De menselijke psyche

image_pdf

20 september 1971

Aan het begin van deze cursus zou ik u graag een paar dingen willen vertellen. U weet dat wij betrekkelijk weinig gastsprekers binnen dit geheel zullen krijgen. Daar staat tegenover dat wij een goede spreker hebben gevonden voor deze groep, die u een aantal lezingen zal geven, die in de esoterie en ook in het bovenzinnelijke wel passen.
Wat onze inleidingen betreft zijn wij van plan ons bezig te houden met het verschijnsel mens en speciaal de menselijke psyche. Ik zal daarover vandaag een wat algemene beschouwing willen geven en begin met de omschrijving van “mens”.
Een mens is in de eerste plaats een wezen uit het tijdloze. De menselijke vorm, die wordt aangenomen, is één van de vele vormen, waarin men voorkomt. Nu weten wij bv. dat de mens voor de geboorte een grote reeks vormen simuleert. Deze reeks vormen is maar een klein gedeelte van de werkelijke vormen, die een geest die in de menselijke vorm optreedt, gekend moet hebben. De mens is daarom verwant met alle elementen; hij is verwant in sterkere of minder sterke mate met bepaalde materialen en ten laatste is hij verwant met het leven en zal ook hier een voorkeur hebben voor bepaalde delen van leven. In deze menselijke opmaak in de stof zien wij de tekenen van stoffelijke verledens.
Wij hebben daarnaast met de geest te maken, die — in tegenstelling tot wat velen denken — niet beschouwd kan worden als tijdloos. Geest is een kwestie van wisselend bewustzijn en als zodanig gebonden aan tijd. Het zal u duidelijk zijn dat de invloed van de geest op de stof varieert. Ze zal in sommige omstandigheden bijna direct zijn, in andere gevallen is zij miniem. En gaan wij na, waaraan dit ligt, dan komen wij tot de conclusie dat daar, waar een vroegere levensvorm domineert in een volgend leven, het contact met de geest aanmerkelijk sterker en groter is en dus de inwerking van de eigen geest op het gedrag, dan in die gevallen waar een afwijking heeft plaatsgevonden en wij te maken hebben met een vorm die niet volledig harmonisch is met vroegere vormen.

Dan moeten wij ons verder realiseren dat de mens niet gezien kan worden zonder meer — en zeker niet in stoffelijke zin — als het werkelijke wezen. Ook als wij de geest erbij halen, zijn wij er nog niet.
Misschien is het het eenvoudigst om het als volgt te stellen: De mens is het brandpunt van een kosmisch besef, waarin tijdelijk vormen van dat besef ontstaan.

Wil, je nu proberen om de invloeden, die in een mens een rol spelen, nader te ontleden, dan kom je op de voorgenoemde factoren terecht. Daarnaast zijn invloeden als wereld, de wijze waarop geestelijke contacten bestaan, de contacten van eigen geest met andere entiteiten — dus andere vormen van bewustzijn, in een persoonlijk tijdsgeheel werkende naar een aanvaarding van het werkelijke ik — en ten laatste speelt ook een rol, de beoordeling, die in die geest is vastgelegd.

Ik wil daarover iets meer zeggen:
De geest in zichzelf kent goed en kwaad. Dat heeft niets te maken met een kosmisch oordeel of veroordeel. Het is alleen een trainingservaren, waarbij sommige dingen als niet aanvaardbaar, andere als wel aanvaardbaar zijn geconstateerd, doorleefd en op den duur in het ik vastgeroest, Nu zijn die beoordelingen van goed en kwaad erg belangrijk, want een mens, die geestelijk een paar maal fouten heeft gemaakt, zal in het volgende leven zelfs de schijn van die fout willen vermijden. En dat betekent heel vaak, dat zo iemand tegen alle redelijkheid in en misschien tegen zijn eigen geestelijke noodzaken in, zijn richting kiest. Omgekeerd zien wij soms dat mensen een bepaalde impuls hebben, die ze ook wel waar willen maken, maar dat ze zichzelf daarbij voortdurend frustreren.
Er zijn dus mensen, die in het leven bepaalde ervaringen zoeken, die daar grote behoefte aan hebben — hierin spelen geestelijke elementen een rol, maar gelijktijdig zien wij dat die mensen op de één of andere manier — je kunt niet precies zeggen hoe — de zaak afwijzen. Dat is geen kwestie van karakter, maar dat is een onbewust zoeken naar evenwicht. Die afwijzing houdt vaak zelfs een zekere zelfbestraffing in. Een mens oordeelt over zichzelf. Hij doet dit materieel en zijn materiële zelfbeoordeling kan door zelfbedrog vervalst worden. De mens beoordeelt — zoals ik u duidelijk heb gemaakt — ook geestelijk zichzelf. In dit geestelijk oordeel is zelfbedrog onmogelijk. Je kunt geen fantasie in de plaats stellen van feiten. Je kunt je gehele buitenwereld tot een fantasiewereld maken, maar het beeld, dat je van het ik hebt kun je niet vervalsen. Het zal duidelijk zijn dat de stoffelijke impulsen ondergeschikt zijn – in 99 van de 100 gevallen – aan de geestelijke. De vraag is hierbij in hoeverre God een rol speelt in deze keuze van de mens, dit goed en kwaad.

En dan wil ik beginnen met te constateren dat er voor God geen goed noch kwaad kan zijn. Het Zijn kan geen delen van dat Zijn gelijktijdig in stand houden en verwerpen. Dat zou een tegenstrijdigheid zijn. Er is dus geen goed of kwaad vanuit Goddelijk standpunt. Voor de mens is God een beeld, Die zichzelf schept, maar daarnaast vooral een innerlijke ervaring. Deze innerlijke ervaring kan je evengoed harmonie noemen. Harmonie betekent voor de mens een ogenblik van vrede hebben met zichzelf. En daarom zijn er drie mogelijkheden:

Stoffelijk gezien: Volledige eerlijkheid (dus op het gebied van goed en kwaad, juist jezelf aanvaarden en er iets aan doen).

