De oorsprong van inwijding en esoterie 

image_pdf

29 december 1967

Allereerst herinner ik u er aan, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.

De vroegste tot de huidige geestelijke progressie behorende beelden van inwijding enz. – dus leringen, stellingen enz., die ook heden nog invloed hebben – moeten wij naar ik meen tenminste 30.000 jaren terug zoeken. In deze periode bestonden reeds scholen, waarin een zekere inwijding werd bereikt. Het meest typerende van de toen geldende denkbeelden is, naar ik meen wel, dat men het geheel van het Zijn beschouwde als opgebouwd zijnde uit een groot aantal verschillende facetten van één en dezelfde godheid. Elk facet van de grote godheid krijgt vorm als een afzonderlijke god, maar zal tevens op aarde zijn afbeelding vinden in de dieren, de mensen, de planten. Deze dieren, planten enz. kunnen dan ook ageren en zelfs tot de mens spreken, zolang daarbij het door hen vertegenwoordigd facet van god een rol speelt. Dergelijke dingen hebt u natuurlijk wel in sprookjes ontmoet, maar slechts weinigen van u zullen vermoed hebben, dat deze dingen eens deel uitmaakten van inwijdingslegenden en leringen.

In de vele analogieën van deze oudste scholen speelt a.h.w. de menselijke zijde van alle leven een grote rol. Dit lijkt u misschien dwaas en onbegrijpelijk, maar in feite is het betrekkelijk eenvoudig. Wanneer men, zoals de Egyptenaren, de hemel voorstelt als een koe, drukt men daarmede eigenschappen uit die men als mens in de hemel erkent, als bv. het feit, dat zij de mensen voeding geeft. Gelijktijdig zal door het gebruik van deze voorstelling echter elke koe op aarde gebruikt kunnen worden om als mens relaties met de hemel te vinden of zich een voorstelling van haar werken te maken. Deze wijze van denken is volgens mij mede verantwoordelijk voor het grote aantal van diergoden, die wij overal aantreffen. Denk bv. eens aan Egypte, waar de kat, de stier, de slang, de ibis als representanten van bepaalde goden golden en dus een afbeelding vormden van een goddelijk facet. Er waren er natuurlijk meer, dan ik noem. Zelfs de krokodil had een goddelijke waardigheid en speelde bij bepaalde priesters een zeer grote rol. In deze tijd schijnt hij meer geschikt als patroonheilige van sommige politici, maar vroeger was hij een weergave van een straffend element van de God.

Uit deze enkele voorbeelden blijkt u reeds, dat het “zo boven, zo beneden” ook reeds in de verre oudheid werd erkend en beleefd, maar dan toch wel op een wijze, die van de daarbij geldende begrippen in de nu bekende inwijdingsleren aanmerkelijk verschilt. Het kwam er op neer, dat men aannam, dat alle eigenschappen van het “grote” in het “kleine” terug te vinden zouden zijn. De mens, die de eigenschappen van het kleine dus kende, de overeenstemming met de grote waarden in de kosmos rond hem eveneens begreep, ontleende aan het beschouwen van eenvoudige wezens en dingen op aarde dus een grote en juiste kennis omtrent bepaalde facetten van het goddelijke. Meer nog: de mens die de vorm in het kleine – bv. koe of ibis – op harmonische wijze wist te regeren, kon ook de erkende facetten van het goddelijke op gelijksoortige wijze beheersen.

De eerste inwijdingen bestonden dan, zeker naar buiten toe, ook uit een vreemd mengsel van eigentijdse wetenschap, vaardigheid als rekenen, lezen, schrijven enz., maar men werd daarnaast geschoold in het herkennen van de vormen van kruiden, de eigenschappen van bepaalde dieren enz. Het resultaat van het verwerven van die kennis, zou voor de ingewijde gelijk staan aan begrip en een – bovennatuurlijk lijkende – macht over macrokosmische waarden. Het voor ons meest begrijpelijke facet van die oude leringen is wel de wijze, waarop men in alles overdrachtelijkheid als hoofdeigenschap zag. De mens kan dus aan de kenbare uitingen de onzichtbare god erkennen en uit de kenbare verschijnselen de wil, kracht enz. van die god wekken. Zodra men gaat beseffen, dat voor deze mensen, begrip en beheersing van de microkosmos automatisch voerde tot een gelijksoortig kennen en beheersen van de macrokosmos wordt veel, wat in de oudheid zinneloos schijnt, opeens zinvol.

Het is duidelijk dat de eigen omgeving een grote rol speelt bij de keuze van de voornaamste facetten van god in de stof. Bij volkeren, die over veel paarden beschikten, zal men er dus het paard in vele gevallen aantreffen. Ofschoon vaak later het paard ook bij andere volkeren opduikt, die daarvan zeker niet al te veel exemplaren hebben bezeten. Bij de Slavische volkeren staat het paard vaak direct in verbinding met de fasen van de dag, met de tijd.

Sprookjes herinneren daaraan. Vreemder is, dat het paard ook bv. in Egypte op een bepaald ogenblik optreedt, nu als een boodschapper van hogere machten. Ook hier echter blijkt de tijd steeds weer iets te maken te hebben met de boodschappen, die het paard weergeeft. In de Russische sprookjes speelt de heks Baba Yaga een grote rol. Het paard komt steeds weer in de verhalen voor. Zo vertelt een van de sprookjes van een kind, dat door een wrede stiefmoeder naar de heks wordt gestuurd om wat vuur te lenen. Het kind moet echter eerst enige tijd Baba Yaga dienen. Daarbij valt het haar op, dat elke dag op bepaalde tijden ruiters langskomen. Er zijn er vier, elke is in een gewaad van andere kleur gekleed. Zij blijken nacht, morgen, middag en avond te zijn.

In een ander sprookje zijn er meer ruiters, die uiteindelijk de uren van de dag blijken te vertegenwoordigen. Kortom: het paard blijkt hier onmiddellijk met de tijd te worden geassocieerd. De oppervlakkige beschouwer zal menen dat met dit alles slechts de gebondenheid van een ieder, zelfs de heks, aan de tijd wordt uitgedrukt. Maar in andere verhalen blijkt weer, dat deze gebondenheid niet altijd bestaat. In een van de verhalen vraagt een meisje, dat in opdracht van de heks iets moet zoeken, aan de avond om even af te stijgen en te wachten. De avond antwoord daarop, dat bij dit niet kan doen, maar een eind op zijn weg terug zal keren, zodat het kind de schijnbaar onmogelijke opdracht toch zal kunnen volbrengen. Hij doet dit, het blijft langer licht, de zon staat dus a.h.w. stil: Het paard kan bereden worden, de tijd kan beheerst worden, maar daarvoor is steeds een verzoek om het schijnbaar onmogelijke of het vervullen van schijnbaar onmogelijke voorwaarden noodzakelijk.

Zo blijkt het paard niet alleen tijd, maar ook verbeelding weer te geven. Denk hierbij eens aan Pegasus, het paard dat dichters tot op de Olympus kan brengen, wanneer zij maar niet tijdens de vlucht vallen. Herleidt men dit alles tot de voorstelling van de eerste inwijdingsscholen, die voor deze tijd nog tellen, dan kan men zeggen dat duidelijk wordt gemaakt, dat de gedachte sterker is dan de tijd, dat de fantasie in staat is de werkelijkheid te overwinnen, wanneer zij maar zonder angst wordt beleefd.

Ik zou u vele soortgelijke overleveringen en sprookjes kunnen citeren, maar volsta met de opmerking, dat de overblijfselen van de oude lering zelfs nog duidelijk maken, dat de mens die op aarde in de schepping de facetten van god leert erkennen, een grote vrijheid bezit, normaal geldende regels tijdelijk kan opheffen of zich daaraan kan onttrekken en door zijn meesterschap de macrokosmos a.h.w. naar zijn hand kan leren zetten. Deze mensen, die men nu primitief pleegt te noemen, omdat men geen gevoel meer heeft voor de intrinsieke waarden van hun cultuur, hun beschaving, zochten zo naar een kosmische waarheid. Hoezeer hun analogieën vol van betekenis waren, kunt u zelf controleren, wanneer u zich even voorstelt, hoe een werkelijk waardevol paard wel een mens zal willen dienen, maar daarvoor van die mens vriendschap en verzorging, toewijding zelfs terug eist. Zoals ook geestelijk werk van betekenis, een algehele toewijding pleegt te eisen, enz.

Tijdmetingen op zogezegd objectieve wijze kwamen in het verleden maar zelden voor. Vandaar dat de mensen al snel geloofden, dat een ingewijde in staat was de tijd – of de loop van de zon – te beheersen. Zelfs in de bijbel treft men een voorbeeld van een dergelijk gebeuren aan.

