De nieuwe leer hernieuwd gebracht

Naastenliefde

“Elke mens is medemens.  Elke medemens zal men moeten benaderen als zodanig.  Het leven heeft eerst zin, indien men betekenis heeft voor anderen. Deze betekenis bekomt men door voor anderen vreugde, een verbetering van het lot te betekenen.”

“Indien iemand uw medemens onrecht aandoet, zult gij alles doen wat gij kunt om dit onrecht te bestrijden.  Maar hoedt u ervoor daarbij zelf onrecht te begaan.  Want hij, die onrecht bestrijdt, roept de orkaan op om de wind te verdrijven.”

“Indien een medemens in nood of gevaar is, zo zult gij hem helpen met alle middelen, die u ter beschikking staan. Hoedt u er echter voor u hierop te beroemen of u op bestaande verplichtingen te beroepen.  Dat wat gij doet, doet gij uit uzelf en voor uzelf, omdat gij uzelf erkent in de medemens.”

“Alleen werken betekent vaak ondoelmatig werken.  Samenwerken heeft eerst zin, indien dit vrijwillig geschiedt.  Hij echter, die beseft hoezeer zijn medemens deel is van het bestaan, zal vrijwillig met andere samenwerken, zonder zich daarop te beroemen en zonder daaruit voor zich enig recht te distilleren.”

“De zin van het leven is te weten wat ge voor betekenis hebt voor anderen en de betekenis, die anderen voor u hebben voortdurend te erkennen.  Hieruit ontstaat een bewustzijn van de hoge kracht en de werkelijkheid van het leven.”

Bezit en aanverwante zaken.

“Gij bezit niets werkelijk dan datgene, wat gij gebruikt.  Datgene, wat gij niet gebruikt, is niet uw bezit, maar een last u opgelegd.  Deel daarom al wat gij bezit met anderen voor zover ge het zelf niet van node hebt.  Weest voortdurend bereid uit uw overvloed te geven, maar wees evenzeer bereid uit de overvloed van anderen te ontvangen.”

“Bezit vormt nimmer een recht; het vormt altijd een verplichting.  Gezamenlijk kan men bezit op de juiste wijze gebruiken, waar men alleen hiertoe niet in staat is.  Werk daarom altijd met uw bezit samen met anderen voor zover u dit mogelijk is.  Waar u dit niet mogelijk is, beperk uw bezit tot het punt, waarop gij met anderen dit bezit kunt beleven.”

“Datgene wat ge kunt volbrengen is meer waard dan datgene, wat gij bezit.  Richt u op uw mogelijkheden, niet op uw bezittingen.”

“Uw kennis heeft eerst waarde, indien zij kan voortbrengen.  Daar, waar gij kunde bezit, zal uw kennis voor anderen vruchtbaar zijn.  Daar, waar gij kennis bezit doch geen kunde, zult gij daarvan moeten delen voor zover het u mogelijk is om het kunnen van anderen te vergroten.  Wie voor zichzelf kunde en kennis behoudt is een dwaas, daar hij ze ten gronde richt.  Hij echter, die ze deelt met anderen, verrijkt de wereld en maakt voor zichzelf de wereld tot vreugde.”

Sociale verhoudingen.

“Gij zijt niet zonder anderen, zo weest anderen dankbaar voor wat gij zijt.  Gij kunt slechts met anderen samenwerken, indien gij vrijelijk geeft van uw kunnen en uw mogelijkheden.  Daar, waar men een voorbehoud maakt, zal de samenwerking altijd stranden.”

“Werk niet samen in woorden.  Werk samen in daden.  De daad brengt werkelijkheid, maar de woorden, die men gezamenlijk spreekt, zijn een begoocheling, waarin men zichzelf verliest.”

“Er zijn geen rangen, klassen of standen buiten die, welke gij zelf creëert.  Er zijn geen verschillen tussen mensen dan de verschillen, die de mens zelf constateert en aan zijn wereld oplegt.  Schep dan geen tegenstellingen waar gij dit kunt vermijden.”

Gezag.

“Gezag is datgene, wat ons tot samenwerking brengt.  Maar alle gezag op aarde is beperkt en kent geen werkelijke rechtvaardigheid.