Op stoffelijk gebied. Jezelf bedriegen te dien aanzien of — en dat is misschien wel de meest juiste zin — je geestelijk wezen in jezelf erkennen en aanvaarden met zijn beoordeling, zonder daarom dit als maatstaf te gebruiken voor de wereld.
Zeggen: Dit is mijn innerlijke ervaring. Het resultaat ervan is een harmonie. In deze harmonie komt een wonderlijk beleven tot stand. Dit beleven noemt men dan wel eens “God zien”. Het zal u duidelijk zijn dat het met “zien” niets te maken heeft, maar hierbij. treden wij buiten de beperking van ons eigen wezen,

Die beperkingen zijn stoffelijk gezien zeer groot. Wij hebben te maken met een vaste vorm. Wij hebben te maken met vele sterke wetmatigheden en als je helemaal eerlijk bent, is de mens eigenlijk een conglomeraat van verschillende cellen, die elk als levend wezen ook nog een eigen bestaan hebben en die tezamen werken, zodat er een complex geheel is ontstaan.
In de geest is het iets gemakkelijker, omdat je je voorstellingen buiten jezelf kunt brengen als werkelijkheid. Maar pas op het ogenblik, dat je zelf niet projecteert en projecties van anderen of het andere op je af laat komen, ontstaat er een contact met de realiteit. Wat jezelf’ projecteert is schijn. Het kan een versterkt deel van de werkelijkheid zijn met uitsluiting van andere aspecten van diezelfde realiteit. Het kan ook zelfs een totale droom zijn. Om de Goddelijke werkelijkheid, om mijzelf te vinden, moet ik de grens verliezen. Wat is de grens, die men zich gemeenlijk stelt?
1. Kennen wij de gedragscode op aarde, gebaseerd volgens bepaalde normen, die niet berusten op het ik, maar op verschijnselen buiten het ik. De situatie is dan als volgt:
Wanneer ik mijzelf meet aan de waarderingen van de wereld, zal ik komen tot een verkeerde waardering van mijzelf. Dit betekent, dat ik niet harmonisch kan zijn met de wereld en dat ik gelijktijdig strijdig ben met mijzelf, Harmonie is onmogelijk. Op het ogenblik, dat ik de waarderingen van de wereld accepteer als geldend voor die wereld en gelijktijdig mijzelf als een realiteit besef, werkende wel binnen een milieu, waarin die waardering heerst, maar er niet door bepaald word, kom ik veel verder,
2. God is onzegbaar, dat is waar. Een orkaan kun je niet zien, alleen in zijn verschijnselen. God is wat dat betreft als een orkaan. Hij is kenbaar in Zijn verschijnselen. Die verschijnselen zijn voor ons: kracht – dus het vermogen tot zien, erkennen, tot stand brengen – besef, contact met een groter deel van het Al, zodat wij daardoor dingen kennen die — gezien stoffelijke of zelfs geestelijke normen eigenlijk voor ons niet kenbaar zouden moeten zijn, en tenslotte het wonderlijke dat wij — aan onszelf onttrokken — beseffen, zonder in een persoonlijke vorm te zijn (Dat laatste moet verduidelijkt worden)
Voorbeeld: Wanneer je aan het voetballen bent, ben je een mens. Nu kun je echter voor de tv. zitten en een voetbalwedstrijd gadeslaan. Je bent dan niet actief, je bent niet deel van het geheel, je neemt waar, maar in die waarneming speelt je eigen reactie als voetballer een rol, Je gaat dus het geheel, de reactie ven al die anderen ervaren op grond van je eigen inhoud. Wanneer je voor je t. v. zit, zijn er echter nog een paar realiteiten. Wanneer je geestelijk tot de ervaring komt, dan is er geen weerkaatsing. Je kijkt naar de werkelijkheid. Je eigen ervaringen erken je daarin, maar je neemt waar. Je bent niet actief, je wordt niet verheugd, je wordt niet bedroefd, je absorbeert. Duidelijk?
Dan is God eigenlijk het totale gebeuren dat wij gadeslaan, zonder daaraan deel te hebben als actieve factor met een eigen wil en eigen inhoud. Wij zijn waarnemers van het spel; meer niet. En misschien dat daarin het grote geheim zit van het wezen “mens”. De mens die aan de ene kant voortdurend gebonden is aan allerlei zaken, die vervlochten is met stoffelijke, geestelijke en mentale belangen. Die zelfs astrale verbindingen aangaat en die op een ogenblik zich toch in zich terugtrekt, afstand neemt en in dit afstand-nemen pas werkelijk mens wordt, omdat de daaruit volgende reacties in zijn gebonden milieu dan los zijn gekomen van de persoonlijke beleving.
Een mens leeft zijn leven. Zijn  leven is in de eerste plaats het tijdloze. Het bestaan, waarin het geheel van al zijn mogelijkheden en al zijn kracht is samengevat. De mens leeft. Hij is een geest, die bepaalde delen van die schepping in het bijzonder in relatie met zichzelf erkent. Men noemt dit sfeer of wereld. De mens is een wezen dat door wetten en vormen bepaald wordt zijn uiting, maar dat gelijktijdig in zijn besef door geen normen, vormen of wetten gebonden is. En dat is een wonderlijk iets.
Als je gesproken hebt over God, dan moet je ook gaan spreken over innerlijk geloof. En dat speciaal wanneer een mens in de stof leeft. Innerlijk heb je zekerheden en heb je erkenning, waaraan je redelijk vaak twijfelt en die je toch niet van je af kunt zetten. Dit is geloof. Nu kan geloof een reeks van formuleringen omvatten, die op zichzelf niet aanvaardbaar en niet redelijk zijn. Het gaat echter niet – vreemd genoeg – om de formulering, al vechten de mensen daar juist altijd over, het gaat in het bijzonder over de ervaring. Het geloof is niet belangrijk in zijn uiterlijkheden, in zijn uitdrukking, het is belangrijk omdat het een ervaring is van de mens.
Ik meen, dat ook in deze kring is gezegd, dat geloof in feite een magisch iets is, omdat het op zich zinloze vormen gebruikt voor de afstemming van het ik, waarbij grotere krachten en resultaten manifest worden. En dat is volledig juist. Wij kunnen geloven wat wij willen, mits wij het voldoende innerlijk geloven. Niet wat wij zeggen, maar wat wij voelen is belangrijk.

