De nieuwe wereldleraar

13 september 1959

Voor deze zondagmorgen heb ik geprobeerd om een begin te vinden, dat klinkt als een klok. Het is me helaas verboden om te spreken over “de nieuwe wereldleraar”.

Wat ik wel kan doen is trachten iets van zijn leerstellingen, die ons dus bekend zijn, weer te geven. Ik mag dit echter niet doen onder referentie aan zijn uitspraken. Toestemming daartoe heb­ben we nog niet gekregen. Deze onvolkomenheid moet u me dus vergeven.

Het weten omtrent het lot van de mensheid brengt met zich mede, dat men onmiddellijk wil trachten maatregelen te nemen. Want al is in de eeuwigheid het pad der ontwikkelingen vastgelegd, we kunnen toch zeggen dat de mensheid zelve de wijze waarop dit pad wordt gevolgd in zeer grote mate kan beïnvloeden. Er zijn omwentelingen, die absoluut vredig plaatsvinden. Ik denk hierbij bv. aan de omwenteling, die plaatsvond in de gemeenschap Atlantis, toen voor het eerst deze staat begon om te zwenken van een zuivere landbouwstaat naar een oligarchisch geregeerde industriestaat. Dit ging volkomen geruisloos. Er was helemaal geen behoefte om revoluties en oorlogen te ontketenen. Deze omwenteling werd a.h.w. geboren uit het gezamenlijk streven der mensen. Nu is het gezamenlijk streven der mensen iets, dat buitengewoon belangrijk is, ook voor het geestelijk leven van elk individu, dat binnen de mensheid bestaat.

In deze nieuwe tijd doen zich verschillende verschijnselen voor die wijzen op een komende eruptie. We zijn a.h.w. gekomen aan de grens van de thans bekende wereld en voor ons ligt een zee van kokend magma, waaruit zich elke willekeurige wereld zou kunnen kristalliseren. Als we niet uitkijken en niet nadenken, dan zullen we die wereld binnengaan zonder zelf daaraan vorm te geven. Het wordt dan een kale wereld, vol van vulkanische as, met weinig water, veel vuur. Een wereld waarin kou en hitte elkaar onophoudelijk afwisselen in grote felheid. Maar indien we onze eigen wil kunnen laten gelden, indien we zelf mede vorm kunnen geven aan wat er gebeurt, dan blijft de aarde inderdaad een groene zee, die rond een zon wervelt, een verborgen paradijs waarin de strijd langzaam maar zeker sterft en daarvoor in de plaats komt de perfecte harmonie, die voor de mens de weg naar de sterren mogelijk maakt, die de aarde zelf een nieuwe inhoud geeft.

In theorie lijkt het natuurlijk allemaal erg prettig. Wij kunnen allen nagaan dat een perfect Christendom maar ook een perfect communisme of een perfecte democratie de mens de mogelijkheid zal laten om te komen tot een perfecte ontwikkeling. Theorieën echter schieten te kort. Of moet ik misschien zeggen; de mens schiet te kort bij het ten uitvoer brengen van de theorie. Wij weten allemaal dat alleen in samenwerking, in een harmonisch samengaan van machten zowel als mensen, een oplossing kan worden gevonden voor de problemen, die deze wereld op het ogenblik belagen. Wij kunnen allen telkens weer constateren, dat deze harmonie verstoord wordt, ondanks het ernstig streven van de mens om zijn medemens te begrijpen, ondanks het zoeken van de machten naar een vergelijk, blijven de spanningen in de wereld bestaan. Nog voortdurend hangt als een duistere droom over de mensheid de nachtmerrie van overal oprijzende paddestoelvormige wolken, die de aarde kaal maken en de mensheid uitblussen, die al het bereikte met een slag zullen uitvagen.

