De noodzakelijke geestelijke wijsheid

 22 juli 1962

Ik voel me geneigd – ik hoop niet dat u er bezwaar tegen hebt – om u eens iets te laten zien van de andere kant van godsdienst, geloof enz. enz. Dan ga ik deze keer een rondleiding doen in het duister wijkje der godsdiensten. Want als we te maken krijgen met het geloof van de mens, met zijn opvattingen, zijn uiterlijke vormen, de rituelen, die hij aankleeft; dan ontdekken we steeds weer dat hijzelf enigszins de draak ermee steekt.

Er zijn natuurlijk heel wat van dergelijke grappen en grollen omgezet in de z.g. humoristische verhalen. Er is de geschiedenis van de heilige, die plechtig heilig werd verklaard in het Vaticaan, maar toevallig enkele dagen later op de wereld kwam en daar nog weer eens een keertje als mens rondliep. Onmiddellijk werd hij herkend, iedereen viel voor hem neer en vroeg hem (laten we zeggen dat hij Alliacus was): “Heilige Alliacus, sta ons bij.” Waarop de goede man zei: “Neem me niet kwalijk, maar vergissen jullie je niet? Over welke heilige heb je het?” Toen zeiden ze: “Over u.” Hij antwoordde toen: “Maar ik weet er niets van. Ik ben nog niet heilig.” “Ja, maar de Paus heeft het gezegd,” zeiden ze. Waarop hij zei: “Ik ben er nog niet van op de hoogte gesteld, maar dat zal wel waar zijn.” Hier heeft u een zeer typische opvatting in het geloof. Kan een mens op aarde nu maar eenvoudig vertellen dat een ander heilig is, dat de een goed en de ander kwaad is? En toch gebeurt dat.

Wanneer we te maken krijgen met degenen, die aan onze kant binnen komen, zullen we met die verwarring ook heel vaak hebben te worstelen. Wat te denken van iemand, die in onze wereld binnenkomt, daar toch werkelijk door lichtende geesten wordt ontvangen en die hoogst verontwaardigd vraagt, of men hem eens even wil vertellen waar hij dan heeft gezondigd, omdat de engelen zelf hem niet komen halen? In een dergelijk geval geven we hem de raad zich te wenden tot Cooks Ltd. in de hoop, dat hij een beter reisbureau voor geestelijke sferen kan krijgen dan de normale gang van zaken mogelijk maakt. Maar wat moeten wij beginnen met zo iemand? Hoe komt iemand eigenlijk op het idee, dat hij precies weet, hoe de andere. wereld eruit ziet? O ja, we weten het allemaal precies: Onze Lieve Heer zit op een gouden troon. Boven die gouden troon is een grote driehoek, eronder een zespuntige ster, aan de vier hoeken zien we de dieren, de evangelisten, kortom, de engelen zijn opgesteld in zeer bepaalde formaties, iedereen heeft zijn plaats. En ik geloof ook werkelijk wel, dat men onder de engelen speciale ouvreuses heeft, die alleen bestemd zijn om alle zaligen naar de hun voorbestemde en genummerde plaats in het hemelrijk te geleiden. Hoe kun je je het nu eigenlijk voorstellen, dat het zo is?

De schepping zelf kent natuurlijk wel een hiërarchische orde, maar die hiërarchie is opgebouwd op wetten. En een wet, een kosmische wet, vrienden, is niet iets, dat je op aarde nu zo maar eens even kunt uitkienen. Je kunt niet de mensen gadeslaan, een paar openbaringen nemen en dan zeggen, dat je precies weet, hoe die orde nu eigenlijk zal zijn. Wanneer we te maken krijgen met het zeer primitieve geloof, dan is het eenvoudig. Er zijn goden en er zijn mensen. Nu, daar kan ik in komen. Want zolang je zegt: Er zijn hogere wezens, dan zijn wij het en dan zijn er misschien ook nog slechtere en machtiger wezens: de demonen, en dat strookt dan aardig met de waarheid. De mens n.l. staat ongeveer in het middelpunt van de tegenstellingen der schepping. Wat hij licht noemt, heeft automatisch tegenover zich het duister. Als er een weldoende lichtende kracht bestaat, staat daartegenover automatisch ook een demonische kracht.

Maar stel u nu voor, dat die mens precies gaat vertellen; We hebben een hele reeks duivelen, ergens in de diepste diepte vinden we Lucifer, daarachter vinden we Belial en dergelijke. Dat zijn allemaal wezens, die absoluut slecht en demonisch zijn. En als we de andere kant uit kijken, dan zitten er een heel stel engelen op tronen waardig te knikken en met palmtakken te wuiven, terwijl hun trompetspelende genoten rond hen heen dartelen, zij zijn de grote stemmen Gods. En dan kunnen we nog precies vertellen welke troon een trede hoger en welke een trede lager ligt. Hoe komt de mens eigenlijk aan al deze waanzin? Wanneer ik de achterbuurtjes van het geloof inga, dan kom ik – eigenaardig genoeg – niet terecht bij vele van die eigenaardige sekten.

