De ontkenning van het ‘ik’

14 maart 1961

 De ontkenning van het ‘ik’

Bij het bespreken van harmonische aspecten en de waarde van bepaalde magische werkingen hebben wij getracht te komen tot een enigszins praktische benadering van eigen werking en eigen verhoudingen in de kosmos. Ik ben mij ervan bewust dat voor velen van jullie het niet eenvoudig zal zijn al hetgeen in deze zin werd gesteld en gebracht, volledig te begrijpen. Er zijn echter punten, onmiddellijk samenhangend met dit onderwerp, die wij allereerst nog moeten bezien voor wij verdergaan.

Als mens wil je op het innerlijk pad komen tot een zo snel mogelijke bewustwording. Een zo snel mogelijke bewustwording – jullie zullen zich dat herinneren – kan voortkomen uit een zelfnegatie (dus een niet-zich-richten tot het “ik” zelf); zij kan verder voortkomen uit een grote activiteit van dit “ik”. Op het ogenblik dat de mens zijn “ik” vergeet, kan hij met zijn totale wezen in harmonie komen t.o.v. de kosmos. Hij zal weliswaar uit die kosmos niet meer kunnen absorberen dan zijn eigen ontwikkeling toestaat, maar voor zover deze reikt, kan hij zich inderdaad met krachten en ook zelfs met een zekere mate van weten en begrip verzadigen. Een nadeel hierbij is natuurlijk het feit dat dit wat onbewust blijft. Wij hebben het in ons opgenomen, maar er is iets nodig om dit los te maken. Vandaar dat wij over deze zelfnegatie, de ontkenning van het “ik”, nog de volgende punten moeten leren en ook beschouwen.

In de eerste plaats: Elk vergeten van het eigen “ik” impliceert tevens een uitschakeling van eigen bewustzijn. Waar dit plaatsvindt, kan in het “ik” een grote hoeveelheid kracht, weten en wijsheid worden neergelegd; maar deze zal tot uiting komen wanneer omstandigheden optreden tijdens een bewust leven, waarbij deze innerlijke waarden noodzakelijk worden. Alles wat wij gedurende een proces van zelfontkenning verwerven, is in ons slapend aanwezig. Het zal pas ontwaken en positief worden wanneer de omstandigheden van eigen bewustzijn en bewustwording dit noodzakelijk maken.

De tweede weg was – zoals jullie misschien weten – die van het bewuste denken. Hierbij probeer je dus jezelf te kennen en je hebt daarbij de mogelijkheid dit innerlijk te doen, maar je kunt het ook doen vanuit de wereld.

Iedereen die tracht een weg te volgen waarbij hij zo nu en dan zichzelf in het Goddelijke verliest, heeft weinig aan het beschouwen van zichzelf. Hij wordt nl. in dit “ik” voortdurend geconfronteerd met vreemde, onbekende waarden en schijnbare hiaten en zal niet in staat zijn om alles, wat in dat “ik” ligt, te realiseren. Zolang hij echter leeft en zichzelf in de wereld beziet, komt hij vanzelf door de invloeden die de wereld op hem afzendt, tot een aanvulling van het bewuste beeld omtrent zijn eigen wezen.

Verder blijkt dat waar een grote harmonie is – zelfs wanneer die niet kosmisch is – grote delen van het stoffelijk en geestelijk leven met elkaar in overeenstemming komen. Zij vullen elkaar voortdurend aan en – wat meer is – zij brengen elkaar voortdurend dichter bij een gezamenlijke werkelijkheid. Dit dichter bij een gezamenlijke werkelijkheid komen, impliceert een vollediger delen van ervaring, een vollediger samenwerken en daardoor een gemeenschappelijke kracht, groter dan die van elk der individuen afzonderlijk. Daarnaast houdt het in – in de geestelijke sferen althans – de mogelijkheid van een perfecte eenheid waarbij geen scheiding tussen de individuen meer wordt erkend naar buiten toe, doch slechts binnen de gemeenschap elk “ik” zijn eigen wezen blijft behouden. Dat zijn punten die zeer belangrijk zijn. Ik zal daar zo dadelijk op terugkomen.

Gaan wij de zuiver innerlijke weg, dan worstelen wij dus om steeds meer van onszelf te leren kennen. In dit geval is het niet vanuit de wereld jezelf beleven, maar vanuit jezelf de wereld beïnvloeden. Is in het eerste geval het “ik” betrekkelijk passief, in het tweede geval zal het actief zijn. Dus iedereen die bewust de innerlijke weg wil gaan, zal vanuit zichzelf in de wereld handelen en via oorzaak en gevolg, harmonie enz. (dus de wetten) komen tot ervaringen en conclusies, die zowel het beeld van het eigen “ik” als dat van de wereld duidelijker maken. Zal er in het eerste geval sprake zijn van een absolute eenheid tussen “ik” en wereld, in het tweede geval blijft dit onderscheid bestaan totdat de hoogste trap van innerlijke bewustwording bereikt is. Met deze aanvullingen kunnen wij nu verdergaan naar onze eigenlijke les van vandaag.

In de esoterie spreken wij voortdurend over groot-geestelijke wegen, over groot-krachten, sephiroths, meesters, Heren van licht, kracht, wijsheid enz.; kortom wij spreken voortdurend over grootmogendheden die elk voor zich een zeer nauw omschreven en volledig facet zijn van het Goddelijke.

Ga nu uit van het volgende standpunt: Wanneer ik met vele krachten één ben, zo kan ik niet één van deze krachten als meester erkennen. Op het ogenblik dat het innerlijk wezen verscheidene groot-machten gelijktijdig volledig beseft, kan dit wezen niet meer onderdanig zijn aan één van deze krachten, de weg gaan die door één van deze krachten wordt bepaald, of een beroep doen op hulp, werking en bewustwording alleen uit één van deze krachten.

Dit heeft zeer vele consequenties. Wanneer je nl. met al die krachten gezamenlijk bewust wilt worden, dan kun je niet meer uitgaan van de praktijk. Een praktische bewustwording, gebaseerd op regels, op bepaalde wetjes, en handigheidjes, is niet mogelijk. Je moet dan vanuit de abstracte theorie komen tot een persoonlijke interpretatie die voor het “ik” een zo groot mogelijke harmonie met alle verschijningsvormen en verschijnselen impliceert. Er is dus niet meer een onderscheid tussen de ene factor en de andere in het leven; alles moet gelijkelijk aanvaard worden. Dit krijgen wij dus voor onszelf door een proces van rationalisatie. Deze rationalisaties zijn hoofdzakelijk opgebouwd op filosofie. Zij bevatten geen zuiver magische werkingen en krachten meer, maar gaan zelfs iets daarboven. Zij zijn gebaseerd op de oertrillingen van het Al en zijn – waar ze niet een speciaal gebied aanroepen of aantrekken – een intensifiëring van eigen leven, niet een intensifiëring van een bepaald verschijnsel.

Deze theoretische gang lijkt misschien voor velen de eenvoudigste en de gemakkelijkste. Zij heeft vele voordelen voor een mens van deze dagen. In de eerste plaats wordt niet van jullie gevergd dat jullie bepaalde handelingen gaan stellen of gaan nalaten. Dit blijft volledig aan jullie zelf overgelaten. In de tweede plaats wordt van jullie eigenlijk niet eens een bepaalde studie vereist. Er wordt eerder gezocht naar een innerlijk begrip dat langzaam groeit. Het “ik” kan groeien uit duizend-en-één factoren. Alleen de wereld-aanvaarding – die het eigenlijke doel is – is moeilijk. Want je mag tegen geen enkel verschijnsel in de wereld protesteren, noch in jezelf, noch in anderen. Je moet in alles trachten de goddelijke krachten en de goddelijke wetten te erkennen. Je moet in elk verschijnsel, dat zich ook maar aan je presenteert, steeds weer zien de volledige samenwerking en harmonie van alle groot-krachten die gezamenlijk de vormgevende factoren in de kosmos zijn.

Is dus het begin van een dergelijke wijze van werken eenvoudig en ontslaat het de mens van de moeizame verplichting van het in de praktijk brengen, het studeren en leren, zo vergt het anderzijds veel meer dan een praktische bewustwordingsgang. In de praktijk nl. brengt de esoterie ons automatisch in de richting van het esoterisch-magische. Er zijn een aantal rubrieken waarin wij de vormen van esoterie kunnen verdelen. Maar praktische esoterie kan of gebaseerd zijn op een zeer nauw omschreven en bepaalde inwijdingsschool en is dat ook maar in één richting; dan wel zij moet gebaseerd zijn op de kosmische harmonie, maar nu vanuit het “ik” in de wereld gericht en geprojecteerd. Wij komen dan tot de projectie van ons eigen wezen en uit deze projectie tot een magisch werken, omdat wij – ingrijpende met het totaal van ons eigen “ik” – waarden inschakelen die niet alleen stoffelijk zijn en ook niet alleen langs stoffelijk redelijke weg verklaarbaar zullen blijken.

Het is duidelijk dat op een gegeven ogenblik een keuze moet worden gemaakt. Een dergelijke keuze zal altijd afhangen van het eigen karakter dat je hebt. De manier waarop je denkt, waarop je leeft, is een zeer belangrijke factor. Iemand met een ongeduldig, onstuimig temperament hoeft niet te proberen tot algemene wereldaanvaarding te komen. Hij zal dat niet tot stand brengen. Hij doet verstandiger zich ofwel te wijden aan een vastliggende esoterische weg, dan wel zich te richten naar de esoterisch-magische praktijk.

Over deze esoterisch-magische beschouwingen hebben jullie hier al meer kunnen vernemen. Ik wil trachten het principe daarvan voor jullie kort en duidelijk en zo overzichtelijk mogelijk op te bouwen, samen met de daaruit voortkomende consequenties.

In de eerste plaats: Aan het begin en het einde staat God. God is een onbekende kracht die kenbaar wordt in zijn wetten. De uitdrukking “alpha et omega” betekent dus de kringloop die alles doormaakt van God tot God. Alles wat er bestaat in het leven is gelijkelijk verwant met begin en einde. Het is altijd direct verbonden met God, want God vertegenwoordigt alle tussenliggende factoren, alle tussenliggende letters, wanneer jullie dit zo willen. Daarnaast echter zal door het facet Gods, dat direct wordt beleefd, altijd de verhouding tot alpha et omega, tot begin en einde zijn vastgelegd. Zo kom je in de eerste beschouwingen van de esoterische magie tot de poging de plaats vast te stellen waarop het “ik” zich bevindt; de delen van goddelijke kracht waarmee men op dit ogenblik zich direct verwant voelt (in feite dus een bepaalde Godsuiting of -openbaring); en verder de wijze waarop men vanuit zichzelf een projectie van kracht kan werpen in de richting van dit begin en einde.

