De Nieuwe Leer

1986

 In de zestiger jaren heeft een geestelijk zeer hoogstaande kracht zich gemanifesteerd in India, in de buurt van Jaipur. Het was een man die tot op dat ogenblik zich volkomen normaal heeft gedragen. Hij heeft een opleiding tot ingenieur gehad – niet afgemaakt, geloof ik – en deze begon ineens rond te trekken en heeft daarbij nogal grote reizen gemaakt – hij is ook in de Arabi­sche staten geweest. En hij predikte een nieuwe leer.

Ongeveer vijf jaar daarna kwam een tweede figuur, die we niet zo goed thuis kunnen br­engen. Zeer vermoedelijk van Libische origine. En deze deed een paar kleine wonderen en bracht ook weer een nieuwe leer.

Het wonderlijke is dat beide figuren elkaar nooit ontmoet hebben en dat beiden in essentie het­zelfde gepredikt hebben. De invloed daarvan is betrek­kelijk groot geweest. Er is ondermeer in India daardoor een reeks, zeg maar commu­nes ontstaan. Een principe dat zelfs tot China is doorgedrongen. Er zijn daarnaast een aantal verande­ringen geweest in opvatting, bv. in Saoudi Arabië en nog een ­paar landen.

Wanneer we daar over spreken als de “Nieuwe Leer” dan zijn we geneigd om de eerste figuur aan te duiden als de Wereldléraar en de tweede als de Wereldmééster. Of dat juist is, weet ik niet.

Hun leer is eigenlijk een zeer simpele:

” Zorg voor je medemens en zorg voor jezelf. Schaad niemand, dwing nie­mand”.

Dat is, héél kort samengevat, de kern van de zaak. En daaromheen spelen zich allerhand problemen af: er is bijv. iemand die dan op een gegeven ogenblik zegt: “Ja, maar heer, als we nou terug moeten, eigenlijk, naar een heel ande­re manier van leven en denken, zou het dan niet beter zijn als we helemáál naar de oude tijd terug­keerden?”. En toen gaf de Wereldleraar daarop het antwoord:

” Als je naar Bagdad moet, dan kun je er drie weken over lopen. Je kunt het ook in twee dagen doen met de trein. Hij die gaat lopen als hij een trein kan nemen is een dwaas. Hij, die niet gaat, omdat de trein loopt, is nog dwazer.”

En daaruit voelt U al dat ook hier allerhand gelijkenissen een rol hebben gespeeld.

Wanneer je zegt “naastenliefde”, dan valt op dat die term eigenlijk niet meer gebruikt wordt. Geen van beiden spreken over naastenliefde. Ze spreken over heel iets anders. Ze spreken over “verwantschap”. Maar als we de plaats waar ze vandaan komen, de landen waarin ze gewerkt hebben in aanmer­king nemen, is dat eigenlijk méér dan naastenliefde. Verwantschap is een verplich­ting. Naastenliefde is een gunst die je aan een ander b­ewijst. En ik geloof daarom dat toch wel degelijk vele dingen uit de leer van Jezus en sommige uit die van Mohammed, enkele denkwijzen ook, die meer uit Hindoe­ïsme en boeddhisme stammen, mee een rol spelen.

Ik heb U daarmee hopelijk georiënteerd en zal nu proberen een aantal citaten te berde brengen.

” Wanneer een medemens in nood is, ben je zelf in nood, totdat je hem gehol­pen hebt.”

” Wanneer een medemens lijdt, heeft het geen zin met hem mede te lijden. Maar je moet zijn lijden stelpen.”

“Al wat je zegt kan belangrijk zijn. Al wat je doet, ís belangrijk.”

En dan komen er natuurlijk ook problemen op. Dat is heel duidelijk t.a.v. moraliteit bijvoorbeeld. En dat wordt ook heel simpel opgelost:

“Jij bent zelve de wet. Een wet die je aan niemand op kunt leggen behalve aan jezelf. En als je de wet in jezelf gevonden hebt, pas hem toe óp jezelf.”

Mogen we dan dit wel en dat niet, zult u vragen natuurlijk . Het antwoord is:

“Al wat in de schepping is, komt voort uit God. Al wat voort komt uit God, is goed, tenzij wij het anders maken. Laat ons daarom alles aan­vaarden wat de Schepper geeft, maar laten we de betekenis ervan niet veran­deren.”

