De menselijke geest

Inhoudstafel

uit de cursus ‘ Relatie mens en de geest ‘ ( hoofdstuk 8 ) – mei 1973

De geest van de mens kentekent zich vanuit ons standpunt vooral door het feit, dat zij zich zeer sterk met vormen identificeert. Zij is één met die vormen en houdt ze een lange tijd vast. Het is deze vormvoorstelling, die mijns inziens bepalend is voor de wijze waarop de menselijke geest in het duister vertoeft. Die voorstelling is ook mede bepalend voor de wijze waarop zij al dan niet in contact kan treden met andere geestelijke entiteiten. Er zijn namelijk in dit opzicht een aantal opvallende verschijnselen, waarvan ik u vanavond enkele wil voorleggen.
Als een mens denkt, dat hij niets meer heeft om voor te leven, dan is het heel vaak mogelijk, dat in een dergelijke toestand een zekere onverschilligheid ontstaat, ook voor het eigen “ik”. Deze onverschilligheid blijkt bevorderlijk te zijn voor contact met de geest. De eigen geest blijkt gedurende een dergelijke periode (eveneens na een periode van afstomping) verscherpt waar te nemen, zodat ook het droomleven weer sterk wordt geëntameerd. Ik vraag mij af, waarom juist hier die onverschilligheid een zo grote rol speelt. Ik heb getracht dit na te gaan en ben tot de volgende conclusies gekomen:
Zolang de mens intens in zijn wereld is geïnteresseerd, is hij eigenlijk voornamelijk geïnteresseerd in de rol, die hij zelf in de wereld speelt. Deze rol wordt niet gezien in overeenstemming met de werkelijkheid, maar als een soort droombeeld geprojecteerd op datgene wat men nog van deze werkelijkheid waarneemt. Men heeft dus allerhande verwachtingen omtrent zichzelf. Deze verwachtingen zijn verbonden met de vorm, die men heeft, met de plaats die men in het eigen denken inneemt. Het resultaat is dat alles, wat deze relatie met de wereld zou kunnen verstoren, wordt afgewezen, om niet te zeggen wordt afgestoten, omdat men hierin een gevaar voor eigen leven ziet.
Het leven is dan erg kostbaar, omdat de verhouding waarin het wordt uitgedrukt volgens het “ik” een volledige bevestiging is van al wat het “ik” pretendeert te zijn. Op het ogenblik echter, dat er een onverschilligheid ontstaat, valt deze hele motivering weg. Er is geen reden meer om jezelf belangrijker of minder belangrijk te maken. Er is geen groot belang meer bij om in de wereld op te gaan. Je bent misschien eerder geïnteresseerd in de wereld als een beschouwer van een afstand. De wereld kan je wel wat doen, maar eigenlijk is dat niet veel. Wat er gebeurt en wat de wereld denkt van je dat vind je misschien niet prettig als het ongunstig is, maar het zal weer voorbijgaan. Met andere woorden: het “ik” beeld domineert het geheel niet meer. Nu kan de geest dus aanmerkelijk vrijer boodschappen opvangen en weergeven.
De boodschappen, die worden opgevangen, krijgen meestal de gestalte van droombeelden, fluisterende stemmen of half besefte inspiraties.
De boodschappen, die worden uitgezonden zijn na enige tijd veel reëler voor het “ik”, omdat men zich realiseert dat er ergens iets is – men weet meestal niet wat, waardoor bepaalde, voor het “ik” toch wel interessante reacties ontstaan. Juist het onbestemde, dat ook hier weer op de voorgrond pleegt te treden, is bepalend voor de mogelijkheid tot contact. Hoe scherper wij ons contact beschrijven, des te groter de moeilijkheid wordt om met een meer algemeen gebied in verbinding te komen. Wij weten dit uit onze geestelijke wereld en ik neem aan dat dit ook voor de menselijke geest zonder meer geldt. Een opvallend verschijnsel in dit verband is ook dat de mens enorm hangt aan zijn leven en dat hij daarbij op twee manieren schijnt te kunnen reageren.
Indien hij het stoffelijk leven zelf onaanvaardbaar vindt, kan hij trachten in zijn gedrag een rechtvaardiging voor het voortbestaan te vinden. In een dergelijk geval zal hij afzien van een nauwkeurige beschrijving van wat hij is en wat hij ondergaat. Hij neemt zelfs in steeds grotere mate afstand van wat men “zijn lijden” pleegt te noemen. Hierdoor krijgen wederom geestelijke krachten en invloeden gemakkelijker contact met het “ik”.
Hier wordt de mens gedomineerd door zijn lichamelijke ervaringen. Deze ervaringen groeien uit tot obsessies. Men probeert de obsederende angsten en denkbeelden tot rust te brengen door eveneens gedroomde of fantastische voorstellingen. In een dergelijk geval krijgt de geest veel minder kans contact op te nemen met het ego. Aan de andere kant dat moeten wij erbij stellen zal juist het geobsedeerd zijn van het ego in een bepaalde richting vaak contacten van meer geestelijke aard vanuit de mens mogelijk maken. Hij zal dan wel uitzenden, maar hij zal zelden antwoord krijgen.
Misschien kan ik hiervoor een verduidelijking geven. Wij hebben dit verschijnsel namelijk steeds weer gezien in gevangenissen en in concentratiekampen. De mensen leven daar buiten de werkelijkheid. Zij worden geregeerd door een kamp-regime, waardoor het verleden (de normale menselijke wereld) een droom lijkt. De regelmaat van de dag domineert hen. Dat is op zich reeds bepalend voor een werkelijkheidsvervreemding, die in het denken en ook in de gedragingen naar voren gaat komen. Nu zullen er mensen zijn, die onder deze condities sterk getroffen worden door hetgeen er zich in anderen afspeelt. Het resultaat is, dat zij minder met zichzelf bezig zijn. Het obsessie beeld dat in vele kampen en gevangenissen een grote rol speelt, heeft te maken met het begeerteleven. Dat is meestal voedsel, soms ook sexualiteit. De droombeelden, die daar worden geproduceerd door deze mensen, de echte en z.g. herinneringen die men elkaar voortdurend op dat gebied voorlegt, hebben als doel de werkelijkheid aanvaardbaar te maken. Maar degene, die zich sterk op anderen concentreert, kan deze schijnvertoning niet als een soort werkelijkheid beleven. Hij kan niet opgaan in een verhaal over het idee van zoveel jaren geleden of andere al even aantrekkelijke bezigheden. Daardoor wordt hij sterk geconfronteerd met de achtergrond (de nood) die de basis is. Hij zal de boodschappen, die een mens vaak in zijn angst uitzendt ook op een dergelijke wijze verstaan. Hij reageert wel op de angst van de ander, maar kan daarop weer niet reageren zolang hij met zichzelf bezig blijft. Deze mensen worden later vaak helden genoemd, als zij toevallig zijn gestorven, of dwazen als zij in leven blijven. Maar alleen deze mensen zijn het in feite, die door een verzwakking van hun “ik” beeld een nieuwe werkelijkheid mede gaan beleven: die van de geest. Die nieuwe werkelijkheid kan dan verpakt worden om een voorbeeld te geven in religieuze voorstellingen. Ze kan evengoed betekenen een enorme verdieping in het occulte. Zij zal zich vaak manifesteren in perioden van intense concentratie hetzij van gebed, meditatie of iets soortgelijks. Deze mensen hebben dus een zekere openheid voor de geest bereikt.