Zoekt gij dan allereerst recht te doen aan uw medemens.  Zoek rechtvaardig te zijn t.a.v. de God, die gij erkent en gehoorzaam eerst daarna voor zover u dit mogelijk is, aan al hetgeen het gezag u oplegt.”

“Weest gezamenlijk gelukkig.  Het is beter een mens gelukkig te maken dan een mens een weg te wijzen tot de hemel, die gij juist acht.  Want de weg tot het geluk is een onmiddellijke; de wegen, die naar de hemel heten te voeren zijn vage aanduidingen en vaak dwaalwegen.”

“Respecteer al datgene, wat tot het recht van een ander behoort in uw maatschappij.  Maar respecteer dit slechts, opdat de ander in hetgeen hij heeft en bezit gelukkig kan zijn.

Respecteer echter nimmer regels, wetten of indelingen, als gij ziet dat ze ellende veroorzaken.  Want de erkenning van regels, die onjuist zijn, brengt de ellende op deze wereld voort.”

“Bedenk, dat gij leven kunt geven en kunt nemen, maar dat gij nimmer een leven dat genomen is, hergeven kunt.  Doodt daarom nimmer.  Indien gedood wordt, tracht hen die lijden te helpen, maar doodt zelf niet.”

“Geweld is een teken van onmacht, want daar, waar harmonie en samenwerking bestaat, is geweld overbodig.  Daar, waar harmonie en samenwerking met geweld worden afgedwongen, zijn zij een schijn van werkelijkheid en dragen zij in zich het gif van haat en verdeeldheid.”

“Veroordeel niemand.  Want allen, die gij veroordeelt, zouden ook u kunnen veroordelen, daar gij op uw wijze even schuldig zijt als al die anderen.  Tracht uw medemens te begrijpen en te doen wat juist is.”

Moraal.

“De ware zedenleer komt voort uit ons innerlijk besef.  Dit betekent, dat zij voor ons allen een eigen interpretatie is van het voor ons mogelijke.  Datgene, wat ons het grootste geluk schijnt, ons grootste kracht geeft en ons steeds dichter bij God doet gevoelen, is de juiste weg. Geloof hen niet, die u zeggen dat zielenheil, eeuwigheid, hergeboorte afhankelijk zijn van het volgen van regels op uw wereld.  Zij zijn afhankelijk van het juiste leven volgens dat wat ge zijt.”

“Men spreekt van de verplichting van de kinderen tegenover de ouders.  Ik zeg u: De ouders hebben meer verplichtingen tegenover de kinderen dan de kinderen tegenover de ouders, want de ouders hebben de kinderen voortgebracht.  De kinderen echter leven, omdat de ouders dit wensten.”

Bezit

“Men spreekt u over de heiligheid van bezit, van leven, van huwelijk.  Ik zeg u Geheiligd zijn deze dingen slechts vanuit uw eigen beleven; maar geen bezit is werkelijkheid.”

Dood

“Dood is geen onheil, maar vaak een zegen.”

Trouw

“De trouw, die men u zegt verschuldigd te zijn aan alle instellingen, is slechts een beroep op uw onvermogen.  Want daar, waar gij een reden tot trouw erkent, zal uw trouw groter zijn dan enige wet kan beschrijven.  Daar, waar gij slechts getrouw zijt, omdat men u zegt trouw te zijn, verraadt gij uw belofte op het ogenblik, dat ge haar uitspreekt.”

Godsdienst.

 “God is de kracht, die overal leeft.  Hij kent geen uitverkorenen en geen verworpenen, doch Hij is in alle leven.  Zo zal God in alle leven kenbaar zijn; en alle leven, dat God erkent, zal God eren.  Er is geen afzonderlijke weg om God juist te eren.  Juist eert men zijn schepper slechts door erkenning van diens Wezen en de juiste beleving van wat men zelf in die God erkent.”

“Velen achten zich gescheiden van hun broeder, omdat zij voor hun God een andere naam kennen.  Indien zij zouden kijken naar het vele, dat zij gemeenschappelijk aan wijsheid bezitten, zouden zij echter erkennen, dat God werkt in alle dingen, dat God aanwezig kan zijn in alle dingen en dat de broederschap van mensen in God sterker is dan elke verkondiging van een dogma.”