Opvallend is ook, dat men andere facetten van het leven vaak verbond aan de gestalte van dieren, die normaal slechts in het wild, zelfs als vijanden van de mens voorkwamen. De eerste dierentuinen kwamen dan ook voor bij bepaalde inwijdingscentra. Daar bracht men bv. jonge wolven, jakhalzen e.d. onder en voedde hen op tot vrienden van de mens. Zoals men nu weet in de wereld van de dressuur, zo besefte men reeds toen, dat men met deze eens wilde dieren pas dan iets zou kunnen bereiken, wanneer men uitging van hun eigenschappen. Iemand, die inwijding zocht, had daarom vaak als taak een dier of een bepaalde soort dier te bestuderen, tot hij de grondeigenschappen van het ras zowel als de meer persoonlijke eigenschappen van die enkele dieren leerde kennen. Op grond daarvan leerde hij dan dergelijke dieren te bezweren ofwel te beheersen.

Ofschoon later zwervende priesters wel eens een soort wildebeestenspel met zich voerden, was bij deze aankomende adepten de reden van hun zoeken vooral, dat zij door de kennis van een facet van God op aarde te leren kennen en beheersen, zij zich tevens kennis omtrent en beheersing van meer kosmische krachten en wezens eigen maakten. Wie de jakhals tot zich wist te trekken en hem te maken tot een persoonlijke vriend en beschermer, was tevens in staat bepaalde – vooral met toekomst en het onbekende in verband staande – krachten van de kosmos te regeren. Wat men heden als een voorstelling van dressuur zou zien, was toen vaak een middel om magisch iets te bereiken. Vanuit het huidige denken was de werkwijze dezer eerste inwijdingsscholen vol van bijgeloof en vreemde, zinloze riten. Wie zich echter de moeite getroost de historie te volgen, ontdekt al snel, dat de principes, waarvan deze mensen uitgingen, in de geschiedenis steeds weer – zij het in andere beelden – weergegeven, en vaak gekoppeld aan andere geloofsvormen, steeds weer terugkeren.

Zelfs nu bestaan er nog inwijdingsscholen, die uitgaan van het standpunt, dat men het wezen der dingen moet leren begrijpen en dan met de krachten uit dit wezen der dingen moet leren werken. Wel zien wij, dat deze waarheid steeds meer in bepaalde regels en wetten wordt gegoten. De vorm wordt steeds meer star en ontbeert steeds meer het werkelijkheidsaspect dat in de eerste tijd zo belangrijk was. Wanneer men in het verleden te maken had met een jakhals, die te onwillig was, wist men, dat een goed pak slaag vaak kon helpen, om het dier gezeglijker te maken. Men redeneerde dan niet, dit is een beeld van de god, dus moet ik eerbiedig blijven, maar meende eenvoudig: een dergelijk beest heeft wel eens een pak slaag van node. Maar gelijktijdig blijft de jakhals de weergave van het onbekende, blijft hij het beeld van een goddelijke kracht, die wegen weet te vinden, waar een mens niet zou kunnen gaan, of die een mens niet zou kunnen vinden. En zelfs dit beeld past in de werkelijkheid, want de jakhals kent inderdaad in de droge woestijn vaak bronnen en mogelijkheden om zich te voeden, waardoor hij inderdaad in het voor de mens moeilijk of niet toegankelijk terrein normaal kan leven en gaan.

Uit dit alles kwamen dus vele meer systematische leringen voort. Daarin gold niet alleen het “zo boven, zo beneden”, maar daarnaast ook “wat ik hier beheers, zal ik, mits ik het naar waarheid erken, ook in het grotere, in de wereld der goden, kunnen beheersen”. Nog later in de tijd treffen wij zelfs de stelling: Wat ik erken in de wereld rond mij en wat ik mij denken kan omtrent die wereld rond mij, zijn voor mij gelijke waarden in mijn werkelijkheid. Vandaar is het nog slechts een enkele schrede naar het beslissende woord, dat wij rond 10.000 v. Chr. aantreffen: “Hij, die beseft, wat is, kan al het zijnde scheppen en herscheppen, hij kan al te niet doen, en alle dingen naar wens tot aanzien wekken.” Waarmede wij meteen de aanloop hebben naar de stellingen, die, naar men zegt, waren neer gelegd in de papyrussen van Thoth – de twee rollen of bladen – die volgens de legende de lezer daarvan zouden vernietigen, of, zo hij begreep, de macht zouden geven om te scheppen, te beheersen enz. Men zegt zelfs, dat hij, die het eerste blad gelezen heeft, alle dingen kan beheersen, maar dat degene, die het tweede blad gelezen heeft, de schepping met één enkele gedachte zal kunnen uitblussen en doen herontstaan.

Kenmerkend in alle oudere mysteriën is wel, dat zij kennelijk niet ten doel hebben de mens tot god te brengen, maar eerder om god met al zijn macht in de mensen te doen ontwaken of ontstaan. Zoekt men de essentie van deze oudere leringen, dan komt het er steeds weer op neer, dat de mens zich zodanig één moet gaan voelen met zijn god, dat hij van daaruit zelf alles, wat hij maar als deel van die god erkennen kan, representeert en beheerst. De zogenaamde Witte Priesterorde, waartoe o.m. de in de bijbel genoemde Melchizedek heeft behoord, bestaat ook uit mensen, die zich bezig houden met de natuur, de wereld en het leven. Zij weten iets over de kringloop der wateren, beseffen iets van het voor het leven noodzakelijk zijn van planten enz. Wanneer de priesters van deze groep offers brengen, zullen zij steeds weer op de altaren water, sap van vruchten en planten leggen. Dit zijn volgens hen de beginwaarden, die noodzakelijk zijn voor alle leven op aarde, zodat met een dergelijk offer de werkelijke waarden van het leven worden weergegeven en door het offer een beheersing van de krachten des levens mogelijk is geworden. Via de aardse aspecten van hun offers worden in feite de erkenningen omtrent de grootkosmische waarden tot uitdrukking gebracht. Het offer kent geen vaste rite, maar wel een vaste betekenis. Zo komen wij steeds dichter bij het heden. De inwijdingen van de priesters en priesteressen van Isis – eveneens een erkennen van de kosmische krachten van het leven in de natuur – kan ik hier rustig aan voorbij gaan, daar u over hen reeds meerdere malen zult hebben gehoord. Ik ga dus verder tot een periode, die beslissende veranderingen brengt en wel tussen, rond 800 en 900 voor het begin van uw jaartelling. Rond deze jaren zien wij gelijktijdig in vele verschillende beschavingen en bij vele stammen, die van elkander geïsoleerd zijn, gelijksoortige nieuwe denkbeelden ontstaan. In deze tijd zien wij bv. het begin van het latere boeddhisme, maar ook een vernieuwing in bepaalde delen van het hindoeïsme. Bij de Semieten, vooral ook in het Jodendom, zien wij eveneens opeens geheel nieuwe denkbeelden rijzen en nieuwe groepen ontstaan. Bij de Semieten krijgen wij te maken met een plotselinge verandering van levensbeschouwing. Uit een bijna dode wet en een even dode rituele godendienst komt men ook hier weer tot beleving. Het eigenaardige is wel, dat beleving essentieel wordt geacht in alle nieuwe esoterische groepen en vernieuwingen van inwijdingsscholen, zoals die nu ontstaan. Bij de druïden zien wij opeens een geheel nieuwe magie ontstaan, die in feite een tegenpool vormt van de bij de joden nieuw ontstane esoterische groepen. In India ontstaat een geheelnieuwe benadering van de indeling in het leven. In Afrika zien wij rond deze tijd een soort reformatie, waarbij vooral een geheel nieuwe interpretatie van de daar reeds lang heersende maanverering een rol speelt. Nieuwe volksgemeenschappen ontstaan als gevolg hiervan.

Kortom, tussen 900 en 800 v. Chr. is er overal sprake van een vernieuwing, waarbij wij als belangrijkste en algemeen geldende punten kunnen constateren, dat men gelooft aan meesters en meesterschap als communicatiemogelijkheid. Tot op dat ogenblik kennen wij het begrip ‘meester’ hoogstens als aanduiding van begrip of bv. kennis, zoals meester-magiër.

Maar nu krijgen wij opeens te maken met een meester die meer concreet voor de mens optreedt en niet slechts magische, maar via het eigen innerlijk, de mensen beïnvloeden. Deze meesters zijn geen legende, maar eerder overal deel van profetieën. Men stelt, dat dergelijke meesters bestaan of zullen komen en de mensen een vrijheid zullen geven. In feite is dit dus een messiaans denken. In andere gevallen worden bestaande meesters erkend. Maar dan beschouwt men niet de meester als het belangrijkste, maar dat deel van zijn leer, waarin men als mens op kan gaan. Hierdoor wordt de mens, even als de leer zelf, eeuwig.

De tijd krijgt eveneens een nieuwe betekenis: tijd is het moment van openbaring, al het andere is onbelangrijk. Gelijktijdig is het geopenbaarde niet, zoals eens, een aanwijzing voor eigen tijd en volk alleen, maar wordt het geopenbaarde als tijdloos, als altijd geldend beschouwd. Het Wezen der Dingen is nu bepalend, de z.g. verborgen waarde. Dit is ook de grondslag van het systeem, dat, nu zich weer allerwege uitbreidende onder de naam van kabbala, weliswaar voor u het aanzijn vindt rond 1100 n. Chr. maar in zijn vroegere vorm dus voor het eerst wordt geformuleerd rond 700 v. Chr. Wij horen nu overal steeds weer, dat de naam van de dingen het wezen der dingen mede omvat, bepaalt en aangeeft.

