De mogelijkheden van interplanetair reizen

19 juli 1956

De mogelijkheden van interplanetair verkeer die deze avond onze bijzondere aandacht hebben, zijn op aarde thans nog niet ver ontwikkeld. Allereerst bestaat er voor de aarde de grote moeilijkheid materialen te vinden die in staat zijn de grote wisseling van felle temperatuur en grote koude volledig te doorstaan. In de tweede plaats zien wij de moeilijkheid om in een praktisch vacuüm een redelijke atmosferische druk te handhaven. Ook dit betekent qua constructie een grote moeilijkheid. Ik hoef dan nog niet eens te spreken over de wijze van aandrijving, waar op het ogenblik de pas ontwikkelde stoffen – raketbrandstoffen – over het algemeen niet van zodanige geaardheid zijn dat met deze raketten van een regelmatig interplanetair verkeer kan worden gesproken, zelfs niet van de mogelijkheid daartoe. Maar goed, alle ontwikkeling is moeilijk en wij willen aan het begin van deze avond voorlopig aannemen dat men dergelijke moeilijke feiten technisch zal weten op te lossen.

Dan krijgen we de grote moeilijkheden die bestaan bij het uittreden uit de aardatmosfeer. Deze gevaren zijn vooral groot omdat de bewoners van deze aarde nog niet beschikken over materialen die in staat zijn een zeer grote, en gedurende enkele uren permanente, inslag van kosmische stof geheel te ontwijken.

Wat kosmische stof is? Wij kunnen dit het best formuleren als de kleinste partikels die door de ruimte zweven. Ze zijn zo klein dat een korrel zand er soms nog groot bij is, maar ze hebben een enorme versnelling, waar zij reeds met enige snelheid in hun baan gekomen – bijvoorbeeld door een explosie – zich door de ruimte bewegen en nu, aangetrokken door de aarde, zich naar die aarde toe bewegen met een aanmerkelijke snelheid. Deze snelheid wordt vergroot waar de eigen snelheid van een uittredende raket natuurlijk noodgedwongen tegengesteld moet zijn. Dit betekent dat de doorslagkracht zeer groot wordt en op deze wijze de proef van vastheid waaraan het materiaal wordt onderworpen wel zeer zwaar is.

Elke aardatmosfeer, of beter gezegd elke wereldatmos­feer, draagt rond zich een zone die wij als zeer gevaarlijk zouden willen aanduiden. Hierin bevinden zich alle meteorie­ten en stofjes die worden aangetrokken en die zich hoog in de stratosfeer tot een soort van laag hebben vergaard, waar­bij sommige rond de aarde blijven bewegen, andere langzaam vertragend neerslaan in de aardatmosfeer. Deze deeltjes zijn klein, zeker, want een meteoriet van de grootte van een gewone hazelnoot geeft reeds bij verbranding een klein lichtend spoor. Dergelijke komen er niet zo veel voor, ofschoon er perioden zijn dat meer dan normale zwermen van deze grotere meteorieten zich in de richting van de aarde bewegen. Ook buiten de aarde vinden we verschillende banen waarop dergelijke vreemde ruimtelichamen zich bewegen. Deze banen zijn te berekenen en zullen op den duur waarschijnlijk in kaart worden gebracht, zoals men op de zeeën op het ogen­blik riffen, klippen en zandbanken weet te registreren. Maar het gevaar dat voor de beginners bestaat is natuurlijk zeer groot.

Dan komt er nog iets bij. Om een redelijke ruimtevaart te doen plaatsvinden zal men levenscondities moeten scheppen waaronder een mens kan blijven voortbestaan. Nu blijkt ons dat, wanneer iemand langer dan zes à zeven uur onder een zwaartekracht van 0,1 tot 0 graviteit verkeert, zijn organen anders gaan werken. In uw lichaam is alles gebaseerd op chemische werkingen, waarbij zowel capillaire werkin­gen als zwaartekrachtwerkingen meespelen in uw proces van spijsvertering, bloedsomloop en dergelijke. Het wegvallen van deze zwaartekracht zal dus lichamelijk reeds een grote omstel betekenen. Indien wij alleen berekenen hoeveel groter de krachtsverbruiken worden door de peristaltische beweging bij voeding, in een ruimte waar geen of praktisch geen zwaartekracht aanwezig is, dan kunnen wij begrijpen dat het niet meer mogelijk is om van een normaal leven of levensmogelijkheid te spreken. Een mens die zich langer in de ruimte zou bevin­den – en voor de eerste reis moeten we toch wel enkele maan­den aannemen – zou op deze wijze, zo hij al blijft leven, gedu­rende langere tijd ongeschikt zijn om terug te keren tot de aarde, vanwaar hij is uitgegaan.

Deze bezwaren zijn alle misschien nog klein, maar er zijn nog andere bezwaren. Nemen wij het probleem van kosmische stra­ling. Die straling is niet zo dat zij dodelijk is. Alleen in en­kele zones bij de zon kunnen wij spreken van een kosmische straling van zodanig grote kracht dat hier voor een mens, voor een dierlijk organisme, een absoluut dodelijke zone bestaat. Daarbuiten echter kan deze straling toch zo sterk voorkomen dat ook hier weer weefselveranderingen: steriliteit, genetische veranderingen optreden. Ook dit is moeilijk af te schermen. Een raket die onder de huidige omstandigheden zou moeten starten met een bemanning zou niet in staat zijn om voldoende af­scherming mee te nemen. Men is met de elektrotechnische wetenschappen op aarde nog niet ver genoeg om in staat te zijn een elektrisch veld te scheppen dat deze straling volledig afbuigt. Anderen – ik zal daarover zo dadelijk nog spreken – hebben dit reeds wel tot stand gebracht.

Dan – we zijn nu toch bezig met de moeilijkheden – zijn de verschillen in zwaartekracht lastig. Het overwinnen van de zwaartekracht, wanneer men bijvoorbeeld zou gaan van Venus via Aarde naar Mars, brengt betrekkelijk grote bezwaren met zich mee. Niet elk lichaam heeft voldoende veerkracht om zich daar onmiddellijk op in te stellen. Zou men in staat zijn langs mechanische weg een geleidelijke aanpassing aan die zwaartekracht gedurende de hele reis tot stand te brengen, dan zou hier verder van geen bezwaar kunnen worden gesproken, maar de bewoners van de aarde kunnen dit tot nu toe niet.

Dan heb ik nog niet eens gesproken over de psychologische gevaren die de ruimtevaart evenzeer in zich bergt. Gewichtloos zijn betekent voor de mens de illusie hebben voort­durend te vallen. De val is vanuit oude tijden – een soort ata­visme – de grote vrees van de ex-boombe-woner die tegenwoordig mens geworden is. Het resultaat is begrijpelijk. Iemand die onder deze condities zou leven, zou waarschijnlijk gek worden voordat de organische afwijkingen duidelijk kenbaar worden. Het is dus noodzakelijk om zwaartekracht te scheppen, maar hoe kan men deze scheppen wanneer de aarde op het ogenblik nog niet zo ver is dat men haar heeft weten te ontleden in haar eigen factoren en haar heeft weten terug te brengen tot een samenspel van magnetische en elektrische krachten.

Daar staan we dan. We moeten gaan spreken over interplanetair verkeer. En gelijktijdig moeten we toegeven dat de middelen van de aarde daarvoor niet voldoende zijn. Wat zou de aarde dan nodig hebben om tot een interplanetair verkeer – ik spreek nog niet eens over interstellair verkeer – te kunnen komen?

Allereerst: men zou de beschikking moeten hebben over raketten die – zonder schade op de landingsplaats aan te richten – een hoogte kunnen bereiken, groot genoeg om bij een ruimtestation te komen (dat is een noodzaak) dat de aarde omcirkelt met een graviteit van ten hoogste 0,3 (dat is te bereiken). Vanaf dat gebied in de vrije ruimte kunnen andere motoren worden gebruikt. Dit betekent echter dat ook een ruimtestation zou moeten worden gebouwd.

De constructie daarvan in de ruimte is betrekkelijk eenvoudig. Heeft men de onderdelen met een voldoende snelheid gebracht op het gebied waar men ze hebben wil, dan kan men ze gewoon loslaten en later eventueel met een soort kleine sleepbootjes bij elkaar halen. De montage zou ook makkelijk zijn als men over goede ruimtepakken zou beschikken.

Nu kent de aardse fictie wel ruimtekleding en zelfs in de praktijk is er op aarde kleding ontworpen waarbij men in zeer hoge luchtlagen zich nog kan bewegen. U weet wel, deze kostuums bestaan uit druk gevende slangen die het lichaam op de juiste wijze omvatten en zo de explosie van de aderen voorkomen. Maar dat alles is niet voldoende.

Een ruimtepak zou moeten beantwoorden aan de volgende eisen: in de eerste plaats moet men daarin redelijk beweeglijk zijn en alles redelijk kunnen hanteren. In de tweede plaats moet er een mogelijkheid zijn tot zien. ­ U denkt misschien dat het eenvoudig is, dat dit kan worden opgevangen door een lens van kwarts, maar dat is niet helemaal waar. Kwarts zou in de eerste plaats in de buurt van de aarde onge­twijfeld zeer snel dof worden en daarbij broos en breekbaar, dit onder de invloed van de koude. In de tweede plaats zou een lens van kwarts – zelfs indien ze doorzichtig zou blijven – een te groot verlies van warmte betekenen. En wij kunnen ons geen warmtegenerator voorstellen die groot genoeg is om een kostuum te verwarmen dat voortdurend naar buiten toe zeer veel calorieën afgeeft.

Dan verder: een dergelijk ruimtepak moet voorzien zijn van de nodige middelen om zich zelfstandig voort te bewegen indien actie moet worden ondernomen op enige afstand van het voertuig of het werkstuk waar men bezig is. Het moet in staat zijn om – zo men eenmaal verloren gaat – door enige navigatie weer terug te kunnen keren tot het punt van uitgang. Al deze feiten brengen met zich mee dat een ruimtepak – zo het al te ontwerpen is -wanstaltiger zou worden dan de grootste diep­zeeklokken die op het ogenblik worden gemaakt. Het zou zeker betekenen dat een dergelijk kostuum zwaarder is dan op het ogenblik redelijk toelaatbaar is, want men zou dan de eerste ra­ket – aannemende zelfs dat men slaagt met een drietrapsraket – volledig automatisch moeten besturen en in omloop brengen met ruimtepakken en één man, en de volgende raket zou dan de manschappen moeten brengen, die hun ruimtepakken dan vanuit het eerste vaartuig zouden moeten ontvangen. U begrijpt, de kosten daarvan zijn enorm en de technische mogelijkheden betrek­kelijk klein.

Maar goed, nemen wij aan dat men slaagt om een ruimtestation te bouwen, dan moet men komen tot een redelijke naviga­tie. Dit betekent dat men – buiten de aardatmosfeer in de gelegenheid zijnde beter te observeren – eerst moet komen tot een volledig nieuw astronomisch inzicht, waarbij de onderlinge baan­berekening der sterren en planeten veel juister en nauwkeuriger is dan tot nu toe het geval is.

Dit betekent verder dat bij een koers die voorlopig grotendeels zal moeten verlopen via de zwaartekracht (ik geloof niet dat men in staat is – zelfs bij aanwending van atoomkracht -motoren te bouwen die gedurende de hele reis drift en rem­ming kunnen geven) wij dus rekening moeten houden met een zeer nauwkeurige navigatie, waarbij de banen door de onderlinge spe­lingen van de zwaartekracht worden bepaald en dat zij – dit is ook nog wel een grote vraag of men dat zal kunnen – zo juist zal moeten worden berekend dat de raket iets voor de planeet op een bepaalde plaats is, want het is noodzakelijk om tot een remming te komen. Deze remming krijgt men door een afbuiging. Komt men achter de planeet aan, dan is de vertraging inderdaad aanmerkelijk groter, maar gelijktijdig is de aantrekkingskracht van de planeet veel groter. Door een tegengestelde richting te kiezen, als het ware in de ruimte te keren en de planeet tegemoet te gaan, kan aanmerkelijk aan kracht worden bespaard.

