De opbloei van alle leven

22 februari 1959

Het begint zo langzamerhand tegen de lente te lopen. En dan ga je onwillekeurig denken aan; de opbloei van alle leven. Je gaat denken aan de tekenen, die geschreven staan van komend warm weer, komende bloemen. En dat is misschien wel een aardige aanleiding om een ogenblik te gaan zien, hoe eigenlijk ook volgens bijbelse en evangelische waarheden alle dingen hun eigen tijd en hun eigen plaats hebben. Er staat bv. geschreven: Voor alle dingen is een tijd, voor zaaien en maaien, ploegen, enz. Daarmee wordt m.i. aangegeven, dat en op de wereld en ook in het leven van de mens voor alles een bepaalde tijd is bestemd. Wanneer Jezus wordt gevraagd om wonderen te doen, wanneer hem wordt gevraagd om zich tot koning der Joden te doen uitroepen, dan heeft hij ook altijd eenzelfde antwoord: Mijn tijd is nog niet gekomen. Hoe moeten we in dit verband tijd nu eigenlijk zien?

In de eerste plaats volgt uit deze bijbelse en ook evangelische uitspraken, waarvan u er veel meer kunt vinden wanneer u nazoekt, dat er zeker verschillen zijn. De ene tijd is niet gelijk aan de andere tijd. De perioden, die optreden in het leven, hebben dus elk hun bijzonder doel, hun eigen inhoud, wij zouden dit bv. astrologisch kunnen nagaan. Dan zegt mens “Ja, astrologie is geen wetenschap. Daar kunnen wij heel weinig mee doen.” Maar aan de andere kant kunnen tendensen worden aangegeven juist aan de hand van de sterren.

Nu heb ik getracht om dit probleem na te zoeken en speciaal in verband met Jezus eigen leerstellingen. En dat is me heel moeilijk gevallen. Want Jezus heeft niet direct over deze dingen gedoceerd. Ik ben dus aangewezen op indirecte aanwijzingen e.d. Uit zijn leringen heb ik dan alles getracht samen te trekken, wat ons inzicht geeft in zijn eigen opvattingen omtrent tijd, zijn eigen opvattingen omtrent werkelijkheid. En dan kom ik tot het volgende beeld.

In de eerste plaats: Het leven op aarde en de dood zijn klaarblijkelijk voor Jezus werkelijk. Hij gaat niet zo ver, dat hij deze dingen alleen maar als een droomfase beschouwt. Maar hij ziet een direct verband tussen de huidige bestaansvorm en het verleden, de huidige bestaansvorm en de toekomst. Hij meent, dat de tijd van dit leven hij merkt dit op wanneer hij met zijn leerlingen wandelt in de buurt van het meer van Tiberias een fase is in een groter geheel. En hij merkt dan ook op: “Waar ik geleefd heb in mijn Vader en was voordat de aartsvaders waren (de stamvaders zegt hij eigenlijk, maar dat is ongeveer hetzelfde), zo ben ik nu, en zo zal ik zijn, wanneer de herinnering aan mij verbleekt is.” Dat is heel typisch. Hij probeert dus te constateren; Ik ben, en op dit ogenblik ben ik het product van hetgeen ik vroeger was. En de toekomst zal mij vergeten, maar ik zal nog bestaan.

Dat is voor zijn leerlingen natuurlijk niet aanvaardbaar. En Petrus, die nogal eens onstuimig is, maakt dan ook onmiddellijk de opmerking: “Maar Heer, hoe zouden wij dit ooit vergeten!” En dan is Jezus’ antwoord een heel eigenaardig antwoord: “Er is een tijd voor herinnering, doch er zijn tijden van vergetelheid.” Hiermee doelt hij indirect op de periodiciteit, die in de wereldgeschiedenis en ook in het verloop van de geestelijke ontwikkeling naar voren treedt. Ik meen echter, dat hij nog verdergaat dan dit. Wanneer zijn leerlingen hem voorstellen om naar Jeruzalem te gaan, zo antwoordt hij: “Mijn tijd is nog niet gekomen.” Een uitdrukking, die wij herhaalde malen zullen tegenkomen. Later, wanneer men hem erop wijst, dat het gevaarlijk is om naar Jeruzalem te gaan, zegt hij: “Dit is de tijd mijns Vaders.” Hij maakt dus een verschil tussen zijn tijd en de tijd des Vaders.