In datzelfde concentratiekamp, mogelijk in dezelfde barak, vinden wij een ander, die sterk gedomineerd wordt door zijn angst en door zijn behoefte. Zijn behoefte om te eten, zijn behoefte om het vroegere weer te doen herleven, om zich te verzekeren van zijn waardigheid. In wezen wordt hij daardoor sterk egoïstisch, ook als dat egoïsme vaak een zekere betrokkenheid bij anderen mede in zich sluit. Door dit egoïsme wijst hij alle geestelijke contacten af, want deze zouden hem immers confronteren met de feiten, die hij juist krampachtig voor zichzelf tracht te verhullen. Ik hoop dat dit voorbeeld duidelijk genoeg is en u laat zien wat ik bedoel.
Ik heb dan verder geconstateerd, dat vormen van b.v. mediamiciteit ook blijken te berusten op die twee eigenschappen van de mens. Een goed medium kan iemand zijn, die volkomen onverschillig is. Het kan ook iemand zijn, die zodanig geconcentreerd is op het handhaven van een uiterlijk beeld en daarmee dus ook het eigen innerlijk terzijde stellend, dat hierdoor toegang wordt gegeven aan bepaalde entiteiten. Die entiteiten worden natuurlijk deels bepaald door de harmonie met die mens, maar er is een geestelijk contact.
Nu blijkt verder, dat de onverschillige over het algemeen in deze relatie veel meer meester is over zichzelf dan degene die juist zoekt naar een uiterlijke manifestatie. Voor beiden is het mediumschap verder gelijkwaardig, althans het kan dit zijn.
Bij de onverschillige krijgen wij het domineren. Ook de geest wordt in een betrekkelijkheid van belangrijk zijn geplaatst evenals het eigen “ik”. In het andere geval krijgen wij een grote behoefte aan die entiteit onverschillig hoe, wat en wie omdat die geest de basis is waarop men eigen belangrijkheid baseert. De vormen van mediumschap, die volgens mij aanvaardbaar zijn, berusten dus alle hoofdzakelijk op een zekere mate van onverschilligheid en onbelangrijkheid van het eigen ”ik”.
De occulte gaven, die men gebruikt schijnen ook op dezelfde manier te worden beïnvloed. Wij weten dat iemand, die krampachtig probeert een ander te genezen minder kans heeft van slagen dan iemand, die zo nevenbij dat even probeert te doen.
Wij weten dat helderziendheid, die men probeert te forceren hoogstens aanleiding wordt tot waanvoorstellingen, terwijl de werkelijke helderziende, die geen behoefte heeft aan deze beelden, juist opvallend scherp waarneemt en dan altijd ter zake dienende. Ik meen, dat men in dit opzicht dan eveneens mag stellen:
Een zeker mate van ontspannenheid en een zekere mate van onverschilligheid spelen een grote rol bij het gebruik van de z.g. occulte gaven van de mens. De geest van deze mens is over het algemeen mede betrokken bij, of zelfs de bron van, wat men als occulte gave omschrijft. Hier blijkt dus volgens mij althans, dat de toegankelijkheid van een menselijk wezen voor zijn eigen geest, met alle capaciteiten daarvan, eveneens is gebaseerd op een mate van onverschilligheid, een mate van ontspanning. En daaruit wil ik dan ook meteen een algemene conclusie trekken.
Wie werkelijk een geestelijke bereiking nastreeft, zal moeten beginnen met zich te ontspannen. Hij, die krampachtig een bepaald resultaat zoekt, zal dit nooit of zeer zelden bereiken. Hij, die bereid is elk resultaat te aanvaarden en te waarderen volgens zijn eigen normen, zal vele mogelijkheden krijgen en uit die mogelijkheden datgene kunnen waar maken wat volgens het eigen “ik” op een bepaald ogenblik van overwegend belang is. Waarmee duidelijk wordt dat de menselijke geest dus in het menselijk leven en in de reacties van het menselijke “ik” een wat wonderlijke rol speelt.
Naarmate het ego in de materie meer bezig is met zichzelf, blijken er minder geestelijke waarden aanwezig te zijn. Omgekeerd: zodra het stoffelijk “ik” onverschillig wordt voor zichzelf of zelfs genoeg heeft van zichzelf, blijkt de geest plotseling een veel groter aandeel daarin te krijgen.
Er zijn heel wat speculaties over dit verschijnsel geweest en ik wil op de voorgrond stellen, dat niet allen in de geest het over het volgende eens zullen zijn. Ik meen echter te mogen stellen:
Er is in de mens een zeker evenwicht noodzakelijk. Dit evenwicht bestaat echter als een totaalwaarde ten aanzien van het Al, de kosmos. Hoe die waarde is samengesteld, is niet van belaag. Ze kan zijn samengesteld uit een maximum aan materie en een minimum aan geest. Ze kan ook zijn samengesteld uit een maximum aan geest en een minimum aan materie. Hier blijkt dus de totaalwaarde belangrijk te zijn en niet de verhouding waarin deze optreedt. Mijn persoonlijke conclusies hebben mij nog verder gevoerd en hiervoor vind ik gelukkig wel enige medestanders, ook in de sferen die wel zeer licht zijn.
Wij moeten erkennen, dat de waarde van een menselijk leven in zichzelf beperkt blijft. Een leven, onverschillig of het 5 jaar, 50 jaar of 500 jaar duurt, heeft een vaste kosmische betekenis. Voor de mens is het echter belangrijk, dat in deze betekenis zijn geest een zo groot mogelijk aandeel heeft, daar het juist deze geest is, die haar bestaan met herinneringen continueert, terwijl het stoffelijk gedeelte praktisch ten gronde gaat. De nadruk leggen op geest en geestelijke ontwikkeling is voor de mens belangrijk, omdat hij daarmee een groter deel van zijn leven een mate van tijdloosheid verschaft.
Wij hebben van onze kant ook te maken met de menselijke geest. De ontmoetingen, die wij in onze sferen nogal regelmatig hebben met “uittreders” (mensen, die hun lichaam tijdelijk hebben verlaten) bewijst wel dat de uitdrukking, die voor hen aanvaardbaar is, gewoonlijk in een vorm dient te worden gegoten. Vorm blijkt dus de belangrijkste factor voor communicatie te zijn, veel meer nog dan woorden. Mijn indruk is:
a) dat de menselijke geest op visuele basis meer indrukken kan overdragen dan op woordbasis (verbale basis)
b) de menselijke geest, die uitgetreden is, beweegt zich doorgaans in bepaalde sferen; ze is er echter niet zonder meer toe beperkt, ze kan er ook buiten komen. In al deze sferen blijkt er een grote behoefte te zijn aan een aanvaard worden, veel sterker dan wij bij de overgegane geest kunnen constateren. Volgens mij is dat een zuiver stoffelijke impuls, die eigenlijk de geest wordt meegegeven en die mogelijk zelfs alleen voor deze geest bestaat, omdat zij nog met haar lichaam in verbinding staat.
Deze behoefte aan aanvaard-worden, erkend-worden voert tot heel vreemde situaties. Je kunt zo iemand niet gewoon een mededeling doen. Je moet als het ware eerst laten merken dat je die entiteit als gelijke, desnoods in een leerling meester verhouding, wilt aanvaarden. Voor mij houdt dit toch wel in, dat het visuele beeld voor de mens veel belangrijker is dan wij op grond van gedachteprocessen zouden zeggen. Het meeste denken geschiedt bij de mens nl. verbaal. Hij denkt dus in woorden, in redeneringen, maar blijkt te concipiëren in beelden. Deze conceptie is voor de geest natuurlijk van groot belang.
