De nieuwe wereldleer

De nieuwe wereldleer zoals gebracht door de Wereldleraar en de Wereldmeester in de tweede helft van de twintigste eeuw op de grens tussen Oost en West.

Liefde en naastenliefde zijn in feite identiek, want het is de erkenning van de ander als uw gelijke.  Het is de erkenning van de band, die er tussen u en de ander bestaat, onverschillig op welke basis die onmiddellijk is ontstaan.  Door deze liefde of naastenliefde zult u dus uzelf kunnen offeren of geven om daardoor de ander a.h.w. in staat te stellen deel te hebben aan datgene, wat in u leeft.  En of u dit nu doet door onderricht, door meditaties, door de meest nederige werkzaamheid of door de meer lichamelijke aspecten van liefde, is op zichzelf van geen belang.

Liefde is nimmer een hartstocht.  Zij is een wederkerige erkenning, waarbij men tevens de eenheid beseft waardoor degenen, die elkander liefhebben meer zijn dan zichzelf alleen.  Daarom kan deze liefde bestaan in elke verhouding en in elk opzicht.

Wie vrij is, kiest vrijelijk van uit zichzelf de weg, waardoor deze liefde voor hem aanvaardbaar en praktisch bruikbaar wordt.

Wie gebonden is, spreekt over liefde, maar gaat vaak aan de zin daarvan voorbij.

Leven betekent allereerst in jezelf bewust bestaan.

Slechts hij, die in zichzelf bewust bestaat, kan zijn naaste erkennen.  Leef op grond van de harmonieën, die je in jezelf erkent, maar beperk ze nooit tot jezelf.

Er zijn duizenden wegen om iets waar te maken.  Er is over het algemeen slechts één enkele weg, waarop je zelf iets kunt waarmaken op een voor jou aanvaardbare wijze.

De gehele wereld is vol wetten.  Maar elke wet, die bindend is, kan niet overtreden worden.  Besef dit wel!  Alle andere wetten zijn onbelangrijk.  Ze zijn het spel der mensen.  De goddelijke Wet echter is het onvermijdelijke, waarmee wij geconfronteerd worden. En de goddelijke Kracht, die wij eraan kunnen ontlenen, is gebaseerd op ons bewust aanvaarden van de begrenzingen die ons zijn gesteld.

Bedenk wel, dat het uiterlijk niet het kenteken is van het innerlijk.  Maar hij, die bewust is, ziet het innerlijk en laat zich niet meer door het uiterlijk misleiden.

Hij die trots is op hetgeen hij heeft bereikt, benijdt een ander zijn bereiken.  Hij echter, die voortdurend leert, wordt voortdurend vaardiger en wijzer.  Het besef van eigen onvolkomenheid is de basis voor verdere bereiking.  De illusie van eigen bereiking is over het algemeen gelijktijdig de dood van geestelijke ontwikkeling en de stilstand van stoffelijke mogelijkheden.

De techniek is er om ons te dienen. Wij moeten haar echter zo weinig mogelijk gebruiken, opdat wij haar meester kunnen blijven.

Want indien wij haar toestaan ons in beslag te nemen, zo beheerst zij ons.  Zij beheerst ons echter niet alleen naar lichaam en leven, maar ook naar de ziel.  Wij worden gebonden aan haar systemen en kunnen in ons de waarheid en de God in ons niet ontdekken.

Als de dingen er zijn, zijn ze er om te gebruiken.  Ze zijn er niet om te verwerpen.  Gebruik de dingen zolang je er meester over kunt zijn.

Wanneer de weg lang is, waarom zouden wij geen voertuig gebruiken.

Wij moeten zorgen dat onze wegen ons voeren naar ons doel.

Leven in deze wereld is het erkennen van het geluk van het bestaan, zodat wij verrijkt door hetgeen wij hebben ervaren in volgende vormen van bestaan de grotere blijheid van een volledig bestaan kunnen aanvaarden.

Een reiziger wil op reis gaan.  Hij verzamelt al wat hij bezit en torst dat met zich mee.  En ziet, traag en uitgeput bereikt hij zijn doel; en hij is niet meer in staat datgene te volbrengen waarvoor hij de tocht heeft gemaakt.  Ik zeg u: reis licht!

