De nieuwe wereldleer

Het zal u duidelijk zijn dat het niet mogelijk is om alles wat daarmee samenhangt in een korte uiteenzetting te bespreken, Ik zou daarom graag een aantal punten willen geven, die m.i. essentieel zijn in deze leer. Zo mogelijk zal ik daarvan later het een en ander uitwerken. De basis van de Nieuwe Wereldleer is in zekere zin religieus. Ofschoon er bijna niet over God wordt gesproken, zou men toch vóór alles moeten stellen:

  1. Het hele Zijn is een eenheid. Er is één kracht waaruit alle kracht voortkomt. Er is één bestaan waarbinnen alle bestaan zich afspeelt. Daarom is het belangrijk deze eenheid te beseffen.
  2. Daar gij verbonden zijt met een ieder, kunt ge niets doen voor een ander zonder dat het ook u betreft. Handel daarom steeds als tegenover uzelf. Dit is eigenlijk een variant op het ook in het christendom bekende: hebt uw naaste lief.
  3. Daar alles voortkomt uit één kracht en gij met alle dingen verwant zijt, zult ge alles kunnen en mogen gebruiken, mits ge daar­door de waarheid in en voor uzelf duidelijker kenbaar maakt. Ook iets typerends. Geen geboden en verboden. Alles wordt herleid tot het eigen “ik” en de betekenis ervan.

Dan zijn er enkele punten die misschien op voorschriften lijken. Ik zou ze liever raadgevingen noemen. Je bent jezelf. Je bent verantwoordelijk voor jezelf. Je kunt alleen ín en vanúit jezelf beleven en ervaren. Zorg er daarom voor dat al wat je bent, doet en denkt in overeenstemming is met je werkelijk ego. In de gehele wereld zult ge moeten kiezen. Heb mededogen met al wat leeft, maar besef dat leven zonder strijd niet mogelijk is. Strijd daarom alleen dan, indien het onvermijdelijk is. Maar indien gij strijden moet, strijd met geheel uw wezen. Een raadgeving van iets andere klasse stelt:

Wie zichzelf leert kennen en meester is over zichzelf, zal hierdoor in staat zijn om zijn meesterschap uit te breiden over de wereld voor zover hij daarbij betrok­ken is en hij zal door zijn zelferkenning voortdurend juister leren hande­len binnen het kader van het geheel.

Het lijkt een beetje op yoga, alleen het stelt weer geen bepaalde filosofie. Over die filosofie wordt kennelijk weer verschillend geoordeeld, maar een algemene regel komt er toch wel uit voort. Elke denkwijze is belangrijk, indien zij u helpt juister te denken. Maar aangezien gij zelf moet denken is het dwaas de gedachten van anderen zonder meer aan te hangen. Iets wat de Orde ook al vaak heeft gezegd en waar we het volledig mee eens zijn. Als je probeert de nieuwe Leer te scheiden ‑ dat doe je vaak -­ dan zeg je: Wij hebben de Leraar en de Meester. De Meester is meer esoterisch. Hij houdt zich meer bezig met de hogere krachten en de innerlijke wereld. De Leraar houdt zich bezig met de wereldlijke zaken. Dat is wel waar, maar beiden verkondigen in feite hetzelfde. Want je kunt geen waarheid verkondigen die alleen innerlijk geldt. Elke waarheid zal gelden in je totale bestaan. Wil je proberen daaraan te ontkomen, dan zul je toch altijd een strijd in je zien ontbranden en weet je niet meer welke rich­ting je moet uitgaan. Het resultaat is dat je eigenlijk door het lot wordt geleid. En juist dat lot heeft ‑ zeker volgens de Meester – minder betekenis dan menigeen veronderstelt. Deze Meester zegt daarover: “Het gebeuren verliest zijn betekenis, indien ik mij bewust ben van het geheel daarvan. Dan erken ik daarin steeds dezelfde waarheid. Daarom moet ik het gebeuren niet zien als iets wat mij drijft of mij overkomt, maar als een deel van een geheel dat ik voortdurend beter moet trachten te beseffen.” Het is eigenlijk een zeer simpele weg. Een noodlot bestaat niet, tenzij ik niet bereid ben om alles in zijn geheel te ervaren met alle consequenties die daarvan ook maar kenbaar kunnen worden. “Ik kan mij nooit onttrekken aan hetgeen ik ben.” zegt de Wereldleraar, “en daarom zal ik bij alle middelen moeten uitgaan van hetgeen ik werkelijk ben en kan.” Dat is ook duidelijk. Maar betekent dat eigenlijk niet dat we steeds bezig zijn om onszelf te vervullen? De Meester heeft dat op zijn manier heel mooi gezegd door te stellen: “Als er een oneindigheid in mij leeft, dan is het niet belangrijk hoe ik haar noem, noch is het van betekenis hoe ik haar benader. Belangrijk is dat ik haar erken, want het is de erkenning, die betekenis geeft aan mijn bestaan en mij de mogelijkheid geeft mij boven de schijnbare toevalligheden van alle bestaan te verheffen. “Daar waar ik de naam vereer en niet de werkelijkheid die in mij leeft, ben ik het slachtoffer van mijn eigen illusies.” Het is zo’n eenvoudige leer. Ze wil ook geen godsdienst zijn. Vooral bij de Wereldleraar treffen we vaak uitdrukkelijk aan: het is niet de wijze waarop wij God willen eren en dienen. Het is de wijze waarop wij deel willen zijn van de God die in ons woont welke zal bepalen hoe we handelen. Geen godsdienst, maar een godsbeleven. Ik meen, dat dit aspect ‑ hoe vaak het ook in de Nieuwe Leer aan de orde wordt gesteld ‑ vooral probeert duidelijk te maken dat mensen hun God eigenlijk zelf maken.