“Als gij tot God gaat, zo luistert, want hij is met u.  En zo gij luistert, zal Hij tot u spreken.  Indien gij tot uw God gaat met luide kreten, zult gij niet verstaan wat Hij u zegt.”

“Wie bidt tot God met zijn lippen, zal geen antwoord vinden, doch wie tot God bidt door zijn gedachten op Hem te richten en de daden te stellen, die met de gedachten in overeenstemming zijn, hij wordt gehoord door de Schepper in alle dingen.”

“Als uw God tot u spreekt, antwoordt Hem.  Maar bovenal, vraag u af, of gij waar kunt maken wat Hij zegt.  Want ons antwoord op Gods woord moet zijn, de daad, waarin wij verwezenlijken wat God ons zegt.”

“God is luisteren.  Godsdienst is luisteren naar God.”

“Velen noemen zich profeten en leggen u in Gods naam lasten op, die gij zult moeten dragen.  Zij zelf echter dragen deze lasten niet.  Zij, die zich verheugen, wanneer gij lasten draagt, dienen zichzelf en niet de God uit Wiens naam zij voorgeven te spreken.”

Vraag: “Indien twee priesters zeggen, dat zij weten wat God wil en zij spreken niet gelijk, wie van hen spreekt terecht?”

Antwoord: “Indien uw hart u niet zegt waar de waarheid voor u ligt, ga heen.”

Vraag: “Moeten wij het gezag van priesters en kerken erkennen?”

Antwoord: “Hij, die het goede in kerken en leringen verwerpt, is een dwaas.  Hij, die zich onderwerpt aan de dwaasheid van leraren en kerken, is eveneens een dwaas.  Wijs is echter hij, die het goede ervaart en aanvaardt uit alle dingen en werkt, opdat het goede op deze wereld en in alle leven voortdurend bevestigd zij.”

Liefde.

“Liefde is niet een verwerven, doch een geven zonder vragen.”

“Wie God liefheeft vraagt niet, zelfs niet om eeuwigheid.  Hij geeft, omdat het God is.”

“Hij, die de mensen liefheeft, heeft de mensen niet lief om het goede in de mens, maar ondanks het slechte.  Hij geeft deze mensen, omdat zij mensen zijn.”

Waarheid.

“Wie waarheid zoekt, zal waarheid moeten minnen.  Wie de waarheid vreest, zal haar immers ontvluchten.  Heb dan de waarheid over uzelf en over anderen lief, maar gebruik haar nimmer als een wapen.  Want wie de waarheid als wapen hanteert, hij verwondt met zijn tegenstander ook zichzelf.”

“De werkelijkheid, waarin u leeft, is de werkelijkheid van uw eigen wereld.  Gij kunt die wereld niet veranderen.”

“Spreek met anderen, indien zij u vragen; maar werk tezamen, omdat gij erkent.”

“Heb het leven lief, ook als het moeilijk is.  Bedenk, hoeveel u is gegeven naast hetgeen gij tekort komt.  Bedenk, hoe groot uw kracht is naast al hetgeen gij ontbeert.  Heb uw leven lief en leef dan ook uw leven met vreugde.  Want hij, die de vreugde ontkent, haat het leven.

Wie het leven haat, verwerpt zijn God.  Wie zijn God verwerpt, doemt zichzelf tot leed en duister.”

“Wanneer de vliegtuigen vliegen, wanneer de machines razen, zo zijn ze deel van uw wereld.  Tracht ze dan te gebruiken, opdat ze vreugde geven en tracht ze te beletten voor uzelf of anderen brengers van leed te zijn.”

“Uw wereld is vol systemen en in elk systeem schuilt veel goeds.  Tracht dan het goede waar te maken en strijdt niet over de waarde van het systeem als geheel.   Hij immers, die het goede bevordert, verdrijft het kwade.  Hij echter, die het kwade bestrijdt, doodt vaak het goede.

Leer goed te zijn.”

