De mens (1987)

9 maart 1987

Inleiding

De gastspreker van vanavond heeft als bijzondere belangstelling: de mens.

Wanneer je probeert je een klein beetje in te denken in zijn denkwereld, dan krijg je het gevoel dat de mens een wezen is dat voortdurend gestuwd wordt door zijn eigen onvermogen zichzelf te begrijpen. Zijn denkbeelden zijn ongeveer als volgt.

De mens is een complex wezen. Omdat hij kennis heeft, onbewust van vorige levens, zijn er bepaalde aversies en bepaalde voorkeuren, die van grote invloed zijn op alle bewuste processen. Datgene wat hij dus bewust beleeft is voortdurend gevormd door ervaringen die hij zich niet meer herinnert. Het resultaat is, dat hij voor een deel ook ‘onvrij’ is. De vrijheid van willen bestaat wel, maar als je niet weet wat je wilt, ben je niet vrij om te willen. Je kunt wel zeggen: “je zou kunnen willen”, maar dan moet je weten wat je wilt. Als je dat niet kunt weten heb je geen wilsvrijheid.

Het geheel van ons leven wordt feitelijk bepaald door: een groot gedeelte onbewuste herinneringen, vorige levens, eigen beleving, bepaalde dingen die je uit de prenatale periode hebt opgenomen en dat allemaal bij elkaar vormt de persoon die je bent. Wanneer je die persoon nu reëel zou kunnen herkennen zou het misschien nog wel te redden zijn. Maar je hebt ook nog vanuit de wereld een beeld wat je zou moeten zijn. Je probeert te beantwoorden aan dat beeld, maar kunt dit alleen in uiterlijkheden en oppervlakkigheden doen, niet in essentie. Dan sta je als vanzelf voor een probleem.

Op een gegeven ogenblik als ik erken wat ik ben, pas ik niet in mijn wereld; maar als ik pas in mijn wereld kan ik niet zijn wie ik ben. Dus een soort paradox.

Je zou vrij kunnen zijn op het ogenblik dat je jezelf zou kennen en toegang zou hebben tot al die herinneringen van vorige levens. Dan zou je bewust een keuze kunnen maken, je zou bewust kunnen aanvaarden en verwerpen. Om dat te kunnen doen moet je echter loskomen van je wereld. Maar die wereld is voortdurend bezig je duidelijk te maken dat je deel bent van de kudde, deel bent van het geheel. Dat maakt het voor jou allemaal heel erg moeilijk precies je eigen plaats te bepalen. De wereld eist gewoon dat je op een bepaalde wijze reageert. Laat ik het zo zeggen: een jongere van vandaag die ouderwets beleefd is, is zo belachelijk, dat hij ofwel geïsoleerd raakt, als wel onbeschoft wordt om mee te tellen. Dat klinkt een beetje dwaas, maar het is zo. Maar als hij nu een beleefde aard heeft en hij went zich aan anders te reageren, dan gaat hij telkens een klein beetje tegen zichzelf in. Daardoor wordt hij steeds meer verdoofd ten aanzien van zijn innerlijke werkelijkheid, zijn innerlijk wezen.

Dan zijn er ook mensen die zeggen: ja, maar je bent hier op aarde om een noodlot te leven. Als je vraagt wat dat is wordt het al gauw duidelijk: het noodlot is de schuld van alle stommiteiten die ze uithalen, de successen danken ze aan zichzelf. Maar noodlot of fatum, iets wat gewoon bepaalt wat er gebeurt, zou inhouden dat het geen zin heeft te streven. ‘Het komt allemaal toch wel’. Of: ‘Het is je noodlot om te streven en dan zul je wel wat bereiken als het je noodlot is, of niets als het eveneens je noodlot is.’ Het zijn stellingen die een beetje makkelijk de zaak wegvagen.

De werkelijkheid is: als ik gebruikmaak van alle bronnen die in mij bestaan, dan ben ik, ook in mijn wereld en voor mijzelf, een redelijk succes. Op het ogenblik dat ik dit, om welke reden dan ook, nalaat, heb ik altijd het gevoel dat mijn wereld fout zit en kan ik geen vrede vinden met mijzelf.