Goed, aannemende dat men dit alles kan, wat kunnen de planeten ons dan bieden? Venus is op het ogenblik een planeet die omringd wordt door een atmosfeer van betrekkelijk hoge temperatuur waarin vele metaalgassen voorkomen. Deze te doorbreken be­tekent een nog veel gevaarlijker avontuur dan het verlaten van de aardatmosfeer. Komt men daaronder, dan vindt men daar inder­daad een behoorlijke plantengroei, maar een atmosfeer die niet gelijk is aan die van de aarde. Er zijn aanmerkelijke verschillen. Dit houdt in dat een aarde-­mens daar niet zonder de nodige kostuums en bescherming zich kan bewegen.

Verder wordt de planeet geteisterd door grote stormen. Deze stormen omlopen voortdurend de planeet en gaan gepaard met een hevige regenval. Deze regenval bevat enkele zuren die vele van de op aarde gebruikelijke sterke stoffen zouden kun­nen aantasten. Daar zou men ook een oplossing voor moeten vinden.

De producten daar? Ach, de producten die er zijn, zijn kostbaar. Venus levert medicamenten die ook op aarde bruik­baar zouden zijn. Venus geeft ons verder de mogelijkheid tot verwerving van een nieuw soort brandstof – die overigens op Venus zelf gebruikt wordt – en de hier door implosie der klein­ste delen ontstane elektrische energieën zijn van een zodanige grootte dat daarmee inderdaad nieuwe ruimtevoertuigen zou­den kunnen worden uitgevoerd die interstellair zelfs moge­lijkheden in zich dragen.

Mars? Mars, een kale zandvlakte Een paar ruïnes. Ruïnes die u eerst zou moeten opgraven. Enkele diepe dalen waarin een redelijke plantengroei is. Het leven op Mars echter is – ook al de laatste tijd dat de eigenlijke Marsbewoners daar nog leefden – een voortdurend trekkend leven geweest. De plantengroei verplaatst zich snel, ze is laag, ze berust op andere­ omzettingen dan op aarde gebruikelijk zijn. De planten daar ma­ken bijvoorbeeld gebruik van een metaalomzetting, waardoor onder andere hun roestrode kleur wordt verklaard. De atmosfeer is zeer dun. De hoogvlakten worden ook voortdurend gezweept door een ijle storm, die op zichzelf voor een aardemens niet lastig is, maar die het verpulverde fijne zand dezer hoogvlakte voortdurend tot grote hoogte opjaagt. Het is niet gemakkelijk om daar te wonen.

De mogelijkheden daar? Er is daar uranium te vinden, zij het niet veel. Er zijn verschillende metalen te vinden en in de plantengroei enkele elementen die op aarde nog niet zo bekend zijn. Verder vinden we er moleculair ietwat anders gebouwde metalen en gesteenten dan op aarde voorkomen. Kristallen zijn er wel te vinden en die zouden misschien heel kostbaar kunnen zijn. Kristallen van verschillende geaardheid vinden we inderdaad op Mars. Ze zijn groot, dragen innerlijke spanning. Het is echter de vraag hoe zij zich zouden houden onder de omstandigheden die men op de aarde en in de aardatmosfeer vindt.

Moeten we verder gaan spreken? Moeten we gaan spreken over Saturnus met zijn vreemde ring, die als een diabolische sikkel iedereen bedreigt die zou trachten er te landen? Moeten we spreken over Jupiter, met een zwaartekracht zo groot dat geen enkel op aarde gebouwd voertuig in staat zou zijn er te landen? Moeten we misschien over de manen gaan praten, bijvoorbeeld over Phobos? We kunnen dat natuurlijk doen, want de mogelijkheid tot verkeer bestaat hier. Maar het rendabel zijn daarvan, zoals men zich dat op aarde voorstelt, is op het ogenblik zeer discutabel.

Ik hoop u hiermee duidelijk te hebben gemaakt dat interplanetair verkeer op aarde op het ogenblik nog wel heel wat haken en ogen kent. Wij zouden dan ook ongetwijfeld er niet toe ko­men een dergelijk onderwerp au sérieux te behandelen, wanneer niet een ander ras de ruimtevaart reeds voldoende beheerste. Ik hoop dat u zich niet ergert wanneer ik hier ga spreken over de bekende vliegende schotels.

Dat die vliegende schotels – dit stuk ontbijtservies dat men daar irreverent door de lucht meent te zien zwe­ven – natuurlijk een betrekkelijk vage omschrijving is, zal duidelijk zijn. Echter, er bestaan voertuigen en deze voer­tuigen komen voort uit een ras dat erin geslaagd is zo­wel de woestenijen van Mars als de vreemd tropische gebieden onder een loodgrijze hemel van Venus te beheersen. Zij zijn oorspronkelijk geen inwoners van dit zonnestelsel. Zij komen van veel verder af en ze hebben zeer zeker – een prestatie die de aarde hen nog niet kan nadoen – niet alleen deze paar planeten bezocht, maar kennen elke planeetje, elk maantje in het hele zonnestelsel. Hoe zij dan in staat zijn tot zaken die de aarde op het ogenblik nog niet volbrengen kan?

In de eerste plaats zou ik u dan moeten wijzen op eigen­aardigheden van dit ras. Wij kunnen hen gevoeglijk mensen noe­men ofschoon men – zeker van medische zijde – dit mens‑zijn zou verwerpen op grond van bepaalde eigenschappen en kwali­teiten in het lichaam. Er is sprake van een bewustzijn onge­veer gelijk aan dat van een mens, maar met een veel hogerstaand moreel besef. De maatschappelijke vormen zijn anders, de opvat­tingen zijn anders. We mogen dus niet verwachten hier een spie­geling te vinden van een aardse beschaving na bijvoorbeeld 2000 jaar. We moeten dit inderdaad zien als een geheel nieuw soort mens die kwaliteiten, die op deze wereld verloren zijn gegaan rond de tijden van Atlantis, in zich hebben behouden en sterk ont­wikkeld. Hierdoor komen zij bijvoorbeeld tot een oplossing van de communicatiemethoden, waar sterk telepathische werkingen voor korte afstanden voldoende zijn. Daarnaast zijn er apparaten ont­worpen die alleen door het overdragen van zeer hoge trillin­gen als het ware gedachtenbeelden superimposeren op de hersenen van de toehoorder, mits die daarvoor geschoold is.

De voertuigen worden voortgedreven door de grote kracht­lijnvelden die zich door de gehele kosmos bewegen. Hier is een feit dat de aarde nog raadselachtig voorkomt. Hoe dich­ter een dergelijk voertuig de zon nadert, hoe sterker de afweer van het voertuig tegen de zon wordt, want de zon zelf geeft de kracht waardoor het voertuig de zon overwint. Alleen wanneer een dergelijke motor – zo we althans nog van een motor mogen spreken – zou bezwijken, zou een dergelijk voertuig het slachtoffer kunnen worden van een planeet of van een zon.

De aandrijving is elektromagnetisch en gebaseerd op een éénpolig magnetisch stelsel. Iets wat op aarde raadselachtig is, ofschoon er waarschijnlijk zo hier en daar al eens over is gesproken en ermee geëxperimenteerd is. De tweede pool wordt namelijk geprojecteerd en deze projectie van de tweede pool schept dan buiten het voertuig een soort van lens, waardoor krachten worden geconcentreerd op een deel van het voertuig, waar een ring van bepaalde stof elektrische krachten aan onttrekt. Zouden deze krachten alleen maar onttrokken worden, dan zou het voertuig zeer snel exploderen door een te veel aan kracht. Het is echter in staat om deze krachten gelijktijdig door een tweede ring weer van zich uit te werpen. Hiermede werpt het rond zich een zodanig sterk veld dat het elk klein partikel dat er binnen komt, doet afkaatsen. Dus geen gevaar voor meteo­rieten, tenzij met een zeer grote massa, geen gevaar voor kos­misch stof. Ja, zelfs haast geen gevaar voor de verhitte gas­deeltjes die de bescherming vormen van Venus. U ziet, de moge­lijkheden zijn groot.

De vormen zou u graag willen weten? Ach, er zijn er verschillende. We kunnen over het algemeen zeggen dat elk voertuig gebaseerd is op sferische lijnen. De meest voorkomende grote voertuigen zijn eivormig, soms ook wat meer Zeppelin‑vormig, dus bijna sigaarachtig. De allergroot­ste voertuigen, die echter niet gebruikt worden voor inter­planetair verkeer, zijn zuiver bolvormig. De verkenningsschepen die uitgestuurd worden, zijn op aarde bijvoorbeeld in vier vormen waar te nemen.

In de eerste plaats de klok, in de tweede plaats, wat u waarschijnlijk evenals de klok ook schijf zult noemen, de dubbele bol. Dat is een bol waarin zich een bol bevindt met een aparte rotatiesnelheid. Daardoor ontstaan bepaalde velden. Ten derde een sigaarvormig voertuig dat zich binnen de atmosfeer ongeveer gedraagt als een raket, dus zich door zijn eigen snelheid boven de aarde beweegt en niet in staat is, zoals beide voornoemde, praktisch stil te blijven staan. En dan een vierde vorm die ik de paddenstoel zou willen noemen. Deze bestaat namelijk uit een tonvormig middenstuk met een daaromheen roterende rand waarin apparatuur en motoren zijn ondergebracht. Dit zijn echter kleine vaartuigen en zij maken over het algemeen geen vluchten die verder gaan dan ten hoogste de afstand aarde‑maan. Dat is wel hun maximumafstand.

Deze ruimtevaart blijkt dus mogelijk te zijn. Het blijkt mogelijk door te werken met elektrische krachten, met magnetische krachten, niet alleen de ruimte te bedwingen, maar meer nog de gevaren van de ruimte sterk te minimaliseren. Men heeft verder daar nog processen gevonden om de grote gevaren van benadering van de lichtsnelheid – iets wat theoretisch althans gemakkelijk kan voorkomen wanneer men zich in de ruimte beweegt – tot nul te­rug te brengen. Hierover wil ik u desnoods zo dadelijk wel eni­ge inlichtingen geven, dan moet u dat maar even vragen.

In feite heeft men verder geleerd om het grote bezwaar: geen zwaartekracht of variërende zwaartekracht, in deze voer­tuigen op te lossen. Dit alweer door het eigen veld dat ze origineren. Hierdoor ontvangt namelijk het voertuig een eigen im­puls. Deze wordt van de buitenste rand uit in draaiing omgezet. Deze draaiing schept een middelpuntvliedende kracht die aan het binnen het voertuig gelegen gedeelte een eigen zwaarte­kracht geeft. Waar deze draaiing kan worden gevarieerd ten opzichte van elke planeet waar men zich bevindt, is het mogelijk door een richten van deze snelheid, door een richten van de rotatie, te allen tijde een gelijke te behouden. Hoe groot die mogelijkheden zijn, zal u blijken wanneer ik u vertel dat een dergelijk voertuig in staat is met snelheden van ongeveer 10.000 km per uur een hoek van 90° te maken, zonder dat daar­bij een aanmerkelijke druk op de inzittenden wordt uitgeoefend.

Instrumentarium? Het instrumentarium van de kleine vaartui­gen is zodanig ingericht dat hier inderdaad nog van een hand­besturing kan worden gesproken. De grotere voertuigen maken echter gebruik van een methode die u waarschijnlijk telekinese zou­ noemen. Men heeft namelijk geleerd dat het in harmonie zijn van be­paalde mensen en een juiste wijze van gebruikmaking van kristal­len – vandaar dat ik het had over de kristallen op Mars – een richten en versterken van menselijke gedachten mogelijk maken en zo – mits een kleine voorspanning op het kristal is aangebracht – dit kristal kan doen fungeren als een soort bestuurder. Men hoeft daar dus alleen te zitten en te denken. De gedachte zelf, gericht op het juiste kristal door concentratie, is dan voldoende om alle werkzaamheden door machines verder te doen verrichten.

