggen dat dat over duizend jaar gebeurt, maar misschien over tienduizend jaar. De kiemen moeten nu al aanwezig zijn en daarop moeten we zuinig zijn.

Als u het zo uitdrukt, dan wil ik dat eventueel aanvaarden. Maar ik zeg nogmaals; Het onderscheid dat we maken is niet altijd terecht. Toen we begonnen te spreken over homo sapiens, hadden we wel te maken met een mensensoort, die een juister of een groter gebruik maakte van de aanwezige geheugencapaciteit. Wij hadden dus niet te maken met een mens met totaal nieuwe kwaliteiten. Lichamelijk was er sprake van een sprong­mutatie. Die vond betrekkelijk snel plaats en óp meer dan één plaats zelfs op aarde), maar we hadden niet te raken met een absolute verandering van het mens‑zijn. Ik probeerde juist duidelijk te maken dat dat niet het ge­val was. Als we spreken over multi-dimensionaal, dan moeten we wel begrijpen dat we dat alleen in geestelijke zin kunnen doen. Als we die term zuiver stoffelijk gebruiken, dan zou dit betekenen dat de mens een nieuwe afme­ting zou gaan beheersen. Die afmeting zou dan alleen denkbaar zijn ‑ vanuit menselijk standpunt ‑ ten aanzien van de factor tijd of van een deel van het verschijnsel dat door ons op aarde als tijd wordt geïnter­preteerd. Dus dan zitten we al in de moeilijkheden. Als we zeggen multi‑dimensionaal, dan kunnen we alleen zeggen dat het bewustzijn van geestelijke wereld en geestelijk leven kan worden geïntegreerd in het besef van het stoffelijk bestaan zoals dat zintuiglijk wordt geregistreerd. En dan hebben we te maken met iets wat eigenlijk al­lang bij individuen is voorgekomen; iets wat ook in deze tijd voorkomt en waarvan zelfs gesproken kan worden van een recente ontwikkeling waar­door steeds meer individuen iets van die mogelijkheid verkrijgen. Ik geloof, dat we toch beter doen om de term “Multi‑dimensionaal” niet of met enig voorbehoud te gebruiken. We zouden liever kunnen spreken over het normaal worden van de nu nog paranormaal genoemde capaciteiten van de mens waardoor een uitbreiding van zijn wereldbesef mogelijk is. En dan geldt dat inderdaad nu reeds en zeker voor de mens van morgen. Wanneer we 10.000 jaar verder gaan, dan hebben we zeer waarschijnlijk te maken met een verdere mutatie van het menselijk ras en zullen we aller­hande kwaliteiten zien verschijnen, die nu ondenkbaar zijn, terwijl moge­lijkheden, die nu voor de mens normaal zijn, wegvallen. Dat is namelijk bij dergelijke mutaties bijna altijd het geval.

*  Is de grootste strijd niet voor het tegengaan van het nihilisme en het vernietigen van de “brass‑hat‑mentality”?

Dat zijn mooie woorden. De “brass‑hat‑nentality” is een mooie Engelse term, die eigenlijk zou moeten worden vertaald als “officiers‑mentaliteit”, iets wat voor Nederland misschien niet helemaal doel treft. Wij hebben hier te maken met het gevoel van; indien alles volgens een vaste orde verloopt, kan ik mijn rang in die orde verhogen zonder dat ik daarvoor meer behoef te worden. Het is dus een kwestie van verhoging van aanzien zonder werkelijke verhoging van kwaliteit. En als we daar­ over spreken, dan hebben we het over mensen, die orde belangrijker vin­den dan al het andere, omdat ze binnen die orde hun plaats weten en misschien buiten die orde om beseffen dat ze zelf weinig of geen plaats in de gemeenschap zouden kunnen vinden. Als u zegt; Dat moeten we uit­roeien, zeker. Maar niet door de mentaliteit als zodanig aan te vallen in de orde, maar door duidelijk te maken dat de orde altijd ondergeschikt is aan degenen die binnen die orde leven. Met nihilisme is het precies hetzelfde. Je kunt alle dingen ontkennen, maar degene, die alle dingen ontkent, moet ook zichzelf ontkennen. Zij echter, die zich nihilisten noemen, zijn over het algemeen juist degenen die zichzelf superieur stellen tegenover de wereld en daardoor het geheel van de invloeden, die hen zou kunnen bepalen, proberen te vernietigen. Ik meen, dat het nihilisme zichzelf voortdurend bestrijdt, omdat de ene nihilist bereid zal zijn de andere nihilist om te brengen op het ogenblik dat er elders geen orde valt te verstoren.