Begin en einde is het bepalende punt van de esoterische magie. Dit omvat de laagste en de hoogste factoren. Vergis jullie niet wanneer jullie zo dadelijk hier misschien zouden willen vragen (wat zo vaak gebeurt): Staat dit in verband met de sephiroths ? Neen. Wij kunnen hier niet spreken over Mal-kuth en Kether; wij moeten hier spreken over een identiteit die begin en einde is, die stof en geest is, maar beide in de uiterste consequentie. Dit houdt in dat geen enkel stoffelijk verschijnsel dus volledig kan zijn: begin of einde. Want oerstof en oergeest (dus beide ongevormd en chaotisch) zijn de directe uiting van alpha. Volmaakt gevormde ofwel tot een volmaakt trillingspatroon gebrachte materie die in zich geen strijdigheden meer kent en een volledig bewuste geest die alle verschijnselen in zich a.h.w. gerangschikt heeft volgens goddelijk patroon, vormen de directe uiting van omega, van het einde. De esoterisch-magisch denkende mens zal zich dus in de eerste plaats gaan afvragen: Waar bevind ik mij ? Wat is op dit ogenblik ongeveer mijn instelling t.o.v. deze beide ?

In de huidige menselijke staat kan worden gezegd dat zowel de stof als de geest beide nog dichter staan bij alpha dan bij omega. Met andere woorden: beschouwd als een kringloop, met als top begin en einde, bewegen wij ons in een neerwaartse richting. Wij gaan nog naar beneden en hebben waarschijnlijk ongeveer of bijna het dieptepunt bereikt.

Dit wordt duidelijker als jullie beseffen dat de absolute tegenstelling van alpha en omega (de eenheid der dingen in begin en einde) is: de strijdigheid der dingen (geest en stof als tegenstellingen) die wij vinden op ongeveer de helft van de levensweg. Hieruit volgt dat elke voorstelling, die geproduceerd wordt in menselijk denken of in de vormkennende geest, in tegenstelling zal staan tot het waarlijk Goddelijke. Elk Godsbegrip dat uit het begrip der tegenstellingen voortvloeit, is een antithese t.o.v. de werkelijke Godheid.

De magiër weet dit, beseft dit en kan juist hierdoor een zekere evenwichtigheid bereiken. Want zijn volledig erkennen van goed moet gepaard gaan met een volledig erkennen van kwaad. Dit is geen praktijk – begrijp mij goed ! – dit is een erkennen. Hij sluit de ogen niet voor al het kwade, maar hij kent ook al het goede. Deze beide tegenstellingen gebruikt hij als een basis. Twee punten van een grondlijn waarop een soort driehoek (een ongeveer gelijkzijdige driekhoek) kan worden opgericht.

Nu weet hij dat hij in de stof moet werken met de driftfactoren, de drijvende factoren die in de materie nu eenmaal gelden. Deze zijn over het algemeen: behoud (d.i. vormbehoud of traagheid in de dode materie), levensbehoud, zelfbehoud, instandhouding van de soort e.d. bij levende wezens; daarnaast natuurlijk de behoefte aan vervulling die met bewustzijn gepaard gaat en in het begin een behoefte inhoudt tot vermenigvuldiging en in een andere vorm echter wordt een uitbreiding van het “ik” zelf. Deze factoren verklaren dan de menselijke drijfveren als angst, begeerte enz.

Daar tegenover staat de geest. De geest is geneigd om uit te gaan van een ontkenning der materie. Zij ziet de materie altijd als kwaad, als antithese. Zij beseft voor zich meestal niet dat haar eigen wezen slechts krachtens zijn eigen kwaliteiten deze antithese vormt. Een geest die aan vormbehoefte is gebonden en aan vormkennen, zal meestal haar eigen wezen en “ik” willen behouden; gelijktijdig bevindt zij zich in een voortdurende staat van verandering. Zo is haar hoogste doel een zodanig geleidelijke verandering dat deze voor het eigen bewustzijn praktisch niet merkbaar is zonder dat daardoor een stilstand ontstaat. Verder zoekt zij voor zichzelf een zo groot mogelijke evenwichtigheid; maar een evenwichtigheid die wordt aangevuld door (of moet ik zeggen: die als tegenwicht kent) de materie en het materiële bestaan.

Maar drijfveren zijn in de eerste plaats: behoefte aan steeds nieuwe impulsen ofwel innerlijke verrijking. Ook wel genoemd geestelijke honger. In de tweede plaats: de behoefte om het in het “ik” bestaande (ook het voorstellingsvermogen) voortdurend aan te passen aan een eigen concept van het Goddelijke of van het “Ik”. Je zou de tegenstrijdigheden die hieruit kunnen voortkomen, vaak angst kunnen noemen. En wij weten dat uit deze verschijnselen o.m. het je terugtrekken in een duistere sfeer kan ontstaan.

De esoterische magiër beseft dat deze beide waarden in hem aanwezig zijn. Hij tracht niet – zoals de zuivere esotericus die de theoretische weg gaat – deze beide verschillen eenvoudig te annuleren, weg te nemen, op te heffen, door eenvoudigweg te zeggen: Ik wil mijzelf niet erkennen. Hij stelt integendeel: Ik wil juist in mijzelf deze tegenstellingen kennen en met nadruk kennen. Hij legt de nadruk op de verschillen in zijn wezen en gaat nu werken met twee factoren om daardoor het Goddelijke te bereiken. Hij gebruikt daarbij, wat men zou kunnen noemen, de geestelijke honger of begeerte; en hij gebruikt daarnaast de behoefte tot instandhouding die hij in de stof kent. Deze twee tegengestelde factoren kunnen samen nl. het Goddelijke brengen in het brandpunt van eigen wezen.

Wij hebben eens over die twee driehoeken gesproken en wij hebben toen gezegd dat je uit de top een loodlijn kunt neerlaten. Wanneer je nu zegt dat tussen stof en geest de persoonlijke wereld van de mens is gelegen, dan zal het duidelijk zijn dat een volledige beïnvloeding door beide factoren tot gevolg heeft: een directe in het middelpunt a.h.w. zich manifesterende kracht die uit het Goddelijke komt. Want er is altijd een antwoord op een vraag.

Deze kracht nu kunnen wij gebruiken om alles, wat met ons ook maar enigszins harmonisch is, te beïnvloeden. Wij kunnen daarmee vanuit onszelf veranderingen teweeg brengen zowel in de stof als in de geest. Hierbij houden wij echter rekening met het feit dat een teveel aan stoffelijke behoefte (zelfbehoud dus) automatisch de goddelijke kracht richt naar de geest; een teveel aan geestelijke behoefte (bewustwording e.d.) de goddelijke kracht doet afwijken naar de stof. Dus stellen jullie je voor dat het onderste bovendien nog een balans is en dat die goddelijke kracht een soort kogel is, dan zal die altijd naar het laagstgelegene toegaan. En dat laagste moeten jullie zich hier dus niet voorstellen als het zwaarst-wegende maar als datgene waarin de minste intensiteit te bekennen valt vanwege gebrek aan intensiteit.

Nu kom je natuurlijk tot de vraag: Wat kan ik er mee doen ? Jullie kunnen er heel veel mee doen, maar als esotericus zullen jullie zich toch wel onthouden van een direct ingrijpen in de buitenwereld. Jullie doel is aan beide behoeften (dus zelfbehoud en zelfinstandhouding: stoffelijke en vergroting van het “ik” geestelijk) tegemoet te komen. Alles wat jullie in de wereld brengen en in de wereld doen door die goddelijke kracht is alleen daarop gericht. Jullie kennen verder geen zuiver materiële of zuiver geestelijke doeleinden. Jullie voegen ze voortdurend samen.

Zo kom je tot een groot aantal leefregels. Die leefregels zijn enerzijds natuurlijk gericht op het juiste instandhouden van de stof. Vandaar dat menig esoterische groep zijn gevorderde leden bv. het gebruik van spiritualiën, tabak, koffie, thee e.d. – ja, ook vlees – verbiedt. Men doet dit om het lichaam in een zo juist mogelijke en vast mogelijke vorm te brengen.

Daarnaast schrijft men over het algemeen een grote reeks meditaties voor die – mee gericht op het gevoelsleven – tot doel hebben die geest een zekere uitbreiding te verschaffen. De grote stabiliteit die zo verkregen wordt, eist echter zeer veel opoffering. Er bestaat geen enkele weg waarbij men esoterisch-magisch kan handelen zonder opoffering. Dat moeten jullie goed begrijpen.

Wat zijn de eerste vereisten wanneer wij al deze door esoterische groepen gestelde regels buiten beschouwing laten ?

In de eerste plaats: Er is een voortdurende verrijking nodig, zowel van het gevoelsleven als van het verstand. Deze moeten gezamenlijk het voedsel vormen voor de geest. Daarom een voortdurende noodzaak tot studie, meditatie en overpeinzing.

In de tweede plaats: Wij moeten voldoen aan alle lichamelijke behoeften op een zodanige wijze dat het lichaam in een zo juist mogelijke conditie blijft. Wij moeten dus binnen de voor ons aanvaardbare perken meestal zorgen dat wij lichamelijk in goede conditie blijven, dat er bij ons geen tekorten ontstaan, dat er nergens één of ander syndroom kan gaan overheersen. Geloof mij, dat vraagt heel wat. Kan de theoretisch-esoterisch denkende mens volstaan met iets wat vaak aan een droomleven doet denken en dat een zacht voortdrijven op een wat geestelijke sfeer inhoudt, zo zal de esoterisch-magische mens voortdurend met de werkelijkheid geconfronteerd worden. Wanneer hij één van die beide factoren buiten beschouwing laat, brengt hij zichzelf in gevaar en zijn er grote mislukkingen mogelijk.

Er zijn natuurlijk vele hulpmiddelen die gebruikt kunnen worden om het “ik” gemakkelijker tot evenwichtigheid en volmaaktheid te brengen. Juist op de esoterisch-magische weg vinden wij bv. het gebruik van de ‘Scheingestalt’, het speciale contact met het Goddelijke, kortom al die voorstellingen binnen het “ik” die dienen om de maximale en optimale kwaliteiten van dat “ik” naar buiten te brengen. Die praktijken vergen echter ook een voortdurend werkzaam zijn. Jullie kunnen niet zeggen : Ik maak mij er even snel van af.

Nu zal die esoterisch-magische mens, nadat hij dus God heeft erkend als alpha et omega en zijn eigen positie heeft proberen te bepalen, verder uitgaan van het standpunt: In God zijn een groot aantal krachten die elkaar in werking en inhoud tegengesteld zijn. Zij vormen elkaars tegenwaarden en heffen elkaar op als verschijnsel. Het is voor mij noodzakelijk deze krachten één voor één te leren kennen. Maar wanneer ik één van deze krachten leer kennen, moet ik automatisch haar tegendeel, haar counterpart, ook leren te gebruiken en te hanteren. Wij werken niet – zoals dat in vele gevallen wordt voorgesteld – op een weg van de ene geestelijke kracht tot de andere en dan in die geestelijke kracht. Neen, wij werken vanuit de ene geestelijke kracht naar de andere geestelijke kracht en wisselen, zodra het bewustzijn dat mogelijk maakt. Hierdoor ontstaat in het “ik” een vaste omschrijving, waarin niet alleen goddelijke waarden, maar ook geopenbaarde en geuite krachten volledig zijn weergegeven. Zo is de tweede stelling dus:

Alle esoterisch-magische bereiking is gebaseerd op het juist hanteren van de in de schepping bestaande evenwichten, waarbij het “ik” zijn plaats te midden van de evenwichtigheid bewust zodanig wisselt, dat het begeerde resultaat voor het “ik” (en eventueel ook voor de wereld) binnen het bereik komt.