Daar moeten wij onze consequenties uit trekken. Er is klaarblijkelijk een tijd, die onze tijd is, iets, wat volledig in overeenstemming is met ons eigen geestelijk leven, onze eigen geestelijke groei. Aan de andere kant bestaat er een tijd des Vaders. Dat wil zeggen een goddelijke bedoeling. En ongetwijfeld stelt Jezus de goddelijke bedoeling suprème boven alle eigen beleven en eigen denken. Maar wanneer wij nu eens die tijd des Vaders niet zouden erkennen, wat zou dan machtiger zijn, onze tijd of die tijd des Vaders? Jezus geeft ons daarop een antwoord, wanneer hij tijdens een betoog over een ander onderwerp opmerkt: “Maar zo zeg ik u, de wil des Vaders wordt ons allen vervuld. En indien onze wil de wil des Vaders is, zo neemt Hij ons op tot de eenheid in Zijn rijk.” Hier komt ook de gedachte aan hel en duisternis wat duidelijker naar voren. Want als we dit nu toepassen op hel, zouden we kunnen zeggen: Zolang wij aan onze eigen tijd vasthouden, zonder de tijd des Vaders te erkennen, komt er een ogenblik, dat we in strijd zijn met de Vader en dat is de hel, dat is duisternis. Zodra wij de wil des Vaders erkennen, nu ja, dan komt er harmonie, onze eigen tijd en de tijd des Vaders gaan synchroon lopen. En daarmee komen wij tot een absoluut goede ontwikkeling.

Dit alles zou van minder betekenis zijn, wanneer we het niet nodig zouden hebben om ons eigen leven te begrijpen. U weet allemaal, dat u uw eigen perioden heeft. De periode van opstandigheid, van vrolijkheid, van gelatenheid, van mismoedigheid, van zinnelijkheid en vooruitstrevendheid; en zo kun je doorgaan. Laten we nu eens zeggen, dat dit onze eigen tijd is. Dan kunnen we dus vaststellen, dat elke mens afwisselende reeksen van emoties en gevoelens ondergaat, die in een vast verband staan met de wereld, de kosmos, maar die in hem zelf tot uiting komen. De wil van de mens wordt hieruit geboren. Indirect kunnen wij hier misschien wijzen op zijn begeerten en zijn angsten, die de wil doen ontstaan, maar het beeld, dat de mens heeft, varieert dus in verband met een tijdsverloop. Er is een wisselende verhouding tussen hem en de buitenwereld.

Daarnaast echter wordt hij tegen zijn wil beheerst door die wereld. En dan spreken we hier dan maar over de tijd des Vaders. Er is klaarblijkelijk een grotere lijn in het scheppingsplan, waarin wij onszelf moeten aanpassen, waarin wij moeten opgaan. Dit opgaan is vaak moeilijk, omdat wij niet kunnen begrijpen wat het doel is, dat God Zich stelt zo God Zich al een doel stelt. Wij begrijpen de zin niet van grote gebeurtenissen en ontwikkelingen, waarin we worden meegesleept. Ons hart gedreven tot vredelievendheid, gedragen misschien ook door een humanistisch denken zegt: “Waarom moest ik nu juist in een tijd van geweld en oorlog en atoombommen geboren worden?” Ons wezen, trots op zichzelf, vraagt zich af: “Waarom moet ik nu juist in dit milieu geboren worden en waarom moest ik nu juist dit leven hebben? Ik kan er niets aan doen.” Het antwoord zullen we nooit kunnen vinden in onszelf. Ook niet wanneer we gaan schermen met karma en oorzaak en gevolg. Want misschien kunnen we dan nog verklaren, dat onze komst in deze of gene tijd, op deze of gene wereld, voortkomt uit ons eigen denken, ons begeren, ons bewustzijn. Maar verder kunnen we niet gaan. Die tijd is er, ook zonder ons. Het verloop van die tijd wordt bepaald ook zonder ons. Dan moeten we hier dus de goddelijke wil allereerst gaan zien. En dan ontwikkelt zich voor mij hopelijk voor u bevattelijk het volgende wereldbeeld:

Die eigenaardige waarde “tijd”, die opeenvolging van gebeurtenissen, moet door God zijn vastgesteld. Hier moet onmiddellijk een goddelijke actie en een goddelijke wil aanwezig zijn. Dit kan geschieden door ingrijpen van machten, die God daartoe delegeert, het kan onmiddellijk uit Zijn wezen voortspruiten. Maar altijd is de directe kosmische waarde dus in een wereldgebeuren en het gebeuren van een sfeer merkbaar. Zolang wij ons alleen met deze tendens één verklaren, dus één zijn met Gods tijd, zal ons eigen beleven minder belangrijk lijken. Wat meer is, het zal zich aanpassen aan dit goddelijk ritme, aan deze grote gebeurtenissen. Wij verliezen dan veel van wat ons eigen leven misschien op het ogenblik kleur schijnt te geven, interessant schijnt te maken, of ons de waarde geeft van een al dan niet deugdzame persoonlijkheid, maar aan de andere kant vinden we dan de harmonie met de kosmos, vinden we dus de vrede, de innerlijke strijdloosheid, die op geen enkele andere wijze bereikbaar is. Zolang wij echter onze persoonlijke tijd gebruiken, leggen wij aan de goddelijke tijd maatstaven aan. Zolang onze eigen wil ons belangrijker schijnt dan al het andere, zullen wij in een voortdurend verzet tegen door ons niet te beheersen gebeurtenissen trachten om die gebeurtenissen om te vormen naar onze wil en zo dat niet mogelijk is, ons daarvoor ten dele blind maken.

“Want zij hebben ogen om te zien en oren om te horen, maar zij zien niet en zij horen niet, omdat de ondergang in hen is.” (Onderrichtingen van Jezus tijdens zijn tocht door Samaria.) Later herhaalt hij dit tegen de menigte: “Gij hebt oren om te horen, doch gij hoort niet,” enz. Klaarblijkelijk valt het Jezus op, dat de mens niet geneigd is de waarheid te accepteren. Noch de waarheid omtrent zichzelf noch de waarheid omtrent de wereld. Hij maakt zich illusies. Die illusies zijn echter niet een versiering van de werkelijkheid of een uitbreiding ervan, het is het weglaten van een gedeelte. Ik wil proberen om dit om te zetten in wat we noemen “huis-tuin-en-keukentaal.”

Wij zullen zeggen: “Wij zijn slecht, wij zijn grote zondaars” en innerlijk misschien wel geloven dat we goed zijn, maar toch dit goede zoveel mogelijk op de achtergrond schuiven. We denken er niet aan. We leggen de nadruk op het zondig aspect, opdat de mens en de geest ook met een zeker masochistisch welbehagen zich kan wentelen in zijn eigen onvermogen. We zeggen: “Wij zijn goed” en vergeten het kwaad erbij. Want dat is zo onbelangrijk, dat moet worden weggedrukt, terzijde gesteld. En wanneer het dan niet terzijde te stellen is, dan wordt het met een uitvlucht omgebogen tot iets goeds. Eenzijdigheid. Eenzijdigheid, die zich zo sterk openbaart, dat er mensen zijn, die hun eigen inzichten in de noodzaak van leven en denken beschouwen als de enige goddelijke Waarheid en de rest verwerpen. Mensen, die daardoor alleen hun eigen tijd volgen, hun zuiver persoonlijk beleven en denken, de kosmos geheel erbuiten latend. Daardoor zullen zij nooit in staat zijn om die kosmos te erkennen of te beleven. Ze zullen nooit de werkelijkheid kunnen ervaren.