En daarmee is — vreemd genoeg — een groot gedeelte van de menselijke godsbeleving teruggedrongen naar het emotionele vlak. Alle verstandelijke beredeneringen vallen weg. Maar kan die mens dan die God waarin hij gelooft, onmiddellijk zien? De ervaring leert, dat dit zelden of nooit het geval is. Ook wanneer wij “zien” hier gebruiken in de zin van ervaren. Wat de mens in wezen ervaart door het geloof is een harmonie, waarbij vooral één van de hogere eigen geestelijke voertuigen wordt ingeschakeld. De wereld, die je de wereld van God noemt, is in feite je eigen hoger geestelijk besef en het is uit dit besef en het niveau van krachten daaraan verbonden, dat je je eigen mogelijkheden put, dat je de kracht vindt, het inzicht, dat in het geloof zo belangrijk is.
Een mens zoekt graag en zeker in de stof naar wat hij noemt “absolute waarheid”. Zijn geloof gebruikt hij vaak om zichzelf een dergelijke waarheid voor te spiegelen. Maar er bestaat geen absolute waarheid. De mens leeft in een voortdurend variabele wereld, ook wanneer hij dit niet wenst te erkennen of te beseffen.
Alle factoren in uw leven zijn onzeker, zijn niet stabiel. Op elk ogenblik kan de gehele uiterlijkheid van uw leven veranderen. Dat moet u goed voor ogen houden. Er zijn geen zekerheden, ook wanneer u zich die aanpraat of meent die te verwerven of te bezitten. Achter de flexibiliteit van het vormgeheel ligt de geestelijk vaste waarde. Die geestelijke vaste waarde is vreemd genoeg niet uit te drukken in een vorm of een beleving, maar in wat men noemt overbruggingen. Overbruggingen zijn harmonische contacten tussen enkele, soms vele personen, waarbij hun onderlinge inwerking invloed heeft zowel op hun beleving in bepaalde sferen, hun mogelijkheden als geheel of als deel van een geheel in alle werelden en sferen en zelfs hun optreden op aarde, de verschijningsvorm die zij daarbij aannemen, de wijze waarop zij tijdens dit leven actief zijn en innerlijk God of hogere krachten of idealen voelen.
Ik hoop, dat u een beetje een beeld van de mens gaat krijgen. Want wanneer je dit psychologisch wilt benaderen, dan krijg je natuurlijk een grote reeks van onderdrukkings-, verdringings- en vluchtverschijnselen. En dan kunnen wij elkaar duidelijk maken dat wij geen van allen gezond zijn. Maar als wij in de psychologie nu eens het ziekelijke vervangen door besefswaarden, dan kunnen wij zeggen: Elke mens heeft in zich strijdige besefswaarden. Deze besefswaarden worden in enkele gevallen tot maatstaven, in andere gevallen worden ze juist tot vijanden, die je tracht te overwinnen.
Wanneer ik een in mij bestaande zekerheid of wet beschouw als vijand, dan zal ik een groot gedeelte van mijn bestaan, mijn denken en mijn geestelijke kracht gebruiken om juist deze dingen terzijde te schuiven. Hierdoor fixeer ik mijzelf. Op het ogenblik dat ik begin aan een bestrijding van iets, wat in mijzelf leeft, ben ik gedwongen een beperkte vorm van mijzelf te handhaven. Mijn bekwaamheden, mijn innerlijke kracht, mijn aanvoelingsvermogen e.d. zal ik moeten beperken en in een vorm vastleggen. Op deze wijze ontstaat in de mens ook een gestalte, een composiete persoonlijkheid uit vele delen opgebouwd. En in die composiete persoonlijkheid vinden wij vreemd genoeg ook delen van anderen. U moet dus niet denken dat het alleen iets van uzelf is.
Zo zien wij dat in deze uit verweer geboren gestalte bv. ouders een sterke rol kunnen spelen. De aanvaarding of verwerping van eigenschappen van de ouders voert tot neiging deze te imiteren, maar dan met een bepaald doel, dat meestal tegengesteld is aan hetgeen men in de ouders verwierp. Op dezelfde wijze zien wij dat leerervaringen – dat kan de school zijn, maar dat kan ook wel degelijk een scholing zijn, die je door het leven krijgt — weer een eigen beeld scheppen van de persoonlijkheid, dat in de composiet, in de gestalte wordt ingevoegd. Het beeld dat ontstaat, heeft vele facetten en is juist daardoor enerzijds bijzonder bruikbaar, maar voert anderzijds voortdurend tot conflicten met het eigen ik. Want het ik wil in feite niet zijn wat het voorgeeft dat belangrijk is; het wil vernietigen wat het voelt als een bedreiging van zijn eigen persoonlijkheid. Zo zal zo’n ik in zichzelf een deel van zijn eigen ondergang meedragen.

