De menselijke gespletenheid

image_pdf

26 mei 1961

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u er allereerst op wijzen, dat de sprekers van de Orde niet alwetend of onfeilbaar zijn. Er zal dan ook prijs op worden gesteld, dat u zelfstandig nadenkt over het gebrachte.

Zojuist vang ik nog een aankondiging op: “De revolutie van het atoom”. Dat kan ik mij goed voorstellen: “Atomen aller landen der aarde verenigt u. Wij willen niet langer gespleten worden. Wij hebben genoeg van kernsplijting! Wij voelen meer voor fusie!”

Een vreemd begin voor een esoterische les? Misschien wel, maar hierin vind ik dan meteen een onderwerp. Laat ons wijzigen, die slagzin, in: “Mensen, wij willen niet langer gespleten zijn.” Daarmee bedoel ik heus niet de gespleten persoonlijkheden, waarmee sommige kunstenaars koketteren, want de splijting daar is alleen maar het verschil tussen wat zij werkelijk zijn en wat zij denken te zijn, meer niet, ofschoon het verschil vaak groot genoeg blijkt.

De gespletenheid, die ik bedoel, is de verdeeldheid van de mens tussen wat hij geestelijk meent te moeten zijn en hetgeen hij stoffelijk kan zijn. Met andere woorden,  iemand die hieraan lijdt, leeft met twee maatstaven die met elkaar in strijd zijn, bestaat in twee werelden en tracht eigenlijk twee mensen tegelijk te zijn: de geestelijk hoge en stoffelijk tevredene.

Vergelijkend voorbeeld: Er zijn mensen die, zodra zij op visite zijn, de lollige broek aantrekken. Zij zijn een en al bonhomie, jovialiteit, grijnzende glimlach, geestigheid…, kortom: the life of the party. Dezelfde mens is thuis een soort kranten lezend lijk, dat al murmelend enige voeding tot zich neemt en met korte grommen elke poging tot conversatie pleegt af te weren. Zo zijn er ook mensen, die overtuigd zijn dat zij zich naar buiten ook anders moeten voorgeven dan zij zijn. Zij stellen, dat je zakelijk en realistisch moet zijn, je aan de voorschriften moet houden, of, wanneer het toevallig de mode is, deze dient te ontduiken. Van binnen roepen zij voortdurend uit: “Ik moet geestelijk vrij zijn, ik moet geestelijke harmonie vinden!” Velen dragen in zich volledige weergaven van heilige boeken, die zij voortdurend na plegen te slaan voor elke daad die zij stellen, maar durven naar buiten toe nog niet eens toe te geven, dat zij ergens aan geloven.

Deze gespletenheid komt meer voor, dan u misschien denkt. Wij vinden deze evengoed bij mensen die godsdienstig zijn en, terwijl zij Bijbelspreuken en zoete vroomheid rond zich strooien, gelijktijdig bezig zijn met het overwegen van de beste manier, waarop men een stuk of wat van de Tien Geboden kan schenden, zonder dat dit last veroorzaakt, of opvalt. Vele mensen doen denken aan zakenlieden, die opscheppen over de goede gang van hun zaken, terwijl zij innerlijk krampachtig nadenken en een weg trachten te vinden om nog aan een faillissement te ontkomen.

Uit ervaring weet u wel, dat iemand, die in een dergelijk parket verkeert, zich allesbehalve goed gevoelt. Men weet innerlijk zeer wel, hoe men zou moeten leven. Men zou moeten beantwoorden aan de vele groot geestelijke wetten die men kent en heeft zich idealen opgebouwd, waaraan men o zo graag zou willen beantwoorden. Daarin speelt natuurlijk het geloof een rol, evenals voorstellingen omtrent bewustwording en zelfs een verlangen naar het Koninkrijk der Hemelen.

Diezelfde mensen kunnen het niet nalaten om, gedreven door praktische overwegingen, voortdurend in strijd met deze innerlijke behoeften te handelen. Men voelt zich dan schuldig. Soms voelt men zich om zakelijke of emotionele redenen verplicht een ander iets aan te doen, terwijl men innerlijk zeer wel beseft, dat een dergelijke wijze van handelen niet aanvaardbaar is. Deze mensen noem ik dan gespleten mensen, omdat hun geestelijk inzicht, hun mentale beelden en hun feitelijke handelingen voortdurend met elkaar strijdig zijn.