En dan roepen ze ook: “Ja maar, de kracht vooral, die je laat zien, mees­ter, waarom kunnen wij geen wonderen doen?”. Het antwoord was:

“Wanneer het U al zo moeilijk valt in Uzelf te geloven, hoe kunt U in God geloven? Maar als je aan jezelf gelooft en aan je God, kun je wonderen doen.”

Een islamiet maakte toen de opmerking: “Ja, maar er zijn toch grenzen? Want toen de berg niet naar Mohammed kwam, is hij toch naar de berg ge­gaan?” Het antwoord was:

“Wanneer ik in zijn plaats zou zijn geweest, was de berg niet nodig ge­weest.”

Het is een spel van denkbeelden, van woorden, maar ook van krachten. Wan­neer iemand zegt: “Ja, maar heer, ik ben ziek”, dan zegt hij:

“Denk je gezond.”

“Hoe moet ik dat doen?”. Dan zegt hij:

“Aanvaard wat je bent en stel je voor ogen wat je wilt zijn.”

En het gekke is, dat dat inderdaad de methode is ,die schijnt te helpen vaak. Sommi­gen hebben de meester in dat geval de meester beschuldigd dat hij geleend heeft bij Coué, maar ik geloof niet dat dat het geval was. Ik weet niet of hij hem ge­kend heeft.

“Alle dingen die zijn, zijn dromen. Dat wat is, is werkelijk. Dat wat is, is één. Dat wat wij dromen is veelheid.”

Al weer een beeld dus van tegenstellingen en ik moet zeggen dat ik zowel bij Wereldleraar als Wereldmeester, laat ik die termen gebruiken, steeds weer dit tweeledige ben tegengekomen. De Leraar zegt op een gegeven ogen­blik, tegen een aantal studenten:

“Jullie willen wat worden; maar hoe kun je wat worden als je niets bènt? Leer eerst iets te zíjn. Dan kun je door wat je bent voor ànderen iets worden.”

Vind ik heel knap. Een ander zegt: “Ja, maar ik zit met zo grote proble­men en moei­lijkheden. Hoe kom ik eruit?”. Wederom de Leraar, die mij sympa­thieker is, omdat hij erg nuchter is. Zijn antwoord is:

“Als U nadenkt over een probleem, wordt het alleen groter en lost het zich niet op. Wanneer u een probleem aanvaardt en kijkt wat U kunt doen, blijkt het probleem na korte tijd verdwenen.”

Hoe nuchter eigenlijk.

“Heer, wat moeten wij doen?”. Een vraag die door de eeuwen heen ook wel heeft geklonken. De wereldleraar die zegt:

“Wees je zelf.”

en de wereldmeester zegt:

“Besef de kracht die in je woont.”

Waarom noemen we dit dan een “nieuwe leer”? Er zit zoveel in dat oud is. Mis­schien wel omdat het grote verschil tussen al die oude leringen en de Nieuwe Leer is dat er zich nog geen priesterschap ontwikkeld heeft. Er zijn nog geen uitleggers.

De leer is ook zo eenvoudig dat iedereen ze zèlf kan beleven, wanneer je zoekt in datgene wat is gezegd. Je hebt een probleem. Dan kom je iets tegen en dan zeg je: “Oh, dàt kan ik doen. Dat zal míjn weg kunnen zijn”.

Op het ogenblik namelijk dat een derge­lijke leer ­wordt geïnstitutionaliseerd – vergeeft u mij dat ik stotter, maar het woord zelf staat me al tegen -, ontstaat een enorme vervreem­ding van de inhoud.

De meester zegt:

“Denk niet over het hiernamaals, maar wees vandaag.”

En dan zeggen ze: “Ja, maar heer, mogen we dan niet verwachten dat er een hemel is?”

Dan zegt hij:

“Een hemel die in uzelf woont, blijft bestaan. Een hel die in uzelf woont, blijft u kwellen. Maar datgene wat ge zijt, is oneindig. En dat zal moeten ophouden met dromen om zijn werkelijkheid te vinden die vrede is.”

Mogelijk dat die nadruk op vrede mede te danken is aan de ook toen reeds bestaande grote verscheurdheid van het land waaruit hij is voortgekomen. Maar ik denk toch dat dat begrip vrede voor hem iets anders is dan wapenstilstand. Vrede noemen ze tegenwoordig een toestand waarin de mensen elkaar pesten zonder elkaar dood te slaan. Maar in zijn ogen is vrede eerder: rust – zo grote rust die je zelf draagt, dat je met een ander kunt delen.