Het veranderen van namen als magisch middel – om eigen kansen in het leven te doen keren, komt in deze tijd bijzonder in zwang. Van dit standpunt tot de stelling, dat men de inhoud en het lot van een mens kan vinden door de omzettingen van zijn naam te bestuderen, is niet zo groot.

Rond 600 v. Chr. wordt op deze basis een nieuw wichelsysteem geboren. En evenzeer stelt men dan, dat een kwaal eigenschappen heeft – de symptomen, zoals deze in de lijder tot uiting komen – welke kunnen worden opgeheven door het erkennen van een kruid, dat deze eigenschappen weergeeft of het tegendeel daarvan in naam en uiterlijk uitdrukt. De stelling, dat het kruid tegen elke kwaal zou groeien in de hof van de lijder, stamt uit deze periode. Kruiden en geneeskunde krijgen een nieuwe inhoud, waarbij analogieën en tegenstellingen de hoofdrol spelen. Later, wanneer men spreekt over de elementen als bepalend voor het wezen van alle dingen en het gebrek aan evenwicht tussen deze elementen als oorzaak van kwalen, zal men de ziekten omschrijven als vuurziekte, waterziekte, etc. Men zoekt dergelijke ziekten te bestrijden door medicijnen van gelijke elementaire waarde, of het evenwicht te herstellen door de tegengestelde waarde in de patiënt te scheppen. Een koorts, die vuur omvat, moet dan bestreden worden door bv. koude baden, omdat water vuur verdrijft of blust enz.

Argumenten als deze om bv. aderlatingen en dergelijke te verklaren, blijven in de mode tot in de 18e eeuw, maar zij stammen uit genoemde ontwikkeling en de daarin gehanteerde grondstellingen.

De meesten onder u denken, dat er een groot verschil is tussen inwijdingen en wetenschap.

Tot op zekere hoogte is dit waar: wanneer het gaat om de kennis en vooral het vereren van kennis als onontbeerlijk. Want kennis is in de inwijding eigenlijk maar een nevenproduct. Nu is het moeilijk uit nevenproducten het hoofdproduct terug te vinden. En even moeilijk is het om uit de kennis, die deze mensen de wereld hebben gegeven, iets terug te vinden omtrent de werkelijke waarde van de inwijdingen, die zij ondergingen. Maar dit neemt niet weg, dat de vooruitgang van de medische wetenschap, de ontdekkingen in de natuurkunde grotendeels te danken waren aan de inwijdingen en het hierdoor ontstane inzicht, waarop dan later filosofen weer voort konden bouwen. Overigens, ook op dit terrein treffen wij opeens een verandering van ontwikkeling aan, die tot rond 700 v. Chr. niet kenbaar was. Het is daarom veilig aan te nemen, dat ook hier, in de kennis der mensen, de verandering van benadering en inzicht een rol speelde, die rond 900 v. Chr begon te ontstaan.

Misschien vraagt u zich af, waarom ik juist met dit jaartal zo bezig blijf. Wel, in die periode is het oorspronkelijke magische begrip van de mensen wat veranderd. De mens is dan volgens eigen besef niet meer de plaats, waarin invloeden van buiten en zijn wezen elkander kunnen ontmoeten, maar wordt langzaam maar zeker een persoonlijke kracht, die zelf de reactie op en werking van andere krachten in, door en voor hem kan bepalen. In de magie van vóór die tijd is de mens in feite, zelfs wanneer hij optreedt als priester of magiër, niet veel meer dan een middel. Hij kan desnoods de dingen bijeenbrengen, die voor een bepaalde relatie met facetten van de god noodzakelijk is, maar kan de resultaten daarvan dan niet meer beheersen. Hij erkent analogieën en handelt daarmee in overeenstemming, zoals blijkt uit de vele offerpraktijken in deze periode zowel als andere riten, maar heeft zelf geen bepalend aandeel in alles wat hierdoor tot stand wordt gebracht. Hij kan de voorwaarden wel scheppen voor een bepaalde werking, of een verschijnsel, maar het al of niet optreden daarvan, de uitwerking enz. blijven buiten zijn verantwoordelijkheid en beheersing.

De mens kan dus voor 900 v. Chr. volgens eigen begrip de omstandigheden niet veranderen, of beheersen. In de termen van het door mij zo-even geciteerde Slavische sprookje: het meisje kan wel de avond vragen, wat langzamer te rijden of desnoods af te stijgen, maar kan niet zelf te paard gaan zitten, zelf niet bepalen in hoeverre en voor hoelang beheersing van de tijd zal duren. Zij kan niet zelf zeggen: zolang en met dit doel houd ik de uren tegen. Rond 900 v. Chr. gaat de mens echter beseffen, dat de goden maar verpersoonlijkingen zijn van bepaalde invloeden. Hij beseft nu dat hij, in het geciteerde geval, in feite zelf de ruiter is, die de tijd beheerst.

Dit besef van eigen macht, het besef, dat men zelfs kosmische krachten zelf kan leren beheersen, is van groot belang voor de verdere ontwikkeling van de mens en zijn bewustwording. Dit komt ook tot uiting in de leringen, die vóór en na die tijd gegeven worden: Voordien zal een verlossing voor de mens wel mogelijk zijn, maar deze is een noodlot, een gave, die niet door eigen acties van de mens beïnvloed kan worden. Een Messias is dus wel denkbaar, maar hij komt tot uiting als een macht, een soort vorst, die je regeert. Je hebt zelf niet te streven, maar alleen maar te gehoorzamen. Na 900 v. Chr. zien de wijzen een Messias niet meer als een heerser, maar eerder als iemand, die je leert, hoe zelf te ageren. In de termen van het sprookje: niet iemand, die voor jou het paard beheerst maar iemand, die je leert hoe je zelf op het paard kunt gaan zitten en richting en tempo daarvan kunt bepalen. Ook in de verhalen van de volkeren komt dit opeens tot uiting. Het is volgens mij niet toevallig, dat juist uit deze dagen het eerste verhaal over de fenik, de woestijnvos, stamt en dat een van de eerste verhalen over deze in Arabië populaire figuur vertelt, hoe de fenik door handigheid erin slaagt als ruiter van de leeuw op te treden. U kent het verhaal misschien. Het kleine vosje wordt door de dieren voor een gerecht gedaagd. De leeuw zelf komt om de kleine misdadiger voor te geleiden. Maar het vosje beweert niet te kunnen lopen, waarop de leeuw er in toestemt de fenik op zijn rug te dragen. Deze echter beweert dan weer niet te kunnen blijven zitten, voor hij de leeuw een zadel heeft opgegespt. De leeuw, die grootmoedig is en bovendien zijn taak snel wil vervullen, geeft weer toe. De fenik doet daarop sporen aan en begint, zodra hij op de leeuw zit, deze hiermede te pijnigen, zodat hij brullend wegsnelt. Met zweep en sporen dwingt nu de vos de leeuw om langs de verzamelde dieren te lopen. De fenik maakt hierdoor zijn macht over de koning van alle dieren, de heer van de donder, de leeuw, waar in de ogen van anderen. Wel beseft de slimme vos echter, dat hij de leeuw niet zonder meer kan verlaten. Hij dwingt hem daarom, zolang in de woestijn rond te draven, tot dorst en vermoeidheid het de koning der dieren haast onmogelijk maken nog een poot te verzetten.

Daarop geeft de fenik de leeuw beleefd iets te drinken en verwijdert zich spottend. De mentaliteit van dit verhaal blijkt zeer wel te passen in de denkwijzen, die ook t.a.v. meer geestelijke waarden in de genoemde tijd ontstonden. De mens heeft het gevoel, dat hij via allerhande magische listen en handigheidjes in staat zal zijn de kosmische krachten niet alleen te wekken, maar ook de richten, te beheersen. Wel stelt men nog steeds, dat degene die eenmaal op deze wijze begonnen is de krachten van het leven te beheersen, niet zonder meer een einde kan maken aan hetgeen hij is begonnen. Hij heeft hierdoor de bijstand van een even machtig of machtiger iemand van node, of zal – evenals de woestijnvos – zolang actief moeten blijven tot de geroepen kracht is uitgewoed. Ik bemerk, dat u de fenik beschouwt als een soort fabelwezen. Zie dan niet over het hoofd, dat deze vos zich gedraagt zoals vele mensen nog heden zich plegen te gedragen en reageert, zoals vele mensen in deze tijd. Om het modern te stellen: de fenik van het verhaal is een slimme vos met een Gaullistisch-Nasseriaanse inslag.

Het zal u duidelijk zijn, dat het ontstaan van een nieuwe lichting van denken niet noodzakelijk betekent dat de oude vormen opeens verdwijnen. Rond de tijd van Jezus geboorte hebben wij dan ook, zelfs binnen nominaal gelijkgerichte godsdienstige groepen, in wezen te maken met twee vormen van magisch denken, twee vormen van messiaans geloof. Het oude stelt nog steeds: alles zal voor ons gedaan worden. De nieuwe groepen stellen: wij moeten onze middelen juist gebruiken en zijn zelf aansprakelijk voor het al dan niet bereiken. Indien wij van de ons gegeven mogelijkheid gebruik maken, zullen wij het begeerde waar maken, doen wij dit niet, dan zal er voor ons ook niets veranderen.