Onze gast heeft daar een heel betoog over uitgezonden. Zijn conclusie is deze. Omdat een mens niet weet wie en wat hij wezenlijk is, zal hij geneigd zijn zich te laten drijven door invloeden die hij gemakkelijk zou kunnen beheersen. Hij zwemt mee met de stroom omdat het zijn aard is, of hij zwemt tegen de stroom in omdat het op dit moment zijn tijd is om tegen de stroom in te gaan. Maar dit zijn zuiver instinctieve waarden. Het heeft niets te maken met een bewuste keuze. De zalm die de rivier opzwemt en daarbij verschillende stroomversnellingen doorspringt, zegt ook niet tegen zichzelf: “ik moet daar naartoe.” Hij wordt gewoon gedreven om die weg te volgen. Als hij er eenmaal is denkt hij: “hè, hè, is dat alles geweest?” Zo vergaat het ons.

Wanneer we echter innerlijk bewust worden gaan we begrijpen dat we behoren tot een bepaalde richting van ontwikkeling. Niet elke mens, en wat dat betreft ook niet elke geest, volgt precies dezelfde weg.

Elke weg zou je weer kunnen verdelen in een aantal zones, zoals ze dat bij de tram doen. Wanneer je de ene zone hebt gehad begint de volgende. Je merkt het niet, tenzij je er speciaal op let. Je komt dan, zoals ze zeggen, vanuit de ene sfeer of straal naar de andere sfeer of straal. Maar in feite ben je gewoon op weg.

Innerlijk gezien is dat op weg zijn het waarmaken van al datgene wat behoort tot de richting, of gerichtheid, die jouw wezen bepaalt. Niet gedurende een enkel leven, maar gedurende zeer vele levens. Hoe dichter we komen bij het punt van waarheid, het punt dus waarop wij bewust identiek zijn aan de weg die we volgen, hoe vlotter we als het ware verdwijnen uit de ene vorm van leven en overgaan tot de andere.

Onze vriend merkte hierbij op dat leven in feite niets anders is dan een opeenvolging van beleven. Iemand kan wel alle processen van een fysiek beleven vertonen, maar als daar geestelijk niets achter zit is hij eigenlijk dood, want er is geen verandering, geen vernieuwing. De vernieuwing in ons echter is het voortdurend hernieuwd beoordelen van al die zaken waarmee we te maken hebben, onszelf inbegrepen. Hebben we nu die hoogste waarheid bereikt, dan weten wij nu wat wij zijn. Niet alleen maar in de zin van ‘dit stuurt ons’ of ‘dat is mijn gerichtheid of mijn richting’, maar we weten compleet wie en wat we zijn.

Op dat ogenblik komt het interessante. We hebben niet voldoende aan het weten dat we onszelf zijn, we groeien toe naar een andere vorm van eenheid. Er begint als het ware een nieuwe samenleving van bewusten waarbij de onderlinge verschillen worden overbrugd.

Onze vriend drukte het aldus uit: alle richtingen van bewustzijn eindigen in een en hetzelfde punt en benaderen elkaar meer naarmate de geest bewuster wordt.

Ga je dat dan ook nog verder uitwerken, dan kun je daar natuurlijk hele verhalen aan vastknopen. Maar ik heb, dacht ik, ongeveer duidelijk gemaakt waar onze vriend het over heeft wanneer hij spreekt over beleven en al die andere dingen. Nu ga ik het verder gewoon op mijn eigen houtje zeggen, ook al is dat misschien meer op z’n boerenfluitjes dan met de stem der engelen.

Mens zijn is een toestand, niet een wezen. Het mens ­zijn kan lichamelijk door een vorm bepaald worden, maar geestelijk ben je pas een mens wanneer in jou een zekere relatie is ontstaan met de wereld om je heen. Hoe meer je je nu bewust bent van de betekenis van de wereld om je heen, zonder daarbij jezelf op te lossen in die wereld, hoe bewuster je zult leven, maar gelijktijdig ook, hoe zuiverder je zult begrijpen waarom je bestaat.

‘Waarom’ is een woord dat ons allemaal is ingeschapen, denk ik. Ik herinner me allerlei dingen op aarde, zelfs dat ik als heel klein kind zo vaak ‘waarom?’ vroeg, dat het antwoord tenslotte uit een muilpeer bestond en dat was geen fruit waar ik dol op was. Maar toen ik overging en de wereld zag waar ik in kwam te staan, zag ik wel van alles, maar mijn eerste vraag was: waarom is het zo?

