De ondergang van Atlantis

Atlantis was in de tijd van zijn ondergang een samenstel van rijken onder wat men kan noemen een soort religieus keizerschap. De titels zijn uit de aard der zaak van onze tijd.

Er waren op het ogenblik van de eerste ramp ongeveer 70 provincies of kleine rijken met over het algemeen een bevolking van vissers en landbouwers, hoofdzakelijk slaven. Daarnaast bestonden er handelscentra en niet te vergeten een zestal havens waarvan er een, de hoofdstad, een bevolkingsdichtheid had die voor die tijd enorm was, namelijk ruim 25 ‑ 30.000 inwoners. U kunt zich nu de situatie wel enigszins voorstellen.

Er was een godsdienst ontstaan, die langzaam maar zeker was ontgroeid aan de leiding van de krachten van de geest en die zich had verstedelijkt. Die godsdienst was in de steden met de grote tempels gekomen en had een priesterschap tot stand gebracht dat zeker nog het een en ander wist van magie en dat ‑ zoals in de oudheid ‑ de wetenschap op zijn wijze beoefende, maar macht toch wel als het belangrijkst beschouwde. Als wij het willen vergelijken met deze tijd, dan hebben we een recent feit om duidelijk te maken hoe de zaken staan.

Aan de ene kant zijn er degenen die God zoeken en trachten de wijsheid en de kracht van God zonder aanzien des persoons aan een ieder te geven die haar wil ontvangen. Zij spreken niet over rang of stand. Zij houden zich niet bezig met uitgebreide rituelen. In de huidige tijd zou men kunnen zeggen: De opstandige leden van de vele kerken die weer zoeken naar een contact met de godheid.

Aan de andere kant staat dan de priesterschap die meent dat alles wat de godheid betreft langs hiërarchische weg dient te geschieden. Hierin ligt, naar ik meen, het eerste conflict, want het geloof aan de priesters nam af, niet aan hetgeen zij vertegenwoordigden maar aan hun macht, hun mogelijkhe­den, hun magisch kunnen zelfs. Dit resulteerde in een enorme strijd tegen het ongeloof. Ook in de staten begonnen de verhoudingen een beetje vreemd te worden. Men had daar namelijk verschillende soorten slaven. Men kende aan de ene kant de slaven die werden geïmporteerd. Vaak waren dat negers, maar in vele gevallen, vooral in de meer westelijke rijken, ook indianen zoals men die tegenwoordig nog in het Amazone‑gebied kan aantreffen.

Deze geïmporteerde slaven stonden echter in direct contact met de eigen slaven. In het verleden was er strijd geweest tussen de rijken en dus waren er krijgsgevangenen gemaakt die, zoals in die dagen gebruikelijk was, de slaven van hun overwinnaars werden. Terwijl andere mensen, die in hun verplichtingen tekort waren geschoten tegenover de vorst, de tempel maar ook vaak in zakelijke belangen en verplichtingen t.a.v. land, goederen en geld ofwel voor levenslang dan wel voor een bepaalde tijd tot slavendienst werden veroordeeld.

De eerste gisting vond dus plaats onder de slaven. Waren zij in het verleden voortdurend onder de ban van het priesterschap geweest, nu begonnen zij langzamerhand zelf te denken; en dit zelf denken was de machthebbers en leiders van die dagen zeker niet zeer aangenaam. Ik vermoed, dat zij in die dagen evenzeer in hun achterhoofd pijnlijke gevoelens koesterden als hier in Nederland bv. de heren Den Uyl en Cals. Er was iets. De machthebbers moesten iets doen, maar ze wisten niet wat. Omdat zij niet wisten wat, gingen zij verder op de oude weg. Ja, zij probeerden de zaak nog dringender te maken en legden het volk zwaardere lasten op. Hun beperkende bepalingen in de steden werden steeds uitgebreider. Hun gezagsuitoefening in de havens kwam hier en daar aan zeeroverij gelijk.

In deze situatie (vergeet niet, het was een eilandenrijk waar zij niet konden wegvluchten in de wildernis) maakten een aantal blanke slaven zich van het gezag los en begonnen heel rustig een strijd. Zij werden de eerste soldaten voor geld. Want omdat zij bescherming nodig hadden, boden zij zich aan als strijders aan elke vorst of elk vorstje (de naam is alweer van deze tijd) die soldaten wilde hebben. Hierdoor ontstond er een toenemende strijd tussen al die kleine rijken. De keizer in zijn hoofdstad zon wanhopig op middelen om zijn gezag te handhaven. Maar hij kon moeilijk slaven kopen of vrije slaven (weggelopen slaven) gaan aanwerven. Wat hij deed, was een krijgsmacht vormen die, dom genoeg, was samengesteld uit zowel zwarte of gekleurde slaven als uit slaven van zijn eigen ras. En daarmede was het vet eigenlijk in het vuur.

Er begint nu een toenemende bewakingswedloop. De priesters en geleer­den kiezen vaak partij. Een tempel is nu eenmaal erg afhankelijk van de vorst in wiens stad of dorp hij staat. Ook wat zijn welzijn en leven betreft begint men overal na te gaan welke middelen er zijn om elkaar a.h.w. door macht in schaak te houden. De situatie in de huidige tijd waarin men een machtsevenwicht predikt als het beste middel voor het bewaren van de vrede, zien wij ‑ zij het op veel kleinere schaal en met primitievere middelen ‑ ook daar wel degelijk gehandhaafd. Toch gaat alles nog goed. Er breken een aantal oorlogen uit. De keizer krijgt een paar keer stevig op zijn kop en ten slotte besluit hij ‑ wat misschien heel dom was ‑ om met zijn generaals en hogepriesters tezamen een soort generale staf te vormen.

Bij deze eilandenoorlog moet u denken aan een archipel met zeestraten van een gemiddelde breedte van 2 tot 10 km, Er waren inderdaad wel enkele bredere zeestraten, maar 2 tot 10 km was wel de gemiddelde afstand tussen de eilanden. Enkele van deze eilanden waren vulkanisch van oorsprong. Het grootste gevaar bleek te schuilen in een eiland dat men wel Tellops of Tellem noemde. Dat lag ongeveer in de richting van de Kaap Verdische eilanden. Men had n.l. ontdekt, dat men door middel van stoom een explosie kon veroorzaken. Kortom, dat men door waterkracht veel kon bereiken. Een of andere geleerde had uitgevonden dat, als men in magma (gloeiende lava) water bracht, er heel eigenaardige dampen tot ontwikkeling kwamen. Maar deze uitvinders van toen waren niet intelligent genoeg om te berekenen dat de beschermende stoomlaag, die normaal een werkelijke explosie voorkomt, wel eens zou kunnen wegvallen op het ogenblik dat de druk van de watermassa te groot wordt.

In de basaltbasis van de eilanden waren, zoals vaak voorkomt, nogal wat grotten te vinden. Dat wil zeggen, smalle kloven die de kern van het eiland tamelijk dicht naderden. Men besloot nu dat, als er op het eerder genoemde eiland Tellem een uitbarsting kwam, deze zeker de meeste schade aan de vijand zou toebrengen en dat deze ‑ zo dacht men ‑ heel langzaam en voorzichtig de zaak zou doorbreken. Dat daarbij een paar duizend slaven zouden omkomen, interesseerde niemand. Het resultaat was, dat onder de eigenlijke magmaspiegel het zeewater toegang kreeg tot de kokende aardmassa. Was de aarde in die periode niet zo actief geweest dan was er misschien niet zoveel gebeurd. Maar nu kwam het tot een enorme explosie. Door die explosie zien wij dat een groot gedeelte van de eilanden verdwijnt. Daarover moet u zich niet zozeer verbazen. U moet zich realiseren dat het klimaat in die tijd anders was. Er waren in de eerste plaats ver­scheidene eilanden die men beter als koraaleilanden zou kunnen omschrijven.

Verder moet u niet vergeten dat dit basaltmassief waaruit de eilandjes be­stonden praktisch een plaat vormde. De explosie deed deze plaat breken. Er ontstonden daardoor enorme verschuivingen die zich doorzetten tot in de aardschors zelf. U weet wat er gebeurt als er grote delen van de aard­schors in beweging raken: aardbevingen, overal vulkanische uitbarstingen en al dergelijke rampen. U begrijpt, dat toen een aantal eilanden eenvoudig verzonk.