Als wij een menselijk lichaam willen gebruiken (ik heb u zo even over mediums gesproken), dan blijkt hetzelfde probleem een rol te spelen. Als een entiteit eenmaal heeft geleerd het lichaam te verlaten en bepaalde sferen te betreden of van andere mogelijkheden gebruik te maken, dan heb je er weinig last mee. Maar op het ogenblik dat je vooral de eerste paar keren iemand moet helpen een lichaam tijdelijk vrij te geven, is het noodzakelijk dat je zo’n persoon vangt in bepaalde voorstellingen; dat zijn dan meestal waanvoorstellingen. Het zijn waanbeelden, maar je hebt ze nodig omdat zonder dat, het “ik”, een soort stervensangst heeft. Een enorme angst kennelijk ook voor uitingen die niet in overeenstemming zijn met het beeld dat men van zichzelf heeft. Hebben we eenmaal het contact tot stand gebracht, dan blijkt verder dat het voor zeer veel mediums belangrijk is dat ze bij het wisselen (het overgeven van hun lichaam of van een deel van hun denkcapaciteit) een persoonlijkheidsindruk krijgen. Ook deze behoeft helemaal niet echt te zijn, maar het is belangrijk dat er een beeld is. Het is als een kind dat alleen maar naar de camera wil kijken, omdat er een poppetje zal uitkomen.
Deze typische ervaring heeft in mij de vraag doen rijzen. Is de mens – want dat moet voor niet mediums toch ook enigszins gelden – dan zo sterk gebonden aan het beeld van persoonlijkheden of van een wereld?
Wij weten, dat in de werelden van de geest de essentie van de ontmoeting van het “ik” een veel belangrijker rol gaat spelen en dat wij de vormen op den duur eenvoudig verwaarlozen omdat ze hoogstens een soort stenografische omschrijving zijn van een klein deel van een werkelijk “ik” waarmee je contact opneemt. Voor ons is het dus niet belangrijk meer. Als het voor een mens wel belangrijk is, dan moet dat zijn omdat het kwaliteiten zijn inhaerent aan de mens. Dan blijken de mensen dus ook in hun reacties door deze vormvoorstellingen te worden bepaald. Om een typisch voorbeeld te geven:
Wij hadden te maken met een medium, dat tijdens de uittreding een waarneming deed van een in de nabijheid vertoevende luchtgeest. Nu geef ik toe, het zijn geen fraaie figuren. Vanuit menselijk standpunt zijn ze erg groot en lijken op een kruising tussen een Djinn en een Balinese tempelwachter. Het is inderdaad een vreemde vorm, maar op zichzelf toch niet lelijk of afschrikwekkend. Het is alleen een vorm. Maar deze vorm bracht die persoon ertoe om onmiddellijk in zijn lichaam terug te vluchten en veroorzaakte zelfs een lichte hartaanval. Daarna was het bijna niet meer mogelijk om op een eenvoudige manier de geest ertoe te brengen de controle van het eigen “ik” helemaal aan ons over te laten.
Waarom deze angst voor die vorm? Ik heb het gevoel en daar moet ik mij ook een beetje op mijn herinnering baseren, dat voor de mens, de vorm identiek is met kwaliteit, omdat hij in zich gestandaardiseerde opvattingen omtrent vorm bewaart, die hij als maatstaf hanteert zodra zij een waarneming doet op visueel terrein, dus als hij iets ziet.
Als je op verbaal niveau met een persoonlijkheid kunt communiceren, dan blijkt dat veel gemakkelijker te gaan. Je kunt iemand zonder enig bezwaar in een lichte oversluiering de grootste kolder laten zeggen. Het “ik” weet dat het kolder is, maar daar is absoluut geen verzet tegen. Je kunt zo iemand dingen laten zeggen waarmee hij persoonlijk het absoluut niet eens is en waartegen hij in verweer pleegt te komen. Zolang voor hem de contact- communicatie verbaal is, heeft hij géén bezwaar. Op het ogenblik echter, dat een meer visuele factor een rol gaat spelen, dus dat men het zich voorstelt, blijken enorme paniektoestanden bij gelijk gezonden impulsen mogelijk te zijn.
U zult zich afvragen: wat heeft dit nu te maken met de relatie tussen mens en geest? Als je als geest de mens een beetje begrijpt, dan kun je er vaak heel wat mee doen.
Wij kennen dit medium. Wij weten ongeveer wat we ermee kunnen doen. Wij weten ook wat wij er niet mee moeten doen. En sommige dingen hebben wij ook met enige moeite moeten leren. Wij kennen dus onze mogelijkheden. Maar als ik één fout maak (dat is dan in dit geval hoofdzakelijk een verdraaiing van de “ik” voorstelling), dan kan ik er zeker van zijn dat ik er a.h.w. uitgegooid word. U zult begrijpen, dat wij daarom erg voorzichtig zijn, want het is ook voor een geest niet zo prettig om eruit gesmeten te worden. En nu hebben wij nog te maken met een mediumschap dat niet zo erg emotioneel gebaseerd is. Natuurlijk, elk medium is in zekere mate instabiel, anders kan het geen medium zijn. Maar wij hebben hier toch te maken met iemand bij wie deze instabiliteit door een zekere onverschilligheid grotendeels is weggewerkt. Alleen onder zware emotionele spanning kan dat soms op de voorgrond treden.
Stelt u zich nu eens voor wat voor reacties u in een dergelijk geval krijgt, indien u te maken heeft met een medium dat door een sterke “ik”-concentratie, plus ontvluchting van eigen werkelijkheid, mediamiek is. Dan krijgt u te maken met hysterie, met allerlei lichamelijke reacties en zelfs ziekte gevallen, die onvoorstelbaar zijn. Alles blijkt in zo’n geval voor ons dus af te hangen van de soort mensen waarmee wij te maken hebben.
Het is belangrijk voor ons dat wij bepaalde menselijke processen voortdurend blijven begrijpen en in de gaten houden, ook al zijn wij zelf van het mens zijn al een beetje vervreemd. Alleen op die manier is het mogelijk een medium te gebruiken om bepaalde mensen te bereiken. Ja, in vele gevallen zelfs om alleen maar wat kracht uit te stralen naar een bepaalde persoonlijkheid. Misschien begrijpt u nu waarom het erg belangrijk kan zijn dat wij de menselijke geest een beetje begrijpen.
Altijd weer is elk contact voor de geest toch in de eerste plaats afhankelijk van een relatie met de geest van een mens, ook bij inbeslagneming. Er is sprake van het overgeven door de eigenaar van de woning aan iemand, die er tijdelijk te gast is. Deze overgave kan met geweld tot stand worden gebracht. Ze kan met onderlinge overeenstemming heel soepel en ge-makkelijk verlopen. Ze kan een kwestie zijn van een worsteling en een verlokking, maar er is altijd weer eerst het contact tussen de geest van de mens en ons eigen “ik”, voordat wij kunnen komen tot de juiste projectie. Als u dit goed begrijpt, wordt het ook veel duidelijker dat de menselijke geest met al haar beperkingen, maar natuurlijk ook weer met haar belevingen en mogelijkheden die voor ons onbereikbaar zijn, erg belangrijk is. Zij speelt in het werk van de geest vaak een bijna dominerende rol. De menselijke geest bepaalt door haar geaardheid, door haar reactie zelfs de mogelijkheid tot uiting.
Ik zou hier een eigenaardigheid willen vertellen.
Wij hebben te maken met verschillende soorten mediums. Nu zijn er bij, die zeker niet gerekend kunnen worden tot wat men noemt de werkelijk hoogstaande mensen. Als zij van de meer onverschillige soort zijn echter, dan blijkt het heel vaak mogelijk te zijn, dat zij zeer hoge entiteiten kunnen verdragen. De verschillen in vibratie en straling schijnen dan weinig of niets uit te maken. Aan de andere kant weten wij, dat er mediums zijn, die alleen op een bepaalde trilling zijn ingesteld. Zij kunnen zelfs niet werken zonder dat één bepaalde entiteit met haar eigen trillingspatroon het evenwicht in stand houdt. Dat zijn mediums, die alleen kunnen werken met wat zij “hun controle” noemen, maar wat in vele gevallen niets anders is dan een transformator waardoor het gebruik van het medium mogelijk wordt. (Ik hoop niet, dat ik hiermee iets ontluisterd heb voor sommigen.) Sommige mediums zijn erg trots op hun “controle”, maar de rol van die controle is lang niet altijd bescherming. Heel vaak is het gewoon het mogelijk maken van contacten.