En, op die manier vertaald – ik ben aan het uitleggen, ik weet het -, kom je eigenlijk terug in de richting v­an het Boeddhistische Nirwana. Het zijnde niet-zijn, zoals men het noemt. Maar nu niet meer als iets waarin je verdwijnt, maar als iets waarvan je deel uitmaakt, ongeacht wat je bewust nog verder bent of beleeft. Het is een innerlijke zaak geworden. Niet iets om naar te streven, maar iets om te zijn.

En ik geloof dat dat punt kentekenend is eigenlijk voor beide leraren. Ze zeggen:

“Mensen, werk samen. Wanneer het één mens niet goed gaat en drie mensen helpen hem, gaat het vier mensen goed. Maar als het één mens goed gaat en drie anderen benijden hem, gaat het vier mensen slecht.”

En ik geloof dat daar wat in zit. Een groot gedeelte van de wereld is opgebouwd uit denkbeelden van: ‘hij wel en ik niet’, van: ‘als ik nu maar….’ en ‘had ik nu maar….’ en ‘oh, als dát eens zou kunnen…’. Dromen, maar je hebt niet met dromen te maken, je hebt met de werkelijkheid te maken: wat ben je, wat kun je? En allebei, elk op hun eigen wijze, ongetwijfeld, wijzen ze erop.

De leraar zegt op een gegeven ogenblik:

“Ach, waarom zouden wij ons beklagen over het leven dat een droom is. Na elke droom volgt een ontwaken. Maar wie zijn droom belangrijker vindt dan zijn ontwaken, wordt ook ná zijn ontwaken gekweld door zijn dromen.”

Je kunt haast zeggen: psychologie.

Er is iemand die zegt: “Ja maar, hoe zit het met karma?” – U weet, karma is een bekend woord. Dat heeft U hier ook heel vaak gehoord. Karma is name­lijk de verkla­ring voor alles wat je verkeerd doet maar waarvan je niet op dit moment de schuld op je wilt nemen. –  En dan zegt die leraar heel nuchtertjes:

“Wat je geweest bent, heeft je gemaakt tot wat je bent. Wat je nú bent, maakt je tot wat je zult zijn. Zo vraag je niet af: is het karma?, maar vraag je af: hoe doe ik nú het beste?.”

Zegt er een: “Maar we reïncarneren toch?”. Antwoord:

“Wat deert het U, wat u vroeger geweest bent? En waarom vestigt U uw hoop op wat u eens misschien zult zijn, terwijl ge zoveel kunt zijn op dit ogenblik?”

Anderen komen aandragen met het geloof, de heiligheid van het geloof ook natuur­lijk. Want er zijn heel veel mensen die hun geloof onaantastbaar achten. Dan zegt er één gewoon: “Wat U predikt is, nou, laten we maar zeggen: duivels”. Het antwoord was:

“Als ik zou prediken wat duivels was, zou ik preken wat mensen willen horen. Maar als ik preek wat uit God komt, dan preek ik over datge­ne wat in de mens leeft, wie het prettig vindt of niet.”

Dan zegt er een: “Kunnen we dan zonder godsdienst leven?”. Het antwoord is:

“Hij die altíjd krukken gebruikt, leert nooit lopen.”

Een ander zegt: “Ja, maar er zijn zoveel ellendige gevallen”, – het ging in dit geval om lepra, maar goed, het had over wat anders kunnen gaan ook -, “waaraan hebben ze dat dan verdiend, als dat niet hun karma is?”. Het antwoord is:

“Het is niet wat ze verdíend hebben. Het is dat wat ze nu zijn, ondanks alles, wat bepalend is.”

En daarmee maakt hij eigenlijk, dacht ik, een enorme streep door de rekening van iedereen die alleen maar bezig is met wat komen gaat.

Oh ja, één ding was heel erg leuk. Er was toen sprake over de bouw van een fabriek. Ik weet niet precies meer waar. Ik meen in de buurt van Janalpur. De meester werd er over gevraagd: “Is het goed wat ze doen?”. Toen zei hij:

“Maakt het de mens gelukkig?”

Toen riepen ze: “Ja”.

“Dan is het goed. Maar als u zo dadelijk ongelukkig bent, omdat uw droom niet is uitgekomen, bent u verkeerd.”