Nu zou men denken dat de generaals, die zagen hoe hun eigen steden waren beschadigd en er eigenlijk niets meer overbleef, eindelijk aan vrede dachten. Maar neen, zij zeiden: Nu is het tijd om de macht van de keizer (het hoofd van alle vorsten) definitief tot uiting te doen komen. En terwijl de mensen met heel weinig eten (heel weinig vis) en met heel grote moeilijkheden in de zeevaart door een beperkte vloot, probeerden hun woonsteden te herstellen, begonnen de generaals schatten in te zamelen en bouwden zij op een van de kleine eilanden aan de zuidkust van Ierland (ca. 50 mijl van de kust van Wales) een speciale tempel met alle pracht, waarin goud (later noemde men het aurichalcum, een mengsel van goud en andere metalen) werd gebruikt en daarin men met veel moeite geslepen porfierplaten deed aanbrengen. In het midden van die tempel stond een zuil waarop eveneens gegrift in gouden platen het verbond van de vorsten werd vastgelegd. Tevens werd hiermede de suprème macht van de priesters en de soldaten bevestigd. Het is a.h.w. alsof het Pentagon zou zeggen tegen de President van de Ver. Staten: Jij bent, een goede jongen en jij mag de baas spelen, maar wij moeten alles goedkeuren wat jij doet. Alle bondgenoten waren dus maar verplicht de grote vorst te gehoorzamen en zijn bevelen op te volgen.

Dit was een greep naar de macht die misschien wel voortvloeide uit de legende van het vroegere rijk Mu, waarvan men zich in die tijd reeds heel vreemde voorstellingen plachtte te maken. Hoe de zaak ook geweest moge zijn, de oorlog ging verder. De veertien en later de elf rijken bleven met elkaar in strijd. Men koloniseerde o.a. de zuidpunt van Hibernia (Ierland), bepaalde delen van Afrika rond de Goudkust. Men herstelde zelfs het contact met de nederzettingen op de eilanden San Fernando da Noronha en ook op de Braziliaanse kust en in het Caraibische gebied.

Maar de strijd ging voort. De machtsstrijd werd steeds intenser. De magiërs hadden nu weer enkele andere uitvindingen gedaan, o.m. een primitieve methode om elektriciteit op te wekken, iets wat heel dicht bij de kernexplosies van heden kwam, ofschoon daarbij niet werd gewerkt met kritieke massa, maar met druk en met de enorm hoge temperaturen die het binnenste van de aarde kon leveren. Het resultaat is duidelijk. Omdat men niet wilde gedogen dat er een gelijkwaardige of gelijksoortige macht bleef bestaan, was men bereid desnoods het gehele rijk te vernietigen.

Gelukkig werd er in die tijd al heel wat geëxporteerd van het geloof en ook van de cultuur die Atlantis toen bezat. De witte priesters waren deels reeds voor de eerste ramp die zij voelden aankomen, voor de eerste oorlog, weggetrokken naar de z.g. wilde gebieden. Zij hadden daar invloed op de ontwikkeling rond de binnenzee die later Sahara zal heten; en dus ook op de beschaving van Egypte. Zij waren ook verantwoordelijk voor het betrekkelijk plotselinge ontstaan van een redelijk goede landbouw in die streken. En al verder trekkend (want zij bleven eigenlijk steeds vluchten voor de mogelijkheid van kolonisatie door de Atlanten) brachten zij hun beschaving ook naar India en trokken zij zich ten slotte terug in de ontoegankelijke berggebieden van de Karakorum. Deze trektocht was een kwestie van vele eeuwen.

De slaven hadden ook aan de opstand deelgenomen. De donkere slaven waren deels gevlucht bij de eerste opstand. Daardoor waren zij aansprake­lijk voor afwijkende cultuurontwikkelingen vooral in het zuiden van Afrika. De blanke slaven bleven hun eigen land nog wél enigszins trouw, wat be­grijpelijk was omdat zij merendeels soldaten waren. Maar ook zij besloten, toen de eerste confrontatie te ernstig werd, weg te trekken. Een, voor die tijd zeer groot leger van rond 20 á 50.000 man met vrouwen en kinderen, met grotendeels gestolen vee dat men op het vasteland had buitgemaakt, met boten, met overlevering omtrent de bouw van boten en de mogelijkheden daarvan, trok eveneens rond de Middellandse Zee. Later heeft men een groot gedeelte van de daarvan uitgaande invloed omschreven als keltische invloed.

Hier hebben wij dan een verschijnsel dat in die tijd nog mogelijk was. Indien de mensen in de huidige tijd die kans hadden, zouden er ook zeer velen zijn die zich graag zouden terugtrekken uit deze voortdurend in een spel van bluf en dood (een soort Russische roulette) gewikkelde beschaving om elders heen te gaan. Ik kan mij voorstellen dat het ook daar vooral de gewone mensen waren die niet veel te verliezen hadden. Deze mogelijkheid bestaat vandaag aan de dag niet meer. Maar de onrust, die er onder de slaven heeft bestaan en voor de eerste en voor de tweede ramp was kenbaar bij het gewone volk in de gehele wereld. De opstandigheid, die zich toen uitte in bv. het doden of aanvallen van een meester die wreed was, het neerslaan van slavenopzichters, het roven in bepaalde villa’s en vooral het beroven van voorraadschuren en ‑ruimen, vinden wij eigenlijk in het heden terug; wat meer gereglementeerd nog, wat meer in de richting van een toegestane demonstratie of staking, maar het is er.

In deze korte geschiedenis zijn de belangrijkste elementen van ons betoog de volgende: De groepen van de godsdienst en de magie vielen weg doordat er een te groot formalisme ontstond en daardoor in tegenstelling tot vroegere dagen te weinig werd gepresteerd om de stellingen te bewijzen. De handel had belang bij een zo groot mogelijk opeenstapelen van bezit en ook het zoveel mogelijk beheersen van bepaalde vaarwegen. Met de kleine schepen van 20 á 30 ton (denkt u er eens over na, daarmede staken zij de zee over) was het praktisch haast onmogelijk te concurreren tenzij men op de tegenstander voorlag.

De handel had zeker een grote invloed op de onderlinge verhoudingen van de kleine staten. De machthebbers op zich waren niet in staat de veranderingen, die er bij een toenemende bevolking en ook groeiende rijkdom van hun land ontstonden, geheel te verwerken. Zij meenden bv.; als er teveel geld komt dan bouwen wij een paar tempels en een paar paleizen en de zaak komt weer in orde. Dan heeft iedereen weer dezelfde reden om op avontuur uit te gaan en risico’s te nemen. Maar dat was niet zo. Zij zaten dus in moeilijkheden en moesten toen met gezag en geweld dingen gaan nemen die zij eens als vanzelfsprekend ontvingen voor hun protectie en hun interventie bij de goden.