*  Ik zou onder nihilisme willen verstaan meer het absentisme van de meeste mensen.

Dan gebruikt u het woord nihilist verkeerd. Als u zegt “absentisme”, dan ben ik het met u eens. Maar zegt u “nihilist”, dan niet. Omdat de meeste mensen, die zich niet bezighouden met een partij, ook al stemmen ze daarop en die geen behoefte hebben aan inspraak, ook al proberen ze hun eigen weg te gaan, geen nihilisten zijn. Zij kunnen zelfs positivisten zijn; alleen de richting, welke zij kiezen is met die van het veranderen van het bestel. En nu zult u het misschien erg vreemd vinden als ik zeg dat inspraak in vele gevallen alleen maar tot ongevallen leidt. Als u het niet gelooft, moet u eens spreken met een autobestuurder, die een vrouw heeft die bij het sturen voortdurend inspraak probeert te hebben. Datzelfde kunnen we zien in elke bestuursvorm, of dat nu een staat is, een vereniging of een kleine groep. Ik kan begrijpen, dat u inspraak ziet als een verzet tegen de technocratisch‑bureaucratische benadering waarbij paternalistisch wordt bepaald wat goed voor u is en u zich daarbij heeft neer te leggen. Ik geloof echter, dat daar wel degelijk verzet tegen bestaat. Dat kan een passief of een actief verzet zijn. U zegt; Degene, die zich passief verzet, is een nihilist. Dat is niet waar. Hij is doodgewoon iemand, die zich onttrekt aan een macht die hem probeert te beheersen en die niet probeert die macht te bestrijden.

Het grote gevaar voor het activisme is namelijk dit; Men bestrijdt een bestaande macht, omdat deze geen rekening houdt met de belangen en rechten van allen. Maar gelijktijdig zult u in uw activistisch idea­lisme een aantal acties en daden stellen die indruisen tegen de belangen, de rechten en de wil van anderen. Een revolutie tegen een dictatuur resulteert vaak in een nieuwe dictatuur; en dat lijkt mij niet erg aanvaardbaar. Als u dus hiervoor de term “nihilisme” gebruikt, dan zou ik zeggen: het is toch wel een beetje verkeerd. Indien u zegt dat de mensen lid moeten worden van de partij waarop ze stemmen, dan zeg ik misschien zou het veel beter zijn, indien de mensen niet gingen stemmen op al diegenen, die hun beloften niet hebben gehouden. Dat be­tekent dan waarschijnlijk dat ze niet zullen stemmen, maar dat maakt toch wel indruk. Als elke mens datgene doet wat hij voor zich juist acht en anderen helpt, om eventueel in die richting ook voor henzelf iets te bereiken, dan doet hij veel meer dan iemand, die voortdurend inspraak vraagt.

*  Ik bedoelde dit: we leven in een maatschappij en we moeten niet zo­zeer lid zijn van een partij, maar we moeten meedoen. We moeten de mensen zodanig opvoeden enz. enz.

Een gevaarlijk punt, de mensen opvoeden. Dat is conditioneren!

*  Dat vind ik noodzakelijk.