Stel nu het volgende: Indien ik op een bepaald ogenblik spits en nijdig ben, maar in deze spitsheid en nijdigheid hetgeen ik als goed gevoel tot uiting kan brengen, zullen geestelijke en stoffelijke waarden één zijn. Wanneer ik in de stof de noodzaak voel tot handelen, kan ik dit wel op een wijze doen, waarbij mijn innerlijk weten en innerlijke overtuiging mede tot uiting komen. Dan ben ik wel één geheel. Op het ogenblik, dat ik een verschil ga maken tussen innerlijke en uiterlijke maatstaven, loop ik vast. Op het ogenblik, dat ik mijn hoogste geestelijke realisaties en maatstaven geheel in de stof om wil zetten, zal ik ook vast lopen, omdat dit boven de mogelijkheden van het menselijke bestaan uitgaat. Men dient een compromis te vinden tussen geest en stof, dat een innerlijke en werkelijke eenheid van wezen mogelijk maakt.

Dat zou als volgt kunnen worden omschreven: Indien ik voor elke vier delen stoffelijke noodzaak, vijf delen geestelijke noodzaak of behoefte in het leven weet te uiten, is dit door de verhouding voor beide delen van mijn wezen aanvaardbaar en voldoende. Het heeft weinig zin naar een in alle daden en stoffelijke mogelijkheden beantwoorden aan de hogere geestelijke normen te streven, waar dit niet bereikbaar is. Het is wel mogelijk en daarom voor innerlijke eenheid en rust noodzakelijk de geestelijke waarden in het leven steeds iets meer te laten gelden dan de zuiver stoffelijke.

Dit klinkt mooi, maar is nogal vaag. Ofschoon het in de praktijk uitvoerbaar is, zal het voor de meeste mensen niet voorstelbaar zijn. Daarom zal ik trachten deze dingen zo eenvoudig mogelijk te definiëren.

Indien ik in mijzelf nadenk en daarbij mijn geloof, innerlijk weten, evenals alle gevoelens van harmonie met God en de Schepping doe werken, ontstaat niet alleen een wereldbeeld, maar tevens het besef, dat bepaalde geestelijke waarden voor ons buitengewoon goed en begerenswaardig zijn. Dit geestelijk punt kan, afhankelijk van het bewustzijn, op elk vlak, elk niveau van geestelijk bereiken liggen, doch dient een aanvulling te vormen van eigen leven en streven.

Dit punt eenmaal vast gesteld hebbende, ga ik verder zeggen: “Bij alles, wat ik in de stof doe, zal ik trachten, dit door mij als noodzakelijk en begeerlijk geestelijk streven mede in de daad te leggen”. Hiermee heb ik dan aan een heel belangrijke voorwaarde voldaan. Door dit ene punt van geestelijk streven te nemen, dat voor mij zo belangrijk is, op deze wijze tussen alle daden, die ik in de stof zal stellen, plus mijn geestelijk en innerlijk streven, is een directe band geschapen. Van verdeeldheid zal weinig of geen sprake meer zijn. Wanneer ik immers het verlangde geestelijke element op geen enkele wijze in de stoffelijk te stellen daad in kan leggen, zo zal ik overwegen, hoe dit wel mogelijk is.

Als gevolg zal ik niet alleen enkele daden, maar vele waarden in stoffelijk leven en denken in overeenstemming gaan brengen met mijn geestelijke inhoud. Aan de andere kant kan ik rustig stoffelijke noodzakelijkheden laten prevaleren waar dit noodzakelijk is, zodat ook de stof het voor haar noodzakelijke kan bereiken.

Indien dit nog te vaag schijnt, kan ik trachten u een formule te geven, waardoor het voor u geestelijke bovenal, nu noodzakelijke zult kunnen definiëren.

Wanneer u voelt, dat u allereerst behoefte hebt aan geestelijke kracht, zult u moeten trachten die geestelijke kracht – waarvan u dus meer begeert – reeds in alle daden enz. te uiten. Men kan immers geestelijke kracht alleen verwerven door zich voor het hoger open te stellen. Dientengevolge geldt hier: elke handeling en daad in de stof brengt door de poging zo groot mogelijke, geestelijke kracht hierin te uiten, deze openstelling tot stand en zal zowel de daad als het “Ik” met deze kracht verzadigen. In elke handeling dient dan een geloof aan God en een innerlijke zekerheid van Zijn, steun en kracht aanwezig te zijn. Zelfs indien dit de eerste malen slechts half oprecht geschiedt, ontstaat zo de begeerlijke werking. Door de openstelling, zo veroorzaakt, zal altijd nog zoveel Goddelijke kracht het “Ik” binnendringen, dat men overtuigende bewijzen van een steun en bijzondere kracht verkrijgt.