Ook in het vroege christendom blijken beide groepen tegenwoordig. Er zijn groepen – als bv. de vroeg-Nestorianen – die menen, dat de mens zelf het feitelijke verlossingswerk voor zich moet doen, maar anderen zien de verlossing als een soort voorbestemming waaraan eigen gedrag in feite geen verandering brengt, maar waartoe ten hoogste bepaalde erkenningen als de kracht van Jezus als verlosser, van node zou zijn. Ik wil hieraan onmiddellijk toevoegen, dat het voor mensen van deze tijd wel heel erg moeilijk is uit te maken, wat het vroege christendom in feite heeft bevat.

Het zal u bekend zijn, dat er bijvoorbeeld van de erkende evangeliën een aantal hoofdstukken – men noemt hier 19 tot 26 hoofdstukken – niet door de als schrijver genoemde evangelisten zouden zijn geschreven, maar in feite later zouden zijn toegevoegd. Elders stelt men, dat misschien wel de inhoud van dergelijke hoofdstukken van de oorspronkelijke schrijvers stamt, maar dat monniken daarin veel hebben veranderd. Ook de brieven van Paulus zouden niet van hemzelf stammen, maar tenminste zeven daarvan zouden vervalsingen zijn. Ook waar het andere geschriften betreft, als bv. het oude testament, meent men dergelijke toevoegingen, verkeerde vertalingen enz. aan te kunnen wijzen, zodat het wel heel moeilijk is hier tot een gefundeerd oordeel omtrent het werkelijke denken van de vroege christenen en de werkelijke inhoud van hun geloof te komen. Men kan moeilijk bestrijden, dat het gestelde minstens aannemelijk klinkt, zodat inderdaad bepaalde delen van de oorspronkelijke geschriften zouden zijn weggelaten, nieuwe toevoegingen er bij gefantaseerd zouden kunnen zijn, tijdens vertalingen de werkelijke inhoud een geheel andere betekenis zou kunnen hebben gekregen enz.  Maar wel kunnen wij met zekerheid stellen, dat de mensen, zelfs in de eerste christengemeenschap verdeeld konden worden in de groep die meende dat zelfwerkzaamheid noodzakelijk is, en een groep, die meende dat God wel voor hen zou werken.

Het is duidelijk, dat de inwijdingsleer waarbij men zich overgeeft aan beschouwing en erkenning zonder meer, alleen dan zinvol kan zijn, wanneer zij berust op persoonlijke erkenningen en ervaringen, zodat ook de praktijk een rol kan spelen. Degenen echter die in het verleden esoterische ontdekkingen en magische waarnemingen deden, legden hun ervaren vast. De door hen besefte analogieën bv. werden vastgelegd en later als vaststaande waarde beschouwd. De volgelingen hebben anderen als een onveranderlijke waarheid deze persoonlijke interpretaties en ervaringen voorgelegd. Zodat men uit hun geschriften en leringen nu als absolute waarde leerde, dat de ontmoeting met een schildpad dit, met een kraai dat, betekende enz.  Wat eens een persoonlijk beleven en erkennen was, werd zo tot een reeks van wetten, regels, die ook zonder begrip moesten worden aanvaard. De mensen kunnen dergelijke regels en wetten, zelfs indien zij eens voor iemand een bruikbare waarheid waren, nu wel van buiten leren, maar zij kunnen de werkelijke inhoud, overeenkomsten, analogieën niet meer daarin terugvinden. Hierdoor kunnen wij zeggen, dat de oude overlevering langzaam maar zeker haar inwijdingsmogelijkheden ging verliezen en meer en meer werd tot een rationalisatie van een in zich ‘niet rationeel’ geloof op grond van de ervaringen of leringen, het gezag dus van anderen uit het verleden. Hierbij blijkt de nadruk steeds minder op de inhoud zelf van deze vastgelegde leer te liggen, maar meer en meer op de onder mensen als gevolg van het aanvaarden van die stellingen ontstane gezagsverhoudingen.

In de tijd, dat Jezus zijn leer predikt – en in Griekenland bijna gelijktijdig vernieuwing in de mysteriën worden verkondigd – valt reeds op dat zeer velen, die de leer wel aanvaarden, toch uitgaan van het standpunt, dat de Meester alles wel voor hen in orde zal maken. Een enkel verschil met het verleden is echter ook hier wel te constateren; men meent, dat men zich eerst waardig moet maken, zich moet reinigen. In het christendom komt dit tot uiting in een steeds sterker wordende nadruk op de doop, bij de Griekse mysteriën wordt meer en meer het gezamenlijke rituele bad als noodzakelijk voor deelname aan de mysteriën gepredikt. Maar de tegenstelling tussen degenen, die zich bewust zijn van hun eigen taak en degenen die menen alleen op de genade of de goede wil van goden of meesters te moeten vertrouwen, is verder eerder toegenomen dan afgenomen.

Vooral naar buiten toe blijken degenen, die wetten, regels enz. gemakkelijker en of voordeliger vinden dan een zelfstandig zoeken en streven, het te winnen. Overigens gebeurt dit niet alleen binnen het christendom, maar kunnen wij overal een gelijksoortige ontwikkeling zien. Wanneer wij bv. te maken hebben met de oude weg van het Rozenkruis, zo blijkt deze in het begin feitelijk te bestaan aan de hand van experimenten. De oudste Rozenkruisers zijn in feite magiërs, alchemisten. Pas daarnaast zijn zij filosofen. Voor hen is het experiment het belangrijkste; zij zoeken de geheimen te erkennen door voortdurend zoeken, zij zoeken zichzelf en de natuur te dwingen.

Hun doel is in de eerste plaats wel het zich meester te maken van de geheimen van leven en dood, om zo over zich en eigen leven te kunnen heersen en eigen mogelijkheden bewust te kunnen gebruiken. De regels, die zij volgen, hebben slechts één doel: dit voor een iedereen mogelijk te maken. Hun volgelingen schrijven echter grote boeken vol. Er ontstaat een gezag, waarbij de mens, die in deze discipline wil werken, verplicht wordt om al het gestelde zonder meer te aanvaarden, zoals het geleerd wordt. De eigen ervaringen hebben alleen waarde, zover zij de gestelde regels en filosofieën bevestigen. Anders gezegd: De Rozenkruiser van deze tijd is aan de wet gebonden. Het esoterische systeem is daarmede in feite tot een godsdienst verworden.

Het zal u duidelijk zijn dat hiermede de Rozenkruiserinwijdingen hun betekenis grotendeels verliezen, zoals ook het christendom zijn werkelijke betekenis als weg begint te verliezen op het ogenblik, dat de mens niet meer zelf mag trachten naar eigen begrip en kunnen de weg, die Jezus is voorgegaan te volgen, maar moet gehoorzamen aan alles, wat anderen hem in de naam van die Jezus als verplichting opleggen. Wie even nadenkt, beseft, dat het hierdoor mogelijk wordt de mensen in Jezus naam onrecht aan te doen en dit zelfs nog als verdienste, als noodzaak te doen aanvaarden. In de Oudheid werd menig recht en onrecht gedaan in naam des konings, zonder dat de koning zelf daarbij betrokken was of daarvan zelfs maar iets wist.

De parallel is onmiskenbaar volgens mij. De uitbreiding van een leer zal echter wel in de hand worden gewerkt door het gezag, dat men zich zo ten onrechte heeft toegeëigend. Want wie anderen wil beheersen, doet er goed aan autoriteiten te citeren, die deze mens niet benaderen kan. Hoe verder het gezag, waarop men zich baseert, van de eenvoudige mens verwijderd is, hoe groter de macht, die men daaraan ontlenen kan, daar de ander dan de mogelijkheid niet meer heeft zich tegen onjuiste beslissingen enz. te verzetten. Menige theoloog en menige paus heeft de wil van god op soortgelijke wijze gebruikt om eigen wil door te zetten en eigen gezag onaantastbaar te maken.

De verdere ontwikkeling van de inwijdingen kunnen wij dus, ook in Jezus tijd, zien als een splitsing tussen het volgen van de wet en het nieuwe denken. Ongeveer 400 jaren daarna blijkt, dat het nieuwe denken zich binnen het uiterlijke kader van de wet zal moeten gaan voegen, omdat deze wet maatschappelijk als machtsmiddel te belangrijk wordt. In Byzantium zien wij rond deze tijd mensen die heus heel wat meer weten dan de wet goed pleegt te keuren. Zij weten veel van allerhande nu als bovennatuurlijk geldende zaken, zij hebben kennis van de magie, de krachten van de natuur en beseffen kennelijk zeer wel, hoe de analogieën der ouden in de mens werken en daarin een innerlijk besef, dat tot innerlijke macht en harmonie wordt, kunnen scheppen. Maar zij weten ook, dat zij hetgeen zij vinden en weten nu niet meer openlijk mogen zeggen. Daarom verhullen zij hun ervaringen en erkenningen vaak als leerstukken van zelfs christelijke vorm. Zij gaan soms nog verder en worden priester, om in de geborgenheid en de vrijheid, die het priesterzijn in die dagen nog met zich bracht – want kritiek uitoefenen op een priester bestond toen eenvoudig niet, tenzij dit door kerkelijke autoriteiten gebeurde – kloosters te stichten. In deze kloostergemeenschappen konden zij rustig verder de dingen onderzoeken, die elke burger, wanneer zijn streven ontdekt zou worden, met de dood zou moeten bekopen. Misschien is het wel aardig hier op te merken, dat de bekende schrijver Anatole France in een van zijn essays later opmerkt, dat in deze moderne tijd heksen en magiërs alleen nog in de kloosters te vinden zijn.