De sekten en de geheimscholen, ach, dat gaat meestal nog wel, dat is de gegoede burgerstand. Maar kom je terecht bij de grote dogmatische godsdiensten – neem me niet kwalijk dat ik het zeg – dan zit je middenin een achterbuurt van verwardheid en bijgeloof. Er was eens een jonge dochter, die nogal veel van harpspel hield. Door allerhande omstandigheden bekent zij zich tot het christendom en wordt martelares, om vervolgens te worden aangeroepen in elke plaats waar steunende en weerbarstige jonge kinderen op oorverscheurende wijze toonladders trachten te ontlokken aan piano’s, violen e.d. martelwerktuigen. Is dat dan de zaligheid? Is dat de zaligheid van deze jonge vrouw om als martelares overal het oorverscheurend gekerm van de weerbarstige musici te moeten aanhoren? Het vreemde is, dat een groot orkest met een bekend musicus zich over het algemeen heel wat minder daarmee bezighoudt.

Of laat ons eens denken aan St. Dismas. Dismas, de goede moordenaar. U zou zeggen: De man moet blij zijn, dat hij in het Koninkrijk der Hemelen is gekomen en moet zich verheugen over het feit, dat hij nooit meer iets te maken heeft met allerhande misdadigers. Maar ja, de arme St. Dismas is de patroon van de dieven. En als een goede, gelovige dief een brandkast niet kan kraken, dan moet die goede St. Dismas uit zijn hemel komen om te vertellen waar de soep moet worden ingegoten. Dat is toch een beetje dwaas, vindt u niet? En datzelfde vinden we overal anders.

Gaan we naar de boeddhisten, dan is daar de Gautama Boeddha. Hij heeft de weg gevonden naar het werkelijke bewustzijn door zich te verheffen boven alle beperkingen van begeerte, van angst, de schijn van de wereld terzijde te zetten en te leven in de kosmische werkelijkheid. Maar ja, dat is zo lastig. Het is zo lastig een kosmische werkelijkheid te hebben, waarin je helemaal geen hiërarchie kunt opbouwen. En dus gaan we ons beroepen op de gezegden van Ananda, van Guatenna en al die andere, kleinere en grotere leerlingen en volgelingen, die wel een systeem hebben. En dus gaan we eens kijken en zeggen bv.: Ja, we worden Hindoe. Het Hindoeïsme zegt: “Uit God komt alles voort en breidt zich steeds naar beneden toe uit, totdat de mens ontstaat. De mens, die door betere gevoelens in zich de rijpheid kan verwerven, waardoor hij de wereld der goden kan betreden.” Een mens, die een beetje rijper wordt, kan inderdaad binnentreden in wat voor de eenvoudige mens de wereld der goden is, de wereld van de lichtende sferen, de lichtende krachten, van wonderbaarlijke openbaringen, van Gods grootheid. Maar daarmee zijn ze niet tevreden. O, neen. Ja, dan hebben we de verschillende krachten, waarmee we te maken krijgen daarbij natuurlijk nodig, bv. de liefdekracht Gods, dat is Krishna. Krishna, nu ja, dat is eigenlijk maar een avatara, een zevende incarnatie van Vishnoe.

Waarom? Kan hij niet zelf een persoonlijkheid zijn? Neen, hij moet noodzakelijkerwijs afstammen van een der goden, want alleen op die manier kan hij worden geëerd. Waarom? Is het voor de mens noodzakelijk, zo vraag ik mij af, om nu werkelijk een precies uitgekiend systeem te vinden, waarin hij dan – liefst met zoveel mogelijk taboes, verboden en geboden – de hemelse krachten kan rangschikken? Wordt hij daarvan beter? Neen, vrienden, integendeel. Op het ogenblik dat de mens begint de kosmische indeling voor zichzelf op te stellen, om God bij wijze van spreken tot gehakt te maken en elke vezel in een apart pakje met naam onder te brengen, maakt hij zichzelf eveneens kapot.

Je kunt niet leven met beperkte hiërarchieën en gelijktijdig in de oneindigheid bestaan. Er zijn sekten, die dat een beetje eenvoudiger hebben gedaan. We vinden bv. een groep gnostici, die zich – zoals zovelen – baseren op het christendom, maar daarnaast toch eigenlijk de hele wereld anders zien. Zij vertellen het volgende: “De mens is geboren uit een goddelijk wezen. Dit goddelijk wezen verdeelde zichzelf (begrijpelijk) en elke mens is een vonk van het goddelijk licht. Deze mens heeft geen enkel ander doel dan zich te verbinden en tot harmonie, tot eenheid te komen met zoveel mogelijk mensen, opdat de oude Adamas wederom zal kunnen ontstaan, opdat Sophia (de slang, uit het paradijs a.h.w.) de kennis en de wijsheid moge verenigen met het goddelijk inzicht en de mens weer kan binnentreden in de hemelwereld.” Maar er zijn ook heel veel gnostici geweest, die absoluut weigerden geboden op te stellen. Zij weigerden een indeling te maken in het hemelrijk.

O, er zijn ook anderen geweest, dat weet ik wel. Velen van hen zeiden: “Neen, onze taak is niet te zien, hoe het elders zal zijn. Onze taak is niet God te omschrijven, te beperken, te bepalen en desnoods de handboeien van onze heilige boeken aan te leggen. We behoeven God niet te arresteren. Wij moeten de innerlijke beleving, de innerlijke groei voortzetten, waaruit wij de bewustwording kunnen ervaren.” En dan, zie je al direct de grote tegenstelling. Aan de ene kant de mens, die zich voortdurend op het hiernamaals baseert, vaak van de hemelwereld en de indeling der engelen, de goddelijke wetten en de noodzakelijke interpretaties der openbaringen meer afweten dan van zijn medemens; en aan de andere kant de mens, die beseft dat hij alleen in ware broederschap, in de samenwerking met mensen tot bewustzijn kan komen. En zoals ik reeds zei, ik acht dit nog de gegoede middenstand van ons geestelijk leven, want er is meer, er zijn betere dingen.