Men is daar indertijd toe overgegaan, omdat bleek dat handbediening grote bezwaren met zich bracht. Er kunnen namelijk condities ontstaan waarbij één van de aanwezigen, of meerdere  aanwezigen, niet in staat zijn om met de hand iets te be­dienen. Denkt u eens aan een versnelling van, laten we zeg­gen 4 of 5 keer de geluidssnelheid, meer niet. Gedurende deze versnelling krijgt men al het gevaar van de zogenaamde black­-out. Dat wil zeggen: een overbelasting van de hersenen, te grote bloedstuwing, te grote spierspanning. Als resultaat: bewusteloosheid en zelfs indien enig bewustzijn blijft, haast altijd een onvermogen om meer dan zeer minieme bewegingen te volbrengen. De gedachte echter is niet hieraan onderdanig. Het resultaat is dan ook dat men de gedachte heeft gebruikt. Voordat men tot deze oplossing kwam, maakte men wel van ge­luid gebruik, waar bepaalde klanken dezelfde resultaten in kristallen en ook in bepaalde zeepachtige glazen bollen tot stand konden brengen.

Ik hoop dat dit alles u niet klinkt als een hoop humbug. Het is het niet, dit is werkelijkheid. Het is zelfs zo werke­lijk dat de bewoners van Mars en Venus – want ze hebben daar koloniën al zijn het dan ook geen grote – op het ogenblik zelfs een basis hebben gevestigd op uw maan. 0, een kleine basis en op een plaats waar de aarde ze niet makkelijk zal waarnemen, maar toch een basis. Een basis van waaruit deze aarde voort­durend wordt geobserveerd.

Wanneer dit alles mogelijk is, zou ik als eerste vraag op deze avond willen poneren: Is het mogelijk dat de aarde – misschien dankzij de gegevens door deze anderen verworven – in staat zal zijn de ruimte op redelijkerwijze dan thans is ontworpen te overwinnen? Mijn antwoord hierop is: ja. Ik geloof dat binnen vijftig jaren de aarde ook deze systemen zal hebben ontdekt en daarmee haar eerste en grote moeilijkheden zal hebben overwonnen.

De tweede vraag is: Brengen de ontwikkelingen die zich thans op aarde voordoen, vooral ten aanzien van raketbouw, met zich mee dat men op aarde in staat zal zijn naar andere planeten te rei­zen? Mijn antwoord is: definitief niet, om de volgende redenen.

In de eerste plaats kennen deze raketten, zoals ze thans worden afgeschoten, een zodanig grote versnelling dat hierbij voor het menselijk organisme een zware belasting optreedt. Deze belasting zou zodanig zwaar zijn dat een gedeelte van het denkvermogen, het psychisch vermogen van de mens, daardoor geschaad zou kunnen worden.

In de tweede plaats is afremmen en terugkeren tot de aarde voor de bekende raketten van het ogenblik nog niet moge­lijk, zij het dan door de op zichzelf gevaarlijke methode van lichte baanverandering, laatste baanimpuls en parachute als rem. Wanneer u weet dat de laatste marine raketten die afgeschoten zijn in de Verenigde Staten een remmingssysteem gebruiken om tenmin­ste de betrekkelijk kleine, nog geen zeventig kilogram wegende gondel waar­in de instrumenten zijn opgesteld, veilig op aarde terug te bren­gen, hierbij zes raketten achtereenvolgens afschieten om de rich­ting te veranderen en de snelheid te remmen, daarna vier parachutes achtereenvolgens uitlaten langs mechanische weg en, behalve in twee gevallen, alle volledig waren verscheurd, dan zult uit u wel begrijpen dat de moeilijkheden nog zeer groot zijn.

De hoogte die op het ogenblik bereikt wordt met de nieuwste raketten, in Rusland zowel als in de Verenigde Staten, ligt tussen de 500 en 600 mijl boven het aardoppervlak. Dat wil zeggen: inderdaad tot aan de uiterste grenzen der strato­sfeer, maar nog niet in de werkelijke ruimte. De raketten die dergelijke hoogten bereiken, komen over het algemeen niet of zeer verminkt terug. Proeven met levende wezens die genomen zijn, werden genomen met een betrekkelijk geringe ver­snelling. En zo zijn onder andere marmotten, apen, honden, zelfs een jonge geit gebracht tot hoogten die over het algemeen de 250 mijl niet overschrijden.

Om een raket te bouwen die in staat zou zijn om een mens met de nodige uitrusting vrij te maken van de zwaarte­kracht van de aarde zou men op het ogenblik nog een vier- tot vijftrapsraket moeten bouwen. Een vier- tot vijftrapsraket, is niet rendabel, waar de verhoging van gewicht niet evenredig is met het gewin aan stuwkracht. Een drietrapsraket ontwerpen die met bemanning en instrumenten – al is het ook maar met één persoon – vrij zou komen van de zwaartekracht is op het ogenblik nog niet mogelijk.

Het gebruik dat men op het moment maakt van verschillende gassen, onder andere met zuurstoftoevoeging en zeer gevaarlijke en bijtende vloeistoffen ter verbranding, blijkt ook niet ge­heel redelijk te zijn, want ofschoon dit ongetwijfeld nooit is gepubliceerd, blijkt dat helium en zuurstof een gro­te dichtheid verkrijgen, maar gelijktijdig ook vaak weigeren hun inhoud als gas vrij te laten op een hoogte van 150 mijl. De zuren – zelfs wanneer zij in de thans gebruikelijke met keramische voe­ring beklede tanks worden vervoerd – blijken door te vreten en te lekken zodra de temperatuur lager wordt dan ongeveer 100°. De inbouw van de nodige verwarmingselementen betekent echter dat de nuttige draagkracht van de raket praktisch tot nul wordt gevoerd. Daar heeft u de huidige stand van zaken.

Ontwerpen zoals die thans gemaakt worden in Rusland tonen ons aan dat men dan ook in een nieuwe aandrijving heeft voor­zien. Men meende hier een nucleaire aandrijving te kunnen gebrui­ken en heeft deze motoren onder andere reeds beproefd voor aandrijving van tractoren, een trein en zelfs een auto. Deze kleine motoren echter zaaien betrekkelijk hoge radioactiviteit. Een start van een dergelijk voertuig met voldoende motorcapaciteit om bijvoorbeeld tot de maan en terug te komen, zou be­smetting van een gebied van ongeveer tweehonderd vierkante kilometer betekenen en wel een besmetting die enkele dagen aanhoudt. Dat is ook een groot nadeel natuurlijk. Een dergelijke raket zou verder niet voldoende afscherming kunnen bieden aan de piloot, zodat ook deze als een bijna dode na ongeveer 6 à 7 dagen op aarde zou kun­nen terugkeren. Hij zou dan nog net het leven hebben en zijn rap­port kunnen maken; daarna zouden geen middelen hem meer kunnen redden en na 4 of 5 jaar zou hij sterven.

De projecten voor het scheppen van een ruimtebasis die zowel in de Verenigde Staten, in Argentinië als in Rusland een droombeeld vormen, waar menig hoge militair zeer van gecharmeerd is, blijken om dezelfde redenen dan ook voorlopig niet uitvoerbaar. Men kan daarheen wel de materialen transporteren, men kan inderdaad zelfs door het geven van een lichte spin, een lichte draaiing, ze bewoonbaar maken, maar men ziet geen kans om op een redelijke wijze personeel daarheen te krijgen en met een redelijke zekerheid dit personeel te voorzien van de nodige levensmiddelen enz. Ik geloof dus dat we niet te veel zeggen, wanneer we beweren: de aarde is met de huidige middelen niet in staat om te komen tot werkelijke ruimtevaart, laat staan tot interplanetair verkeer.

Een derde stelling die ik naar voren zou willen bren­gen is deze: ofschoon dit niet algemeen wordt aanvaard, bestaan in de ruimte zeer vele volkeren, waarvan sommige een hogere en vele andere een lagere beschavingstrap heb­ben dan u op deze wereld bereikt hebt. Degenen die een veel hogere trap hebben bereikt, hebben ook inderdaad de mogelijkheid gevonden tot ruimtevaart – althans een groot deel daarvan – en deze ruimtevaarders zijn gekomen tot het interstellair verkeer. Zij zullen echter juist om deze reden niet geneigd zijn onrijpe volkeren in de ruimte toe te laten. Elke lagere, en vooral moreel lager staande bevolking die zich in de ruimte waagt, is gevaarlijk. Zij moet worden opgevoed tot zij een zeker besef heeft, een zekere stabili­teit ook in zich draagt, voor men toe kan stemmen in de mo­gelijkheid dat deze zich in de ruimte zou begeven.

Interstellair verkeer is inderdaad mogelijk. Het is weliswaar niet op de fantastische wijze mogelijk die hier en daar in romans over dit onderwerp naar voren wordt gebracht, maar het is toch op het ogenblik reeds mogelijk om bij een zeer nauwkeurige instelling van een vochtbad waarin de ruim­tevaarders vertoeven, te komen tot de lichtsnelheid of ongeveer 0,9 van de lichtsnelheid. De daarbij optredende verkorting van materiaal is zeer groot. De daarbij optredende fase­verschillen bij het doorbreken van de verschillende grote stro­mingen in de ruimte zijn ook zeer groot, maar men kan dit op­vangen.

Degenen die daar vervoerd worden zijn eigenlijk schijndood. Echter door deze schijndood kunnen zij hun herinneringen van de geboorteplaneet bewaren en verder dragen, zelfs naar systemen die miljoenen lichtjaren verder liggen. Op een dergelijke wijze is overigens ook het volkje waarover ik u zo-even sprak oor­spronkelijk in uw zonnestelsel terechtgekomen.

Wanneer nu een planeet rijp wordt voor ruimtevaart, dat wil zeggen wanneer haar technische bereikingen doen vermoeden dat zij binnen niet al te lange tijd inderdaad erin zal slagen de ruim­te te betreden met haar eigen primitieve middelen en vervoers­middelen, dan wordt een dergelijke planeet als het ware opgevoed. Dat wil zeggen: men stuurt aan deze planeet een aantal boden of gezanten en deze zullen trachten op die wereld een aantal veranderingen teweeg te brengen die moeten leiden tot een sta­bilisatie van een dergelijk volk, ofwel … de vernietiging van elke mogelijkheid om aan ruimtevaart deel te nemen.

Vragen

Zo vrienden, nu heeft u de gelegenheid gehad om het betrekkelijk korte en misschien zelfs wat compact betoog dat ik u heb voorgezet te beschouwen en nu komen we eigenlijk aan de hoofdschotel van de avond, namelijk uw vragen, uw opmerkingen en uw betogen. Laten we eens zien hoe deze verlopen.

  • Ik hoorde u spreken over de duur van radioactiviteit in de atmosfeer als zijnde slechts enkele dagen. Ik wist tot heden niet beter dan dat radium pas na 20.000 jaar de helft van zijn straling verloren heeft. Wilt u dit eens nader toelichten?

Met alle genoegen. Ik sprak hier speciaal over het ge­bruik maken van een radioactieve aandrijving en dit wil zeggen dat er afvalstoffen in de atmosfeer komen. Ik nam toen aan, wat voor zover ik weet ongeveer juist is, dat een gebied van ±200 km2 onmiddellijk wordt getroffen, gezien de spreiding die nog de aarde bereikt. Je moeten echter niet vergeten dat deze residuen niet neerslaan op deze aarde zelf. De plek die daar gevaarlijk radioactief blijft, is betrekkelijk klein en zal meestal niet meer dan een 100 km2 bedragen, maar de radioactiviteit die verspreid wordt, blijft weliswaar nog in de atmosfeer aanwezig; zij zal alleen niet meer dodelijk of schadelijk zijn voor iedereen die daar leeft. Het gebied wordt dus weer bewoonbaar. Hetzelfde hebben wij kunnen zien bij de bomexplosies waarbij met de geigerteller werd vastgesteld dat nog op een afstand van 50 kilometer een aanmerkelijke verhoging van radioactiviteit optreedt, maar dat deze niet zo groot is dat van schadelijkheid wordt gesproken. Neemt men aan dat er een stevige wind staat, dan blijkt er echter helemaal geen sprake te zijn van een zo­danige verhoging van radioactiviteit, behalve gedurende enkele minuten. Het verschil in tijdsduur – enkele uren en en­kele minuten – is dus blijkbaar afhankelijk van de atmosfe­rische condities. Naarmate de atmosfeer dus zichzelf meer verspreidt door een luchtverplaatsing, zal het gevaar min­der worden. Dit had dus niets te maken met de vervalduur van de radioactieve stoffen, het had alleen te maken met de concentratie waarin ze schadelijk zijn voor de mensen en de tijd dat deze gemeenlijk zal optreden over een oppervlakte als door mij genoemd.

