De menselijke beschaving

uit de cursus ‘De wereld en haar achtergronden’ (hoofdstuk 2) – november 1986

De menselijke beschaving

Wij hebben te maken met bekende beschavingen en met z.g. verloren gegane beschavingen. In al die gevallen worden wij geconfronteerd met een bepaalde manier van leven en van denken die toch eigenlijk voor de hele wordingsgang van de mensheid en indirect ook van de wereld medeverantwoordelijk is. Want wij kunnen nu wel zeggen; Ach, die mensen zijn niet zo belangrijk, maar als er bv. geen oorlogen waren geweest in Atlantis en daarmede bepaalde rampen niet waren ontketend, dan zou waarschijnlijk uw continent er heel anders uitzien en zouden ongetwijfeld ook bepaalde bergketens, die er nu zijn, ontbreken.

Wat is het kenmerk van de vroege beschavingen? De vorige keer hebben we gezien dat we te maken kregen met priester-koningen en met heersers die God Zelf pretendeerden te zijn. Die heersers zijn eigenlijk maar de afspiegeling van de wijze waarop de mensen leven.

Wanneer mensen samenkomen dan is er een soort kudde instinct. Men heeft behoefte aan iemand die zegt wat je moet doen en wat je moet denken. Zelfs als je daaraan geen gevolg geeft, dan heb je iemand toch nodig al is het maar om je daartegen af te zetten.

De vorsten van het verleden waren allen eigenlijk ook krijgsheren. Als wij denken aan bv. Vroeg Sumerië vinden we daar de z.g. Ziggurat van Ur. Ook in die tijd bouwde men namelijk al een soort bergjes, kunstmatige bergen waarop men de goden kon vereren. Alleen hadden ze daar een koning, die zijn krijgsmacht meer vereerde.

Zo bestond de Ziggurat eigenlijk uit drie afdelingen. Beneden waren arsenalen en ook voorraadkamers die niet onmiddellijk toegankelijk waren. Daarboven had men een soort kazerne. In die kazerne was weer een deel afgezonderd voor de koning. Dat was dan a.h.w. zijn ambtszetels zijn paleis. Daar boven was weer een derde afdeling. Daar werd de Maangod vereerd. Het is trouwens opvallend dat deze Maangod een mannelijke was, terwijl in de stad zelf en ook in de omgeving een vrouwelijke Maangodin werd vereerd. Die werd vereerd middels spiegelvijvers waarin het beeld van de maan werd gevangen en aanbeden, eventueel van offers werd voorzien.

Zo’n koning moest dus een vesting hebben. Dat is de beste uitdrukking die ik daarvoor ken. Het is duidelijk, dat je in die primitiviteit nog niet zo ontzettend grote bouwwerken kon oprichten. Toch is het al bekend dat in die tijd bouwwerken werden opgericht van twee, drie en zelfs vier verdiepingen. Het waren altijd paleizen. Maar ze waren gericht naar binnen toe. Er was een binnenplaats zoals je dat bij de Romeinen nog aantrof. Het atrium. Er was daarnaast naar buiten toe eigenlijk alleen een aantal kleine gaten die wel afgeschermd konden worden. Er was een poort. Alles was van binnenuit bereikbaar. Een vestingbouw dus.

De mensen in die tijd voelden zich bedreigd. Alles wat je niet kent kan gevaarlijk zijn. De neiging van de mens om datgene wat hij niet kent dan maar aan te vallen voordat het gevaarlijk wordt, is ook in deze tijd niet geheel uitgestorven. Een andere god vereren, een andere manier van denken, een andere manier van kleden waren vaak meer dan voldoende, om strijd uit te lokken. Alleen handelaren die daartoe ook speciale gewaden droegen werden over het algemeen wel toegelaten, maar dan alleen op be­paalde plaatsen in de steden.

Ik had het over Sumerië. In Sumerië werden handelaren toegelaten in wat men later een Khan noemt (een karavaanhotel). Daar was een marktplaats bij, maar die lag buiten de muren die voor verdediging waren bestemd. U zult denken, dat was misschien daar en dat was in de tijd van Abraham en voordien. Maar hoe was het elders?

In China zien vreemd genoeg hefzelfde. In China zijn in die tijd een aantal zeer besloten huizen gebouwd waarvan de latere yamens een afleiding zijn. Alweer, naar buiten toe alleen kale muren. Een ingangspoort die nog versperd is (later voor geesten) maar oorspronkelijk ook direct gesloten en verdedigd kon worden, wanneer er buiten aanvallers waren. Een van de laatste overblijfselen van dergelijke vaak vele woningen omvat­tende vestingen is de Verboden Stad in Peking.

De Verboden Stad (Gu Gong) is eigenlijk niets anders dan een enorme uitbreiding van wat een dergelijke vesting vroeger betekende. Namelijk huisvesting voor dienaren. Een paleis voor de hoofdman of de vertegen­woordiger van het gezag. Daarnaast de nodige mogelijkheden om je te ont­spannen, een tuintje, een binnenplaats met bloemen e.d.

Gaan we verder kijken dan valt op dat deze hele manier van werken blijft bestaan. Wij zijn al ver na Christus, wanneer men besluit om een oude stad in Afrika weer op te bouwen (Zimbabwe). En wat zien we weer een tempel in het midden, daarnaast enkele paleiswoningen die dan vanuit uw standpunt zeer eenvoudig zullen zijn en daar omheen een muur. Om die muur weer wat verblijven en dan een tweede muur. De laatste muren zijn practisch verdwenen, maar iedereen kent nog de naam Zimbabwe.

Gaan we kijken naar de Amerika’s, dan valt op dat we in Noord ­Amerika dergelijke steden niet kennen. Begrijpelijk, we hebben hier te ma­ken met een nomadische bevolking. De enige nederzettingen die we aan­treffen en die verdedigbaar zijn liggen in het zuiden. Daar namelijk zijn rotswoningen en ontstaat later de z.g. pueblo bouw waarmee door een op­eenstapelen van a.h.w. vierkante dozen een aantal woningen boven elkaar wordt gebouwd. Je kunt er beneden echter niet zomaar in. Je moet soms zelfs tot de top gaan of anders wel tot de 2de of 3de etage met verplaats­bare ladders omhoogklimmen. Dan kun je naar binnen en verder naar bene­den of naar boven gaan zoals je wilt. Alweer, verdediging.

Gaan we kijken in Zuid-Amerika dan vinden we daar enkele overblijf­selen die meer dan 20.000 jaar oud zijn. Het zijn cyclopenmuren. De volkeren die ze hebben gebouwd zijn allang vergeten. Hoe zijn die muren opge­trokken; Punt 1 op verhoogde punten. Punt 2; er zijn aanduidingen dat hier ook woningen hebben gestaan. Angst voor de omgeving? Ja, ongetwijfeld. Als je dan later gaat kijken, dan blijkt dat die hele denkwijze eigenlijk al­tijd heeft bestaan.

Wanneer de Spanjaarden in Peru invallen, dan zien we dat de laatste Inca’s wegvluchten en hun eigen steden bouwen in de bergen, bijna ontoe­gankelijk. Als je dan naar boven moet om in de stad te komen, dan heb je maar een heel smal paadje dat verdedigd kan worden door een leger van een paar man. Alweer, in de stad zelf een paleis, daarnaast vele woningen, dienstverblijven en opslagruimten, Dat zijn verschillende delen van de wereld waar ik het nu over heb.

Als we ons realiseren hoe algemeen deze bouwvorm is, dan moeten we daaruit ook concluderen dat de mentaliteit van de mensen ongeveer gelijk moet zijn geweest. Dat de mensen bang zijn voor vijanden is te begrijpen. Men heeft natuurlijk te maken gehad met koloniserende krachten. De Atlantiërs zijn eigenlijk de eersten geweest die daarmee zijn begonnen. Een kolonisator wil veiligheid. Ook degene die zich tegen de kolonisator moet verdedigen zoekt veiligheid en leert van zijn tegenstander. Vreemde volken hadden vroeger de neiging om degenen tegen wie zij zich niet konden verdedigen eenvoudig te verdrijven.