Wat te zeggen van een wijsgerige richting – welke een tijdlang in het Oosten erg populair is geweest – die uitgaat van het volgende; “Wanneer ik leef, moet ik mijn eigen wezen vervullen, want er is ergens een scheppende kracht; en al wat die scheppende kracht wil, bestaat ook in mij. Laat mij mijzelf zijn. Wanneer ik voldoende mijzelf ben, zullen de geesten tot mij spreken. Ik zal hun niet vragen, wie zij zijn, maar zo zij mijn innerlijke eenheid en bewustzijn bevorderen, zo zal ik hen volgen. Mijn enige weg is die van de persoonlijke harmonie met alle dingen. De wereld, de goddelijke krachten, de hemelse indeling en de eventuele werelden na de dood interesseren me niet. Mijn taak is om nu mijzelf te zijn, om nu a.h.w. een geluk te vinden, dat in mij bestaande de gehele wereld kan omvatten.” Dat zou ik nu werkelijk wel de Avro van de geest willen noemen. Het doet soms een beetje vreemd aan, als je erover praat, maar heeft u zich wel eens beziggehouden met die eigenaardige tegenstelling, die we vinden bij de menselijke godsdienstwaanzin? Ik zou het niet anders kunnen noemen. En nu hoop ik, dat ik niemand kwets, als ik een vergelijking trek.

De Orde der Karmelietessen (een nonnen orde) is ongeveer gelijk van opzet en opbouw aan de Orde van de Zusteren in Venus indertijd, behalve één ding; De Karmelietessen gaan naar de kerk om in eenzaamheid en boete te bidden voor anderen, en de Venusnonnetjes (want dat waren ze eigenlijk), die overigens dezelfde regels van armoede en onthouding hadden, begaven zich regelmatig naar de daarvoor bestemde plaatsen, waar ze de eenzaamheid van andere mensen hielpen bevorderen.

Nu kunt u zeggen: Maar je kunt toch niet God dienen en gelijktijdig overspelig zijn. Mijn vraag is nu maar: Wie van de twee was nu wijzer? Ik geloof, dat ze allebei niet wijs waren. De een ontkent het persoonlijk leven en wil dus in de abstractie van het gebed en de gerichte gedachte alleen tot een bereiking komen, maar verbreekt daardoor elk contact en elke ware harmonie met de wereld (je moest ze eens onder elkaar horen kiften zo nu en dan, als ze mogen spreken, want dat mogen ze ook niet altijd), en de ander ging uit van het standpunt dat je alleen maar door de bevordering van de lichamelijke harmonie, zonder rekening te houden met jezelf, God eveneens zou dienen. Ligt de werkelijkheid eigenlijk niet ergens in het midden? Wanneer je n.l. uitgaat van het standpunt, dat je in jezelf vrede moet vinden, in jezelf God moet vinden, dit moet kunnen uitdrukken in een innerlijk gevoel van verbondenheid met God (en dat behoeft dan nog lang geen gebed te zijn) en gelijktijdig in een deelhebben aan de wereld, dan kom je op de enig juiste plaats.

Een oude Tibetaanse monnik spreekt dan ook haast komisch over, “dit grote klooster de wereld”. Klooster, oord van afzondering, oord ook van wijding, van voorbestemming. De goede man zegt een waarheid, die hij misschien zelf niet eens beseft. Want wat is uw wereld eigenlijk? Een plaats, waarin de ziel incarneert, waarin de geest de stof aanneemt en daarmede eigen vrijheden prijsgeeft, maar vrijwillig, om zo te leren dichter bij God te komen, om zo te leren vollediger zichzelf te zijn, om te leren wie en wat hij is, wat zijn plaats is in het Al en in de kosmos. En dat vind ik werkelijk een fantastisch mooi idee, dat klopt. De wereld is een soort klooster. Maar dan ga je in dat klooster weer kloosters stichten. Je gaat niet zeggen: Wij leven allemaal op deze wereld om bewust te worden, dus moeten we elkaar helpen. Neen. Ik ben heiliger dan gij, want gij eet slechts drie dagen in de week een volledige maaltijd, dat weet ik, maar ik draag er een haren hemd bij. Ik weet waarachtig niet, of dat nu zin heeft om je daarmee verder bezig te houden. Wat moeten we nu denken van een zuilen heilige, die als een soort prehistorische paalzitter op zijn pilaar is geklauterd, daar dag in dag uit staat, af en toe zijn bewegingen maakt en verder een geur (maar niet van heiligheid) rond zich verspreidt, die op het ogenblik elke gemeentelijke dienst voor hygiëne en volksgezondheid onmiddellijk in het geweer zou brengen. Is dat heiligheid? Dien je God op die manier? Wat moet ik denken van een mens, die de nagels door de palmen van zijn hand, laat groeien alleen om zo te bewijzen, dat hij zichzelf eert. Heeft dat nog zin?