Dan staat daar tegenover, dat wij ook de aanvaarding hebben. Wanneer ik kom tot een aanvaarding van mijzelf, dan heb ik geen behoefte meer een composiet op te bouwen. De psychische gestalte, die de mens in heel veel gevallen opbouwt, wordt hierbij afgebroken. Het gaat er niet meer om: wat heb ik geleerd, wat heeft mijn vader gedaan of mijn moeder gezegd, bij wijze van spreken; het gaat er nog slechts om: Wat ben ik, wat zou ik zijn onder die omstandigheden eventueel? De eigen persoonlijkheid wordt middelpunt en alle ervaringen en scholingen opgedaan worden in het ik verenigd als een duidelijker omschrijving van de eigenschappen en kwaliteiten van de persoonlijkheid.
Dit impliceert volgens mij, dat ongeacht de vele complexen, neurosen en andere mooie verschijnselen, waar men in deze tijd zo mee pleegt weg te lopen er toch nogal wat mensen zijn, die op geen enkele manier gespleten zijn. Die niet tegen zichzelf verdeeld zijn en die juist door de spontaniteit waarmee zij voortdurend zichzelf projecteren in wat elders gebeurt of gebeurd is, komen tot een benadering van het leven, waarbij ze geen angst voor zichzelf, geen berouw t.a.v. zichzelf en hun handelingen en zelfs geen direct verweer t.a.v. de wereld kennen. Zij “zijn” en in hun bestaan is harmonie het hoofdprincipe. Bestaat die psychische toestand, dan zal het ook duidelijk zijn, dat de geest deze harmonische factoren doorzendt en dat zo ook met vele entiteiten in andere sferen een harmonie ontstaat. Er ontstaat een versterking van alle krachtstromingen binnen de persoonlijkheid op grond van een harmonie met vele krachten in hogere, althans qua potentie hogere werelden, waardoor het gehele prestatievermogen van zo’n persoon en de levenskracht zeer sterk toenemen,
Dat zijn een paar punten. Is dit de gehele mens? Natuurlijk niet. Het zijn facetten. Om de mens helemaal te omschrijven zou je moeten beseffen, dat hij een lotslijn volgt. Geen noodlotslijn, onthoud dat goed. En geen voorgeschreven baan, geen gepredestineerde lotslijn. Hij volgt een lotslijn, die wordt opgebouwd uit zijn besef plus zijn reactie. Hierbij zal hij heel vaak tegen een soort muur oplopen. En dan zien wij pas wat een mens waard is. Wanneer hij tegen die muur oploopt, wanneer hij dus niet kan doorzetten wat hij juist vindt, kan hij proberen een omweg te vinden. Hij kan proberen een parallelle oplossing te vinden.
Maar hij kan ook proberen in zich de oplossing te vinden, zodat de uiterlijke belemmeringen geen rol meer spelen. In dit laatste geval wordt een groot gedeelte van de materiële mogelijkheid en waarde omgezet in een geestelijke mogelijkheid en waarde, die echter niet meer door stoffelijke normen te beperken is.
De situatie kan dus als volgt worden omschreven.
De mens, die via een omweg zijn doel probeert te bereiken, is kennelijk sterk gebonden aan vormuiting, Dit betekent een beperking, ook van zijn bestaan in de geestelijke sferen na de overgang. Het betekent gelijktijdig een voorbeschikking t.a.v. de vorm, waarin hij later eventueel op een wereld weer materieel tot uiting zal komen. Een mens, die een parallelle baan zoekt, zal in deze verschuiving van streven van zijn lotslijn over het algemeen komen tot een verandering van waardering. Kan hij daarbij de oude lijn in zoverre vergeten, dat hij vanuit de nieuwgevonden parallel het aan die parallel verwante verleden weer accepteert, dan komt hij tot een grote bereiking. Want dan is het geheel van zijn mogelijkheid tot ontwikkeling, voor hem rechtlijnigheid waarbij verleden en toekomst voortdurend een volledig brandpunt vinden in een beseft heden en daardoor is het besef in staat de toekomst te dirigeren en het verleden op de juiste wijze te beseffen.
Wij hebben dus te maken met drie mogelijkheden en elk van deze mogelijkheden heeft invloed op de manier, waarop je op aarde eventueel incarneert. Ze heeft daarnaast zeer grote invloed op de wijze van beleven in een geestelijke sfeer.
U kent allemaal de reïncarnatietheorie. En bij die reïncarnatietheorie heeft men wel eens de neiging om de nadruk te leggen op de vormen, waarin je verschijnt, Maar zou het eigenlijk niet veel logischer zijn op grond van de verschijningsvormen de conclusie te trekken t.a.v. het wezen? Want het is niet de vorm, die het wezen bepaalt, maar het wezen, dat de vorm heeft gekozen. Elke incarnatie wordt door een geestelijke keuze voorafgegaan. Wanneer u nu op aarde leeft, dan leeft u in een vorm, die u om welke reden dan ook voor uzelf hebt verkozen. U leeft in een ontwikkeling, die u althans ten dele hebt kunnen overzien en die u dus voor uzelf toch ergens nuttig hebt geacht. Stel, dat u in dit leven er nu eens achter kunt komen, wat u in het verleden bent geweest. Dan zult u waarschijnlijk een vreemde ontwikkeling kunnen ontdekken .
Bijvoorbeeld; Iemand is eerst boer geveest. Daarin is een te grote gebondenheid geweest. De kans is zeer groot, dat die persoon een tweede keer incarneert als nomade. Maar in het vorige leven was een zekere mate van kennis, van stabiele kennis en zelfs soms van abstracte kennis belangrijk. De kans is zeer groot, dat hij bij de nomaden zal worden tot een leidende persoonlijkheid of wel een priesterlijke persoonlijkheid.
Nu is het leven bij de kudde weer iets, waardoor je begrip voor contact met de goden en met de natuur veel sterker ervaart dan als boer, juist door het los zijn a.h.w., het niet plaatsgebonden zijn. De kans is zeer groot, dat zo’n persoon de volgende maal incarneert als priester en waarschijnlijk als offerpriester. Iemand, die dierenoffers e.d. brengt. Want hier is de relatie met het vorige duidelijk. maar op het ogenblik, dat je als offerpriester optreedt, word je gelijktijdig geconfronteerd met dood en lijden. De kans is zeer groot, dat een volgende incarnatie je brengt tot lering. Zo iemand wordt misschien geleerde, de kans is ook heel groot, dat zo iemand introspectief leeft en dus in feite een esoterische bewustwording gaat doormaken. De volgende fase is dan ofwel priester (priesteres), maar dan in de zin van onbloedig, het geven en ontvangen van Goddelijke krachten.
De andere mogelijkheid is hier, dat men in de magie terecht komt. Vanuit beide zal de volgende stap waarschijnlijk zijn een poging zich te uiten en daarbij wordt altijd een hogere plaats, althans een belangrijke plaats in de maatschappij gezocht. Je kunt dan dergelijke mensen ontmoeten als prinsen, prinsessen, zeer rijke lieden, kortom mensen die grote invloed op materieel terrein hebben en dan vandaaruit is het zeer waarschijnlijk dat zo iemand terecht komt in dienende beroepen. Dat kan zijn als priester, maar nu priesterleraar, dat kan zijn een wit-magiër, die gelijktijdig wonderdokter is. Het kan zijn een medicus, onderwijzer, er zijn dan nogal wat mogelijkheden, maar altijd dienstverlenend en de factor in dit leven is dan altijd weer de medemens.
Een dergelijk leven wordt over het algemeen – vreemd genoeg – gevolgd door een leven met sterk esoterische tendensen, waarbij innerlijke bewustwording een grote rol speelt en wij nemen aan dat dergelijke levens direct of tegen het einde van het leven – beide mogelijk – een zeer grote harmonische waarde bezitten, die op zijn beurt kan overgedragen aan de medemens .
Ik noem u hier een keten van mogelijkheden, Het zal duidelijk zijn dat deze niet beslissend is. Maar ik hoop met het opsommen van deze keten — die niet helemaal willekeurig gekozen is, ze is werkelijk reëel mogelijk en is wel voorgekomen — duidelijk gemaakt te hebben dat incarnaties op elkaar volgen. Dat de mens, die reïncarneert daarbij een aanvulling van waarden zoekt van een vorig bestaan, maar ook, dat je daarbij aan eigenschappen gebonden bent, die je niet helemaal terzijde kunt stellen.
Wanneer je dienend geboren bent, dan kun je alles doen wat je wilt, maar je wordt: desnoods nolens volens dienstbaar aan anderen. Je volvoert voor anderen. Als je voor bloedige offers geboren bent, dan kun je misschien generaal worden en veel mensen opofferen of je kunt priester zijn in een tempel, maar je kunt je niet aan dit aspect van opofferen van het andere of anderen onttrekken. En dit impliceert weer dat de geest in haar zoeken naar verschijningsvormen wel degelijk een ontwikkeling kent, die met die verschijningsvorm in verband staat.
Wanneer u vandaag als mens bestaat, dan weet u meestal niet wat u vroeger geweest bent. Maar u kunt wel van één ding zeker zijn, dat uw vorig bestaan ergens een tegenstelling heeft getoond t.a.v. uw huidig bestaan en dat er een bindende factor is. Wanneer u vandaag veel voelt voor sociaal werk, dan zult u vroeger in een gemeenschap belangrijk zijn geweest, u zult met gemeenschap te maken hebben gehad, Misschien op een heel andere manier, maar u hebt ermee te maken gehad, De mens, die nu op aarde bestaat, is een wezen dat een lot waarmaakt, zeker, maar een lot dat uit de ontwikkeling van geestelijke aard geboren is en waarbij alle ervaringen en fasen van die geestelijke ontwikkeling toch weer ergens in die materie zijn uitgedrukt.

Misschien vraagt u zich af of het niet mogelijk is één of twee trappen over te slaan. Dat kan soms, maar waarschijnlijk is het niet. Dat komt slechts zelden voor, Wilt u misschien weten of het u kan helpen zo’n verhaal om in de praktijk zelf iets omtrent uzelf te beseffen, dan wil ik u wel een punten noemen,
Voelt u zich schuldig aan de wereld, bent u boos op de wereld? Hoe staat u er tegenover? Wanneer u schuldgevoelens hebt t.a.v. de wereld, dan kunt u wel aannemen, dat een volgende incarnatie een aanvaarding van de wereld met zich zal brengen. Probeer die aanvaarding nu in het geding te brengen. U bent niets aan de wereld schuldig, ook al denkt u dat. Maar de manier, waarop u met die wereld vanuit uw schuldgevoel misschien werkt, betekent voor u de mogelijkheid om met die wereld harmonisch te zijn.