De Meester zegt: “Wat je machtig acht, geef je macht over jezelf. Dat wat je onmachtig acht, zul je niet achten, zodat het je kan overrompelen. Maar dat wat je aanvaardt zoals het zich manifesteert, zal je in staat stellen uit de manifestatie de aard te leren kennen en uit de aard een werkelijkheid waarin het “ik” (ik in de betekenis van het geheel, inclusief super‑ego) de vaste kennis van het onveranderlijke (de eeuwigheid) ervaart.”

In de esoterische lering gaat het altijd weer om een tijdloos, een eeuwig bestaan. Dit is de achtergrond van alle verschijnselen. Je kunt je daaraan niet onttrekken. Want deze oneindigheid, dit altijd Zijnde is erg het kan niet worden veranderd. Het kan alleen worden beseft. Het kan op verschillende manieren worden beleefd. Als we naar de Leraar kijken, dan doet hij dat op zo’n nuchtere manier dat hij het geheel anders rangschikt. Men heeft hem eens gevraagd: Wat denkt u van ascese? Toen heeft hij geantwoord:

“Hij, die zich onthoudt omdat hij daarvan voor zich de noodzaak erkent, is een wijze. Hij, die zich onthoudt om daardoor God te verleiden hem met voorkeur te behandelen, is een dwaas.”

Ik ben bang, dat dat in sommige kringen niet zo goed zal vallen. Bij een andere gelegenheid heeft de Leraar ook gezegd:

“Zij, die zichzelf kwellen ter ere van de goden, leven in de ban van demonen die zij zelf hebben geschapen.” Het is in vele gevallen eigenlijk een poging om af te breken.

Als ik de Wereldleer beschouw, dan zie ik haar als een hernieuwde openbaring van een oude waarheid, die doorklinkt in de vroegste Sanskrietgeschriften zo goed als in de bijbel, in de evangeliën. Wij vinden die waarheden overal ter wereld terug. Het lijkt wel, of die waarheid steeds opnieuw moet worden geformuleerd omdat de mensen de betekenis ervan begraven onder bijkomstigheden. Je zoudt het een soort schoonmaakproces kunnen noemen. Als wij spreken over een nieuwe wereldleer, dan doen we dat omdat voor die mens die leer nieuw schijnt te zijn. Want die leer houdt zich helemaal niet bezig met allerlei belangrijke zaken als b.v. de kuisheid, de eerlijkheid, het respect voor vader, moeder of voor de instanties. Ze houdt zich alleen bezig met jezelf. Het is alsof men duidelijk wil maken dat alles in zekere zin aanvaardbaar is. De aanvaardbaarheid wordt namelijk niet bepaald door de wereld maar door jezelf.