Kijkt u eens naar deze dagen! Het bedrijfsleven wordt aan banden gelegd evenals toen. In dat bedrijfsleven tekenen zich grote belangengroepen af, die elk voor zich proberen zekere voorrechten te handhaven. Zij proberen dus voor zich een soort monopolie te verkrijgen, hetzij beperkt hetzij compleet. In deze monopoliestellingen zien zij voor zich de mogelijkheid tot grotere verdiensten waarin het volk wel deelt, maar slechts in beperkte mate. In een groot aantal westerse landen wordt op het ogenblik het regeringsbeleid voor 9/10 bepaald door economische behoeften en dat betekent pressie van handel, van machthebbers. Zoals eens de kleine vorsten de handelsheren en reders macht hadden in Atlantis. Wij zien de macht die verdeeld was. De kleine vorsten kregen het wat beter, zij konden soldaten krijgen. Het is duidelijk, dat hun raadsheren en hovelingen niet van plan waren de tweede viool te spelen t.a.v. de hovelingen en machthebbers in de hoofdstad. Er ontstond dus een soort ambtenarij al kan men die niet helemaal uitdrukken in de formulieren en schrifturen van vandaag de dag. Deze soort ambtenarij had zich ten doel gesteld om ten koste van alles de eigen belangrijkheid in de vorm van suprematie te handhaven. Daaruit kwam een schijnbaar nodeloze strijd voort en werden de grenzen tussen de ongeveer 70 rijken steeds strenger getrokken. En terwijl men sprak over samenwerking werden de verschillen van groep tot groep groter. Kijkt u nu naar de wereld van vandaag. De koloniën (zo mogen wij de nederzettingen op het vasteland van Europa en de Amerika’s wel noemen) hebben er helemaal geen belang bij het moederland te blijven steunen, dat is ook duidelijk. Zij willen wel van het moederland profiteren. Zij willen de kennis en het gezag daarvan hebben maar ze willen geen grote tributen betalen. Een symbool graag, maar meer ook niet. Het is duidelijk, dat wij hier een ontwikkeling zien die doet denken aan de vele nieuwe jonge staten die wel willen profiteren van alles wat de reeds gevestigde oudere staten te bieden hebben, maar die daarvoor liefst, niets willen teruggeven. Ja, die vaak proberen met een zeker geweld af te persen, zoals eens een plaats in de buurt van het huidige Cadiz eenvoudig alle schepen van het moederland in beslag nam, omdat men meer priesters wenste met bepaalde kundigheden o.a. op medisch gebied. Als men de toestand van dat Atlantis beschouwt, dan zijn er vele parallellen. Parallellen, die voldoende in uiterlijk verschillen om te zeggen: Nu ja, het zal zo erg wel niet zijn. Maar de mentaliteit die grijpt naar onverantwoordelijke experimenten met vulkanen, naar experimenten op het gebied van magie alleen om aan de macht te blijven, verschilt niet zoveel van de mentaliteit die grijpt naar de meest gevaarlijke atoomwapens. Het verhaal, dat het bezit van wapens op zichzelf macht betekent, doet heden nog evenzeer de ronde als in een ver en thans tot legende geworden verleden.

Welke kosmische inwerkingen kunnen wij nu in die periode ontdekken?

  1. Zowel bij de eerste als bij de tweede ramp is er sprake van een zeer sterke rood‑invloed; dus agressiviteit en strijdlust. Dat op zich­zelf is natuurlijk al heel belangrijk.
  2. Er is in beide gevallen sprake van een invloed van Algol, die zijn top bereikte ongeveer 8 á 9 jaar voor het uitbreken van het fatale conflict.
  3. Er is sprake van toenemende onrust en ongedurigheid onder de mensen, omdat zij in de ontstane maatschappelijke vorm geen voldoende mogelijkheid tot levensuiting vinden. Er is dus een toename van onredelijkheid.

Deze factoren kunt u, zoals u zelf reeds zal hebben ontdekt, in deze dagen terugvinden. De rode invloed zal in het komende jaar (1968) zeer sterk zijn. Zij zal ook in de daarop volgende jaren meermalen tezamen met het witte licht (de directe versterking van alle waarden) actief zijn. De eerste belangrijke invloed van de ster Algol moet worden verwacht rond de 9e maand van het komende jaar. In een periode van 5 jaar kan deze invloed doorwerken. Dan zal zeker ook van eenzelfde onredelijkheid en ontbinding van orde sprake zijn als in het verleden. Die mogelijkheid ligt er ruimschoots in.

De voorafgaande machtsstrijd kunnen wij niet alleen in de wereldoorlogen terugvinden, maar vandaag de dag vinden wij die ook bij de strijd tussen ideologieën en tevens in de strijd om handelsbelangen, om de verovering van wereldmarkten. Alle toestanden, die een gelijksoortig verloop mogelijk zou­den maken, zijn aanwezig. Dat klinkt echter wat te pessimistisch en daar­ om wil ik wijzen op de verschillen;

Ten eerste: Degenen die zich losmaakten van de stadspriesters gingen niet alleen zoeken naar de witte priesters of witte broederschap van die tijd. Zij vielen vaak terug op de zeer heidense gebruiken; in feite een vorm van totemisme die bij de primitieve slavenstammen bestond en door hen in het rijk van Atlantis was ingevoerd. De verering van de Maangodin speelde hierbij een zeer grote rol. In de huidige tijd echter, zien wij weliswaar een losslaan t.a.v. de kerken, hun dogmatische leerstellingen, de hiërarchische gezagsverhoudingen en zelfs hun moraal, maar daarnaast zien wij toch wel een oprecht zoeken naar iets anders. Hierbij wordt lang niet zozeer als in het verleden teruggegrepen naar de uiterst primitieve cultus van het totem, van het bloed alleen. Er is hier dus zeker nog enige hoop.

Ten tweede: De economie van eens was zeer sterk gebonden aan de staten en het gezag. In de tegenwoordige tijd zijn grote economische belangen vaak over zovele staten verdeeld dat zij eerder een behoudende factor t.a.v de vrede gaan betekenen dan een stimulerende factor t.a.v. de oorlog.

Overigens kunnen wij ons natuurlijk voorstellen dat Rusland op een gegeven moment begint met een dumping van bv. kleurentelevisies en andere apparaten En dat Philips dan zegt: Nederland, Amerika (want ook daar heeft Philips grote belangen) en nog wat andere landen moeten ten strijde trekken tegen de mensen die ons economisch vernietigen. Maar zover is het nog niet en deze mogelijkheid lijkt mij voorlopig niet groot. Wij hebben dus de economische binding tussen vele landen die een zekere vredesmogelijkheid schept. Aan de andere kant zien wij een verdeling van be­langen die toch ook wel heel eigenaardig is. Wij hebben namelijk de economische belangen van west en oost in feite tegenover elkaar staan door de verschillende systemen, zeker, maar ook door de geheel andere mogelijkheden. De tegenstelling is er, maar ik geloof niet dat zij althans voorlopig ‑ tot een oorlog zal leiden.

De magie dan. De magie in die tijd heet wetenschap. Het typerende is, dat toen de priesters zich op bevel van de keizer met de generaals begonnen te verbinden er opeens een nieuwe situatie ontstond. Er was een wetenschap die was gericht op vernietiging en niet meer op erkenning. Een wetenschap, die dus alleen vroeg naar het machtsresultaat en niet naar het menselijk resultaat. De generaals voelden zich gesterkt door het feit dat zij de allernieuwste wapens in hun bezit hadden en dus sterker waren. Dit tegen elkaar opbieden met agressieve middelen is in de huidige tijd nog sterker dan in de Atlantische tijd omdat de mogelijkheden voor onderzoek en ook een bepaalde kennis nu zoveel groter zijn. Ik zou zeggen hier hebben wij inderdaad weer die fatale opslingering die tenslotte wel eens zou kunnen resulteren in een bom die de hele wereld kan vernietigen. Maar goed, of men hem zal gebruiken is een vraag.

Indien de mensen leren begrijpen wat de gevaren zijn, reëel en niet alleen als angstdroom, dan is de kans niet groot dat men tot dergelijke uitersten zal willen overgaan. In de tijd dat Atlantis zijn gevaarlijke proeven nam, die tot zijn ondergang voerden, ging men uit van het standpunt: Wij zullen misschien ook wel iets verliezen, maar wij zullen onze vijand vernietigen. Zolang men niet begrijpt, dat elke poging om de vijand te vernietigen zelfvernietiging wordt, is er in deze tijd toch ook een zeker risico aanwezig. Kunnen wij dan nog wat zeggen over de mensen van de Atlantische tijd? Zij hadden een uitwijkmogelijkheid; zij waren in staat om te vluchten. Velen van hen gingen naar de koloniën, de nederzettingen temidden van de barbaren. Anderen trokken met kleine groepen weg en stichtten eigen rijken.