Verwerpt u grote delen van de wereld — u kent die mensen wel: als ze op een gegeven ogenblik iets horen dat hen niet bevalt, dan zijn ze erg agressief, andere mensen deugen nooit en dat soort dingen — dan kunt u wel nagaan, dat die mens nog niet aan harmonie toe is. Wat je dan doen? Die agressiviteit kun je niet onderdrukken, maar je kunt haar wel overbrengen van laten we zeggen het persoonlijke vlak naar het meer abstracte. Je kunt tegen een stelling zijn, naar niet tegen de belijder ervan. Hierdoor komt wederom de mogelijkheid- tot gemeenschappelijkheid, gemeenschapscontact sterker op de voorgrond en zullen ook geestelijk grotere vorderingen worden gemaakt.

Er zijn mensen, die menen dat de wereld. of het leven alles voor hen moet doen. Dat lijkt luiheid en verwerpelijk, maar het komt vaak voort uit het feit, dat dergelijke mensen in het leven zeer veel t.a.v. anderen hebben gedaan of — nog waarschijnlijker – grote verantwoordlijkheden hebben gedragen. Iemand, die een vorst is geweest of een potentaat ergens in die tijd heeft geprobeerd veel voor zijn mensen te doen, zonder dat hij daarin de bevrediging van slagen heeft gevonden, zal zeer waarschijnlijk in een volgend leven de houding van “laat het nu maar konen” aannemen, dat lotsgeb0nden, fatalistische hebben, Een dergelijk fatalisme kun je niet bestrijden; dat is een deel van je aard. Maar wat je wel kunt doen is voor jezelf alles wat je beschouwt als lot nauwkeurig omschrijven. Dan blijkt, dat je een groot gedeelte van je fatalisme weer kwijtraakt, omdat in de formulering gelijktijdig een besef van mogelijkheid zit. Hierdoor ontwaak je tot een meer actief werken vanuit de geest alsook vanuit de materie.
Een type mensen, dat ook erg interessant is, zijn mensen die — ik zou haast zeggen – “plotseling zijn”. U kent de term wel: Tinus Plotseling. Deze mensen reageren op alle dingen zeer fel, maar zeer kort. Wanneer iedereen van honden houdt, houden zij van honden, maar zodra ze een hond hebben of misschien wel voor die tijd, gaat hun interesse al over naar parkieten, katten e.d. Mensen, die op die manier met voortdurend andere gerichtheden werken, hebben geen lijn. Er zit in hun besef en waardering geen vaste lijn. Dat komt waarschijnlijk voort uit een vorig bestaan, waarin ze sterk gebonden zijn geweest. Een horige, die zeer sterk aan bepaalde regels gebonden is geweest tijdens zijn leven, zal in een volgend leven juist iemand zijn, die naar alle richtingen tegelijk probeert te ervaren. Dat is bijna onvermijdelijk.
Heb je die eigenschappen, dan kun je daar niet veel aan doen, maar je kunt ze wel gebruiken en wel door elke belangstelling vergezeld te doen gaan van een ogenblik van leren. Dus hebt u interesse voor honden, leer daar dan wat van. Over hun ontstaan e.d. Hebt u interesse voor vogels, ga dan de voorgeschiedenis en de verzorging eens na. Hebt u interesse voor vliegmachines,  vraag u eens af hoe ze geconstrueerd zijn, wat voor wetten ze hebben. Hier wordt kennis een element, waardoor zeer verschillende bestrevingen en waarderingen, die achtereenvolgens optreden toch samenvloeien tot één geheel: besef.

Dit besef geeft u aan de ene kant in de wereld de mogelijkheid om steeds bewuster te gaan reageren en betere resultaten te halen ondanks de wisselvalligheid van je bestreving, maar aan de andere kant – en dat is misschien nog veel belangrijker — helpt het je om een geestelijk besef op te bouwen, waarbij de gebondenheid in het geestelijk bestaan vermeden kan worden en gelijktijdig de te grote veelzijdigheid. Een afgeronde persoonlijkheid kan ontstaan en in een volgend leven zal meestal een harmonische persoonlijkheid met een zeer grote algemene ontwikkeling, een grote belangstelling voor anderen, levenden en verschijnselen ontstaan. De persoonlijkheid zal in dit leven dan ook heel waarschijnlijk tot verschillende bereikingen van geestelijke en materiële aard komen. Vaak mensen, die gelijktijdig filosoof en uitvinder zijn.
Er zijn meer voorbeelden te geven, maar als u probeert na te gaan hoe u zelf op die wereld reageert, wat u op die wereld verwerpt, wat u in die wereld doet of u vaak van denkrichting, van smaak e.d.  verandert, dan kunt voor uzelf een klein beetje uitmaken wat u bent. Zoek dan naar een punt, dat alle facetten samenvat. Een denkwijze of een begrip, waarin dit alles aanvaardbaar en mogelijk is. Probeer dit denken emotioneel te versterken en u zult ontdekken, dat uw eigen geest sterker in u werkzaam is, dat uw besef een groter deel van de kosmos en de wereld gaat omvatten en daarnaast – maar dat merkt u waarschijnlijk pas wanneer u overgaat – dat u hierdoor veel meer van de geestelijke werelden kunt aanvaarden en omvatten en als zodanig, wanneer incarnatie nodig is, ook een juister en meer voor u passend voertuig kunt vinden.
Volgende keer gaan wij verder met de menselijke psyche en met de mogelijkheden, die daar vooral geestelijk aan vastzitten. Na de pauze krijgt u een spreker, die u minstens vier maal in deze cursus zult ontmoeten met lezingen, die gebaseerd zijn op het zgn. op twee niveaus werken. Er zal enerzijds een direct telepathisch-emotionele afdruk worden gegeven, anderzijds zal een betoog worden opgebouwd.