Nu zijn er toch affiniteiten. Als wij in de Orde te maken hebben met verschillende gastsprekers – zoals wel pleegt voor te komen op bepaalde bijeenkomsten – en wij hebben de keuze tussen een zeer ernstig filosoof en een zeerover, dan blijkt de eigen geest van het medium een dermate grote affiniteit te gevoelen voor de zeerover dat de filosoof op de achtergrond geraakt. Als bij een keuze een uitwijkmogelijkheid is, dan blijkt dus ook in trance-toestand de affiniteit van het eigen “ik” bepalend te zijn voor het contact dat wordt geprefereerd. Er blijkt wel degelijk ook op dit terrein een zekere invloed van het medium uit te gaan. Overigens is het soms zeer twijfelachtig wat sommige mediums over zichzelf de wereld voorgoochelen. Als je een oude dame hebt (dit is waar gebeurd), die een goed medium is maar die, als er een keuzemogelijkheid is, een bijzondere attractie schijnt te hebben voor bij voorkeur lichtelijk beschonken zeelui, dan vraag je je toch wel af: hoe komt dat? Nu zegt u: Die menselijke geest is misschien een beetje laag bij de grond. Neen, dat behoeft helemaal niet zo te zijn. Die menselijke geest verzet zich tegen allerlei gebondenheden en zoekt daardoor persoonlijkheden uit, die ofschoon zij meestal uit het halfduister (schaduwland komen dat gevoel van ongebondenheid, van vrijheid met zich meedragen. Dat is de verklaring van zo’n verschijnsel.
Met deze voorbeelden en met al wat ik u heb gezegd, heeft u nu zo langzamerhand toch wel een begrip gekregen voor de functie van de menselijke geest.
De menselijke geest bepaalt voor een groot gedeelte zelf de samenhangen met bepaalde geestelijke werelden en waarden. Er bestaat zelfs een mogelijkheid tot selectie voor de menselijke geest. En wat meer is, het is inderdaad de geest, die de selectie tot stand brengt en niet het lichaam. Want het is mogelijk om in een lichaam door te komen dat absoluut niet geschikt blijkt te zijn voor een bepaalde uiting en dan toch daarin alle nodige reserves te vinden, mits de geest de uiting aanvaardt. Verwerpt de geest die uiting, dan kun je met het meest geschikte lichaam niets tot stand brengen. Je kunt hoogstens met een worsteling beginnen, en dat is over het algemeen meer voor duisterlingen dan voor degenen die het licht liefhebben.
De situatie van de menselijke geest lijkt mij wat verwarrend voor de mens. De geest bezit vrijheden, die lichamelijk bijna onvoorstelbaar zijn. De geest heeft gevoeligheden en constateert zaken die in strijd zijn met lichamelijke constateringen. De menselijke geest beschikt over krachten, maar die, zijn vanuit stoffelijk standpunt gezien weer bijna onaanvaardbaar. Ze kunnen alleen in de mirakel klasse worden ondergebracht bij wijze van spreken. De menselijke geest moet het wel heel erg moeilijk hebben.
Misschien dat daardoor ook zo weinig mensen in staat zijn om hun geestelijke capaciteiten goed te gebruiken. Er zijn mensen, die in staat zijn om b.v. natuurgeesten te domineren, hun bevelen te geven en hen in zekere zin tot hun dienaren te maken. Maar als wij kijken hoeveel mensen er zijn die het zouden kunnen doen en hoe weinig er zijn die het doen, dan staan wij gewoon verstomd. Want in deze bezielde wereld van u moet het toch erg prettig zijn, als u een paar medestanders kunt vinden, die in wezen onzelfzuchtig u alleen als een soort vermaak helpen, vooral als u die hulp binnen de perken weet te houden natuurlijk. Waarom gebruiken de mensen het niet? Ik meen, omdat de doorsnee-mens bang is (ik heb daar net een voorbeeld gegeven met een luchtgeest, (dat geldt natuurlijk ook voor andere elementalen) voor deze wezens. Hij rubriceert hen ofwel onder de hoge entiteiten, dan wel onder de demonen waarvoor hij moet vluchten. Een mens, die zich bewust is van zijn persoonlijke kracht, van zijn eigen innerlijk licht, kan al deze natuurgeesten zonder meer de baas. En indien zij hem niet gehoorzamen, dan zullen zij wegvluchten, maar zij zullen hem nooit lastig vallen. In vele gevallen zullen zij zelfs tot een dergelijke persoon worden aangetrokken, juist omdat dit licht een mate van rust en van eeuwigheid uitstraalt, die voor hen in hun huidige toestand zonder een dergelijke tussenschakel niet bereikbaar is.
De menselijke geest moet de natuur voor een groot gedeelte de baas kunnen, maar daarvoor moet zij eerst in harmonie zijn met de natuur. Ook dit blijkt niet op lichamelijke basis te berusten, maar wederom op geestelijke basis. Als men zodanig ontspannen en rustig is, dat men die eenheid met de natuur voor zich aanvaardt, dan blijkt de geest die eenheid waar te maken. En vanaf dat ogenblik is het helemaal niet meer zo moeilijk om tegen een regenwolk te zeggen: “Ontlaad je nu maar hier. Daal maar iets, dan wordt de condensatie wat groter en kun je eerder je regen laten vallen.” De mens kan dat zo niet. Vaak heeft de mens hele omstandige methoden nodig om het voor zichzelf aanvaardbaar te maken dat hij regen kan maken. Denk maar eens aan de regendansen die zo hier en daar wel resultaat hebben. Hier wordt een hele symboliek opgevoerd alleen maar om de mens de mogelijkheid te geven zijn eigen geest te laten werken. Een krankzinnige situatie.
Ik heb trouwens datzelfde ook geconstateerd ten aanzien van het geloof in vele opzichten. Het blijkt, dat een mens die gelooft daardoor zichzelf in een toestand brengt waardoor hij zijn eigen geestelijke eigenschappen en krachten accepteert, zij het dan dat hij ze gaat zien als acties van God. Maar hij verwerpt niet meer en daardoor krijgt het “ik” pas de mogelijkheid zich geestelijk volledig te ontplooien.
Ik zou zeker niet volledig zijn met dit onderwerpje, indien ik u niet iets zou vertellen over de mogelijkheden, die de menselijke geest heeft in de sferen.
Menselijke entiteiten, in uitgetreden toestand, helpen vaak andere mensen op aarde of degenen die pas zijn overgegaan. Maar een van de meest belangrijke dingen lijkt mij voor die menselijke geest toch wel de mogelijkheid om te leren. Dat wil zeggen: een harmonie te bereiken met entiteiten, die een veel grotere inhoud hebben dan zij en zo een deel daarvan zelf te absorberen.