Er zijn heel wat overleveringen te vinden, zelfs historische feiten t.a.v. volksverhuizingen. Maar dat is een heel volk dat wegtrekt. Wat doen ze dan? Ze nemen eenvoudig het land van een ander. En de manier waarop zij dat doen is niet altijd zachtzinnig.

Als we de bijbel lezen, dan vinden we daarin een dergelijk verhaal. Het Palestina van eens was bewoond. Er woonden vele verschillende stammen. Er waren in dat gebied zelfs 4 à 5 koninkrijkjes. Wat doen de Israëlieten. Ze trekken binnen en ze overwinnen o.m. Jericho. Er staat dat dit men bazuinen is gebeurd. Dat kan zijn. Misschien hebben ze moderne muziek gespeeld daar kunnen oude muren niet tegen. Alles bij elkaar is er dus reden om bang te zijn en dus een reden om ommuurde steden te scheppen.

Als wij in Europa kijken, dan vinden we oorspronkelijk de door hagen omgeven dorpen van de toen nog betrekkelijk eenvoudige bewoners, de Germanen.

Gaan we kijken naar Engeland, dan vinden we ook overblijfselen van dergelijke verdedigingen uit de tijd van de Kimbren (Kelten). Dus algemene angst voor het vreemde. Laten we dat constateren.

Zoals we reeds een vorige keer hebben gezegd is er ook een enorme behoefte aan een macht, groter dan die je zelf bezit, om je op te beroepen. Practisch alle steden hadden hun eigen goden. Elke stam heel zeker een eigen godheid, een eigen bijzondere krachtbron. Dat is bepalend voor de wijze waarop beschavingen later ontstaan.

Laten we eens denken aan Alexandrië. Er was oorspronkelijk een andere plaats, maar die is door branden grotendeels vernietigd en daarvoor in de plaats heeft men toen een voor die tijd fantastisch mooie stad gebouwd.

Alexandrië was een marktplaats en bovendien een bedevaartsoord. Het was een soort vrijhaven. Iedereen kon daar binnenkomen, iedereen kon daar handeldrijven. Als men genoeg bezit had, dan kon men daar wonen en van daaruit verdere handelsconnecties onderhouden. Maar gelijktijdig worden we geconfronteerd met de verschillende kleinere steden. Denk aan Troje. Ik denk hier aan het Troje in Klein Azië dat in die tijd bestond. Een betrekkelijk kleine stad met een tamelijk groot leger en in staat om zich goed te verdedigen. Ze had een goede eigen vloot, volgens de normen van die tijd natuurlijk. Deze stad verdedigde zich krampachtig zelfs tegen het moederland. Vandaar de geschillen die wij o.a. kunnen terugvinden bij Homerus.

In Griekenland zelf zijn steden die alleen op bepaalde tijden toegankelijk zijn voor anderen. Athene maakte enigszins een uitzondering omdat dit ook een zeer grote handelsplaats is. Het is een handelsnatie. Denk aan Sparta. Een niet-Spartaan kan Sparta alleen binnenkomen met een bijzondere vergunning. Wanneer je daar was, dan was je gebonden aan de regels van die gemeenschap. Elke overtreding door een vreemdeling werd uitermate wreed gestraft. Overal komen we ditzelfde patroon weer tegen. Wij met onze wereld. Wij, met onze god. Wij, met onze macht. En naarmate er meer steden sterk worden, is de vraag naar de macht belangrijker.

Er is een tijd dat er bondgenootschappen ontstaan. Beschavingen en culturen die een beetje milder zijn, brengen het er over het algemeen niet zo erg goed af. Of we nu gaan kijken bij de volkeren in Zuid-Amerika, bij bepaalde indianenstammen in Noord-Amerika of mijnentwege gaan kijken bij het volk dat woonde op de hoogvlakte van Noord Italië, ze worden het slachtoffer van degenen die ze een te grote gastvrijheid verlenen. Als je je dat realiseert, dan wordt ook begrijpelijk hoe het nationalis­me dat vandaag de dag nog in zeer grote mate bepalend is voor de vor­ming en de werking van de wereld tot stand is gekomen. Door uit te gaan van degenen die bij jou horen ben je sterk. Dan kun je onderling twisten hebben, maar op het moment dat je stad of je staat wordt aangevallen, vergeet je die geschillen en je werkt allemaal samen. Er is niet zo’n groot verschil tussen de samenwerking van toch wel zeer rechtse en fijn gereformeerden, katholieken en communisten in het ver­zet en datgene wat er is gebeurd in de steden in Italië in de Middel­eeuwen.

Wanneer er een oorlog was, dan vergaten de edelen hun onderlinge strijd die heel wat op moordpartijen uitliep. Men trok dan gezamenlijk te­gen de vijand op. Waarom: omdat de mensen niet kunnen begrijpen dat alleen, als je jezelf kunt aanvaarden en jezelf kunt zien als iemand die in staat is zichzelf te redden, je enige kans hebt om met anderen werkelijk samen te leven en samen te werken ook als ze anders zijn

De poging tot het normeren van de mens is niet zomaar iets dat is opgekomen in de laatste eeuw. Als we bv. kijken naar de manier waarop Napoleon heeft geprobeerd zijn volk een eenheid van denken op te dringen en hoe men via allerlei verkondigingen van wetten, maar ook het doen voor­lezen van toespraken in staat was de mentaliteit van het Franse volk in een bepaalde richting te dwingen, dan kijken we eigenlijk naar precies hetzelfde wat er in de Hitlerperiode is gebeurd.

Men heeft een voorman nodig. Men heeft een God nodig. En al datgene wat daar niet onmiddellijk aan gehoorzaamt of niet wordt erkend, is onaan­vaardbaar. Dat wil men zelfs niet begrijpen, want men heeft het gevoel dat men innerlijk tekortschiet. De overtuiging van eigen macht en eigen gelijk is niets anders dan een wegvluchten voor een anders ontstaan begrip van eigen onvermogen.

Dan kunnen we kijken hoe het is geweest in Rome. Rome had zijn eigen stadsgoden. Er waren bepaalde geheimen en voorspel­lingen. Die werden door de Vestaalsen bewaard, die medebepalend waren voor alle beslissingen of voor die van de Caesars, de keizers. Er was een profetie en die moest waar worden, want op die waarheid be­rustte de zekerheid van het rijk, zo dacht men. Dus een meerwaardigheids­complex.

De Romeinen waren, neem u mij niet kwalijk, oorspronkelijk boeren­kinkels die goed konden vechten. Zij hebben veel overgenomen van de vol­ken waarmee ze te maken kregen. Als we kijken naar Rome in zijn betere da­gen, dan treffen wij daar allerlei gegevens aan die aan Griekenland zijn ontleend of aan naburige stammen. Men heeft het gevoel, nu moeten wij iets hebben dat ons bijzonder maakt. Daardoor zeggen ze niet alleen maar. Wij hebben de waarheid. Neen, ze gaan verder en zeggen: Wij burgers van Rome zijn meer waard dan ieder ander. Als er iemand is die wij de moeite waard vinden, dan mag hij Romein worden, een burger van Rome. Zoals men in de Duitse periode bepaalde mensen, ook al waren ze van Israëliti­sche afkomst, een Ariër heeft gemaakt om hun prestaties, om hun belangrijk­heid.

Als we kijken naar Frankrijk, dan zien we daar (ook betrekkelijk vroeg zo 800/900) eveneens een dergelijke mentaliteit overheersen. Er zijn natuur­lijk de edelen. De rest telt helemaal niet mee. De edelen worden vereerd en tegelijk gevreesd. Aan de ene kant zijn ze beul en uitbuiter, aan de andere kant zijn ze de beschermer. Daar komen dan de vorsten, de koningen uit voort. De koningen hebben een hofhouding. Die hofhouding, is eigenlijk al in een zeer vroege periode (1200) geënt op de oude hofhou­ding zoals Karel de Grote die eens had, krijgers, priesters en vooral dienaren, edelen. Wanneer je wordt gediend door een machtige, dan bewijs je daarmee je eigen macht. Dat systeem heeft zo goed gewerkt dat het heel erg lang heeft geduurd, bijna 600 jaar, voordat de mensen in Frankrijk eindelijk eens gingen inzien dat de pretenties van al deze hooggeplaatste heren niets waard waren.