De eilandbeschavingen in de Middellandse Zee zijn daarvan een direct product geweest. Tegenwoordig kan men dat niet meer. De mensen vluchten nu op een andere manier. Zij vluchten weg in een droom, in een onverschilligheid, in een werkelijkheidsontkenning; en daarmede zijn zij veel minder positief gericht dan in het verleden. De vraag is, of zij wakker zullen schrikken. Er is van één vorst bekend dat, toen hij (een kleine vorst zijnde op een eiland in de Middellandse Zee) hoorde dat het oude rijk zijn vernietiging nabij was, sprak: “Laat mij dan mijn paleis bouwen volgens de normen van het oude land, want dan zal ik Atlantis zijn.” Later werd de naam Poseidonis of Atlantis (namen zijn altijd eigentijds en vervormd) inderdaad voor een deel weerkaatst in de Kretenser beschaving. De Myceense cultuur toont bepaalde ornamenten en gebruiken die regelrecht zouden kunnen voortkomen uit de betere standen van Atlantis. Deze mensen konden wegvluchten. Tegenwoordig kan dat niet meer. De vraag is, of men in zijn vlucht een geestelijk tegenwicht kan opbouwen waardoor men ondanks de ondergang van de wereld verder kan gaan. Ik geloof daar niet aan. Wat dat betreft, staat deze wereld er heel wat slechter voor.

Wat is het meest positieve dat wij in de gehele geschiedenis van Atlantis kunnen vinden? Volgens mij wel dit: dat werkelijk geestelijke bereikingen en werkelijke kennis nooit teloor gaan. Het is toch wel opvallend dat dezelfde vormen van potten en van aardewerk worden gevonden verspreid over zeer grote gebieden. Zij worden gemaakt door de primitieve negers in Afrika waar zij het z.g. geheim van de vrouwen zijn. Zij worden echter ook gemaakt door de Indianen tot in de Andes toe. De vormen zijn vaak zeer treffend en vertonen veel gelijkenis.

De beeldhouwkunst was in Atlantis niet zo hoog ontwikkeld als men misschien zou veronderstellen, maar de basiskennis van het snijden van beelden was wel aanwezig. De verwerking van steen tot gebruiksvoorwerpen die door de Atlantiers zeer sterk was ontwikkeld vond haar weerslag in zeer primitieve, maar zeer doelmatige “fabrieken” van stenen handwapens, gebruiksvoorwerpen en dergelijke. Het gebruik van graten en beenderen voor spiesen, maar ook voor versiering, voor wapens, voor naalden enz. vinden wij terug over een heel groot deel van de wereld, waaruit blijkt dat de technieken bijna overal gelijk zijn. Men zou kunnen zeggen: Het komt voort uit het menselijk vernuft en niet uit de Atlantische beschaving. Er moet echter een begin zijn geweest. Volgens mij is Atlantis dat begin geweest.

Als er van het werkelijk waardevolle niets teloor gaat en datgene wat de grootste waarde heeft (volgens mij wel de witte magie) blijft voortbestaan in de eigenaardige vorm van wat men later de Witte Broederschap noemt, waarin de geest eerst een lange tijd alleen optreedt tezamen met geestelijke helpers om dan langzamerhand in de materie weer een verschijningsvorm te vinden, dan is dat voor mij het bewijs dat welke parallellen wij ook willen trekken tussen de periode van Atlantis’ ondergang en de periode van vandaag er dingen zijn, die zeker niet teloor zullen gaan.

Het einde van de wereld schijnt nog niet in zicht. Misschien het einde van de huidige vorm van leven en denken. Maar zelfs hier rijst de vraag, of een klein beetje aanpassing, een heel klein beetje anders reageren van een paar vorsten en vooral van de gewone mensen t.a.v die vorsten en hun maatregelen Atlantis niet had kunnen behouden. Ik ben ervan overtuigd dat dat het geval zou zijn geweest.

Indien de vorsten niet hadden gestreden om de macht, maar hadden gezocht naar een methode om hun eigen rijk als geheel sterker te maken, dan was Atlantis nu nog het middelpunt van de wereld. Zeker, die wereld zou er wat anders uitzien en misschien zou dit land later toch teniet zijn gegaan, maar dan zouden zijn waarden zijn blijven voortbestaan. Betrekkelijk kleine invloeden zijn soms van groot belang, zo vreemd als het klinkt. De redding van de wereld zou misschien kunnen liggen in het weigeren van een enkel relais of in de wetenschapsbezwaren van een eenvoudige kolonel. Deze factoren kan men niet overzien. In Atlantis waren die middelen niet zo groot dat die zaken invloed hadden. Ze konden hoogstens ervoor zorgen dat de waarden van de Atlantische beschaving werden bewaard, werden overgedragen en verder ontwikkeld in andere volkeren. Ik geloof, dat in de huidige tijd eveneens mag worden gezegd dat de mensen, die werkelijk geweten en menselijk gevoel hebben en niet meer strijden voor ideeën maar voor het mens‑zijn (die vinden wij in het leger net zo goed als buiten het leger) wel eens de redding zouden kunnen zijn van de wereld van vandaag, dan zal de wereld zeker veranderen. Maar de mensheid zal het goede dat bereikt is niet prijsgeven, want het goede van de wereld blijft bewaard.

Dit is dan mijn inleiding. Een beetje romantisch misschien, een tikkeltje dramatisch hier en daar, maar ik kan u verzekeren daadwerkelijk volledig juist. Aan u om u nu een oordeel te vormen allereerst over deze tijd. Een oordeel over de invloeden van deze tijd, want Atlantis is voorbij maar het heden is uw vandaag, uw wereld. Daarnaast is het, naar ik meen, ook uw zaak te leren uit hetgeen men ‑ zelfs uit dergelijke legenden omtrent de mens en de mogelijkheden van de mens – kan beseffen. Mijn inleiding besluitend, wil ik dan ook juist de overdracht van Atlantis in zijn wijsheid en zijn waarde in een aantal korte artikelen samenvatten;

  1. Geen enkele werkelijk geestelijke beschaving of inwijding kan teloor gaan. Ze zal zich echter daar uiten en ook verplaatsen naar de overerving waarin de grootste mogelijkheden tot voortbestaan aanwezig zijn, zodat ze stoffelijk zowel als geestelijk voortdurend kan zijn.
  2. Groepsbelangen en persoonlijke belangen, begrippen als macht en geweld zijn in de wereld altijd fataal geweest, ook voor degenen die ze gebruiken. Daar deze dingen echter niet zonder meer zijn uit te roeien, kunnen wij van Atlantis leren: waar men ze niet kan besteden, dient men zich daaraan te onttrekken. Men dient een andere actie te beginnen; een vredige actie.
  3. Magie en wetenschap zijn voor de mensheid altijd een zegen geweest tot het ogenblik, dat zij niet meer ter beschikking van een ieder waren. Dientengevolge is alle geheimhouding, hoezeer ze ook nuttig kan zijn voor het handhaven van de orde in wezen gevaarlijk voor de mensheid. Het geheim, de mogelijkheid om de ander een slag voor te zijn, de mogelijkheid om zonder voorkennis van de ander te handelen en zich te ontwikkelen bleek in Atlantis een van de grootste gevaren te zijn. Zij leidde tot een onverantwoordelijk gedrag dat met meer kennis en openbaarheid zeker niet had plaatsgehad. Geheimhouding dient daarom als politiek en tactiek te worden verlaten. Elke mens zal er goed aan doen om over alle feiten die hij kent eerlijk en oprecht te spreken tegen wie en waar dan ook.
  4. De terreur, want zo mag men het optreden van bepaalde troepen in Atlantis wel noemen, had tot gevolg dat velen zich uit angst voor geweld hebben gebogen. Deze zijn degenen geweest die met hun land en de steden zijn ondergegaan op een afschuwelijke manier. Het is beter te handelen met alle risico’s en alle gevolgen van dien, volgens eigen begrip van juistheid dan te buigen voor terreur, zich te laten afpersen met bedreigingen en beloningen. Want als men hier toegeeft, zal men misschien een ogenblik zekerheid winnen, maar het eindresultaat ‑ geestelijk en vaak ook lichamelijk – is op zijn minst genomen, afschuwwekkend.
  5. De mens die meent dat hiërarchische macht (d.w.z. macht in een bepaalde opbouw) noodzakelijk is voor de mensheid, zal hierdoor voor zich de onmogelijkheid scheppen te reageren op de juiste wijze en op de juiste tijd. Hoe kleiner het aantal schakels is dat ligt tussen de mens en de macht en tussen de mens en zijn God, hoe meer de mens zich daarop kan laten gelden om daaruit eventueel macht en kracht te put­ten waar dit nodig is en bovenal hoe meer de verantwoordelijkheid door allen kan worden gedeeld. In Atlantis namen enkelingen de aansprakelijkheid voor een geheel volk op zich. In de huidige tijd gebeurt dit ook steeds weer of dit nu democratie, fascisme of wat anders wordt genoemd. Daaruit zijn steeds grote gevaren voortgekomen. Voorkom dus, dat een dergelijke houding tegenover u mogelijk is.