Laat alles achter wat voor u niet werkelijk noodzakelijk is.  De wereld en de kosmos zijn er om u te dienen, maar dan zult u moeten betrouwen op deze krachten.

Het vreemde is dat de Meester, veel minder dan de Wereldleraar, ageert tegen dingen als televisie en radio.  De Leraar ziet daarin iets wat je kan afleiden. De Meester zegt:

Neen, dat is helemaal niet zo erg.  Alle dingen die wij erkennen, zelfs het spel dat ons moet ontspannen, het schimmenbeeld dat ons vermaakt, moeten ons confronteren met iets in onszelf.  Zo wij ons daarvan bewust zijn, vinden wij onszelf steeds duidelijker weer en zullen wij steeds juister handelen volgens datgene wat wij in ons en omtrent onszelf hebben erkend.

Allen, die elkaar bestrijden om de macht, zijn dwazen!  Want ziet, zij binden zich aan lasten, die zij niet kunnen afwerpen.  Zij willen zich voeden met hun eigen ondergang.

Heb medelijden met degenen, die bezeten worden door hetgeen hen opvreet en vernietigt.

Wij allen zijn één. Dat wat ziek is in de één, zal de ziekte van de ander zijn.  Dat wat gezond wordt in de één, wordt de kracht tot genezing in de ander.  Onze verbondenheden dwingen ons samen te gaan, want niemand van ons kan alleen staan in het aangezicht van de waarheid.

Hier wordt letterlijk gezegd: Wij kunnen niet zeggen: jij wel en ik niet; of; jij hebt ongelijk en ik heb gelijk; en dat is een ziekte en dat is iets wat ons aantast.  Wij moeten eerder proberen elkaar te helpen om steeds beter te zijn.  Niet proberen iedereen aan elkaar gelijk te maken, maar gewoon elkaar helpen steeds beter te zijn, elkaar te begrijpen, elkaar te helpen en te dragen.  Niet omdat we dan zo goed zijn, maar omdat alleen op die manier een harmonie tot stand komt, waardoor wij in onze harmonie met de mensheid tenslotte het licht kunnen aanvaarden.

Degene, die in het verliezen van de redelijke beperkingen de eenheid van de oneindigheid vindt, is te loven en te prijzen.  Gelukkig is hij, want hij brengt een waarde voort die niet tot hemzelf beperkt blijft.  Maar wee degene, die zich afsluit van de werkelijkheid en in zich een heil zoekt dat alleen voor hem bestaat.  Hij stoot anderen af en belast hen met datgene wat hij in zich denkt te bereiken.

De ware mysticus is de mens, die leert de wereld met zijn geest te omvamen zonder haar te verlaten.  De dwaze mysticus is degene, die denkt dat hij in zijn geest de wereld kan verlaten en daardoor voortdurend met de wereld in botsing komt.

Daar de gehele kosmos de uitdrukking is van één wil en één wet, zal aan de samenhang van de delen van de kosmos het geheel van wil en wet kunnen worden afgelezen.  Hij die begrijpt, leest in de hemelen maar ook in de wateren, in de structuur van de aarde en in de groei van de planten dat wat op dit ogenblik de wet doet, wat zij veroorzaakt.

Het is de liefde die alle dingen verbindt.  Want zonder de wederkerige erkenning, het elkaar in evenwicht houden, kan er niets bestaan.  En als de evenwichten verschuiven, zo zullen wij mee moeten verschuiven.  Indien wij dit niet willen beseffen en gelijk willen blijven aan dat wat wij zijn, zo gaan wij ten onder aan de starheid waaronder wij gebukt gaan.

Als men zegt: dit is kwaad, zo vraag ik u: waarom?  Want kwaad is iets wat ge alleen in uzelf ervaart.  Dat wat ge als kwaad ervaart is kwaad voor u maar het kan goed zijn voor de ander.  En dat wat ge goed noemt, kan een dodelijke last betekenen voor anderen, die het ondergaan.