De fouten waaruit dit alles voortkomt zijn betrekkelijk eenvoudig aan te duiden. In de eerste plaats gaan wij over het algemeen van een zeer eenzijdig standpunt uit in onze benadering van de wereld. We gaan uit van ons eigen wezen, onze eigen gedachten, onze eigen lusten en vreugden, ja, zelfs van onze eigen superioriteit. Goed begrijpend wat de mensheid betekent, moeten wij echter stellen, er bestaat geen enkele vorm van superioriteit. Er bestaat slechts een absolute gelijkheid achter de betrekkelijk kleine hoeveelheid uiterlijke verschijningsvormen. Dit wil zeggen dat elke mens gelijkwaardig is en dat elke mens geestelijk zowel als stoffelijk dezelfde mogelijkheden bezit. Het maakt niet veel verschil uit of je jaagt met een elektronisch machinegeweer of met een pijl en boog. Het verschil tussen deze beide is hoogstens gradueel en behoort tot de uiterlijke vormen. Belangrijk is het wel of je wanneer je al doden moet alleen doodt omdat het een, noodzaak is of dat je doodt om je eigen wil door te zetten, om desnoods je eigen bloeddorst te verzadigen.

Het is niet belangrijk of je woont in een gat in de grond gedekt met wat takken of in een moderne wolkenkrabber van vijftig verdiepingen. Dit verschil is gradueel, beiden zoekt ge naar bescherming. Belangrijk is echter wel of gij in uw woning gastvrijheid wilt verlenen aan anderen, die niet beschermd worden, die niet de mogelijkheid hebben gevonden zichzelf te beschermen.

Het is niet belangrijk wat uw opvatting.van recht is of van godsdienst. Belangrijk is wel of gij deze voor uzelf wilt uitoefenen, dan wel deze tracht als een wapen tegenover de wereld te hanteren. Te komen tot de innerlijke oplossing van: al deze dingen is het bereiken van een totaal nieuwe verhouding tussen geest en stof. De tijd is gekomen dat de mens rijp wordt en volwassen. Achter ons ligt de stormachtige puberteit van een menselijk ras, dat ternauwernood zijn eigen inhoud en waarde beseffen kan. Voor ons ligt de taakgebondenheid van een rijpe mensheid, die niet alleen stoffelijk maar ook geestelijk een opdracht gaat vervullen en van uit zichzelf door de geschiedenis onderwezen gaat scheppen dat, waarvan ze dromen kans een paradijs waar God regeert.

De levende waarden die in onszelf moeten ontstaan, wil de mensheid uiteindelijk deze perfecte toestand kunnen bereiken, zijn eveneens eenvoudig weer te geven. Wij allen hebben een plicht tegenover de mensheid. Deze plicht is groter dan elk recht, dat wij aan ons deel-der-mensheid-zijn kunnen ontlenen. Want wij zijn eenling en de veelheid, de menigte, is altijd belangrijker dan wij. Wij moeten dus voortdurend van uit onszelf trachten om die menigte, de veelheid der verschijnselen te dienen. Dit is onze plicht. Het enige recht, dat we hieraan ontlenen, is het recht om te dienen volgens ons beste kunnen en weten. Op het ogenblik dat wij eisen gaan stellen, hetzij aan geestelijke waarden en aan God of aan de wereld, verwerpen wij datgene, wat voor ons het meest belangrijke is; ons enig werkelijk recht, ons doelgenootschap. Op het ogenblik dat ge u stelt buiten een gemeenschap of buiten een wereld – zij het dat ge dit doet tezamen met een natie, met een bepaalde godsdienst of misschien als egoïstische eenling verwerpt ge al datgene wat leeft in de wereld.