Die werkelijkheid vind ik dan terug in Jezus onderrichtingen, toen hij rustte in het huis van Simeon. Hij spreekt daar over wat wel en wat niet mag en probeert dan zijn leerlingen duidelijk te maken, dat de joodse wet niet de alomvattende, de enige wet is. En dan begint hij te zeggen: “Zo zeg ik u, respecteer de wet. Want zij is het leven van anderen. En leven zult gij niet nemen, noch droefenis baren. Doch ik zeg u, sterk en krachtig is de wet mijns Vaders. Hij is het, Die de tijd bepaalt. Hij is het, Die schept. En dat, wat Hij geschapen heeft en door Zijn wil tot vruchtbaarheid komt, is de enige werkelijkheid. Het rijk mijns Vaders omvat alle dingen en niets laat Hij buiten Zich, mens noch dier noch plant. Doch slechts wie Hem en Zijn rijk aanvaardt, erkent de volheid van het leven en zal de volle openbaring in zich verwerven. Ik ben u de weg. Want in mij is de kracht des Vaders en het weten omtrent het rijk des Vaders. Doch indien gij niet gaat, zo zal Zijn grootheid u niet geopenbaard worden en het duister van uw eigen zielen zal u verslinden.”

Als je dat nu om gaat zetten, zou je het zo moeten. zeggen; God heeft alle dingen geschapen met een bedoeling. Elke vorm, die er bestaat, elke gedachte, al wat mogelijk is, heeft in God een bepaalde betekenis en een bepaalde zin. Verder heeft God die wil zo uitgedrukt, dat ook in de grote, in de kosmische verhoudingen, vele dingen voorlopig althans achtereenvolgend optreden. Misschien dat het geen tijd meer is, zoals wij die kennen met onze persoonlijke tijd. Maar het is een soort tijd, omdat bepaalde delen van de schepping achter elkaar liggen, zoals een kind misschien blok na blok opstapelt om een huis te bouwen. Indien wij nu erkennen wat goed is volgens die goddelijke wet, dan moeten we ook tegelijk toegeven, dat die goddelijke wet wel gelijk blijft, maar haar nadruk aanmerkelijk verandert. Parafraserend zou je kunnen zeggen: Indien heden het doden goed is, omdat het de goddelijke wil is, zo zal het morgen kwaad zijn. Niet omdat het doden onmogelijk is geworden of niet behoort tot de goddelijke waarheid, maar omdat God de nadruk legt op het leven. Je zou kunnen zeggen; Vandaag is de lichamelijke beleving van een godsdienst goed, doch morgen mag ze alle en geestelijk beleefd worden. Niet omdat beide waarden niet in God bestaan, maar omdat Hij Zijn nadruk anders legt. En omdat wij in onze beperktheid in harmonie moeten zijn met Zijn ogenblikkelijke wil en interpretatie, willen wij ooit kunnen komen tot een begrip van het totaal van het Zijnde.

Gods tijd is een heel wonderlijke tijd. Wanneer u gaat kijken zo rond u heen, dan ontdekt u wel degelijk, dat er perioden zijn. Een fase van dertig jaar geleden zal zich misschien over vijf jaar herhalen. Wat in de geschiedenis 700 jaar geleden gebeurde, wordt nu zij het in gewijzigde vorm hernieuwd naar voren gebracht. Houden we ons nu alleen aan de overeenkomsten, dan zullen wij weinig beseffen omtrent die goddelijke invloed. Maar als we eens gaan letten op de verschillen, dan wordt het heel wat duidelijker. Wat bijvoorbeeld te zeggen van de martelingen, die men bepaalde slachtoffers der goden in het verleden aandeed om zo door hun ziel een volk te redden, en de tendens van de Spaanse Inquisitie, die om de ziel van een enkel mens te redden (volgens eigen opvattingen) een heel volk in gevaar bracht? Er is een omkering van waarden, maar er blijft ook iets gelijk; de fanatieke geestdrift, waarmee men Gods wil interpreteert volgens eigen inzichten, de wreedheid, waarmee het menselijk leven van nul en generlei waarde wordt geacht.