Opvallend is – volgens mij  – dat hier allerhande voorstellingen bij te pas komen, die gaan van tempels of kleine dorpen tot verheven openbaringen uit een wolk. Die voorstellingen zijn absoluut irreëel. Er is maar één geval – en dat geldt alleen voor degenen die reeds een bepaalde geestelijke vrijheid hebben gevonden – waarbij lering geestelijk kan worden opgedaan in een werkelijk stoffelijk milieu. En dat is namelijk als men in contact komt met de Witte Broederschap en haar stoffelijk centrum op aarde. Daar zijn inderdaad verschillende leerzalen, meestal achthoekig van structuur, waarin wordt gemediteerd en dus allerlei geestelijke mogelijkheden tot ontwikkeling komen. Een uitgetreden geest kan daar aanwezig zijn. Alleen in dat geval heeft de omgeving of de beschrijving daarvan enige betekenis en zin. In alle andere gevallen is het weer illusie.
Wat leert de menselijke geest in onze sferen?
De menselijke geest leert evenwicht te vinden. Een geest, die in de stof leeft, is altijd enigszins gestoord in haar evenwichtigheid. Dat is ook begrijpelijk, omdat je te maken hebt met deze vreemde balans stof-geest. Maar de geest kan in de sferen leren, op welke wijze zij zodanig met de stof harmonisch kan zijn, dat haar werkelijk deel aan de energie en de inhoud van dat leven groter wordt. Zij kan tevens leren om een deel van haar eigen inhoud over te brengen naar het menselijk brein; dus die ook voor de stoffelijke mens toegankelijk te maken.
Zij kan verder nog leren : voor zichzelf verbindingen te leggen met een bepaalde sfeer of persoon in een sfeer en vervolgens, deze banden dermate intens te verweven met het stoffelijk zenuwstelsel waarover men beschikt, dat het hierdoor mogelijk is krachten, maar zelfs ook impulsen, gebaren, erkenningen a.h.w. inspiratief voortdurend tot uiting te brengen.
De geest kan dus veel leren. Maar het belangrijkste voor haar is, geloof ik toch wel het vinden van deze evenwichtigheid, deze zelfaanvaarding, waardoor het mogelijk wordt de eigenwaan in de stof aanmerkelijk te beperken.
Ik heb in het begin meermalen gezegd een zekere mate van onverschilligheid is belangrijk, als het gaat om mediamieke uitingen. Maar datzelfde geldt ook als het gaat om contact met de geest, als het gaat om een verbonden zijn met hogere krachten. Het is een vorm van onthechting misschien; maar dan een onthechting die niet ontstaat uit een bewust verwerpen, doch eerder uit een als onbelangrijk waarderen van een groot aantal facetten van het leven. Voor de geest, die verder streeft, is die onverschilligheid zelfs een noodzaak geworden. Want naarmate je meer krachten en bewustzijn in het stoffelijk lichaam wilt brengen en daardoor een harmonie scheppen, die niet alleen op bepaalde stoffelijke punten bestaat, maar die ook een groot gedeelte van de stoffelijke wereld in haar werkelijke essentie en betekenis omvat, dan moet die onverschilligheid eenvoudig tot stand komen. Een onverschilligheid, die niet alleen jezelf betreft, maar ook een groot gedeelte van de uiterlijkheden van deze wereld. Pas als dat is bereikt, kun je verder gaan.
Tot slot zou ik hier nog willen wijzen op een heel aardig facet van de menselijke geest.
Een menselijke geest die uittreedt – zo zou u denken – gaat vooral naar hogere werelden, want de meeste mensen willen graag bewust, wijs of rijk worden. Het gemiddelde aantal menselijke geesten die uittreden blijft een beetje in de eigen omgeving ronddwalen. Daarbij wordt natuurlijk het, een en ander waargenomen. Astrale waarden b.v. in de omgeving worden gezien, eventueel gewaardeerd of zelfs herinnerd. Verder dan dit gaat het zelden. Als iemand dat terugbrengt, dan heeft hij allerhande symbooldromen gehad. Maar die symbooldromen zijn eigenlijk meer een beschrijving van jezelf, zoals je jezelf even hebt gezien dan een weergave van kosmische waarheden. Toch zouden die mensen met dezelfde of zelfs met minder moeite b.v. op de maan kunnen gaan staan en zien hoe de zon daar opkomt. Eerst een heel klein stipje, dan een streepje en dan een overweldigende gloed, waardoor het lijkt alsof een bergtop door de diepe schaduw daaronder natuurlijk eigenlijk helemaal in de lucht hangt als een soort gouden kasteel. Dat zou hij gemakkelijk kunnen gaan zien, want hij beschikt over de mogelijkheden om dat waar te nemen. Maar hij doet dat eenvoudig niet. De mens zou over de gehele wereld kunnen gaan en kunnen zien hoe het overal elders is. Hij doet het maar zelden. Hij zou in onze werelden kunnen komen en daar behalve zuiver persoonlijke contacten leggen en leringen ontvangen misschien ook eens gewoon kunnen gaan waarnemen. Wederom, hij doet het zelden.
Waarom? Voor zover ik kan nagaan is dat weer het menselijk mechanisme van de “ik” voorstelling, die een heel grote rol speelt. Ik meen – dat dit des te belangrijker is – omdat op het ogenblik, dat iemand uittreedt naar onze wereld en je contact met hem opneemt, je een voorstelling nodig hebt. Is die voorstelling aanvaardbaar voor dat “ik”, dan kun je zo iemand meenemen door elke sfeer, je kunt hem alles laten zien. Hij zal het wel weer vertalen in zijn eigen termen, maar je kunt hem meenemen. Is dat beeld niet aanvaardbaar, dan hebben wij de weigering. Ik denk dat ik daarom als eindconclusie zou mogen stellen:
De menselijke geest beschikt in feite over elke capaciteit, die elke geest normalerwijze bezit. Zij maakt daarvan echter weinig of geen gebruik, omdat het menselijk “ik” beeld dermate sterk door de geest is geabsorbeerd, dat alles daaraan wordt aangepast. Wil men daarom, op een bepaald terrein geestelijk, meer bereiken of beleven of misschien gemakkelijker contact met onze wereld opnemen, dan is het belangrijk dat bepaalde delen van de “ik” voorstelling tijdelijk worden vergeten of terzijde gesteld. Hoe minder u zo iets van belang acht, hoe groter de kans dat uw eigen geest harmonische mogelijkheden ontwikkelt in onze wereld, juiste contacten legt en leringen opdoet of haar eigen krachten en capaciteiten ook in de stof juister leert gebruiken.

Vragen

  • Als de contactmogelijkheid bij uittreding in de sferen zo moeilijk is, was dat contact er dan niet voordat het menselijk voertuig werd gekozen?

Dat was er wél. U zou het zo kunnen zeggen: Iemand heeft u altijd gegroet. Nu heeft u een donkere bril op;  hij herkent u niet; hij loopt u voorbij. Ik geloof, dat deze vergelijking wel dicht bij de waarheid komt. Het schijnt, dat een deel van die contacten eenvoudig niet meer wordt erkend, omdat ze niet meer stroken met de “ik” voorstelling. Dit gaat zelfs zover dat entiteiten, die met elkaar geestelijk verwant zijn, heel veel moeite hebben om een meer bewust contact met elkaar te krijgen, als een van beiden in de stof leeft, omdat deze dan een beeld van zichzelf heeft gemaakt dat niet strookt met de werkelijkheid van het geestelijke “ik”.

  • Hoe kan men de herinnering aan de uittreding meenemen?

Voor de mens in de stof is dat een trainingskwestie. Daarover is hier wel mee gesproken. Daarnaast is het vooral ook een kwestie van “wat kun je aanvaarden?” De meeste mensen kunnen de herinneringen niet aanvaarden en daarom maken zij er symbooldromen van of zij vergeten deze helemaal.

  • Wat mij niet duidelijk is, is het contact met de vorm. Ik kan mij voorstellen dat je emotioneel of verbaal contact hebt, dat heeft u trouwens genoemd. Kan er een emotionele vorm en een verbale vorm bestaan. Is die vorm gedifferentieerd?