Dit is het einde van mijn inleiding. Het is niet mijn bedoeling om politieke voorlichting te geven in deze tijd. Ik heb gewezen op analoge verschijnselen in het verleden en nu. Het is ook niet mijn bedoeling om bepaalde machten of instanties in deze tijd aan te vallen of te verheerlijken. Ik wijs alleen op de gebeurtenissen in het verleden en op wat daaruit is voortgekomen. Mijns inziens is de mens nog niet voldoende veranderd ‑ innerlijk en mentaal ‑ om in de mensheid andere reacties op dezelfde verschijnselen in deze tijd te kunnen verwachten, tenzij de mens op zichzelf terugvalt als kern van aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid en hij voor zichzelf mede wetenschap en aansprakelijkheid durft opeisen. Zolang echter materiële belangen of angst voor tragische dreigingen de mens terughouden, zal hij het slachtoffer worden van precies dezelfde invloeden die het verleden heeft gekend.

**********************

*  Is er een geruime tijd gelegen tussen de eerste en de tweede ramp en in welke tijd was die ramp?

De eerste ramp is ongeveer 80.000 jaar geleden geschied. De ontwikkeling tussen de eerste en de tweede ramp beslaat ruim 37.000 jaar. Dan kunt u het zo ongeveer uitrekenen.

*  Er is ook een opgave van rond 10.000 v. Chr. Is dat misschien nog een bekend tijdstip?

Dat is wel een bekend tijdstip, maar dan toch wel helemaal aan het einde van het Atlantische bestaan. De grote ramp was dan al achter de rug. Wat er dan overbleef dat waren de resten van de Atlantische rijkjes, die dan ontaarden in bv. dat van de halfbarbaarse koning Don en zijn zonen in de tijd van Chu‑Chulain (Ierse held).

*  Is Mucks reconstructie van het Atlantische cataclysme juist? Is Atlantis ondergegaan als gevolg van de inslag van een planetoïde in de buurt van de Azoren omstreeks 7 juni van het jaar 8498 v. Chr.?

Niet geheel. De ondergang werd niet veroorzaakt door het inslaan van een planetoïde. Dat wil zeggen, dat er misschien wel kan worden ge­sproken over het inslaan van een planetoïde in de buurt van de Azoren, maar dan iets later in de tijd. Zowel de eerste als de tweede verzinking werden in hoofdzaak veroorzaakt door menselijke oorlogshandelingen. De eerste strijd was tussen de gekleurde of slavenrassen en de blanke Atlantiërs. De tweede strijd was tussen de Atlantiërs onderling die wederkerig door hun donkerder getinte maar nog blanke halfbloedslaven werden bijgestaan. Beide rampen waren dus te wijten aan het ingrijpen van de mens zelf, ook al speelt de natuur bij de ramp een belangrijke rol. Dit laatste is als eerste en werkelijke oorzaak van de ondergang secundair. De datum die voor de tweede verzinking wordt aangegeven is m.i. zeer in­teressant en voor zover ik kan nagaan zeer dicht bij de waarheid. Ook de beschrijving van het verzinken van het landmassief, dat klein was, lijkt mij in deze stelling redelijk weergegeven.

*  Graag de naam van de z.g. gouden stad of hoofdstad, de lengte en breedte van haar ligging en de juiste naam van het keizerrijk.

Ik geloof niet, dat u er veel aan zult hebben. Het rijk had vele ver­schillende namen. Atlantis of Poseidonis, zoals het later werd genoemd, heette oorspronkelijk Goemangoe. Als Goemangoe betekende het eigenlijk zo­ iets als “stralend rijk”, of “rijk van zon en licht”. Een soort prehistorisch Nippon zou men het kunnen noemen, de ligging spreidde zich uit van zeg maar 0 graad 0 volgens de huidige definitie tot de zuidkusten van Engeland en Ierland en omvatte verder een lange uitloper van eilandjes die ongeveer afboog in de richting van Punta Arenas; die dus schuin naar het zuiden afliep, Ik kan u geen volledige geografische gegevens verschaffen die geheel verantwoord en juist zijn, maar de genoemde afmetingen zijn zo ongeveer juist. Ik weet, dat het punt 0 ‑ 0, dat zuidelijk van Spanje en iets westelijk van Afrika ligt, inderdaad een van de punten is geweest waarop, een klein eiland lag, vanwaar uit vele expedities werden gemaakt, hoofdzakelijk in de richting van de Goudkust en later ook meer naar het zuiden. Dit eiland, is mij toevallig bekend, omdat van daaruit een grote uittocht van zwarte sla­ven heeft plaatsgehad.

*  De Falkland‑eilanden waren die ook nog een deel van Atlantis?

Uit de definitie die ik u heb gegeven blijkt, dat de Falklands geen deel hebben uitgemaakt van het oorspronkelijke Atlantische rijk, ofschoon deze later wel enigszins onder de invloed daarvan zijn gekomen. Wij vinden er wel enkele restanten van. Een deel van de folklore van de Schotten b.v. vooral in het zuidelijke deel van Schotland wijst sterk terug naar het Atlantische natuurgeloof en de daarbij voorkomende goede krachten enz.. De magie, die tegenwoordig op het eiland Man nog steeds zeer sterk is, toont zij het in zeer verre en door de middeleeuwen sterk vervormde verwantschap met zeer oude gebruiken die wij vooral ook in het zuiden van Engeland terugvinden. Er zijn dus vele relaties aan te duiden. Ik geloof echter niet, dat het gemakkelijk zal zijn om Atlantis volledig in het heden terug te vinden. Daarvoor zijn er verschillende oorzaken:

  1. Bouwwerken waren over het algemeen stapelbouwwerken; dus geen metselwerk of iets dergelijks. Deze constructies zijn door de grote rampen zozeer uiteengeslagen dat er weinig van is overgebleven.
  2. Wat er van goud e.d. is overgebleven ligt voor een groot gedeelte heel diep begraven en is deels ook weer in kleinere stukken uiteengevallen. Dan moet u verder niet vergeten dat de tijd die is verlopen zo lang is, dat de slibbezinking ook een heel grote rol heeft gespeeld in het verbergen van overblijfselen.

Het typerende is echter, dat wij direct na de ramp van Atlantis een aantal verschijnselen zien opduiken in Spanje, in een deel van Portugal en Zuid‑Frankrijk. En dat wij omstreeks dezelfde tijd grote veranderingen zien rondom de Middellandse Zee en omgekeerd, dat wij plotseling in Zuid‑Amerika een sterke bevolkingstrek zien waarbij 3 á 4 afzonderlijke stammen elk ineens een soort coöperatieve beschaving beginnen te ontwikkelen die tot op dat ogenblik niet bestond. Er zijn ook overblijfselen gevonden van o.m. oude tempelmuren op het Zuid Amerikaanse vasteland, die men op grond van enkele dateringsproeven op 20 á 40.000 jaar geleden kan dateren, Als dat het geval is dan kunnen wij zeker zeggen: Hier hebben wij te maken met de directe reflex van Atlantis’ inwerking op de volkeren. Wil men echter wetenschappelijk over Atlantis spreken, dan kan men zeggen dat dit in feite een these is die verklaart waarom er zoveel paral­lellen waren in symboliek, in maatschappelijke vorm e.d. en er gelijktijdig grote veranderingen plaatsvonden in de leefwijze van een aantal stammen op alle vastelanden rond de Atlantische Oceaan. Dat kan men dus wel zeggen, maar een direct bewijs is niet te geven. Ik geloof ook niet, dat wij snel bewijzen van het bestaan van Atlantis zul­len krijgen, zelfs niet als men met bathysferen en bathyscaven de grotere diepten beter kan gaan onderzoeken. Men zal misschien wel iets vinden, maar men zal het toch niet kunnen dateren en geheel aanwijzen. Ik geloof trouwens ook niet, dat het ‑ gezien ons onderwerp ‑ zo erg belangrijk is. wat mij betreft, mag u Atlantis beschouwen als een legende, want veel van wat er omtrent dit rijk wordt beweerd is in feite legende. Dus een overdrij­ving van feiten en een omvorming van gebeurtenissen die wel op de werkelijk­heid zijn gebaseerd, maar die daar toch heel sterk van plegen af te wijken.