Kijken we naar Rusland, Rusland bestaat in het begin eigenlijk uit een aantal kleine vorstendommetjes. Het zijn de latere Bojaren die we als een soort krijgsheren kunnen beschouwen, die een eigen gebied beheer­sen en daarnaast de omgeving leegroven. Er komt een vorst, een heer­ser onder de Bojaren, de latere tsaar en die gaat onmiddellijk al wijding vragen. Hij heeft zijn eigen priesters om zich heen. Die priesters hebben gezag over de kerk. De kerk heeft gezag over de boeren. Dus kan de Tsaar een groot leger op de been brengen en dat is het belangrijkste. Daardoor wordt hij inderdaad Primus interpares en later zelfs de door God gekroon­de alleenheerser.

Het is krankzinnig als je het zo bekijkt dat overal de mensen een ander tot heerser uitroepen en dan later zich over die persoon beklagen, maar het zonder zo iemand ook niet kunnen stellen. De mensheid is nog wer­kelijk in de kinderjaren. Ze heeft nog steeds een belhamel nodig die de kudde voorgaat. Zelfs in deze dagen krijg ik het gevoel dat dat nog vaak het geval is.

Wanneer de mensen bezig zijn hun eigen grootheid uit te breiden, dan moeten zij dat natuurlijk ook doen door zich materialen te verschaffen. Steden bv. bouw je niet zo een, twee, drie. Zeker, er zijn in het zuiden oorspronkelijk hele steden uit tichelsteen gebouwd. Dat was klei met stro in de zon gedroogd. Maar later had men toch stenen nodig.

De Farao’s laten op enorme afstand steengroeven aanleggen, gebrui­ken en exploiteren om de stenen te krijgen die ze nodig hebben voor hun paleizen en ook voor ommuringen van hun steden. Datzelfde zien wij bij de Grieken.

De Grieken tasten hun milieu tamelijk sterk aan in die periode doordat ze veel mijnbouw bedreven. In de mijnen (o.a. tinmijnen) wordt voornamelijk gewerkt met slaven. Het merendeel van de slaven is van een andere nationaliteit het zijn geen echte Grieken die bij de stad horen of het zijn misdadigers. Dat daardoor later in Griekenland veel vruchtbaarheid verloren is gegaan, heeft men zich niet willen realiseren. En al had men het geweten, dan had men gezegd: Het is noodzakelijk voor de grootheid van de stad, voor de opbouw, voor de offers aan de goden en voor de handel die wij drijven om deze mijnen te exploiteren.

Van de Romeinen moeten wij zeggen dat zij zich wat dat betreft nogal redelijk gedragen hebben. Zeer waarschijnlijk speelt daarbij een grote rol dat zij hun grondstoffen van over zee konden aanvoeren. Zij hebben wel de­gelijk ook steengroeven gehad, maar die zijn niet bepaald ten detrimente van het milieu gegaan. Gelijktijdig was het voor de oorspronkelijke boerenafstamming gebruikelijk om allerlei landerijen rond de stad te exploiteren. Zo werd er dus eigenlijk in landbouw en veeteelt gezorgd voor de instandhouding van het milieu.

We behoeven echter niet veel verder te gaan. Als wij denken aan de steden van 1400, dan valt op dat ze enorm vervuild zijn. In Rome liet men dat nog niet toe. Rome is, voor zover mij bekend, de eerste stad geweest waar ze flatjes verhuurden. Men had namelijk in de volkswijken bouwsels van vier, soms zes verdiepingen hoog. Die bestonden allemaal uit kleine kamers die via een aantal trappen bereikbaar waren. Die kamers worden afzonderlijk verhuurd. U zou dus kunnen zeggen dat het huisjesmelken een Romeinse uitvinding is geweest en als zodanig floreerde onder de Romeinen.

In de steden had men nog reiniging. Men had veel slaven. Slaven kon je altijd wel weer aanvoeren, want er werd zoveel oorlog gevoerd. Je kon altijd voldoende slaven krijgen voor dat rotwerk. Het was niet zoals in de tegenwoordige tijd dat ze gastarbeiders nodig hebben omdat niemand vuilnisman wil worden.

Parijs, Avignon, verschillende Duitse steden waren in die tijd ver­vuilt. Als er al riolering was, dan waren dat open riolen, gootjes in de straten waar alle stinkende drab door vloeide. Heel waarschijnlijk lag er in de meeste straten meer aan mest dan aan bestrating. Men vroeg zich ook niet af: Kunnen wij de zaak schoonhouden? Ze vroegen zich alleen maar af: Is het gemakkelijk.

U herinnert zich misschien het verhaal dat bij het paleis in Parijs een straatje was waar heren nooit doorheen liepen zeker niet in de ochtend en avonduren. Dat had een reden. Er waren nogal veel vensters die behoorden tot de appartementen van degenen die aan het hof waren geaccrediteerd. De bedienden hadden dan de gewoonte om ’s morgens en ’s avonds de pot de chambre maar uit het venster te ledigen. Paraplu’s waren in die tijd nog niet uitgevonden. Dus als je daar doorheen liep, dan kwam je zullen we zeggen, geurig en kleurig onder de menigte.

Het is de stadssamenleving waarin de mens eigenlijk vervreemdt van zijn milieu. Maar dat wil ook zeggen, dat hij veel minder geïnteres­seerd is in de krachten van de natuur.

Een bestrijding van bv. een natuurverering zoals die in de ketter­jacht (later de heksenjacht) naar voren is gekomen, kan alleen maar ge­boren worden in de steden, in gemeenschappen die eigenlijk van het werk van de natuur zijn afgesloten. Zelfs het denkbeeld van een enkele God die alles regelt, is voor de bewoner van het land eigenlijk niet aanvaardbaar, tenzij men er een soort super God van maakt die wordt omringd door allerlei heiligen en dienaren die zorgen voor bescherming tegen, bv. blikseminslag, die vruchtbaarheid geven en al die dingen meer.

Het is alsof langzamerhand de mentaliteit van het westen sterk ver­stedelijkt. Men gaat steeds meer denken in termen van productie, van koop­waarde. Steeds minder houdt men zich bezig met de vraag of men wel in harmonie met de natuur werkzaam is, of er een wisselwerking kan zijn tus­sen mens en natuur. We kunnen zeggen dat vanaf 1400 de mens in toenemen­de mate de natuur verkracht om daardoor voor zichzelf winst, bezit of aanzien te verwerven,

Maar kijken we naar een ander land, China, dan worden we geconfron­teerd met andere processen die toch een zekere parallel vertonen. In het oude China waren de meeste mensen landbouwers. De registrerende bovenlaag was in getalsverhouding bezien betrekkelijk gering. De krijgers waren een zeer kleine minderheid. Er was echter één ding dat men gemeen had; men voelde zich verbonden met de bodem.

Voorouders zijn a h.w. de uitbeelding van China, van mensen die leven in een bepaalde omgeving, in een bepaald land. De voorouderverering wordt steeds sterker. De behoefte om grootheid aan te duiden, zoals eens in allerlei praalgraven kenbaar werd gemaakt, wordt meer en meer beperkt tot keizers en de grote krijgsheren. Zij doen dat nog wel, maar alle ande­ren zijn steeds meer met de aarde verbonden. Maar als je met de aarde ver­bonden bent, dan moet je ook onderling een zekere band aanvaarden.