Hij was niet tegen modernisering, industrie. Helemaal niet, maar hij leerde de mensen bijv:

“Je moet samenwerken en ieder moet proberen te doen wat hij het beste kan. En wanneer de anderen hem daartoe de gelegenheid geven, dan kun je door alles te delen, samen beter leven, gelukkiger zijn en meer goeds op aarde voort­­brengen, dan zonder dat ooit denkbaar zou zijn”.

Ja, daar was toen ook een beklag, wat was dat ook al weer? Het ging toen over, ja, lichte vrouwen, en acrobaten, en musici. Afijn, die zwervende mensen die verto­ningen geven, en ook nog andere mogelijkheden bieden. En iemand zei: “Die zult U dan wel veróórdelen?”. En toen zei de leraar:

“Hoe kan ik iemand veroordelen, die datgene doet waarin hij het beste is.”

En toen waren ze allemaal erg geshockeerd. Toen zeiden ze: “Ja, maar mees­ter, dat kunt U toch niet goedvinden?”. Toen zei hij:

“Ik hóéf niets goed te vinden en U hoeft niks goed te vinden. Zij zelf moeten het goed vinden. Dat is het enige waar het om draait.”

Wij zouden zeggen: het enige criterium.

“Een mens moet zo leven dat hij vrede heeft met datgene wat hij is, met datgene wat hij doet, en elke dag opnieuw toch weer een uitdaging vindt om iets méér te doen en iets meer te zijn.”

En ik geloof dat hij daarmee de spijker op de kop heeft geslagen.

Ik denk dat wanneer – ja, veronderstellenderwijze -, wanneer de leraar het nederlandse voetbalpubliek, inclusief de belhamels, had moeten bewon­deren, hij zou hebben gezegd: “Ik begrijp het niet, waarom gaan ze niet voetballen, dan kunnen ze volgens de spelregels zo gemeen zijn als ze willen.”

Hij zegt niet: “Het mag niet”. Hij zegt: Je mag het niet zó doen dat je een ander schaadt”.

En ja, ons, van de Verdraagzamen, is de leraar dus erg lief omdat hij nuchter is, in zijn uitspraken to-the-point blijft. En toch voelen we ons ook met die meester verwant. Want wat zegt die?:

“Wanneer je je niet afvraagt: ‘wat maakt mij anders dan anderen?’, maar: ‘hoe kan ik met anderen meer zijn?’, dan vraag je niet naar godsdienst, dan vraag je niet naar stand, naar bezit. Dan vraag je alleen naar de erkenning van de medemens en het samen met die medemens meer mens zijn.”

En daarmee is eigenlijk in wat citaten een groot gedeelte van de leer toch voor U. En dan zijn er mensen die zeggen: “Ja, maar we hebben er nooit van gehoord!”. Dat is volledig waar. Over de wereldleraar zijn enkele artikelen verschenen in Amerikaanse tijdschriften. Maar er kwamen al heel gauw mensen met meer Indische filosofieën en meer aanhang, en hij is gewoon uit het gezicht verdwenen.

Wat heeft hij achtergelaten? Nou, zeg misschien, op het ogenblik, tien-, vijftienduizend werkelijke volgelingen e­n een groot aantal mensen die toch wel iets van hem hebben gehoord of een deel van zijn uitspraken toch wel in de praktijk kunnen brengen.

De meester heeft meer bereikt. Maar vreemd genoeg is dat voor een groot gedeelte in de richting van het Nubische land gegaan en dus niet zozeer naar de kusten van Afrika en zeker ook niet naar Arabië. Daar is zijn leer wel bekend maar ze wordt enorm bestreden. Ik denk dat hier het gezag van de mula’s, de imams en hoe ze verder allemaal mogen heten, ayatollah’s natuur­lijk ja, een veel te grote rol speelt.

Wanneer je de mens zelf tot rechter maakt over zichzelf, dan ontneem je anderen het recht om rechter over hen te spelen. En macht berust op twee dingen. Het recht om over een ander te oordelen en de macht om het oordeel te voltrekken.

Geen van beiden hebben ze aan màcht geloofd. Ze hebben gezegd:

“Macht is de illusie die in stand wordt gehouden door de dwaasheid van ve­len.”

En ze hebben daaraan toegevoegd:

“Macht is overbodig en zinloos wanneer de mensen vanuit zich het goede doen, want de machtige gaat dan ten onder aan het kwade dat hij zelf op­roept.”