Dat is uw recht om te vinden en dan moet u ook proberen dat te doen. Ik zou zeggen: voedt u dan de mensen op door uw voorbeeld. Dat is iets wat teveel wordt vergeten. Veel mensen zijn bezig om anderen op te voeden. Dat is in wezen ‑ ik heb het al gezegd ‑ een vorm van het conditioneren van anderen. Maar met dat conditioneren bereik je niets positiefs. Je bereikt alleen een andere houding. Denkt u, dat als er een demonstratie is, iedereen die daarin meeloopt werkelijk geactiveerd en bewust gemotiveerd is? Over het algemeen loopt men mee, omdat de an­deren het ook doen. En zo gaat het met heel veel van de z.g. progres­sieve zaken. Laten we ons één ding goed voor ogen houden; Ik ben het met u eens dat het belangrijk is, dat elke mens in zijn eigen omgeving volgens zijn eigen begrip en zijn eigen mogelijkheden bewust meeleeft met een gemeenschap. Maar die gemeenschap kan alleen door die mens worden bepaald. Degenen, die zeggen dat de maatschappij identiek is met de gemeenschap, zijn mensen die ik niet goed kan begrijpen. Je zou even goed kunnen zeggen dat Esso, Philips etc. etc. een wettig gezag vormen. In de praktijk lijkt het er soms op, maar het is niet reëel. Indien de, mensen bv. vinden dat bepaalde dingen niet juist zijn, moeten ze er niet aan meewerken. Ieder voor zich; dan kunnen ze misschien bereiken dat het verandert. Ze kunnen ook proberen door te zetten wat anders is, maar dan is het de vraag, of punt 1; het beter zal zijn en punt 2; zullen zij dan anderen op dezelfde wijze benaderen als nu het geval is, nu ook een macht zegt. Zo is het goed voor je en een ander moet dat dan maar dulden. Je bewustworden van je eigen belangrijkheid als deel van een schap is belangrijk in deze tijd. Ik geloof, dat je meer bereikt met “wetswinkels” dan met “derde‑wereldwinkels”, omdat de wetswinkel direct ingrijpt in de behoeften van de mens en hem daardoor ook iets bewuster doet staan tegenover zijn omstandigheden. Terwijl de derde‑wereldwinkel weliswaar een aardige propaganda voert, maar in wezen niet ingrijpt in het bestaan van de mens en door het gewekte besef geen feitelijke veranderingen tot stand brengt. Misschien dat het in deze termen duidelijker is.

*  Is resonantie bij mensen mogelijk?

Indien u dat bedoelt ten aanzien van gedachten, dan moet u maar eens nagaan hoe vaak man en vrouw hetzelfde denken, bijna hetzelfde zeggen of zelfs aanvoelen wanneer de ander thuiskomt en dat soort dingen. Hier is sprake van resonantie. Datgene wat aan besef in de een bestaat, wordt ‑ vooral op die punten welke voor de ander belangrijk zijn ‑ in die ander weerspiegeld. En als deze resonantie bestaat, is het duidelijk dat ze ook op hoger, op geestelijk niveau kan bestaan, zodat de wordt aangevuld door de ander, maar op zijn beurt die ander aanvult, wanneer in de ander tekorten optreden.

*  Is het niet zo, dat de paranormale gaven niet ons eigendom, maar dat die ontwikkeld moeten worden, zodat wij loskomen van het mechanische geknutsel teneinde ons kosmisch te evalueren eventueel in multiple dimensies?

Om het zeer eenvoudig te formuleren; Datgene wat men aanspreekt als paranormale gaven bij de mens is; a. geen gave en; b. niet paranormaal maar normaal voor die mens. Want het is een eigenschap, welke in die mens berust krachtens zijn wezen en kwaliteiten ‑ dit onverschillig of die eigenschap wordt ontwikkeld of niet. Ze is potentieel. Indien dus een mens zijn z.g. paranormale kwaliteiten ontwikkelt, wordt hij alleen meer zichzelf en leert hij gebruik te maken van bepaalde kwa­liteiten (men zou haast kunnen zeggen), die hij bezit buiten de algemeen aanvaarde.

*  Wij zouden inderdaad moeten zijn “de hoeder van elke medemens”, on­merkbaar voor deze medemens.

Dat is alleen juist, indien men aanneemt dat elke medemens een schaap is. Ik geloof, dat het idee van moeder‑zijn door de mens n.l. geïnterpreteerd als; het behoeden en juist leiden. Ik meen, dat degene die dit probeert te doen voor zijn medemensen een fout maakt. Je zoudt misschien het “ben ik mijn broeders hoeder” ‑ een citaat van Kaïn, ondervraagt over het lot van Abel ‑ eerder moeten zien als; heb ik ten aanzien van mijn medemens aansprakelijkheden? En dat zou ik als volgt willen formuleren:

Daar waar wij ontdekken en beseffen dat er voor onze medemens pro­blemen of moeilijkheden bestaan, die hij niet zelf kan oplossen en wij tot die oplossing kunnen bijdragen, is door dit beseffen voor ons de verplichting geschapen de ander bij te staan naar ons beste vermogen. Het betekent niet, dat wij de verplichting hebben (of het recht, zoals bepaalde groepen graag zeggen die zich als leiders van de mensheid opwerpen) om een mede­mens in een bepaalde richting te dwingen. Wij kunnen hem hoogstens die mens de richting tonen. Indien wij zeggen dat Jezus de Goede Herder is, moeten we ook beseffen dat, indien hij de Goede Herder is, er geen behoefte is aan een verwarde assistentie door degenen, die geen echte herders zijn en waarbij het “goede” ook nog vaak vraagwaardig is.