Toen ik besefte dat ik zelf ineens veranderd was (ik was er wel knapper op geworden en daar was ik heel blij mee) vroeg ik mezelf ook: waarom is dit hier anders dan vroeger?

Nu ben ik een eindje verder gekomen (anders zou ik geen inleider mogen spelen) en vraag ik me ook af: waarom leef ik in een wereld waarin enorm veel uitdrukbaar is, maar stuit ik altijd weer op een blank vlak als ik verder wil gaan? Waarom? Waar komt dat uit voort? Het is gemakkelijk om te verklaren: ja, dan kom je in het witte licht en dat is een totaal andere wereld en daar moet je bewustzijn op in zijn gesteld. Ik vind het best, maar waarom bestaat het? Ik heb het gevoel dat die neiging om steeds naar een reden te vragen een van de dingen is die de mens het meest onderscheidt van alle andere wezens die ik ken. Het ‘waarom’ is als het ware de sleutel waardoor wij in staat zijn te groeien.

Ik ben, in een ver verleden, ook nog eens een keer vroom geweest. Toen heb ik me ook afgevraagd waarom de engelen in opstand kwamen tegen God en waarom ze uitgeworpen waren. Ik kon dat niet begrijpen. Nu kan ik het wel. Zij waren niet tegen God, maar zij voelden zich mede­scheppers. Er werd in een soort deelgenootschap gewerkt, zij hadden daar ook het hunne aan gedaan en nu ineens wordt er iets gevormd dat niet alleen in strijd is met hetgeen zij zouden willen, maar wat bovendien nog kwaliteiten heeft die zijzelf niet hebben. De vraag ‘waarom’ stellen zij niet. Ze zeggen: het is onaanvaardbaar, maar ze kunnen niet zeggen waarom.

Een mens echter vraagt naar de reden en probeert zo het probleem te begrijpen en op te lossen. Het hele bewustwordingsproces, of het nu een kwestie is van mystiek, van esoterie, van wetenschap of wat anders, wordt gekenmerkt door de behoefte om elke keer wanneer je ‘waarom’ hebt gevraagd, voor jezelf een antwoord te ontdekken. Wanneer ik zeg ‘waarom ben ik zo beperkt’ en ik ga mediteren, kom ik in een wereld waarin ik niet meer besta en toch nog weet dat ik er ben. Dat heet mystiek en is dan ergens een antwoord. Wanneer ik geen antwoord kan vinden binnen het kader van mijn begrip en mijn kennis, zoek ik een antwoord binnen het kader van mijn beleving, mijn gevoel.

Maar als dat altijd weer doorgaat is misschien de grootste vraag wel: waarom besta ik? En dan heb ik het niet over een doel om dit of dat te bereiken. Dat weet ik ook wel. Je leeft op aarde om te leren, je leeft in de sferen om jezelf bewust te worden van je totale inhoud en al die dingen meer. Maar gewoon: waarom leef ik? Waarom ben ik geschapen? Waarom moet ik al die dingen doormaken? En dan bedoel ik niet alleen het kwade, maar ook het goede. Waarom? Het enige antwoord dat ik kan vinden is: ik weet het niet. Soms heb ik het gevoel dat het allemaal wel zinvol is, maar ik kan het niet verklaren en ik kan het ook niet begrijpen. Het onttrekt zich gewoon aan mijn bewustzijn. Op het ogenblik dat ik het antwoord kan vinden op de vraag ‘Waarom leef ik, waarom besta ik?’ en kan weten en niet alleen maar veronderstellen, houd ik op te zijn wat ik ben geweest. Op dat ogenblik is mijn wezen totaal vervuld.

Of ik dan nog verder besta? Volgens onze vriend wel, maar voor mijzelf kan ik daar geen antwoord op geven. Je hebt dat zo vaak. Je praat met gewone geesten en je zegt: hoe vind je het nu? Dan zegt de een: ik ben op weg. De andere zegt: wat een heerlijke rust. De derde zegt: wat een rotzooi, moet ik daar nu ook nog doorheen? En als ik naar ze kijk zijn ze alle drie hetzelfde.