De Meester zegt: “Je kunt dat wat je bent niet veranderen, maar je kunt wel datgene wat je bent perfectioneren tot een toonbeeld van wat het behoort te zijn.”

Dan zeg je: Dat is gemakkelijk. Ik ben een dief. Als ik dan steel, moet ik dat dus zo goed mogelijk doen. Volgens de Meester zit daar wel iets in. Als dat stelen voor jou een enorme drang is, dat het niet anders kan, dan is het niet zo belangrijk dat je zegt: dat deugt niet voor mij, want dat moet je eerst in jezelf weten. Maar als je dat niet voelt, dan is het heel belangrijk dat je probeert een zo goed mogelijke dief te zijn. En dan zeggen de mensen: Dat is toch heel iets anders dan wat Jezus heeft geleerd. Dat is niet helemaal waar.

Wat zegt Jezus over de oneerlijke rentmeester die ‑ wetend dat hij had gefraudeerd ‑ het geld van z’n baas nam om zich elders de vriendschap te kopen van diens schuldenaren door te zeggen: je bent zoveel schuldig, schrijf maar zoveel op? Die man gaf dus korting tegen gunst. En wat zegt Jezus dan? Dat de meester hem wel had ontslagen, maar hem toch loofde omdat hij zich, vrienden had gemaakt uit de Mammon. Dus kennelijk was Jezus ook niet zo heel erg gesteld op dat eigendomsrecht.

De Leraar geeft daar ook een aardige visie op. Hij zegt: “Eigendom is dat­ gene wat we waarlijk bezitten.” Daar kun je natuurlijk op duizend‑en‑één manier over denken. Zijn leerlingen vroegen hem. Wanneer bezitten we nu iets werkelijk? Toen zei hij: “Als je je wast en je gebruikt daarbij zeep, dan is de zeep van jou zolang je je daarmee wast. Maar leg je haar neer, dan is ze niet meer van jou.” Daar hebben ze heel gek tegenaan gekeken. Ik vermoed, dat sommigen in dit verband hebben gedacht aan communisme of anarchisme en dat anderen hebben gezegd: Deze man bevordert de oneerlijkheid, alsof de bestaande systemen dat al niet voldoende doen. De manier waarop dit wordt benaderd is heel anders. Het is dezelfde waarheid, maar de mensen hebben zich aangepraat dat ze alles mogen en moeten bezitten, dat alles gerespecteerd moet zijn, want het is eigendom.

De Meester zegt: “Neen, eigendom is datgene wat werkelijk bij iemand hoort. Dus, de kleren die hij aan heeft, moet je respecteren, want die heeft hij nodig, die gebruikt hij regelmatig. Maar als hij nu een pak heeft dat hij één keer in het jaar aantrekt, dan is dat niet werkelijk zijn eigendom, want hij heeft dat niet werkelijk nodig.

Daar zitten natuurlijk haakjes aan. Dat is een wereldvisie. De opvattingen t.a.v. wereldlijk gezag zijn ook een beetje shockerend in bepaalde gevallen. Zo zegt de Meester: “De enige macht die u kan bevelen is het licht dat in u woont.”

De Wereldleraar is praktischer en zegt: “Een gezag kan alleen waarlijk bestaan, indien ik het bewust aanvaard en de betekenis ervan erken. Is dit niet het geval, dan heb ik het recht niet dit gezag te aanvaarden.”

Let wel, het recht om het te aanvaarden. Het is geen verbod, maar je hebt er geen recht op. Je kunt je verantwoordelijkheden niet afschuiven op anderen. Het zou erg goed zijn, als ze dat in de Kabinetsbesprekingen ook zouden begrijpen. Zover is die Leer echter nog niet doorgedrongen. De vraag, of de nieuwe openbaring, de Nieuwe Leer de wereld zal veroveren, heeft zowel bij de leerlingen geleefd als ze ook bij u leeft. Ik geef u twee versies ervan. De eerste is van de Meester, de tweede van de Wereld­leraar.

De Meester zegt: “De waarheid zal altijd de wereld regeren, ook indien haar wezen soms lange tijd wordt ontkend.”

De Wereldleraar is praktischer en zegt. “Wanneer de waarheid en de wereldlijkheid van al wat je bent en doet wordt verkondigd, dan luisteren de men­sen niet. Eerst wanneer er een macht wordt ingesteld die hen zal straffen, als ze niet gehoorzamen, luisteren ze. Want velen eren God uit angst en weinigen uit ware liefde.”

