De menselijke psyche i.v.m. stof en geest

uit de cursus ‘De menselijke psyche’ 1956

Als we de menselijke psyche beschouwen, is het begrijpelijk dat het evenwicht tussen alle factoren, waaruit de psyche is opgebouwd, een noodzakelijkheid is voor een gelukkig en gezond leven. Wat meer is, voor een bewustwording moeten we ook dit evenwicht weten te vinden. Want je kunt op de wereld en in de sferen niets bereiken door eenzijdigheid. De veelzijdigheid van ons wezen, van onze interesse is van groot belang. Wij stoten hier echter onmiddellijk op een onaangenaam feit in de stoffelijke wereld.

Stel dat u werkelijk veelzijdig bent in uw belangstelling in de wereld, dan kunt u in vele gevallen niet beantwoorden aan de eisen die de maatschappij aan u stelt. Op het ogenblik dat u gaat zeggen: “Ik specialiseer mij”, krijgt u voor uw omgeving meer waarde, maar gelijktijdig gaat u uw leven beperken. Wij moeten ook daartussen een gezonde middenweg weten te vinden. Nu zou ik dan op grond van datgene, wat wij (aan onze kant) van de psyche weten, het volgende naar voren willen brengen:

De psyche bestaat nu eenmaal uit een groot aantal verschillende vlakken. Het belangrijkst vanuit geestelijk standpunt ‑ daarover kan niet getwist worden ‑ is de geest zelf. Maar deze geest zal zich via het onderbewustzijn voortdurend in de stof moeten uiten. Zij kan nooit een volledig bewustzijn hebben omtrent de stoffelijke waarden in de zin waarin de stof dit verstandelijk beleeft. Wij hebben dus in de eerste plaats aan de geest een mogelijkheid te bieden tot een algemene doelstelling in het leven. We kiezen voor onszelf een richting, waarin we verder zullen gaan.

Dan hebben we te maken met het bovenbewustzijn dat het gezamenlijk denken van de mensheid op ons afdrukt. Ons bewegen, ons handelen en ons redeneren wordt natuurlijk erdoor ook beïnvloed. Dit is voor ons al­leen maar de wijze waarop wij onze weg zullen gaan.

Dus: de geest stelt het doel, het bovenbewustzijn bepaalt de weg, het onderbewustzijn definieert de wijze waarop wij de weg gaan, de rede re­gistreert hoe wij de weg gaan en bepaalt in hoeverre een afwijking van de werkelijke weg plaatsvindt.

Wetend dat ik op deze wijze mijn levensdoel heb gesteld en bereid ben de consequenties van het gestelde doel en de andere waarden die in mij liggen te aanvaarden, kom ik psychisch op een gegeven ogenblik midden in de volle werkelijkheid te staan met het vermogen die werkelijkheid te aanvaarden. Mijn werkelijkheidsaanvaarding brengt met zich mee dat de beleving van de stoffelijke wereld en de materiële wereld wel degelijk grotendeels vanuit mijn persoonlijkheid moet geschieden.

De wetten buiten mij zijn alleen een leidraad voor mij voor zover ik krachtens mijn bewustzijn mijzelf daar nog kan invoegen. Op het ogenblik dat ze mij niet passen, leg ik ze opzij en is het afgelopen. Dit klinkt asociaal. Er zullen heel veel mensen zijn die menen mij te kunnen verwijten dat dit eigenlijk een verkeerde stelling is. Toch zou ik die stelling graag willen bevestigen en wel om de volgende redenen: de wereld buiten ons is niet precies zoals wij haar ervaren en waarnemen. Onze ervaring en waarneming houden onze persoonlijke waardering voor die wereld in. Baseren we ons op wat de wereld lijkt te zijn, dan zullen we nooit en te nimmer in de gelegenheid zijn ons bestaan in die wereld volledig uit te leven.

Als je een bewustzijn hebt en je wilt dat bewustzijn niet verrijken, omdat je het ziet als een vastgelegde waarde, leef je dogmatisch. Nu kan een dogma goed zijn, als de innerlijke onzekerheid het noodzakelijk maakt om vaste waarden te stellen, waarop men kan bouwen. Maar in je leven heb je andere vaste waarden. Je hebt je persoonlijke beleving, de wereld rond je met al hetgeen ze je toont en brengt. Is het dan niet redelijk dat ik mij baseer op die wereld buiten mij, aannemende dat ze zich zal aanpassen aan mijn wezen en ik zo ervaring opdoe en leer zien wat in die wereld permanent is en wat door mij zelf gewijzigd en gevarieerd kan worden?