Op deze manier hebben ze toch iets gezegd over verdraagzaamheid en de meester heeft daar, dacht ik, toch wel de meeste nadruk op gelegd. En ja, het is natuurlijk reuze prettig wanneer toch een zeer verlichte geest je gelijk geeft. Dan voel je je een beetje gevleid. Wanneer híj zegt dat je samen moet werken, zeggen wij: moet tolereren.

Maar hoe kun je met een ander samen­werken wanneer je niet ook het anders zijn van de ander aanvaardt? Gaat u kijken waar u wilt, zelfs in een huwelijk. Wanneer twee mensen niet aanvaarden dat elk van hen een eigen aard, een eigen karakter, eigen mogelijkheden heeft, dan wordt het of voor een van beide partners een slavernij of wat ook kan, in deze tijd tenminste, een echt­scheiding. En het schijnt dat dat nog al eens voorkomt.

Nu geloof ik dat je nooit over echtscheiding kunt spreken, omdat degenen die een echtschei­ding aangaan, nooit echt verenigd waren. Maar goed, dat is mìjn mening.

Wanneer de meester zegt dat er geen grenzen moeten zijn, dan zegt hij niet dat er geen landen moeten zijn, maar hij zegt:

“Je buur moet altijd bij je binnen kunnen komen als hij hulp nodig heeft. En als jij hulp nodig hebt, moet je je nooit schamen om naar een buur te gaan en die hulp te ontvangen. Alles wat je bent moet je willen delen met anderen en je moet de gaven van anderen aan­vaarden, wanneer ze wat ze zijn en wat ze bezitten, willen delen met jou.

Want er is groter recht dat een mens bezit dan het rech­t om te geven. Nemen daarentegen is het sluiten van grenzen. Ontvangen is anders dan nemen.”

Ik citeer nu even niet letterlijk, anders wordt het te ingewikkeld. Maar het komt dus hier op neer: Wanneer een ander geven wilt, mag je niet weigeren, want wat de ander geeft uit de volheid van zijn hart en wezen, is voor die ander belangrijk, want dáárom moet je het aanvaarden. Dat echter is niet: het nemen. Als je neemt, neem je wat jij belangrijk vindt, van de ander, en dit nu is niet juist.

In de Nieuwe Leer komen na­tuurlijk een heleboel dingen voor, waarvan je zegt, tja, wat moet je er mee aan?. En dan ga je toch weer naar die wereldle­raar toe, die op een gegeven ogenblik zegt dat politiek de in leugen gehulde grootheidswaanzin betekent. Ja, dan zeg ik: dat is erg onvriendelijk tegen politici. Maar als je spreekt over het wezen, over de structuur, heeft hij eigenlijk gelijk. En wanneer je hem vraagt: wat denkt u van regeer­deren, dan zegt hij:

“Een regeerder die kan regeren, regeert niet lang.”

En fijn is dat niet gezegd. Als je te bekwaam bent, moeten ze je niet, en omdat je bekwaam bent, heb je dan ook geen behoefte om ten koste van alles je vast te klampen aan een ander. Dus je kunt veel meer en veel beter zijn.

“Een mens”, zegt de leraar, “kan scheppen omdat hij datgene wat in hem leeft vorm kan geven buiten hem en zo, wat niet was, kan doen ontstaan of heront­staan.”

De meester zegt het anders:

“De kracht die in mij woont, spreekt door mij, omdat ik de kracht erken als het belangrijke. Zou ik spreken, de kracht zou zwijgen.”

Ergens komt het weer op hetzelfde neer. U ziet, het is altijd die tegenstellingssfeer. En daarbij is het een leer, die, dacht ik, in deze tijd nog niet concreet beleefbaar is voor veel mensen. Namelijk, dat je zelf de wet moet zijn, dat je zelf de verantwoordelijkheid moet dragen. Dat je zelf, met anderen samen desnoods, moet zorgen dat de dingen in orde komen. En dat je dat niet moet doen omdat jij vindt dat een ander moet veranderen, maar dat jij het gewoon moet doen, omdat er voor een ander betere mo­gelijkheden zijn om zich­zelf te zijn.

De essentie is en blijft eigenlijk datgene wat Jezus heeft geleerd en wat voor hem, overigens ook nog wel door andere wijzen, is uitgedragen.

“Het leven”, zegt de leraar, “wordt gemaakt tot een strijd tussen goed en kwaad. Maar waar het goede niet is, kan het kwade niet zijn en waar het kwade niet is, kan het goede niet bestaan. Daarom moeten wij beiden aan­vaarden en een weg kiezen waardoor beiden in evenwicht blijven. Alleen daar waar evenwicht in ons is, kan (en hij spreekt dan over de ‘God-in-ons’) de God in ons doen ontwaken.”