Kijk, nu heeft u het beeld. Het kan niet groot worden, het kan alleen langzaam doorsijpelen. Dan denk ik onwillekeurig aan Jezus die over de leerlingen zegt: Gii zijt het zout der aarde. Waarbij je wel moet beseffen dat een heel klein beetje zout een gerecht smakelijker maakt. Elders zegt Jezus dat ze zuurdesem zijn. Nu, als je daarvan een klein beetje neemt, dan begint de rest te rijzen en kun je er goed brood van bakken. Dus eigenlijk is het helemaal niet nodig dat er velen zijn, dat er een officiële instantie komt.

De Leraar heeft overigens daarover een aardige grap gemaakt. Er werd hem gevraagd: Moeten wij uitgaan en uw leer verkondigen? Het antwoord was: Neen, verkondig mijn leer niet, maar leef haar. Want als ge haar verkondigt dan ontstaat een dwaasheid die nu in Rome zetelt.” Het was natuurlijk een beetje hatelijk van hem, maar ik vond het wel leuk, omdat hij probeerde duidelijk te maken dat iets alleen echt kan zijn, als het uit je eigen leven voortkomt en dat de betekenis eigenlijk nil wordt, als ze van bovenaf wordt opgelegd of verkondigd zonder dat je je eraan houdt.

De situatie van de wereld in de nabije toekomst is zowel bij de Leraar als bij de Meester ter sprake gekomen. De Wereldleraar is wat dat betreft realist, want hij zegt: “Wat kan er veranderen zolang mensen zich nog steeds verheven achten boven anderen.”

De Meester vat dat anders op. Hij zegt namelijk: “Hoe kan er een toekomst zijn die niet reeds nu bestaat? Want wij allen bepalen wat anderen morgen kunnen beleven. Wij allen bepalen wat ons bestaan morgen zal zijn.” Als iemand vraagt: Komt er nu een wereldoorlog of zo iets, dan is het ant­woord van de Meester: “De vorm waarin de strijd zich openbaart buiten de mens kan verschillen, maar er zal in de wereld alleen werkelijk strijd mogelijk zijn zolang de mens tegen zichzelf verdeeld is.”

Misschien dat u hier gaat begrijpen dat we werkelijk te maken hebben met twee elkaar aanvullende factoren, de Leraar, die inhaakt op sociale om­standigheden en toestanden en de Meester, die dat veel minder doet, maar daarvoor in de plaats een beeld ontwerpt van een geestelijk bestaan.

De Nieuwe Wereldleer zal nooit populair worden in die zin dat er kerken zullen zijn of dat groepen en Loges zullen samenkomen om die Leer te beleven. Want op het ogenblik dat dat gebeurt, bestaat ze eigenlijk niet meer, dan sterft ze. De Nieuwe Leer is juist een leer die moet leven in de harten van de mensen. Die leer wordt overal uitgedragen. Als je de Wereldleraar vraagt hoe die Leer dan bekend zal worden, dan geeft hij een aardig antwoord: “Vraagt u de wind hoe het komt dat hij waait? Vandaag is de storm hier en morgen woedt hij elders. Hij zal over de hele wereld gaan en niemand zal weten vanwaar hij komt of waarheen hij gaat.” Met andere woorden: het zit gewoon in de lucht.

De Meester krijgt een soortgelijke vraag: Meester, kunnen wij deze Leer duidelijk maken aan de mensen? Antwoordt: “Woorden zijn halve leugens, omdat ze de waarheid niet weergeven. Maar als je de kracht in je erkent en haar aan een medemens geeft, heb je hem waarheid geschonken.” Als ze aan de Meester dan vragen. Zullen we dan ooit erkend worden? Dan is zijn antwoord komisch genoeg: “Als gij erkenning van anderen node hebt, hoe is het dan mogelijk, dat ge de waarheid in uzelf reeds hebt beseft? Besef de waarheid in uzelf en de erkenning van anderen is voor u niet noodzakelijk. Slechts het niet‑noodzakelijke zal de mens u gaarne geven.” Dat laatste is een mooie sneer: het niet‑noodzakelijke.