Op het ogenblik dat ik zover kom en zo leef, wordt het volgende punt duidelijk: mijn wereldbeleving, mijn wereldaanvaarding bepalen voor mij de totale beleving – ook geestelijk en in het onderbewustzijn ‑ van die wereld. Elke angst die in de mens leeft, komt voor 9/10 voort uit het onderbewuste. Waarom?

De mens bouwt zich een foutief beeld op, gebaseerd op een eenmaal opgedane ervaring. Ben je nu geneigd je wereld te nemen als een vaste waarde, dan zul je ook de onbewuste angst nooit kunnen verliezen, want er bestaat geen variatiemogelijkheid. Dus: ben je één keer bang geweest voor iets, dan blijf je in je hart daarvoor bang. Ben je één keer iets ontvlucht, dan meen je dat je het steeds weer kunt en zult moeten ont­vluchten. Gevolg: afwijking, een neurotisch verschijnsel, misschien op den duur een totale afwijking die aanleiding geeft tot psychische ex­cessen.

Daaruit volgt weer dat onze werkelijke, onze stoffelijke beleving van groot belang is, omdat ze voor ons het droomleven bepaalt. En denk niet dat, dat gekheid is. Want het droomleven definieert een groot gedeelte van de onderbewuste invloeden. Maar daarnaast legt het ook tevens de tendens voor de dagbeleving in ons vast,

U weet wat ik u heb verteld over het karakter op stoffelijke basis. Ik vertelde dit om u duidelijk te maken dat er heel veel in het leven is, waaraan je zelf betrekkelijk weinig kunt doen.

Maar de wijze, waarop u reageert en op de zaken ingaat, bepaalt hoe het van binnen werkt, hoe de gedachten die beelden vormen.

Dan komen we op een punt waarbij het droomleven soms belangrijker wordt dan het werkelijke leven. 0, geen afwijking. We krijgen te maken met de mensen die in hun dromen alles beleven wat ze in werkelijkheid niet kunnen of willen aanvaarden. We krijgen te maken met mensen die de werkelijkheid ontvluchten en haar automatisch maar steeds weer doormaken, terwijl ze gelijktijdig in hun dromen zichzelf boven de mensheid verheffen op een voetstuk dat eigenlijk volkomen irreëel is. Een foutieve wereldaanvaarding. Een foutief ontstaan onderbewust beeld. Hoe duidelijk is het niet dat hieruit een innerlijke strijd moet voortkomen. Dit maakt ons het volgend punt wel duidelijk.

Elk ogenblik dat ik leef, zullen de verschillende waarden in mij tegenover elkaar staan, en met elkaar worden geconfronteerd. Naarmate ik echter grotere verschillen in mijn innerlijk en uiterlijk beleven tot stand breng, maak ik het mij minder mogelijk om deze waarden ten opzichte van elkaar compenserend te laten optreden. Het resultaat is de onevenwichtigheid die ons ‑ terwijl wijzelf volledig ervoor verantwoordelijk zijn ‑ drijft tot een leven dat geestelijk absoluut vernietigend is en gelijktijdig onze realiteitsbeleving in deze wereld en dus ook ons contact met wereld en maatschappij in groot gevaar kan brengen.

Wetend dat wij alleen door een juist evenwicht goed kunnen leven, zijn we geneigd naar dat evenwicht te zoeken op een vaak krampachtige manier. Een eigenaardig verschijnsel in de totale psychische reacties van de mens is, dat hij zodra hij ten koste van alles een bepaald punt wil bereiken, zal falen. Want deze richting, waarbij al het andere terzijde wordt gesteld, is een scheppen van een disharmonie tussen het “ik” en de omringende wereld. We kunnen ons dus wel naar een doel toe ontwikkelen, maar we kunnen nooit een bepaald doel afdwingen, zonder daarvoor gelijktijdig afstand te moeten doen van een groot gedeelte van de verdere wereld. En dat betekent ook van een groot gedeelte van ons leven. We moeten dus wel degelijk goed nagaan, wat er eigenlijk gebeurt.

Een doel stellen is zeker goed. Maar als je je dit doel stelt, dan moet je je dat niet stellen als iets wat van nu af aan volkomen wordt verwerkelijkt, maar als iets waarop je je voor zover de omstandigheden je dit mogelijk maken, steeds verder zult toeleggen. Dit is een zeer groot verschil. En het brengt in de totale reactie van het eigen wezen ook zeer grote verschilpunten met zich mee.