Als we zo in die achterbuurtjes gaan kijken, dan zien we een hele hoop krankzinnige dingen. Waarom moeten we hier God dienen in orgieën en elders in absolute onthouding? Waarom moeten we hier speciaal zonder kleding lopen en elders ons zo volledig bekleden, dat zelfs het ontbreken van een hoofddoek zondig is, en een bikini een soort explosie van elke deugd, die je nog hebt bezeten? Zit daar niet ergens een dwaasheid in?

En nu moet ik toch, het spijt me wel, proberen een beetje serieuzer te worden. Want als ik dat alles zo vertel, dan moet ik toch terecht komen op het leven zelf, op de werkelijke zin van het bestaan, de werkelijke godsdienst, die er kan zijn. Want dat we hier op aarde zijn, “klooster Aarde”, ik vind het een mooie uitdrukking, dat betekent ook dat we God moeten dienen op een bepaalde manier. En dan moogt u protesteren tegen het woord God, dan moogt,u zeggen “Ik ben er kotsmisselijk van”, zoals sommigen doen, maar het feit blijft bestaan. U leeft hier uit een hogere kracht en u moet die grotere kracht op een bepaalde wijze erkennen. U moet iets uit die grotere kracht verwerkelijken, of u wilt of niet. En dan zullen we eens proberen om de leefregels nu eens precies op te stellen. Ik kan natuurlijk geen algemene leefregel geven, die een wet is. Een dogma kan ik evenmin stellen. Hoe kan ik weten, wie u precies bent? En al zou ik het weten, zou ik de moed hebben het precies te vertellen? Laat ons liever voorzichtig zijn en zeer algemeen spreken. Leven, dat betekent in de gemeenschap van het stoffelijk leven intreden en daarin een eigen taak vervullen. Leven kan nimmer gebaseerd zijn op sentimenten en sentimentaliteit. Het gevoel is goed voor de hogere kracht, voor de innerlijke beleving en daar heeft het absoluut zin, daar brengt het misschien zelfs mystieke bereiking. Maar uiterlijk kunnen we ons niet met die sentimenten bezighouden.

De wereld is nl. niet een paradijstuin, waarin niemand iets anders heeft te doen dan te dromen. Het is een harde wereld met harde wetten. Ge kunt niet vermijden, dat er dood is. En terwijl ge misschien met veel zorg uw hondjes en katjes vertroetelt en beschermt tegen het kwaad van deze wereld, zult ge gelijktijdig de oorzaak zijn, dat ongetelde insecten worden uitgeroeid, dat bomen worden ontworteld, die honderden jaren hun vreugde hebben gekend in de zon, want ge wilt uw krant lezen. En het hondje en het katje, die moeten toch hun voer hebben; geef ze dus maar een stukje biefstuk, want dat is zo lekker. En als het geen biefstuk is, dan afsnijdsel of iets uit het slachthuis, maar vlees hebben ze nodig. Daarvoor moeten dieren sterven. U kunt een voorkeur doen gelden, naar u kunt niet werkelijk zeggen: Dit is belangrijker dan dat. Is een koe belangrijker dan een paard? Ze zijn beide even intelligent. En zijn een koe en een paard minder belangrijk dan een hond? De hond is misschien uiterlijk meer aanbiddend en trouw, maar is in feite heus niet intelligenter dan die twee. En een poes? Een poes is zo verstandig, zo eigenwijs en zo dom. Maar ja, dat zijn uw dieren: u maakt er een bezit van. Daarom kunnen we wel zeggen: Er bestaat een regel, die voor alle leven geldt: Beschouw niets als je werkelijk bezit en probeer niets werkelijk te verdedigen, zonder dat hiervoor een werkelijke reden bestaat; een werkelijke reden te beschouwen als de eigen waarde en verdienste, ongeacht uw persoonlijke instelling, van hetgeen u verdedigt.

Er bestaan geen vaste wetten, die blijvend zijn op de wereld, maar er bestaan wel natuurkrachten, natuurlijke en ingeschapen eigenschappen, die in alle leven op enigerlei wijze tot uiting komen. Het is belangrijker om de ingeschapen krachten en wetten op de juiste wijze te hanteren dan wetten te stellen, die bepaalde krachten ontkennen of een andere betekenis eraan proberen te geven. Het is beter en juister om in de wereld naar waarheid te leven en jezelf niet te binden aan een of ander idee van een glamour boy of de nieuwste star. U behoeft heus niet te lijken op Jackie Kennedy om een persoonlijke schoonheid te bezitten. U behoeft heus niet een Gary Cooper, een James Stewart of iets dergelijks te zijn en charmant te zijn. U behoeft geen vorstelijke waardigheid te hebben als een Rainier en een hartstochtelijk beroep op het gezag te doen als een De Gaulle.

U behoeft niet een ander te zijn, u moet uzelf zijn in waarheid. De regel is eenvoudig: Wees jezelf in waarheid: Erken jezelf in de betekenis, die dit hoeft voor je eigen wezen zowel als voor de wereld en maak uit dit “ik” dat past in de wereld, zonder te denken aan wetten of aan godsdienst. Doe niet al te veel een beroep op God. Probeer eerst zelf de zaak te klaren. Dan is dit ook een heel eenvoudige regel: Beroep u nimmer op het gezag van hogere krachten, van God of van de geest om iets te rechtvaardigen, dat ge uit uzelf niet kunt rechtvaardigen. Ga uit van uzelf. Men dient zijn God, zichzelf, de wereld en de waarheid het best door oprecht zijn eigen wegen te tonen en te uiten en dit volgens eigen noodzaken en behoeften zo zuiver mogelijk aan te passen aan de rest van de wereld.