Een situatie die ook interessant is (het is een tijd van rampen en overstromingen o.a. in het Ganges‑gebied) is de vraag, of je moet helpen. De Wereldleraar bekijkt het heel nuchter. Hij zegt: “Kun je het? Als de mensen zichzelf niet helpen, kun je hen niet helpen. Als de mensen zichzelf helpen, kun je ze aanmoedigen bij hetgeen ze doen, maar tracht nooit in hun plaats te handelen.” Hij bekijkt het erg practisch en hij heeft gelijk.

De Meester ziet het toch weer iets anders. Hij zegt: “Wanneer een mens in zich gevoelt hoezeer hij verbonden is met het lijden en de nood van anderen, dan is het vooral wat er in hem bestaat waaruit de Kracht naar de ander zal toevloeien. Maar kun je iets waarlijk tonen in stoffelijke zin, dan zul je daardoor je meer bewust worden van wat er in je leeft en zo grotere kracht uitzenden naar hen, die deze innerlijke verbondenheid van node hebben.”

Het zijn allemaal visies en versies. Als u mij nu vraagt: Kunt u dat nu sa­menvatten in 12 artikelen des geloofs of iets dergelijks, dan zeg ik: Neen. Dat kan eenvoudig niet. De Nieuwe Leer is te vaag. Ze is soms luchtig. Het is een Leer met een glimlach. Aan de andere kant is ze gelijktijdig een Leer van grote vrijheid. Ze stelt geen wetten. Een Leer die geen wetten stelt, kun je niet gemakkelijk in artikelen vastleggen. Het is geen openbaring in de zin van het woord, al zullen er waarschijnlijk wel volgelingen zijn die eens zullen beginnen met: God is groot en de Wereldleraar of We­reldmeester is zijn profeet! Dat is altijd gebeurd. Maar dat is de bedoeling niet, want op dat ogenblik gaat er al iets teloor.

Als je de Wereldmeester vraagt: Als het allemaal zo is als u vertelt, waarom komt u dan tot ons om dit te verkonden? Dan zegt hij: “Ik spreek uit mijzelf wat ik ken in mijzelf. Gij zijt deel van mij, omdat ik u erken. Ik spreek dan tot mijzelf. En zo gij antwoordt, antwoord ik mijzelf. Want slechts in mij leeft de kracht waaruit ik spreek. En wanneer ik spreek, luistert slechts de kracht die de woorden voorbrengt.” Het klinkt ontzettend mystiek, maar hij bedoelt dit: Als er in iedereen een goddelijke vonk is en een hoogbewuste gebruikt die vonk om te spreken, dan is er eigenlijk helemaal niets aan de hand, want die vonk brengt onder woorden wat hij zelf weet en zo luistert hij naar zichzelf. Het is een zelferkenningsproces van de diepste werkelijkheid. Daarom heb je God er eigenlijk veel minder bij nodig dan anders.

Het is opvallend dat de Boeddha ook niet spreekt over God als een actieve factor. Hij heeft het steeds over de mens. Kijken we naar Jezus, dan is het precies hetzelfde: ook hij heeft het in de eerste plaats over de mens. Zelfs Mohammed zegt eigenlijk betrekkelijk weinig over God. Hij noemt Hem als de gever van de wet, zeker. Hij ziet God als de verklaring voor de belevingen, de visioenen die hij heeft. Maar zijn wetten zijn menselijk, ze zijn zuiver stoffelijk. Daarom moet men de Leer in al haar vaagheid ook meer beschouwen als een innerlijke richtlijn die steeds meer tot uiting zal komen. Ik zou een van de voornaamste volgelingen in deze tijd ‑ overigens zelf een soort Maharishi, maar hij zit wel in India – willen citeren:

Wanneer de ziekte over het land gaat, zie je haar niet, maar je ziet dat de mensen ziek worden. Wanneer de vreugde over het land gaat, zie je haar niet, maar je ziet opeens alle mensen lachen. Wanneer de waarheid over het land gaat, zie je haar niet, maar plotseling begint ze uit ieder te spreken.”

Het is het spreken van de waarheid steeds meer en steeds vaker, waarin de werkelijkheid kenbaar wordt. De wijze waarop men tot die waarheid komt is belangrijk. Niet de weg is bepalend, maar het doel dat men bereikt. Maar men kan het doel nooit bereiken, indien de weg die men kiest niet strookt met het hoogste dat men in zich erkent.