Onze innerlijke wereld vervangt, geloof ik, een beetje de werkelijkheid waar we mee te maken hebben. Dan kan ik van niets zeker zijn. Of misschien van één ding, namelijk: dat ik besta. Mijn bestaan moet dus een functie hebben en het vertrouwen in de zinvolheid van alle dingen brengt je er dan toe verder te gaan.

Er zijn maar twee dingen die een mens werkelijk stimuleren verder te gaan. Het eerste is angst voor wat hij zou kunnen verliezen, het tweede is het gevoel, de verwachting dat hij zal bereiken. Tussen deze dingen in is er eigenlijk niets. Ja, wat grijzen, wat gradaties, die een menging zijn van beide.

Onze vriend, die over mensen en over de mens spreekt, heeft dat veel oneindiger gezien dan ik het kennelijk kan zien. Hij gaat uit van een begin dat voor mij alleen veronderstelling is. Hij ziet een splitsing die in zichzelf zinvol is. Een deling, die noodzakelijk is om het geheel op een nieuwe wijze samen te voegen. Ik kan dat niet verifiëren, ik kan niet zeggen: ‘het is zo of het is niet zo’, maar indien het zo is, dan is het ook begrijpelijk dat alles wat tot een bepaald vlak behoort, daarbij zal moeten blijven behoren totdat het uiteindelijk in zijn goede positie is gekomen. Dan houdt de dwang op en is de versmelting er weer.

Het noodlot hebben we zelf veroorzaakt, de dwang waaronder we gebukt gaan is mede door onszelf geschapen. Maar we kunnen niet anders. Zelfs de krachten waardoor we worden voortgedreven langs allerlei wegen des levens die we liever anders hadden gezien, hebben we zelf veroorzaakt. We hebben zelf onze keuze steeds weer bepaald, zelfs de manier waarop we geïncarneerd zijn, het lichaam waarin, de tijd waarop, de omgeving waarin uiteindelijk het leven zal worden voltooid. We hebben het zelf gekozen. Maar was het een juiste keuze? Ik denk dat de meesten van ons later zullen moeten zeggen: ik heb bij mijn keuze onbewust datgene gekozen wat voor mij het beste was, maar ik heb het nooit als zodanig beleefd. De vrije wil, die ik dan heb, heb ik zo onbewust gebruikt, dat ik daardoor wel mijn doel bereikt heb, datgene vervuld heb wat ik zou moeten vervullen, maar gelijktijdig voor mijzelf het gevoel heb gehad dat ik werd voort gezweept, werd gebonden.

Onze gedachten zijn het ene ogenblik alleen maar een trage modderstroom, het volgende ogenblik een heldere beek, en even later een op hol geslagen paard dat niemand tot stilstand kan brengen. En toch komen al die dingen uit onszelf voort. We zouden de modder kunnen wegvagen, want zij is niet reëel, zij bestaat in ons. We zouden de beek sneller of langzamer kunnen laten stromen want wij zijn de beek. En dat op hol geslagen paard? We kunnen het intomen op het ogenblik dat we begrijpen waarom het draaft.

Mijn eindconclusie? De mens die zich ziet als meester van de schepping, is de slaaf van zijn eigen onbegrip.

Het wezen dat door kan dringen tot de hoogste sferen en werelden van de geest, maakt het zichzelf onmogelijk te begrijpen wat het is waartoe het behoort. Zelfs wanneer in de mens een denkbeeld rijst, langzaam een begrip ontwaakt waarin zijn werkelijke wezen en bestemming worden weerspiegeld, dan haalt hij op den duur zijn schouders op of hij beroemt zich erop, en vergeet dat het alleen maar een aanwijzing is maar niet een bereiking.

De mens is een wezen dat door zijn eigen onbegrip tegenstrijdigheden veroorzaakt, die noodzakelijk zijn om meer mens te kunnen worden.

Dat zeg ik u: een wezen dat mens is geweest, dat nu in niet menselijke vorm bestaat, dat misschien nog eens tot een vorm zal terugkeren, of, vanuit uw standpunt vervagen in werelden die geen contact meer kunnen hebben met de vorm.