Tjonge, tjonge, wat zeg ik daar? Nu ja, ik hoor het al: overal de banvloek! “Dit is demonisch gepraat, dat de goddelijke wet ontkent. Waarom erkent u niet de wetten, die in de Bijbel zijn gesteld, die Mozes van God Zelf heeft gekregen?” Nu, ik weet niet meer, wat je daarop moet antwoorden. Heeft de mens nu werkelijk zo’n behoefte aan een hoger zijn? Heeft de mens nu werkelijk behoefte aan iets dat hij nooit kan worden, iets dat hij nooit waar kan maken? Weet u, het is misschien ook weer een gemene slagzin, je zou het op ieder soort geestelijke kunnen toepassen, maar het werd in het verleden voor de Brahmanen gebruikt, Toen zei men nl. dit: “Een Brahmaan is iemand, die in vroomheid en godgeleerdheid zich tot het volk wendt, hun vertelt hoe zij moeten leven om vervolgens zich terug te trekken in zijn binnenkamer en daar te zondigen.”

En ik geloof, dat we daar de menselijke aard aardig te pakken hebben. Naar buiten toe wijsheid en lering, naar binnen dezelfde onbeheerstheid als ieder ander. Zo werd er ook gezegd, dat sommige (en dat ging helaas weer over de pauselijke zetel; niet dat ik er speciaal wat tegen heb) bisschoppen en pausen anderen in de ban deden en uit de godsdienstige gemeenschap stootten, omdat ze de brutaliteit hadden zich dezelfde zonden aan te matigen, die de Paus voor zichzelf had uitverkoren. Dat stamt uit de tijd van de Borgias en de Orsinis. Zo hoor je overal steeds weer, dat de mens zich niet alleen een gezag aanmatigt en wetten aan anderen predikt, maar dat hij dan op grond van het feit dat hij die wetten predikt zichzelf daarboven verheven acht.

Is het dan niet beter om geen wetten aan anderen te prediken en te leven volgens datgene, wat je innerlijk erkent als juist? Laten we eens op de feiten afgaan: Een mens kan vliegen, maar slechts met hulpmiddelen. En toch is levitatie mogelijk. Een mens vaart met grote schepen over de wereldzeeën en toch zijn er mensen, die over de wateren wandelen. Een mens kan zich bv. per trein of per auto redelijk snel verplaatsen, maar er zijn ingewijden geweest, die dat veel vlugger en met minder omslag deden, alleen met hun bewustzijn, hun wil en hun innerlijk weten. De mens beroept zich op zijn hulpmiddelen; maar zolang hij zich op die hulpmiddelen blijft beroepen, zal hij nooit komen tot de ontwikkeling van de werkelijke, innerlijke krachten, die hij bezit.

Zo beroept de mens zich op de krukken van godsdienstige openbaring, van goddelijke wet, algemeen aanvaarde zeden, algemeen geldende moraal, de noodzaak van Godsverering, de zondigheid en de demonische dreiging van bepaalde handelingen om zichzelf in het rechte spoor te houden. En omdat hij zich aan die krukken vastklampt, zal hij nooit zelfstandig kunnen lopen. Zelfstandigheid kan alleen groeien uit het besef, dat je zelf leeft, zelf moet volbrengen, dat in jou de kracht leeft, in jou de werkelijkheid bestaat. Het is eigenlijk treurig dat dergelijke mensen, mensen dus die dit op aarde bereiken, ingewijden zijn. Dat zijn alleen maar ware mensen. Ik vraag me af of de mensheid zelve, de doorsneemens in vele gevallen en vooral de religieuze mens, niet kan worden vergeleken met een zieke, die na een been gebroken te hebben op krukken loopt en nu de moed niet meer heeft zijn krukken weg te gooien, waardoor hij een leven lang gehandicapt en gehinderd blijft de vrijheid ontbeert, welke hij begeert en dit alles tracht goed te maken met de gedachte dat zijn krukken hem dan toch wel op een gunstige wijze onderscheiden van een ieder, die zich normaal beweegt. Ik weet het, het is niet interessant vandaag. Wel een beetje? ….. Ja, wat moet ik daar nu van zeggen? Per slot van rekening, er hebben al wat heilige huisjes staan sidderen en een enkele begint te kraken, dat is nooit leuk. Maar de waarheid van het Al en wat dat betreft de waarheid omtrent God, de wereld en alle leven is deze.

Slechts wie zichzelf is en zijn eigen capaciteiten ontwikkelt, zal voortbestaan. Slechts degene, die zichzelf tot perfectie brengt, zal een grotere perfectie kunnen verdragen. Slechts degene, die zijn eigen plaats in het Al vindt, zal harmonisch passen in het geheel. En niemand kan dat voor u doen. Niemand kan u de perfectie geven, die u zelf niet wilt bezitten. Niemand kan u de oefening en de training geven, die u noodzakelijk, ja, onontbeerlijk moet vinden om uzelf te zijn. Er is niet zo’n gemakkelijke uitweg, vrienden. Er is niet alleen maar het systeem van trapjes klimmen, trapje op tot de derde verdieping, en nu zijn we geestelijk bewust! Er is het erkennen van jezelf, het steeds, meer vertrouwen op jezelf, het steeds meer leven van uit jezelf, het steeds meer in waarheid jezelf zijn; ook binnen het klooster “de wereld”, met al zijn beperkingen. Wanneer de mensheid zou kunnen ontkomen aan haar dwaasheid van de gebondenheid aan wetten, van kloostertjes en van bemiddelende priestertjes en vooral van het brengen van offertjes, kortom, van dit hele dwaze, waanzinnige, sentimentele omkopingsgedoe van de goddelijke krachten en de waarheid, dan zou die mensheid geen vliegtuigen nodig hebben, dan zou ze zelf vliegen, want de mensheid kan zich door de lucht verplaatsen, als ze wil. Ze heeft in zich die eigenaardige kracht, die sidderende werkelijkheid, waardoor ze zich door de lucht kan verplaatsen, over water, kan lopen, zich eenvoudig door wilskracht van de ene plaats naar de andere, zonder het doorlopen van de tussenliggende ruimte, kan verplaatsen.