*  Op welke diepte liggen mogelijke archeologische vindplaatsen van deze stad onder het zeeoppervlak? Er zijn immers talrijke naspeuringen naar dit soort vondsten gedaan?

Ik kan u in het algemeen zeggen, dat de gemiddelde diepte waarop de zeer verspreide resten van deze oude nederzettingen liggen ‑ en dan zijn ze heel vaak niet meer terug te vinden omdat de zeebodem ondertussen ook nog wel heeft gebeefd en er ook nog wel andere dingen zijn gebeurd ‑ ongeveer 3000 meter is; en dat is behoorlijk wat.

*  Kan de ramp van Atlantis veroorzaakt zijn doordat een maan, een komeet of een planeet in de aantrekkingssfeer van de aarde verzeild is geraakt?

Ja, de ramp van Luna, maar die ligt al heel ver in het verleden. Luna is namelijk niet, zoals men denkt, uit de aarde of uit de zon voortgek­omen. Ze is een komeet (laten we dat maar zeggen hoewel het niet helemaal juist is), die uitgewerkt zijnde nog in ons zonnestelsel doordrong, daarbij door de zon a.h.w. werd gesterkt (tot gloed gebracht) en daarna weer werd uitgestoten in ons planetenstelsel en toen word ingevangen door de aar­de. De aarde verloor daardoor een kleinere eigen maan. Het exploderen van deze kleinere maan heeft bv. aanschijn gegeven aan het geloof in sommige streken over de ijsregen in andere streken over de vuurregen. Vandaar het geloof dat u bij vele volkeren vindt en ook rond de evenaar over een vuurregen waardoor mensen in grotten zijn gevlucht waar zij sindsdien vertoeven en een andere beschaving hebben ontwikkeld.

*  Het bijbelverhaal van de zondvloed en van Noach en de ark zit daarin een bewijs van de twee rampen van Atlantis? Wat betekenen dan Noë en familie? Kortom, wat zijn de attributen van het verhaal?

Het is zeer waarschijnlijk, dat het verhaal van Noë oorspronkelijk is ontleend aan grote overstromingen in het gebied van Euphraat en Tigris. Maar daarnaast zijn er waarschijnlijk legenden, die door het ontstaan van de maan en de daardoor ontstane grote vloed die overal rond de equator is opgetreden, mede in het verhaal verweven. U begrijpt, dat de ark met de bees­ten alleen maar een verklaring is voor het feit, dat er nog leven bleef be­staan nadat men had gesteld dat de gehele aarde 40 dagen overstroomd was geweest. Gelijklopende verhalen kunt u vinden bij stammen die niet door semi­tische of christelijke zendelingen werden bereikt in die tijd. Deze overleve­ringen blijken eveneens te hebben bestaan in de prechristelijke perioden van de Tolteken en de Azteken.

*  Is deze zondvloed pertinent alleen in vroegere tijden opgetreden?

Volgens archeologische gegevens zou deze van recente datum zijn. Er zijn verscheidene z.g. zondvloeden geweest die echter niet de gehele aarde gelijktijdig, maar vaak alleen delen van de aarde hebben getroffen. Er is bv. een soort zondvloed of stormvloed geweest die een duur heeft gehad van ongeveer een maand en die zelfs praktisch alleen het tafelland van Abessinië heeft droog gelaten. De rest van de tropische gebieden van Noord Afrika was geheel overspoeld. Er zijn er nog meer geweest. Maar er is een groot verschil tussen het tijdelijk optreden van zeevor­ming (daling of stijging van het land, wat u kunt vaststellen) en een plotselinge en algemene ramp van korte duur die, zoals u misschien zult begrijpen, geologisch helaas niet vaststelbaar is, zodat het ver­haal van de zondvloed niet bewezen kan worden op grond van geologisch onderzoek.

*  U noemde niet de strijd tegen de zwartmagische priesters. Graag een enkele bijzonderheid, omdat wij toch ook parallellen met dit soort machtsmensen in deze tijd kennen.

Ik heb deze strijd niet genoemd, omdat hij eigenlijk voor de paral­lellen in deze tijd en in de u kenbare wereld bijna geen rol speelt. Ik heb u reeds in de inleiding duidelijk gemaakt, dat wij te maken hebben gehad met een urbanisatie van de godsdienst die door naar de steden te trekken deze gaat beheersen en zich op de stedelijke beschaving gaat baseren. Het is duidelijk, dat er dus een groot onderscheid ontstaat tus­sen degenen die, zoals men zegt, in de bergen (al moet u dat maar met een korrel zout nemen, want zo hoog waren die bergen ook niet), dus in de eenzaamheid verbleven en de eigenlijke anachoreten van die tijd, die oorspronkelijk elk voor zich God dienden en contact hadden met geesten of leidende entiteiten en krachtens deze band waarschuwingen, profetie­ en gaven, mensen hielpen, kortom, vaak als orakel fungeerden, maar die dat alleen deden tegen voeding en daarvoor geen betaling vroegen. Wanneer er strijd uitbreekt tussen de stadspriesters en de witte priesters, dan gaat dat helemaal niet om geestelijke waarden van de witte priester. De zwarte priester verzet zich alleen tegen de zich langzaam aaneensluitende witte priesters omdat ze zijn concurrenten zijn. Aangezien de mensen liever naar de stad gingen om daar in een tamelijk pronkzuchtig hof hun zorgen te spuien dan ergens naar de eenzaamheid waarvoor zij lang moesten lopen (bovendien heeft het meer standing), raakten dus de witte priesters langzaam, maar zeker in vergetelheid. Zij trachtten natuurlijk wel met hun geestelijke krachten veel te doen voor de eilanden. En wat zij ook deden, dat is wel heel belangrijk, zij verzamelden hoofdzakelijk via hun jongeren de wetenschappelijke gegevens uit de stadstempels. Verder hadden zij een soort schrift. Het was een ideografisch schrift. Het doet denken aan de code die kinderen wel eens uitdenken met figuurtjes. In dat schrift wisten zij veel op te tekenen en daarvan is veel overgebracht. Ik geloof, dat men de strijd tussen de priesters alleen maar kan beschrijven als een poging van de witte priesters om het goede in de mens te versterken, om alle bijgeloof uit te bannen en daarvoor in de plaats kennis te geven; ook vaak de z.g. geheime kennis van de tempels. Het wegtrekken van een aantal priesters met zeer veel van die gege­vens is dus te danken aan het feit, niet alleen omdat er een oorlog opkomst is, maar omdat zij zeker weten dat de eerste slag van hun tegenstan­ders zal zijn om al hun gegevens en al degenen die kennis bezitten te ver­nietigen.

Hier heeft u dan een klein beeld van die strijd. Als u dat nu als een analogie wilt zien met deze tijd, dan weet ik werkelijk niet waar u dat moet zoeken, omdat wij hier misschien nog een vergelijking kunnen maken tussen de wetenschapsmensen die her en der overlopen. Maar zij hebben dan weer niet de kennis ten goede die zij meebrengen, Zij brengen vaak juist de kennis ten kwade mee. Ik meen, dat een analogie zoeken op dit terrein zeer moeilijk is. Het enige, dat wij als analogie daarin kunnen vinden, is de Witte Broederschap die op het ogenblik weet, dat bepaalde dingen onvermijdelijk zijn. Zij verzet zich niet daartegen, maar stelt zich ten doel het goede, dat aan­wezig is zoveel mogelijk te versterken en tenminste het beste van de mensheid, te bewaren en te handhaven voor de tijd dat deze stormen weer zijn uitgewoed.