*  Ik bedoelde te zeggen; leiden zonder dat de ander merkt dat hij wordt geleid. Als men het merkt, is het een dwang.

Dat ben ik direct met u eens. Maar als u dit “onmerkbaar” gebruikt, wat zou u dan denken van de conditionering door reclame? Moet ik die dan ook goedkeuren?

*  Neen.

Dus met andere woorden; of deze leiding nu merkbaar of onmerkbaar wordt gegeven, indien zij geen rekening houdt met de vrijheid van denken en beslissen van de medemens is ze onjuist volgens mijn opvatting,

*  Ik bedoel; leiding geven zonder dat er dwang achter zit

Ja, dat geloof ik wel en u bedoelt het allemaal heel goed, maar leiding geven ‑ merkbaar of onmerkbaar ‑ betekent dat u de vrijheid van een ander ‑ merkbaar of onmerkbaar ‑ niet volledig toestaat. Dat u aan­neemt dat u verplicht bent om te zorgen dat de ander datgene doet wat u juist acht. En dat betekent weer dat u zichzelf als maatstaf gebruikt voor de mensheid. Dat is onjuist, omdat u van uzelf niet weet in hoe­verre datgene wat u juist acht voor anderen juist is of zelfs voor u blijvend juist zal zijn.

*  Is dat niet een zekere pretentie?

Dat kan erin liggen. In vele gevallen is het bij een mens zo, dat hij een waarheid verkondigt waaraan hij innerlijk twijfelt en anderen tracht te leiden tot erkenning van die waarheid ‑ gemerkt of ongemerkt – om zo een bevestiging te krijgen waardoor zijn eigen onzekerheid zal ver­dwijnen.

*  Is het geloof van de Vrijmetselaren in een steeds voortstuwende wereldorde leidend tot een broederschap der mensheid in het licht van uw betoog juist?

Uitgaande van het standpunt dat bij de Vrijmetselaren geldt, dat men door te leren van elkaar komt tot een beter kennen van zichzelf en daardoor tot een verbeteren van het gehele zijn, acht ik het gestelde juist. Zou men ervan uitgaan dat de Vrijmetselaren in zichzelf een geloof zijn, dan ben ik geneigd dit te bestrijden. Het is een gemeenschap, waarin men ongeacht verschil van denken en geloven elkaar treft om door vergelijking van onderlinge inhouden tot een beter besef van zichzelf en de wereld te komen. En als zodanig streeft de Vrijmetselarij weliswaar een bewustwording van de wereld na die dan in een verbetering resulteert, maar mag haar houding nimmer er een zijn waardoor zij zichzelf en haar stellingen verheft boven al het andere.

*  Door symbolen en rituelen wordt een zekere band gesloten waarop zij zich verder voortbewegen.

Dat zou alleen juist zijn, indien de betekenis van ritueel en symbool, voor een ieder volledig gelijk zou zijn. Laten we het eerder zo stellen, dat de symbolen en de riten tezamen een middel vormen om een grotere geestelijke eenheid tot stand te brengen waaruit dus een groter onder­ling begrip mogelijk wordt, maar waarbij de band er toch een blijft van een samenwerking, ongeacht de verschillen. De bewustwording van het ego is het belangrijke punt, niet het bereiken van een gemeenschappelijk bewust­zijn voor anderen. Ik hoop, dat ik het juist heb geformuleerd.

*  Zou het verschuiven van de aardas een grote invloed (O.a. grote rampen) op de mensen kunnen hebben?