Als men kijkt naar het hedendaagse China, dan zeggen de mensen: Hoe is het mogelijk. Maar men vergeet dat ze altijd hebben geleefd in ge­meenschappen waarin een zeer sterke onderlinge controle een natuurlijk verschijnsel was. Men heeft altijd geleefd in samenlevingsvormen die nu eens beheerst door de een, dan weer beheerst door de ander, innerlijk een zo grote veerkracht hadden opgebouwd dat ze onder alle omstandigheden zichzelf konden blijven. Zelfs de vakbonden van het oude China, de Tongs. Er waren er heel wat. Er was een vakbond van moordenaars. Er was er een van de prostituees. Je had er een van de bedelaars, van de dieven. Het waren allemaal afzonderlijke verenigingen. De FNV zou kwijlen als ze dat hoorde. Maar ook die bonden kenden weer die sterke saamhorigheid. Het is wel opvallend, dat in die dagen het al gebruikelijk was dat een dief niet stal in de gemeenschap waarin hij woonde, hij deed het daarbuiten. Een moordenaar die wordt aangezegd om een bepaalde persoon van de dorpsgemeenschap te vermoorden, zal zelf nooit uit die gemeenschap voortkomen. Of hij moet uit de gemeenschap zijn gestoten, dat is dan wat anders.

Er is dus de neiging om in een soort commune te leven. Zeker, met andere verhoudingen en met machtsverhoudingen van bezit die op het ogenblik voor een deel zijn geëlimineerd en voor een deel weer langzamerhand zijn ontstaan. Hierdoor krijgen we een veel grotere gevoeligheid voor de natuur. Dat het grote China zijn landbouwareaal niet lang heeft uitgeput, is mede te danken aan een leefwijze waardoor de mens in feite de symbioot wordt van de omgeving.

Er zijn weer andere dingen die daarbij natuurlijk weer een rol hebben gespeeld. Ik kan ze natuurlijk niet allemaal opnoemen.

Als we kijken naar de Noord Amerikaanse indianen, dan valt op dat ze een zeer sterk gevoel van verbondenheid hebben met de lucht, met de aarde, met het water. Het is alsof ze hun hele leven bouwen op een verwantschap met de elementen. Er zijn natuurlijk wel goden, de manitoe’s. Er zijn allerlei beschermende krachten aanwezig, maar het gaat hier om verwantschappen met de natuur. Een totem is een verwantschap met een deel in de natuur. Dat je dat spaart, is heel begrijpelijk want het is jouw groep. Dus als je bv. een bever als totem hebt, dan zul je nooit bevers storen of aanvallen, laat staan eten. Je bent verwant met de natuur.

Zolang de blanken er niet kwamen, kon de natuur in stand blijven. En was daar voor alle indianenstammen, zowel voor de paar landbouwers die er waren, als voor de vele jagers en nomaden een goed leven mogelijk. Pas op het ogenblik dat bezit wordt geïntroduceerd, wat erger is, wordt ingegrepen in de natuurlijke gang van zaken, ontstaat er armoede voor de indiaan. Gelijktijdig vormt zich een kunstmatig milieu dat de blanke voor zichzelf opbouwt en dat eigenlijk voortdurend in strijd is met de belangen van andere groepen blanken en de indianen natuurlijk, maar ook met de eigen mogelijkheden en het wezen van de natuur.

Wij kunnen voorbeelden van die bezitsgedrag (ik zou het zo willen noemen) vinden in vele verschillende delen van de wereld. Als wij gaan kijken naar de Sahel, dan moeten we daarbij aantekenen dat een groot gedeelte van de ellende mede is ontstaan door overbeweiding. Met andere woorden, men wilde grote kudden. De grootte die voor de persoonlijke behoefte economisch eigenlijk niet verantwoord was en heeft daardoor de aarde te veel gevraagd. Men heeft te veel vernietigd. Dan kunnen ze nu wel zeggen dat de olifanten het hebben gedaan, maar dat is niet waar. Het waren de mensen.

Kijk naar de dustbowlverschijnselen die in de V.S. zo kenbaar zijn geworden en waartegen o.a. Roosevelt zoveel heeft willen doen. Mensen, die maar landbouwbedrijven zonder zich af te vragen wat de bodem kan hebben, zonder de bodem te voeden op de juiste manier, die alleen maar kijken naar de oogst. Die teren op een gegeven ogenblik de hele bovenlaag weg. Wat daar onder zit is zand. Maar als het zand begint te stuiven, dan bedelft het weer vruchtbare aarde in de omgeving. Daar krijg je woestijn voor.

Datzelfde is ook gebeurd in wat tegenwoordig de Gobi wordt genoemd. Ook hier hadden we eens te maken met een vruchtbaar gebied. Maar er war­en steden die zich als erg belangrijk zagen. Deze steden hebben landbouw bedreven. Ze hebben zelfs kanaliseringspogingen gedaan bij verscheidene rivieren en hebben daardoor bewust of onbewust ook een dustbowlverschijn­sel opgeroepen. Het is geresulteerd in een groot onvruchtbaar droog gebied waarin er nog wel water is, maar grotendeels onderaards. Het is interessant al die dingen zo te zien. Als je naar de moderne tijd gaat kijken, dan zie je er weer datzelfde onverstand werken.

Als we ons realiseren hoe de mensen om hun industrie, dus hun bezit, inkomen en verbruiksmogelijkheden op een peil te houden die eigenlijk boven de norm van de behoefte ligt, dan zien we rivierverontreiniging, bodemverontreiniging, gassen de lucht in gooien en allerlei dingen doen waardoor de plantengroei wordt aangetast, dan moeten we toch zeggen: Dat is niet gezond meer.

Als wij zien wat er van de oerwouden in Brazilië aan het worden is, maar net zo goed die van Afrika, hoe men daar maar hout wegkapt, hoe men daar maar ruimte maakt voor landbouw, want dat levert op. Dan moet men toch ook beseffen dat men gewoon de longen van de aarde a.h.w. aan­tast, zoals de kanker bij longkanker langzamerhand het de cellen onmoge­lijk maakt te functioneren. De mens denkt daar niet over na.

Ik geloof, dat dat ook weer een van de kentekenen is waarmee u door de hele historie heen wordt geconfronteerd. De mensen vragen zich niet af: Wat zijn de gevolgen van wat ik doe Ze vragen zich alleen naar af: Word ik er beter van.

Wanneer het bezit, de behoefte aan bezit en als uitvloeisel daar­van begrippen als macht een grote rol gaan spelen, dan zien we dat de hele wereld eigenlijk niet meer telt. De werkelijkheid telt niet meer. De mens leeft in een droomwereld. Als hij nu in zo’n droomwereld is ge­vangen, dan probeert hij wel krampachtig eruit te komen, maar niet door op te geven wat hij heeft of te veranderen wat hij heeft.

Er zijn mensen geweest (o.a. in Frankrijk maar ook elders) die men­senoffers hebben gebracht, zwarte missen hebben gelezen, die de meest krankzinnige magische bezweringen hebben uitgesproken alleen maar om die dingen te verkrijgen die volgens hun begrip werkelijk noodzakelijk waren zonder dat ze daartegenover iets moesten opofferen van wat ze al hadden.

Er bestaat in de natuur iets soortgelijks. Er is een muizensoort die ontzettend grote voorraden aanlegt. Nu is het eigenaardige, dat die dieren voorraden aanleggen die veel groter zijn dan wat ze nodig hebben. Ze vergeten zelfs waar die voorraden zijn. Ze verrotten dan. Zo zijn de mensen. Alleen, in plaats van muizen heeft u bankiers.

Nu kun je niet zeggen: Die muizen zijn slecht. Helemaal niet. Je kunt ook niet zeggen bankiers zijn slecht. Maar de manier waarmee ze met de mogelijkheden omspringen is verkeerd. Kijk, en daar zit nu juist het haakje waarmee wij ons vandaag moeten bezighouden. Want de ontwikkelingen van de wereld, zeker in de laatste ruim 100.000 jaren, is de ont­wikkeling van mensen die zich steeds meer losmaken van hun natuurlijke mi­lieu. Die zich losmaken van alles wat instinct is, maar gelijktijdig daar­door komen tot een wijze van werken, van leven en van het behandelen van de wereld die eens wel de oorzaak zou kunnen zijn dat al die menselijke pro­gressieve neigingen er zwaar instinken.