*  Was er van de witte priesters die uit Atlantis zijn weggetrokken nog een nederzetting in het land van de Farao’s?

Er was in Egypte geen nederzetting. Daar is wel het aanzijn geschon­ken aan een geheimschool waaraan enkele van hen tot hun dood hebben medegewerkt. Maar dat is iets anders dan een complete nederzetting. Dat was in de tijd voor de Farao’s. Dat was eigenlijk nog de tijd van de beschermde landheren. Deze groep noemde zich toen reeds “Het Geheim van Isis” en is later voor een deel verwaterd en opgegaan in de verschillende godsdiens­ten. Toen in Egypte de twee kronen zijn samengevoegd zijn de wijsheden en een deel van de geheimschool opgenomen in de officiële algemeen verbreide Isisdienst, terwijl daarnaast die geheimen o.a. onder Remhep (niet Amon” hotep) werden onderwezen in de z.g. tempel van Re. Ik kan u dus helaas geen bevestigend antwoord geven. Egypte heeft inderdaad een zeer sterke invloed van de Atlantiërs onder­ gaan. De priesterlijke invloed heeft zich echter beperkt tot het scheppen van een geheimschool in het zuidelijke rijk.

*  Stammen de blanke Paas-eilanders via Zuid‑Amerika soms af van de Atlantische blanke kolonisten?

Neen. De Paas‑eilanders zelf zijn een mengras. Hun oorspronkelijke gods­dienst (voorouderverering is het eigenlijk) stamt nog uit de tijd van het rijk Mu. Het oprichten van rustbeelden voor de zielen van de ouderen en de koningen, die op deze wijze werden vereerd, doet hun kracht in hun nazaten overvloeien. Zonder een dergelijke schuilplaats zullen zij zich niet meer als beschermers en helpers van hun nazaten kunnen doen kennen. De vorm zelf is zeer oud en is ontstaan in de tijd van de z.g. reuzen, die wij ook in het gebied rondom de Stille Oceaan een tijdje aantroffen: lange mensen, 2 meter ruim, wat voor die tijd erg lang was. Deze reuzen waren daar een tijdlang vorsten. Zij werden langzaam maar zeker overschaduwd door de maanvereerders. Dan ontstond er een scheiding tussen de voorouderverering en de maanverering waardoor eigenlijk de gehele eilan­denreeks langzamerhand afviel. Er werden zelfs een groot aantal slaven en werklieden van verschillende rassen op het Paaseiland achtergelaten waar zij eigenlijk niet thuishoorden. Daaronder bevonden zich verschillende Maori-stammen. Men kon zelfs Indisch bloed aantreffen onder de verschillende stammen. Dit mengras blijkt zich op het Paaseiland een tijdlang te hebben kunnen handhaven, sterft dan bijna uit en vermengt zich weer met zeelieden etc. Zo zijn de restanten ontstaan die men nu kent.

*  Bevonden zich in Atlantis ook Neanderthal‑ en Cro‑Magnonmensentypen?

Ik zou zeggen, dat de vorm Homo Sapiens in de Atlantische beschaving eerst in de laatste periode redelijk was vertegenwoordigd. U kunt natuurlijk zeggen “Cro‑Magnonmens”, maar eigenlijk is dat de betiteling naar de vindplaats zonder meer. Het type is inderdaad dat van de prehistorische mens die daar zijn rijk had en die dus wel bepaalde eigenschappen had; bv. de blond‑ of roodblondheid van de hogere kaste. Selectief waarschijnlijk door de keuze van bedgenoten waardoor dat wordt versterkt. Maar wij kunnen niet spreken van een ras edeler en mooier volgens de huidige opvatting dan de tegenwoordige mens. De schedelbouw bv. was geheel anders. In het tweede rijk van Atlantis zag men vooral in de topklasse heel vaak een vreemde al­longatie van de schedel naar achter toe, terwijl de kinpartij eigenlijk bijna wegviel achter de helling die voorhoofd en neus maakten. Deze typen deden misschien wat denken aan een aap. Aangezien zij echter een tamelijk blanke huid hadden, niet behaard waren en bovendien een heel andere pigmentatie hadden dan de aap-achtigen geloof ik toch niet dat u zich, als u ze zoudt zien, daarmee zoudt vereenzelvigen.

*  Is de Sahara en het wegvallen van haar binnenzee het direct gevolg van de eerste of de laatste ramp van Atlantis of slechts een parallel verschijnsel?

Het is een indirect gevolg van de tweede ramp, aangezien door die ramp de normale uitgang naar de oceaan werd afgesloten. De bestaande heuvelreeks werd tot bergketen en daardoor verminderde ook de neerslag in de Sahara merkbaar. Gezien de daar heersende temperaturen en de snel­le verdamping was de Sahara dus al heel snel een droog gebied geworden waardoor – juist omdat het zeebodem is ‑ onder de oppervlakte zeer vele ondoordringbare lagen ontstonden waartussen eventuele waterwegen zich een weg konden banen, zodat er maar weinig rivieren aan de oppervlakte lange tijd kenbaar zijn. Indien u het ontstaan van de Sahara als woestijn in tijd wilt lokali­seren dan kunt u zeggen dat de Sahara nog een redelijk vruchtbaar gebied was met slechts enkele ruwere gebieden (dan moet u niet alleen denken aan zandvlakten, maar ook aan steenvlakten die er zijn) in ongeveer 3.200 v. Chr. In die tijd was die woestijn nog geen woestijn en vonden wij er vele zoetwaterzeeën. Ongeveer 300 n. Chr. heeft zich het geheel vol­tooid en heeft het stuifzand zich meester gemaakt van grote delen van het land, terwijl daarnaast ook de rotspartijen door gebrek aan water dor en droog werden en onder invloed van dag en nacht afbrokkelden zodat wij te maken kregen met een werkelijk woest landschap.

*  Was er in Atlantis nog enige invloed te bespeuren van de laatste ijstijd bij zeespiegel, klimaat‑ en bevolking?

Aangezien Atlantis voor een deel heeft bestaan gedurende de ijstijd, zal het u duidelijk zijn dat die invloed daarin wel degelijk kenbaar is ge­weest. Op de zeespiegel is die invloed echter niet zo groot geweest, om­dat de totale daling van het oceaanpeil gedurende zo’n ijstijd loopt tussen de 1.20 m en 3 m, meer niet. U zult begrijpen dat dit dus niet erg belangrijk was.

Qua klimaat, ja. Maar dit betreft koelte en dus een overheersen van winden die van het zuiden naar het noorden trekken, zodat wij een versterkte luchtcirculatie krijgen en daarmee ook wel grotere windsnelheden. Koude stromen drongen vanuit het noorden door tot aan het Atlantische rijk en brachten verkoeling waardoor het klimaat daar gematigd mocht heten.

*  Bestond de Witte Broederschap al niet veel langer dan sinds de vlucht van de witte priesters uit Atlantis?

De Witte Broederschap als zodanig is qua naam en structuur eerst tot stand gekomen in de tijd van de strijd tussen de zogenaamde witte priesters en de zwarte priesters. Zij noemde zich toen nog niet broederschap. Deze naam is van veel latere datum en zal waarschijnlijk eerst zijn gekozen in het jaar 2.000 v. Chr. op zijn vroegst. De Witte Broederschap, die een direct uitvloeisel is van de Witte Priesterschap heeft ongetwijfeld veel bijgedragen tot het feit dat men zich deze naam heeft toegekend. De geestelijke helpers van deze broederschap bestaan voor een deel uit de geleidegeesten uit het verleden van de ontwikkeling der mensheid. Ze zijn ouder, maar stammen niet uit uw eigen wereld. Ofschoon hun streven wel degelijk mede vorm heeft gegeven aan het denken en streven van de Witte Broederschap, meen ik toch niet dat ik hen als Witte Broeders mag aanspreken.