Ik zou zeggen; meer op onze wereld. Wij zijn niet zo op massabedrijf ingesteld en dat krijgen we op zo’n ogenblik dan wel. Wanneer iets der­gelijks gebeurt, dan kan het volgende daarvan het resultaat zijn; a. de verandering van de laag van de aardschotsen ten aanzien van elkaar. Men kan dus krijgen een veranderde zee‑ en landverdeling, daarbij eventueel een rijzen van delen van de zeebodem en een ver­zinken van delen die tot op dat ogenblik land geweest zijn; b. enorme temperatuursveranderingen en een zeer sterke atmosferische beweging.

Dit alles tezamen betekent inderdaad dat de mens zich dan niet tegen deze rampen kan verdedigen. Het houdt verder in, dat de bestaande maatschappelijke verhoudingen teniet worden gedaan en een overlevering blijven in die paar delen van de wereld waarin een beschaving dan gerepresenteerd wordt door een voldoende aantal personen. En dat impliceert weer de opbouw van een maatschappij waarin de oude overleve­ring een rol speelt zo goed als de nieuwe omstandigheid. Dit is in de geschiedenis van de aarde reeds meermalen gebeurd. Of het altijd een verbetering zal zijn, is natuurlijk nog te bezien. Over het algemeen nemen wij wel aan dat degenen, die dan weer worden geboren onder deze nieuwe omstandigheden, inderdaad een snelle ontwikkeling van de mensheid in een nieuwe richting tot stand zullen brengen.

*  Kunt u van uw kant een duidelijke definitie geven van ego.

Als ego beschouwen wij het geheel van herinneringen en belevingen waardoor een voorstelling van waarden en van betekenis van het “ik” en een erkenningsmogelijkheid ten aanzien van het niet‑“ik” welke gezien de inhoud van de mens mede zijn relatie met het niet‑“ik” bepaalt.

*  Er zijn mensen die zeggen; het ego is een alterego. Wat is dat dan?

Als alterego verstaat men meestal ‑ er zijn verschillende interpretaties mogelijk – een ego waarvan de inhoud voldoende toegankelijk is voor het eigen “ik”, zodat door deze beiden en hun gedeelde bewustzijnsinhoud een verhoogde relatie met de wereld daaromheen kan ontstaan. Ander‑“ik” betekent dus in deze gevallen een andere persoonlijkheid wier “ik” een inhoud heeft welke voor het eigen “ik” aanvaardbaar is, maar gelijktijdig daardoor de besefs‑ en mogelijkheidswaarden van dit “ik” uitbreidt.

Alterego wordt echter ook wel gebruikt voor een functie, die men heeft uitgezonden; die dus deel is van het ego, maar tijdelijk onafhankelijk daarvan optreedt. U ziet dus; alleen reeds uit het verschil tussen deze beide interpretaties is het moeilijk om alterego zonder meer en volledig te definiëren. Ik persoonlijk geef de voorkeur aan de eerste.

*  Heeft het rationeel en materialistisch denken ook zijn beurt gehad in de geschiedenis der mensheid?

Ik zou zeggen, dat naast het materialistisch denken het rationeel denken van de mensheid geschaad omdat de ratio (de rede) reke­ning moet houden met eigen wezen plus eigen wereld en niet eigen wezen mag onderwerpen aan de mogelijkheden van eigen wereld. Zeker heeft dat invloed. In de historie zien wij een periode waarin materialis­tische ontwikkelingen plaatsvinden en deze vormen bij vermindering van materialistische mogelijkheden dan weer de aanleiding tot een geestelijke verdieping, waarbij de geestelijke verdieping een verandering van besef teweeg brengt, welke dan opnieuw zoekt zich materieel te uiten. En deze uiting geeft op den duur weer aanleiding tot een meer materialistisch denken. Het is dus een wisselwerking, die in de historie van de mensheid zeer belangrijk is, omdat alléén materialistisch de mens ver­der kan komen, terwijl hij niet alleen geestelijke waarden en ten aanzien van het onbekende ook niet verder komt. Een mens leeft nu een­maal in de stof en in de geest. Hij zal de waarden van deze beide moeten versmelten. Zo zal zijn rede hem tot heerser over de materie moeten maken, terwijl hij ‑ de materie beheersend ‑ haar gelijktijdig weet te gebruiken op een voor het “ik” passende wijze. Daar ziet u de voltooiing. Maar zolang dat niet het geval is, zal de mens beginnen met de aan te passen aan datgene wat hij innerlijk als mogelijkheid heeft leren beseffen. En dan op den duur verder de materie zover in haar mogelijkheden ontwikkelend boven zijn eigen vermogen dit in zich te beheersen en te aanvaarden, dat hij door de materie wordt beheerst. Dan krijgen we het materialistisch denken, omdat men niet meer in staat is het ego los te zien van de materiele omstandigheden.