“Gaat niet uit om te verkondigen, want zij die verkondigen vergeten te werken.  Werkt opdat uw daden verkondigen, duidelijker en luider dan uw woorden kunnen doen, dat de wereld goed is, dat de kracht van de Eeuwige met u is en dat in alle dingen, zelfs in dood en ondergang, de vreugde van het leven blijft bestaan.”

“Men spreekt u van eeuwigheid en gij zijt eeuwig, maar in uw eeuwigheid zijt gij mens.  Wees dan mens, opdat gij eeuwig leert zijn.  Tracht niet eeuwig te zijn, want gij verliest uw mens-zijn en met uw mens-zijn uw besef van eeuwigheid.”

“Ga nimmer in strijd.  Zij die willen strijden, moeten hun eigen wegen gaan.  Zo zij niet strijden en uw steun van node hebben, steunt hen.  Doch zo zij u vragen hen te steunen, opdat zij kunnen strijden, wendt u af en ga heen.  Want zij die strijden, zijn het die de wereld vernietigen.  Zij die helpen, zijn het die de wereld doen voortbestaan.”

“Gij zijt eeuwig en toch leeft gij op aarde.  Maak van uw aarde dan de eeuwige vreugde.  Want wat gij u nu ontzegt om later in vreugde te leven, zal u later ontbreken aan de vreugde, die gij verwacht.”

“Arbeid moet worden volbracht.  Maar hoe minder arbeid gij behoeft te volbrengen, des te meer tijd gij zult besteden aan het erkennen van uw medemens, aan het beleven van uw God en de vreugden van het bestaan.  Dit is de zin van uw leven.”

“Gij kijkt naar het verleden, gij beschouwt de tempels van uw voorvaderen en gij spreekt over een grootheid, die ge verloren hebt.

Niet wat uw voorvaderen zijn, zijt gij, maar wat gij zelf zijt.  Een dwaas is de mens, die wil opgaan voor een examen, omdat zijn vader veel geleerd heeft.  Een dwaas is de mens, die rechten vergt van de wereld, omdat zijn voorvaderen groot waren.  Gij zijt wat gij zelf zijt en niet anders.  Gij hebt in de wereld de mogelijkheid, de kracht, de plaats en het geluk, die gij zelf bouwt, niet dat wat anderen u geven.”

“Er was een bedelaar.  Hij bedelde, ofschoon hij het niet nodig had aalmoezen te vragen.  Zij, die dit ontdekten, veroordeelden hem.  Maar ik zeg u: Hij had goed gedaan.  Want velen voelen zich gelukkig, als zij een ander een aalmoes kunnen geven.  Hoe moeilijk is het echter niet de aalmoes van anderen te aanvaarden.  Zo zeg ik u: Hij had recht op al wat hij verwierf.  Maar zij, die hem veroordelen, voelen zich misbruikt, omdat zij niet de daad die zij stellen tellen, maar slechts de illusie, die zij omtrent hun daad koesteren.

Koestert gij illusies omtrent de betekenis van uw daden, gij zult door de wereld worden bedrogen, doch stelt gij uw daden, omdat zij voor u goed zijn, de wereld zal u niet bedriegen.”

“Eens wandelden de goden op aarde en zij streden, zoals mensen strijden.  Maar ziet, de goden wandelen niet meer op aarde, want zij hebben te veel gestreden.

Gij spreekt over strijd.  Hoelang zult gij nog op aarde wandelen? Doch indien gij niet strijdt maar bouwt, hoe zal de aarde u ooit vergeten?”

“Indien gij waarlijk uw medemens zoekt zonder te letten op verschillen, zult gij vreugde vinden, omdat uw medemens u verstaat.  Daar, waar gij let op de verschillen, zal uw medemens u niet verstaan en gij zult eenzaam en zonder antwoord u beklagen.”

“Wie een huis wil bouwen, begint een steen te vormen.  Wie een boot wil bouwen, begint hout te zoeken.  Wie een leven wil bouwen, zoekt de kleine dingen, waaruit het levensgeluk kan opbloeien.  Maar hij, die het grote zoekt, zonder het kleine te achten, hij zal voortdurend ongelukkig zijn en in zijn ongeluk anderen meesleuren, tenzij die anderen hem begrijpen en het geluk brengen en geven wat deze mens zelf niet kon vinden.”