De mens heeft die kracht, die kwaliteiten. Hij heeft ze geestelijk en hij kan ze materieel gebruiken, zolang hij uitgaat van het idee dat, als je iets nodig hebt, je tot jezelf moet zeggen; “Dit zal waar worden. Hiervoor geef ik mijn hele wezen en alles. Zozeer verlang ik dit, dat ik niet rust, voordat ik dit erken.” Maar in plaats daarvan zegt hij; “Ach, mijn lieve God, ik heb weer drie kaarsjes gebrand, geef het me alsjeblieft.” “Heilige Alliacus, u heeft het in uw leven ook gedaan, geef het me alsjeblieft.” Wanneer die mens zou afgaan op wat nodig is, wat hij erkent als waar, dan zou hij het bereiken. Zonder dat niet. Waarmee ik helaas van de vakantie sfeer wel een tikje ben afgeweken. Maar aan de andere kant is het toch ook waar wat ik zeg. Wanneer ik een mens suggereer dat hij niet kan lopen, onder hypnose brengt en die suggestie blijf herhalen, dan komt er een ogenblik dat die mens verlamd is. Wanneer ik een mens voortdurend vertel, dat hij het innerlijk niet kan weten, dat hij niet mag leven naar, zijn werkelijk wezen maar alleen naar hetgeen ik hem heb gezegd, dan kan ik een deel van zijn ziel, van zijn geest en van zijn bewustzijn verlammen en zal hij niet beter weten, of hij kan zich niet meer bewegen.

Een groot gedeelte van het bijgeloof in de godsdiensten, een groot gedeelte van al deze – ik zou haast willen zeggen – achterbuurtjes van het geestelijk bestaan berust op een zelfsuggestie, een voortdurende hypnose, een altijd weer herhalen van hetzelfde, tot de mens op den duur gaat geloven, dat hij een doodzonde begaat, als hij niet op de K.V.P. durft stemmen, en deze helm niet riskerende zijn stem geeft aan een staatsman, die hij niet vertrouwt. We hebben eigenlijk het recht niet onszelf te verdoven en te verlammen, en zeker niet wanneer we in de wereld bestaan. In die stoffelijke wereld, waarin de mogelijkheden tot ontwikkeling in feite zoveel groter zijn dan in menige geestelijke sfeer. We hebben het recht eenvoudig niet om ons vast te klampen aan wat A. heeft gezegd en B. heeft gedaan. Zelf in de mens, in hem is God. Maar hijzelf moet die God uiten, Hijzelf moet die God in zich erkennen. Hijzelf moet de waarheid vinden van Zijn wezen. Hij moet erkennen wat zijn plaats is; niet alleen in de wereld maar in het Al, in de samenhang der dingen. Hij moet de zinrijkheid van zijn bestaan erkennen en niet slechts vertrouwen op een zin, die later eens door een eeuwige kracht zal worden gegeven, als hij zelf reeds lang ontslapen is. Leef vandaag en sluimer niet! Dat is de slagzin, die ik u wil voorhouden. En wat dat betreft, kunt u zich net zo goed van de Orde een godsdienstje maken, als u zich een godsdienstje kunt maken van alle andere dingen.

U kunt net zo goed een portretje op een tafel aanbidden als een beeld in een kerk, of een ongeziene abstracte macht, waarvan u droomt dat ze u voortdurend zal helpen. Het gaat er niet om, of die krachten er zijn of niet. Het gaat erom, dat gij op uzelf moet betrouwen, dat gij zelf moet beseffen en uit uzelf moet leven en dan pas misschien eens zult begrijpen, dat uw plaats in het Al u in contact brengt met geesten, met engelen of met wat dan ook. Maar wie a priori zegt: “Ik moet geholpen worden, ik moet gesteund worden, die komt niet verder. Indien ik een godsdienst zou moeten stichten (o, ik zal het nooit doen, zo dom ben ik niet), maar als ik het zou moeten doen, dan zou ik uitgaan van dit standpunt: Een mens heeft het contact met zijn medemensen nodig. Een mens heeft de mogelijkheid nodig om te spreken en te beleven. Schep een centrum, waarin een ieder die wil, zonder dat er enig werkelijke verplichting bestaat, kan mediteren in een daarvoor bestemde ruimte.