De inwijding bestaat ook in deze dagen nog steeds. Maar in haar ontwikkeling heeft zij zich niet enkel, zoals eens, los moeten maken van de z.g. godgegeven wetten, zij heeft zich bovendien meer en meer los moeten maken van de mensheid, zoals deze tot uiting komt in het sociale systeem. Dit is begrijpelijk: Een gemeenschap die eenmaal langs vaste uiterlijke lijnen is gaan lopen op grond van een theocratisch gezag, ook in haar samenleving buiten alle godsdienst om op den duur er aan gewend raakt sociale vormen en wetten te scheppen, die in wezen niet meer flexibel zijn, maar alleen ten doel heeft het bestaande zo lang mogelijk te handhaven. Het dictatoriaal element, dat in een theocratie altijd verborgen ligt, wordt immers overgedragen op alle sociale denkwijzen en het streven naar macht en mogelijkheden bij de stoffelijke autoriteiten.

Evenals de priesters eens hebben gedaan, beginnen ook de burgerlijke autoriteiten, zodra zij aan de macht zijn gekomen, via nieuwe regels en wetten hun eigen macht te stutten.

Een weinig bekende verteller uit de 17e eeuw gaf voor dit streven een gelijkenis – hij heette Winfried Buhlheimer – die nog heden van toepassing blijkt te zijn. Er was een man, die zag, dat zijn huis bouwvallig was. Daarom brak hij het af en bouwde, met gebruikmaking van alle bestanddelen, die nog konden worden verwerkt, zich een nieuw huis, dat alle fouten ontbeerde die de eerste woning ontsierd hadden. De buurman echter, in dezelfde omstandigheden verkerende, was zo zeer aan het oude huis gehecht en vreesde mogelijk verlies bij een afbreken en herbouwen zozeer, dat hij begon zijn woning aan alle kanten te stutten. Ook in het huis bracht hij steeds meer stutten, steunen en verstevigingen aan. Wanneer dezen hem toch nog te zwak toeschenen, bracht hij daartussen weer dwarsverbindingen aan. Op den duur kon hij terecht zeggen, dat zijn huis ondanks alles weer hecht en sterk stond. Het jammere was echter, dat hij in dit huis zelf geen ruimte meer kon vinden, om er in te leven. Soms ben ik geneigd aan te nemen, dat deze man een helderziende was, die uw moderne maatschappij voorzag. De waarheid is ongetwijfeld, dat ook in zijn dagen dezelfde fouten reeds werden gemaakt, door hen die hun macht, eer en naam boven alles wilden handhaven. Maar wij kunnen uit zijn stelling als les wel trekken, dat alles, wat zichzelf voortdurend tracht te handhaven op den duur onleefbaar wordt.

De esotericus, de mens die inwijding zoekt, is iemand die steeds weer met de oneindigheid en de raadselen daarvan geconfronteerd wordt. Het is dan een oneindigheid, waarin mogelijk wel vaste wetten bestaan, maar dan toch wetten, die zoveel mogelijkheden omvatten, dat zij voor de mens een uitdrukking van maximale variabiliteit schijnen te zijn. Wat niet bijdraagt tot het gevoel van zekerheid bij de zoeker, daar hij gewend is te leven in een maatschappij, waarin alle waarden zoveel mogelijk gefixeerd en verklaard worden. Bij kosmische waarden en wetten is echter een dergelijk vastleggen der dingen niet waarlijk mogelijk. Een mens, die naar kosmische waarden zoekt, zal daarom zoveel mogelijk los moeten worden gemaakt van de gebondenheden, die zijn maatschappij kenmerken. Hij zal allereerst vrij moeten worden van de dogmatiek, die de kerken, maar ook de menselijke gemeenschap meer en meer is gaan beheersen. Hij moet terugkeren tot het experiment en wel in de eerste plaats naar het experiment in zichzelf, waarbij het Ik zelf de enige regel en beperking vormt. Wat blijkt nu? Ongeveer 150 jaren geleden is er weer een nieuw reveil geweest. Weer kwam er een omwenteling, die ook de inwijdingsscholen betrof. Het ellendige daarbij was echter, dat degenen die daaraan deel hadden, leefden in een maatschappij, die zowel sociaal als qua geloof reeds zover gefixeerd was op het dogma, dat men maar al te vaak eerder trachtte de erkenning te ontleden dan haar te beleven en te erkennen.

Wij krijgen daarom in deze periode vooral met symbool-inwijdingen te maken, waarbij men symbolen hanteert om aan reeds bestaande waarden een zodanig nieuwe interpretatie te geven, dat door het hanteren van uiterlijk overal geldende en erkende wetten en mogelijkheden toch innerlijk een vrijere en nieuwere confrontatie met de kosmos mogelijk blijft. Ik wil nu betogen, als juist in deze dagen belangrijk, dat de mens die zich vast blijft klampen aan de z.g. feiten en de geldende regels en interpretaties, meer en meer vervalsingen zal ontmoeten van de werkelijkheid. Het gaat daarbij niet alleen om vervalsingen in bv. de geschiedenis van het christendom of de vaderlandse geschiedenis – het is vreemd, dat elk land alleen maar helden schijnt voort te brengen, die de schurkachtige leiders van andere landen verslaan – maar om de verandering van de werkelijke waarden, dat men binnen het bestaande reeds verdwaalt. Toch zal men binnen dit reeds bestaande allereerst moeten gaan zoeken naar bewustwording, indien men zich een inwijding als doel stelt. Een dergelijke bewustwording impliceert allereerst wel het herwinnen van eigen geestelijke vrijheid, en geestelijke vrijheid bereikt men eerst dan, wanneer men bereid is alle feiten, waarden, stellingen en leringen op aarde te bestuderen, doch slechts, om daarin voor het Ik naar analogieën te zoeken met de besefte macrokosmos, de goddelijke wereld, waarin men zijn weg zal moeten vinden.

Men zal ook nu weer tot het besef moeten komen: alles wat er rond mij is, is een uitbeelding van dingen, die ook bestaan in de eeuwigheid. Hierbij geldt: laat mij die uitingen zoeken in mijn wereld, die bij mijn besef van de eeuwigheid reeds passen, om zo de krachten der eeuwigheid in mijzelf te leren activeren, wanneer ik dezen van node heb. In de tweede plaats geldt dat men wel niet noodzakelijk met beide voeten op de grond hoeft te blijven staan, maar dat men de materie toch wel in haar werkelijk wezen moeten blijven beseffen, ook al is zij niet bepalend voor eigen vermogen tot werken, beseffen en erkennen. Men mag zelfs de redelijkheid, zoals deze materieel beseft wordt, rustig terzijde stellen, wanneer dit voor het innerlijk bereiken en beseffen van belang schijnt te zijn. Maar vergeet niet, dat u altijd te maken hebt met uw eigen vermogen tot uitdrukking en dat men dit vermogen in eigen wereld zal moeten gebruiken om tot de voor het Ik belangrijke uitdrukking van de innerlijk ontdekte waarheid, kracht of waarde te komen.

U mag geestelijk vliegen zoveel u wilt, mits u maar in staat blijft u te oriënteren in en op de wereld, waarboven u voor een tijdlang uitstijgt. Kijk niet alleen maar omhoog, maar ook zo nu en dan eens naar beneden. Want de mensen die alleen maar naar boven plegen te zien, raken al te snel hun weg in eigen wereld kwijt en hebben dan geen mogelijkheid meer om zichzelf waar te maken, hun medemensen te bereiken en te helpen of zelfs maar om waarheid te vinden en weer te geven, zodat zij in het ik verankerd kan worden.

De moderne inwijding impliceert verder, dat er vele meesters zijn, waarvan de nodige stimulansen tot bewustwording uitgaan. Een meester is in dit verband iemand die u niet kan leren hoe u moet zijn, maar u door zijn wezen en leven zodanig weet te stimuleren, dat u er toe komt in eigen wezen te ontdekken, hoe uzelf kunt en zou moeten zijn.

De doorsnee mens pleegt zich of in de materie, of in de geest, of in beiden te binden. Indien men zich echter niet bindt in deze beiden, dan zal men eerst de werkelijke vrijheid bereiken, die het Ik van node geeft om God overal en altijd te kunnen vinden en beleven. In de termen van de moderne inwijding betekent dit, dat men in alle dingen naar behoefte de macrokosmische waarden kan vinden die uitgedrukt zijn in eigen wereld en door het besef naar eigen wil verder in die wereld tot uiting kunnen worden gebracht. Eenvoudig gezegd: Een duivel is dan geen duivel, maar een kracht, waarmede men zich in zeker opzicht zelfs soms harmonisch kan gevoelen, omdat ook in deze kracht een deel der goddelijke werkelijkheid tot uiting komt. Zo gaat het met engelen, bezittingen en alle dingen, die u zich maar denken kunt: Voor de bewuste zijn zij slechts een uitdrukking van het Hogere.