  • Is het u bekend, dat over enige tijd Venusmensen met hun ruimteschepen op aarde zullen landen om ons te helpen een betere samenleving van vre­de en welvaart te stichten?

Dat is een vraag die ik enerzijds niet graag beant­woord, en wel omdat men over het algemeen in Europa voor deze begrippen nog slechts zeer ten dele rijp is. Maar goed, laat ik dan vaststellen dat de aarde in de laatste tien jaar bijna vijfhonderd keer, door wat u Venusmensen noemt, bezocht is; dat dus inderdaad wel landingen zijn uitgevoerd. Ik wil u verder mededelen dat bij het grootste gedeelte van deze lan­dingen de inzittenden van de vaartuigen niet zelf de aar­de hebben betreden. Ik weet verder dat er waarnemingen zijn ge­daan gedurende de laatste periode van honderd jaar, in steeds toenemende mate. Ook vroeger hebben we enkele keren een dergelijke invasie gehad, waarbij men inderdaad voortdurend waar­nemingen deed. Wij kunnen zelfs bepaalde sporen hiervan in de oudheid vinden, waar een profeet bijvoorbeeld in een vurige wa­gen ten hemel vaart en dergelijke. Dat hier dus van een con­tact met wat u Venusmensen noemt (het is geen volledig juiste aanduiding) inderdaad sprake is, kan ik niet bestrij­den.

Wanneer wij moeten spreken over een mogelijke invasie daarvan, moeten wij voorzichtiger worden. In feite is de toestand zo: men heeft op het ogenblik de mogelijkheid om met ongeveer een twee‑ tot vierduizend voertuigen gelijktijdig een landing op aarde uit te voeren. Men zal daar echter naar ik meen slechts dan toe overgaan, wanneer onomstotelijk blijkt dat de aarde op een andere wijze niet tot voldoende bewustzijn kan komen. Inderdaad, deze ruimtemensen – als u mij deze wijziging van uw aanduiding toestaat – staan, in vele opzichten althans, veel hoger dan de aardbewoners. Wanneer de aarde zo verdergaat zal zij om verschillende redenen een gevaar vormen, ten eerste voor het bestaan van dit zonnestelsel. In de tweede plaats ook, zou zij dit gevaar weten te voorkomen, voor de ruimte zelf.

Als ik mag refereren aan het laatste deel van mijn be­toog, dan zult u zich herinneren dat ik u heb verteld dat waar een volk van primitieven rijp wordt voor de ruimtevaart, men zal trachten dezen te civiliseren. Hieronder kunt u ook het onderhavige inderdaad begrijpen. Nu baseert u uw vraag op een reeks van mededelingen – overigens groter zelfs dan u, meen ik, bekend is op het ogenblik – die alle langs telepathische weg naar de aarde worden gebracht. Er is hier dus sprake van een medium, van trance en verder van rich­ten – waarbij ook enige kunstmiddelen worden gebruikt – door enkelen van deze ruimtebewoners.

Zij hebben erop gewezen dat hun landingen zullen wor­den uitgevoerd en dat deze niet zijn bedoeld om de aarde te vernietigen, maar in de eerste plaats om de gevaren die de aarde heeft geschapen als het ware uit te roeien. Zij formuleren dat natuurlijk anders.

De kosmische Broederschap die bestaat tussen alle hoog geciviliseerde rassen (mits een zekere morele onder­grond aanwezig is) komt ook hierin tot uiting. De partij ech­ter die dit doet, is niet de enige partij die bestaat in deze groepering. Dit mogen wij dan ook niet vergeten.

Ik mag overigens er op wijzen – en dat is misschien voor u interessant als een kleine bevestiging ook van sommige gedachten die u zich daarover hebt gevormd – de naamseenheid die bestaat tussen Ishtar (de godin van de maan) en Ashtár (de spreker voor deze groepering, die de aarde binnen zo kort mogelijke tijd wil bevrijden en verder helpen met de bewustwording. Wanneer we nu verder gaan en we zien naar de Babylonische beschaving en ook in de oud Perzische legenden, dan blijkt ons dat daar wel wordt gesproken over helden – let wel: helden  en profeten die met vurige voer­tuigen uit de hemel kwamen, lering gaven, overwinningen be­zorgden en weer verdwenen. De naamseenheid plus de eenheid van verschijnselen die in de oudheid werden vastgelegd in overleveringen en in de toekomst worden aangekondigd via deze middelen, moeten ons dus wel tot de aanname brengen dat hier inderdaad van een gro­te mogelijkheid sprake is.

Het is onzes inziens echter beter wanneer de mens eerst zelf tot bewustzijn komt en in onze groepering dus – ik verzoek dit uitdrukkelijk erbij in aanmerking te nemen – zouden wij graag een dergelijke invasie nog een honderdtal jaren ver­schoven zien. Wanneer zij komt, zal zij toch worden voorafgegaan door enkele contacten met personen en centra, waardoor reeds een redelijke voorbereiding mogelijk wordt. Hetgeen thans is geschied, is een poging om de aarde te peilen op de mogelijkheden die daaromtrent bestaan.

  • U sprak daar over die vlammende wagen, waarmee Elia naar de hemel werd gevoerd. Ik heb dat altijd als een symbo­lische uiting aanvaard, namelijk deze, dat dit het lichtende be­wustzijn van de profeet was dat zich onttrok aan de aardse dichtheid.

De symboliek is inderdaad wel aardig, maar waarom zou­den wij de symboliek als betekenis nemen, wanneer in de oudheid blijkt dat dit niet alleen voor hoogstaande mensen het geval is geweest, want als u zich de moeite geeft om de Oepanishads door te werken, dan zult u ook daarin enkele helden vinden die in vurige voertuigen de hemel bereiken. Wanneer we andere primitieve volkeren nagaan, als de Indianen, dan blijkt dat ook daar Manitous zijn die neerdalen en uitverkoren herders met zich nemen naar een andere wereld die veel rijker is, vanwaar zij be­laden met magische giften op aarde terugkeren. De oude Chinese legenden spreken over de vurige draak die neerdaalt en enkele wijsgeren opneemt en terugbrengt. Ofschoon niet al­gemeen bekend misschien in het Westen, vertelt men ook een dergelijke legende over Lao Tse, toen hij vluchten moest voor de ongenade van de keizer en zich begaf naar Buiten‑Mongolië.

Het zijn niet alleen helden of profeten die op een der­gelijke wijze zich onttrekken aan de wereld, het zijn twee klassen van mensen. In sommige gevallen zijn het geweldena­ren, die van de wereld worden verwijderd voor kortere of lan­gere tijd, soms voorgoed. In andere gevallen zien wij dat geestelijk hoogstaande mensen, van wie aangenomen zou kunnen worden dat zij via geestelijke of telepathische weg dus in contact staan, niet alleen met de sferen, maar mogelijkerwijze ook met andere hoger beschaafde wezens, voor een tijd lang, ofwel voorgoed van deze aarde verdwijnen. Zou het dus niet redelijk zijn om de symboliek te aanvaarden voor wat zij is en als symbool zeer schoon te zien, maar daarnaast de realiteit niet uit het oog te verliezen, dat er inderdaad door de geschiedenis van de mensheid heen voortdurend tekenen zijn vastgelegd in overleveringen, dat bepaalde mensen in­derdaad van de aarde verdwijnen, ofwel op wonderbaarlijke wijze na lange tijd weer terugkeren.

  • Henoch, Melchizedek.

Inderdaad, en wanneer wij ons de moeite geven om dat een ogenblik na te gaan – u kunt dat in uw Bijbel alleen al doen, daar vindt u al vele voorbeelden, maar gaat u dan ook de Oepanishads na, gaat u daarna de Chinese overleverin­gen en verschillende volkslegenden na – dan zult u met mij tot de overtuiging moeten komen dat ook hier wel degelijk sprake is van stoffelijke voertuigen. Vergelijkt u nu wat over vliegende schotels wordt verteld door de piloten bijvoorbeeld, die van dichterbij dergelijke voertuigen hebben gezien, dan is inderdaad verbluffend de overeenkomst tussen het beeld van de oude overlevering en van heden. Houden wij rekening met de omvorming van deze voertuigen van de vroegere discus­vorm tot de huidige simpelere klokvorm, dan mogen we zelfs zeggen dat ze geheel gelijkluidend zijn. De lichtverschijnselen zijn namelijk eigenaardig genoeg steeds weer groen: groen en rood. Opvallend. Daarom zou ik inderdaad een lans willen breken voor de opvatting, die mijns inziens volkomen juist is, dat ook in het verre verleden – en mogelijkerwijze ook in het he­den wel – bepaalde mensen die hoger verlicht waren (dus meer bewustzijn hadden) ofwel zeer schadelijk waren voor de wereld en toch om bepaalde redenen niet gedood konden wor­den, eenvoudig van deze aarde werden verheven en verwijderd door middel van zuiver stoffelijke voertuigen. Ik hoop dat u mij dit niet kwalijk neemt.

  • Is de graaf de Saint-Germain ook zo’n figuur, die ver­scheidene malen hier is geweest en weer naderhand opdook?

Pardon, de graaf de Saint-Germain is een heel andere figuur, die de aarde inderdaad wel eens een paar keer ver­laten heeft, maar wiens “de aarde verlaten” niet meer behoeft te vallen onder zuiver stoffelijk vervoer.

  • En is dit ook zo met wat de theosofie ons leert over de Heren van Venus die hier gekomen zijn? Dat behoefde toch ook niet stoffelijk te geschieden?

Het behoefde niet stoffelijk te geschieden, maar ja, u vindt me misschien vervelend als ik steeds weer naast de theorie ga strijden voor de praktijk. Wanneer wij ons de moeite getroosten om de verschillende fasen van de menselijke be­schaving na te gaan, dan is het opvallend dat wij steeds be­paalde sprongen in beschaving waarnemen. En wel, dat deze sprongen niet origineren uit een totale realisatie of be­wustwording over geheel de wereld, maar op bepaalde punten plotseling opvlammen en zich van daar uit merkwaardig snel verspreiden. Zou het nu zo dwaas zijn om aan te nemen dat een goedertieren buurman de wilden van deze aarde (ja, u vindt het misschien een eigenaardige, denigrerende term, maar bent u op het ogenblik in vele opzichten nog niet wilden), de wilden van deze aarde tracht op te voeden en op te voeren? Waarbij misschien enig eigen nut niet uitgesloten is, maar het is daarnaast wel degelijk ook een poging om bepaalde kosmische wetten te verwerkelijken op deze oude aarde. Zoals uw mis­sionarissen ook uitgaan naar de duistere gebieden van deze wereld, ofschoon over licht en duister in dít opzicht misschien verschil van mening kan bestaan.

Dus ik zou hier inderdaad op willen wijzen dat ook stoffelijk op bepaalde tijden wezens die mens‑gelijk, niet menselijk maar mens‑gelijk zijn, op aarde verschenen zijn en daar wel degelijk hebben bijgedragen tot het geven van rich­ting aan de bewustwording en beschaving van de mens. Dat daarnaast geestelijke invloeden van het begin af aan – en nu komen we op een heel ander terrein dat niet met ruimtevaart te maken heeft – een zending hebben vervuld op deze wereld vanuit de sferen. Dit is niet te bestrijden.