De vorm is voor de mens gedifferentieerd, voor ons niet. Maar dat komt voornamelijk omdat het “ik” ideeën weer beschouwt als iets waarmee je kunt spelen. Als u iemand een paar woorden geeft, dan maakt hij er onmiddellijk iets van wat hij zelf graag had willen horen. Als hij een voorstelling ziet, dan constateert hij dat als een wereld, als een toestand. Hij heeft er eventueel, kritiek op, maar hij aanvaardt het a priori en daarom is dat zo belangrijk, terwijl een emotionele binding tussen geest en geest (die kan inderdaad wel bestaan) de neiging heeft om alleen maar een vaagheid te blijven, een gevoel zonder meer dat voor de mens geen betekenis heeft en wat voor de geest eigenlijk een toestand van slaap of versuffing kan betekenen. Het is allereerst belangrijk, dat je begrijpt wat er aan de hand is, dan pas kun je reageren. Eerst door je reageren is een werkelijke communicatie, een werkelijk contact mogelijk. Een onbewuste reactie, waarbij de bron in het vage blijft, maakt een bewuste mededeling, een bewust elkaar aanvullen en zelfs overdracht van kracht eenvoudig onmogelijk.

De mens

De mens is een wezen, dat zijn geestelijke aspiraties gebruikt om zijn stoffelijke onvolkomenheden te verbergen. Dit is misschien een wat scherpe verklaring. Zij is ook niet van mij persoonlijk, maar desalniettemin meen ik daarin toch wel een schemering van waarheid te kunnen constateren.
De mens is geest én stof, maar over het algemeen brengt hij de geest slechts dan op de voorgrond, als hij met de stof geen raad meer weet. Waarom? Omdat de mens nog niet in staat is de integratie van zijn persoonlijkheid, die twee werelden omvat te aanvaarden. In een mens zijn immers – buiten het zuiver stoffelijk organisme – vele verschillende sferen en werelden vertegenwoordigd en deze vormen een geheel. Maar om dit geheel voor jezelf te kunnen aanvaarden, moet je de betrekkelijkheid begrijpen van wat er zintuiglijk kan worden waargenomen.
Nu is de mens wel geneigd om aan zijn zintuigen te twijfelen. Maar dat doet hij over het algemeen als een ander mens zegt, dat hij ongelijk heeft. Een mens twijfelt niet aan zichzelf omdat hij de discrepanties tussen zijn leven en zijn denken beseft, maar alleen omdat hij meent dat anderen hem op deze wijze niet kunnen aanvaarden. Ik zou hierover zeker een heel lang discours kunnen houden, waarbij alle fouten van de mens breed worden uitgemeten. Er zijn echter dingen in de mens, die mij meer interesseren.
Een mens gelooft zelden zonder meer aan zielsverhuizing. Toch maakt diezelfde mens in zijn leven voortdurend facetten van deze persoonlijkheidsoverdracht mee.
Een mens gelooft in vreemde wezens, zoals weerwolven. Hij gelooft in toverkollen en spoken. Hij gelooft in zijn eigen onfeilbaarheid, maar in datgene wat hij constateert gelooft hij meestal minder.
Als ik de mens bezie, dan valt mij op dat zovele mensen een behoorlijk krachtige uitstraling hebben; zelfs onder de hier aanwezigen kan ik er verscheidene zien. Deze krachtige uitstraling zou kunnen worden gebruikt om bepaalde denkbeelden of bepaalde krachten over te dragen, ja zelfs om een lichaam te genezen of bepaalde stoffelijke zaken harmonischer te doen verlopen. De mens gebruikt deze capaciteiten niet. Waarschijnlijk omdat hij daarvoor bang is. De mens is iemand, die altijd weer theoretisch zich het onmogelijke voorstelt en vraagt. Bij wijze van spreken: Men kijkt het hondje liefkozend aan en zegt: “En hoe spreekt mijn baasje dan?” en als het hondje dan zou antwoorden: “Niet al te goed, want ik heb honger,” zou men ongetwijfeld een beroerte krijgen voordat de beloning in de vorm van een klontje suiker wordt gegeven. Want de mens wil zich alles wel voorstellen, maar de werkelijkheid ontloopt hij.
Zijn er heksen? Inderdaad. Daar zijn veel heksen op deze wereld. Alleen heten zij niet meer zo. Een heks van tegenwoordig is in wezen niets anders dan iemand, die paranormaal begaafd is en die niet meer de behoefte heeft om dat te verhullen in allerhande geheimzinnigheden.
Zijn er toverdokters op deze wereld? Inderdaad. Denk maar aan de psychiaters. Maar ook de toverdokterij (psychiatrie) heeft dank zij Freud, Jung en vele anderen sindsdien een jasje gekregen, waardoor de zaak aanvaardbaar wordt. De mens zit vol bijgeloof. Hij zit vol voorstellingen. Als iemand dat dan aanvaardbaar kan maken, valt op dat ogenblik het bijzondere dus weg.
De sterke uitstraling, die de meeste mensen toch wel aanvoelen bij hun naaste, zou gewoon aanvaardbaar worden, indien wij haar zouden zien als een bron van energie. Maar aangezien de mensen nog steeds geloven dat energie iets is wat uit benzine voortkomt, vooral als het in de juiste motor wordt gestort, dan is het duidelijk dat zij daaraan voorbijgaan. Het past niet in hun concept.
Wij spreken met genoegen over mensen, hoge ingewijden, die “Aum” stamelen en daarna door de lucht vliegen. Iets wat overigens op Cape Kennedy of Cape Canaveral veel beter gebeurt en vaak goedkoper. Maar als je tegen die mensen zegt: “Je kunt je bewustzijn laten vliegen als een vogel” dan kunnen zij dat niet aanvaarden.
De mens heeft onnoemelijk veel capaciteiten, maar hij gebruikt deze niet. Je kunt je natuurlijk filosofisch gaan afvragen: waarom niet? Maar ik denk dat dit van weinig belang is, want de mens zelf is iemand, die met filosofieën het onaanvaardbare voor zichzelf aanvaardbaar maakt; en als hij het aanvaardbaar heeft gemaakt, dan meent hij dat hij het mag vergeten. Een groot gedeelte van de filosofische ontwikkeling van de mensheid heeft er alleen maar toe bijgedragen dat de mens meer verontschuldigingen heeft gevonden voor de onvolkomenheden, die hij in zichzelf erkent. Verder dan dat gaat hij niet. Neen, wij moeten die mens proberen te zien in een totale samenhang.
Elke mens projecteert voortdurend beelden. Ongeveer 1/10 van die beelden krijgt een vluchtige astrale vorm. Ongeveer 1/10.000 daarvan krijgt een meer blijvende astrale vorm. Die astrale vormen zijn overal rond je. Een mens erkent die dingen wel, maar hij loopt ervoor weg. Ik heb mensen meegemaakt, die goed geld betaalden om in een spookbaan door onzichtbare handen te worden aangeraakt. Wat dan over het algemeen het harig aanhangsel van een paard was, zodanig opgesteld dat het onverhoeds in het duister de wang van een voorbijganger beroerde. Als een geest iemand een ogenblik beroert, dan krijgt deze persoon niet alleen kippevel, hij krijgt er nog een beroerte bij en gaat zichzelf vertellen dat hij gek is, dat het niet kan bestaan.
De mens, die bang is in het donker omdat er geesten en demonen kunnen zijn, loopt met een lichtje door dezelfde ruimte zonder angst. Kennelijk is het voor hem voldoende om iets te constateren met zijn ogen en dan te denken dat er niets kan zijn. Geloof mij, een geest zie je niet: Als een geest aanwezig is, dan kun je de geest aanvoelen. Misschien kan die geest zich manifesteren, maar ze zal zeker niet op de vlucht gaan, wanneer u een lucifer aansteekt.