“Tracht niet het leven van anderen te regelen en vermijd dat men uw leven regelt in die punten, welke belangrijk zijn.

Handel niet volgens hetgeen anderen menen, maar volg hetgeen uzelf als juist erkent.

Ga verder zo in het leven te werk, dat u anderen helpt hun vrijheid te vinden waar dit nodig is, zonder dat u hen aan regels tracht te binden of zelfs maar uw eigen visie op te leggen.”

“Hij, die niemand schaadt, misbruikt zijn vrijheid niet.

Hij die vrijwillig dient, dient het best.

Hij, die verwerpt en veroordeelt, tast ook zichzelf en zijn vrijheid aan.”

“Het hele Zijn is een eenheid. Er is één kracht waaruit alle kracht voortkomt.  Er is één bestaan waarbinnen alle bestaan zich afspeelt.  Daarom is het belangrijk deze eenheid te beseffen.

Daar gij verbonden zijt met eenieder, kunt ge niets doen voor een ander zonder dat het ook u betreft.  Handel daarom steeds als tegenover uzelf.

Daar alles voortkomt uit één kracht en gij met alle dingen verwant zijt, zult ge alles kunnen en mogen gebruiken, mits ge daardoor de waarheid in en voor uzelf duidelijker kenbaar maakt.”

“Het gebeuren verliest zijn betekenis, indien ik mij bewust ben van het geheel daarvan.  Dan erken ik daarin steeds dezelfde waarheid.  Daarom moet ik het gebeuren niet zien als iets wat mij drijft of mij overkomt, maar als een deel van een geheel dat ik voortdurend beter moet trachten te beseffen.”

“Ik kan mij nooit onttrekken aan hetgeen ik ben. Daarom zal ik bij alle middelen moeten uitgaan van hetgeen ik werkelijk ben en kan.”

“Als er een oneindigheid in mij leeft, dan is het niet belangrijk hoe ik haar noem, noch is het van betekenis hoe ik haar benader.  Belangrijk is dat ik haar erken want het is de erkenning, die betekenis geeft aan mijn bestaan en mij de mogelijkheid geeft mij boven de schijnbare toevalligheden van alle bestaan te verheffen.

Daar waar ik de naam vereer en niet de werkelijkheid die in mij leeft, ben ik het slachtoffer van mijn eigen illusies.”

“Wat je machtig acht, geeft je macht over jezelf.  Dat wat je onmachtig acht, zul je niet achten, zodat het je kan overrompelen.  Maar dat wat je aanvaardt zoals het zich manifesteert, zal je in staat stellen uit de manifestatie de aard te leren kennen en uit de aard een werkelijkheid waarin het ‘ik’ de vaste kennis van het onveranderlijke (de eeuwigheid) ervaart.”

“Hij, die zich onthoudt omdat hij daarvan voor zich de noodzaak erkent, is een wijze.  Hij die zich onthoudt om daardoor God te verleiden hem met voorkeur te behandelen, is een dwaas.”

“Zij die zichzelf kwellen ter ere van de goden, leven in de ban van demonen die zij zelf hebben geschapen.”

“Je kunt dat wat je bent niet veranderen, maar je kunt wel datgene wat je bent perfectioneren tot een toonbeeld van wat het behoort te zijn.”

“Eigendom is datgene wat we waarlijk bezitten.  Als je je wast en je gebruikt daarbij zeep, dan is de zeep van jou zolang je je daarmee wast.  Maar leg je haar neer, dan is ze niet meer van jou. Eigendom is datgene wat werkelijk bij iemand hoort. Dus, de kleren die hij aan heeft, moet je respecteren, want die heeft hij nodig, die gebruikt hij regelmatig.  Maar als hij nu een pak heeft dat hij één keer in het jaar aantrekt, dan is dat niet werkelijk zijn eigendom, want hij heeft dat niet werkelijk nodig.”