Men stelt verder: Waar God het totaal van de kracht is, kan ik nimmer de bewerkstelliger zijn van een verandering. Ik kan slechts de uiting van een bestaand iets mogelijk maken.

De esoterisch-magisch denkende mens zal zich steeds beschouwen als een werktuig, nimmer als een heerser. Hij zal in zijn dienen uitgaan van twee standpunten. Enerzijds tracht hij tegemoet te komen aan zijn stoffelijk voorstellingsvermogen, anderzijds tracht hij te voldoen aan zijn geestelijke behoeften. Dit impliceert dat hij een stoffelijk godsbeeld, een stoffelijk beeld van goed en kwaad, een stoffelijk beeld van passend en niet-passend moduleert totdat dit geestelijk en innerlijk als juist wordt ervaren. Hij houdt deze maatstaf aan voor zijn eigen en persoonlijk leven, maar wijkt daar van af op het ogenblik dat hij dus iets in de kosmos tot stand wil brengen.

Misschien doe ik er goed aan jullie hier te herinneren aan een oud beeld waarover we al eens eerder hebben gesproken. Men stelt het leven wel eens voor als twee zuilen waartussen de mens een derde zuil vormt. In feite is die voorstelling van de twee zuilen niet geheel juist. Zij is namelijk met een boog overspannen en op deze overspanning staat een derde zuil. Deze derde zuil staat alleen, zij kent dus geen tegenstrijdigheden meer. Deze voorstelling is zuiver esoterisch-magisch en zij impliceert het volgende :

In het normale leven staat de mens tussen twee krachten. Noem ze mijnentwege gerechtigheid en liefde of goed en kwaad, geef ze maar een naam. Tussen deze twee tegenstellingen staan jullie zelf in het brandpunt ervan. Op het ogenblik dat jullie een werkelijk begrip krijgen voor de waarden die elk van deze tegengestelde factoren in zich dragen, zullen jullie ontdekken dat deze waarden steeds verder naar elkaar toeneigen. Er komt een punt dat voor jullie de tegenstellingen niet meer als zodanig kenbaar zijn, maar beide een verschijnsel worden, gemeten vanuit een zelfde punt. Is dit punt eenmaal bereikt, dan hebben we dus de boog. Van deze boog wordt esoterisch-magisch gesteld: zij is de overbrugging van de beperktheid van het “ik”, verenigt stof en geest en laat in deze harmonie het werkelijke leven ontstaan. Dit werkelijke leven is dan de derde zuil waarin alle goddelijke factoren nu niet meer als afzonderlijke waarden, maar a.h.w. gepaard (dus in paren) voorkomen, elkaar naar buiten toe opheffen, maar daardoor iedereen die hen in zich beroert een inzicht geven in alle goddelijke uitingen op dat vlak of terrein.

Nu moeten jullie zich de zaak zo voorstellen: Zolang wij in tegenstellingen blijven denken en ervaren, zullen wij niet beschikken over de werkelijke kracht Gods en de werkelijke wijsheid Gods, noch zullen wij de werkelijke schoonheid Gods a.h.w. ervaren. Op het ogenblik echter dat wij in onszelf de eenheid vinden van ervaring (dus de tegenstellingen weten op te heffen), gaan wij weer beginnen waar wij eens in de tegenstellingen begonnen zijn.

Een voorbeeld: licht en duister. Licht en duister vormen samengevoegd niet – zoals jullie misschien menen – een schemering, maar een waarde die dimensioneel gesproken buiten de bekende wereld ligt. Zij is in zichzelf een totaal scala van alle mogelijke stromingen en trillingen die maar met licht of de afwezigheid van licht te maken hebben. Dit wordt alles gelijktijdig, maar nu bewust, beleefd. Zo is een bepaald deel van de goddelijke uiting nu volledig in het “ik” duidelijk geworden en beleefbaar. Wanneer wij de eerste tegenstelling hebben gehad, gaan wij naar de tweede en zo naar de derde. En zo komen wij tenslotte tot een oplossing van wat je zou kunnen noemen “links en rechts”, wanneer je een kruis gebruikt; er blijft voor ons alleen nog over: boven en beneden. Of beter gezegd: einde en begin. Wij zien deze dingen nog als gescheiden waarden. Maar in onszelf het totaal van de schepping dragend, zullen wij geen verschil van waarde meer erkennen. Begin en einde zijn voor ons even volledig, even juist, even gevormd en even chaotisch. Het gevolg is dat wij beide waarden met elkaar gaan identificeren en zo ook de laatste delen van de weg samensmelten tot één geheel. Er is dan niet meer tijd, er is niet meer ruimte en er is niet meer verschijnsel, maar er is iets wat je “bestaan” kunt noemen. Daarom zegt men wel : Wie de weg van de twee zuilen is gegaan en de derde zuil in zich heeft vernietigd (en dan wordt hier dus overbrugging met die derde zuil bedoeld en niet de mens als derde zuil), kent in zich het volledig Goddelijke.

De gedachtengang die eruit voortvloeit, is weer belangrijk voor elk esoterisch-magisch streven. Want het feit dat de tegenstellingen een totaal andere wereld voortbrengen zodra ze tot elkaar worden gebracht, maakt het mogelijk wanneer wij die andere wereld eenmaal beseffen, om van daaruit, zonder dat ons eigen wezen wordt aangetast of iets uit ons eigen wezen wordt gebruikt, in de geuite wereld (de geopenbaarde wereld dus) elk willekeurig verschijnsel, dat met beide tegenstellingen in verband staat, te produceren. Wanneer ik dus heb “vernietiging en opbouw”, dan kan ik alles van het begin van schepping af tot het laatste van vernietiging toe a.h.w. uit mijzelf voortbrengen. Men zegt dan: Ik realiseer alles feitelijk wat in een onvolmaakte wereld in mij leeft en kom zo tot de manipulatie van de volmaaktheid in de onvolmaaktheid. (Een tamelijk zware knoop naar ik meen, maar jullie moeten er eens over nadenken.)

Hoe nu – zuiver praktisch gesproken – deze esoterisch-magische weg te benaderen ?

In de eerste plaats met geduld. Een mens die geen geduld heeft, zal langs een esoterisch-magische weg nimmer iets bereiken. Alle dingen hebben vele betekenissen. Men kan niet uit die betekenissen kiezen volgens eigen wezen, omdat deze keuze dan zo eenzijdig is dat ze altijd onjuist wordt. Wij moeten afwachten tot in ons de verschillende reacties groeien en samengevoegd een overzicht mogelijk maken. Juist voor degenen die het zichzelf gemakkelijk willen maken, is deze eis van geduld één van de moeilijkste. Zij verlangen altijd een onmiddellijk en tastbaar resultaat, een onmiddellijke en tastbare manifestatie, een onmiddellijke macht, een onmiddellijke verklaring. Maar langs deze weg is die niet te bereiken, omdat alles wat snel komt in zich reeds onjuist is.

De tweede les of wet die hieraan verbonden zit, is eenvoud. Uit de veelheid der dingen dient men het eenvoudige voort te brengen dat in overeenstemming is met het eigen “ik”. Hier wordt het “ik” dus wél als maatstaf gebruikt en wel, omdat alleen zo een voldoende harmonie te bereiken is. Neem datgene op waarmee je zelf harmonisch bent en besef dat het andere daardoor alleen op den duur harmonisch met je wordt.

In de derde plaats: activiteit. Esoterisch-magisch streven vergt een voortdurend werkzaam zijn. Dit werkzaam zijn is innerlijk en uiterlijk. Het is steeds een gepaard gaan van stoffelijke activiteit en werking met innerlijke activiteit en werking. Beide zijn harmonisch met elkaar door middel van het gevoelsleven. Zij zijn verder harmonisch met elkaar door de in het “ik” levende bepaling van het Goddelijke of het innerlijk Godsbeeld.

Dan krijg je natuurlijk als een belangrijke eis ook weer: zelfbeheersing. Er zijn veel mensen die zelfbeheersing en gevoelloosheid met elkaar zullen verwarren. Maar in deze richting van streven moet men wel beseffen dat het “ik” volgens de normen waarin het handelt (dus hetzij stoffelijk hetzij geestelijk), nimmer door zijn gevoelens beroerd mag zijn, maar slechts door zijn inzicht mag worden geleid. Slechts indien men bewust geestelijke waarden in de stof projecteert of omgekeerd, zal de gevoelswereld als intermediair dienen. En alleen dus wanneer een dergelijk bewust streven, gekend ook (dus niet zo plotseling opkomend, maar weloverlegd) plaatsvindt, dan zal men dus aan het gevoel toegeven en zal men met die gevoelswaarde rekenen.

Dit vraagt misschien een kleine verduidelijking, want jullie zullen zich afvragen: Hoe kan ik nu weten of mijn geest iets bewust doet ? Het antwoord hierop is zeer eenvoudig: Alles wat zich in jullie geest afspeelt, wordt aan jullie meegedeeld, maar op een wijze die met de werkelijkheid weinig of niets te maken heeft. Dit openbaart zich veelal in de droom, in plotselinge emoties en associaties die niets met het redelijk denken te maken hebben. Daarbij is verder opvallend dat die gevoelens en emoties niet in overeenstemming zijn met de norm en evenals de dromen meestal een soort onwerkelijkheid hebben. Ze zijn niet helemaal stoffelijk, maar we begrijpen heel goed wat voor idee er in ligt. Alleen het leren aflezen van het laatste is ook weer een kunst. Maar het maakt jullie in ieder geval duidelijk hoe men dus ook kan leren dat wat de geest bewust gaat doen, te begrijpen en te verwachten en daar dus via de gevoelswereld een stoffelijk antwoord op te geven.

Dan is er verder nog een zeer eenvoudige stelling die ik niet direct een grondwet wil noemen (ze is dat nl. niet helemaal), maar die in de esoterisch-magische bewustwording toch een zeer grote rol speelt. En dat is dit: “Honger niet en dorst niet, tenzij dit zelf je doel of je bevrediging is.”

Het is duidelijk dat wanneer wij gebrek lijden, hetzij geestelijk of stoffelijk, dit een vertekening van ons wereldbeeld en onze reactie tot stand brengt. Onder bepaalde omstandigheden zullen wij dat inderdaad doen. Wij kunnen bv. gaan vasten en onszelf van dranken onthouden om ons te reinigen, ons voor te bereiden. Maar wanneer dit niet het geval is, dan mogen wij dat niet eens doen. Wees met weinig tevreden zo je kunt, maar honger en dorst niet. Zorg dat alles wat je beheerst of zou willen beheersen in stof en geest, ontleed wordt, zodat je daaraan tegemoet kunt komen. Want alleen door het tegemoetkomend zijn, kun je werkelijk een goed resultaat bereiken.