Ik denk niet dat het erg verhelderend is, maar toch is het wel de moeite waard erover na te denken. Juist mijn eigen mening heb ik naar voren gebracht, omdat u geconfronteerd wordt met een gastspreker die het gevoel heeft dat hij het allemaal weet. En misschien  zou u dan gaan denken dat u het ook weet.

Ik geloof dat we, door het besef van onze eigen beperkingen, komen tot het punt waarop uiterste bereikingen voor ons haalbaar worden. Ik hoop dat de inleiding hiertoe heeft bijgedragen. Is dat niet het geval: u had die tijd toch uit moeten zitten, want de gastspreker was niet beschikbaar.

De Gastspreker

Toen men mij gevraagd heeft om bij u wat te vertellen, heb ik uiteindelijk gedacht: laten we maar praten over de mens.

Een mens is een heel eigenaardig wezen. Bijvoorbeeld, zijn levenskracht wordt voor bijna driekwart bepaald door geestelijke energieën. Het is zijn eigen gedachtewereld die deze energieën opneemt of afstoot. Een mens heeft de mogelijkheid om innerlijk en op andere wijze tot allerlei belevingen te komen, maar de waarde van die belevingen ligt vreemd genoeg in de neutraliteit van het beleven.

Een mens is een beschouwer, niet, zoals hij zelf denkt, een doener. Wat je doet is niets anders dan de neerslag vanuit het innerlijk leven en het denken. Daardoor zal de mens in staat zijn tot vele dingen die voor anderen bijna onbegrijpelijk of wonderbaarlijk heten. Dan verwerpt hij die natuurlijk, want het past niet in het kader van hetgeen hij als controleerbaar en juist beschouwt.

Als u levenskracht hebt, uw levenskracht is boven de norm, dan kunnen daardoor allerlei activiteiten in uw omgeving ontstaan. In de meest simpele gevallen, dat zie je vaak bij kinderen, krijgen we te maken met Poltergeist‑verschijnselen. Meestal gaat het na verloop van tijd weg, omdat de mensen eenvoudig niet begrijpen dat het de aankondiging is van een energie die gebruikt moet worden. Wanneer er geen gebruik van wordt gemaakt blijven de verschijnselen onbeheersbaar. Wanneer je er een uitlaat voor vindt, al is het maar automatisch schrijven of intuïtief werken of iets anders, dan verdwijnen de verschijnselen. Dat wil zeggen dat een groot gedeelte van uw innerlijke mogelijkheden en krachten mee geactiveerd worden door de levenskracht die u opneemt. Zeker, de sturende elementen liggen in een ander voertuig, de geest, zegt men dan. Sommigen spreken van de ziel. Maar al die dingen bij elkaar blijven onbenaderbaar.

Je bent mens omdat je jezelf niet kent. En door dit jezelf niet kennen ben je niet in staat de dingen bewust te gebruiken en te hanteren zoals noodzakelijk zou zijn. Maar als ik tegen u zeg: ‘U kunt kracht uitstralen’ en u probeert het een keer, dan heeft u grote kans dat het inderdaad gaat. U zegt dan: ja, maar dat is zijn kracht. U kunt niet geloven dat het uit uzelf komt. Zolang u daarin niet gelooft presteert u weinig of niets. Zodra u probeert het te vermommen in een of ander pseudo­ wetenschappelijk jasje of een psychologische benadering, dan zult u ook zien dat op een gegeven ogenblik die krachten niet meer zo juist functioneren. Want in u is datgene wat de kracht oproept en zich laat manifesteren. Maar zodra u daar mentaal beelden bij gaat gebruiken wordt dat beperkt, dan wordt het in een bepaald kader geplaatst en buiten dat kader is het niet meer effectief omdat u er zelf niet meer in gelooft.

Als ik u zeg: u kunt reizen met de geest, dan zegt iedereen: 0h ja, uittredingen. Maar waarom uittredingen, die driekwart onbewust zijn? Waarom niet bewust uw geest gezonden? Want overal waar de wereld voor u voorstelbaar is, of zij geestelijk is of stoffelijk, daar kunt u waarne­men. Velen maken dan de fout dat ze zeggen: ik ben er, dus wil ik mij ook laten gelden, ik wil contact opnemen met iemand. In stoffelijke omgevingen gaat dat nooit, in gees­telijke omgevingen soms wel. Maar daarmee verschuift het doel en wordt de mogelijkheid tot verder beleven in feite beperkt.