Bezit. Is bezit redelijk? Vroeger was bezit redelijk voor zover je het nodig had. Dus, je moest de nodige instrumenten en wapens bezitten, je mocht een paar sieraden bezitten. Natuurlijk, je mocht jezelf opknappen. Kleding had je nodig en voedsel. Maar meer had je niet nodig. Op het ogen­blik dat je gaat zeggen: Dit is van mij en daar blijf jij af, verandert er iets in de relatie. Het is niet meer; ik heb dit en ik kan jou dus helpen. Jij hebt dat en dan moet je mij helpen. Het is niet meer; wij jagen en degene die niets gevangen heeft, krijgt wel zijn gerechtvaardigd deel van de buit van de anderen. Het is nu gewoon, heb je niets gevangen jammer voor jou. Je moet toch zien dat je wat vangt anders verhonger je. Zo gaat dat steeds verder.

Langzaam maar zeker komt ook het begrip van betaling in zwang. Oorspronkelijk betaal je een ander voor werkkracht die je koopt, slaven. Je betaalt een ander als hij bepaalde diensten voor je verricht. Dat is allemaal nog tamelijk normaal. Het bezit is nog steeds vooral gebruiks­goed, ook als men veel meer heeft dan men in feite zelf zou kunnen ge­bruiken.

Maar dan komt de tijd dat het gemakkelijker is om ruilhandel te drijven. Er ontstaat zelfs al in de tijd van Alexandrië het wisselgebruik. Een gebruik, dat in beperkte mate al bestaan heeft in Ninive en Babylon, maar eigenlijk alleen tussen staatslieden en priesters. Nu wordt het algemeen. Je kunt een wissel hebben van iemand die mijnentwege ergens in Zuid Wales tinmijnen exploiteert. Er is een koopman in Alexandrië die be­taalt hem uit, want daardoor heeft hij een vordering. Als hij dan weer tinerts importeert, dan kan hij dat op die manier verrekenen.

Vanuit die wissels ontstaat de behoefte aan pecunia. Het ruilmid­del moet gemakkelijker hanteerbaar zijn. Wij zien bv. bij de Romeinen een tijdlang zowel ringen als ook armbanden van gouddraad. Wanneer je dan iemand wilt betalen, dan snijd je daar een stukje van af. Die persoon kan dat dan weer omsmelten en daarvan zijn eigen ringen en dergelijke maken en hij heeft tevens een ruilmiddel.

Zilver en goud zijn een lange tijd de eerste ruilmiddelen. Goud is het meest belangrijke geweest omdat het betrekkelijk gemakkelijk versmeltbaar was. Later blijkt ook dat brons en koper ruilmiddelen wor­den. Eerst in de vorm van sieraden of van munten. Later gaat dat zelfs zover dat je de munten niet eens meer behoeft te hebben. Je kunt in de plaats daarvan een of ander tabletje meenemen of een geschreven stuk en dan kun je elders krijgen wat je nodig hebt.

Die gelddienst heeft natuurlijk nog één groot voordeel dat het geen lange tijd duurt voordat de gelden zijn overgemaakt. Zo ontstaat het bankierswezen dat oorspronkelijk voornamelijk functioneert voor de handel. Zij hebben de gelden en ze moeten er iets mee doen. Wat gaan ze doen?  Leningen geven tegen wat we zouden noemen woekerrente. Verder worden ze steeds rijker en kunnen ze steeds meer gaan doen. De Oppenheimers bv. en wat dat betreft ook nog andere bekende namen, die hebben sterk gespe­culeerd in assignaties gedurende periode van het keizerrijk en het tweede koninkrijk in Frankrijk. Assignaties waren staatsschuldbrieven. Die had­den een koers, de ene keer zakten ze en waren ze niet veel waard. De an­dere keer stegen ze. Dat werd vaak bepaald door gebeurtenissen buiten.

Als bv. het leger een overwinning behaalde, dan steeg plotseling de koers van de assignaties. Daarvan maakten de bankiers gebruik. Zij koch­ten als ze laag stonden en als ze hoog stonden, dan verkochten zij ze aan iedereen die ze hebben wilde en zo gek was. Daaruit is een moderne wereld­macht ontstaan.

De meesten van u realiseren zich dat niet. Maar machtiger zelfs dan de Internationale is de moderne geldhandel. Om macht te hebben moet je geld hebben. Een van de redenen daarvan is gelegen in het feit, dat sta­ten soms geld nodig hebben waarover ze niet direct beschikken. Dan lenen ze. Voor die lening krijg je interest. Maar gelijktijdig kun je bepaalde voordelen afdwingen, want anders ben je de staat niet meer ter wille. Het resultaat is ten slotte dat er banken door de staat zelf worden ge­sticht. Dat zijn de grote financiers op de achtergrond die nog altijd de baas blijven.

Dan vraagt u zich misschien af: waarom maken ze zich er druk ­over dat al die mensen bankgiro of een andere giro moeten nemen dat ze betaalpasjes moeten hebben e.d. Dat is heel begrijpelijk. Kijk, dan kun je geld in omloop hebben, terwijl je gelijktijdig van dat geld interest trekt. Je kunt je geld dus twee keer gebruiken. Voor een bank ­betekent een dergelijk systeem, je koek kunnen bewaren en gelijktijdig er lekker van eten. Maar als dat gebeurt, dan is niet alleen voor de staat geld belangrijk, maar voor een kerk ook.

Als je kijkt naar de kerk van Rome. Oorspronkelijk is er een zekere vorstelijkheid. Men doet wel aan prestigewerk ongetwijfeld. Maar de grote kerken en kathedralen zijn niet gebouwd met kerkkapitaal. Ze zijn ge­bouwd door gelovigen, door mensen die zich daar direct mee verbonden voelen. Langzaam maar zeker verandert dat. De bedelpartijen van de bouwpastoors maken al duidelijk dat je tegenwoordig niet meer zo gemak­kelijk aan geld komt. Kijk dan naar de pastoor. Hij neemt een hypotheek. Die hypotheek moet worden betaald. Alle mooie predicaties, die hij houdt voor de noodzaak van zijn inkomen komen er ten slotte op neer dat de gelovigen de rente moeten betalen totdat de kerk rendabel is geworden. Rendement ook in de godsdienst.

Denkt u niet dat dit alleen maar in de christelijke godsdienst zo is. U kunt hetzelfde zien in de tempels van India. U kunt het zien in de verschillende geloofsvormen van Japan met hun eigen tempeltjes. Ze moeten rendabel zijn. Grote kapitalen komen direct of indirect in han­den van de leiders van godsdiensten. Maar je kunt je handen toch niet vies maken met geld. Het gevolg is dat die gelden worden belegd. Heel vaak door een eigen bank of via de bank van die godsdienst. In sommige gevallen ook doordat men zich inkoopt in bekende instellingen. Want kapitaal moet rente geven. En om die rente te kunnen trekken moet je dus deelnemen in bedrijven, moet je speculeren, moet je deelnemen aan een in feite op zich niet productief winst maken dat ten koste gaat van alle werkelijk produceren.

Het is niet mogelijk om tegenwoordig het bankwezen ineens af te schaffen. Iedereen is er zo aan gewend dat je eigenlijk zonder een der­gelijk ruilmiddel niet kunt bestaan. Het zou beter zijn, als die macht werkelijk bekort werd dat is duidelijk. Het zou tevens betekenen dat de godsdiensten weer een beetje minder gaan kijken naar hun inkomen en een beetje meer naar de werkelijkheid van hun geloof en de praktijk ervan.

Zolang naastenliefde, zoals in uw dagen, een object van verdien­ste is geworden, zolang men zelfs in feite frauduleus gelden lospeu­tert onder voorwendsels terwijl men ze ook voor andere zaken gebruikt, en dat is in deze dagen vanzelfsprekend. Maar het betekent wel, dat de samenhang van de maatschappij duidelijk wordt bedreigd, dat hier een geestelijke milieuvervuiling plaatsvindt.