Hiermee heb ik dan het eerste deel van mijn les beëindigd en komen wij tot het tweede en tevens laatste deel voor vanavond.

Het is duidelijk dat wij al deze wegen niet kunnen gaan als dit alleen uit het eigenbelang geboren wordt. Datgene wat wij liefde noemen of begrip van eenheid, speelt een zeer grote en aloverheersende rol bij elke bewustwording van de geest, bij elke juiste handeling van de stof. Dit principe liefde wordt over het algemeen door de mens wat beperkt uitgelegd. Laat ik daarom trachten dit zo scherp mogelijk te definiëren. Wanneer wij spreken over een kosmische liefde, dan betekent dit een totale aanvaarding en éénwording met.

Spreken wij over goddelijke liefde, dan betekent dit voor ons het aanvaarden van het Godsbeeld dat wij in ons dragen, in een absolute overgave om daardoor te komen tot een zo groot mogelijke éénwording mét dit Godsbeeld. Wanneer wij spreken over een geestelijke liefde, dan moet deze liefde inderdaad in de geest tot overgave en éénwording voeren.

Stoffelijke liefde wordt in de esoterie over het algemeen beschouwd als een aanvullende factor, maar niet zonder meer belangrijk. Maar belangrijkheid kan zij – en dat is slechts zelden – soms verkrijgen in de esoterische magie als bestanddeel van een magische éénwordingsactie waarbij andere grootwaarden (veelal kosmische grootwaarden of grootmachten) mee betrokken zijn. Zolang dit laatste niet het geval is, laat men de stoffelijke liefde liever buiten beschouwing.

De grote vraag is nu: Op welke wijze kan dit begrip liefde het meest juist worden geopenbaard en uitgedragen ?

Het antwoord is: Door steeds een ander te beschouwen als een deel van jezelf en hem op deze wijze te benaderen, ook wanneer dit alleen een kort en misschien oppervlakkig contact betreft. Juist in de esoterie – tenminste wanneer wij praktisch willen leven en werken – kan het begrip voor een ander onnoemelijk veel aan bewustwording, aan juistere instelling en grotere harmonie betekenen. Wij zullen dus trachten onszelf steeds te verplaatsen in het standpunt van de ander. Probeer steeds niet vanuit jezelf maar vanuit de ander te redeneren. Eerst wanneer je dit gedaan hebt, mag je je eigen standpunt daarnaast of tegenover stellen. Elke oplossing die in harmonie of dus vanuit deze liefde wordt bereikt, betekent het gemiddelde van beide waarden. Dit laatste is misschien wel helemaal duidelijk, maar het zal jullie nog wel eens wat moeite kosten.

Verder betekent liefde dat men de eigenheid van andere persoonlijkheden beseft. Velen zullen datgene wat zij lief hebben of menen lief te hebben, willen zien als iets wat volledig hun eigen “ik” weerkaatst of weerspiegelt. Anders gezegd: zij willen hun eigen wezen daarin aflezen. Zij doen dit bij een dier maar evengoed bij een mens. Het dier kennen zij menselijk verstand, menselijke gaven en beredeneringen toe, de medemens precies dezelfde beweegredenen, precies dezelfde innerlijke tegenstrijdigheden en lasten die zijzelf hebben. Het zal jullie duidelijk zijn dat een dergelijke benadering nooit een werkelijk contact kan inhouden. Er ontstaat dan een soort karikatuur van de werkelijke éénwording, die liefde – zelfs alleen maar de geestelijke liefde – inhoudt. Zeker kan geen kosmische liefde op deze manier duidelijk geuit worden. Dus probeer je eigen “ik” te vergeten. Probeer in de ander niet dat te zoeken wat je kent, maar tracht die ander a.h.w. te ondergaan. Laat diens persoonlijkheid a.h.w. een ogenblik over de jouwe heenstulpen, zich over je uitstorten, terwijl je niet aan jezelf denkt. Absorbeer diens gedachten, diens uitstraling, diens trillingen. In de geest zou men zeggen: Laat de totale gedachteninhoud die zo iemand openbaart, in jezelf staan zonder een contrastwerking of tegenstelling vanuit het “ik”. Op deze manier verwerf je het besef voor de ander. Je kunt een middelpunt vinden waarrond jullie beider wereld draait. Heb je dit punt gevonden, dan is het zeer eenvoudig om elke kracht die bestemd is voor beiden, in dit punt te projecteren. Het blijft dan voor jou en voor de ander aanvaardbaar. Het is voor jezelf een totale weergave van hetgeen voor jou een redelijke kracht is en ook voor de ander zal het vanuit diens standpunt volledig redelijk blijven. Alle kosmische, alle geestelijke, alle goddelijke liefde kan in de stof alleen worden beseft en uitgedragen, als zij een redelijke ondergrond heeft. Deze redelijke ondergrond moet worden gevonden in het menselijk denken en voorstellingsvermogen. In de esoterische magie kan men niet volstaan met de emotie alleen. In de meer theoretische vormen van esoterie is dit onder omstandigheden wél mogelijk, maar dan mag men geen enkel antwoord verwachten. Dan is de emotie op zichzelf voldoende.

Wanneer jullie deze punten overwogen hebben, zullen jullie beseffen dat te zijner tijd voor jullie een keuze van het door jullie te volgen pad noodzakelijk gaat worden. Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, zullen wij jullie een keuzemogelijkheid geven, indien het ons ook maar enigszins mogelijk wordt gemaakt. Besef echter wel dat elk esoterisch pad in feite een eenzaam pad is. Of het nu theorie is of praktijk, of het magisch is of meer ritueel, het is en blijft een eenzaam pad. Want jullie kunnen, als jullie werkelijk esoterisch streven, in anderen – tot zelfs in de hoogste geest – alleen datgene vinden, wat jullie door eigen instelling zoeken; en jullie zullen tenslotte alleen jezelf leren kennen, terwijl de anderen voor jullie wel begrijpelijk worden, maar nimmer volledig kunnen worden overzien of beseft. Dit is het einde voor vandaag van mijn les.

Vragen

  • Op de weg van degene die zichzelf vergeet en daardoor uit de kosmos kennis, begrip, ervaring enz. kan opnemen, blijft dat, zegt u, slapend totdat de omstandigheden het nodig maken. Maar ik meende dat het “ik” in zijn uiteindelijke vorm volmaakt was. Hoe kan er dan in een dergelijke toestand iets aan worden toegevoegd ?

Hier is natuurlijk weer de moeilijkheid dat je die stellingen met elkaar wilt gaan vergelijken, zonder te begrijpen dat ze door een verschillende benadering ontstaan. Ik kan gaan zeggen dat een voetbal rond is; ik kan ook gaan zeggen dat hij van leer is; en ik kan ook nog gaan zeggen dat hij uit stukken bestaat. Het is allemaal even juist. Maar het ligt er aan van welke kant ik die voetbal wil gaan beschrijven. Nu moeten jullie dit goed begrijpen: In God (dus de goddelijke Werkelijkheid) zijn wij volmaakt. Maar wanneer wij in ons bepaalde dingen wakker krijgen, dan is dat vergelijkenderwijs a.h.w. een hazeslaapje geworden. Geestelijk is dat wakker gemaakt, innerlijk is dat wakker. Maar het hazeslaapje wordt pas onderbroken, het wordt pas deel van onszelf volgens ons bewustzijn, op het ogenblik dat de omstandigheden aan die kennis behoefte hebben. Omdat alleen door beleving iets een kenbaar en blijvend deel van je “ik” kan worden. Wat daarin is neergelegd als een geestelijk ondergaan, dat geen direct beleven is, zal dus door de belevingsmogelijkheid plus de beleving een bewust deel worden van uw wezen. Tot die tijd is het slapend.

  • Het is en blijft een moeilijke zaak om voor jezelf uit te maken: welke kant ga ik uit ? Hoe weinig of hoeveel ken je jezelf eigenlijk ? Hoe kun je voor jezelf bepalen: ga ik de esoterische kant uit of moet ik de magische kant uitgaan ? Welke vragen moet je jezelf dan stellen om te komen tot een oplossing ?

Dat is op het ogenblik nog wat voortijdig; wij zijn nog niet zo ver dat een dergelijke keuze noodzakelijk gaat worden. Maar ik zou mijzelf in de eerste plaats afvragen: Heb ik de tijd of maak ik de tijd voor een daadwerkelijk geestelijk streven dat niet alleen bestaat uit lering, maar ook uit het toepassen van het geleerde, ja, zelfs in zekere zin het experiment ? Is het antwoord “ja”, dan kan u rustig zeggen: Dan ga ik de magische kant uit. Want dan blijkt dus de daad in de eerste plaats u aan te trekken.

Vraagt u zich af: Langs welke regels moet dit allemaal gebeuren ? Dan hoort u niet thuis in een esoterisch-magische richting, dan hoort u thuis in een ritueel-esoterische richting, waarbij dus vaste voorschriften en verklaringen worden gegeven, maar u tenslotte niet zelfstandig hoeft verder te gaan.

Blijkt dat u over het algemeen tussen het geestelijk leven en het stoffelijk leven een grote scheiding maakt, dan geloof ik dat u heel verstandig doet eerst te beginnen met de zuiver theoretische esoterie en u daar voorlopig bij te houden. Dus wanneer u voor uzelf op de vraag: “Wat doe ik er eigenlijk voor of aan ?” als antwoord geeft: “Nu ja, ik onderga het zo’n beetje en ik houd mij er soms mee bezig als ik tijd heb, maar wat de praktijk betreft heb ik zoveel andere dingen te doen,” dan is het antwoord: Blijf dan maar voorlopig liever bij de theorie. Misschien dat u op den duur dan zoveel opneemt dat u er ook praktisch mee kunt gaan werken. En bent u iemand die zich geheel van de wereld kan afsluiten en afzonderen, zonder daardoor de wereld tekort te doen – en dat is heel lastig ! – dan is het antwoord vanzelf helemaal duidelijk; dan kiest u de zuiver esoterische richting, waarbij het innerlijk “ik” de grote éénwording met het Goddelijke en de overgave aan het Goddelijke zich als enig doel stelt.

  • Is dat hetzelfde als de mystieke weg ?

Tot op zekere hoogte is dit mystiek. Maar het begrip mystiek is niet zo nauw omschreven op aarde dat dit als de enige mystieke weg kan worden genoemd, omdat nl. mystiek zelfs in de esoterisch-magische procedure een rol speelt, evenals in de ritueel-esoterische procedure. Het is dus moeilijk om hier te zeggen : dat is nu hét mystieke pad; want dat zou je van al die paden evenzeer kunnen zeggen, meen ik.

  • Kan men van al die paden ook niet zeggen dat het voor een groot deel op de daad aankomt ? Want zonder de verwezenlijking van het bevatte, blijf je zweven.