Schep een middelpunt, een groepering, waarin de mensen elkaar kunnen ontmoeten, elkaar kunnen leren kennen, zover ze willen en zoveel ze willen. Schep een middelpunt, waar de mensen – als ze zichzelf niet voldoende kennen – met hun beperkte problemen kunnen komen om na raad te hebben gekregen zelf en op eigen verantwoordelijkheid weer verder te gaan. En geef als ritueel alleen maar onverschillig welke weg de juiste erkenning van harmonie mogelijk maakt het besef van de samenhang, waarin wij bestaan, maar die wij eerst in onszelf moeten kennen, voordat wij haar buiten ons tot een actieve werkelijkheid kunnen maken. Een godsdienst zonder wetten, zonder openbaring, zonder genade en zonder uitverkiezing. Een godsdienst, die gelegen is in het erkennen van God, zoals Hij in je bestaat, het uiten van de goddelijke Kracht en de wijsheid, zoals die in je leeft en het uiten van jezelf, zoals je bent geschapen, omdat je alleen zo waarlijk kunt beantwoorden aan het wezen, dat je zelf bent, aan de kracht, die je heeft voortgebracht en aan alle oneindige mogelijkheden, welke er buiten jou ongetwijfeld bestaan.

 o-o-o-o-o

Op het gevaar af dat men mij de advocaat van de duivel zal noemen, zou ik toch gaarne enkele woorden ten bate van het geloof en ten voordele van de godsdienst spreken. Ik hoop niet dat u me dat kwalijk neemt, maar zoals mijn voorganger zei: Je moet proberen in waarheid jezelf te zijn. Dat ik nu toevallig een deel van mijn wezen en van mijn hart heb verpand aan geloofswaarden, maakt het volgens zijn stelling voor mij zelfs tot een plicht om hier een ogenblik verdedigend op te treden. En dan begin ik met mijn argumenten.

Wanneer u sterk genoeg bent om op eigen voeten te staan, dan heeft mijn voorganger gelijk. Maar is het niet beter op krukken te strompelen en voorwaarts te gaan dan langs de weg te rusten, tot men omkomt van gebrek? Is het niet beter te geloven in een God en een goddelijke hiërarchie, in deugden en zonden, in hemel en hel – ook al zijn die dingen niet waar, zoals gij ze gelooft – dan niet te weten, hoe te streven en te leven? Voor mij is er een aspect boven alles dat wordt verwaarloosd, indien men alleen van zichzelf uitgaat.

Mijn voorganger zegt: Wij moeten al die onzin opzij schuiven. Maar als ik niet meer kan geloven in een goddelijke liefde, dan heeft mijn leven geen zin. Waarom zou ik dan verdergaan? Als ik niet vertrouw op een kracht, die als ik zelf tekort schiet mij zal helpen, zal ik dan nog de moed vinden om wat ik geloof en wat ik in mijzelf erken, te leven? De ervaringen, welke ik vooral in de sferen heb opgedaan, maken me ook hier en daar wel een klein beetje terughoudend t.o.v. godsdienst; en dat terwijl ik toch in mijn leven heel wat heb gepreekt. Maar als men alle waarden daarvan ontkent, gooit men het kind met het badwater weg. Geloof in onszelf is al een noodzaak, willen wij komen tot een persoonlijke ontwikkeling. En geloven in God is noodzakelijk, wil al wat wij tot stand brengen zin hebben.

En dan moogt ge allen uw eigen regels stellen. Dan moogt ge uw eigen wetten maken en moogt ge de arme Karmelietessen die het gelukkig niet weten desnoods vergelijken met de vroegere priesteressen van Venus, want dat maakt niet veel uit. Maar wat ge niet moogt doen, is ontkennen dat er in u een licht en een kracht is en een liefde zonder einde, die u door het hele leven heen – ook al gaat ge uw eigen weg – kunnen en zullen steunen. “Want,” roept mijn vriend en voorganger uit, “een mens kan vliegen en kan over de wateren wandelen.” Zo roep ik uit: “Deze dingen heeft de mens uit het geloof volbracht en slechts zelden uit eigen weten.” Het geloof gaat aan het weten vooraf. Ontken niet de waarde van een geloof. Wees voorzichtig met de banden, die je van je afwerpt. Werp ze slechts de een na de ander weg, opdat je niet van alle steun beroofd, plotseling moet ontdekken, dat je innerlijk niet sterk genoeg bent om voort te gaan.

Ik geloof wel, dat ik mij mag beschouwen als een der velen in de sferen, die in een betrekkelijk korte tijd vormen, kleuren en klanken achter hebben gelaten; en daarom geloof ik ook dat het met mij nu toch niet zo erg gesteld is. Ik ben bijgelovig, want ik geloof in een God, Die Zijn schepping liefheeft en Wiens rechtvaardigheid slechts door Zijn liefde wordt overtroffen. Ik geloof in een band, in een harmonie, in een kosmische samenhang. Maar ik geloof dat deze slechts zin heeft door een goddelijke liefde.

Ik ben ervan overtuigd dat onze vriend gelijk heeft, als hij het bijgeloof, de godsdienstige dwaasheid van de mens bespot. Ik heb zelf voldoende dwaasheden in dit opzicht moeten meemaken. Maar ik weet zeker dat er maar één werkelijkheid is, en die werkelijkheid is er een van een levende God, van een eenheid en een harmonie, welke uit die God voortkomt. Dan wil ik met nadruk zeggen: Bespot de godsdienst zo ge wilt, maar bespot nooit de mens, die gelooft. Ontneem hem met de steun, waardoor hij staat, want zo hij valt, zult gij met, hem vallen. Lach desnoods om de dwaasheden en de strijdigheden in de wereld. Maar lach nimmer om een mens, die dwaas is, want zijn dwaasheid kan het “begin der bewustwording en der wijsheid zijn.” Lach desnoods om alle sentimentaliteiten, die worden verkondigd. Maar wijs nimmer de ware liefde af, de werkelijke genegenheid en het streven, die – zo ge het mij vraagt – de band van kosmische harmonie zijn, waarin eens het Al zijn Schepper bewust zal beleven en erkennen.