Anderen stellen zich als doel: harmonie, dus eenheid. Harmonie met het hogere en geestelijke kan nooit worden uitgedrukt in zuiver persoonlijke daad van harmonie. Ieder, die in de geest naar harmonie streeft, zal dus in alle daden rekening moeten houden met alle mensen in de omgeving, evenals gerekend moet worden met alle buitenwerking van het Ik en buiten het Ik bestaande toestanden. Daarin zal men dan moeten trachten zoveel mogelijk het goede en juiste te volbrengen.

Zelfs zijn er mensen, die behoefte hebben aan het “bewijs”. Hun innerlijk leven wordt beheerst door een voortdurend proces tégen God, waarbij God voor alle dingen steeds weer verantwoordelijk gesteld wordt. Door hun innerlijke verwarring en onzekerheid vragen zij steeds weer als hoogste noodzaak voor het Ik een bewijs dat God er is, dat Zijn daden goed zijn en zelfs dat de mens werkelijk en persoonlijk zal voortbestaan om eens God in waarheid te kennen. Indien men bewijzen wil hebben voor het bestaan van een dergelijke hoge Kracht, zal elke daad en gedachte op het verkrijgen van het bewijs moeten worden gericht, terwijl elk feit of verschijnsel, dat een mogelijk bewijs bevat, nauwkeurig zal moeten worden onderzocht en – zo twijfel blijft bestaan – moeten worden beschouwd als een indicatie, die samen met andere dergelijke indices uiteindelijk misschien een bewijs zal kunnen vormen. Elk onderzoek zal moeten zijn gebaseerd op eigen geestelijk leven en denken in de eerste plaats, doch worden aangevuld volgens de beste stoffelijke mogelijkheden. De formule luidt dan, volgens de gegeven voorbeelden: Betrek de geestelijke noodzaak in alle handelingen en handel zoveel mogelijk, alsof het begeerde reeds verworven was, eerst later de resultaten onderzoekende.

Misschien lijkt u dit alles weinig esoterisch in de goede en ware zin van het woord. Maar vindt u ook niet, dat elke esoterie, die de mens van de werkelijkheid en zijn eigen werkelijke mogelijkheden ontvreemdt, tot dwaalleer wordt? Een mens die op aarde leeft, is op aarde gekomen om daar als mens in de stof iets tot stand te brengen. Op het ogenblik, dat esoterie een zich terugtrekken uit de stof gaat betekenen, houdt dit een verzaken van het werkelijke levensdoel in en wordt het resultaat van het stofleven voor de geest tot nul gereduceerd. Volgens mij moet dan ook elk waarachtig esoterisch streven bestaan uit een zo goed en sterk mogelijke samenwerking tussen eigen geestelijke en stoffelijke waarden, behoeften en kwaliteiten, met daarnaast een zo groot mogelijke zelferkenning binnen de stoffelijke mogelijkheden voor de mens, volgens de mogelijkheden van de stof, zowel wat de geest als wat de stof betreft.

Een mens die in de stof leeft, denkt stoffelijk. Geestelijk denken kun je in de stof niet, omdat alles, wat zuiver geestelijk is in de gedachten tot verwarringen voert, of onjuist in stoffelijke beelden kan worden omgezet. Redelijk en logisch denken kan de mens volgens zijn stoffelijk bewustzijn alleen aan de hand van de materie. Hij kan alléén de materiële normen en waarden  hanteren, zolang hij in de stof leeft. Daaruit volgt dan ook, dat de mens alleen volgens de normen van de stof zijn geestelijk leven kan kennen en definiëren en ook wanneer het zuiver geestelijke waarden en mogelijkheden betreft, toch gebonden zal blijven aan zuiver stoffelijke beelden en terminologie. Iemand, die tracht zich aan deze noodzaak te onttrekken, stelt irreële maatstaven, die ofwel niet hanteerbaar blijken in de praktijk, dan wel voeren tot zelfbedrog, aangezien door het aanvaarden van stoffelijk niet omschrijfbare waarden een geheel valse projectie van het Ik in de stof en het stofbewustzijn tot stand zal komen.