Op het ogenblik dat de mens zegt: “Ik zal dit doen” en hij daarin niet slaagt, komt er in hem een gevoel van frustratie, van niet‑bereiking, van zwakte enz. Als resultaat zal hij ontmoedigd zijn. En zelfs als hij zich vol hartstocht eraan blijft vastklampen, komt hij tot een zich zozeer vasthouden aan een bepaalde houding, dat hij het doel vergeet. Zoals een drenkeling die zich zo sterk vastklampt aan een houten balk, dat je hem met geweld ervan moet losrukken, wil je hem in de boot halen. Op deze manier mag een mens nooit leven.

Om een redelijk leven op psychische grondslag te kunnen leiden, moeten we beseffen: het is noodzakelijk dat wij ‑ hierbij geleid door ons besef van aanvaardbaarheid en verantwoordelijkheid ‑ ons gehele stoffelijk leven zoveel mogelijk vervullen, opdat wij ons niets ontzeggen, zonder dat hiervoor in ons leven een tegenwicht bestaat. Elke ontzegging die niet door het eigen wezen volkomen wordt geratificeerd, brengt een verschuiving van psychische waarden met zich mee, waardoor datgene wat in het lichamelijke gemakkelijk te uiten en weer te vergeten zou zijn, tot een onuitwisbare indruk in het onderbewustzijn wordt, met als resultaat een obsederende werking die op den duur elk redelijk voortstreven voor ons onmogelijk zou maken.

Men realiseert zich:

Wat voor mij in gedachten het belangrijkst is, zal ik te allen tijde trachten op enigerlei wijze zo om te zetten ‑ hetzij in de daad, hetzij door het uit mij te verdringen ‑ dat ik voldoende kracht overhoud om een nieuwe denkwijze in mij te ontvangen.

Alle geestelijke bewustwording is gelegen in de voortdurende verandering van mijn innerlijke waarden.

Alle menselijke gezondheid en kracht ligt in het voortdurend omzettingsproces van het metabolisme.

Vergelijk deze beide waarden en je kunt zeggen: Een mens die te weinig eet, zal ongezond zijn, evenzeer als hij die teveel eet. Zo kun je van de geest zeggen: De mens die zich teveel richt op bewustwording en zijn wezen daardoor verwaarloost, is zoals degene die te veel heeft gegeten. Hij zal moeilijk in beweging komen, kwalen vertonen en tenslotte niet meer kunnen lopen. Ook degene die te weinig aandacht aan zijn geestelijke belangen besteedt, zal geestelijk verhongeren en ‑ tenzij hij op een stoffelijk beleven overgaat om vandaaruit voor de geest nieuwe voeding en nieuwe impulsen te verkrijgen ‑ ledig blijven en niet vooruit kunnen gaan. Het beeld is naar ik meen duidelijk.

De daad is voor ons steeds weer een noodzakelijke beleving. Wij kunnen niet aan de daadstelling ontkomen. Elke theorie die in ons leeft en elke gedachtegang die in ons bestaat, krijgt pas waarde indien we de moed hebben ze in onze wereld in de daad om te zetten. En zetten we ze om in de daad, dan hebben we daardoor een realisatie, een bewustwording van ons weten bereikt, waardoor dit weten wordt overgebracht naar de hoogste delen van ons bewustzijn, te wetende geest en de verschillende onderbewuste waarden. Van daaruit wordt deze daad tot een voortdurende stimulans, die ons verder zal voeren in dezelfde richting langs hetzelfde pad.

Heeft de daad in ons een zondebesef doen ontstaan, dan zal deze ‑ juist door het zondebesef over te brengen in ons leven ‑ de strijd tegen de zonde mogelijk maken als realiteit. Is de daad een bevestiging van hetgeen wij weten als goed, dan zullen wij eerst daardoor in staat zijn de weg van het goede verder te volgen, omdat krachtens onze overtuiging de vestiging van dit nu ook in de geest levende bewustzijn een opvolgen van de eenmaal geschapen oorzaak tot noodzaak wordt.

De menselijke psyche leeft niet alleen uit de geest. Zij leeft ook dankzij haar stoffelijke realiteit. Verwerp één van deze waarden, misbruik één van deze waarden en het geheel wordt vernietigd en onbruikbaar.