Maar mogen wij wel een zo scherpe scheiding maken als men op aarde doet tussen geest en stof? Want de geest die een zekere hoogte bereikt heeft en toch een actief stoffe­lijke uiting verlangt voor zichzelf, zal moeten incarneren in een wereld, een omgeving waarin zij juist haar eigen bewustzijn volledig kan toetsen aan de stoffelijke mogelijkheden. Dat houdt dus in dat geesten die vanuit een bepaalde sfeer werkzaam zijn, geestelijk gezien de gelijken kunnen zijn van stoffelijke wezens die misschien reeds in overeenstemming met dergelijke geesten bepaalde impulsen geven aan werelden, werelddelen, volkeren en dergelijke. Ik geef het u maar ter overweging.

  • Wat is de bedoeling van de ruimtevaarders? Is dit alleen ter oriëntering en lering, of ligt het in hun bedoeling de planeten en sterren te gaan beheersen?

Ik zou geneigd zijn om hier een lering weer te geven die onder andere bij uw buurvolkeren in dit zonnestelsel bestaat en dat is deze: “Hij die tracht te heersen, wordt beheerst. Hij die zichzelf dienstbaar maakt, verrijkt zichzelf.” Wanneer ruimtevaarders zich door de werelden bewegen, dan hebben zij daarbij een tweeledig doel. In de eerste plaats de instandhouding van hun eigen soort, want sterren, mijne vrien­den, zijn niet zo stabiel. Van deze zon bijvoorbeeld kan worden aan­genomen dat zij binnen 200 miljoen jaren in een nova-stadium komt, tenzij grote veranderingen optreden. Dat wil zeggen dat waarschijnlijk reeds een miljoen jaren voordien de rassen die dan rijp zijn, pogingen zullen wagen om dit zonnestelsel te verlaten en een nieuw te vinden.

Bovendien, wanneer men een wereld kiest, dan zal dit niet altijd een wereld zijn die de grootste mogelijkheden biedt. Soms is een dergelijke planeet te jong, soms te oud. Een beschaving wordt opgebouwd op grond van materialen die in de groei van de beschaving beschikbaar komen. Ook voor het vervaar­digen van synthetische producten heeft men grondstoffen no­dig en daar zien wij bepaalde katalysatoren bij optreden die op sommige planeten absoluut niet, bij andere in rijke mate aanwezig zijn. Nu zou ik mij kunnen voorstellen dat onze vrien­den en buren er prijs op zouden stellen de zonne-energie die op aarde in een zo mooie en juiste vorm voorkomt, te gebrui­ken om daardoor zekere levenskrachten te vergaren. Deze zou­den voor hen zeer belangrijk en kostbaar zijn, terwijl zij voor de aarde nog niets betekenen. De aarde is zich daarvan niet bewust. Ik kan mij voorstellen dat degenen die op het ogen­blik een kolonie hebben op Mars op bepaalde zaden, gewoon van bomen van deze wereld, prijs stellen. Er zijn namelijk be­paalde planten op deze wereld die ook op Mars zouden kun­nen groeien, en een aanvulling van de plantengroei, gezien de vereenvoudiging die daar is opgetreden, zou voor hen een zeer dankbare zijn. Dit is voor hen kostbaarder dan voor u een paar ton goud. Zo zijn er wel degelijk ook redenen van eigenbelang die hen ertoe brengen.

En dan is er nog één factor die wij niet over het hoofd mogen zien. In elke mens leeft een zekere hang naar het on­bekende, het ongeziene. De één beleeft dat door middel van een film, de ander door middel van een boek, een derde trekt er zelf op uit en zoekt de witte plekken op de kaart op. Maar wanneer je hele wereld bekend is en georganiseerd, dan is er geen uitlaat meer. Dan zullen dergelijke figuren de ruimte ingaan om daar het nieuwe te vinden dat hun wereld niet meer biedt.

Ik geloof dus dat ik met deze uiteenzetting duidelijk heb gemaakt dat er verschillende drijfveren zijn. Wij moeten dus de ruimtevaarders niet zien als handelaren, maar ook niet als zuiver onbaatzuchtige wezens. Laten we zeggen dat het wezens zijn die door hun eigen behoefte – hetzij geeste­lijke of stoffelijke – gedreven worden tot avonturen die voor u nog onvoorstelbaar groot zijn, maar voor hen door hun wijze van leven, hun beschaving en hun technische mogelijkhe­den tot het meer alledaagse zijn gaan behoren. Ik kan mij voorstellen dat een piloot van Venus bijvoorbeeld naar de aarde gaat met dezelfde gevoelens als u, wanneer u een dagje naar de dierentuin gaat en misschien een reis naar Procyon maakt in dezelfde stem­ming, waarin u naar Afrika gaat om groot wild te jagen.

  • Hoe worden de afstanden van duizenden lichtjaren, zelfs met een snelheid gelijk aan die van het licht, overbrugd op zodanige wijze dat de reizigers toch in leven blijven?

Inderdaad, deze mogelijkheden zijn voor u misschien op het ogenblik nog wat fantastisch en fabelachtig. Er bestaan meerdere systemen. Bij één daarvan bestaat zelfs de mogelijk­heid om de lichtsnelheid aanmerkelijk te overschrijden. Ik wil erbij voegen dat dit een systeem is dat mijns inziens grote gevaren in zich bergt. Naarmate namelijk de lichtsnelheid wordt benaderd, treedt een verandering van suspensie in de materie op. Deze begint met wat men noemt een verkorting. Dat wil zeg­gen: het samenbrengen op één vlak. Het een-zijn met de licht­snelheid brengt vanuit uw standpunt het totaal van die wereld tot een tweedimensionaal vlak terug, waarbij elk bewustzijn gecomprimeerd is in één enkel punt. Bij een vergroting krijgen wij een negatieve uitbreiding. Een terugkeren daaruit heeft dan ook grote moeilijkheden met zich mee gebracht en tot voor kort (laten we zeggen een 100.000 jaren) was men dan ook niet in staat in dit deel van de Melkweg een systeem te be­denken dat desondanks een bewuste besturing mogelijk maakte. Men heeft dit op de volgende wijze overwonnen.

Men schiep een veld waarin, reeds door een zeer grote versnelling van bepaalde neutronen en verder een rotatieomwending van bepaalde protonen, in de eigen materie voor het bereiken van de helft van de lichtsnelheid een absolute sus­pensie van alle leven en alle tijdsbewustzijn optrad bij de aan­wezigen. Er bleef echter weer één punt actief en dat was de mogelijkheid tot denken. Men heeft nu bepaalde methoden uitgevonden – door middel van ingelegde elektroden in de sche­del – om bij iemand dit denkend vermogen dat niet vernietig­baar is (omdat de gedachte méér dan stoffelijk is) een rich­tinggevende factor te doen blijven. Dat wil zeggen: het enige wat dit denken kan doen, is na verloop van tijd een remming tot stand brengen, waarbij opnieuw – nu naar beneden toe – de lichtsnelheid wordt overschreden. De gevaren daarbij zijn zeer groot. Men weet bijvoorbeeld nooit precies waar men in de ruim­te uitkomt. Maar het blijkt toch wel mogelijk op die manier miljoenen lichtjaren te overbruggen in een zeer korte tijd.

Een tweede mogelijkheid – voor zover ik weet op het ogen­blik alleen gebruikt door de inwoners van Antares (het sys­teem van Antares) – is de methode van absolute reversie. Bij absolute reversie maakt men gebruik van een meerdimensio­nale ruimte, waarin men het eigen bewustzijn plus het totaal van eigen zijn projecteert, gelijktijdig een materiële suspen­sie in deze andere dimensie tot stand brengende. Men rekent dan een bepaalde kracht uit, waarmee gedurende een bepaalde periode deze suspensie wordt gehandhaafd. Die kracht moet in het eigen dimensionaal stelsel (dus uw dimensionale wereld als het ware) aanwezig blijven. Valt deze kracht weg, dan houdt ook deze suspensie op en keert het totaal weer terug in de driedimensionale ruimte. Ook dit heeft grote gevaren en blijkt vooral de geestelijke vermogens van degenen die er gebruik van maken nogal eens aanmerkelijk te beïnvloeden.

De methode die meer gebruikt wordt, maar veel meer tijd vergt, is die van het volledig stopzetten van levens­functies. U heeft misschien wel eens gehoord van de zogenaamde fakirs die in schijndood gaan. Deze schijndood nu kan – wanneer men over een zekere concentratietechniek beschikt – zodanig worden gebaseerd dat een automatische inspuiting onderhuids (dus die ongevaarlijk is, de naald kan ingebracht zijn) na verloop van een zekere tijd (dat kan honderden jaren zijn) de levensprocessen weer stimuleert en zoveel voedsel geeft dat het lichaam in staat is de eerste voeding weer zelf tot zich te nemen. De lichamen worden gesuspendeerd – nadat zij in trance zijn gebracht – in een vloeistof waar­in zij, krachtens hun eigen gewicht drijven; zij zweven daarin. De verbindingen die met de buitenwand zijn gemaakt, zijn zodanig dat die zwevingen nooit bijzonder hevig kunnen zijn. Het voordeel van deze wijze van vervoer is dat men slechts een zeer kleine ruimte te allen tijde onder druk behoeft te houden, namelijk alleen de ruimte waarin deze vloeistof staat en waarboven dus ook levensgas enigszins aanwezig moet zijn, terwijl men verder al het andere leeg kan laten in de ruimte en pas op het ogenblik dat dit noodzakelijk wordt, hernieuwd kan vullen. Hierbij wordt een bepaalde temperatuur aangehou­den die betrekkelijk laag ligt. U zou kunnen spreken over mensen in diepvries aangezien de gehandhaafde temperatuur ligt tussen -90° en -100° Celsius. Daardoor is het inderdaad mogelijk om duizend jaren te leven en dan toch nog bij te komen en bijvoorbeeld nog een twintig jaar verder te leven. Die twintig jaar verder leven is dan voldoende om een nageslacht te doen ontstaan dat in staat is de reis verder voort te zetten. U ziet, er zijn dus wel verschillende moge­lijkheden.

En dan kennen we natuurlijk ook nog het heel simpele systeem, het primitieve systeem als het ware, waarbij men een aantal mensen van beide geslachten samenbrengt en een gereguleerde paring doet plaats vinden, waarvan de vruchten dan tevens het personeel voor de volgende generatie zijn. In een dergelijk geval zijn soms veertig, vijftig tot honderd generaties noodzake­lijk om een reis te volbrengen. Dat systeem is op het ogenblik niet meer zo bruikbaar, tenzij het gebruikt wordt als vluchtmethode. Ik weet tenminste niet van stelsels die dit – behalve voor enkele expedities – nog gebruiken. Het heeft echter wel grote voordelen.

  • De voorlaatste methode die u noemde, houdt die ook ver­band met hetgeen in Genesis staat: “De zonen Gods kozen zich vrouwen uit de dochteren der mensen” en dat er toen reuzen werden geboren?

Ja, dat is een heel eigenaardige kwestie, maar dat brengt ons eigenlijk even van ons onderwerp af. Er is op aarde namelijk dit gebeurd: zoals u weet groeit elk organisme in overeen­stemming met de omstandigheden en zal zich te allen tijde daarbij zodanig aanpassen dat de grootste factor van zelf­handhaving aanwezig blijft. Nu zult u begrijpen dat in een wereld van reuzendieren en reuzengewassen ook reuzenmensen moesten voorkomen. Homo giganticus is geen waandenkbeeld, maar een realiteit en deze homo giganticus is voortgekomen uit de dochteren der aarde, inderdaad, maar ook uit de meer beschaafden die lering hebben gegeven. Zij waren niet van aardse oorsprong. Als u dit in het oog houdt, dan wordt het u hier gelijktijdig ook duidelijk hoe bijvoorbeeld de Grie­ken komen aan de legende van Kronos, want deze vruchten wa­ren gelijktijdig de vernietiging van de macht van hun vaderen en daarom werden ze uit de gemeenschap verstoten (ook be­grijpelijk), zijn zij uiteindelijk tot vijanden van die gemeen­schap geworden en hebben die gemeenschap aangevallen en vernietigd. Vandaar Kronos, die zijn eigen kinderen at … die bevrijd werden. Die oude legenden hebben heel vaak nog feite­lijke waarden en werkelijkheden overgeleverd.