De oude volkeren geloofden aan vele goden. En in zekere zin zijn er vele goden, want de gedachten van de mensen, degenen die gestorven zijn, de krachten die de wereld hebben helpen vormen, zijn allen bij die wereld aanwezig. Of ge wilt of niet, zijt ge daarmee in voortdurend contact. Gij kunt uzelf natuurlijk buiten deze gemeenschap stellen. Gij zult dan geen beschikking hebben over het weten, dat in deze wereld bestaat en dat langzaam en onophoudelijk in iedere mens binnendringt, licht gevend omtrent eigen wezen en eigen relatie t.o.v. God evenzeer als t.o.v. de juiste levenshouding en al wat daaruit voortvloeit. Gij zult staan buiten een gemeenschap, die u het recht geeft bij elk eerlijk pogen te rekenen op de steun van alle menselijke en kosmische krachten, die rond u zijn. Gij zult niet meer het recht hebben u te beroepen op de geldende wetten en regelen, zelfs indien deze wetten uit God zijn of de grondstructuur zijn van een kosmisch bestel. Want ge hebt u buiten de gemeenschap geplaatst en door u buiten die gemeenschap te plaatsen, hebt ge elk recht binnen die gemeenschap, elke mogelijkheid tot samenwerking met die gemeen­schap, vernietigd. Het is daarom tijd dat ge, zowel in de geest als in de stof, de nadruk legt op de overeenkomst die ge bezit met andere dingen, met andere waarden en niet meer nadrukkelijk verkondigt wat u van anderen doet verschillen. Vrees de eenvormigheid niet. Want zolang gij uzelf zijt in het dienen van de menigte, in het dienen van het totaal goddelijk bestel uiteindelijk, zult ge uw persoonlijkheid behouden en ge zult niet zijn één, die gelijk is aan alle anderen, maar ge zult wel een eenheid vormen met alle anderen.

De gelijkvormigheid van denken en streven kan het best worden bereikt, wanneer we afstand doen van de scherpe differentiatie tussen ras, godsdienst en sociale status. Ieder is gelijk, ieder heeft gelijke rechten. Erken dat uw broeder hetzelfde recht heeft op vreugde, op voedsel, op kracht, op lering als gijzelf. En tracht er naar uw beste weten toe bij te dragen, dat uw broeder dit verwerft. Dan zult ge weten wat vrede is; de innerlijke kracht. Beroep u niet op het nutteloze van uw streven. Zo vele malen zegt men: “Ziet, ik heb grondbezit en ik zou het gaarne aan de armen geven en verdelen, maar het zou een druppel zijn op een gloeiende plaat. Het zou maar een enkeling kunnen helpen en zovelen zouden toch onverzadigd blijven. Is het dan niet beter dat ik zelve behoud?” Het gaat er niet om, of ge een einde kunt maken aan al het leed op de we­reld. Het gaat er om dat ge alles doet om dit leed te beperken zover het u mogelijk is. Gij zijt het, die verantwoordelijk is, niemand anders. Zeg niet; “Maar ik ken dan toch een waarheid, die zo kostbaar is dat ieder ander haar moet aanvaarden. Ik moet hun dit licht laten zien.” Zeg: “Krachtens het licht, dat ik in mij ken, zal ik trachten een ieder op zijn wijze tot het licht te brengen.” Er is geen verschil tussen de oudste leerstellingen der Brahmamen, de leerstellingen van oud en nieuw-Boeddhisme, de leren van Tao en de openbaringen van Jezus, Mohammed en anderen. Of ge spreekt over Rama Krishna of misschien over de modernste stellingen der wetenschap, het blijft al gelijk. Want alle dingen hebben dezelfde kern. En geheel de mensheid wordt gejaagd door dezelfde honger. Ik zeg u, broeders, oordeelt niet en veroordeelt niet, doch tracht met anderen tezamen te komen tot de eenheid, waaruit perfectie kan groeien.

Ongetwijfeld zult u me toegeven, dat we deze stellingen al heel vaak verkondigd hebben. Maar misschien zult ge ook begrijpen, hoe belangrijk het is, dat de wereld die dingen gaat leren zien. En belangrijker mis­schien dan nog voor u is het voor ons in de geest. Ik wil proberen u duidelijk te maken waarom.