Hierbij komt nog, dat, zelfs indien de mens zichzelf vanuit de geest werkelijk zou kunnen bezien en bewust kennen, hij slechts vol zorgen en leed op zijn stoffelijke wezen neer zou moeten zien omdat alles, wat stoffelijke noodzaak is voor de geest, vaak in strijd is met alles, wat zij als geestelijk juist, begeerlijk en noodzakelijk erkend heeft. Het is maar goed, dat men in de stof geen juist geestelijk beeld van zichzelf kan verkrijgen. Toch beantwoorden zowel de geest als de stof aan Goddelijke wetten en zullen – door hun noodzaken als voor het Ik – in tegenstelling verkerende waarden, toch de Goddelijke waarheid en wil geheel weergeven in hun werkingen.

Op het ogenblik dat men neerdaalt in de stof, bestaat de zekerheid, dat de eigen vrijheid beperkt is. Op het ogenblik van de Schepping van de geest was het reeds zeker, dat, door de in die geest gelegde kwaliteiten, de mogelijkheden van de geest binnen de Schepping eveneens beperkt waren. Besef daarom, dat je als mens en geest binnen zekere perken door grotere machten wordt gehanteerd en tot bepaalde belevingen wordt gedwongen en deze zult moeten ondergaan, zonder dat een al dan niet innerlijk deel hebben daaraan, van belang is. Conclusie: Daar ik slechts een beperkte vrijheid bezit, kan ik beter vanuit een stoffelijk standpunt – zodat de dwang mij niet zozeer bekend wordt – streven en werken, of mijzelf zoeken te kennen. Want de voorstelling, die ik dan in de stof kan verkrijgen omtrent stoffelijk en geestelijk Ik, zal aan de ogenblikkelijke omstandigheden en mogelijkheden voldoende beantwoorden om duidelijk te doen zien, hoe men verder moet gaan om zo goed mogelijke resultaten voor het Ik te behalen in geest en stof.

Dit deel van mijn betoog wil ik beëindigen met een reeks van definities:

Zelfkennis is – voor de mens – het althans ten dele erkennen van eigen geestelijke en stoffelijke verhoudingen, evenals de relaties, die ogenblikkelijk kenbaar zijn met de rond hem liggende waarden in de kosmos. Zelfkennis zal voor de mens nimmer een geheel kennen van eigen wezen en alle daarin aanwezige factoren in kunnen houden, daar de erkenning daarvan binnen stoffelijke termen onmogelijk is.

Esoterie is voor de mens op aarde het erkennen van de begrenzingen van eigen wezen en het handelen volgens deze kennis. Menselijk harmonisch leven en denken is het vinden van een middenweg, waardoor geestelijke en stoffelijke waarden zover samengaan, dat beide factoren een voldoende vrede en vreugde voor de mens vormen, zonder dat hij zich daarover enig zelfverwijt hoeft te maken.

Praktische bewustwording, als voortvloeiende uit het voorgaande, kan worden gedefinieerd: een handelen volgens je beste weten in overeenstemming met hetgeen je omtrent jezelf beseft en hetgeen je weet – of meent te weten – omtrent de Schepper en de kosmos.

Buiten het voorgaande vinden wij nog wel enige vragen in de esoterie, waarmee men pleegt te worstelen. Ik zal trachten enkele van deze punten te formuleren.

Alle stoffelijke handelingen van de mens worden beperkt door mentale beelden en voorstellingen, plus een geestelijk weten. Waar een strijdigheid tussen deze waarden ontstaat, is geen sprake van een feitelijke overschrijding van eigen levensmogelijkheid of noodzaak, maar van een binnen het Ik ontstaan van disharmonie, die zich zowel in geestelijk als in stoffelijk lijden kan manifesteren. Wanneer ik nu tracht te definiëren, wat mag en niet mag, wordt de zaak moeilijk. Dit kan eenvoudiger geschieden, wanneer je dit niet in de geest, maar op de wereld wilt doen. In een totalitaire staat mag de mens niets, buiten hetgeen hij doen moet. In een democratie mag alles, behalve de dingen waarvan zij laten merken, dat zij ze liever niet zien. Omgezet in meer esoterische woorden betekent dit voor de mensen die op de wereld leven: voor de mens is alles aanvaardbaar toegestaan, wat aan zijn innerlijk wezen, plus zijn stoffelijke mogelijkheden zozeer beantwoordt, dat hieruit noch een innerlijke strijd noch een niet te vergoeden schade aan anderen voortkomt.

In het leven is iets onaanvaardbaar – mag iets niet – op het ogenblik, dat het van jezelf, van anderen, of krachten die je niet beheerst, geestelijk of stoffelijk meer vergt, dan je ooit in staat zult zijn te geven, of op harmonische wijze in jezelf uit te drukken.