“Wij leven in een wereld, die we niet zelf hebben geschapen.  De wereld wordt van buitenaf beïnvloed door hogere en ook door lagere krachten.  Wij, die ons daartussen bewegen, zullen nooit werkelijk iets kunnen leren, werkelijk iets tot stand kunnen brengen, indien we niet durven uitgaan van ons eigen wezen.  Wijzelf zijn het, die te midden van een niet door ons geschapen omgeving de voor ons juiste plaats en verhoudingen moeten zoeken.  Wanneer we ons daarbij laten belemmeren door onverschillig welke wetten of voorschriften, die niet in onszelf leven, zullen wij daaraan ondergaan, omdat we tegen onszelf verdeeld zullen zijn.”

“Een bewustwording is de aanvaarding van een met het ‘ik’ harmonische verbondenheid uit vrije wil en in volkomen vrijheid.”

Harmonie.

“Wanneer twee druppels water komen uit dezelfde bron en de ene draagt met zich wat modder en de andere is helder gebleven, wie zal zeggen dat ze in wezen verschillen?

Wanneer een mens veel kennis in zich draagt, is hij dan meer dan degene, die geen kennis bezit?  Neen, zij zijn elkaars gelijken.  Zij stammen uit dezelfde bron en zij gaan tot hetzelfde einddoel.”

“Werkelijke liefde en werkelijke naastenliefde zijn altijd opgebouwd uit het offer van eigen wezen, zonder dat men iets terugvraagt.  Het is een wegschenken.”

“Een wijze komt bij een arme en de arme geeft hem het kostelijkste dat hij bezit, een waarheid, die hij van zijn vader heeft ontvangen.  De wijze bezit meer dan dit, maar hij geeft zichzelf door nederig te aanvaarden”

“Wanneer ik waarlijk de Schepper, waaruit ik ben voortgekomen, bemin en streef naar een bewuste terugkeer tot die Schepper en mijn naasten zie als mijn gelijken op dezelfde weg, hoe zal ik mij kunnen vergrijpen aan hen?”

“Wie waarlijk zijn naaste respecteer en hem liefheeft als naaste, zal hem niet schaden.

Met alle wetten, die gij stelt, neemt gij de mogelijkheid tot schaden van de naaste niet weg.  Doch zo gij hen werkelijk liefhebt, kunt gij hen niet schaden.  Daarom zeg ik u: Geen wet is van belang, behalve deze ene: Bemin uw God boven alle dingen en streef naar de erkenning van Zijn wezen.  Bemin uw naaste als uw gelijke en sterk hem op de weg, die hij met u gaat.”

“Wij zijn niet van elkaar gescheiden door leven en dood, door tijd en ruimte.  Elke scheiding, die er bestaat tussen ons en onze medemensen of onze naasten, komt uit onszelf voort.”

“Wanneer twee cellen uit een lichaam twisten, zal het lichaam ziek zijn.  Wanneer twee mensen met elkander twisten, zo zal de mensheid ziek zijn.  Zoek daarom de eenheid en de samenwerking, waarin gij gezond zijt”

“Hij, die in de stortvloed staat en doorweekt wordt door de regen, kan zich daartegen niet beschermen door te denken aan het dak, dat hij zou kunnen hebben gebouwd.

De mens, die bewustwording zoekt en zich beschermen wil tegen hetgeen hij als niet-harmonisch of onjuist erkent, zal zich niet daartegen beschermen door te zeggen wat men eigenlijk zou moeten doen.   Slechts wie handelt van uit dat, wat hij nu erkent te zijn, zal zijn einddoel snel bereiken.

Eenieder, die leeft volgens opvattingen en visies, die niet werkelijk de zijne zijn, gaat daaraan eerder ten gronde dan dat hij ook maar één grein weten (kosmisch denken) gewint.”

“Indien gij u wreekt op uw medemens, zo keert de wraak tot u terug en ge zult haar ondergaan.  Doch zo ge uw medemensen beschermt tegen zichzelf, zo zullen zij aan uw bescherming ten ondergaande u meeslepen.”

“Het is een dwaas, die in de zon staart, totdat hij blind is.  Een wijze echter, ziet in het licht van de zon alle dingen, die nodig zijn om te leven.”