Wanneer ik u dit zo voorleg dan is dat niet alleen maar een kwestie van: ik zal het even vertellen. Ik ben er zeer lange tijd mee bezig geweest. Als ik het allemaal bij elkaar in uw jaren uitdruk is dat een kleine tweehonderd jaar.

In die tijd heb ik geprobeerd alles na te gaan, al­les te controleren, maar gelijktijdig ben ik mij bewust geble­ven van het feit dat ik toeschouwer ben. Ik ben de waarne­mer, niet degene die zelf actief moet optreden.

In mijn geestelijke wereld is dat anders, want zoals elk wezen dat de menselijke wordingsgang doormaakt, heb ook ik de behoefte zo nu en dan daden te stellen. Ik stel mijn daden dan door bewust mijn begrip, mijn bewustzijn tijdelijk te beperken en een wil te stellen in de plaats van de waarneming. Dan kan ik in andere sferen werken.

Op het ogenblik dat ik wil gaan onderrichten sta ik echter voor het grote probleem dat ik of kan onderrichten op basis van de wereld waarin ik op dat ogenblik optreed, dan wel dat ik waarnemer kan blijven en dus voortdurend kan nagaan wat er allemaal in feite gebeurt. Maar dan kan ik daarbij weer niet of ten hoogste zeer beperkt ingrijpen.

Wanneer ik naar u kijk zie ik een reeks uitstralingen. Ik zie een tekort aan krachten, ik zie onzekerheden; ik zie ook kracht en ik zie zelfs hier en daar bijna onverwacht een geestelijk vermogen dat verder kan grijpen dan alleen maar een menselijke wereld. Wat is het belangrijkste hierbij?

U bent, zoals u hier samen bent natuurlijk een eenheid. U luistert naar mij, uw aandacht is op één punt geconcentreerd en daardoor compenseert u onderling nogal het een en ander. Maar het belangrijkste is toch wel dat er enkelen bij zijn, die uitgrijpen boven de stoffelijke werkelijkheden of de rationele werkelijkheden.

Daar waar de emotie voor de mens begint houdt de rede op, zegt men vaak. Maar in feite is de emotie een reden in zichzelf, zeker wanneer ze niet een zuiver lichamelijke oorzaak heeft. Wanneer je denkt, maar je denken heeft geen vorm, dan ben je nog steeds mens, je bent nog steeds beperkt. Maar je bent een kracht te midden van krachten. Je wezen vloeit uit in de andere kracht, dekt ze als het ware, zodat ze je verrijkt, zoals jij die andere krachten verrijkt met datgene wat voor jou overbodig is.

Maar als ik mij door deze emotie laat bepalen, dan zal mijn vermogen om wat uit te stralen en mee te delen kleiner worden. En u bent nog steeds een eenheid. Dan moet ik uitstralen wat niet zegbaar is. Ik kan u geen deel maken van wat ik ben, maar ik kan vanuit mijn wezen dat ‘teveel’, dat iedereen steeds weer bezit, laten uitvloeien in uw wezen.

Wat u ermee doet is uw zaak, maar het zal de dingen in u wekken die belangrijk voor u zijn op dit ogenblik. Het zal u krachten geven of begrip. De weerslag ervan zal hoog­stens een intuïtie zijn, of een denken.

De samenhangen van de wereld zijn voor u systematisch. De samenhang van mijn geest is voor u niet systematisch. Wat overvloeit kan geen systeem bezitten, daarvoor is het werke­lijk. Maar dan kan datgene wat in u werkt ook niet vertaald worden in systematische termen, in begrippen. Het kan alleen een wekken zijn van iets.

In de mens leeft een duistere wereld, de wereld van zijn dromen met zijn angsten, met zijn genoegdoeningen. Een wereld die helemaal door uzelf bepaald wordt ook al spelen er soms dingen van buitenaf een rol in mee. Die wereld is even werkelijk voor u wanneer u haar beleeft als uw stoffe­lijke wereld, maar zij verliest haar betekenis op het ogenblik dat zij wordt beseft als deel van een grotere werkelijkheid.