Wanneer u bestaat in deze wereld en u hebt een idee dat u verschilt van anderen, het idee dat u de mindere of de meerdere bent, dat u wijzer bent of dat u een alleenzaligmakende waarheid bezit, dan zult u in de sfeer u afzonderen van anderen, misschien vindt ge de hemel, waarvan ge droomt, dat is heel goed mogelijk. Maar het zal een hemel zijn, die niet meer met de werkelijkheid in verband staat. Het is een reeks van spiegelbeelden, waarbinnen ge een tijdlang uw geluk en uw vreugde kunt vinden, maar die u gelijktijdig de mogelijkheid ontneemt om actief te zijn. Geestelijk gezien is de mens, die zich afzondert van de wereld en van de menigte een geest die hetzelfde zal doen, die niet mee zal helpen om de perfectie van stof en geest te vergroten. Het zal een rustperiode zijn. En die rustperiode brengt niet alleen mee, dat men niet actief werkt maar ook dat al de goede en waardevolle gegevens en belevingen, die in zo’n wezen besloten liggen, niet toegankelijk zullen zijn voor anderen. Wij weten zeer goed in de sferen, dat onze kennis beperkt is. Wij weten dat er nog zeer veel te veranderen valt, voordat we eenmaal in die grote eenheid precies de plaats gevonden hebben waar we passen en er geen verandering meer noodzakelijk is. Om die plaats te bereiken heb­ben we niet voldoende aan kennis zonder meer. Wij moeten voortdurend ons eigen wezen kunnen toetsen en testen. Wij moeten steeds door vergelijk met anderen, het ervaren van het juweel van wijsheid zoals het in anderen leeft, voor onszelf een zuiverder beeld opbouwen. Het zal duidelijk zijn, dat dit belangrijker is dan al het andere voor ons.

Soms wordt er in gelijkenissen gesproken. En nu is deze gelijkenis wel niet van de wereldmeester, maar ze is toch betrekkelijk recent. Degene, die deze naar voren bracht, had het tijdens zijn betoog dus over de behoefte van de mensen om tot een zekere aanpassing te komen en hij zei het als volgt;

“De mensheid was oorspronkelijk een rotsmassief. Geen individu heeft er bestaan. Toen zijn de krachten Gods gekomen, de scheppende wil Gods en heeft die rots verbrijzeld in vele stukken. En die stukken zijn naar beneden gevallen in de stroom van de tijd. Sommige waren licht en zijn onmiddellijk meegespoeld, andere hebben nog een tijdlang gelegen misschien. Maar er zullen er zijn, die ook thans nog vastliggen te midden van die bruisende vloed van tijd. Maar al wat in die tijd staat, wordt afgeslepen zoals een steen in het water. Altijd weer zullen we iets verliezen van hetgeen niet bij ons hoort. Zoals de kiezelsteen zijn vorm en zijn afronding krijgt en daardoor in staat is te midden van vele andere stenen, met betrekkelijk geringe wrijving zich te bewegen, in staat is de vloed van water met zo weinig mogelijk verstoring van eigen evenwicht te verdragen, zo gaat het ons in de vloed van tijd. Er is echter een verschil; bij ons is het niet de differentiatie tussen ons wezen en al het andere dat beweging veroorzaakt; bij ons is het het voortdurend verliezen van datgene, wat niet eigen is aan onze persoonlijkheid en wezen, zodat de bouwstenen der eeuwigheid worden geslepen in de vloed van tijd. Wij kunnen daar zelf toe bijdragen, wij kunnen ons onthouden van elk ingrijpen, maar de werking van de tijd kunnen we niet verhinderen. “En eens” zo zei deze spreker “zal elke steen geslepen zijn door de tijd met een perfectie, die nooit door het behouwen van een steen bereikt kan worden. Elke steen zal zijn perfecte afmeting hebben gevonden en zijn perfecte vorm. En ziet, in de plaats van het ruwe massief der beginnende schepping zal dan aan het einde van de tijd staan de voltooide tempel, waarin alle schoonheid van het Al in een gegeven volledig wordt geopenbaard.”