*  Ik geloof, dat de mens niet alleen op deze aarde is, maar overal in het heelal en in andere melkwegstelsels….. enz.

Als u het zo zegt, dan ben ik het niet helemaal met u eens omdat een humanoïde ontwikkeling, die inderdaad op vele planetenstelsels mogelijk is gebleken, niet impliceert een “menselijke” ontwikkeling in de zin van “gelijk aan die van de mensheid”. Het zal u verder duidelijk zijn, dat er veel planeten zijn met afwijkende mogelijkheden; bv. een ander stofwisselingsproces, een ander uitwisselingsproces, een totaal andere atmosfeer. Wij kunnen ons voorstellen dat op een planeet met een methaanatmosfeer ook leven voorkomt dat zich ontwikkelt, ofschoon dat dan door die omstandigheden toch weer anders zal zijn dan dat van de mens. Als u zegt; Het “ik”‑besef, dat geestelijk gezien de voor­waarde is van het mens‑zijn, vinden wij overal in de schepping terug, dan ben ik het met u eens. Zegt u; Het mens‑zijn en bepaalt u daarmede het geheel tot uw eigen wijze van leven en denken, dan ben ik geneigd het te ontkennen.

*  De mens vernieuwt zich steeds, maar meer omdat hij zichzelf vernietigt.

Ook dat is een stelling, die ik vanuit de geest niet kan onder­schrijven. Ik geef toe dat levensvormen, die een bepaalde fase van span­ning bereiken de neiging hebben zichzelf bij het optreden van onontkoombare problemen geheel of deels te vernietigen in de hoop daardoor een nieuwe vrijheid te verwerven. Maar het besef dat hierbij een rol speelt blijft hetzelfde. Als U overgaat, komt u niet in een kosmische wereld terecht waar alles anders is. Dan komt u in een wereld terecht die an­ders is, maar waarin u uzelf gelijk blijft. Dat is de definitie van ego in de menselijke zin, die wij hier op voorhand moeten steller, en ik zou deze willen formuleren als een wezen, dat zichzelf kan beschouwen vanuit de omgeving en niet slechts de omgeving vanuit zichzelf. Zo geformuleerd bestaat dit besef natuurlijk wel overal, maar als we “mens” zeggen en we bedoelen daarmee de menselijke vorm en kwaliteit, dan zeg ik; Neen, die bestaat niet. Zeggen we “humanoide vorm” op de mens gelijkende, vormen nu eenmaal deel zijn van een bepaalde ont­wikkeling waarin manipulerende langzaam maar zeker een beschaving ontwikkelen (de ontwikkeling van beschaving heeft de verandering van vorm meestal zelfs ten gevolge), dan moet ik zeggen; Humanoïde vor­men komen er in de kosmos veel voor. Maar dat heeft niets te maken meer met het menselijk “ik”‑besef. Er zijn humanoïde vormen denkbaar, die niet menselijk zijn in hun besef. En er zijn niet‑humanoïde vormen denkbaar (en bestaan trouwens ook), die t.a.v. hun “ik”‑besef volledig menselijk genoemd kunnen worden en zelfs vergevorderd menselijk. Het is alles een kwestie van formuleren.

NAREDE

Ik moesten ons bezighouden met de mens van morgen. In wezen hebben we ons bezig gehouden met datgene wat er gebeurt op de wereld. Dit is de tijd van Aquarius. Het is de tijd waarin een nog niet vol­wassen mensheid de stap naar de volwassenheid moet doen. En dat bete­kent inderdaad grote veranderingen geestelijk, maar waarschijnlijk evenzeer t.a.v. stoffelijk gedrag. Deze dingen worden door kosmische krachten en invloeden mede bepaald. Er is een patroon waaraan ook wij moeten beantwoorden, omdat we buiten dit patroon niet kunnen bestaan. Dit geldt voor de geest, dit geldt voor de stof. Wij moeten onze rol spelen of we willen of niet. Indien wij falen, zullen we verdwijnen en eventueel het patroon herhalen tot het punt waarop we gefaald hebben. Daar waar wij slagen, evolueren, veranderen wij en zullen we verder gaan in een nieuw besef, maar nog steeds zijn hetzelfde wezen, dat zoekt zijn werkelijke bestemming en zijn werkelijke oorsprong te begrijpen en te bereiken.