Tweede deel

Wanneer wij ons bezighouden met esoterie en wanneer wij proberen een innerlijke waarheid te vinden, worden wij voortdurend geconfronteerd met de moeilijkheden van een menselijk en redelijk denken. Er zijn vaak geen woorden te vinden voor de werkelijkheid, die in jezelf bestaat en daarmee is het ook zeer moeilijk geworden om over dergelijke dingen te spreken. Maar toch kunnen wij misschien enkele beelden ontwerpen, die in hun geheel voldoende zeggen.
In het wezen van de mens leeft een droom, Het is een wonderlijke droom, die niet helemaal geformuleerd kan worden. Er is iets in van een behoefte aan een onmetelijke liefde. Er is het gevoel ven een bescherming en een kracht. Er is ook het denkbeeld van vormen, scheppen en creëren. Dit is de werkelijkheid, waaruit de mens leeft. Wie in zichzelf afdaalt, kan menselijk opsommen wat hij allemaal heeft beleefd, doorgemaakt. Hij kan voor zichzelf de sferen en graden van inwijding opsommen, maar tenslotte ontbreekt er toch altijd weer iets. Het blijft altijd een beetje leeg totdat daar die droom van binnen gaat spreken.
Probeer een keer in jezelf te gaan en probeer een ogenblik niet te formuleren, niet redelijk te denken. De mens, die in zich wil gaan om esoterisch, om in zichzelf waarheid te vinden, die moet als een dichter de begrippen en woorden aaneenrijgen, die moet een vlechtwerk maken, waarin de emotie de formuleringen van de rede samenvoegt in een ritme dat niet meer redelijk is en toch veelzeggend op zichzelf. De mens, die in zichzelf gaat, vindt in zichzelf soms een vreemde duisternis. Het is alsof er in een donkere kamer een zwarte doodskist staat, een dreigende schaduw, waaruit de monsters tevoorschijn zullen komen die je in jezelf vreest. En het is in die duisternis dat de angst je naar de keel zou willen grijpen, tot het ogenblik, dat er ergens een kleine schemering van licht is en je wilt dat licht vinden. Maar dat licht is als een dwaallicht, het gaat links, rechts, naar boven, naar beneden enz. en waar je ook grijpt, je zult misgrijpen, totdat je de moed hebt om naar die doodskist te zien; die vreemde doodskist, waarin die vreemde monsters van leven liggen. En dan maakt het licht kenbaar de dingen die erin zijn.
Het zijn de dingen, die je moet verliezen. Het is dat, wat teloor moet gaan. En aanvaard je die beelden, dan gaan ze van je weg en i.p.v. een doodskist staat een bokaal, een graal, geboren uit het onaardse licht, waarin plotseling als een bundeling van goud en champagne krachten schijnen te bruisen, Zoek dan niet redelijk naar de waarheid en vraag niet: Waar is God? Laat je overspoelen door de tintelende vloed van vitaliteit. Laat jezelf doorwerken door krachten, die schijnen uit te grijpen met 10.000 haren voelend, grijpend, reorganiserend, totdat je zegt: hier ontstaat mijn nieuwe ik, mijn beeld, mijn werkelijkheid.
En wanneer je zegt; Dit is toch mijn werkelijkheid, dan is het als een spiegelbeeld. Je ziet jezelf en je treedt jezelf tegemoet. Je bent gehuld in een iriserend gewaad zonder vast vorm of structuur, alsof partikels van licht een jagend spel spelen in kleuren en een regenboog voor een ogenblik is neergedaald om werkelijkheid te omhullen, Kijk dan naar jezelf en in de vormen van licht worden gestalten geboren en uit die gestalten worden langzaam de droombeelden meer concreet. Het zijn vormen, die je herkent en die je op aarde toch niet zult kennen. Levens en werelden voegen zich tezamen tot dromen en dromen ontplooien zich weer en worden werkelijkheid,
Zie zo naar jezelf, Als je terugkeert, heb je kracht en wijsheid gewonnen. Je hebt dan misschien niet God ontmoet of jezelf ontleed, maar je hebt een werkelijkheid gevonden. Een werkelijkheid , waarnaar je kunt terugkeren, Vergeet niet, elke keer wanneer je terugkeert, is de eerste schrede weer die schrede in het duister. Altijd weer is er het monster dat je voorbij moet. Geen wachter op de drempel, maar eerder een confrontatie met jezelf, En elke keer weer is er het licht en elke keer weer zie je jezelf gespiegeld in iets, wat oneindigheid lijkt tot het ogenblik, dat je zover komt, dat je door de spiegel heen schijnt te stappen.
De oude boeken beschrijven hoe de wereld na de dood, een wereld met zuilen, galerijen, met wonderlijke trappen, met vreemde ruimten, die voeren naar een hof met 42 rechters. Zo wijds, zo wonderlijk lijken de lanen en dreven, waardoor je gaat, Bomen zijn tot steen geworden en steen schijnt te leven. Alles schijnt door elkaar te vervloeien en het licht erin wisselt met de kleuren, die in je gewaad wisselen. Ga dan rustig verder en gaapt er een afgrond voor je, ga verder, want ze is schijn. Weet dan voort te gaan, totdat de bomen geen bomen en de steen geen levende steen meer is en alles wordt tot een zachte gloed, die glanst en waarin je schijnt te verdrinken.
Wie dit punt bereikt hoort in zichzelf waarheid spreken. O, het is zeker de stem van het eigen ik die spreekt en langzaam komt er een koor van stemmen bij. De vele vormen, die je hebt gehad, de vele krachten, waaruit je bent opgebouwd, maar ook al datgene, waarmee je verwant en verbonden bent. Dan is je innerlijk een wereld; een wereld, die je in een ogenblik van verwondering ondergaat, terwijl ze in je doordringt en je niet meer wil verlaten. U zult terug gaan. Maar als je die droom in jezelf waar hebt gemaakt, heb je jezelf gevonden.
Esoterie kan nooit zijn een beredeneren. Het kan niet worden opgetrokken uit vele filosofische ideeën. Het is een creatief, dichterlijk beleven, waarbij het eigen  ik scheppend en herscheppend op den duur de vormen vindt, die de Schepper reeds heeft aangeduid. Zo leef je.
Misschien zoekt u naar  een inwijding, die u door vele poorten doet gaan. En de weg door die poorten is gemakkelijk genoeg, want in feite is het steeds dezelfde poort die je beschrijft, de poort die ligt tussen een aanvaarden en het niet aanvaarden. Die inwijding die u zoekt, krijgt pas werkelijk betekenis, wanneer daarachter een droom schuilt. Een droom, die eeuwig is. Een droom, die niet gebonden is aan tijd. De kleuren, de schemering, de glorie en de gloed, die je soms in die inwijding vindt, is betrekkelijk betekenisloos, tenzij ze wordt gemaakt tot deel van het kleurige gewaad, dat in levende kracht rond je ligt.
En de mens, die waarheid zoekt, zal ontdekken, dat hij gekleed is in kracht. En dat het deze kracht is, die rond hem bordurend, kristalliseert in vorm. Dat het deze kracht is, waaruit zijn problemen worden geboren en waaruit de antwoorden op die problemen eveneens voortkomen. Er is geen grens tussen uw werkelijkheid en die innerlijke werkelijkheid. Maar wie de wereld van vormen wil kennen en beheersen, die wil doordringen tot de realiteit, die ligt achter de schijn van vormen en opvattingen, die zal eerst in zichzelf moeten gaan.
In de oudheid heeft men de leuze gecreëerd: “Ken uzelf”. Ik zou willen zeggen, dat je jezelf niet zo gemakkelijk leert kennen. Want zelfs wanneer je de monsterlijkheden en de angsten in je hebt gezien, aanschouwd en zien wegdrijven, zelfs wanneer je je lichtende gestalte hebt gezien en de spiegel van waarheid; zelfs wanneer je door die schijn van spiegeling heen bent gedrongen naar een werkelijk gebied van levend licht, dan nog ken je jezelf niet.  Maar je moet jezelf zien.
De mens ziet alles, maar niet zichzelf. Hij zal alle waarheden kunnen zien en aanvaarden, maar niet zichzelf. Een mens kan steden en torens bouwen en tot de hemel gaan. De geest kan sterren creëren uit de gloeiende massa van de oerstof en planeten boetseren, die bevolkt zijn met wonderlijke wezens. Maar de mens herschept niet zichzelf. Daarom moet je in jezelf gaan. Daarom moet de droom, die je in jezelf draagt langzaam worden tot een werkelijkheid, waarin je aanvaardt wat je bent, waarin je de kracht erkent die je bent. Waarin je die waarheid in jezelf gebruikt als het enig werkelijk scheppende, waarmee je in wereld en sfeer ooit actief kunt zijn.
Zie jezelf en weet, dat dit het enige, is, waarmee je waarlijk scheppen kunt. Alles wat van jou is, kun je verliezen. Al wat met je is kan veranderen. Maar wat je zelf bent, is blijvend, is van jou. En wat je daaruit vormt is onvergankelijk, is deel van een tijdloosheid; die waarheid is.
Dichter te zijn bij de waarden van het eigen ik, is het werkelijk scheppen. Uiterlijkheden vergaan. Wanneer de bloem bloeit, verdort ze. En wanneer een planeet geleefd heeft, wordt ze tot een log wentelende steenklomp, een kolos zonder atmosfeer en zonder leven die langzaam weer zal vergaan, slijtend in de eeuwige ruimtewenteling of vergassend in een zon.
Alle dingen zijn vergankelijk, dat wat je bent, niet. Je leeft en het leven is de droom van je ware ik. Een droom, die hard is en werkelijk zolang je ze leeft, Het is een reeks van schijnvormen en problemen, waaraan je onderworpen bent, zolang je dat werkelijke ik niet eens hebt gezien en erkend. Maar ga verder. Zie jezelf en alle schijnvormen, alle jachtigheid van tijd. Alle vernietiging, ondergang, gebrek aan bereiken, drijft weg in de zekerheid: Ik bouw mijzelf en vanuit mijzelf bouw ik de eeuwigheid.
Laat uw droom niet zijn als een wand, die staat tussen u en de onmetelijkheid, waarvan ge deel zijt. Zoek in jezelf, maar zoek ook jezelf niet te begrenzen.
Er staat geschreven: “In het begin was het woord en het woord was uit God. En het woord was God”. Hoezeer omschrijft dit ook wat in ons geschiedt. In het begin is er ook voor ons het woord en het omschreven begrip. Maar op zichzelf is het betekenisloos, totdat wij beseffen, dat al ons begrip voortkomt uit de eeuwige kracht, die ook in ons bestaat.