Dat ben ik met u eens. Maar de vraag is alleen: Waar komt het vandaan ? U kunt natuurlijk zo zeggen: Of ik nu van A naar B ga of van B naar A, ik zal dezelfde weg afleggen. Maar wanneer je uitgaat van de praktijk, dan kom je tenslotte dus ook tot het andere. Ga je uit van de theorie, dan kom je tenslotte tot de praktijk. Alleen het verschil is dat wanneer je begint met de praktijk, de geestelijke eenheid eigenlijk op een andere wijze bereikt wordt (laat ik zeggen later); dus dat het met een veel hoger bewustzijn en begrip wordt bereikt dan bv. uitgaande van deze theoretische esoterie. Die theoretische esoterie komt wel tot de praktijk; maar wanneer dié eenmaal tot de praktijk komt, is het haar zo natuurlijk geworden dat ze niet meer op zichzelf belangrijk is. Er zijn dus wel verschillen aan te tonen. En ofschoon ik u toegeef dat werkzaamheid (ik wil uitdrukkelijk niet zeggen handeling, omdat handeling te stoffelijk blijft) deel uitmaakt van elke bewustwordingsgang, toch kan de wijze waarop deze werkingen en werkzaamheid naar buiten toe optreden, geheel verschillend zijn, evenals het punt waarop deze werkzaamheid feitelijk begint.

Dat is niet zo moeilijk. Vindt u dat u met de daad moet beginnen, dan gaat u altijd uit van de praktijk. Uit de praktijk komt u dan tot het begrip van de theorie. Bent u een theoreticus, dan zult u veel theorieën moeten ontwikkelen; maar uit een teveel aan theorie ontstaat de noodzaak tot praktijk, die dan alleen gebruikt wordt om een verdere theoretische mogelijkheid te scheppen.

  • Dus zuiver wetenschappelijk ?

Juist. Dus degene die zo erg wetenschappelijk esoterisch wil zijn, zal over het algemeen een theoreticus zijn. De mens die bewust wil leven en dus zijn leven en zijn contact met de kosmos als eerste belangrijke waarde stelt, zal over het algemeen een practicus zijn.

  • Hij moet toch een notie hebben van een kosmos en dat hij er in staat en dat er mogelijkheden zijn dat hij contact krijgt ? Het gevoel ervoor moet hij hebben.

Ik zou haast willen zeggen: Wanneer dit niet aanwezig is, is men nog geen esotericus. Met andere woorden: het gaan van een esoterisch pad veronderstelt reeds bij het aanvaarden van de eerste stap een zekere – zij het beperkte – wereldvoorstelling, waarin ongetwijfeld ook de kosmische waarden mee berekend zjjn. Een kind kan geen esotericus zijn zolang hij niet denkt, volgens stoffelijke normen tenminste.

Wanneer er geen verdere vragen zijn, dank ik jullie voor de aandacht en verstout mij te hopen dat jullie aan deze, misschien volgens jullie, wat droge materie voldoende hebt gehad om jullie eigen houding en jullie eigen standpunt in de wereld en het esoterisch streven beter te bepalen.

De voor- en nadelen van identificatie

Identificatie is – zoals jullie weten – het je zoveel mogelijk één-voelen met een ander wezen, een ander voorwerp, enz. en wel zo dat je geen verschil tussen jezelf en die ander onderkent. Het gevolg daarvan is dat je het totaal van de waarden van die ander in jezelf kunt beleven en dat je daarmee een zeer grote reeks van krachten zou kunnen winnen.

De voordelen van identificatie zijn o.m.:

  1. Uitbreiding van eigen bewustzijn.
  2. Uitbreiding van eigen werkingsvermogen en werkingsbereik.
  3. De mogelijkheid – vooral wanneer je je identificeert met iets wat groter of beter is dan jezelf – van zeer grote winst in kracht, in levenswaarde.

Je zou kunnen zeggen dat de positieve kant van identificatie bij de mens een zodanige verrijking van zijn eigen leven betekent, dat hij hierdoor een groot aantal geestelijke trappen a.h.w. kan overslaan. Al datgene wat in de ander leeft, kun je in jezelf opnemen. Vooral wanneer die identificatie kan plaatsvinden met bv. een meester, een hoog-geestelijke kracht, dan ontwaakt er zoveel nieuws in jezelf dat je jezelf niet meer terug herkent nadat die toestand eventueel ophoudt te bestaan.

Dit echter is allemaal gerekend vanuit een identificatie naar boven toe of ten goede. Er zijn echter zeer vele krachten waarmee wij ons zouden kunnen identificeren, die minder goed zijn.

Wanneer je je bv. wilt identificeren met haat of met iemand die haat en die wat je noemt “slecht” is, dan wordt de kwestie heel anders. Want dan ontvang je allerhande impulsen die helemaal niet bij je eigen wezen behoren en zal je, vooral wanneer dit op een stoffelijk niveau ligt, met heel veel gedachten en ook daden te maken krijgen die eigenlijk niet direct bij je horen; een groot bezwaar, zoals jullie zullen beseffen. Daarbij komt verder dat wij bij elke identificatie ook in contact komen met al datgene waarmee de persoon of het voorwerp, waarmee wij ons identificeren, zelf in harmonie is. Want wanneer ik iemand vind die met de meest chaotische krachten, de meest demonische krachten in harmonie is en ik ga mij daarmee identificeren, dan is het logisch dat deze krachten ook in mij losbreken.

Kort en goed gezegd: identificatie kan alleen gebruikt worden met een gunstig resultaat wanneer ze plaatsvindt met hogere waarden, dan wel met levensvormen die geen menselijk bewustzijn hebben en die niet aan de menselijke zwakheden en emoties onderworpen zijn.

Een andere vraag zou hier misschien bij kunnen luiden: In hoeverre kan identificatie voor mij nuttig zijn en wel speciaal gezien vanuit mijn eigen standpunt ?

Mijn antwoord hierop is: Elke identificatie op zichzelf is nuttig waar zij een bewustzijnsuitbreiding veroorzaakt. Maar waar mijn wezen een zekere ontwikkeling heeft, een zeker eigen inzicht, eigen behoeften en al wat erbij hoort, zo moet ik wel heel voorzichtig zijn om mij niet te identificeren met iets of iemand waarin bv. mijn minder prettige eigenschappen in sterke mate voorkomen. Iemand die zelf gulzig is, moet zich niet identificeren met een varken, bij wijze van spreken. Iemand die in zichzelf voortdurend worstelt om schoonheid, kan zich heel gunstig gaan identificeren met een bloem waarvoor hij een grote bewondering heeft, maar hij kan zich weer niet gaan identificeren bv. met een cactus of een stekelstruik. Want dan heeft hij het idee dat zijn eigen minderwaardigheid daarin weerkaatst wordt en wordt ze zo versterkt. Dus je moet altijd bij elke poging tot identificatie ook uitgaan van je eigen wezen. Wat is voor mij belangrijk en noodzakelijk ?

Een volgend punt zou je als volgt kunnen stellen: Wanneer ik mij tracht te identificeren met een wereldziel en ik tracht wereldvrede te bevorderen met alles wat erbij behoort, dan ben ik soms geneigd dit met een zeer grote intensiteit te doen. En op zichzelf kan dit zeer gunstige geestelijke werkingen hebben, bv. door een zeer sterke uitstroming van emotionele kracht en gedachtenkracht. Ben ik nu echter zelf niet in staat dergelijke emoties geheel te verwerken, dan mag ik dat niet doen. Want wat ik daar naar buiten laat uitstromen, maakt mij zwakker. Verder ga ik in deze zwakte waarschijnlijk nog verder met mij te identificeren met soortgelijke krachten en werkingen en op den duur zal ik door mijn eigen zwakte, mijn eigen verval, eerder het negatieve effect, dat ik dus zou willen bestrijden, bevorderen dan dat ik het verminder. Dus doe elke identificatiepoging – en wat dat betreft ook bij het uitstralen van elke geestelijke kracht en gedachte – met mate en wel daarbij uitgaande van je eigen toestand en vermogen.

Identificeer je bij voorkeur niet met anderen wanneer je in het dagelijks leven nog iets te doen hebt. Wanneer je dat probeert, dan ontdek je dat daaraan een heel groot nadeel is verbonden. Want een identificatie terwijl je het bewustzijn hebt nog een taak te moeten volbrengen, zal nooit volledig slagen; zij brengt innerlijk beroeringen en vaak een verlies van de ervaring die noodzakelijk was of de belangrijke gegevens die je in de ander meende te vinden; terwijl je gelijktijdig nog met de stoffelijke, niet opgeloste kwesties blijft zitten.

Wanneer je de neiging hebt je te veel alleen op het geestelijke te werpen, dan is een identificatie met het geestelijke natuurlijk wel heel mooi, maar het vervreemdt je van je eigen werkelijkheid. Je bent echter verplicht in je eigen stoffelijke werkelijkheid te leven en wel volgens de normen en maatstaven die volgens je beste weten binnen dit stoffelijke werk en leven goed zijn. Op het ogenblik dat een identificatie daarvoor een belemmering zou vormen, is zij vanuit je standpunt slecht, brengt zij in jezelf strijd, onzekerheid, verwardheid en moet zij worden afgewezen.

Wij moeten ons niet voorstellen dat wij met alles gelijkelijk identiek kunnen zijn. Alleen datgene wat al enige gelijkenis met ons vertoont, waarmee reeds een verwantschap bestaat, kan beleefd worden. Ook wanneer wij komen tot een identificatie die niet alleen in het gedachtenleven, maar meer intens plaatsvindt, moeten wij er rekening mee houden dat hier ook reeds de beginfase, de stoffelijke fase een rol meespeelt.

Je kunt je niet identificeren, werkelijk en volledig, met iemand bv. die je eigenlijk niet sympathiek is. Je kunt je niet identificeren met iets of iemand die je volledig onverschillig laat. Er moet in het “ik” altijd een waarde zijn waardoor een zekere harmonie bestaat. Pas als er ten minste enkele punten van aanraking zijn tussen het “ik” en de kracht waarmee men zich wil identificeren, hetzij op emotioneel gebied of in verband met gedachten of geestelijke belevingen, is het mogelijk dit werkelijk en goed te doen.

Gezien de stelling van het onderwerp, de voor- en nadelen, zou men dus kort en krachtig kunnen zeggen: Al datgene wat in mezelf bestaat, wat ik in anderen erken en begeerlijk vind, kan ik door identificatie in mezelf versterken, vergroten en verduidelijken. Al datgene wat in mijzelf bestaat en ik niet aanvaardbaar vind of waar ik met enige huivering of twijfel of onverschilligheid tegenover sta, moet ik zoveel mogelijk vermijden. Zie ik in anderen negatieve factoren, dan is identificatie voor mij in 9 van de 10 gevallen ondoenlijk. Slechts iemand die een volledige geestelijke inwijding en beheersing heeft bereikt, kan zich veilig ook met lageren identificeren, zonder daarbij zijn eigen kracht en zijn eigen waarde te verliezen.

Het voordeel is dus: verheffing, vergroting van bewustzijn, vergroting van eigen kracht en vermogens, soms zelfs van eigen gezondheid en veerkracht, ook lichamelijk.