Het is natuurlijk een kwestie van visie, Maar het idee lijkt me toch wel redelijk. Alleen als je die gelijkenis gaat gebruiken en je gaat haar doorvoeren, zoals ik van plan ben te doen, dan zijn er wel een paar opmerkingen te maken. Want het kan zijn dat blokken, die een tijdlang meegespoeld zijn, plotseling besluiten te blijven staan. Dan moeten ze door het water weggeslepen worden of vernietigd, we zien dat brokstukken, die een hele tijd meegaan, ineens vallen en uit elkaar barsten in duizend kleine stukken en hun wezen, hun persoonlijkheid verliezen. Dan geloof ik niet dat dat in de tijd verschil zal maken voor de tempel, die uiteindelijk ontstaat. Maar ik ben er wel van. overtuigd, dat het voor óns een heel groot verschil maakt. Het is een heel groot verschil of wij ten onder gaan aan onze eigen fouten, ons eigen te beperkt bewustzijn en wat er bij hoort, of wel mee kunnen gaan in de voortdurende ontwikkeling, ons voortdurend kunnen aanpassen aan hetgeen er op dit ogenblik van ons in de tijd a.h.w. wordt gevergd. Die aanpassing is een van de meest belangrijke elementen, volgens mij.

Het is niet voldoende dat wij het goede bedoelen, dat we het goede doen. Het is belangrijk dat wij een eenheid bereiken met de wereld, dat wij in onszelf voortdurend reflecteren wat in die wereld als kosmische waarde en kracht bestaat. En pas dan kan ik er toe komen om met de we­reldleraar te zeggen; “Moeten wij dienen?” Wanneer wij die wereld dienen zonder begrip, dan gaat het net als met het dienstmeisje, dat nog nooit gekookt heeft en een groot diner moet klaarmaken. Dan lijkt de consomme meer op thee met een beetje melk, de biefstuk op geschroeid vlees of zoollappen, de doperwtjes lijken eerder op groene knikkers en wat de aardappels geworden zijn, dat weten we eigenlijk zelf niet meer, wanneer we die kleffe pap zien. En zo gaat het ons ook. We kunnen als koks met weinig verstand proberen om die wereld nu eens eventjes in orde te brengen. Maar dan gooi je de zaak in het honderd. Ik geloof dat we een grondwaarde nodig hebben: een besef.

En de wereldleraar zal ongetwijfeld proberen om die grondwaarde en dat besef steeds weer te vinden in de volksaard, in de gebruiken, levend in de bepaalde omgeving, waarin hij zijn uitspraken doet. Maar wat dat betreft, sta ik een beetje nadelig tegenover hem, want ik heb geen landaard en geen volksaard, waarop ik mij kan baseren. Ik moet mij baseren op het menszijn en wel hoofdzakelijk op het geestelijk menszijn. En daarom probeer ik dan logisch te zijn. Ik weet niet of het mij lukken zal. Maar ik weet wel dat het voor mijzelf de juiste oplossing is, Dan ga ik dit zeggen;

Wij moeten passen in de tijd, waarin wij leven. Wij moeten passen in de gemeenschap, waarin wij leven.

Wij zijn verplicht om tegenover die gemeenschap, zowel als tegenover de verschijnselen van de tijd een erkennende houding aan te nemen. Wij behoeven niet zonder meer goed te keuren, maar we moeten het verschijnsel erkennen.

We moeten nooit proberen blind te zijn voor de werkelijkheid; zo goed als we onszelf moeten erkennen voor wat we zijn. Ook zelfkennis is een grote noodzaak.

Je moet weten wat je bent, anders kun je nooit weten wat je kunt doen. Zo moet het met de tijd zijn en met alle andere dingen.

En wanneer je uit dat geheel dan voor jezelf op de duur een levenshouding distilleert, voor jezelf een filosofie en een gedachtegang, die het je mogelijk maakt de wereld te dienen, dan geloof ik dat je bereikt hebt weer het om gaat.