En dan komen er zo nu en dan wel besprekingen waarvan je zegt: ja, dat is een leuke discussieavond, zo’n beetje forumachtig, weet u wel, en dan zitten de mensen te zeuren over: “Ja, nou, als dat nou eens anders zou zijn dan dat?” Hij zegt:

“Waarom moeten de dingen anders zijn?. Ze moeten beter zijn. Wanneer U niet zo druk bezig zoudt zijn met Uzelf, zoudt U in en voor de wereld méér zijn. De kracht in U is datgene wat u duidelijk maakt wat u bent en wat u kunt zijn. Maar zodra u de details belangrijk gaat maken, gaat het gehéél teloor. Dan is er geen evenwicht. Waar geen evenwicht is, is geen vrede. Waar geen vrede is, kan de kracht door u niet werken.”

Dan zeggen ze:” Ja, maar heer – meester, zo zullen we zeggen – kunt u het nu niet voor ons in orde maken?” En toen gaf hij een heel gek antwoord. Hij zegt:

“Kan ik een curry eten, opdat u gevoed bent?”

Denk er eens over na. Je kunt niet voor een ander eten, je kunt ook niet voor een ander leven. Dat zijn dingen die je eigen bestaan aangaan, je eigen instandhouding, je eigen groei, je eigen ontwikkeling. Hoe wil je daaraan ontkomen, dat je het ook zelf moet doen? En dat is, geloof ik, in deze tijd erg belangrijk.

Want we zitten nu op de grens van een Aquariustijdperk en onge­twijfeld zullen nog wel eens hoge geesten incarneren en die zullen dan ook weer een “nieuwe leer” brengen, een nieuwe ‘formulering’, kun je zeggen, van het oude.

Maar in deze tijd beseffen te weinig mensen dat zij zelf en zij zelf alleen aansprakelijk zijn voor al wat ze zijn, doen en ervaren. Zij maken het uit, niet iemand anders. En als er gesproken wordt over een noodlot, dan geeft de meester een leuk antwoord. Hij zegt:

“Wanneer vraagt U de slang waarom ze geen poten heeft? Zij is slang en dit bepaalt haar beweging en haar weg. U bent mens, dat bepaalt úw beweging en uw weg. Niet elke slang is dezelfde. Niet elke slang beweegt zich hetzelfde. Niet elke mens is hetzelfde. Niet elke mens kan dezelfde ervaring opdoen, dezelfde wegen gaan.”

En de leraar, die natuurlijk veel nuchterder is, – tenminste voor mijn gevoel, hoor; vergeef het mij, ik spreek een oordeel uit dat ik eigenlijk niet mag spreken over hoge geesten, maar ja, hoe moet ik het zeggen – , hij heeft het, als ik het even weer samenvat, ongeveer als volgt geformuleerd:

‘Wie zich afhankelijk maakt van anderen, kan niet zichzelf zijn. Wie alleen vanuit zichzelf leeft en vanuit zichzelf werkt, is afhankelijk van hetgeen hij is, maar anderen kunnen in strijd zijn met je wezen, jijzelf niet.”

En ik geloof dat je daar ook weer een schema krijgt in die nieuwe leer voor het leven dat eigen­lijk doodeenvoudig is.

“Anderen kunnen mij alleen iets aandoen, wanneer ik het toelaat, bewust of onbewust. En wanneer ze me iets aandoen en ik aanvaard het niet, kan ik het ontkennen.

Ik voel pijn omdat ik pijn vrees en ik kan meer pijn vrezen dan mijn lichaam kan voelen. Maar wanneer ik tegen mijzelf zeg: die pijn bestaat niet, dan verdwijnt ze, dan blijft ze beneden het niveau waarop ze me storen kan.”

Iemand riep uit: “Ja, maar meester, wanneer ze mij nu zeggen: gehoorzaam of sterf?”. Toen zei hij:

Sterven is iets wat je zelf doet. Gehoorzamen is echter: je zelf onderdanig maken aan anderen. Kijk in je hart en weet wat je doet, want hij die sterft, leeft verder, maar hij die gehoorzaamt, sterft langzaam af zonder de dood te kennen.”