Het nadeel is: de mogelijkheid tot het ontstaan van innerlijke verwarring, het bevorderen van niet-begeerlijke eigenschappen binnen het “ik”, het versterken van gedachtentendensen die eigenlijk niet juist zijn, strijd, krachtsverlies, eventueel ook aantasting van je gezondheid, van je zenuwkracht en al wat daarbij hoort.

Conclusie: Identificatie is een goed en bruikbaar proces, maar het is alleen werkelijk goed te gebruiken wanneer je daarbij uitgaat van je eigen principes van God; het alleen doet in overeenstemming met hetgeen je in jezelf als goed erkent en slechts dan, wanneer er voldoende harmonie bestaat tussen jou en hetgeen waarmee je je zou willen identificeren.

Vragen

  • Kan zo’n identificatie automatisch verlopen of kan dat alleen opzettelijk gebeuren en hoever loopt dat proces dan ?

Een identificatie geschiedt altijd opzettelijk. Zij kan niet van u uit automatisch verlopen. Wanneer het opzettelijk geschiedt, dus met een zekere wil en een richten van eigen wezen, dan kan het verloop gaan tot het uiterste : de algehele versmelting. Dit zal waarschijnlijk stoffelijk niet zo gemakkelijk tot stand komen (en dat is maar goed ook misschien, want anders zou men zich voortdurend gaan identificeren); maar geestelijk betekent dit een algehele versmelting, waarbij je dus je eigen “ik” tijdelijk schijnt te verliezen doordat er zoveel dingen voorkomen die nieuw voor je zijn, dat je je “ik” vergeet. Je bent wel aanwezig, maar je absorbeert en het nieuwe valt je in de eerste plaats op. Wanneer de identificatie volkomen is, dan zal over het algemeen na een kort ogenblik van realisatie een langzame scheiding plaatsvinden doordat wederom de verschillen tussen het “ik” en degene of het wezen waarmee je je identificeerde, kenbaar worden en je zo tot jezelf terugkeert.

  • Mag ik het vergelijken met een poging om iets te psychometreren ? Je staat dus voor iets open en je ondergaat de andere persoonlijkheid. Is dat hetzelfde ?

Neen. Psychometreren is een poging om trillingen af te lezen en deze te interpreteren, zoveel mogelijk naar eigen bekwaamheid en volgens eigen inzicht. In het geval van identificatie is er een bewust willen aanvaarden van de ander; dus niet alleen een je openstellen maar een actief iets. (Psychometrie, die zich alleen openstelt, is passief.) Daarnaast het bewust zoeken naar bepaalde factoren die je je tot doel hebt gesteld van je identificatie. Maar wanneer eenmaal contact ontstaat, volgt een absorberen waarbij je je dus verder niet afvraagt hoe of wat en langzaam maar zeker tot jezelf terugkomt. Het is niet mogelijk om dit onder woorden te brengen of weer te geven in beschrijvingen, zoals een psychometrist kan doen. Het uit zich zelden in beelden. Lichamelijke emoties, die er wel eens bij voorkomen, blijven over het algemeen beperkt tot een aanduiding. Kortom: identificatie moet wel zeer sterk worden onderscheiden van bv. psychometrie of andere wijzen van volledige openstelling en overgave zonder doelbewustheid, zonder eigen streven en directe eigen activiteit.

  • Kan ik onder identificatie beschouwen de geconcentreerde wil om bv. een tekort in een ander aan te vullen en dat zo te doen dat je je met hem vereenzelvigt, zodat het proces beter verloopt ?

Misschien kunt u dat met dit vooropgezette doel doen, maar dan moet u zich wel refereren aan de gevaren die ik u heb genoemd. Wanneer je je gaat concentreren op iemand die lager is dan jezelf en het daarbij laat komen tot identificatie en niet alleen een bewuste en deelsgewijze aanvulling van diens persoonlijkheid of kracht, dan zult u hetgeen slecht of nadelig in die ander is, in uzelf ontmoeten en dat brengt gevaar met zich.

  • Dus men kan het ook gedeeltelijk doen ?

Maar dan is het geen identificatie meer.

  • Wat is het doel van identificatie ?

Het doel van identificatie is over het algemeen het opnemen uit andere wezens of persoonlijkheden hun aspect van het Goddelijke, hun deel a.h.w., van het totale levensprincipe en de goddelijke waarheid, om zo eigen besef daarvan uit te breiden. In feite is identificatie dus eigenlijk – ik zou haast zeggen – bijna zelfzuchtig (het is niet helemaal juist), maar je gaat inderdaad van jezelf uit en niet van de ander.

  • Jezelf toetsen aan de ander ?

Zelfs dit niet. Het opnemen van het leven en het weten van de ander in jezelf om zo je eigen begrippen omtrent het Goddelijke, de kosmische waarheid en wat er verder bijhoort te vergroten.

  • Een soort parasiteren ?

Het is geen parasiteren, omdat men door alles wat men aanvaardt tevens zijn eigen wezen en indrukken achterlaat.

  • Maar hoe kun je iets van een ander in je opnemen ?

Dat kunt u alleen beseffen wanneer u de proef hebt genomen. Omdat nl. alles, wat voor uw eigen denken begrijpelijk en aanvaardbaar is, door een compleet door elkaar lopen van deze gedachten, van deze gevoelsinhouden en deze godserkenningen in uzelf gelijkelijk bestaan. Het is precies hetzelfde indien u mij zou vragen: “Hoe kan ik nu een vogel zien ?” Dan zeg ik: “Dan kijkt u uit het raam en u kijkt goed.” Dan zegt u: “Hoe moet ik weten, hoe het beest eruit ziet ?” Dan zeg ik: “Dan kijkt u beter.” Dat is het eigenlijk.

  • Maar in zo’n geval onderga je toch niet alleen het goddelijk contact in de ander, maar toch eventueel ook alle emoties, die erin zijn ?

Dat is wel de bedoeling.

  • Maar dan is het toch een soort onbescheidenheid ?

Het is geen onbescheidenheid omdat u niet ingrijpt in het persoonlijk wezen of het leven van die ander. En zeker niet wanneer u daarbij gebruik maakt, zoals de raad is gegeven, van bepaalde dingen, die geen grof eigen leven of denken hebben; voorbeelden die u gegeven werden als een hond of een bloem. Bij personen kiest u altijd een leraar. En met een leraar kunt u geen identificatie bereiken, tenzij de leraar – de poging erkennende – deze toestaat.

  • Dan heb ik een totaal verkeerd idee van identificatie gehad, want ik dacht dat het een soort van aftasting van de persoonlijkheid was om te proberen deze te begrijpen.

Dat is het gevolg van het gebruik van vreemde woorden. Akkoord. Als u daar bezwaar tegen hebt, noemt u dan een ander woord.

  • Vereenzelviging.

Vereenzelviging is niet voldoende.

  • Versmelting.

Versmelting is beter, maar laat het proces vanuit het “ik” daarbij buiten beschouwing.

Identificatie houdt in: een handeling van het “ik” uit plus de versmelting die u noemt. Vereenzelviging is niet voldoende, want bij een vereenzelviging ga ik in mijn eigen gedachtenleven trachten een ander te projecteren met zijn gedachten en – dus mij éénvoelende met deze – diens handelingen bv. te volbrengen of volgens diens wil en intentie te handelen. Dat is niet voldoende.

  • Maar als ik nu bij iemand, die moeilijkheden heeft, tracht diens gevoelens te ondergaan om op deze manier hem beter te begrijpen, is dat dan geen identificatie ?

Wanneer het volledig is, is het identificatie. En dan is het heel erg voor u, omdat wanneer er maar iets is in diens problemen enz. dat parallel loopt in uzelf, u zelf met deze problemen zult zitten.

  • Dat is toch de enige manier om eruit te komen ?

Neen, dat is niet de enige manier. U moet me niet kwalijk nemen, maar ik heb alle punten die u allen hebt gevraagd, reeds beantwoord in het betoog. Ik zou het eerst maar eens lezen en erover nadenken. Onthoudt u nu maar dit: Wanneer ik tracht iemand te begrijpen, is dat iets heel anders dan wanneer ik tracht met iemand geheel één te zijn t.a.v. de Godheid. En dat is identificatie in zekere zin.

  • Zo pas werd het samensmelting genoemd. Wanneer ik in de natuur loop, bv. door de sneeuw. Ineens ben je deel van die sneeuw en er is niets meer; en dan ineens kom je weer tot jezelf.

Wanneer dit bewust geschiedt en dus met het doel uit het wezen sneeuw (of beter gezegd : kristalvorming van water) een bepaald bewustzijn, een bepaald Godserkennen of -ervaren op te nemen, dan is het identificatie. Is het alleen een versmelting, dan is het een onwillekeurig jezelf daarin verliezen, maar dan brengt het meestal niet de bewuste processen van kennen en weten met zich mee en blijft het bij een vage emotie.

Nederigheid

Werkelijke nederigheid is het erkennen van je eigen onvolkomenheden, zonder je daarop te beroepen om je eigen tekorten te verklaren. Want iemand die nederig wil zijn, zal over het algemeen proberen zijn feitelijke bereikingen een beetje minderwaardig voor te stellen. Hij gaat dus zijn zelfbewustzijn, zelfkennis en zelfbesef bewust afbreken met de gedachte dat hij daardoor nederig is, dus iets goeds doet.

Ware nederigheid daarentegen houdt in: het bewust erkennen van elke capaciteit die je zelf bezit. Want je hebt deze. Het is geen nederigheid te ontkennen wat je presteert. Het is alleen nederigheid te erkennen dat een ander hetzelfde of beter zou kunnen presteren. Het is geen nederigheid wanneer je meent dat je klein bent of dom of dwaas. Het is alleen nederigheid wanneer je aanvaardt dat een ander wijzer kan zijn. Met andere woorden: nederigheid komt voort uit een erkennen van je eigen beperktheid. In deze beperktheid laat het ruimte voor een voldoende trots over eigen bereiking en vermogen. Het tast niet het zelfbewustzijn aan, want je kent jezelf, je weet dat je iets presteren kunt. De nederigheid zegt je slechts: Het is niet volmaakt, het zou beter kunnen. Nederigheid behoedt je ervoor te zeggen: Ik weet alles, ik kan alles. Ze behoedt je er niet voor verplicht te worden tot handelen.

Valse nederigheid is eigenlijk een grove vorm van hoogmoed. Want juist degenen die zich voortdurend trachten weg te cijferen, maar dit opvallend doen, bereiken daarmee in feite – wat hen zeer aangenaam streelt – dat deze nederigheid hen door anderen als een deugd wordt aangerekend waarop ze trots kunnen zijn en waarop ze met een zekere hoogmoed a.h.w. voortdurend de nadruk leggen. Dus, tracht niet nederig te zijn tegenover anderen.

Er zijn vormen van nederigheid die eerder hoffelijkheid zijn. Je kunt dan de meerwaardigheid van een ander – althans uiterlijk – erkennen om hem in de gelegenheid te stellen ook zijn eigen minderwaardigheid naar voren te brengen. Maar dat is alleen een vorm waaronder je je eigenwaarde zo goed als die van de ander blijft beseffen. Dit is bv. een oosterse vorm van hoffelijkheid die vaak ten onrechte in Europa als nederigheid wordt gezien.