Samenvattend: vanuit de eerste denkwijze in analogieën heeft men zich langzaam maar zeker geestelijk ontwikkeld naar een volkomen vrije geestelijke oriëntatie, waarbij de “meester” of “godheid” in het Ik impulsen kan wekken; het is daarbij dus niet belangrijk of deze god of meester zelf die impulsen bezit of niet, maar alleen, dat zijn inwerking op mij deze doet ontstaan. Men zegt dan: De Meester is de sleutel tot de werelden van Licht.

Beziet men het kerstfeest van deze dagen, dan komt mij het denkbeeld, dat de christenen van heden Jezus teveel willen zien als een historisch feit en daarnaast als een bron van hulp, zonder deze Jezus in te laten werken op eigen wezen en van daaruit zelfstandig te reageren. Maar in de geest van de moderne inwijdingen is Jezus belangrijk als inspiratie. Of hij werkelijk heeft bestaan of niet, doet daarbij niet ter zake. Het enig waarlijk belangrijke is dat deze Jezus in ons een bepaalde gesteldheid wekken kan, reacties in ons kan veroorzaken, waardoor onze benadering van de macrokosmos ook in de microkosmische wereld, waarin wij leven, kenbaar kan worden gemaakt. Hetzelfde geldt uit de aard der zaak voor de Boeddha, voor Mohammed en andere Meesters. Zij zijn slechts voor ons van belang, zolang wij in hun leven en denken of de fabels daarover voor onszelf een inleiding vinden tot een eigen benadering en overdenking van eigen bestaan. Beschouwd als voorbeeld zonder meer of weergave van een absolute goddelijke macht verliezen zij echter alle werkelijke waarde voor de bewustwording.

Wat ons terugbrengt op het punt van uitgang. Degene, die niet in de koe (Hathor) de wezenseigenschappen kon ontdekken, waardoor hij de hemelkoe, het uitspansel, leerde begrijpen, kan weliswaar spreken over de hemelkoe, maar zou haar krachten nimmer kunnen ontvangen of uiten. De materie en haar behandeling was in het verre verleden reeds het punt van inspiratie, van waaruit de mens komen kon tot een contact met het voor hem oneindige, en dit geldt nog heden. En wat is zelfs Jezus anders dan dit? Een contact met het oneindige, dat alleen betekenis kan krijgen voor ons door onze eigen reactie daarop.

Ik besluit met praktische raad voor deze tijd.

Uiterlijkheden en waarden kunnen van groot belang zijn, omdat zij u een zekere plaats in de wereld verschaffen. Maar eerst wanneer u in die wereld een hogere kracht of waarde hebt kunnen beseffen en uiten, zult u waarlijk geestelijk leven. Daarom: Gebruik de vorm, zolang zij niet strijdig is met uw innerlijke erkenning, als verdediging tegen een wereld, die uw innerlijk leven niet zal kunnen begrijpen. Zodra het innerlijk leven in u bewust en sterk genoeg, kosmische waarden leert hanteren, is de vorm van geen belang meer. Tot dan: houdt rekening met de wereld waarin u leeft.

Trek u niets aan van wat anderen zijn of zeggen te zijn. Ga steeds alleen uit van hetgeen zij voor u betekenen. Dit is voor u hun werkelijke waarde. Zodra u daarin werkelijke waarden van Goed, van Licht, kunt vinden, zullen anderen u helpen het Lichtende en Goede ook in uzelf te activeren. Spreek niet teveel over esoterie of magie, maar leef uit de harmonieën, die u erkent op grond van uw innerlijk wezen. U zult dan zowel esotericus als magiër zijn, ook zonder dit te stellen, en de grootkosmische krachten werkzaam maken voor en vanuit u zelf in uw eigen wereld.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • U spreekt van vele Meesters, die aanwezig zijn. Zijn deze zichtbaar en kenbaar?

Een Meester, zij het in de stof of vanuit de geest, zal voor u, als zodanig, alleen kenbaar worden op het ogenblik, dat hij u geestelijk tot nieuw besef stimuleert. Dan ontstaat een harmonie, waardoor u de grotere waarden van de Meester leert erkennen. U meent misschien dat het eens bij Jezus of de Boeddha enz. anders is geweest. Maar van Jezus zei men, dat hij een timmermanszoon met een geestelijke afwijking was, de Boeddha werd gezien als een dol geworden prins, die de wereld beledigde door haar te verwerpen en Mohammed werd door zeer velen zelfs na de heilige oorlog nog beschouwd als een kameeldrijver met hoogmoedswaanzin. Ook de nu algemeen als grootmeester erkende persoonlijkheden werden in hun dagen – zelfs door hun leerlingen – niet erkend voor wat zij werkelijk waren. Zo gaat het ook met de meesters, die rond u zijn. Enkelen vinden echter iets in die Meesters en leren dan langzaam erkennen, wat zij werkelijk zijn en betekenen.

Voordat de leerlingen tot Jezus zeiden: “Waarlijk, gij zijt de Messias” moest er heel wat gebeuren. Reeds eerder was Jezus voor hen een voorbeeld, een leider. Maar zijn wezen erkenden zij eerst veel later. Zo geldt dit ook voor u. U zult een meester eerst ontmoeten, wanneer u innerlijk rijp genoeg bent ervoor. Erkennen zult u hem eerst voor wat hij is wanneer u ver genoeg bent gekomen om besef te hebben voor het Hogere.

  • Door de theosofie is het begrip ‘Meesters’ bekend geworden. Was er ook voordien sprake van concrete Meesters?

Met enige historische kennis zou u weten, dat zelfs de term ‘Meester’ reeds gebruikelijk was voor de leiders der filosofen in Griekenland rond het begin van de jaartelling.

In de oude kloostergemeenschappen als die van de berg Athos werd lange tijd de term Meester gebruikt voor de oudste onder de monniken, mits hij gelijktijdig “heiligheid” bezat. In de oud-Perzische overleveringen komt u het begrip meester eveneens tegen. Werkelijke meesters zijn er geweest zolang er een mensheid is, de term Meester is evenzeer oud. De meesters van het goede zowel als van het kwade komt u overigens ook tegen in de sprookjes van 1001 nacht, waarin de Meesters van Licht de heersers zijn over de Ifrieten, die God erkennen, terwijl de Meesters van het kwade alleen heersen over de Ifrieten, die God niet erkennen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 ESOTERIE

Misschien is het goed ons op deze avond enkele ogenblikken te bewegen in de richting van de esoterie. Ik wil dit doen aan de hand van een reeks korte opmerkingen.

Het leven van de mens bestaat, vooral geestelijk, meestal uit een grote reeks van onbegrepen paradoxen. Men wordt steeds weer geconfronteerd met het niet verklaarbare, het schijnbaar onmogelijke in eigen bestaan. In het zoeken naar een innerlijke werkelijkheid zal de mens slechts het aantal onbeantwoorde vragen in hem vergroten. De oorzaak hiervan is, naar mij dunkt, wel, dat de mens, vooral wanneer het om geestelijke zaken gaat, geneigd is tot een zeker perfectionisme. Het is niet aan mij om mij over de Westerse wereld een oordeel aan te matigen, maar toch heb ik vaak het gevoel, dat dit perfectionisme niet zonder enig perversiteit is en vaak zelfs blijk geeft van een behoefte tot zelfkwelling. De mens, die geconfronteerd wordt met zijn God, en het wonder ontmoet, is bij u meestal niet tevreden, tenzij men hem daarbij een eenvoudige verklaring verstrekt, waardoor alles begrijpelijk wordt, op ongeveer dezelfde wijze als men bij aankoop van een goocheltruc een geschreven omschrijving van het geheim pleegt te ontvangen.

Men stelt zich over alles, wat men ervaart, steeds weer vragen. De grote moeilijkheid daarbij is vooral wel, dat men eigenlijk zelf niet weet, wat men zich moet afvragen. Wanneer wij zouden weten waar de essentiële waarde en mogelijkheid ligt van hetgeen wij innerlijk beleven, van hetgeen wij op onbegrijpelijke wijze tot uiting weten te brengen, zouden wij misschien vragen kunnen stellen, waardoor het ons duidelijk zou worden, wat God, de onbekende Krachten, het Superego enz. allen daarmede te maken hebben. Maar hoe kun je jezelf de juiste vragen stellen over dingen die je in wezen geheel niet begrijpt?

In onze behoefte om alles toch voor eigen begrip sluitend te maken doen wij als de filosofen met hun paradoxen en laten wij de snelste man ter wereld (Achilles) een wedloop houden met de schildpad, terwijl wij als logische waarheid beredeneren, dat de snelste man de schildpad nooit zal kunnen inhalen, wanneer deze maar enkele meters voorsprong krijgt bij de start.