En dan, wanneer het besef van de oneindigheid en de uiting die wij zijn, samenballen, dan is het waarlijk ook: het woord was God. Wij zijn deel van de kracht, die alle dingen doet leven. Onze droom is slechts een weg om om iets van die waarheid in 0nszelf te ontdekken.
Misschien hebt ge wel eens gedroomd in een abstractie van vormen en kleuren, waarin de verschietende kleurvlakken zelf bijna een roes veroorzaakten en een verdoving. En altijd weer zult u zich hebben afgevraagd: Wat betekent dit? Dat betekent niets. Dat is zoals God is, zoals leven is. Wanneer de bloem bloeit, zegt gij niet: Ze zal eeuwig bloeien. Wanneer ze verdort zegt ge niet: Ze zal nimmer terugkeren.
Want ge weet: Ze bloeit en verdort met de getijden van het jaar. Gij in uw vorm zijt als deze bloem. De uiterlijkheid van worden en vergaan is een ritme, dat u beheersen zal. Maar het leven van de bloem blijft. De werkelijkheid, die in u leeft, blijft.
Als kind draag je iets van de schitterende droom met je mee en soms zijn het kinderen, die ze zien, als je die droom gevonden hebt, dan verlies je hem misschien duizend maal, maar als je hem weervindt, al ben je honderd jaar, dan is het dezelfde droom, hetzelfde wezen, hetzelfde licht. Want wat in u is, verandert niet. Slechts uw besef verandert, uw uiterlijke vorm.
Hoe kan ik u laten voelen, hoe kan ik laten beseffen wat de innerlijke weg werkelijk betekent? Het is niet een gaan. Het is een haast onmerkbaar wegdrijven, waarbij het lijkt alsof je stilstaat in contemplatie, terwijl langzaam de wereld langs je vliedt. De innerlijke weg is de rust, die je vindt uit de veelheid van dingen en vormen. Die innerlijke weg is het gebed dat zijn woorden verliest en juist daarom God bereikt,
Het is moeilijk u dit duidelijk te naken. Want al wat ik u zeg over kleuren en schittering, het is niets anders dan de holle omschrijving van een leven en tintelende werkelijkheid. Wanneer ik u spreek over een graal vol bundelend, tintelend licht, dan geef ik u slechts aan, dat ge ergens een bron zult vinden, waar de kracht van de oneindigheid zich een ogenblik aan u openbaart. En dan moet ge die kunnen aanvaarden.
Wanneer het licht u verblindt, sluit de ogen, maar laat het licht in u doordringen. Kracht is iets, wat wij ontlenen aan onze werkelijkheid. Alle wilskracht die je hebt en alle lichaamskracht kan vergaan. Ze is vatbaar voor duizend en één dingen. Maar in jezelf heb je  soms een kracht die sterker is dan al het andere. Die overneemt wanneer je lichamelijk tekortschiet. Die overneemt, waar je kennis tekortschiet, Die a.h.w. je handen beweegt en je hersenen doet denken. Die kracht is niets anders dan de schemering van licht, waarin je jezelf kleedt, En hoe sterker het licht opleeft rond het erkende ik, hoe groter die kracht .
Gij zijt kracht. Ook dat is een esoterische waarheid. Gij zijt zonder tijd en het is de tijd die u voortjaagt. Maar zal de boom, die zich buigt in de herfstwind, treuren over een blad dat tijdelijk wordt meegesleurd? In zich leeft de boom, de sappen werken voort en terwijl de barre winterstorm nog raast, begint de eerste stuwing en de eerste vorming. Het blad wordt herboren.
Gij zijt een boom des levens, De vorm, die ge nu kent, is niets anders dan een blad dat zal afvallen en verwaaien in de wind. Maar gij zult misschien een ogenblik buigen voor de kille storm, een ogenblik bijna onder gaan zelfs in de tijdloze stroom van blad dragen en bloeien en de vreugde kennen van de zon en de zomer. Er is een werkelijkheid, die je pas in jezelf kunt beseffen. Wie denkt: Ik ben een blad, hij wordt door elke wind gejaagd, hij wordt vernietigd, verdroogt en valt ritselend neer om te vergaan tot humus. Wanneer u weet: Ik ben de boom; hij blijft verbonden met de aarde, waaruit hij voortkomt, hij grijpt met wortels uit naar de steen en chaos, die verborgen ligt en trots rijst hij op naar de hemel, om bloeiend steeds weer zijn dank voor het leven uit te drukken.