Ik meen, dat ik daarmee een schets heb gegeven van de Nieuwe Leer.

Nu mijn eigen visie over de betekenis ervan, dat hoort er ook bij: Bij de Nieuwe Leer valt mij op dat ze vooral, tot op dit ogenblik althans, zich manifesteert in de gemeenschapsgedachte. We vinden dat in Pakistan maar ook in toenemende mate in landen als Iran, Irak. We vinden het beperkter in Turkije, in delen van Afrika en zeker ook weerspiegeld in de nieuwe benadering van het bestaan die op gang begint te komen in Rood-China. Ook elders op de wereld is het te vinden. Het is eigenlijk een soort samenwerking: het aanvaarden van een aansprakelijkheid voor de medemens zonder die als een last of een deugd te ervaren. Het is gewoon een normaal deel van het leven.

Er zijn landbouwcommunes of coöperaties ontstaan die voornamelijk werken met eigen middelen en het mogelijk maken dat zij zelf beter leven, maar gelijktijdig werken zij in op al de anderen die eromheen zijn. Zij brengen hen a.h.w. de boodschap dat je niet alleen aan jezelf moet denken en niet moet spreken over verdienste of over wat je inbrengt, maar slechts over de manier waarop je gezamenlijk zo prettig mogelijk kunt bestaan. Dit vinden we op het ogenblik in Pakistan in vele dorpsgemeenschappen. We vinden het vooral ook in het westelijk deel van India, dus tegen het gebergte aan, in het gebergte en ook bij de kleine staatjes. We vinden het in China voornamelijk nog in Hoenan, maar het breidt zich uit. We vinden dergelijke gedachten ook in landen als Brazilië, Argentinië en dat is toch een hele sprong. Hier zien we ook coöperaties ontstaan. Groepen mensen die samen werken, samen besluiten en op hun eigen manier eigenlijk een nieuw bestaan zijn gaan leiden waarbij een ieder voor een ieder bestaat. Niet dat je daarmee de godsdienst verandert of de betekenis van het gezin. Neen, het is meer de mentaliteit waarmee de mensen samen zijn en samen leven.

Het wonderlijke is nu, dat het deze kleine gemeenschappen zijn die tegenover het toch zeer machtige en dictatoriale gouvernement voldoende weerstand kunnen bieden. Ze gaan rustig hun eigen weg, maar ze dwingen ook niemand. Ze vallen niet aan. Als er b.v. een weg gemaakt moet worden en de Staat wil niet helpen, dan doen ze het zelf.

Deze mensen zijn degenen die de Nieuwe Leer al aanvoelen. Zij zijn het eerste symptoom van de Nieuwe Wereldleer zoals deze zich gaat manifesteren. Niet in vaste maatschappelijke regels, maar in een onderlinge samenhang, een erkenning van saamhorigheid of eenheid, een gevoel van mededogen t.a.v. anderen. Ik zie werkelijk in de wereld al heel wat dat volgens mij behoort tot de uitstraling van deze Leer. Ik denk, dat deze invloed zich zal doorzetten. Nu begrijp ik wel, dat in een land als het uwe waarin deze termen als polarisatie niet van de lucht zijn de werkelijkheid van de vernieuwing nog wordt begraven onder allerlei lege leuzen. Maar bij steeds meer mensen is ze reeds aanwezig. Het gaat er helemaal niet om dat je anders moet gaan leven, iets wat je bij veel godsdiensten wel aantreft.

Het is meer een kwestie van dat je meer bewust moet gaan leven en je ook meer bewust moet zijn van het bestaan, en van de betekenis van anderen als deel van je eigen bestaan. Ik heb het gevoel dat in Europa de verschijningsvormen van de Leer enigszins anders zullen zijn dan in de primitieve landen of moet ik zeggen de ontwikkelingslanden, de arme landen waarin, als je het goed bekijkt, de mensen door hun materiële moeilijkheden toch gemakkelijker tot een dergelijke vorm van samengaan komen.