Laten we eerlijk zijn. Ik wil geen namen noemen. U kunt een kind adopteren dat toch bij zijn ouders en in zijn omgeving blijft. U kent dat systeem. Daar betaalt u voor. Aan het kind wordt misschien 10 % van het­geen u stort feitelijk besteed. Al het andere wordt besteed aan goede werken, ook voor het boren van bronnen, de bouw van noodzakelijke dingen, het financieren van bepaalde plaatselijke industrieën. Maar dat wordt niet gezegd. U wordt geconfronteerd met de arme zielige kinderen en in feite betaalt u daar een soort missioneringswerk mee. Dat is niet reëel.

Er is een vereniging geweest die erg veel goed heeft gedaan voor de leprabestrijding. Ze was ook op religieuze basis bezig. Maar toen men op een gegeven ogenblik ging kijken wat de werkelijke uitgaven waren, bleek dat voor de leprabestrijding 40 tot 50 % werd gebruikt en dat al het ande­re werd besteed om bv. missionarissen mogelijkheden te geven. Alweer, bedrog. En als we ons realiseren dat die vorm van bedrog tegenwoordig ge­bruikelijk is geworden, dan zien we eigenlijk dat iedereen voor zich lang­zaam maar zeker moet gaan denken, ik haal ook wat er te halen is, want ik heb ook goed werk gedaan al doe ik het alleen maar voor mijzelf.

Kijk, daar zitten we dan aan een punt dat ons confronteert met een gehele ontwikkeling die misschien al begonnen is in Sumerië toen een vorst besloot in plaats van een echte tempel in feite een paleis-kazerne te bouwen en de tempel daar bovenop te zetten om hem heilig te verklaren. Ze is begonnen toen de eerste bankiers in Alexandrië wissels gingen in­wisselen zowel uit het Verre Oosten als uit Europa. Het zijn zaken die je niet alleen maar kunt afdoen met, – het is verkeerd. Neen, het is gegroeid. Al die dingen waar je vandaag tegenaan kijkt zijn in de loop van de tijd geleidelijk ontstaan.

Ik hoor de mensen uitroepen: In de laatste eeuw is er zo ontzettend veel veranderd. Uiterlijk wel maar de praktijk is nog steeds dezelfde. Dat is een van de redenen waarom de slagzin “de vervuiler betaalt “alleen kan gelden voor degenen die niet over de middelen beschikken om veel te vervuilen maar ook niet over de middelen om zich tegen iets dergelijks te verzetten.

Wij moeten ons eens goed realiseren dat het verkeer bv. in deze dagen alleen maar gegroeid is doordat dit voor economische belangen zo interessant was. U realiseert zich misschien niet dat dit in Enge­land is gebeurd. Het eerste goedkope vervoer per rail is ingesteld omdat daarmee kwijnende badplaatsen konden worden voorzien van arbeiders toeristen die een dagje uitgingen. Dat hier in Nederland de uitbreiding van het spoorwegnet zowel door de Rijnlandse, Staats of andere maatschappijen eigenlijk alleen werd ingegeven door de behoefte te transporteren, het trans­port van goederen. Als je dat allemaal gaat begrijpen, dan zeg je: Ja, dan is alles wat er gebeurt eigenlijk de oorzaak geweest van wat er vandaag be­staat.

Wij zullen in een latere les ons gaan wijden aan de mentaliteit van de mens en wat daar allemaal in gebeurd is, hoe de visie op de wereld van tijd tot tijd verandert, hoe de z.g. moraal van eeuw tot eeuw met grote sprongen verandert. Het is gewoon de mode van het geweten. Maar laten we dan niet vergeten dat er bv. in de laatste honderd jaar meer dan een verdubbeling heeft plaatsgevonden van het aantal mensen op aarde.

Waar komt dat vandaan. Omdat in zeer veel landen kinderen het be­zit zijn. De kinderen daar zijn de AOW van hun ouders. Kinderen zijn ver­diensten. Ze zijn niet alleen maar het uit liefde voortgebrachte. Ze zijn het nevenproduct van hartstocht dat zeer goed kan worden gebruikt om eigen omstandigheden te veranderen en eventueel te verbeteren. Dat mag je zo niet zeggen, natuurlijk niet. Maar het is wel zo.

Dan moeten wij ons ook even realiseren dat de overbevolking in be­paalde landen waarover men zich nogal eens beklaagt in West-Europa mede te danken is aan de armoede daar en de onzekerheid van het menselijk be­staan. Ieder zoekt naar zijn eigen clan, zijn eigen gemeenschap die zo tal­rijk mogelijk moet zijn, omdat hij daarin de geborgenheid kan vinden die de z.g. maatschappij of democratie hem niet kan bieden.

Als wij de wereld en de veranderingen en ontwikkelingen daarin wil­len volgen, dan kunnen wij niet zeggen, Hier is iets begonnen, daar is iets geëindigd. Het is een voortdurend proces waarin vele geleidelijke ontwikkelingen en veranderingen ook werden bepaald door de veranderin­gen in het denken van de mens en die helemaal op de keper beschouwd voortdurend werden veroorzaakt door de onzekerheidsgevoelens van mensen die zichzelf niet helemaal durfden vertrouwen en die de zekerheid die an­deren bieden nodig hebben omdat ze niet op eigen benen durfden staan.

Dat zal ons in de volgende les ongetwijfeld brengen tot beschouwingen over allerlei geestelijke ontwikkelingen, de grote wereldgods­diensten bv. Waar komen die vandaan? De wijze waarop sommige dingen schijnbaar verdwijnen. Zoals het animisme dat een lange tijd eigenlijk de hoofdgodsdienst is geweest, samen misschien met het magische denken dat de laatste tijd schijnt te verdwijnen, maar in een andere vorm binnen het geloofskader weer de kop opsteekt. Wat was, kun je niet eenvoudig uit­wissen. Je moet begrijpen dat het deel uitmaakt van je heden. Dan pas kun je het heden begrijpen. Door het begrip dat je, daardoor gewint, is het je mogelijk de toekomst te veranderen. Daar wil ik het dan vandaag bij laten.

Vragen

  • Is een verandering van mode in de bankwereld een wezenlijke ver­andering?

Mag ik heel gemeen zijn? De enige verbetering die banken kunnen veroorzaken is hun faillissement. Omdat ze daardoor de bezitsverhoudin­gen weer terugbrengen waar ze werkelijk behoren; namelijk in het vermogen om te verdienen door te produceren en anderen diensten te bewijzen. Het spijt mij dat ik het zo moet zeggen. Ik zeg nogmaals. Het bankwezen is in deze tijd niet weg te denken en is onmisbaar. Maar het bankwezen op zichzelf, dat zult u zich toch realiseren, maakt zeer grote winsten met iets dat eigenlijk geen eigen waarde heeft en daardoor een voortdu­rende belasting betekent voor alles wat wel waarde en betekenis heeft en die kan soms heel erg oplopen, zelfs als men het goede probeert te doen.

Kijk naar de Wereldbank en dat haar pogingen om te helpen in feite een enorme last betekent en nog betekent voor vele landen die daar­door afhankelijk zijn geworden van een wisselwerking met het westen die hun eigen ontwikkeling volledig frustreert. Neemt u mij niet kwalijk. Ik ben niet tegen banken, maar deze hele­ handel op zichzelf is een illusiehandel geworden waarop helaas een deel van de werkelijkheid tegenwoordig is gebaseerd.

  • Wat is de kans dat oerwouden blijven bestaan o.a. in het Amazonen­gebied?

In het Amazonegebied is dat minder snel te bereiken dan in de Afrikaanse gebieden, zodat men kan zeggen: De schade zal op den duur ongeveer de helft van het beboste areaal omvatten voordat men zelf tot de ontdekking komt hoe schadelijk het is. Wanneer men dan besluit te kappen en weer aan te planten, dan komt men toch weer in een andere verhouding, in een andere relatie. Maar zoals hier heel vaak gebeurt, als je een boom kapt, dan moet je andere planten. Als je het goed wilt doen dan moet je er zelfs twee planten voor elke boom die je kapt, omdat het omzettingspotentiaal van de kleine boom kleiner is dan van de volgroeide.