Ik ben misschien een slechter advocaat van de duivel dan ik zou willen. Misschien ligt het wel aan het feit, dat ik op het ogenblik een tussenschakel gebruik, Maar ik weet zeker, dat mijn woorden waar zijn en meer waar zijn dan menigeen zal kunnen beseffen. Wees vrij, zegt mijn vriend. Wees uzelf. En ik zet mijn stem daarachter, maar voeg eraan toe: Wees vrij en wees uzelf, maar nimmer zo, dat gij u in strijd voelt met uw Gods met de goddelijke liefde of met de verantwoordelijkheden van uw eigen bestaan. Dat lijkt mij de noodzakelijke aanvulling op de hier en daar wat te felle aanvallen van mijn voorganger, die mij mijn kritiek ongetwijfeld zal willen vergeven.

AFSLUITING

Hoe kan ik in een oneindigheid iets afsluiten? O, we doen het zo vaak, We sluiten de periode van leren af met het uitreiken van een diploma; en dan begint de mens pas werkelijk te leren. We sluiten het leven af met de schone woorden en rituelen der begrafenis; en dan begint pas het werkelijke leven. We sluiten de kinderjaren af met hun vrolijkheid en vrijheid – zoals ze zeggen – door een volwassene, een kind dat zijn taak in de maatschappij begint te aanvaarden, nog een laatste maal een feest te schenken. Maar de betekenis van het kind in de gemeenschap begint gewoonlijk eerst dan en daarmee zijn werkelijke vorm. Wij loven een mens, die ingewijd is. Want nu kent hij de hoogste geheimen. Maar wanneer hij die geheimen kent, begint hij pas te beseffen wat hij is, dan begint hij pas aan de werkelijkheid van zijn leven.

Een afsluiting is tevens een begin. Wanneer je een leven afsluit, begint een groter leven. Wanneer je een reeks bijeenkomsten afsluit, begint er een nieuwe mogelijkheid voor actiever en hogere bewustwording. En daarom geloof ik, dat we het zo mogen proberen te zeggen.

En als mijn oude ijdelheid even om het hoekje kijkt, bedenk wel, ofschoon ik zeg; ijdelheid der ijdelheden heb ik deze nog niet afgesloten. Mogelijk uit angst, dat ik anders ijdeler zou worden. Einde van een tijd.  Einde van een leven. Einde van een zweven door de ruimte of einde van een moeizaam gaan door het aards bestaan, t is waan.

Afsluiting als einde van een streven, van een les, van al wat er bestaat, is alleen het erkennen van hiaat in eigen bewustzijn, in eigen wezen. Want bij de afsluiting begint pas de werkelijkheid. En wie de vruchten der lessen erkent en in zichzelf de kracht en ‘t bewustzijn tot hogere waarden, want weet: de afsluiting van de lessentijd, is het begin van een innerlijke strijd, die voert tot hoger wezen, tot het besef van nieuwe eeuwigheid en met minder vrezen verdergaand tot het bestaan en tot de dood. Daarom zou je kunnen zingen: Ach, laat mij u een liedeke zingen van de afsluiting van deze tijd. En laat mij uwe harten wringen, totdat gij onder tranen mij belijdt, het is schoon geweest en goed der dagen.

Maar, mens, vergeet niet om te vragen, hoe het allemaal verdergaat. Droog de tranen en laat de droefheid wezen. Zoek verder in de oneindigheid van het bestaan.

Sluit af, wat ge wilt, ge zult het weer ontmoeten. Ge zult de oude waarden nieuw begroeten, maar zelfbewuster en bevrijder uw eigen wegen gaan. Wat de vogels zingen in de luchten en gaan op vlerkend wijde vlucht, gij zijt nog vrijer dan een vogel. Heel het Al is uwe lucht, Gij zijt nog vrijer dan de sterren, die stralend uit oneindigheid u een lichtstraal zenden in de duistere nachten, die de mens nog voort geleidt.

Gij kunt zijn licht van alle lichten, een deel van eeuwig lichte kracht, die in het diepste duister van de diepste geesten nog licht en richting heeft gebracht. Zo wees tevreden en wees vrolijk en maak geen grenzen in de tijd.

Afsluiting, dat is waan van het menselijk wezen. Maar het waar bestaan, dat is onbegrensde eeuwigheid. Nu heb ik even teruggegrepen naar mijn vroegere persoonlijkheid en mijn vroeger denken. En die ijdelheid sluit ik nog niet af, want nog vind ik de vreugde in de zachte klank van het woord.

Maar één ding moet ik wel afsluiten en dat is onze bijeenkomst. Niet omdat ze ten einde is, maar omdat ze voortgaat in een andere vorm. Want als u steeds naar ons zou moeten luisteren, u zou niet zelf kunnen leven. Maar als u werkelijk leeft, dan leven wij met u, en dat is groter eenheid dan een lesje of wat woorden ooit kunnen geven. Ga met God, ga in vrede.