“Wees vrij, maar besef dat vrijheid pas waarlijk vrijheid is, wanneer zij zichzelf ook durft beperken.”

“Gij zijt aansprakelijk en verantwoordelijk.  Er is niets dat u zal redden.  Er is niets dat u zal helpen of dat u tot de ondergang zal doemen, wat niet reeds in uzelf bestaat en door uzelf wordt geactiveerd.”

“Gij zijt niet gescheiden van de mensheid, maar gij zijt deel daarvan.  Naarmate gij dit deelgenootschap met de mensheid sterker in uzelf beseft en voor uzelf juister uitdrukt, zo zal uw bewustzijn groter zijn.”

“Er is niets wat gij waarlijk kunt bezitten en niets wat gij waarlijk kunt verliezen.  Daarom is er ook niets wat gij waarlijk behoeft te vrezen.  Uw vrees is uw grootste vijand.  Al, wat gij bezit en wilt behouden, zal je verliezen.  Daarom is bezit uw vijand, want ge zult vrezen voor het verlies.”

“Wie beseft, dat hij in zich één en onveranderlijk is en dat hij met alle anderen, die hij kent in het leven, komende uit één bron, gaat tot één einddoel, zal hierdoor leven volgens de enige wet: wees uzelf in overeenstemming met het Goddelijke, dat in u werkt en in de erkenning van de harmonie, zoals die rond u bestaat.”

“Er zijn twee wetenschappen: één van de stof en één van de geest.  Bedenk echter, dat de geest eeuwig is, terwijl het “ik” in de stof steeds ondergaat.  Zo is de geestelijke wetenschap de meest belangrijke.  De stoffelijke wetenschap zal altijd moeten dienen om de geestelijke wetenschap te vergroten.”

“Onthoudt u van geweld.  Want wie geweld pleegt of geweld gebruikt, schept in zichzelf een vatbaarheid voor geweld.  Wie het vuur haat, wordt door het vuur gebrand.  Wie het vuur slechts veracht en het als onwaardig aan zichzelf beschouwt, wordt door het vuur gespaard.

Dus indien gij geschaad wordt door geweld of door haat, ligt dit in uw eigen wezen en uw eigen begrip en is nimmer aan een schuld of ingrijpen van anderen te wijten”

“Het is voor u noodzakelijk een zo groot mogelijke eenheid en samenwerking te bereiken met al wat leeft, ook datgene wat gij niet aanschouwt, opdat gij, één-zijnde met het Goddelijke, een deel daarvan niet bestrijdt en aan deze strijd zult ten ondergaan.”

“Het is beter onoverlegd te handelen dan niet te handelen.  Want hij, die onoverlegd handelt, doet ervaring op.  Hij, die niet handelt, is in zichzelf geschaad.  Het is beter om duizendmaal te falen dan om nimmer te pogen.  Het is beter duizendmaal recht op een doel af te gaan en het niet te bereiken dan langs omwegen een doel te bereiken, wat dan nimmer bevredigt.

Het is beter uzelf duizendmaal te offeren en duizendmaal te sterven dan éénmaal onrecht te plegen tegen anderen.  Want dit kunt gij in uzelf niet delgen en zult gij steeds weer moeten beseffen als een onjuist inzicht tegen God en een verkeerd begrip van goddelijke wetten.”

“Alles wat men economie, politiek en godsdienst noemt, is een band, waarmee u wordt geketend.  Het is een dwaas, die zich laat ketenen zonder te beseffen waarom.  Gij echter kent mensen niet en gij kunt hun ware wezen niet beseffen dan door de God, die in u leeft.  Bindt u daarom nimmer en wees vrij, levend volgens de God in u en de goddelijke wet, die gij kent.”

“Het is beter éénmaal in het leven tot één mens een woord van licht en goedheid te hebben gesproken dan boeken vol te hebben neergeschreven, die niemand ooit ontroeren.  Het is beter éénmaal tegen zijn plichten in mens te zijn geweest dan een perfect ambtenaar of rechter.  Mens zijn en menswaardig leven en handelen is de eerste vereiste voor eenieder, die bewustzijn zoekt.”