  • Wanneer zou dat gaan veranderen?

De verandering in Afrika is op het ogenblik gaande zoals u mis­schien weet. Er komt steeds meer druk van alle kanten op Brazilië. De grootste misdadiger op het terrein van de houtkap is het Amazonege­bied, maar gelijktijdig is er een eerste begin gemaakt met heraanplant. Alleen heeft men de bevolking nog niet duidelijk kunnen maken waarvoor dat noodzakelijk is. Het is dus niet alleen een kwestie van verandering in de gebruiken van staten en bedrijven, maar het betekent ook dat een verandering in mentaliteit van de bewoners van die gebieden noodzakelijk is.

We zijn vandaag bezig geweest met het milieu en andere zaken, we zullen toch om de veranderingen in de wereld te begrijpen ook nog helemaal in de godsdiensten, in de filosofie en de esoterie moeten duiken. Dat doen we dan de volgende keer.

Zeevaart en zeevaartbijgeloof

Het zal duidelijk zijn dat in het verleden nogal weinig zeevaart is geweest. Hoofdzakelijk was dat kustvaart. Die mensen werden geconfronteerd met allerlei onbegrepen dingen. Ze werden in de eerste plaats geconfronteerd met vissen en grote dieren in de zee waarvan ze eigenlijk geen weet hadden. We kunnen nu wel zeggen dat de verhalen over zeeslangen zijn ontstaan doordat men bruinvissen achter elkaar zag dartelen, maar in de praktijk is dat wel een beetje anders.

Er zijn inderdaad zeeslangen geweest. En voor zover bekend, zijn er nog wel enkele, ofschoon ze meestal op grote diepte leven. Zo hebben we ook de verhalen van de kraken. De kraak is een enorm grote inktvis die in staat zou zijn om hele schepen om te trekken. Een tikje overdreven, maar er bestaan inderdaad reuze inktvissen waarvan elke arm een lengte heeft van tussen de 8 en 12 meter. Dat is toch heel aardig. Mensen, die daarmee worden geconfronteerd, wisten eigenlijk niet precies wat er gaande was.

Oorspronkelijk zag men vooral in het meer tropische klimaat een nautilus voorbijzeilen. Dat is een soort schelpdier dat een voelhoren omhoogsteekt en zich dan door de wind laat drijven. Men dacht dat het een klein volkje was. De gedachte aan dat kleine volkje heeft ten slotte weer geleid tot het geloof dat er in het water mannetjes, mensen leven, die wat kwaadaardig zijn.

De klabouterman waarvan u misschien wel heeft gehoord is het eindresultaat geweest van een dergelijke legende ontwikkeling. Wat niet wegneemt dat een dergelijke klabouterman, althans een inboorling die men niet kende, weleens aan boord van een schip is geklauterde wanneer hij toevallig met zijn kanoe tussen de verschillende eilanden onderweg was. Voor de blanken was dat in volle zee dan plotseling een vreemde verschijning. Die vreemde verschijning schrok zich weer een hoedje van de blanken, want ook die waren eigenaardige verschijningen. Die vreemde verschijningen verdwenen weer, maar in een enkel geval dacht hij dat hij zich moest verdedigen en dan vielen er weleens doden.

De verhalen over de onbekende mensen in de zee kunt u nog terugvinden op oude kaarten. Daarop zijn ze overal afgebeeld. Zijn er dan werkelijk wezens? Het antwoord is: Ja. Er zijn inderdaad een aantal fabelwezens die werkelijk bestaan. Hun grootte is overdreven en een deel van hun afschrikwekkendheid ongetwijfeld ook, maar afstammelingen van de sauriërs zijn inderdaad naar de zee teruggegaan. Vooral de moerasbewoners hebben zich daar weer omgevormd en zijn wat kleiner geworden, maar kunnen heel gevaarlijk zijn als ze zich bedreigd gevoelen. Een aantal van die dieren kan men vinden in de buurt van de Sargasso zee.

Er zijn ook vissen die men nooit had gezien en men dacht dat dat het werk van de duivel was. Nu weet men dat het dieren zijn, waarschijnlijk uit het plioceen of vroeger. Al die dingen samen hebben geleid tot een eigenaardig denken dat zelfs in de moderne tijd met alle kennis toch ergens mede een rol speelt in het denken van vele zeelieden.

De legenden die ontstaan zijn natuurlijk altijd wel op feiten gebaseerd. De Vliegende Hollander bv. Er zijn heus wel wrakken die een lange tijd onder zeil verder zijn gegaan nadat ze verlaten werden. Maar waar is dan de Vliegende Hollander? Dat die schepen alleen in een storm werden gezien, is ook heel waarschijnlijk omdat alleen met storm dergelijke schepen in beweging kwamen en dan ook zonder verder ergens op te letten, want er was niemand om te sturen, eenvoudig door de wind verder gingen.

Er zijn verhalen over allerlei gebieden waar het gevaarlijk is. Natuurlijk, er zijn gebieden op aarde (op het ogenblik 3 of 4) waar inderdaad mensen kunnen verdwijnen en soms zelfs met de schepen. Dat is echter weer een kwestie van een dimensieverschuiving, het komt niet zo vaak voor.

Hoe vaak is men niet doodsbang op een schip, terwijl er geen reden voor is. Dan krijgen we de verlaten schepen, zoals de geschiedenis van de Mary Ann. Schepen waarin alles klaar staat. Je kunt zien, de mensen waren aan het eten, en zijn opgestaan en weggegaan. Alles staat er ook zoals ze het hebben achtergelaten. Zijn dat vreemde wezens geweest?

Natuurlijk zijn er altijd wel mensen die zeggen. Dat waren een paar Vliegende Schotels die onderweg waren om eigenaardige beesten te vangen voor hun eigen dierentuinen. Die hebben toen de bemanning meegenomen. Er zijn daarentegen op de wereld plaatsen waar eigenaardige verschijnselen voorkomen en zeker ook op de oceanen. Dat is begrijpelijk. De aarde is een van de weinige planeten in deze ruimte die een zeer grote watermassa heeft. Water wordt door heel veel ruimtevaarders gebruikt o.m. als reactiewolk, als ze een versnelling nodig hebben voor een ionenstraalaandrijving. Zij werken dus niet met magnetische aandrijving. Als ze dan zo’n planeet zien, dan proberen ze van dat water wat op te nemen, Daarvoor moeten ze dus dicht bij de wateroppervlakte komen om voldoende te kunnen opzuigen. Worden ze nu gezien, dan zijn het eigenaardige lichtende figuren. Wie zal dan zeggen of het een Vliegende Schotel is? Het kan eruitzien als de kop van een monster uit de verte. Het kan eruitzien als een onbekend eiland met lichten dat ineens verdwijnt.

Zeelieden vertellen die verhalen onder elkaar nog steeds. Ze zijn er nog steeds mee bezig. Vooral degenen die op de wilde vaart zitten en dus vele eigenaardige reizen maken, zullen in de tijd dat ze in de havens moeten doorbrengen heel vaak in hun vrije tijd dergelijke ervaringen uitwisselen. Die zullen ze aan een buitenstaander nooit vertellen. Voor een buitenstaander moet een zeeman zakelijk, degelijk en ter zake deskundig zijn. Maar innerlijk worden ze er toch een beetje door getroffen en geroerd.

De legenden van de zee gaan verder over enorme stromingen die er in de zee zijn. Dat is inderdaad waar. Er bestaan vaste stromingen en circulaties in de oceanen die zich door waterkleur, watertemperatuur en zelfs door visbevolking onderscheiden van de omgeving.

Er zijn ook bepaalde wervelingen en wielingen te vinden die op sommige plaatsen met grote regelmaat optreden. Meestal gebeurt dat, wanneer ergens op de oceaanbodem een vulkaan werkzaam is. Het is duidelijk, dat de mensen van vroeger die van deze dingen niets wisten hierin het ingrijpen zagen van geheimzinnige monsters of erger nog misschien van demonen die onder de waterspiegel leven.