Ik zou hieraan graag een paar praktische gegevens willen verbinden. Het zijn gegevens, die misschien kunnen helpen om zelf wat gemakkelijker met krachten te werken, gemakkelijker aan te voelen.
Angst is iets wat in uzelf ligt, nooit in een ander. Het heeft dus geen zin om bang te zijn voor iets anders. Angst is altijd iets wat u zelf bezit. Begrijp, dat angst in uzelf ontstaat en u zult de zaken buiten u aanwezig gemakkelijker kunnen verwerken.
U heeft vele krachten, gaven en mogelijkheden; dingen waarvan u weinig van afweet. Als u probeert de dingen te beredeneren, dan werken ze niet. Als u het gevoel heeft dat er in u bepaalde gaven of krachten aanwezig zijn, laat dan de instincten de zaak maar overnemen, dan heeft u de minste kans dat u erin stikt. Want op het ogenblik dat u probeert de krachten, die u in uzelf vermoedt of aanwezig weet, te gebruiken volgens de regels van uw bewustzijn en uw beredeneringen, heeft u meer kans dat u de zaak kapot maakt dan dat u wat bereikt.
Helderziende waarnemingen komen veel meer voor dan men over het algemeen zou zeggen. De meeste mensen denken iets waar te nemen en richten dan hun ogen daarop. Het resultaat is, dat de visuele impressie waarin de waarneming immers niet aanwezig is de oorspronkelijke gaat overheersen. Als u het gevoel heeft dat er iets aanwezig is, kijk er niet direct naar. Integendeel, sluit desnoods de ogen en stel u open; d.w.z. probeer aan te voelen wat er is. U zult met verbazing ontdekken dat u heel wat dingen ziet, die u vroeger nooit kon zien, omdat u er te veel naar heeft gekeken. Om het nog even duidelijk te zeggen.
U heeft zo vaak het gevoel, ik zie iets bewegen, of: er is iets, maar ik zie het zo opzij van mijn blikveld. Dat is inderdaad het punt waar de visuele impressie het zwakst is. Als u er dan vol naar kijkt, is het weg. Als u daarentegen gewoon zegt: Daar is iets, laat het maar komen, en u doet desnoods de oogjes even dicht, u kijkt er in ieder geval niet direct naar, dan zult u ontdekken dat u gemakkelijk waarneemt, dat u veel meer kunt doen.
Zo u behoefte heeft aan extra kracht (dat kan wel eens voorkomen), dan kunt u natuurlijk zeggen: Daarvoor moet ik een bepaalde techniek volgen, een gebed op een bepaalde manier opzeggen, en bepaalde adem cyclus doen etc. etc. Mag ik u een raad geven waardoor u zich dit eenvoudiger mogelijk maakt?
Probeer kalm en diep (dat hoort er wel bij) adem te halen en ontspan u. Zeg tegen uzelf alleen maar: Alle kracht, die rond mij is, neem ik op, die aanvaard ik. Het lijkt een beetje een methode á la Coué, maar het is in negen van de tien gevallen volledig werkzaam.
Wilt u zich een bijzondere mate van lichamelijke kracht verschaffen, die naar u aanneemt in uw omgeving aanwezig is, stel u dan gewoon maar iets voor. De voorstelling op zichzelf maakt u ontvankelijk voor krachten, indien deze aanwezig zijn. Het meest eenvoudige is wel: er zijn twee contacten op mijn ruggengraat, zodat tussen deze beide een sterke stroming loopt, die ik voel. Op deze wijze kunt u heel veel energie verkrijgen.
De mens moet zich ook niet al te veel bezighouden met occulte speculaties. Het is natuurlijk erg interessant om er eens over te spreken wie een incarnatie van wie zou zijn en waar bepaalde krachten wel of niet vandaan zouden komen, maar verwart u deze discussies a.u.b. niet met een reële bereiking. Indien u werkelijk geestelijke waarden wilt ontvangen, is het voldoende u het probleem of de kracht voor ogen te stellen, zoals u deze ziet. En gaat u dan maar rustig verder met wat anders. Lees desnoods een moppenblaadje. Na enige tijd stelt u zich weer op het probleem in en u zult zien dat uw visie zich heeft gewijzigd. U heeft dan een voorstelling die werkzaam is, zodat u daar ook praktisch iets mee kunt doen.
Een mens heeft vaak een wat verwrongen begeerteleven. Dat komt, omdat hij strijdt met zichzelf. Er zijn dingen, die hij wel wil en die hij niet wil. Er zijn dingen, die om de een of andere reden aanvaardbaar en om een andere reden niet aanvaardbaar zijn. Aanvaard dus dat begeerteleven en alles wat erin voorkomt maar als heel gewoon, alsof er niets aan de hand is. Stel echter wel datgene wat u het belangrijkst vindt in uw gedachten vast en laat dan rustig de zaak maar gaar stoven. U zult met verbazing ontdekken dat u plotseling een mogelijkheid ziet om uw verlangen en uw erkenning van juistheid samen te voegen. U weegt ze immers niet meer tegen elkaar af; zij worden een eenheid. De innerlijke waarden en krachten van de mens zullen dan samenvallen met een actie mogelijkheid voor die mens en resultaat wordt daarmee over het algemeen gemakkelijker verkregen.
Misschien is het ook wel goed om eens te kijken naar de mens met zijn schijnwereld. Menig mens vertelt zichzelf en anderen dat dingen waar zullen worden, waarvan hij weet dat ze volgens hem niet waar kunnen zijn. De twijfel die u koestert aan wat u tegen anderen als juist verklaart, maakt het u onmogelijk dit waar te maken. U kunt alleen bepaalde krachten overbrengen, indien u innerlijk daarvan overtuigd bent. Alleen als u innerlijk één bent en dus geen voorbehoud maakt, zult u door deze eerlijkheid een grote invloed hebben in uw persoonlijke wereld en daarnaast een veel groter respons kunnen verkrijgen uit de onze.
Een mens die beseft hoe vaak zijn eigen wereld eigenlijk een heerlijke warboel is, denkt wel eens: Ik kan er toch niet tegen op. Ik kan dat begrijpen, want lichamelijk heeft u een betrekkelijk grote machteloosheid. Maar als u die machteloosheid nu voor uzelf postuleert, bindt u zich aan handen en voeten. Als u echter in uzelf denkbeelden vindt van: “hoe het zou kunnen zijn”, probeer dan eens één punt daarvan eruit te lichten. Neem één punt van uw totale denkbeeld. U zult met verbazing zien dat u door u daarop te concentreren ook praktische mogelijkheden vindt.
Elke mens kan veel meer waar maken dan hij wel vermoedt, indien hij zich tot beperkte denkbeelden of beperkte punten wil terugschroeven en niet in het algemeen werkt. Om het heel eenvoudig te zeggen: U kunt voortdurend bezig zijn om alle hongerenden van deze wereld te verzadigen, u zult dat nooit klaarspelen. Integendeel, het probleem wordt steeds  moeilijker. U kunt ook proberen om althans één of twee hongerenden te spijzigen, zodat zij kracht genoeg krijgen om weer anderen te helpen hun honger te verminderen. Als u zo werkt, krijgt u een sneeuwbal effect en daarmee bereikt u wel iets.