Als we spreken over de mens van morgen, dan spreken we over een klein deel van een ontwikkelingsgang, die ouder is dan de aarde zelf. Laten we dit beseffen. wat er gebeurt, op deze wereld. is voor ons mis­schien belangrijk, als we op de wereld leven. Maar in het geheel is het alleen maar een vluchtige seconde in jaren, die alleen kunnen worden uitgedrukt in de geboorte en het sterven van planeten en sterren. Wat er gebeurt is belangrijk voor ons. En de vele kleine dingen die ons belangrijk lijken zijn dat in het geheel misschien niet. Het is de ontwik­keling, datgene wat wij aan besef, aan bewustzijn daaruit overhouden wat belangrijk is. De vormen zijn niet belangrijk. Het is de inhoud. Zodra we beseffen, dat de inhoud het belangrijkste is ‑ ook van ons eigen bestaan en van ons leven ‑ dan zullen we rond ons kijkend zien dat steeds meer mensen dit besef; mijn eigen “ik”, dat wat ik ben is belangrijk, in zich ontdekken. En dan zult u het bevestigen, als ik zeggen over een enkele generatie reeds zullen we de mens van morgen zien ontstaan, ook als dat dan niet zonder strijd gaat.

De mens vergeet vaak dat verscheidene fasen van menselijke ontwikkelingen naast elkaar kunnen ontstaan en dat ze tezamen lange tijd voortleven. Men ziet over het hoofd dat primitievere levensvormen tot in deze tijd toe soms zich weten te handhaven. Dat dus de homo sapiëns in wezen niet plotseling de heerschappij over de wereld heeft overgenomen, maar dat hij langzaam, maar zeker zijn eigen kwaliteiten bepalend heeft gemaakt, zelfs voor de andere, de z.g. lagere soorten van de mens, die rond hem nog steeds in stammen hun leven leiden. En datzelfde zullen we ook in deze tijd zien.

De zich vernieuwende mens is niet de kracht, die opeens de wereld verandert. De zich vernieuwende mens leeft met mensen, die zich nog niet hebben vernieuwd of zelfs niet kunnen vernieuwen. Met zo’n besef buigt hij langzamerhand de mogelijkheden om. Mogelijkheden, die ook bestaan voor die andere soorten en rassen. En eerst als de ontwikkeling ver genoeg is voortgegaan, zullen de oudere, die meer orthodox gebonden soorten op­houden te bestaan. Homo sapiëns was niet een wezen, dat opeens het hele leven vernieuwde, maar het maakte wel veranderingen mogelijk. Bepaalde ontdekkingen, die door de eerste stammen van hen die wij homo sapiëns noemen zijn gedaan, zijn wel degelijk ook gebruikt door andere meer “primitieve” mensvormen. Dat zal nu ook gebeuren. De mens van morgen kondigt zich voortdurend sterker aan. Maar de wer­kelijke mens van morgen is de mens die zijn innerlijke krachten en waarden weet te gebruiken. Hij is de mens, die ook de anderen nieuwe mogelijkheden biedt, maar die door een voortdurend verdergaande ontwikkeling van zijn innerlijk besef en daardoor ook van zijn groter wereldbesef op den duur zal bepalen hoe de mensheid en de wereld eruit zullen zien.

Wij allen zijn deel van een ontwikkeling. Als het stoffelijk leven voor u ophoudt, houdt de ontwikkeling niet op, u blijft deel daarvan. U blijft een persoonlijkheid en u zult mogelijk in vele vormen en uit vele werelden deel hebben aan het proces van wording dat zich in alles manifesteert.

Besef dit; Ik ben deel ven het eeuwige dat door een voortdurende verandering zich kenbaar maakt, ook voor mijn wezen. Daarin zult u dan onge­twijfeld de moed vinden en ook het geduld om in deze tijd naar uw beste we­ten te leven en te streven zeggend; Indien ik het beste dat in mij leeft waar maak, zo zal de kosmische wet zelf bepalen wat de wereld rond mij daar uit zal puren.