En nu wil ik u niet langer bezig houden. Ik heb geprobeerd, niet alleen om u zo maar eens een betoogje voor te leggen, maar om u inzicht te geven in iets van de geestelijke krachten, die op het ogenblik werkzaam zijn op de wereld. En ik geloof niet dat een dergelijk betoog compleet is, wanneer er geen tegenstellingen zijn. En daarom heb ik in samenwerking met degene, die de leiding van deze groep heeft, gezocht naar iemand, die een andere belichting zou kunnen geven. En die andere belichting menen we dan gevonden te hebben in iemand, die een hele tijd al van de aarde verwijderd is, die een achtergrond heeft van wat u bijgeloof en magie zou willen noemen en die toch op zijn manier ook die werkingen van de wereld bestudeert en ongetwijfeld zijn eigen mening heeft over het menselijk ras en al wat ermee samenhangt. Ik kan u niet garanderen dat zijn betoog in termen van uw tijd is vervat. Het zou dus moge­lijk zijn dat u eens even over de bedoeling moet nadenken en ik kan u ook niet garanderen dat wat hij zegt de enige, grote waarheid is. Ik kan u alleen dit zeggen; ook deze werkt in een bewust dienen van de kosmos en ongetwijfeld leeft in zijn denken en in zijn woorden evenveel waarheid als in de mijne of in de woorden, die ik aan een ander ontleen. Vrienden, ik dank u voor uw aandacht en geef dus het woord over aan onze gast voor deze morgen.

o-o-o-o-o

Het is moeilijk weer te geven wat in mij leeft ten opzichte van de wereld. Achter alle uiterlijke vormen verbergen zich krachten met eigen persoonlijkheid en eigen wezen. Al erkent de moderne wereld dit niet, er leven krachten en geesten in de aarde, in de planten, in de wateren en in de luchten. En al dezen hebben hun eigen begrip van de krachten, die uit de kosmos tot hen komen. Het heeft geen zin te spreken over het dienen der gemeenschap, wanneer wij niet kunnen komen tot een eenheid met de krachten, die ons onzichtbaar omgeven. Indien wij in strijd zijn met geestelijke waarden, met de persoonlijkheden van natuurgeesten, geesten van licht of duister, die rond ons zijn, dan zal deze strijd het ons onmogelijk maken een voortdurend contact te behouden met de krach­ten, die rond ons bestaan als stoffelijk, als kosmisch, als goddelijk wezen.         .

De beperking van de moderne mens is zijn verwerpen van het onzienbare. Men meent zich te kunnen beroepen op de wetenschap en zegt: Slechts in het ervaren kan ik een bewijs vormen.” Men roept u toe; “Wij willen graag geloven in alle krachten, als die zijns geestelijke meesters, dewelke die vormen invloeden en sferen,als ook zij die vormen de verdediging tegen ziekten of wetten, waaraan alle leven onderdanig is. Maar toon mij; hoe? Toon mij dat zij bestaan.” Deze vraag die redelijk lijkt, heeft echter een gebrek, zij is niet volledig. Uw menselijke wetenschap zegt; “Toon mij.” Maar zij bedoelt; “Toon mij het mechanisme, leer mij de beheersing.” Zij vraagt niet naar het erkennen van een verschijnsel, zij vraagt de ontleding van de totale reeks van waarden en gebeurtenissen, die in het verschijnsel gelegen zijn, zodat reproductie van het verschijnsel evenals experiment met de verandering der condities binnen dit verschijnsel mogelijk zal zijn. Zolang deze vloek bestaat, zal geen wereldleraar de wereld kunnen behoeden voor haar ondergang. Immers is zij in zich geboren tot ondergang door verwerping van werkelijkheid en het daarvoor stellen van eigen denkbeeld.

Mijn overtuiging is dat geen volledige redding van de wereld moge­lijk zal zijn, noch een verder tot bewustzijn komen van de geestelijke waar­den in de mens, zonder een eerst aanvaarden van al hetgeen onzienlijk leeft met en rond de mens.

o-o-o-o-o

Goeden morgen, vrienden.