Wij zijn – indien wij onszelf erkennen – boom. Wij reiken vanuit het vreemd ongevormde tot de uiteindelijke vormloosheid. Wij doorschrijden alle vormen. Wij dragen als een boom in de takken de nesten van vele vogels, in ons de krachten van werelden en het besef van vele sferen. Maar belangrijk is, dat wij leven en dat wij staan op de wereld en reiken tot in het hoogste. Probeer jezelf te ervaren, wanneer je in jezelf gaat als een verbinding tussen begin en einde.
Waarlijk, God is het alfa en omega. Hij is begin en einde, maar wij zijn de lijn, die tussen begin en einde getrokken is. Wij zijn de band tussen begin en voltooiing. Zeker, wij zijn de demonie van alle ontworteldheid. Maar wij zijn ook de bekroning van besef en harmonische verbondenheid. Laat ons beseffen dat wij alle dingen in ons dragen. Wie in zichzelf gaat om te zoeken naar één enkele kracht of deugd – als een nugget begraven ergens in een oneindige woestijn van verpulverde rots — hij vindt zichzelf niet. En zelfs als hij zijn kostbaarheid vindt zal hij verdorsten. Wees een woestijn en laat de vruchtbaarheid van het leven u doordringen totdat u weer oase, weer bloeiende aarde zijt. Zoek niet naar het weinige dat in u moet leven. Aanvaard de totaliteit van wat gij zijt. Dat is innerlijk streven.
Het innerlijke pad is een wonderlijk pad. Altijd weer probeer je het terug te brengen tot de vormen waarin je leeft. Altijd weer probeer je het samen te voegen tot een reeks van gedachten , die een schone klank hebben, maar die geestelijk bezien slechts de schorre klank van een gebarsten klok voortbrengen. Denkbeelden zijn onbelangrijk bij een werkelijkheid, die niet geschapen is binnen het kader van menselijk denken. Kennis is, zo zegt de mens, een weg tot waarheid. Werkelijke kennis kan niet in woorden omschreven worden. Ze kan geleefd worden in jezelf en al hetgeen je er omheen hebt aan woorden en begrippen, stellingen en filosofieën, aan historie en toekomstverwachting, is niets anders dan het gesnipperd papier, waarin het kostbaar kristal van waarheid verpakt wordt. Maar het gaat om het kristal. Verzamel kennis zo ge wilt, maar begrijp, dat ze slechts daar is om waarheid te onthullen. Niet de waarheid zelf.
Er zijn mensen die zeggen: Alleen wanneer ik in mij waarlijk geloof, zal er in mij geopenbaard worden. Maar ik zeg u: Niets word u geopenbaard, dat niet in uzelf leeft. Niets dat niet in uzelf leeft kan waar worden, maar in u leeft de oneindigheid. In u is de totaliteit van bestaan. In u is dat woord en in u is zelfs – om een ander woord te gebruiken — het woord vlees geworden, zo ge beseft wat ge zijt.
Hebt ge geloof nodig, formules, om in uzelf te leven? Wie het pad in zichzelf vormt, wie  langzaam voort zoekt langs de donkere krochten van de angst naar het beeld van het werkelijke en lichtende ik, die voort wil gaan tot in de verbondenheden van het oneindige, hij zal moeten beseffen, dat elk geloof niet veel meer is dan een omhulsel, een scherm voor de waarheid. Hijzelf is het, die in hemzelf leeft.
Het is niet gemakkelijk om woordloze dingen in woorden te omschrijven totdat ze duidelijk worden. Het is ook niet gemakkelijk om in jezelf te gaan en de woordrechtvaardigingen voor de uiterlijkheden te verliezen, opdat de waarheid moge spreken. Maar dit kan ik u zeggen Wie waarlijk het innerlijk pad leert gaan, wie in zich de oneindige verbondenheid met al het Zijn kan ervaren, wie wetend en beschouwend zegt: Daar ben ik, dit ben ik; hij maakt uit zichzelf een levend deel, dat in onverbrekelijke kracht uit de oneindigheid, in tijdelijke vorm, de onleesbare, onspreekbare taal van de enige werkelijkheid insluit,
Dromen in aardse zin verwaaien. Wetenschap sterft. Uw gedachten gaan onder. Maar wat ge in uzelf draagt, in welke vorm ge ook tracht door te geven, zal bezield kunnen zijn door het licht, waarmee ge bekleed zijt. En wanneer de vorm teloorgaat, zal het licht verdergaan. U bent niet alleen; wie het innerlijk pad gaat, moet dat leren beseffen.
De meesten blijven aarzelend staan in de duistere kamer van de angsten. In de aarzelende confrontatie ook met iets, dat ze dan zien als demon, omdat ze niet willen erkennen: dit ben ik zelf. Als je verdergaat, ben je niet alleen. Want levend is het licht, dat je omkleedt. Wanneer de vorm misschien later smelt en het levende licht de enige werkelijkheid wordt, waarin je leeft en denkt, ben je verbonden met alle dingen. En die verbondenheid ken je op aarde. Vormen gaan voorbij, tijden doven uit als kaarsen, die bijna opgebrand zijn. Maar de werkelijkheid is onvergankelijk, niet te omschrijven, levend. En daarom zeg ik u: Wanneer u die innerlijke wereld gaat, weet dat u – zodra u uw angsten kunt aanschouwen tot zij voor u vluchten – nimmer meer eenzaam zult zijn. Dan zal de verbondenheid waar worden. De verbondenheid, waarover ik mogelijk een volgend maal met u zal spreken.
Ik heb nu getracht u iets te zeggen over het innerlijk pad. Iets te zeggen van de waarheid, waarin je leeft. Ik heb het gedaan in beelden en beredeneringen, waarvan ik zelf weet, dat ze soms tekortschieten. Ik heb getracht u iets van mijn gedachten te geven, Ik heb getracht u iets te laten voelen van de stilte, van vreugde die bestaat, wanneer je jezelf aanvaardt. Meer kan ik helaas niet doen,
Maar wanneer u in uzelf waarheid zoekt zal deze vorm overbodig zijn en zal – wanneer u nog niet zo ver bent, dat u uzelf kunt zien in een spiegel van waarheid – dan zal alleen het gaan op het innerlijk pad reeds mogelijk maken, dat de waarheid resoneert achter de helaas onvermijdelijke uiterlijkheid van woorden.
Ik hoop, dat ik u iets heb kunnen geven van de waarheid, die ik leef.
Ik dank u, dat u met mij verbonden bent geweest, Ik wens u toe, dat u de verbondenheid en de waarheid in uzelf kunt vinden.

image_pdf