Ik vind ook opvallend, dat mensen zo ontzettend hangen aan theorieën. Als ik denk b.v. aan alle politieke theorieën van de laatste tijd en dat gaat van Mao tot Nixon, van de uiterste vorm van persoonsverheerlijking tot het uiterste gevoel van verheerlijkt persoon te zijn dan vraag je je toch wel af: waarom toetsen de mensen hun denkbeelden niet voortdurend aan de feiten? Als je ze namelijk aan de feiten toetst, dan kom je automatisch tot een verwerping van een groot gedeelte van je stellingen. Maar de stellingen, die je dan overhoudt zijn zaken, die je kunt aanvaarden als mens in je eigen wereld en die je daarom ook geestelijk kunt aanvaarden. Dan kun je daarin inderdaad de geestelijke krachten en energieën ontplooien, die je eigen zijn en daardoor een doel bereiken.
Er is een filosoof geweest die zei: “Ach, mensen, bereiken is niets. Streven is het enige dat de moeite waard is.” (De man heeft dat ook wel bewezen, want hij is zo’n 75 keer verloofd geweest.) Hij had vanuit menselijk standpunt misschien gelijk. Aan de andere kant is voor onze ontwikkeling een mate van bereiking onmisbaar. Te streven zonder dat wij iets kunnen bereiken, is daarom in wezen tegennatuurlijk. We moeten altijd zo streven, dat er tenminste een mogelijkheid tot redelijke bereiking in de buurt ligt. Een mens, die dit beseft, zal innerlijk al zijn vermogens mobiliseren. Hij zal zeggen: “Dit is bereikbaar. Dit komt elke dag nader.” Maar een mens, die een bepaald beeld in zijn denken sterk genoeg fixeert, leeft daar bijna automatisch zo sterk naartoe, dat hij het zelfs verwezenlijkt. Ook een punt waarmee u rekening moet houden.
Een ander punt dat misschien voor sommigen wat moeilijker ligt, is dit: De meeste mensen hebben twee behoeften; de eerste is het verleden vergeten, de tweede is de toekomst te kennen. Beide zijn voor een mens niet bereikbaar en niet bruikbaar.
Iemand, die het verleden probeert te vergeten, ontdoet zich daarmee van vele inzichten, die hij kan gebruiken om zijn harmonie op dat ogenblik te bepalen. Iemand, die de toekomst tracht te kennen, zal zich daardoor in vele gevallen binden aan een voorstelling, die hij zelf min of meer waar maakt. Hierdoor maakt hij zichzelf a.h.w. doof en blind voor betere mogelijkheden en betere ontwikkelingen.
De meeste mensen streven naar geluk, totdat zij het hebben en dan gooien zij het weg. Ook dat is een opvallend verschijnsel. Een mens noemt iets geluk, maar op het ogenblik dat hij het bezit, ontdekt hij dat dit niet bereikbaar is.
Geluk is gebaseerd op innerlijk evenwicht. Een mens, die innerlijk vrede heeft, kan snel gelukkig zijn en kan bijna zijn gehele leven gelukkig blijven, zelfs onder omstandigheden die minder aangenaam zijn Een mens echter, die alles mee heeft om gelukkig te zijn en die daarbij innerlijk geen evenwicht vindt, zal een uiterlijke schijn van geluk in stand houden, die innerlijk een steeds grotere wanhoop moet verbergen. Laten wij begrijpen dat geluk in wezen is: een zijn met datgene wat op dit ogenblik bestaat. Het is niet een zekerheid voor morgen; het is zelfs geen resultaat van gisteren. Geluk is een ogenblikstoestand, die wordt bepaald door de evenwichtigheid in onszelf, waardoor wij de wereld rond ons harmonisch kunnen aanvaarden. Zijn wij op deze wijze gelukkig, dan is ons gehele wezen, zelfs tot aan de kern van de ziel daarin besloten. En dat impliceert weer, dat dit geluk voortdurend blijft bestaan. Het is voortdurend terug te vinden. Het is geen gebeurtenis meer, maar een innerlijke toestand die je steeds weer opnieuw beleeft en waardoor je in staat bent om veel van wat men ongeluk noemt (in wezen meestal disharmonie) te bedwingen en daarover meester te blijven. Wie in zich vrede heeft gekend en zich deze vrede voor ogen stelt, zal de onvrede die hem bedreigt in vele gevallen tot vrede kunnen ombuigen. Dit zijn enkele punten in samenhang met de mens.
Voor mij is de grootste waarheid altijd weer deze: Je bent meer dan je denkt, maar minder dan je voorgeeft te zijn. Als u dit begrijpt, kunt u vrede vinden met een wereld die u misschien niet helemaal zo aanvaardt als u zou willen en daardoor kunt u innerlijk de kracht vinden om meer datgene te zijn wat u zeker kunt betekenen voor de wereld.
Betekenis betekent contact. Contact kan alleen bestaan op basis van gelijkwaardigheid. Daarom moeten wij de gelijkwaardigheid in alle dingen aanvaarden om zo door een contact tot de innerlijke harmonie en zekerheid te komen .
Wij kunnen niet alleen van onszelf uitgaan zolang wij leven op aarde. Laat ons dan uitgaan van de wereld en stellen dat deze met al haar verschijnselen en alle daarin voorkomende vormen in haar essentie aan ons gelijk is. Laten wij dan onze essentie projecteren in de wereld. Dit is de eerste basis vanwaaruit bewustwording, zelfkennis, kosmische harmonie bereikt kunnen worden.
Het is voor een mens eenvoudiger om te bereiken dan hij denkt. Want hij denkt meestal dat de dingen moeilijk zijn, omdat hij bang is om de poging te wagen. Maar wie niet vreest zichzelf te verliezen, vindt de waarheid omtrent zichzelf in de kosmos waartoe hij behoort.

Vuur

Wat is vuur? Een vorm van oxydatie waardoor in een vlamverschijnsel een groot gedeelte van de energie wordt omgezet in infrarode stralen. Anders gezegd: vuur is een omzetting. In zekere zin ook een louteringsverschijnsel.
Vuur reinigt, zo zeggen wij. Waarom? Omdat wij volmaakt zijn in verbinding met de werkelijkheid. maar onze onvolmaaktheid bestaat voortdurend in ons, omdat de band met de werkelijkheid niet intens is. Wij kunnen pas werkelijk leven, indien wij aanvaarden wat er werkelijk rond ons bestaat en wat wij werkelijk zijn. En dat is een pijnlijk proces. Een proces waarbij het vuur ons dreigt te verteren. Het vuur, dat ons dan misschien pijn doet, maar dat ons zeker loutert en herleidt tot de werkelijke essentie van bestaan.
Als in de mens bepaalde hartstochten aanwezig zijn, als hij ook wordt gedreven door een bepaalde innerlijke emotie, dan spreekt hij vaak van vuur; en niet ten onrechte. Want ook dan zal hij – gedragen door dit ene – vele zogenaamde belangrijkheden vergeten. Hij zal geneigd zijn om zich te uiten en daardoor tot een zuiverder besef komen van wat hij is en van zijn relatie met de wereld, met het Al.
Vuur is een principe dat reinigt.
Vuur is een principe dat waarheid doet erkennen.
Vuur herleidt tot bestanddelen, maar maakt juist daardoor een erkenning van essentie mogelijk. Laat ons hopen, dat het vuur ons op deze wijze beroert.
De mens stelt zelfs de Heilige Geest, de denkkracht van de Hoogste voor als een vuur, dat neerdaalt tot de mens. U denkt, dat God Zich manifesteert in een vuur dat niet verteert.
Wat wij nodig hebben is de werkelijkheid. Deze zal ons vaak toeschijnen een vuurzee te zijn, waar wij doorheen moeten waden. Maar als wij dat aandurven, dan zijn wij ook gelouterd. Dan vinden wij de werkelijkheid van ons wezen en daarmee de eenheid, de tijdloze werkelijkheid waartoe wij behoren.