Een punt, dat niet zonder belang is – daar de vraag “mag het wel, mag het niet?” – in het leven van zeer vele mensen een grote en soms haast overheersende rol speelt. Degene, die zich hiermee bezig houdt, zal een antwoord zoeken op de vraag: wat is in mij de grootste bewustzijnswaarde? Want als je die met de begrippen ‘mag wel, mag niet’ verenigen kunt, kom je geestelijk zowel als stoffelijk een aardig eind verder. De grootste bewustzijnswaarde is voor altijd, datgene, wat ik vrijelijk, bewust en met geheel mijn wezen, aan anderen in de geest of stof kan offeren, zonder daarbij persoonlijke eisen te stellen, of enige verantwoordelijkheid te aanvaarden, die niet uit eigen streven en kennen voortvloeit. Op deze wijze geeft men juist en aanvaardbaar uiting aan eigen hoogste geestelijk bewustzijn, waar men vanuit zichzelf en tevens in zichzelf en zo harmonisch mogelijke uiting van in het Ik aanwezige krachten tot stand brengt.

Na de omschrijving van deze m.i. belangrijke punten ga ik wat van de hak op de tak springen, om zo voor de menselijke bewustwording belangrijke, punten onder uw aandacht te brengen. Wij kunnen in dit verband o.m. stellen:

Voor de stofmens mag de dood nooit een begeerd einde, of een gevreesde beëindiging betekenen. Slechts de mens, die de dood noch begeert, noch vreest, zal waarlijk leven. Wie de dood begeert, is reeds bezig in het eigen leven vele dingen te breken, die voor het stoffelijke leven zowel als de geestelijke bewustwording nog noodzakelijk kunnen zijn. Wie de dood vreest, tracht vaak aan zovele voor hem noodzakelijke ervaringen te ontkomen en zal zoveel voorzorgen treffen, dat hij, wanneer zijn leven ten einde gaat, tot de ontdekking komt, nog niet genoeg geleefd te hebben, veel verzuimd te hebben, zonder dit nog te kunnen herstellen. De angst voor de dood is dan een van de grootste gevaren voor een – ook voor de geest – nuttig leven, terwijl de begeerte naar de dood vaak een onoverkomelijke belemmering kan worden voor een juiste uiting binnen menselijke vorm van het geestelijke bewustzijn.

Al even belangrijk is het volgende: De mens mag nooit een mens vrezen of begeren. Het vrezen van tijdelijke waarden impliceert het aanvaarden van de grote tijdelijke waarden in jezelf, waardoor de noodzakelijke continuïteit van ervaringen onderbroken wordt en door niet werkelijke voorstellingen binnen het denken zelfs een groot deel van de werkelijkheid teloor dreigt te gaan, zover het de geest betreft. Het tijdens een dergelijk leven vergaarde bewustzijn is niet harmonisch en kan worden vergeleken met een legpuzzel, waaruit delen weg zijn, terwijl alles, wat nog aanwezig is, door elkaar ligt en slechts ten koste van veel arbeid op de juiste plaats binnen het geheel van het bewustzijn ingevoegd kunnen worden. Een mens begeren betekent, dat men zich voor de rest van de wereld afsluit, waardoor eveneens een tijdelijke opheffing van de werkelijkheid en daarmee een teloor gaan van noodzakelijke ervaringen tot stand komt.

Een mens mag nooit demonen oproepen of vrezen; hetzelfde geldt voor geesten en machten, buiten de Goddelijke kracht, zoals hij deze in zichzelf erkent en aanvaardt. Wie demonen vreest, erkent daarmee een onderdanigheid of minderwaardigheid t.o.v. hun werking en invloed en wordt zo snel hun slachtoffer. Wie hen oproept, zal in vele gevallen handelen in de overtuiging krachten te kunnen beheersen, die hij niet voldoende kent, zodat ook deze het slachtoffer van de demonen wordt door zijn gebrek aan kennis. Wie geesten oproept, of geesten vreest, zal op dezelfde wijze aan hun invloed onderworpen zijn. Zelfs indien deze invloeden ten goede zijn gericht, zullen deze niet in overeenstemming zijn met het eigen wezen en denken van de mens.