Degenen, die deze drogredenen het eerst hoorden, wisten, dat er iets niet in orde was, want zij kenden de feiten; toch vroegen zij zich af, of de beredenering misschien toch juist zou kunnen zijn. Daar men bij geestelijke waarden veel minder met feiten geconfronteerd wordt, die voor een ieder kenbaar en controleerbaar zijn, is men geneigd als vaststaand aan te nemen, dat de schildpad van eigen rede nooit zal kunnen worden overwonnen door de bliksemsnelle ontwikkeling van het z.g. bovennatuurlijke feit.

Daarmede staan wij eigenlijk altijd weer hulpeloos, daar wij niet in staat zijn de feiten zonder meer te aanvaarden, maar ook niet de mogelijkheid kunnen vinden om een voor ons aanvaardbare verklaring te geven van hetgeen wij ervaren.

Wanneer ik op mijn eigen wijze tracht enkele van de vele vragen, die de mensen zich wel plegen te stellen, hier te beantwoorden, zo zult u ontdekken, dat ik in mijn antwoorden de rede niet buiten beschouwing laat, maar anderzijds ergens vragen openlaat; vragen, waarvan ik weet, dat ik ze nog niet juist genoeg kan formuleren, om te hopen een voor mij begrijpelijk en aanvaardbaar antwoord, een voor mij passende en toch juiste verklaring te vinden.

Ik leef. Is mijn leven werkelijkheid of niet?

Het antwoord luidt: zolang mijn beleven mij zegt, dat ik mij in een werkelijkheid bevind, zal ik mij niet druk maken over de vraag, wat hier waan en wat werkelijkheid is. Ik zal beleven in de hoop door dit beleven tot een juistere erkenning van mij zelf te komen en uiteindelijk mogelijk ook tot een betere beoordeling van de belangrijke waarden in het leven.

Is er een God? Antwoord: ik weet het niet. Maar daar ik mij het leven niet voor kan stellen zonder een God, doe ik er goed aan te leven alsof er een God ware. Blijkt er geen God te zijn, zo zal ik tenminste in mijn geloof gelukkig geweest zijn. Is er wel een God, dan zal mijn geloof wel een verkeerd beeld van die werkelijkheid geven, maar zal ik tenminste innerlijk een begin gemaakt hebben, waardoor het mij mogelijk zal zijn de werkelijke God, wanneer ik Hem ontmoet, ook als zodanig te beseffen en te aanvaarden.

Moet ik esoterisch streven? Het antwoord luidt: in mij zelf streven zal ik altijd, daar ik als mens of geest zonder dit zou verstikken in de uiterlijke gelijkvormigheden. Of ik mijn innerlijke streven echter altijd vóór de uiterlijke feiten zal mogen en moeten stellen, blijft een vraag.

Persoonlijk prefereer ik de stelling: Eerst door wat ik beleef en ben volgens mijn uiterlijk erkennen, zal ik in staat zijn een formulering te vinden voor mijn innerlijke waarheden, zoals ik deze in mij vermoed of meen te ondergaan.

Een vraag, die in deze dagen ook ongetwijfeld door velen gesteld zal worden luidt: Heeft Jezus werkelijk geleefd? Mijn antwoord is eenvoudig: historisch is het bestaan van Jezus en zelfs van zijn apostelen niet bewijsbaar. Maar wanneer die Jezus, of hij nu al dan niet werkelijk geleefd heeft, of volgens de geschriften geleefd heeft, voor mij betekent dat ik mij sterker en zekerder gevoel, is de vraag van het al dan niet historisch zeker bestaan voor mij in feite van geen belang.

Kan ik iets tot stand brengen buiten mijzelf, dat werkelijk is? Het antwoord op deze veel voorkomende vraag zou kunnen zijn: wat ik tot stand breng buiten mijzelf zal ik nooit geheel juist en volledig beseffen, daar ik het slechts vanuit mijzelf kan zien en beleven. Maar waar ik nalaat te proberen in en vanuit mijzelf werkzaam te zijn, zal ik dit vanuit mijzelf als hiaat erkennen. Men kan niet gelukkig zijn met het gevoel, dat er in eigen wezen iets ontbreekt.

Laat ons daarom streven en waar maken in de wereld, wat wij als juist gevoelen, en alles wat daaruit door ons niet beseft of verwacht, buiten het ik voortkomt, op de koop toe nemen.

Misschien zult u zich ook afvragen, of het wel zin heeft, het kerstfeest in deze tijd te vieren.

Mijn antwoord is wederom eenvoudig als het maar zijn kan: Kerstmis is een kerkelijke vervanging voor heidense feesten. Maar feesten zijn voor de mens nu eenmaal noodzakelijk, vooral wanneer daarin een element van het bovennatuurlijke mede een rol kan spelen en zo a.h.w. het feest nogmaals bijzonder rechtvaardigen. Laat ons rustig het kerstfeest vieren, maar zo wij een beleving van het bovennatuurlijk in onszelf nastreven, om zo de geest zijn werkelijk betekenis en waarde te geven, dan moeten wij uitgaan van de harmonie in ons zelf, zoals deze mogelijk is of beleefd kan worden.

Heeft het zin te vechten over waarden, die met God verbonden zijn of heten te zijn?

Antwoord: Alleen wanneer wijzelf niet geloven in de God, die wij verkondigen. Want dan is het voor ons steeds weer noodzakelijk ons gelijk aan anderen te bewijzen, desnoods met geweld. Zijn wij echter zeker in onszelf van het bestaan en wezen van de God, die wij erkennen, dan is het voor ons niet meer belangrijk, wat anderen zeggen of denken. Die God is dan voor ons een waarheid, wij leven uit Hem, en in Hem vinden wij onze kracht. Dan is prediking, theologie enz. in wezen onbelangrijk geworden.

Maar misschien vindt u dit alles niet esoterisch genoeg en hebt u meer belangstelling voor raadsels? Maar raadsels zijn eerder tijdverdrijf. Indien u mij zou vragen, waarom ik dit als onder de esoterie reken, zo luidt mijn antwoord: Wie onder ons is ver genoeg gevorderd om uit de tonen van een lied de woorden, die erbij behoren, te vormen en te ontdekken? En zo u meent, dat ik dwaas ben in mijn pogen tot rechtlijnig denken, te veel egoïst om werkelijke geestelijke waarden tot uitdrukking te kunnen brengen, volgens mijn antwoorden op de vragen, zo kunt u mij misschien het volgende raadsel oplossen: Wie kan de zon zien opgaan en ondergaan op hetzelfde ogenblik? Ik zal u een mogelijke oplossing geven voor het raadseltje, eenvoudiger dan u misschien wel dacht. De mens die zover van de wereld afstaat, dat hij het komen van het licht en het komen van de schaduw, die nacht heet, gelijktijdig op de wereld kan aanschouwen. Maar al ben je zo boven de aarde, om dit te kunnen zien moet je je blikken naar de wereld richten. Geestelijk gezien zou het antwoord kunnen luiden: Wie het komen en gaan van de golven van geestelijk Licht naar waarheid zal willen erkennen, zal eerst zoveel afstand moeten nemen van zijn wereld en van zichzelf, dat hij niet meer meningen, maar slechts erkenningen registreert. Hij zal dan het komen en gaan van de verschillende waarden van Licht geheel beseffen en gelijktijdig vast kunnen stellen wat komt en gaat. Maar hij zal in die ogenblikken niet meer tot uw wereld behoren.

Dit alles brengt mij in de verleiding een klein verhaal voor de Kerstmis te vertellen. Het kind, dat men op de wereld eert als God, werd geboren in een stal. Altijd weer, wanneer de mens ergens het eeuwige eert, blijkt, dat er voordien daarvoor onder de mensen geen plaats was. Is het een wonder, dat de Krachten des Lichts altijd weer buiten de wereld van de mensen omgaan? Is het een wonder, dat uw wereld dergelijke waarden eerst wil erkennen, wanneer zij van deze aarde zijn heengegaan? Niet voor niets staat er: “De zoon des mensen heeft zelfs geen steen hem eigen, waarop hij het hoofd neer kan leggen”. God staat zozeer los van de mens, dat het werkelijke kerstfeest alleen door de dieren waarlijk gevierd kon worden.

De enige kerstgangers, die geheel eerlijk waren op die eerste kerstdag waren de os en de ezel. Zij verwachtten geen Messias, geen verlossing, zij wilden niet geheiligd worden, zij erkenden alleen de aanwezigheid van het heilige en waren blij. Hierdoor hadden zij er deel aan, meer dan de mensen met hun gaven en verborgen verlangens. Daarom stonden os en ezel terecht het dichtst bij de zoon van God, toen hij geboren werd.