Aan mij is dan de taak opgedragen om commentaar te leveren op voornamelijk natuurlijk de tweede spreker en eveneens op de eerste. Ik zal het proberen. Wanneer gesteld wordt, dat rond ons allerhande geestelijke waarden aanwezig zijn wanneer we in de stof leven natuurlijk dan is dat volkomen logisch, duidelijk en redelijk, want iedereen geeft onmiddellijk toe dat God leeft in alle dingen. Maar als God leeft in alle dingen, moet er in alle dingen een vorm van weten zijn. Wanneer die vorm van weten een zeker onafhankelijk bestaan bereikt, dan hebben we te maken met wat de spreker noemde; onzienlijke invloed. Dat betekent dus dat – of je het nu gelooft of niet – de wereld vol is van dingen, die je spoken zou noemen, wanneer je ze zou zien. Je ziet ze niet, je bent je er niet van bewust. Maar zo goed als een spook op een gegeven ogenblik een lampetkan kan grijpen om u om de ongelovige oren te slaan, zo hebben al die geestelijke invloeden hun eigen vermogen tot reageren op de mens. En onzienlijke krachten als ze zijn – ze lijken een klein beetje op ons – hebben ze verder de mogelijkheid om vooral op het menselijk denken te reageren. Nu zal de mens, die gelooft in deze krachten, de kenbare verschijnselen vergroten.

Wanneer u gelooft in een geest op een berg, die niet wil, dat u daar bent, dan zal een stenenregen gemakkelijker ontstaan dan wanneer je zegt; “Ze zijn gek. Een berg is een klomp rots en verder niks.” Maar de invloed die eerst stoffelijk kenbaar was, blijft toch bestaan. Zij grijpt geestelijk in. Zij bezorgt u ademnood, duizeling, doet u misschien vallen en veroorzaakt vele ongelukken. Slechts indien u geestelijk de sterkere bent; indien u geestelijk of wel tot een eenheid kunt komen met de entiteit, die u op die berg dus vermoedt, dan wel u succesvol daartegen kunt verzetten, komt u aan de top. Kijk, dat zijn dingen waar sommige rassen, die veel in de bergen leven, wel iets van af weten.

Maar het is precies zo als je hier bent. U bent omringd door wa­ter maar ook door entiteiten, die in het water leven. Op een gegeven ogenblik bent u in strijd met die entiteiten. Het gevolg is dat het wa­ter vijandig wordt t.o.v. de mens, zich niet meer ernaar regelt. Op een ander ogenblik ben je in harmonie met dat water en dat water wordt dus voor jou vriendelijk en het redt je en helpt je eerder dan dat het je wat doet.

Nu betoogt onze tweede spreker dan, dat het wel heel erg nodig is om je met die dingen bezig te houden, “want,” zo zegt hij, “zonder dat kan er geen absolute eenheid onder de mensen bereikt worden.” Vanuit het standpunt van de Orde is dit niet helemaal juist. Wij menen n.l. dat, wanneer de mens streeft volgens zijn beste weten, wan­neer hij voortdurend zijn best doet om de mensheid te dienen, hij in feite een gedachte-uitstraling zal geven, die ook zonder zijn erkennen van die entiteiten als bestaande wezens, een zekere harmonie tussen hem en hen tot stand brengt. Maar aan de andere kant zijn er natuurlijk wel van die dingen, waarover we het toch wel eens zouden kunnen zijn met die tweede spreker. En dat is n.l. dit; Op het ogenblik dat een mens meent zijn eigen mening aan anderen te mogen opleggen, doet hij dit niet alleen aan de rond hem bestaande stoffelijke waarden, maar probeert dit ook te doen aan geestelijke waarden. En nu is een geest glibberiger dan een paling in een emmer met groene zeep, want daar heb je geen houvast aan, tenzij je je bewust bent van zijn bestaan en verder een zo sterke wil hebt dat je hem bovendien nog de baas kunt. Het gevolg is dat natuurkrachten en natuurgeesten bij een eenzijdig streven, bij een pogen om alles in het juiste patroon te zetten, heel vaak niet slechts ontsnappen aan je beheersing naar bovendien proberen te beletten, dat je nog ooit zult proberen ze te beheersen. En dat worden pijnlijke toestanden, vrienden.