Ik vind het schitterend allemaal. En dan heeft hij ook een paar heel een­vou­dige opmerkingen:

“Waar een wapen is, is de neiging tot doden. Waar de neiging tot doden is, is de neiging tot dwingen. Waar de neiging tot dwingen bestaat, ont­staat de dood van velen.”

Zo heel simpel. Niet alleen maar: grote mogendheden met hun atoom­bommen en zo, maar net zo goed in een klein milieu: Pa, die de kinderen met straf­fe hand regeert en niet wil zien dat ze eenvoudig de mogelijkheden niet hebben om dat te zijn wat hij wil zíen in ze. Hij dóódt als het ware die kinderen omdat hij het ze onmogelijk maakt zichzelf te zijn.

Maar aan de andere kant zijn er ook ouders die hun kinderen alle moge­lijkheid geven in de wereld om zichzelf te uiten en die, wanneer ze een vreem­de een schop geven, zorgzaam vra­gen: “Pietje, heb je je tenen niet pijn ge­­­­daan?”.

Kijk, dat is ook weer anders. Want je mag jezelf zijn, maar nooit ten koste van een ander. Je mag uitleven wat je bent, maar nooit ten koste van een ander. En daar ligt, dacht ik, een criterium dat in deze tijd van groot belang is.

Mensen moeten weer leren op zichzelf te betrouwen. Ze moeten leren dat ze geen recht hebben van ànderen datgene te eisen wat ze zelf niet kunnen of zijn.

Dat zou natuurlijk de hele machtsstructuur van de moderne wereld aan­tas­ten en ik geloof dat dat ook een van de redenen is dat bijv. in India het onmogelijk is of prak­tisch onmo­gelijk is gemaakt om een aantal boek­werkjes te laten drukken en te ver­spreiden. Ze zijn uiteindelijk gedrukt, vreemd genoeg, in Oost-Duitsland, maar alleen voor de export naar India.

Dus: wanneer je dat zo bekijkt: die mensen zijn gewoon bang daarvoor. Mensen zijn bang dat ein­delijk elke mens gaat beseffen: ja, maar zo ben ik en dat kan ik, en nu zoek ik anderen, die dat ook wìllen en die dat ook kunnen. en dan gaan we samen en dan zullen we wel zien wat we kunnen pres­teren”.

Een typisch commentaar – alweer, ik zeg: van de leraar, het ligt me het beste. Ze vroegen: “Ja, maar heer, er worden toch plannen ge­maakt, voor nieuwe wegen en nieuwe dorpen”? Toen zei hij:

“Ja, plannen maken, dat is heel vaak: de feiten vergeten. Als je een plan hebt, kijk naar een eenvoudig plan en begin. Als je een pad wilt hebben van het ene dorp naar het andere, begin met een pad te maken en de kans is groot dat het andere dorp je tegemoet komt en ook een pad maakt.

Maar als ze het niet doen, verwijt ze het niet, want jij wilt het pad. En ga dan geen plannen maken hoe het moet gebeu­ren, begin. Het enige wat je moet weten is: waarvóór wil ik dit. Als je de reden weet waarom je iets wenst, dan je ook beginnen om het waar te maken.”

En ik dacht dat daar eigenlijk ook een soort beschuldiging in ligt, eigen­lijk,  tegen de moderne wereld. Natuurlijk, het is verschrikkelijk wanneer mensen hongersnood hebben en al die andere dingen en dat zij dan roepen: “Ja, help me, en verzorg me”. Maar: ze moeten leren voor zichzelf te leven, voor zichzelf te zorgen.

Natuurlijk, je kunt wat je hebt wel met ze delen. Maar niet zo dat ze op een gegeven ogenblik zeggen: ja, nou hoef ik dus zelf niets te doen, want ik krijg het wel.

En ik dacht dat dat ook in de gewone maat­schappij het geval was. Natuur­lijk, iedereen wil wel bepaald­e dingen. En ieder­een heeft wel het gevoel dat dat belangrijk is. Dan moet hij het zelf waar kunnen maken. Niet iemand anders zoeken die de rekeningen betaalt. Niet iemand anders zoeken die de aanspra­kelijkheid op zich neemt. Zelf doen.

Over geestelijke waarden en geestelijke krachten is ook het een en ander gezegd. En ontdaan van vele bloemrijkheden komt het eigenlijk hier op neer:

“Omdat het leven voor een groot gedeelte illusie is, een droom, is ze te wij­zigen. Maar dan moet de dromer sterker zijn dan hetgeen hij droomt. De kracht draag je in jezelf. Je zegt: er moet kracht zijn, dan ís er kracht wanneer u beseft dat ze in u woont.