Uw droomwereld is niet alleen maar een hersenactie, zij is de vage weerspiegeling van een wereld waartoe u wezen­lijk behoort. Zij is datgene wat in u uitdrukt, bewust of on­bewust, wat u bent. Een mens weet wat hij is, maar hij weet niet dat hij het weet. Een mens is een wezen van licht en kracht, niet alleen maar van duisternis en gedrevenheden. Een mens is een groeiend bewustzijn, een bloesem die zich gaat ontvouwen. Niet alleen maar een kale tak, zo dood dat zij door de wind gebroken kan worden. Een mens heeft eeuwigheid omdat hij eeuwig is. Maar zijn be­wustzijn is niet eeuwig. Zijn bewustzijn is wisselend, voort­durend veranderend en voortdurend zich vastklampend aan beelden, die ten hoogste symbolen zijn van een werkelijkheid en niet een weergave ervan.

Besef dat het gebeuren in uw leven meer een symbool is van uzelf en uw probleem dan het een feitelijke en onveranderlijke werkelijkheid zonder meer is. En werp me nu niet tegen: maar ik kan me er niet aan onttrekken. U kunt haar veranderen, want u hebt de kracht ervoor. Maar u moet zich van die kracht bewust worden.

Zeg niet tot uzelf: ik heb nog slechts enkele jaren of vele jaren te leven. Want leven wordt niet beëindigd, het wisselt in fasen.

De rups zegt ook niet: ik ga mij inspinnen want als cocon zal ik dood zijn. Zij ontwaakt als vlinder. De vlin­der sterft, zeggen de mensen. Maar de vlinder laat rupsen na.

Menselijk leven, rups. Dood; langzaam ‑ misschien wat vereenzamen zelfs, je inspinnen, cocon. Dood; in de cocon de stuwing voelen van een leven, je vleugels ontvou­wen en als geest verder gaan.

Maar kun je dan naar de zon vliegen?

Je wordt moe, je puurt wat nectar, je danst, je leeft ‑ en voor je het weet geef je het  weer aan een rups. Kruip je knabbelend langs bladranden denkend dat eten en niet gegeten worden de vervulling is van het bestaan. Maar je bent niet alleen maar de rups of de vlinder. Je bent de keten van dit leven met al zijn veranderingen. En meer dan dat.

In feite ben je rups en gelijktijdig het blad dat je eet. Daarom kun je zoveel meer zijn.

De rede heb je nodig, want je bent mens. Maar boven en buiten de rede is een kracht. Geef haar geen vorm. Zeg niet: dit is mijn God. Maar zeg: hier is een kracht en ik ben er deel van. Hier is een weten en ik ben er deel van. Het neemt mij op, totdat ook ik het op kan nemen.

Wanneer de geest langs verre wegen gaat, steeds meer vervreemdend van wereldjes waarin toch nog vorm of verschil van uiting de communicatie, de saamhorigheid bepaalt, dan komt er een ogenblik dat je opgaat in iets dat niet uit­drukbaar is. De kleuren zijn gestorven, denkt men. Maar is niet het witte licht de samenvoeging van alle kleuren? Is niet totaliteit (de werkelijke bestemming als mens), de oplossing van schijnbare tegenstellingen en verschillen die uit één bron zijn voortgekomen?

Terwijl de stem die ik leen spreekt, spreekt mijn geest ook. Een andere taal. Een enkeling hoort ze, een en­keling begrijpt er iets van. Maar het gaat er niet om wat ik zeg, het gaat erom wat ik ben. En dat is, bij het mens-zijn zeker, een samenstel van innerlijke processen en daardoor onvermijdelijk geworden daadstelling. Het zijn geen dingen die je wilt, het zijn dingen die je bent. Je bent zelf de oor­zaak van je dromen, je bent zelf de oorzaak van de schijn in de wereld die je omringt.

Te weten dat je mens bent betekent te weten dat je vooral waarnemer bent, degene die verzamelt al wat aan indrukken, aan feiten, aan gedachten, aan dromen door je heen spoelt, opdat je zo de grondstoffen vindt waarmee je voor jezelf kunt uitbeelden wat je bent. Op dat ogenblik, en elke keer weer, zul je één stap verder gaan. Steeds weer. Niet omdat je wilt, je blijft de beschouwer, maar omdat wat je geworden bent het onvermijdelijk maakt dat je meer ziet, meer begrijpt, meer beleeft.