Wat de wereldleraar wil is het scheppen van een harmonie. In die harmonie zal een ieder zijn eigen bestemming moeten vinden. Die bestemming kun je op verschillende manieren zoeken. De tweede spreker deed dit in een stelsel, waarin alle geestelijke entiteiten en krachten op hetzelfde plan worden gebracht; je moet met die krachten net zo goed één worden als met de mensen. Maar ik geloof dat we het anders kunnen stellen: de krachten die werkelijk geestelijke betekenis hebben, natuur­krachten en zo, staan onder hogere krachten. De hogere krachten werken uit de Goddelijke Kracht en zullen als zodanig een uitdrukking zijn van goddelijke harmonie, ook voor ons. Zij zullen al wat onder hun bereik valt in de zin van die goddelijke harmonie beheersen en regeren. Zo goed als er grote krachten zijn, die de mens beheersen, nietwaar. Zoals wij onze broeders hebben, die ons lering geven en die sterker zijn dan wij, wanneer het nodig is, maar die ons nooit dwingen, dat zeg ik erbij. We zijn braaf genoeg om niet in de hoek te moeten staan. Kijk, wanneer wij in onszelf het nu met God eens worden, dan gooien we het vanzelf op een akkoordje met alles wat we kennen en wat we niet kennen, zou ik zeggen. En mij lijkt dan ook dat uit deze twee sprekers de conclusie kan worden getrokken; Mens, streef naar een voor jezelf te bereiken perfectie, waarbij je tracht alles wat je erkent in de kosmos te helpen en te steunen, dus daarin jezelf te uiten. Wanneer je dat voldoende doet, dan zul je één worden met God en in die éénwording met God dus dat steeds meer éénzijn met het Goddelijk Prin­cipe krijg je dan vanzelf wel de steun van alles wat rond je is.

Ik ben bang dat de tweede spreker, naar mijn idee, de fout heeft gemaakt, dat hij aan de loopjongen is gaan vragen of er geen klerk kan komen om hem bij te staan. Ik voor mij houd er meer van om, al kost het wat meer moeite, eerst naar de directeur te gaan, want dan krijg je niet een hulp, maar dan krijg je het hele departement ter beschikking. En nu weet ik wel, dat er sommigen zijn, die menen dat er in een departement niet hard wordt gewerkt, maar geloof me, als je een heel departement tot je beschikking hebt, kun je heel wat doen. En op die manier moeten wij proberen, geloof ik, om het geestelijk voor elkaar te brengen. En we moeten niet zeggen; “O, wat zijn we goed en wat zijn we heilig.” Maar we mogen heus wel eens een keer zeggen; “Nou, wat ik nu allemaal doe ten bate van de geest en van de stof, daar word ik zo nu en dan beroerd en melig van.” Dat mag je rustig zeggen. “Maar,” moet je erbij zeggen, “zolang het nodig is, blijf ik het doen.” Dan krijg je vanzelf op de duur de inhoud, die nodig is en als je die inhoud nu maar hebt, dan komt de rest vanzelf. Het is een automaat; gooi je goeie bedoelingen als een kwartje in de gleuf en beneden komt de beker met goddelijke genade eruit. Nietwaar, geef je wezen aan de mensheid en automatisch staat er voor je klaar de Graal, de stralende Kelk, waarin het scheppend Licht zelve, woont, die je dragen kunt, waarin je de vreugde vindt,” de perfectie en die je helpt om de absolute bewustwording te bereiken.

Nou, en dan zal ik zo langzamerhand proberen om te verdwijnen. Het kost me altijd moeite, want per slot van rekening; ik ben geen perfect predikant, maar ik hoop dat ik wel even de zaak nog eens heb aangevuld en verduidelijkt.