Probeer nooit – als jullie een raad van mij willen aannemen – om nederig te zijn. Wees jullie alleen volledig bewust van je tekortkomingen. Laat die tekortkomingen voor jullie een prikkel zijn om steeds beter te werken, meer te presteren, kortom om steeds dichter naar de volmaaktheid toe te komen. Meen niet dat enig tekort of enige tekortkoming die jullie bij jezelf ontdekken, een reden kan zijn om te zeggen: “Ik ben maar een nederig mens.”

  • Dus (zoals u impliceert) mag ik wel een paar fouten hebben ?

De grootste en meest edele geesten die op aarde hebben geleefd, waren zeer nederig, bv. Jezus. Jezus is zeer nederig want hij legt zich voortdurend neer bij de wijsheid en de beslissingen van anderen. Maar hij neemt geen jota weg van zijn eigen bereiking, hij blijft staan op datgene wat hij kent als de waarheid en hij is bereid om desnoods de hele wereld te trotseren als het gaat om iets wat hij als goed erkent. Dezelfde nederigheid vinden wij bij de Boeddha, vinden wij bij grootmeesters die zelfs in latere tijden optreden.

Ik wil er niet te ver op doorgaan. Laat mij jullie alleen zeggen: Nederigheid die gemakzucht moet verhullen, is een laster, is een ondeugd. Wanneer jullie dus zo nederig zijn, vraag jullie steeds af: Is dit gemakzucht van mij ? Probeer ik van een verplichting af te komen of een onvolkomenheid te verontschuldigen ? Of is het een daadwerkelijk besef van een tekortkoming die ik door dit besef zelf zal kunnen trachten te veranderen, te verbeteren en te verhelpen ?

De ketting

Ik wil jullie een verhaal vertellen dat je het best zou kunnen noemen: De Ketting of De Band. Vroeger noemde men het ook wel eens de Ring. Maar sinds er een boek is uitgekomen met die titel zullen wij – om valse associaties te voorkomen – dit woord maar niet gebruiken.

Betrekkelijk lang geleden, in de laat-Atlantische periode, waren er een aantal priesters en priesteressen die als taak hadden gezamenlijk een groot geestelijk goed te behoeden en te bewaren. Dit grote geestelijke goed bestond uit wijsheid, magische macht en verder een zekere reeks van leerstellingen die voor het volk van die dagen geschikt waren. Echter werden zij belust op invloed, op gezag. Zij wilden zichzelf via hun magische kennis verrijken. Zo brak de band en werden zij verdeeld over de tijd en moesten reïncarneren.

Er verliep een betrekkelijk lange periode en in Egypte vinden wij achtereenvolgens een groot aantal van deze priesters en priesteressen weer. Sommigen van hen zijn dienaren in een tempel geworden; enkelen van hen bereikten hoge posities; en er komt een ogenblik dat sommigen van hen weer in staat zijn één van die oude schakels met de lichtende kracht te herstellen. In vele gevallen echter hebben zij hun behoefte aan macht, hun begeren om materieel iets te betekenen, ofwel ook hun onmatigheid en hun lusten nog niet afgelegd. Het gevolg is dat het meermaals een falen wordt, dat er meermaals ergens weer een tekort ontstaat.

Deze mensen blijken o.m. in de eerste periode wel te falen door een misverstaan van bepaalde geestelijke waarden; later door hun zelfzucht waarbij zij trachten bepaalde magische en geestelijke waarden voor zichzelf te behouden; nog later door hun tweeslachtigheid en een twijfelzucht, waarbij zij eigenlijk trachten alle partijen tevreden te stellen en zo geen keuze doen op het ogenblik dat het noodzakelijk is.

Zij zullen later weer incarneren en sommigen van hen komen bv. terecht in de middeleeuwen in Italië en Frankrijk. Ook daar staan ze weer voor dezelfde problemen. Sommigen van hen worden alchemisten, maar mislukken of worden tenslotte zwart-magiërs. Anderen zijn regeerders of priesters. Maar belust op macht, aanzien of rijkdom, verbreken zij weer de schakels die noodzakelijk zijn om de ring, de ketting te sluiten.

Wat is nl. het geval ? Deze ketting bestaat uit een aantal mensen die bewust zijn. Hun bewustzijn hebben zij geërfd van grote geesten die eens, voordat de aarde bestond, op een andere planeet leefden en die lange tijd als beschermgeesten op aarde dienst hebben gedaan. Uit deze geesten zijn een aantal grote wetten geleerd en een aantal begaafdheden. Onder die begaafdheden behoort o.m. de gave van juiste profetie, een mogelijkheid bepaalde dingen in de aarde te veranderen (een beheersing dus van de aarde in zekere zin); kennis die het mogelijk maakt dierenleven en plantengroei niet alleen te beheersen en te regeren, maar geheel aan eigen wezen te onderwerpen en ten goede te voeren. Zo zou via de kennis en de mogelijkheden die in deze ketting oorspronkelijk gelegen waren, door het ineensluiten van alle schakels, de herleving van paradijstoestanden op aarde mogelijk worden. Men zou bv. de leeuw met het lam kunnen laten liggen; men zou planten kunnen doen groeien van wonderbaarlijke schoonheid; men zou mensen kunnen voortbrengen die wederom de volmaaktheid van lichaam hebben waarvan men altijd heeft gedroomd.

Zij hebben steeds gefaald. Maar deze keten moet gesloten worden omdat ze behoort bij de geschiedenis van het menselijk ras. En zo zullen deze priesters en priesteressen die door vele incarnaties dus voortdurend gezocht hebben naar het juiste moment van aansluiting, het juiste moment van herwinnen van het oude, blijven voortgaan van incarnatie tot incarnatie, van tijd tot tijd, om telkenmale weer, wanneer er een kritiek punt komt in de wereldgeschiedenis en de keuze gaat tussen herlevend paradijs of demonie, hun keuze doen.

Elke keer wanneer zij falen, volgt een vernietiging. Elke keer wanneer zij slagen, redden zij althans een kleiner of groter gebied voor een algemene aantasting en ondergang en blijft er een kern bewaard van waaruit de mensheid ook later beschaafd kan worden.

Met deze korte geschiedenis heb ik jullie meteen iets willen vertellen over de aarde zelf. Het ontstaan van de aarde uit de sterren, dat zullen jullie ongetwijfeld elders beter kunnen leren dan ik het jullie ooit zou kunnen vertellen. Maar er is dus een organische samenhang tussen jullie zonnestelsel en andere machten in de kosmos. Deze andere machten in de kosmos zijn mee verantwoordelijk geweest voor het scheppen van een levensmogelijkheid op aarde. Deze levensmogelijkheid voert tot bewustwording. Is de bewustwording groot genoeg, dan worden kernen gevormd van mensen die er eigenlijk rijp voor zijn en die op hun beurt een soort keten door de tijd moeten vlechten om daarmee de hoge, de heilige principes van beheersing en Godserkenning op aarde te doen voortbestaan. Zij zullen het dan zijn die – wanneer te zijner tijd misschien een ander ras de plaats van het menselijk ras inneemt of een andere planeet tot een menselijk vlak van bewustzijn gaat ontwaken – geestelijk leiding gaan geven, zoals eens vóór hen anderen hebben gedaan.

Het zijn belangrijke taken en het aantal schakels in deze keten is betrekkelijk groot. Men pleegt wel eens te zeggen dat de totale reeks van schakels 144.000 is. Men bedoelt daarmee te zeggen dat elke vorm van menselijk zijn, elke menselijke actie, elke menselijke mogelijkheid dus en ook elke sfeer in die keten vertegenwoordigd is.

Het bewustzijn van een wereld, is nl. een geheel. Maar dat geheel kan alleen goed functioneren als de onderdelen op de juiste wijze met elkaar verbonden zijn. Jullie hersens kunnen alleen denken als de hersencellen op de juiste wijze onderling hun prikkels uitwisselen, als er bepaalde sporen zijn a.h.w. van zenuwcellen waarlangs de impulsen zich kunnen bewegen en de reacties kunnen veroorzaken. In elke wereld die er in het Al bestaat – onverschillig of zij slechts laag leven draagt of hoger leven – is dus een dergelijke kern aanwezig.

Nu komen wij hierbij tot het begrip zondeval. De zondeval zouden jullie kunnen beschouwen als het verstoren van de normale keten der volmaaktheid. Er wordt een harmonie verbroken. De wegen die men gezamenlijk moet gaan, worden gezien als persoonlijke wegen en persoonlijke doeleinden. Het gevolg is dat alles uiteenwaaiert. Er is geen eenheid meer van streven en ontwikkeling. Er ontstaan grote verschillen die zowel in ras, in huidskleur en ontwikkeling, alsook in geestelijke instelling, mentaliteit en zelfs opvatting van de juiste leefwijze, zich manifesteren. Op aarde is dat dus gebeurd in die Atlantische periode. Maar wij zien ook dat wanneer bv. in een menselijk lichaam een bepaald deel van het zenuwstelsel uitvalt, het lichaam heel vaak probeert of het niet langs een secundaire weg toch nog enig contact met dat bepaalde lichaamsdeel kan behouden. Het is dan wel niet volledig meer, maar er is tenminste nog enig contact. Op dezelfde wijze heeft men – toen op aarde de goede harmonie verstoord was geraakt – getracht een omweg te vinden en wel aan de hand van de beste individuen die daarvoor in tijd en in mentaliteit juist waren gericht en gelegen. Op deze wijze ontstond dan die keten die moet bestaan totdat de aarde weer één zal worden.

Ik verraad jullie niets onverwachts als ik jullie vertel dat werelden die deze splitsing niet kennen op een heel andere wijze leven dan jullie. Bij jullie leven jullie als individu, maar jullie zijn ook als individu geïsoleerd. Jullie staan a.h.w. afzonderlijk van elkaar. En elke benadering van elkaar is ten slotte toch maar fragmentarisch, het is maar een klein deel. Die andere werelden die deze splitsing niet hebben gekend of haar hebben overwonnen, hebben echter een soort gemeenschappelijk denken. Jullie moeten zich dat voorstellen als een soort enorm elektronisch brein waarin dus duizenden of tienduizenden transistoren, cellen of banden zijn opgeslagen, elk met gegevens. Elke mens is een circuit van dat brein. Het heeft zijn eigen inhoud, zijn eigen leven, zijn eigen taak, zijn eigen bestemming, zijn eigen genoegens. Maar op het ogenblik dat in hem een vraag rijst die beantwoording vergt, kan hij beschikken over het totaal van de in dit brein aanwezige gegevens. Je kunt dus a.h.w. op een onbekend terrein wandelen en precies weten waar zelfs elk hazespoor naar toe leidt, want er is iemand die het gezien heeft en vastgesteld. Wanneer je iets tracht te scheppen – technisch of anderszins – en je hebt zelf de bekwaamheid niet, dan voel je a.h.w. ergens anders iemand, welke die bekwaamheid wel bezit en je die bekwaamheid a.h.w. leent, zodat je je taak beter kunt vervullen.