In de wereld kun je maar op één manier zo leven dat je in jezelf weet: ik heb goed gedaan.  En dit goede vind je bevestigd in jezelf en in het geluk, dat je hebt in het leven.  Je kunt voor jezelf maar op één wijze waarlijk kwaad doen: dat is als je beseft, ik heb hier verkeerd gedaan en jij je hierdoor ongelukkig of onzeker voelt in het leven.  Andere maatstaven zijn er niet.  De schepper heeft alle mogelijkheden voortgebracht en alle mogelijkheden zijn de onze, als wij ze maar kunnen voegen in dat wat wij zijn en wat wij leven.

De mens is nu niet direct een prettig beestje.  Wat de mens doet met geweld en met al die andere dingen is natuurlijk verwerpelijk.

De Wereldleraar stelt het als volgt: De geest, die niet rijp is strijdt.  De geest, die rijp is erkent harmonisch.

De geest, die niet rijp is, voelt zich beperkt en vreest grenzen.

De geest, die rijp is erkent haar eigen onbeperktheid van zijn en bekommert zich niet om de vormen, waarin het zijn tot uiting komt.

De Meester zegt het op zijn manier: Zij die geweld bedrijven, zijn de armen van deze wereld.  Want ziet, zij moeten vernietigen om hun eigen bestaan te kunnen aanvaarden en zo vernietigen zij delen van zichzelf en daarmede de mogelijkheden voor hun eigen ontwikkeling in dit bestaan.

Velen roepen uit: slechts één keer leef ik!  Maar ik zeg u dat ge vele malen hebt geleefd.  En wie zegt u dat ge niet zult terugkeren tot dezelfde problemen, werelden en vormen, die gij meent met de dood voorgoed achter u te laten.

Als ik roep, is er een echo.  De echo herhaalt wat ik zeg.  Is de echo mijn stem?

Waar hij dit zegt in verband met daden en gedachten, krijg ik het gevoel dat hij hiermee wil zeggen: alles wat wij doen, keert tot ons terug.  Het is niet alleen maar de directe reflexieve werking van wat wij zijn. En als hij dan zegt:

Hoe vele malen zal de echo zich herhalen, dan kan hij volgens mij hier ook doelen op het feit dat bepaalde instellingen en daden van ons zich voortdurend blijven herhalen, zodat ze steeds tot ons terugkeren en niet slechts eenmaal.

Ik vind het werkelijk een opvallend verschijnsel dat deze Meester de haalbaarheid van het leven in vele van zijn redevoeringen en ook in zijn persoonlijke conversaties naar voren brengt.  Het is alsof hij de wereld wil wakker schudden en wil zeggen:

Je leeft niet maar één keer.  Je hebt de tijd.  Doe het liever goed dan dat je veel doet.  Ik heb het gevoel dat dat wel juist is.

Gij die zoekt naar bezit, naar rijkdom en aanzien.  Gij zoekt naar alle dingen, die ge onmiddellijk kunt verliezen. Maar de ervaring, die in u is, acht ge niet en toch zeg ik u: de enige rijkdom, die ge waarlijk bezit is rijkdom, die ge in uzelf draagt.

Gij vraagt mij: Hoe kunnen wij anderen dwingen om juist te handelen?  Ik zeg u: Zo ge anderen dwingt, zo zult ge zelf niet in staat zijn juist te handelen.

Gij zegt altijd: Indien men mij een voorbeeld geeft, zo zal ik volgen.  Daarom gaat de wereld niet vooruit.  Want eenieder wil volgen.  Maar waar is degene die wil voorgaan?  Wil voorgaan ook in de nederigheid van het persoonlijke bestaan, zonder dat van anderen aan te tasten?

Gij denkt te bezitten.  Gij meent rechten te bezitten op mensen (hij geeft voorbeelden als: mijn man, mijn vrouw, mijn kinderen, mijn bedienden enz.), maar ge kunt niet waarlijk een mens bezitten, zoals ge niet waarlijk een geloof kunt bezitten.

Ge kunt slechts in u de erkenning daarvan bezitten en in die erkenning leven.  Uw verlatenheid en armoede zijn uw werkelijke rijkdom, want alleen zo zult ge waarlijk leven; niet eisende dat de wereld geve, maar zijnde in de wereld en gevende, omdat het u een noodzaak is te geven.