Wij krijgen hier vaak te horen dat de mens tegenwoordig niet veel beter is dan vroeger. Men zou kunnen denken dat er mensen zijn die dat een strijdpunt zouden vinden. De mens denkt altijd dat hij beter is dan degenen die na hem komen en veel beter dan degenen die hem zijn voorgegaan, omdat hij geneigd is zichzelf tot het summum of de top van het bestaan te verheffen en daarbij zijn eigen denkwijze, en vooral zijn gewoonten te zien als de enige en onaantastbare juiste weg. Maar de mens op zich is en blijft ook vandaag de dag iemand die qua lichaam reageert als een dier. Iemand die deze dierlijkheid niet weg­ redeneert, maar er alleen een mooi jasje omheen hangt. Daarnaast heeft de mens een geestelijke inhoud waardoor zijn dierlijk vermogen ten dele kan worden beheerst en ‑ zeer belangrijk ‑ kan worden gericht. Dit vermogen tot het beheersen en richten van het dierlijk vermogen is dus het voor­naamste.

Het blijkt echter dat de meeste mensen er de voorkeur aan geven hun feitelijke inhoud en gewoonten te rationaliseren tot iets hogers dan in een werkelijke gerichtheid met de erkenning van hun wezen en mogelijkheden te strijden of te zoeken in een bepaalde richting. Daarnaast verkiest de mens zich beperkingen op te leggen die niet voort­komen uit het idee dat de beperkingen goed voor hem zijn, maar alleen uit het besef dat deze noodzakelijk zijn om een doel te bereiken. Dat was zo in Atlantis en dat is vandaag de dag nog zo. De sprookjes daar omheen zijn wat van vorm veranderd, maar de illusies zijn even groot gebleven. En wat dat betreft, de instinctieve reacties van vroeger en van vandaag mogen dan enkele verschillen hebben ondergaan door genetische ontwikkeling, in de praktijk overheersen de instincten nog even sterk als voorheen. Wat de geestelijke mogelijkheden betreft, menige geest is bewuster geïncarneerd en zal zich dus een juister en beter doel kunnen kiezen, maar de mate waarin het geestelijke doel in de materie wordt verwezenlijkt is heus niet veel groter (percentagegewijs gesproken) dan vroeger in de Atlan­tische periode.

*  Is dit de eerste keer dat er na Atlantis een dergelijke parallel optreedt of is dat wel meer gebeurd? Hoe hebben de vroegere mensen dan deze impasses verwerkt?

Dergelijke parallellen zijn regelmatig te vinden met tussenruimten van 2.300 jaar maximaal en dan weer de grote periode per 23.000 jaar. Als u zich realiseert dat de totale Atlantische periode ongeveer 80.000 jaar omspant, dan kunt u nagaan dat de daarin voorkomende tendensen meer malen zijn opgetreden en dat er dus in het rijk zelf verscheidene parallel­len zijn geweest. Aangezien er ongeveer 4.000 jaar voorbij zijn sedert de laatste ontwik­kelingen in Atlantis, kunnen wij nu wel weer zeggen: Op het ogenblik zitten wij dus weer in een parallel. Het is echter een z.g. kleine parallel. Het is nog niet de grote overeenstemming die wij zouden kunnen vinden. U zult dus inzien, dat ik op de vraag: “hoe heeft men daarop gereageerd” moeilijk antwoord kan geven. Ik kan hoogstens zeggen, dat de mensen bij het­ optreden van een dergelijke invloed geneigd zijn al het andere te zien als het verlengstuk van zichzelf zonder de eigenschappen en mogelijkheden daar­ van te erkennen. Het is een periode van een zeer sterk dogmatisme gevolgd door zeer pragmatische beschouwingen welke ontaarden in machtspraktijken, die niet meer geheel zijn gebaseerd op de ratio, maar in feite alleen op de behoefte tot behouden van het bestaande.

*  Het behouden van het bestaande was dat het behouden van het goede? Dan kan men dus zeggen dat na iedere overwonnen parallel de wereld een beetje beter is geworden?

Ik vind dat een erg optimistische stelling. De mensen, die vechten om te behouden wat er is, proberen over het algemeen vooral het kwade te behouden. Want weet u, het goede blijft uit zichzelf nog doorklinken, het kwade wordt aangevallen en bestreden. Daarom vechten zij harder om het kwa­de te behouden dan om het goede te behouden. Het spijt mij, dat ik u moet teleurstellen.

*  Hoe dient de mens concreet te handelen?

Dat vind ik een praktische vraag, beter dan al die geografische, ten­minste als het mijn onderwerp betreft. Om raad te geven tot concreet handelen zou ik u het volgende willen zeggen;

  1. Onderwerp u nimmer aan gezag uit angst, maar alleen uit overtuiging.
  2. Kies uw eigen levensweg. Kwets daarbij zo weinig mogelijk andere mensen, maar ga uw eigen weg op uw eigen wijze, mits u innerlijk kunt zeggen: Ik voel dat dit voor mij goed is.
  3. Laat u niet vertellen dat het geluk afhankelijk is van uiterlijkheden. Zoek in uzelf de vrede die geluk is. U zult dan vanzelf on­kwetsbaar worden voor de zeer vele pressies uit uw omgeving of we­reld.
  4. Tracht nooit iemand, van uw gelijk te overtuigen. U sterkt hem dan alleen maar in zijn eigen overtuiging dat u ongelijk heeft. Tracht wel om metterdaad duidelijk te maken dat u door uw wijze van leven en denken gelukkig bent.
  5. Onthoudt u van alle geweld, tenzij bij een directe en persoonlijke aanval op uzelf of op weerlozen, waarbij geen enkel ander middel u ten dienste staat. Neem nimmer deel aan enige vorm van geweld of de voorbereiding daartoe in samenwerking met anderen.
  6. Tracht dood en lijden te zien voor wat ze zijn; in feite dragelijke en betrekkelijk onbelangrijke fasen in uw leven.
  7. Leer u terugtrekken in uzelf, indien de buitenwereld u met geweld belaagt.
  8. Tracht datgene wat u in uzelf erkent uit te stralen naar de buitenwereld als een sfeer die u rond u schept.
  9. Houdt u niet teveel bezig met politiek en religie. Kies in de politiek nimmer voor een ideaal of voor een stelling, maar alleen een praktische mogelijkheid of noodzaak zoals u die thans eerlijk en op recht voor uzelf en anderen beseft. Wat de religie betreft, laat anderen maar strijden over datgene wat God is en op welke wijze God moet worden benaderd, maar tracht in u altijd de nabijheid van God te erkennen te ervaren.
  10. Beperk uw bezit en uw stoffelijke behoeften tot een minimum. Naarmate uw behoeften kleiner zijn, zal uw overvloed groter worden. Wie in overvloed leeft, kan anderen helpen hun tekorten op te vangen. Beoordeel de tekorten van anderen nimmer naar uw eigen standaard van leven of naar uw eigen behoeften, doch altijd vanuit de in hen bestaan­de behoeften.

Met deze laatste regel zullen de meeste van u wel moeite hebben.

SLOTWOORD.

Wij hebben vandaag met alle moeilijkheden, scheuringen en afwijkingen, die nu eenmaal plegen voor te komen getracht een parallel te trekken tussen Atlantis en de huidige tijd. In die parallel is Atlantis eigenlijk alleen maar belangrijk als voorbeeld zoals in een parabel het verhaal niet belangrijk is, maar de consequenties die het voor ons heeft. Het feit, dat in het verleden een wereld kon ondergaan door de onverantwoordelijkheid en dwaasheid van enkele priesters en strijders, zoudt u voorzichtig moeten maken in deze tijd en uw houding moeten bepalen. Het feit dat licht en geestelijke wijsheid bleven voortbestaan ondanks alles zoudt u een inzicht moeten geven in de waarden van het geestelijk en ook van uw besef en bereiking. Of u in Atlantis gelooft of niet, is niet belangrijk. Maar gelooft u dan wel in de gevaren die er in de door mij beschreven tendensen kunnen liggen. Of u kiest voor een geheel vrije persoonlijke ontwikkeling of u voorlopig prettiger gevoelt in het gareel van de maatschappij is onbelangrijk, indien u maar niet meewerkt aan datgene wat u kunt erkennen als een fatale ontwikkeling. Beter dat het oude instort en het nieuwe kan herrijzen dan dat wij in de poging om het oude te behouden het nieuwe doen ondergaan terwijl het oude toch vermolmt. Dat is de les voor vandaag. Ik hoop dat u haar allen heeft begrepen.