Als ik nu naar Turkije kijk, dan zie ik dat daar ‑ mede door de buitenlandse arbeiders ‑ bepaalde bedrijven en gemeenschapsondernemin­gen worden opgericht die nu misschien nog wat kapitalistisch schijnen te zijn, maar waarbij de betrokkenheid van allen zo groot is dat niemand meer alleen beslist of handelt, dat men voortdurend in wisselwerking met elkaar een product maakt maar onwillekeurig, ook elkanders loonomstandigheden gaat verbeteren, elkaar beter bijstaat wanneer er ziekte of ongeval­len zijn. Het is dus een andere benadering. Ik zie dat daar ook tot stand­ komen. Ik zie niet in waarom dat in Nederland niet zou kunnen voortkomen uit bepaalde actiegroepen, groepen in de vakbonden of wat mij betreft, groepen die denken dat zij hun geloof verdedigen. Het gaat er namelijk helemaal niet om wat de motivering is. Het gaat erom wat het resultaat is, wat de mentaliteit is die ontstaat. Het is dit anders denken, dit anders beleven, dit anders voelen dat in de wereld belangrijk is.

De Nieuwe Wereldleer is wat dat betreft, zoals trouwens ook Jezus’ leer en die van Mohammed, op een punt gekomen dat die verandering noodza­kelijk werd en bewust of onbewust ook zekere omschrijvingen behoeft. Ik meen, dat de Nieuwe Leer vooral de eerste tijd in sociaal‑religieuze en sociaal‑filosofische geschriften nog het sterkst naar voren zal komen. Ik denk niet, dat de leerlingen en leraren van deze Nieuwe Leer, die er nog steeds zijn, op zichzelf ooit bekende figuren zullen worden. Ik kan mij niet voorstellen, dat de verschillende personen, die zich nu bezighouden met het duidelijk maken van deze mentaliteit, ooit bekend zullen worden zoals Petrus, Paulus en al die anderen. Ik geloof eerder, dat ze langzaam maar zeker verdwijnen, ofschoon er misschien een legende zal blijven bestaan zoals eens van de priesterkoning Aésir, die zonder te weten waarom en zon­der misschien zelf te beseffen dát het zou gebeuren langzaam moest veran­deren in Osiris. Het is een wonderlijke wereld die van nu. U komt een ogenblik, dat de mensen in verhalen en legenden hun beleving gaan rechtvaardigen, maar dan is die beleving er reeds.

De Nieuwe Wereldleer is in de eerste plaats een verandering van beleven, van mentaliteit, van een ander besef in jezelf. Een van de punten die ik hier nog vanuit mijn beschouwing zou willen noemen is wel de eigenaardige vergroting van de innerlijke kracht of geesteskracht van de mensen, die ‑ of ze dit nu weten of niet ‑ leren leven en handelen volgens de Leer. Het blijkt, dat er mensen zijn die helemaal niet weten dat die Leer bestaat, maar die leven volgens de grondslagen daarvan, alsof ze geestelijk een zekere harmonie hebben bereikt of een zekere resonantie hebben opgevangen. Hoe het ook zij, deze mensen blijken plotseling hun innerlijke gaven gemakkelijker te kunnen gebruiken. Zij blijken gevoeliger te zijn voor allerlei invloeden in de omgeving. Zij blijken vaak hun medemensen gemakkelijker te kunnen genezen. Ze zijn in zekere zin ook vaak betere telekineten e.d.. Het zijn verschijnselen, natuurlijk. Als ik het zou vragen aan een Leraar of Meester, dan zou deze zeggen: Wat is nu belangrijker, de mens zelf of het kleed dat hij draagt? Ik kan het mij ook best voorstellen. Waar dan is het toch wel belangrijk dat het kleed er goed uitziet en wijst op een steeds grotere geestelijke bewustwording.

Als u het mij vraagt, dan wordt dit persoonlijk inwijden van zeer velen mogelijk juist door de Leer, door die nieuwe, haast onvoelbare invloed die in deze wereld is ontstaan en die het denken en het innerlijk beleven van zovelen reeds op dit moment beïnvloedt. En omdat het geen leer wordt, geen instantie met wetten, met leiders, met mensen die intrigeren om de belangrijkste te zijn, geloof ik ook dat deze Leer in de verandering die ze die ze tot stand brengt van meer betekenis zal zijn dan alle grote leringen zoals ze op dit ogenblik worden verkondigd en beleefd in de religieuze gemeenschappen.