  • U beweert dat er op Venus en Mars koloniën zijn van een volk van buiten ons zonnestelsel. Houdt dit in dat er eigen­lijk geen oorspronkelijke bewoners op Venus en Mars zijn, behal­ve deze koloniën, want uit andere bron vernemen wij dat er wel oorspronkelijke bewoners op Venus zouden moeten zijn.

Er zijn wel oorspronkelijke bewoners op Venus ja, en er zijn er op Mars geweest, die zijn er dus niet meer. Maar deze bewoners of mensen zijn niet meer te vergelijken met de daar heersende rassen. Ongetwijfeld wordt u misleid door het feit dat men zichzelf als mens van Venus aankondigt, maar wanneer u een tijdlang in Den Haag woont, of in Amsterdam, of ergens anders, dan kondigt u zichzelf op den duur aan als Am­sterdammer of Hagenaar, zonder het te zijn, want u bent er niet geboortig. Dit ras is niet afkomstig van Venus in ori­gine. Het is dus niet uit Venus zelf geboren. Dat daarnaast vele levensvormen op Venus voorkomen die door de planeet zelf zijn georigineerd, is ongetwijfeld waar.

Er bestaan in diverse landen verenigingen die zijn op­gericht om de ruimtevaart te stimuleren. Deze mensen zijn als regel wetenschappelijk onderlegd en staan meestal afwijzend tegenover geestelijke zaken. Is het niet noodzakelijk dat zulks verandert en wordt er door u en andere geestelijke wezens iets gedaan om deze verandering te bewerkstelligen?

Ongetwijfeld, en wanneer u zich realiseert wat er in de laatste tijd al zo op de aarde gebeurd is om, via de pseudowetenschap van de parapsychologie, ook de wetenschap aan het denken te brengen over bepaalde fenomenen, zult u toegeven dat we ons best doen. Maar de grote fout met de wetenschap is over het algemeen dat zij te nuchter is. De grote fout met de niet‑wetenschapsmens is dat hij te vaak beide benen niet meer op de wereld heeft staan. Wanneer deze beiden dus uiteindelijk tot een samenwerking zouden kunnen komen, dan zouden ongetwijfeld de gelovigen zowel als de wetenschaps­mensen een paar veren moeten laten. Wat zou overblijven, zou dan een redelijke basis zijn om werkelijk te gaan werken.

  • Maar hoe zouden we dat kunnen bereiken?

Over het algemeen alleen door aan de wetenschap feiten voor te leggen die niet te wraken zijn, maar niet binnen de kern van die wetenschap voor een zekere uitlegging vatbaar zijn. Dat zijn zo mogelijkheden. Neemt u bijvoorbeeld (ik blijf nu even op het gebied der parapsychologie) Poltergeistverschijnselen, oorvijgen op afstand, genezing op afstand, levitatieverschijn­selen, die op het ogenblik in verschillende centra worden bestudeerd en de aandacht trekken, maar eigenaardig genoeg gebeurt dat niet daar, waar men het meest goedgelovig is. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld is dat zeer moeilijk. De Verenigde Staten zijn aan de ene kant zeer zakelijk, aan de andere kant zeer bijgelovig en men meent daar dus een absolute scheiding tus­sen wetenschap en geloof en bijgeloof te moeten maken. Kijken we bijvoorbeeld naar Rusland, dan zien we daar een afschuw voor het bijgeloof, dat zeer sterk heerst. Maar kijken we nu eens naar Frankrijk, naar Italië, naar Zwitserland, naar bepaalde de­len van Duitsland, Engeland ten dele ook wel, dan zien wij daar op het ogenblik de wetenschap reeds zeer dicht bij het spiritisme en dergelijke komen. En wanneer dat eenmaal be­reikt is, wanneer men de fenomenen die hier optreden gaat beschouwen als iets wat binnen het bereik van de wetenschap valt, dan hebben we gewonnen. Niet voor die tijd.

Wat gedaan zou moeten worden? Ach, mijn vriend, in de eerste plaats zou men tot de eenvoudigen der aarde kunnen spreken. Wanneer ergens zeer veel over wordt gesproken, dan moet de wetenschap er zich mee bemoeien. Dan gaat het daarmee ongetwijfeld ongeveer als in Nederland met de aardstralen is geschied. Wanneer er te veel over wordt gesproken, wordt de zaak wetenschappelijk gewraakt. Maar in de wetenschap zijn er dan weer mensen die deze wetenschappelijke uitspraak gaan wraken. En dan begint er een ondergrondse wetenschappelijke strijd, die uiteindelijk boven de grond op het niveau dat voor ieder zichtbaar is, resultaten oplevert. Het zijn langzame ontwikkelingen.

Op het ogenblik kan men dus niet beter doen dan de mas­sa bereiken. Wanneer men de massa bereikt, zal men ongetwij­feld op den duur ook de wereld bereiken en wie de wereld be­reikt – dat zal duidelijk zijn, is natuurlijk ook in staat om juist door dit bereiken van de wereld invloed uit te oefenen op de richting van wetenschappelijk onderzoek en dat is het beste wat u ervan kunt hopen.

  • Dus zou het tijd en energie verspillen zijn om zich recht­streeks tot deze wetenschappelijk onderlegden te wenden?

Mijn waarde vriend, wie zou zich tot de paus wenden wan­neer hij een bewijs had gevonden dat Jezus niet had geleefd? Ik zeg natuurlijk niet dat dit feitelijk is hoor, excuseert u mij, ik neem het als voorbeeld. Maar wie naar de wetenschap gaat en zegt dat er dingen bestaan die de wetenschap niet weet of weten kan, dan is de wetenschap onmiddellijk zozeer op haar eigen waardigheid gesteld, dat ze zelfs ware verschijn­selen zal misachten en zal trachten die de kop in te druk­ken.

Kijkt u in de geschiedenis van de wetenschap zelf bijvoorbeeld naar een Pasteur, naar Koch en nog zo’n paar anderen. Kijkt u naar het begin van de Curies. Dan ziet u daar hoe de wetenschap over het algemeen tegenover dergelijke nieuwe visies staat. U er rechtstreeks toe te wenden heeft dus weinig zin. Indien de wetenschap interesse heeft voor uw kennis zal ze zich wel tot u wenden. Wanneer u zich tot haar wendt, dan zal ze zich op grond van haar eigen eer verplicht ach­ten u zonder meer reeds af te wijzen.

  • U beweerde dat de vliegende schotels van Mars komen. Zijn daar dus stoffelijke wezens met stoffelijke ledematen zoals wij dit kennen?

Inderdaad, er bestaan stoffelijke wezens met stoffelijke ledematen zoals u die kent. Die bestaan er op Venus ook en bovendien op nog een paar andere punten binnen dit zonne­stelsel. Dat deze daarnaast vaak leven in een toestand die voor u nog niet begrijpelijk is – absolute suspensie van levenskracht en daardoor een optreden van … ik zou haast willen zeggen een uittreding – dat is een andere kwestie. Dat is iets wat menig volk beheerst, onder andere een gedeelte van de Venusbewoners en een gedeelte van de Marsbewoners. Die parkeren als het ware hun lichamen en werken door de geest, totdat het lichaam noodzakelijk wordt. Maar ze zijn er zich van bewust dat er een aantal functies bestaan die geeste­lijk nog niet volbracht kunnen worden, dus daarvoor heeft men een lichaam nodig. En zo blijkt dan ook dat het lichaam blijft bestaan en niet alleen bestaat, maar zelfs heel wat beter wordt onderhouden dan u, die daarop alleen bent aange­wezen, op aarde doet.

  • Is daar voortplanting op de wijze die men hier kent?

Op Venus bestaat er een voortplanting, die ten dele is zoals u ze hier kent, via Pares, gedeeltelijk ook via een weg van gedachtekrachten, die hier absoluut niet bekend is. Dus daar komt iets voor wat u zou kunnen noemen een on­bevlekte ontvangenis van vele geboorteweeën gezuiverd en op Mars komt een wijze van voortplanting voor die hier eigenlijk op het ogenblik in onderzoekstadium wel eens ge­probeerd wordt, namelijk een ei door een stimulans bevruchten en buiten een lichaam doen opgroeien.

  • Dus er zijn ook twee geslachten bij al de vormen die u vanavond besproken hebt en die een hogere ontwikkeling heb­ben bereikt dan wij mensen?

Neen, dat is niet juist. In de eerste plaats zijn er volkeren waar zelfs vijf geslachten voorkomen, ondanks het feit dat ze zeer hoog beschaafd zijn. Maar de hoogste vorm die wij kennen, waaronder een gedeelte van de Venusmensen, een groter gedeelte van de Marsbewoners, moeten wij eigen­lijk eerder zien als hermafrodiet, dat wil zeggen: beide functies in zich dragende van het mannelijke en het vrouwelijke en naar behoefte een van beide functies naar voren doen treden, dan wel in zichzelf vrucht wekken en dragen wanneer dit noodzakelijk is.

  • Dus parthenogenesis?

Neen, eigenlijk niet, het is niet zuiver parthenogenesis. Parthenogenesis is deling, maar hier is wel degelijk voortbrenging. Parthenogenesis moeten wij eigenlijk zien als een zich delen en dat heb ik eigenlijk … laat eens kijken … Nee, ik geloof niet dat ik een groter volk ken waar we in de ware zin van het woord kunnen spreken van parthenogenesis. Neen, ik ken wel enkele volken waar het voorkomt, maar die zijn toch niet van de hoogste trap. Neen, die kan ik niet vin­den. U kunt het natuurlijk een parthenogenetisch verschijnsel noemen, omdat het zelf bevruchtend en zelfbarend is. Maar in de zuivere term parthenogenesis, neen.

  • Dan sprak u nog over de ruïnes op Mars. Dus dat wijst op een voorgeslacht.

Inderdaad, er heeft op Mars een volk gewoond waarvan we aannemen – ik zeg aannemen, we zijn niet volledig zeker – dat het weer behoort tot de volken die later zijn teruggeko­men, maar dat weten we niet zeker. We weten wel, dat er een betrekkelijk hoge beschaving is geweest. Een beschaving, die eigenaardig genoeg op het gebied van synthetische middelen zowel als metaalbewerking zeer hoog stond en die ruimtevaart heeft beheerst en deze periode schatten we op ongeveer een 80 tot 100 miljoen jaar geleden. Sedert die tijd is het grootste gedeelte weggetrokken. Wat is overgebleven is langzaam maar zeker verkommerd en gedeeltelijk uitgestorven.

  • U heeft daarstraks enkele redenen genoemd waarom deze ruimtevaarders zich met de planeet aarde bemoeien. Is er ook niet een mogelijkheid -daar deze wezens rijper, of wijzer, of meer bewust worden, dus althans meer bewust van het goddelijk principe – dat zij zich met deze aarde bemoeien bij wijze van “de jongere broeders moet men helpen”?

Ongetwijfeld bestaat die mogelijkheid ook, maar dat kun­nen we alleen aanvaarden wanneer we daarbij aannemen dat de oudere broeders, die ook op deze wereld leven, in samen­werking met de oudere broeders buiten deze aarde optreden op deze aarde. Ik hoop dat dit geen te grote verschillen brengt, maar het is inderdaad waar dat ook op deze wereld zelf altijd een aantal – soms een groter, soms een kleiner aantal – van hoog bewusten aanwezig is. Zijn er nog meer vragen?

  • Op welke wijze zouden wij aardbewoners, behalve dan via media, met deze ruimtemensen in contact kunnen zijn en van ge­dachten kunnen wisselen?