Maar misschien is dit in uw ogen geen kerstverhaal. Vergeef mij dan mijn zelfoverschatting, maar er zijn steeds weer mensen, die elkander verwijten, dat zij zo dierlijk zijn. Ik vraag mij af, of er misschien dieren zijn, die elkander verwijten, dat zij zich te menselijk gedragen. Want het dier is ergens eerlijk: Het leeft naar zijn aard, het erkent goed en kwaad volgens besef en wezen en reageert daarop. Men zal niet kunnen ontkennen, dat het dier steeds leeft als dat, wat het is. De mens daarentegen leeft als datgene, wat hij niet is. Hij erkent misschien innerlijk de waarden van goed en kwaad, maar reageert daarop niet volgens zijn innerlijke erkenning, maar eerder volgens de wijze, waarop naar hij hoopt zijn gedrag door anderen beoordeeld zal worden.

Wie in zichzelf God als waarheid wil vinden, kan zich de weelde echter niet permitteren te veel te letten op de mensen. En wie op de mensen wil letten en in hun ogen achtenswaardig wil zijn, kan zich de weelde niet permitteren innerlijk naar God te zoeken. Zo wordt eigenlijk alles steeds weer herleid tot een reeks van op zich zeer eenvoudige problemen, vragen.

Vragen waarop, zoals ik reeds in het begin stelde, geen volledig antwoord ooit mogelijk is voor de mens, maar waarop toch wel een praktisch antwoord gevonden kan worden.

Indien ik God zoeken wil, wat moet ik dan doen, zo vraagt menige mens steeds weer. Het antwoord zou volgens mij moeten luiden: begin datgene te doen, waarin je vreugde en geluk vindt en ga verder deze dingen te doen, zolang je ook voor anderen daarin geluk mogelijk acht.

De mensen vragen steeds weer: Hoe kan ik Jezus waarlijk ontmoeten? Hoe kan ik contact krijgen met de geest? Hoe kan ik doordringen in de wereld van het ongeziene? Het antwoord, is weer eenvoudig: Neem uzelf en uw zogenaamde realiteiten niet al te ernstig. Zodra gij leert te lachen om de ernst, waarmede gij nu uw materiële zaken beziet, zult gij wakker geschud worden voor de vele Lichtende mogelijkheden, die rond u bestaan.

Mensen vragen: Maar wat moet ik dan doen in deze wereld? Wij kunnen toch niet toezien bij alles, wat er gebeurt? Mijn antwoord luidt: Hij, die niet eerst toeziet, weet niet, hoe hij handelen moet. Daarom, zie toe en dan beseffende, handel vanuit uzelf. Hij, die wil handelen met anderen, zal nimmer waar kunnen maken, wat hij nastreeft, tenzij hij eigen pogen als alleen belangrijk beschouwt en het samengaan met anderen slechts beschouwt als harmonie, doch niet als bereiking.

Is er een weg, die zonder meer inwijding brengt, zo vraagt men vaak. Het antwoord hierop luidt: Voor u wel. De weg van uw eigen wezen, waarbij gij handelt in waarheid volgens eigen wezen en nimmer slechts uzelf zoekt, maar steeds streeft naar begrip vanuit uzelf voor al het andere.

U ziet het, de antwoorden zijn eenvoudig. Zij omvatten voor uw denken vaak nogal wat vaagheden, geven het geheel geen alomvattende formulering of oplossing. Maar indien u mij zou vragen, of het ook nog anders mogelijk is, vollediger, juister, is mijn antwoord: Hij die begint een schilderij te maken, staat voor de vaagheid van een wit doek of papier en legt, na rijp beraad, daarop zijn eerste scherpe gedachte als één enkele lijn neer. Hij, die als mens de eeuwigheid wil vinden, tekent op het blanke papier van het onbekende de enkele scherpe lijn van zijn besef en lijn na lijn doet hij de voorstelling, die in hem leeft, ontstaan, tot de blankheid van het papier plaats heeft gemaakt voor het harmonische spel van de erkende voorstelling. Zo leven wij allen. De antwoorden op de vragen, zoals ik u deze suggereerde, zijn slechts tekenstift, penseel, meer niet. Toch wensen wij allen onmiddellijk het gehele kunstwerk te zien en slechts weinigen onder ons zijn bereid om, zoals grote meesters vaak deden, voortdurend dezelfde tekeningen te maken, tot de meester a.h.w. alle lijnen reeds geheel en gekend in zich draagt, zodat hij alle ledig papier daarmede kan vullen naar believen.

Menigeen is desnoods nog bereid, het werk van een ander moeizaam te kopiëren, maar beseft niet, dat hij hierdoor niet in staat zal zijn zichzelf weer te geven, terwijl hij de meester slechts onvolledig en onvolmaakt zal kunnen nabootsen.

Wie waarlijk esoterisch wil streven, zal allereerst de perfectie van de lijn moeten vinden in zich, zodat hij alles, wat hij aanschouwt, kan weergeven naar waarheid volgens eigen aard en zo het ledige van de vele vragen bewust en gericht kan vullen met eigen besef en voorstellingen. Eerst dan kan men gaan oefenen, tot men waarlijk perfect alle dingen voor zich kan uitbeelden. Maar zolang er in ons nog het ledige van het niet besefte is, zullen wij er goed aan doen voortdurend en speurend te zien naar alles, wat er rond ons is. Alleen uit het buiten ons besefte kan het beeld zich vormen, waardoor het innerlijk tot besef en uitdrukking kan komen.

De mens, die mij vraagt: “Waar en hoe kan ik God vinden?”, kan ik daarom alleen ten antwoord geven: Kijk rond u en uit alles, wat in u beseft wordt, van al hetgeen gij aanschouwd hebt, komt dan misschien een voldoende voorstelling om die enkele lijn te zetten, die het begin is van een meesterwerk.

Want wanneer men eenmaal in zich deze eerste lijn van het innerlijk scheppend werk heeft kunnen zetten, ontstaat er een verdeling van waarden, daar nu de blanke leegte zonder zegging, die tot op dat ogenblik de ziel was in het ik, enigszins gebroken wordt.

Wat is goed zijn? Goed zijn is beantwoorden aan jezelf. Want hij, die slechts beantwoordt aan anderen, verloochent daarmede de waarheid, waarin hij zelf leeft en in de strijdigheid van pogen en ik, zal hij ten ondergaan, falende vaak in zijn getrouwheid aan anderen om zichzelf te zijn.

Moeten wij onszelf opofferen voor anderen? Het antwoord is begrijpelijk: Wanneer ik iets besef als zinvol, zal het voor mij geen werkelijk offer meer zijn. Wanneer iets zinloos is, is het echter  dwaasheid daarvoor te offeren. Zo kan ik verder gaan. Vragen te over. Maar zo dadelijk gaat u het kerstfeest vieren, voor u eerder een Joelfeest, daar de viering meer een oud heidens karakter draagt en dit niet kan worden weggevaagd door het christelijk karakter, dat kerkelijk aan de viering wordt toegevoegd. Maar wanneer u het feest viert, vraag u dan eens af, wat vrede in wezen is.

U zult ontdekken, wanneer u eerlijk durft antwoorden, dat vrede datgene is, wat uit het Ik geboren wordt, wanneer men weigert op enigerlei wijze strijd en onvrede vanuit zich te uiten of tot stand te brengen.

Niemand kan anderen vrede geven. Men kan slechts vrede zijn ten aanzien van anderen.

Misschien denkt u op dit feest aan de grote wreedheden, die in Vietnam of elders gebeuren.

Misschien zal uw vraag luiden, hoe men nog een kerstfeest kan vieren, wanneer elders op de wereld zoveel wreedheid en ellende is. Mijn antwoord daarop luidt: Hij, die in de viering werkelijk de vrede Gods zoekt, zal waarlijk kerstfeest vieren, wanneer hij, ondanks de wereld rond hem, in zich de vrede leert vinden.

Het is eenvoudig genoeg een soort confectievrede te vinden, die is opgebouwd uit wat uiterlijkheden en een samenvoeging van illusies, maar het is moeilijker, uit de schijnbare strijdigheden en tegenstellingen van de wereld rond je, je zo ver los te maken, dat je in jezelf de zinvolheid van alle dingen ook zonder strijd gaat beseffen.

Wanneer u zingt rond de kerstboom, zult u menen zich een ogenblik vredig en verheven te gevoelen. Maak u geen illusies, terwijl u zingt rond uw symbool van eeuwig leven, vallen de naalden reeds uit en is de pracht van Kerstmis alleen nog rijp voor de brandstapel, het eeuwige groen kan alleen leven in de ruwheid van het winterse weer buiten, niet in de warme kunstmatigheid van de kamers. Zo is het met de vrede: U kunt haar niet losmaken van de werkelijkheid, zonder haar te zien sterven terwijl u haar verheerlijkt.

Daarom zeg ik u, zo u vragen hebt, antwoorden wenst te vinden, vrede wilt beleven: maak nimmer de boom des levens los van haar wortels. Tracht niet alles aan te passen aan de gemoedelijk gezellige sfeer, die zo aangenaam lijkt, daar je dan alleen maar vergeet wat de is. Wie de werkelijkheid blijft aanvaarden en toch de vrede vindt, vindt een vrede die eeuwig leeft en in plaats van de schitterende kunstmatigheid van de mens als sieraad, de tintelende vruchten van het leven zelf draagt.

Ik wens u allen aangename kerstdagen, maar meer nog, een beleven van de werkelijke vrede, die alleen kan wonen in de harten van bewuste mensen.

image_pdf