Het gevolg is, dat men niet op de juiste wijze het innerlijke evenwicht kan vinden. Het oproepen, vrezen, of misschien begeren van machten als engelen is al even gevaarlijk. Wanneer wij hoge, lichtende krachten trachten te hanteren, krachten wiens wetten anders zijn, dan die van lagere geesten, krachten en mensen, moeten wij er mee rekenen, dat het contact met, of de invloed van dergelijke hoge machten in de mens werkingen, verlangens enz. zullen scheppen, die niet met de menselijke mogelijkheden in overeenstemming te brengen zijn, of voeren tot voor de mens niet te overziene consequenties. Men zal dan de gevolgen en inwerkingen niet kunnen verdragen en moeten lijden onder de invloed van deze hogere machten, ofschoon deze zelf zeker geen lijden of strijd wilden veroorzaken.

Een mens mag zich zonder enige vrees ten allen tijde tot zijn God wenden, omdat de God, die hij aanbidt, de uiting is van een eigen beeld, een uit het Ik voortkomende idealisatie van eigen zijn en Schepping. Hierin bereikt hij dan juist dat deel van de werkelijke scheppende kracht, dat voor hem nog te aanvaarden en te verwerken is. Alle krachten, die hij vandaar uit, of door bemiddeling daarvan ervaart, zullen dan ook reeds in overeenstemming met zijn eigen wezen, zijn eigen geestelijke en stoffelijke mogelijkheden zijn. Hetgeen de mens vanuit het goddelijke onmiddellijk gewint, is voor hem bruikbaar, hanteerbaar en brengt veelal een bewustwording tot stand, die – met geheel het werkelijke Ik harmonisch zijnde, evenals met het gekende Ik – een vergroting van innerlijke eenheid, bewustzijn en contact met de kosmische werkelijkheid betekent.

Nog een ander punt: wanneer je – vooral in de periode van versnelde geestelijke bewustwording – zoeken moet naar nieuwe waarden of krachten, zul je steeds weer geestelijke of paranormale verschijnselen ontmoeten, waarmee je eigenlijk geen weg weet. Op het ogenblik, dat geestelijke krachten zich openbaren in de stof, zal het de mens ofwel niet mogelijk zijn er een redelijke verklaring van te geven, waardoor dit onaangenaam aandoet, dan wel zal hij een stoffelijke verklaring willen aanvaarden, die niet geheel met de werkelijke feiten in overeenstemming zijn. Dit laatste is nog onaangenamer, dan het eerste en heeft vaak nog grotere gevolgen. Wanneer je in een periode van versnelde geestelijke ontwikkeling bij jezelf paranormale kwaliteiten ontdekt, dan wel occulte verschijnselen of krachten ontmoet, is het dan ook het beste deze verschijnselen zonder kritiek en zonder oordeel te aanvaarden, terwijl men ook geen verklaring daarvoor zoekt. Vooral voor hen, die naar een esoterische bewustwording streven, is dit van belang. Wanneer dergelijke verschijnselen vaak optreden, zullen zij zelf een verklaring vormen, die, onmiddellijk uit de verschijnselen voortkomend, voor het Ik aanvaardbaar, bruikbaar en hanteerbaar is.

Op het ogenblik, dat een mens iets zoekt te verklaren, waarvoor hij krachtens weten en middelen nog geen werkelijke verklaring bezit, komen hieruit vele innerlijke problemen en vragen voort, die evenmin oplosbaar zijn en zo tot innerlijke verwarringen enz. aanleiding zijn. Een bijkomstig verschijnsel is in dergelijke gevallen vaak een sterke daling van stoffelijke prestatievermogen, geheugen e.d., wat toch zeker niet begeerlijk is. Verg nooit van jezelf – laat staan van de geest, of zelfs van God – dat het paranormale zich bij u zal gaan openbaren en tracht dergelijke begaafdheden niet af te dwingen. Aanvaard zich manifesterende gaven en openbaringen wel, maar wacht steeds af tot deze zichzelf duidelijk en begrijpelijk voor u hebben omschreven. De noodzakelijke leiding wordt in dit geval ongetwijfeld op de juiste tijd gegeven en voert tot een juist gebruik in stof en geest van het verworvene. Bedenk, dat aan de mens en de geest nooit de beschikking over krachten en vermogens of begaafdheden zal worden gegeven, zonder dat daarbij ook een voldoende aanwijzing voor het gebruik ervan ter beschikking wordt gesteld. Is de aanwijzing nog niet aanwezig, dan is de gave nog niet voldoende ontwikkeld of onbruikbaar. Meent men gaven te bezitten, dan kan men zoeken naar een leiding, die de ontwikkeling daarvan op meer bewuste en beheerste wijze mogelijk maakt.

image_pdf