Deze eenheid is zelfs niet beperkt tot bv. alleen het menselijk ras. Alles wat er aan planten- en dierenleven voorkomt op zo’n planeet is ermee verbonden. Je zou kunnen zeggen: het is een soort symbiose, een leven dankzij, in overeenstemming met en ook ten koste van elkaar. Dus een plant brengt speciaal bv. bladeren voort om gegeten te worden, want zij moet de dieren voeden. De dieren geven door hun sterven en door wat zij laten vallen weer aan de plant voedsel. De mens heeft het dier weer nodig. Maar omdat hij het dier nodig heeft, zal hij ook weer het dier helpen en beschermen, hij zal misschien juist weer aanplantingen doen voor voedsel, waardoor het dier kan blijven leven. En niemand neemt meer dan hij nodig heeft. Het gevolg is dat er een perfecte balans bestaat. En deze balans is zo gewichtig dat zij eigenlijk door het geheel in stand wordt gehouden. Je zou er niet tegenin kunnen gaan. Je kunt haar niet verstoren want dan sta je alleen.

Het doel van die keten in de tijd waarover ik jullie heb gesproken, zal tenslotte wel zijn om op aarde een zelfde eenheid van alle leven weer tot stand te brengen. Dan is er niet alleen weer het paradijs waarvan de mensen dromen; maar dan is er een feitelijk wandelen met God doordat het geheel van de mensheid (of moet ik zeggen het geheel van de wereld) gezamenlijk een hogere kracht erkent, veel vollediger dan elke eenling dit ooit zou kunnen doen. Dan is er geen sprake meer van een inwijding die een moeizaam zoeken betekent om als ik-heid bewust te worden, maar een inwijding als een logisch en nuchter proces van het geheel

Jullie zullen zich afvragen waarom ik juist vandaag dit verhaal vertel. Wel, we staan op het ogenblik – dat hebben jullie allang weer beseft – weer op één van die eigenaardige, ik zou haast zeggen waterscheidingen in de tijd, waarbij de invloeden dus veranderen. Die invloeden zullen menselijk zijn. Zij hebben hun werking binnen het individu, maar ook binnen het geheel. Wanneer er tijdens zo’n verandering ook maar enkele schakels werkelijk gesloten kunnen worden (en die sluiting is afhankelijk, let wel, van een soort geestelijk elkaar vinden en een geestelijke samenwerking), dan volgt hieruit automatisch dat dus een volgende tijd reeds meer kan beschikken over (laten we zeggen: jullie zullen het in het begin telepathie noemen of paranormale begaafdheid) het beginsel van eenheid.

Het is jammer dat niet alle figuren die deel hebben uitgemaakt van dergelijke schakels van de ketting, zonder meer vervangen kunnen worden. Er zijn natuurlijk zeer velen die te vervangen blijken. Maar niet allemaal. Hoe dat komt en waarom weet ik eerlijk gezegd niet. Ik denk dat zij eigenlijk personificaties zijn van hoge geesten die in menselijke vorm zijn gaan leven. En zo wachten wij altijd weer op een wereldleraar, een wereldmeester, een Messias.

In deze verwachting zullen wij ook nooit worden beschaamd, want deze zijn het bindend element. Maar alleen wanneer de schakel volledig gesloten wordt, verandert de tijd werkelijk, wordt de mensheid rijper en bekwamer. Er zijn vele schakels. Enkele daarvan zijn in de afgelopen tijd gesloten. Andere zullen misschien in deze dagen weer hun voltooiing zien. Terwijl er ook zijn die pas wanneer de mensheid verder is gevorderd dan nu – vooral in haar innerlijk concept van mens-zijn en vrede – tot werkelijkheid kunnen worden.

Jullie zullen het vreemd vinden dat in deze tijd sommige dingen om een enkele mens kunnen draaien. Dat een enkele mens schijnbaar de beslissing heeft over het wel en wee van gehele volkeren. Jullie zullen zich afvragen: waarom wordt dat toegelaten ? Dit staat nu in verband met deze schakels. Wanneer een dergelijke persoon het goede contact opneemt, is er een schakel gesloten en dan volgt hieruit een absolute welvaart, een vergroting van eenheid, een vergroting van vermogen. Wanneer echter zo’n mens zou falen, bv. macht kostbaarder zou achten dan een degelijk deelgenootschap, dan zal hij waarschijnlijk zichzelf en vele anderen doemen tot een herhalen. Julie zien het dan bv. als de vernietiging van een volk. Maar die vernietiging is niet reëel, want zij keren terug.

Als jullie de zaak nu zo bezien, dan zullen jullie gaan inzien waarom in deze wereld van jullie en juist in deze dagen enkele mensen, mensen die heus niet allemaal grote staatslieden zijn of zo, zo buitengewoon belangrijk worden. Dan zullen jullie misschien ook begrijpen waarom de nieuwe wereldleraar op het ogenblik zijn werk nog enigszins verborgen brengt en deze leer pas openbaar laat worden wanneer er een fase voorbij is. Want hij zoekt op het ogenblik ook in deze wereld een bepaalde schakel weer tot een geheel aaneen te voegen. Wanneer hem dat zal lukken, dan hoeven jullie niet meer te spreken over een nieuwe wereldleraar. Dan kunnen jullie hoogstens zeggen : Wij hebben allen, voor zover wij met hem harmonisch kunnen zijn, iets nieuws gewonnen; of we nu in de stof leven of in de vormkennende geestelijke sferen.

Schoonheid

Een relatief begrip. Want waar de ene schoonheid ziet, ziet de ander slechts de hatelijkheid, de verborgen kwalen en gebreken. Schoonheid is geen volmaaktheid. Schoonheid is onze eigen benadering van het leven, onze eigen benadering van de kosmische kracht, maar ook van ons eigen persoonlijk bestaan.

Iedereen kan een zekere schoonheid bezitten en wanneer een mens innerlijk de schoonheid van het leven aanvaardt, wanneer hij Gods kracht en wonderlijke openbaring ziet in alle dingen, zo beleeft hij de schoonheid en wordt hem uit de schoonheid een nieuw begrip en een nieuw bewustzijn geboren.

Schoonheid is niet alleen uiterlijk. Schoonheid is de essentie van het wezen dat beantwoordt aan ons eigen wezen en denken, aan ons zoeken en streven. Schoonheid is niet te allen tijde hetzelfde. Zij is wisselend als het licht van de zon met het voortgaan van de uren. Zij is wisselend als de figuren die de wind tekent op het water. Zij verandert steeds omdat wij veranderen. Maar zij is een lichte weerkaatsing van de eeuwigheid.

Er zijn krachten geweest van schoonheid, vóór er mensen waren. Men heeft hen met engelennamen genoemd. Men heeft hen geroepen en gezegd: “Geef ons iets van uw licht, van uw schoonheid, van uw wezen.” De mens heeft er geen schoonheid uit gewonnen. Want schoonheid is een persoonlijke benadering. Dat wat volmaakt is in het oog Gods, zal in het gebrekkig oog van de mens, in het eenzijdig oordeel van de mens, onvolmaakt, lelijk en onaanvaardbaar zijn. Dat wat geschapen is als een perfecte schoonheid en harmonie, zal door de mens, die het vreest misschien, worden gezien als een belediging van de natuur, een gedrocht uit de afgrond.

Een mens die bv. een kameleon beschouwt, zal slechts zelden beseffen hoe perfect de schoonheid van dit wezen is, hoe groot zijn doelmatigheid, zijn harmonie, zijn aanpassing, zijn eenheid. Hij ziet slechts een gedrochtelijk wezen dat curieuze waarden heeft en misschien aardig is, maar de schoonheid ontgaat hem.

Toon een mens een rups en laat hem die niet zien als een klein ding ver weg, maar vergroot; hij zal schrikken van het monsterlijke en hij beseft de schoonheid niet.

Zoals het is bij deze wezens der natuur, zo is het in het eigen leven van de mens. Hij beseft vaak niet waar de werkelijke schoonheid is gelegen. Schoonheid is de doelmatigheid, de harmonie, de eenheid a.h.w. met grotere kracht, met kosmische werking. Schoonheid is Gods openbaring voor ons in al het Zijnde.

Ik kan mij voorstellen dat ieder zijn eigen vorm van schoonheid zoekt, een eigen vorm heeft van schoonheidsbeleven en -erkennen. Maar besef wel, dit komt uit jullie voort. Besef dat jullie oordeel niet het enige is of het machtige, dat jullie geen recht noch reden hebben jullie eigen besef en oordeel aan anderen op te leggen. Maar begrijp ook dat alle schoonheid die je werkelijk en intens kunt ervaren, jullie dichter brengt bij jullie God en bij de werkelijkheid.

Schoonheid is één van de vreugden die de mens is gegeven. En vreugden zijn de mens vele gegeven – zo hij ze kan beseffen en aanvaarden – opdat hij tot zijn Schepper kere. Want niet met de roede, de zweep en de schorpioenen jaagt God de mens tot in Zijn wezen en rijk. Alle wreedheid, alle afzichtelijkheid, alle lijden en alle dood komen uit de mens voort. Maar het machtwoord, de wonderlijke macht die in schoonheid ligt, blijft voortbestaan. Zó kan men zeggen:

Mijn God, in duizenden kleuren, in duizenden klanken, in talloze beelden heb ik Uw Al erkend en Uw wezen en Gij hebt mij stil beroerd. Toch heb ik U nog niet erkend. Mijn God, Gij hebt Uzelf aan mij wel duizendmalen prijsgegeven, maar ik – in de beperking van mijn leven – heb U, Uw krachten, niet erkend.

Mijn God, Gij hebt mij – als een wapen van Uw lichte vreugdekracht – Uw wonderkracht geopenbaard, de schoonheid van het Zijn getoond. Hoe vaak heb ik die niet verworpen en zo Uw werkelijkheid gehoond !

Daarin ligt iets van het wezen der schoonheid weergegeven in de relatie tot de mens. Maar laat ons niet vergeten dat er ook een ander woord bestaat dat vrij vertaald als volgt klinkt:

Want ziet, Ik ben zon en Ik ben maan. Ik ben leven en ben dood. Ik ben wezen en kracht en werkelijkheid.

En ziet, in schoonheid heb Ik u Mijn wezen wel geopenbaard opdat gij in de schoonheid en ’t erkennen zult vinden de rechtvaardigheid, de goedertierenheid, die u voeren tot de werkelijkheid van Mijn bestaan.

En noem Mijn naam, zo gij die kent.

Dan kunnen wij daarachter zeggen: Shaddai. De naam zelf is meer en machtiger, die zal ik u niet spreken.

Hieruit zullen jullie het wezen der schoonheid – naar ik meen – beter leren beseffen, zo jullie haar al niet kennen. Ik wens jullie toe dat deze schoonheid jullie een voortdurende steun en staf worde. Dat jullie steeds meer de werkelijkheid Gods zien in plaats van de te persoonlijke schoonheidsgevoelens die jullie tot beoordelaars maken in een wereld die jullie niet kennen.