Leven als mens wordt pas werkelijkheid wanneer je terugkeert tot die eenvoud waarin je zegt: ik constateer, ik voel en daardoor ben ik. Mensen, zeker in uw dagen, hebben de neiging steeds meer van de wereld naar zich toe te trekken, te zeggen: dit weet ik. Dat ken ik. Dat ben ik. Dat is van mij.

Geketend. Geketend door onbegrip. Prometheus, aan de rotsen geketend omdat hij het vuur aan de mens gaf. Een zonderling symbool. Alsof het vuur het licht, het leven, dingen zijn die goden geven of nemen, hun eigendom.

Maar ik geef toe, wanneer de geest vrijelijk gaat en het ‘ik’ steeds duidelijker uitdrukt wat het waarlijk is, kan het lichaam soms gekruisigd worden. Niet omdat het wil, niet omdat het erkent of ontkent, maar omdat het gebeuren onvermijdelijk voortvloeit uit het ‘zijn’. Lijden vloeit voort uit wat je bent. Daardoor is het vaak onvermijdelijk, zelfs wanneer je jezelf kent en weet omtrent je bestemming.

Maar wanneer je in jezelf steeds weer weet: dit is alleen maar gebeuren, werkelijkheid is beleven in mij en dat beleven omvat meer, dan kan Prometheus glimlachen en kan de man aan het kruis deernis hebben voor een ander die met hem lijdt.

Het wezen is sterker dan de vorm, sterker dan het gebeuren.

Niet goddelijk is de mens, maar deel van God is de mens.

Niet almachtig is de mens, maar machtig als hij zich één voelt met het Al.

Leef je leven, maar oordeel en veroordeel niet. Con­stateer, neem op, verweef het met de kracht in jezelf en gebruik die kracht als een scherm dat je om jezelf heen legt als het nodig is, om een ander te genezen als het no­dig is, om de geest te laten reizen wanneer je het wenst, om de toekomst te zien of door te dringen in de krochten van een verleden. Je bent vrij als beschouwer. Maar dan moet je weten: uiterlijkheden gaan voorbij.

Besef ook dat de dingen die je vraagt van het le­ven, van anderen, al in jezelf feiten zijn.

Als u roept: ‘Heer zegen mij’, dan is die zegen een feit, maar je moet haar wel aanvoelen en begrijpen.

Wanneer je zegt: ‘God, sta mij bij’, dan is de steun er al voordat je het gezegd hebt, wanneer je ze begrijpen kunt, aanvaarden kunt.

De kracht in jezelf is onmetelijk. Zover ik kan na­gaan, vaak bijna onbegrensd. Wat ontbreekt is het besef. Wat ontbreekt is het los zijn van het gebeuren.

Zo heb ik geprobeerd iets van mijn denken of mijn wereld, mijn inhoud, met u te delen.

Wat hebt u gehoord? Wat ik ben of wat u bent? Natuurlijk u hebt gehoord wat u bent, niet wat ik ben.

Hebt u kracht ervaren? U bent u alleen bewust ge­worden van uw eigen kracht. Niet van de mijne.

Hebt u innerlijk gevoeld dat er een waarheid is, ook al kunt u haar niet in woorden weergeven? Het is niet mijn waarheid, het is de uwe.

Ik ben de beschouwer, ik kan alleen mijzelf zijn, ook in deze beperkte vorm. Daarom kan ik u niets geven, niets van u nemen, tenzij u zich bewust wordt van een eenheid die bestaat buiten dit ‘simplistisch verbond’, waarin we op het ogenblik met elkaar spreken. Onze werkelijkheid is groter dan het besef dat een mens kan bezitten. Onze innerlijkheid is omvattender dan mensenwoorden en begrip­pen kunnen aanduiden.

Wees dan uzelf. Put uit uzelf. Laat de kracht in u spreken. Laat het bewustzijn in u ontwaken en wees eindelijk meester in plaats van slaaf. Niet meester van uw wereld, maar van uzelf en van de kracht en het bewustzijn die deel zijn van uw wezen.

Mens, ontwaak tot de vrede die in u is. Als mijn wezen in u daarvan iets gewekt heeft, dank niet daarvoor, want het was al van u.