In contact zijn – wanneer ik juist ben ingelicht – waar­schijnlijk binnenkort via radio. Wanneer ik juist ben inge­licht, zeg ik hierbij, omdat ik van de vorderingen op dit ge­bied niet geheel op de hoogte ben, maar als ik mij niet ver­gis heeft men – en daar zijn onder andere ook die Venusmensen bij – een methode ontwikkeld om het totaal van elektrische wer­kingen te beheersen en een draaggolf uit te sturen die, elke bekende golflengte omvattend, het mogelijk maakt op dat ter­rein uitzendingen te doen geschieden.

  • Waarvan al wel eens berichten zijn.

Ja, dus ze kunnen zich inderdaad uiten. Dan weet ik in de tweede plaats dat men op het ogenblik pogingen doet om op het ultrakorte gebied ook radiomededelingen aan deze wereld over te brengen, maar het schijnt dat mededelingsapparaturen, die men haast opzettelijk hier bepaalde mogend­heden in handen heeft gespeeld, misbruikt worden; dat men daar dus niet overgaat tot pogingen tot ontcijfering en be­grijpen in de juiste zin.

  • Dit is nu juist mijns inziens een grote vraag. Zelfs al zou men een golf kunnen bedenken, die een bepaalde gedachte over­brengt, dan moet er toch een ontvanger zijn, hetzij aan deze of aan de andere kant, die ze ook kan ontcijferen. Hoe denkt u dat op te lossen?

Heeft u wel eens gehoord van hypnotische suggestie, waarbij elk taalverschil wegvalt? Deze methode kan gebruikt worden via verschillende media. Men kan dit zelfs doen al­leen door lichten te laten verschijnen. Een bepaalde volgor­de van lichten kan een dergelijk suggestief effect hebben. Persoonlijke uitstraling kan een dergelijk suggestief effect hebben. Men schijnt ook in staat te zijn dit te doen langs de weg van radio-uitdrukking, waarbij komt dat men, juist door de telepathische mogelijkheden van een groot gedeelte van deze bewoners van het zonnestelsel, ook wel in staat zal zijn de juiste woorden, klanken en associaties te ontnemen aan een aardmens om een beeld te geven; maar de methode die men op het ogenblik heeft uitgedacht om, laten we zeggen, met de wetenschap in contact te komen, is betrekkelijk simpel. Zij bestaat in het uitdrukken van getallen door eenvoudige op­eenvolgende stroomstoten. Dus één tik voor 1, vijf tikken voor 5 enzovoorts en nadat men dit heeft gedaan, het weergeven van be­paalde formules in deze getallen, die kosmisch bekend wor­den geacht, waar zij behoren tot de eenvoudige berekeningen, op twee‑ en driedimensionaal vlak, die praktisch elke wereld met een zekere ontwikkeling moet bezitten.

  • Het theorema van Pythagoras bijvoorbeeld.

Bijvoorbeeld. Er bestaan dus bepaalde simpele formules die men altijd kan uitdrukken. Wanneer men geeft: een pauze en daarop weer een pauze en dan twee korte tikken, dan heeft men daarmee weergegeven: 1 en 1 is 2. Maar als men nu bijvoorbeeld schrijft het getal pi, dan kan men het tiendelig uitdrukken en men kan het in een normale breuk uitdrukken. Maar hoe men het ook uitdrukt, het zal altijd een verhouding zijn die gelijk blijft. Dergelijke getallen zijn dan voldoende om aan te tonen aan de luisteraars dat er hier inderdaad sprake is van een intel­lect, want dergelijke formules in zekere afwisseling doen veronderstellen dat iemand mededelingen wil geven en dat zou leiden tot een poging om zenders op hetzelfde golfbereik op te stellen, straling te doen plaatsvinden en die tekens terug te geven en dan kan men in simpele code wel niet elkaar beschrijven wie men is, maar toch van elkaar erkennen hoe ver men gevorderd is en komt men in het gebruik tot een code die inderdaad bepaalde rekenkundige en mathematische uitdrukkingen zeer zuiver omschrijfbaar maakt voor beide partijen. Dat is dan ook het systeem dat men bij de meeste planeten schijnbaar gebruikt heeft.

  • Waarom niet gebruik maken van een medium dat telepa­thisch door de andere planeetbewoners beïnvloed kan worden en dat het in onze taal kan weergeven aan degenen die het hier ontvangen?

Inderdaad, maar een medium is altijd suspect in een maat­schappij die technisch betrekkelijk hoog komt. U moet één ding niet vergeten: dat een medium over het algemeen zijn in­vloed daar doet gelden, waar men ofwel zich vrijmaakt van de wetenschappelijke tendensen, ofwel waar men nog geen begrip heeft van de wetenschappelijke tendensen. Twee mogelijkheden en degenen die daartussen liggen, vormen over het algemeen­ de wetenschap. De wetenschap is een behoudend lichaam, en zodanig gecorporeerd zijnde in een technische maatschappij als op het ogenblik bijvoorbeeld hier op aarde, beheerst deze weten­schap uiteindelijk het totaal van de sociale samenleving en daarom is deze belangrijker, ook wanneer zij niet te bereiken is langs de eenvoudigste weg. Men moet dus trachten om deze langs technische weg te benaderen, waar zij de techniek­ beter begrijpt dan de ongetwijfeld ruimere en grotere mogelijk­heden van de geest.

  • Het lijkt me toch toe dat de combinatie van beide de beste resultaten zal opleveren.

Waar men ongetwijfeld ook toe zal overgaan zo men – sta mij toe dit op te merken – daartoe nog niet is overgegaan, want naar ik meen heeft men door een medium bepaalde mededelingen doen toekomen aan Mount Palomar, met het resultaat dat inderdaad enige twijfel is ontstaan waar voorspelde te­kens optraden. Dit laatste kunt u misschien wel controleren, want dat moet betrekkelijk recent zijn. Dat zou hoogstens een dag of 20-25 geleden kunnen zijn.

  • U sprak van Mount Palomar, dat sterrenkundig observa­torium?

Inderdaad, het ging hier namelijk om een reeks lichtschijnselen.

  • Waar? Op de maan?

Niet op de maan, maar een reeks lichtschijnselen die in de blinde hoek tussen maan en avondster als het ware gereduceerd werden. Ze werden overigens door een voertuig geproduceerd en zo zal men ongetwijfeld ook wel de zogenaamde verschillende radiotelescopen beginnen te plagen met onverklaarbare verschijnse­len, om dan de verklaring te geven, wanneer de nieuwsgierigheid groot genoeg is en dan – door een bevestiging van voorspelde verschijnselen – een aanname van de gegeven verklaring te verkrijgen. U kunt beter te langzaam te werk gaan dan te vlug.

  • Maar bij de gebruikmaking van een medium langs telepa­thische weg treedt dan niet het bezwaar op dat het medium – via zijn onderbewustzijn en de intellectuele structuur die hij heeft – toch altijd in de termen zal gaan spreken die ont­leend zijn aan zijn eigen planeet?

Dat is logisch. Dat is dezelfde moeilijkheid waarmee wij – dat hebben we zo vaak nadrukkelijk gezegd – te strijden hebben.

  • Dus dan kan een mededeling van een medium in een derge­lijke zin toch nooit voor de volle 100% als waar worden aan­genomen? Men moet toch altijd rekening houden met een verte­kening van het beeld.

Neemt u als doorsneewaarheid van een goed medium aan: 60%. Zelfs wanneer wij 75% in doorsnee wel kunnen halen, mogen we zeggen dat 60% bij een goed medium het redelijk aanvaardbaar gemiddelde is. Wanneer we 60% van de verkla­ringen voor waar aannemen, dan zal wel blijken dat dat inderdaad altijd opgaat. We kennen natuurlijk piekperioden waarin een veel hoger percentage, laten we zeggen 90%, volledig zuiver wordt weergegeven, maar er zijn altijd omstandigheden die dat onzeker maken. Krijgen we te maken met een slechtere kwaliteit medium, ja, dan kan het zelfs voorkomen dat maar 1% juist en dat 99% onderbewustzijn is.

  • Maar dat kunnen we toch enigszins controleren door onze intuïtie?

Dat is een grote vraag.

  • Ik meen dat de redelijkheid van het betoog dat u van­avond hebt afgestoken, dat kunnen we toch testen met ons eigen intellect?

Ja, natuurlijk.

  • En wanneer daar dan onsamenhangendheden optreden, kun­nen we die toch onmiddellijk elimineren?

Inderdaad, maar nu ligt het er maar aan in welke ter­men de zaak wordt uitgedrukt. We spreken nu op een betrekke­lijk zakelijke wijze – ik zeg betrekkelijk omdat de wetenschap dit niet altijd zal kunnen aanvaarden – maar over een onder­werp dat – althans in het grootste gedeelte der uitgespro­ken stellingen – op enigerlei wijze te toetsen is. Maar stellen we nu eens dat wij gaan spreken over dingen die niet te controleren zijn. Nemen we nu eens aan dat ik u het leven ga beschrijven op een andere planeet. Nemen wij eens aan dat ik u ga vertellen hoe het er uitziet in een andere sfeer. Hoe wilt u dat met uw intellect testen?

  • Nee, dat kan ik niet.

Daarom.

  • Maar dat zijn dan ook van die dingen die we moeten aan­nemen of verwerpen.

Inderdaad, die u moet toetsen op waarschijnlijkheid, moet vergelijken met andere verklaringen op dat gebied, om dan een zeker gemiddelde als redelijk waarschijnlijk te aanvaarden.

  • Maar wat heeft onze intuïtie in deze dan te betekenen? Op welke manier en in welke mate kunnen wij onszelf baseren op onze eigen intuïtie?

Nou, dat is over het algemeen betrekkelijk lastig, omdat intuïtie alleen als ze zuiver geestelijk is, zuiver goed is, maar bij heel veel mensen wordt de intuïtie beheerst door een … hoe moet ik dat zeggen … door een onbewust waarne­men, een onbewuste tegenzin, een onbewust aanvaarden, begrijpt u? En dat brengt dus met zich mee dat intuïtieve beslissingen vaak gedeeltelijk door het onderbewustzijn worden gedicteerd en niet in overeenstemming zijn met de feiten, maar in overeenstemming met vroegere ervaringen op dergelijk gebied. Bijvoorbeeld: een zakenman heeft één keer iemand mee­gemaakt met een wipneus die hem bedrogen heeft. Hij ontmoet een persoon met een wipneus, voelt intuïtief aan: “Ach, die persoon is wel goed, maar”, voegt hij er onmiddellijk achter, “ik moet voorzichtig zijn”, begrijpt u? Dan wordt dat voor­zichtig zijn toegevoegd en zo kunnen we verdergaan. Het is heel vaak gebeurd dat iemand door deze intuïtie als het ware werd geleid tot het afkeuren van iemand of iemands gedragin­gen, niet om de persoon of de gedragingen zelf, maar om het feit dat die persoon een rok droeg van een niet aanvaard model, of een das met een kleur die de persoon die de dra­ger beschouwt, enigszins schokte, onaangenaam aandeed. We moeten met intuïtie dus erg voorzichtig zijn. Maar we kun­nen wel dit zeggen: al datgene wat wij intuïtief aannemen, is gebaseerd op een verlangen in onszelf wanneer het onderbewustzijn daarin meespreekt. Wanneer wij iets intuïtief aan­vaarden als waar, om de eenvoudige reden dat wij voelen: zo moet het zijn, is het altijd noodzakelijk ons af te vragen: “In hoeverre kan mijn eigen verlangen naar iets mede tot deze aanvaarding hebben geleid?” en dan zullen we ontdekken dat ook dit hier een zeker percentage meespeelt. We zeggen dus: zoveel percent van mijn aanvaarden komt op rekening van mijn geloof, mijn drang tot geloven. De rest wil ik zo rede­lijk mogelijk onderzoeken.

  • Dus we mogen de wens – de vader van de gedachte – niet­ verwarren met intuïtie?

Neen, maar dat gebeurt over het algemeen wel. Wat dat betreft heeft de vader intuïtie dus wel veel onechte kin­deren. Zijn er nog meer vragen?