Aan de andere kant is er de enorme verwantschap met de zee. Ze zeggen weleens: Als je lang op zee bent geweest, dan blijf je daarnaar terughunkeren. Als je lang in de woestijn bent geweest, zul je daar altijd naar willen terugkeren. Dat is waar. Omdat er een zekere eenzaamheid is, een geïsoleerd zijn van de rest van de wereld. Het gevoel dat je even helemaal alleen bent, a.h.w. baas bent in je eigen omgeving. Dat kunnen de mensen niet zo gemakkelijk achter zich laten. En als ze het dan toch moeten doen komen er ook weer allerlei verhalen naar voren die eigenlijk niets meer te maken hebben met hun werk, hun beroep, hun prestaties, maar die een in logica omgezet een rationalisering vormen van al datgene wat ze hebben gevoeld, wat ze hebben beleefd en misschien ook van de dingen die ze onbewust vrezen, omdat zij ze op zee een keer hebben ontmoet.

Ik heb niet veel tijd en kan dus niet uitgebreid verhalen vertellen.

Wie weet wat er allemaal gebeurt in de wereldzeeën, moet zich ook rea­liseren dat er eilanden kunnen ontstaan die een paar weken, een paar maanden, misschien een paar jaren bestaan en dan ineens weer spoorloos verdwijnen. Die weet dat er bepaalde plaatsen zijn waar je de ene dag rustig voorbij kunt varen en de andere dag erg goed moet uitkijken anders loop je op een rif.

Het is de onzekerheid van dit enorme deel van de wereld dat degenen die de zee regelmatig en beroepshalve bevaren, toch op de een of andere manier fascineert. Het brengt hen tot een redenering die voor de mensen die op het land waren vaak niet helemaal te begrijpen is en ook tot uitbundigheden die als lichtzinnigheid worden aangemerkt, maar die in feite alleen het afreageren is van bepaalde spanningen, het doorbreken van een isolement.

De zeevaart in het verleden was een eigenaardige zeevaart. We moeten echter niet vergeten dat ook in het verre verleden er vele dingen bekend zijn geweest die men later met grote verbazing eigenlijk pas heeft moeten constateren. Denk eens aan de zeekaarten van Abu Rei.

Abu Rei, die een kaart heeft gemaakt van de wereld en van de wereldzeeën die een Mercatorprojectie lijkt van de een of andere luchtopname. Hoe komt hij eraan? Niemand weet het. Het is een van de raadselen van de zeeën. Toch zijn er dergelijke kaarten geweest. Lang voordat de magneetsteen werd gebruikt door de Vikingen om hun richting enigszins te kunnen bepalen waren er mensen, die iets wisten te doen met een soort magneetsteen of magneetnaald. Ze noemden zich magiërs, maar zij wisten koersen te bepalen, ook als het over grote delen water ging buiten het zicht van land. Raadselen te over in de oceaan.

Raadselen die bovendien worden bevorderd door het feit dat er een enkele keer wel iets van een oude samenleving naar boven komt om dan weer te verdwijnen. Geen mensen. Maar, dan kom je bij een eiland en daar zie je allerlei vreemde structuren. Als je dan daarheen gaat, word je bevangen door een huivering. Het is er klam, het ruikt er naar wier, er is een zwavelachtige lucht. Het is begrijpelijk vulkanisch veroorzaakt. Dan kom je daar later weer langs en je ziet het niet meer. Het is verdwenen. Wat zeggen de mensen dan; Dat was zeker een demonisch eiland. Dat is iets wat de geesten van de zee hebben gedaan.

Zo is het spel ontstaan waarmee men zijn dromen over de schone vrouwen aan wal omzette in sirenen die aan de bovenkant vrouw en helaas aan de onderkant vis, de zeeman voortdurend in bekoring brachten zonder dat ze eigenlijk veel voor hem konden doen. Zijn die dingen waar? Voor een deel wel, voor een deel niet.

Er zijn volken geweest die inderdaad zeer lang onder water konden zwemmen en die het grootste gedeelte van hun leven in de zeeën doorbrachten. Er is een zwemmer gewest in Griekenland die heel rustig tussen de eilanden zwom en van wie bekend is dat, wanneer hij naar sponsen en koraal dook, hij zonder ademmasker 8 tot 10 minuten kon onderblijven. Van deze man wordt verteld dat hij de hele Middellandse Zee heeft overgezwommen gewoon voor een weddenschap. Dergelijke dingen wijzen erop dat er inderdaad mensen en volkeren bestaan die in de oceanen thuis zijn. Dat is niet zo verbazingwekkend als wij ons realiseren hoeveel volkeren er ook nu nog bestaan die in zeer kleine voertuigen die je bijna niet opmerkt grote gedeelten van de oceaan weten over te steken die met iets dat niet veel meer is dan een uitgeholde boomstam met een uitlegger in staat zijn afstanden te varen van Afrika naar Indonesië en terug.

Zo is het altijd geweest. Er zijn altijd stammen geweest die op de oceaan meer konden doen dan gewone mensen. Uit hen zijn de sprookjes gekomen van de zeebewoners, maar eveneens van de verschrikkelijke klabouterman en van de overledenen die met klachten op de lippen soms probeerden een schip te beklimmen. Wie zich dat realiseert, zal zeggen: Zoals overal is het menselijk denken de weergave van al datgene wat natuurlijk bestaat en gebeurt. Maar als de mens met zijn fantasie aan het werk gaat, dan ziet hij zichzelf weerspiegelt in datgene wat hij naar buiten brengt en komen er verschrikkingen naar voren die in feite nooit hebben bestaan.

Water

Als je kijkt naar het water dan besef je niet hoe belangrijk het is. En toch, bestaat ook een mens niet voor 70% of meer uit water? Is niet een groot gedeelte van de vruchtbaarheid en al dat leven op aarde niet afhankelijk van water. Is het niet zo, dat de wolken die drijven en die de schoonheid neerschrijven tegen de ondergaande zon niets anders zijn dan water. Water is overal aanwezig. Het is niet alleen de regen. Het is ook het vocht waardoor de zaden in de grond ontkiemen en het gras groen wordt. Water is alomtegenwoordig.

Water is in de natuur datgene wat God is in de mens. Want wij zijn zonder het te weten deel van God. Ook wij kunnen alleen leven, werken, overgaan, weer herboren worden, omdat er een God is die in ons bestaat en ons dat mogelijk maakt.

God is het onbekende, zeker. Maar Hij doordesemt alle dingen. De zon zou uitdoven, als deze kracht er niet was. De aarde zou haar baan staken en langzaamaan verkommeren. Zoals het water in alle dingen een rol speelt zo is God de kracht die in de geest een rol speelt en in alle dingen tegenwoordig is.

Soms zien wij het water als een ruisende beek en worden we getroffen door de schoonheid van neervallend water. Soms zien we donderende watervallen en worden dan overmeesterd door het luide geweld, door de schoonheid van gordijnen van voortdurend neerstromende rivieren en regenbogen die in de zon een ogenblik een spel spelen alsof ze wilden zeggen: Het water is de verbinding tussen hemel en aarde.

Het water, deze kracht, dit element, is ook ons element. Want zoals de tijd vloeit, zo vloeit het water. Zoals God ons in stand houdt, zo leven wij door het water. Zoals onze visioenen worden bepaald door de kracht in ons, zo worden de wolkenvormen waarin wij wegdromen gevormd door het water. In een eeuwige kringloop heeft het water ons het leven gegeven en ons gelijktijdig de bedroming gegeven van dat leven.

De kracht die wij God noemen in ons is gelijktijdig een dreiging die wij soms ondergaan. Een kracht die ons in stand houdt. Het is een voortdurende kringloop waardoor wij terugkeren en nogmaals terugkeren. Altijd weer doorlopend alle werelden en sferen. Altijd terugkerend in de vorm. Altijd weer beseffen in welke wereld of sfeer wij dan ook zijn. Laat ons daarom het water loven als een beeld van dat wat ons innerlijk in stand houdt