Wanneer u zegt: er moet licht zijn omdat het duister is en als u beseft dat het licht in u bestaat, zal het van u uitstralen. Want elke mens heeft het vermogen om met zijn innerlijke kracht de uiterlijke verschijn­selen te beïn­vloeden en daardoor allerhand din­gen tot stand te brengen die op dit moment wonderen heten.”

Dan wil ik een van de weinige concrete uitspraken van de Wereldmeester aanhalen – ten­minste voor mij concreet dan weer – , hij zegt op een gegeven ogenblik heel duidelijk:

“Wie gelooft in zichzelf, gelooft in zijn vermogen om de wereld naar zijn hand te zetten. Wie gelooft in een kracht die hem alle mogelijkheden geeft, zal de wereld naar zijn hand zetten.

Maar let wel: beheers nimmer een ander. Want wat in de ander leeft, kan uw droom aantasten, maar de dingen kunt ge maken tot wat ge wilt. Voel u verwant met de materie en de materie antwoordt door uw gedachten een­voudig te laten uitbeelden. Voel U één met de machine en ze zal u gehoor­zamen alsof ze een levend wezen was. Maar misacht de mate­rie, misacht de machine, en ze worden uw vijand. Want al wat je verwerpt, wordt je vijand. Al wat je aan­vaard, wordt je vriend. En een vriend dient je niet, maar helpt je.”

En ik geloof dat ik daarmee het belangrijkste, van de geestelijke lessen ook wel, heb gegeven. O, er zit wel het een en ander bij van: moeten we bidden met rituelen? En het antwoord is:

“Ja. Wanneer het ritueel U helpt om U dichter bij God te voelen en de God in u duide­lijker te ervaren, is het ritueel nuttig. Maar het ritueel is alleen nuttig omdat het u die mogelijkheid geeft. Ze bezit geen verdienste in zichzelf.”

Er zijn allerhand andere verhalen over: ja, maar moeten wij dan toch ons niet verdedigen tegen al degenen, die ons aanvallen? En het antwoord was:

“Zolang je hen niet tegemoet gaat omdat ze je aanvallen, heb je het recht je te verdedigen.”

Het is allemaal zo simpel eigenlijk. Zo doodgewoon. Maar er zal een tijd komen dat de mensen veranderen, dat ze gaan begrijpen dat samenwer­king iets anders is dan van elkaar profiteren. En wanneer ze dat gaan be­grijpen dan komt er ook een ogenblik dat ze niet meer spreken over jouw belangrijkheid of mijn belang­rijkheid, maar over datgene wat ze tot stand brengen. En op dat ogenblik is de werkelijke geestelijke bewustwording op aarde mogelijk.

En een leer die in die richting gaat, kàn niet onderdrukt worden, hoeveel bel­angen er ook op het spel staan. Die leer kàn verder gaan. En als ze dan exponenten heeft soms, waarvan je je af­vraagt: waarom hebben ze zo gedaan, zoals Mossadegh bijv. [red: Perzisch politicus 1880 – 1967], dan krijg je het gevoel: ja, wij vonden dat dan toch verkeerd. Maar het is een begin en het heeft gewerkt en het zal verder moe­ten werken.

Men heeft moeten afpersen? Het afpersen heeft een antwoord gevonden. Ook daar zal men moeten begrijpen, dat er sprake is van de noodzaak even­wicht te scheppen, sa­menwerking. Niet alleen maar van onderlinge belangen­afweging.

De wereld gaat die kant uit. Staten kunnen niet meer zelfs­tandig blijven bestaan. Ze zijn te veel onderling afhankelijk geworden. Waarom dan de illusie van afzonderlijkheid zolang handhaven? Er zijn vele dingen die noodzakelijk zijn voor de mens, die de mens kan maken, wanneer hij ophoudt de dingen te maken die overbodig zijn, ja, die eerder schadelijk zijn dan goed.

Maar dan moet je gaan beseffen dat je niet leeft voor je zelf, of voor je zaak of voor een koninkrijk of voor een republiek, maar dat je leeft voor de mensheid omdat je mèns bent. En als dát gebeurt dan ontstaat die inne­rlijke verandering, die omschake­ling waarbij de wèrkelijke kracht in je wezen naar buiten komt. En die tijd móét gaan komen, want als die tijd níét komt, gaat de mensheid aan zichzelf ten gron­de.