  • Ik meen vroeger wel eens gehoord te hebben dat in verband met de explosies (het tot ontploffing brengen van diverse atoom­bommen) er wel enig contact geweest is met ruimtevaarders, waarbij verschillende mededelingen, tekeningen, zelfs een bepaald beeldhouwwerkje overhandigd zouden zijn. Kunt u daar nog iets over zeggen?

Zover mij bekend is aan drie belangrijke plaatsen op aar­de (belangrijke bestuurders) een verklaring toegezonden in beeldvorm, dus niet als beeldje. Het was een reeks van beeldvoorstellingen die zekere mededelingen symboliseren en naar ik aanneem zijn deze landingen dan ook hoofdzakelijk met dit doel gebeurd. Het zijn zeldzame gelegenheden, dat inderdaad deze wezens zonder meer de aarde betreden hebben en verder weten wij ook dat in dergelijke gevallen ook wel een aantal van deze wezens – daarvoor speciaal opgevoed en geprepareerd – een tijdlang onder de mensen hebben vertoefd, maar het komt niet zoveel voor als men wel aanneemt. Dus dat is wel juist en dat zit inderdaad in verband met de atoomexplosies, om de doodeenvoudige reden dat een te sterke uitstraling van radioactiviteit door deze aarde een vergroting betekent van spanningen op de zon. Spanningen op de zon resulteren in zon­nevlekken; zonnevlekken in een versterkte straling die een voortdurende werking hebben op alle planeten die binnen hun bereik vallen. Dat wil dus zeggen dat ook andere werelden door ditzelfde getroffen werden. Ik spreek nu nog niet van de mogelijkheid – die inderdaad ook onder ogen is gezien – dat de aarde zelf een zodanige radioactieve explosie ver­oorzaakt dat zij hierdoor het totaal van de spannende krachten tenietdoet, zelf uit haar baan uittreedt en hiermee ten­minste zichzelf vernietigt en grote vernietigingen op ande­re planeten veroorzaakt, maar mogelijkerwijze de instabiele zon ook tot nova brengt, waarbij het totaal van alle werelden bin­nen dit zonnestelsel zou verdwijnen. Als deze nova komt, dan zal haar omvang zich uitstrekken ongeveer tot 3/4 van de af­stand van hier tot de uiterste planeet, verder dan de uiter­ste grens van het zonnestelsel

  • Twee jaar geleden was er een mededeling over deze vlie­gende schotels, namelijk dat juist een dag of 14 tevoren een der­gelijke landing was geprobeerd. Toen was er juist sprake van een beeldje dat werd gegeven. Nu zegt u: “Het was geen beeldje, maar een beeldvorm.” Is dit nu meteen een illustra­tie van een vertekening van een gedachte doordat de verkeer­de woordkeus door het medium naar voren is gekomen?

Neen, dat is alleen een uitdrukking van de nauwkeurige omschrijving, die wij bij een aparte behandeling van een onder­werp kunnen proberen, waar uiteindelijk de berichtendienst wel zeer beperkt moest blijven.

  • Moeten we bij de atoomexplosies geen verschil maken tus­sen de gewone atoombommen en waterstofbommen? Volgens de be­richten die ik ontvangen heb zijn waterstofbommen een leven­de kracht die een kettingreactie veroorzaken, want als zo’n reactie begint, dan zou er geen stoppen meer aan zijn en dan zou de hele aarde vervluchtigen …

Dat is inderdaad mogelijk.

  • … en dat deze ruimtemensen dat met hun etherische krachten nog tegenhouden, anders was onze aarde reeds ver­vluchtigd.

Dat laatste betwijfel ik, maar inderdaad, waterstof‑ en kobaltbommen zijn wat men noemt levende krachten. Dat wil zeggen: zij veroorzaken een zodanige reactie in de bovenste lagen van de atmosfeer dat verbrandingsverschijnselen over de hele aarde kunnen optreden. Van een atoombrand zal nog niet zo gauw sprake zijn. Atoombrand is echter hetgeen waar­voor men vreest en waarvoor uw berichtgevers ook inderdaad beducht zijn. Atoombrand betekent namelijk een voortdurend ster­kere omzetting – een kettingreactie die vertraagd wordt; er zijn namelijk zeer veel weerstandsmaterialen in de atmosfeer en in de aarde zelf, absorptiematerialen – waardoor dus lang­zaam maar zeker deze aarde wordt tot een gloeiende massa en tot gas, die mogelijkheid bestaat, maar ze bestaat alleen wanneer H‑bommen tot explosie worden gebracht van aanmerke­lijk grotere kracht nog dan op het ogenblik gebeurd is. Wat op het ogenblik tot explosie kwam, heeft wel – vooral in de bovenste luchtlagen – grote gevaren betekend. Maar deze zijn gelukkig bedwongen.

  • Er zijn over dit onderwerp verschillende boekjes geschre­ven, onder andere dat van Adamski. Daarin wordt namelijk de landing be­schreven van een zogenaamde Venusbewoner, die hem dan een boodschap gegeven heeft en wat dies meer zij. Moeten we dat voor 100% als juist aannemen of …

Zou niet de totale weergave daarvan – en ook als ik me niet vergis in het tweede boek – wijzen op een zeer sterke suggestie waar de uitdrukkingsbeelden in overeenstemming zijn met bepaalde idealen die op aarde bestaan?

  • Met andere woorden: tot het rijk der fabelen.

De inhoud zelf is voor een gedeelte acceptabel, maar de vormgeving en vooral de wijze waarop deze vormgeving zo sensationeel mogelijk is gebeurd, heeft ertoe geleid dat men als realiteit innerlijke ervaringen heeft voorgesteld en dat is natuurlijk iets, waar ik …

  • Juist, maar nu is er nog een zeer belangrijk punt. Een van de schrijvers over dit onderwerp is onder andere major Keyhoem en naar ik meen in het laatste boek van hem over de tegen­werking die het Pentagon geeft, heeft hij het over de bericht­geving en de verspreiding van de inzichten omtrent die scho­tels, zoals wij dat vanavond gehoord hebben. Maar nu beschrijft hij in dat boek onder andere een jager die gestuurd was om een UFO (unidentified flying object) na te gaan om te zien wat het was. Dat werd waargenomen op een radarscherm. Toen is gebleken dat beide voorwerpen elkaar meer en meer naderden en op een gegeven ogenblik vielen ze op het radarscherm sa­men en er is nooit meer iets gevonden van die jager die is opgestegen om die UFO te onderscheppen. Daaromtrent zijn toen verschillende theorieën naar voren gebracht. Het feit dat er van die jager geen enkel overblijfsel te vinden was, heeft de mensen doen aannemen dat hij geabsorbeerd was, om zo te zeggen opgenomen in die vliegende schotel. Is dat juist?

Gedeeltelijk is dat waar. Wanneer een dergelijke jager een UFO inhaalt, dan bestaan er twee mogelijkheden. Men houdt het veld op volle sterkte voortdurend intact en dan zal het vliegtuig in kwestie dus afstorten en vernietigd worden. Men kan echter ook dit veld tijdelijk even verzwakken, maar moet het daarna onmiddellijk sluiten, wil men zelf geen schadelijke gevolgen ervaren. Dan bevindt het vliegtuig zelf zich binnen het veld van de schotel, laten we aannemen dat het een schotel was, en zal zich dus bewegen met deze schotel, getrokken door dezelfde bewegingskracht, die gebaseerd is op een eigengemaakte zwaartekracht ín dit voertuig, die uitgebalanceerd is tegen aarde. Dus het resultaat zou kunnen zijn dat men bijvoorbeeld een dergelijke piloot inderdaad nog in de schotel overbrengt en dat men het vliegtuig zeer eenvoudig meeneemt in het veld tot ergens in de ruimte, waar men het desnoods deponeert, ofwel voor nader onderzoek meeneemt. Je wilt wel eens weten wat die primitieve luitjes nou weer voor een soort TomTom in elkaar geknutseld hebben.

  • Deze uiteenzetting is zeer interessant, want het is meer gebeurd.

Ja inderdaad, er is heel wat meer gebeurd. Het is ook wel gebeurd dat vliegtuigen afgestort zijn doordat ze te snel in de nabijheid kwamen en het is ook wel voorgekomen dat zo’n voertuig – zo’n UFO zullen we maar zeggen met de gebruikelijke term – heel vriendelijk zelf zijn veld wegnam om een verkeersvliegtuig, waarop men niet gerekend had, niet in gevaar te brengen. Met het gevolg dat iedereen dat ding zag en niemand wist wat het was, maar zodra dat vaartuig zelf met zijn geringe versnelling, die het kon hebben in de atmosfeer ook zonder dit veld, het vliegtuig had laten passeren, verdween het. U ziet, de uitlegging is logisch. Wanneer u weet hoe zij functioneren, dus hoe zij berusten op het ontwerpen van een veld rond het eigen voertuig, kunstmatig, waardoor dit een eigen zwaartekracht krijgt die uitgebalanceerd kan worden ten opzichte van de aarde en afstotend kan werken ten opzichte van de aarde, terwijl elke richtingverandering door de inzittenden binnen het zwaartekrachtveld niet gevoeld wordt, dan kunt u begrijpen hoe al die dingen mogelijk zijn.

  • Dan rest nog één vraag. Zoals u gezegd hebt: tegen meteorieten stoot het veld af.

Inderdaad.

  • Kunnen ze dat nu zo veranderen dat in geval van dat vliegtuig die kracht omgekeerd wordt, dat het vliegtuig aangetrokken en opgenomen wordt? Dan is hier geen sprake meer van afstoten, maar van vasthouden.

Van vasthouden. Kijkt u eens. Wanneer we nu eens goed kijken wat er gebeurt, dan heeft het vliegtuig, of de meteoriet, een eigen snelheid. Wanneer deze eigen snelheid nu zodanig is dat ik er een sterke wand tegenover zet, dan versplintert ze, het kaatst af, maar op het ogenblik nu dat ik mijn weerstand zwakker maak, soepeler, wordt het voor mijzelf gevaarlijker. Mijn veld wordt onevenwichtig, daarom kan ik dit niet lang doen. Wat gebeurt er dan? Dan is het net een rubberband waar het vliegtuig – of de meteoriet – in komt. Ze wordt opgevangen en komt naar binnen, maar op het ogenblik dat ik haar voldoende heb afgeremd, doe ik mijn veld plotseling weer normaal uitstralen. Dat wil zeggen dat de stralingsgrens zeer snel, over het vliegtuig heen als het ware, wordt gelegd, of over de meteoriet, waardoor deze zich binnen het bolvormige veld bevindt.

U ziet, u zou het een soort absorberen kunnen noemen. Maar als u het proces aardig wilt zien, dan moet u maar eens een microscoop nemen met een ééncellig wezen dat zich voedt. Dan ziet u ook hoe het veerkrachtig wordt, een uitstulping vormt, zich om het voedsel heen legt en plotseling bevindt het voorwerp in kwestie zich binnen de cel.

  • Dus een geval van absorptie?

Ja. Hebben we nog meer vragen? Niet meer? Dan zullen we afscheid gaan nemen, vrienden. Het spijt me dat ik op de ene vraag tot nog toe geen antwoord heb kunnen geven en dit dus – waar ik het medium vrijgeef – ook niet verder meer zal doen. Ik hoop dat deze vragen, die ongetwijfeld voor ons zeer interessant waren, vooral aangaande uw reacties, voor u ook interessant geweest zal zijn. Wij hebben er inder­daad iets uit mogen leren en dat mag ik dan nog even vast­stellen.

Bij een volgende inleiding zullen wij nog iets meer me­thodisch opbouwen en dus de betoogtijd inderdaad moeten op­voeren tot de daarvoor uitgetrokken periode van ongeveer een uur. We hebben gemeend beter te doen om de vragentijd te verlengen. Ons blijkt thans dat wij juist door een uitbreiding van het onderwerp misschien de vragen nog interessanter en nog prettiger kunnen maken.