Daartussen vinden we perioden, dat het menselijk bestaan, de menselijke vrijheid en het menselijk leven wel bijzonder hoog wordt aangeslagen. Wij vinden dat bv. bij de Grieken. Maar wij vinden dat ook veel later bij de ontwakende democratieën in de negentiende eeuw, van ong. 1870 af. We vinden het absolutisme in een tijd van Karel de Grote. We vinden het later in de tijd van een Philips, maar we vinden het ook weer in deze dagen terug. Er is in Gods tijd een ritme te erkennen. Het grote wereldgebeuren toont ons overeenkomsten, die eerst hun ware betekenis in onze ogen kunnen verwerven, wanneer we de verschillen beseffen. Het absolutisme van een ver verleden bv. was het zich persoonlijk uitleven van de machtige. Toen werd het het persoonlijk dragen van verantwoordelijkheid voor de eenheid van een rijk. Daarna werd het een zoeken naar de kracht en de sterkte van een volk. En nu is het geworden het zoeken naar de welvaart van een volk ook wanneer we het met de wijze, waarop dat geschiedt, misschien niet eens zijn.

Wanneer je deze verschillen ziet, kom je tot de conclusie, dat Gods tijd in een herhaling van dezelfde effecten een klimmende reeks van bewustzijnswaarden legt. Bij de steeds terugkerende vorm een steeds grotere uitbreiding van inhoud en daarbij een grotere overeenstemming met wat ons inziens toch wel Gods wezen en wil is. Dat zou inhouden, dat niet alleen sprake is van de bekende spiraal, maar dat er sprake is van een andere waarschijnlijk meer dimensies omvattende verhouding, waarbij men komt tot de zeer eigenaardige instellingen en mogelijkheden van een kosmisch rijk. Een rijk, dat bestaat uit het totale wezen Gods en dat in een cyclisch zich bewegen van de schepping steeds meer zich open legt voor schepping en de schepping in zich sterker absorbeert. Ik weet niet, of ik het u duidelijk genoeg zeg. Het is zo’n moeilijke materie. Het klimmen van de tijd dus het bereiken van een langer aantal jaren schijnt in te houden periodieke veranderingen, die steeds grotere eenheid tussen God en Zijn schepping tot stand brengen. Maar het moet van God uitgaan. Het kan nooit uit de schepping komen.

Wat is nu onze eigen plaats erin? Wij hebben in een veel kortere tijdsspanne een reeks van perioden, die op aarde gezien misschien astrologisch berekend worden, maar die we geestelijk gezien onmiddellijk associëren met het optreden van onze leraren en het veranderen van onze taken. Een kwestie ook van geneigdheden, ongetwijfeld. Wanneer dit ritme nu zo sterk verschilt van het goddelijk ritme, dan kunnen we dat in verband brengen met de wijze, waarop wij leven. Wij leven tussen verschillende werelden. Het ene ogenblik bestaan we in de stof, het volgende ogenblik in de geest. Het ene ogenblik leven wij misschien in de laag gebondenheid aan alle materiële zorgen, het volgend ogenblik staan we in het hooggeestelijk licht van verblindend witte openbaring, die geen woorden meer kent. Voor ons treden klaarblijkelijk hiaten op in de goddelijke tijd. Het wisselen van wereld tot wereld en van sfeer tot sfeer legt grote nadruk op onze persoonlijke tijdsbeleving, onze persoonlijke perioden van streven, van denken, van rusten, van vreugde, van smart. Wij kunnen de goddelijke tijd niet begrijpen en volgen. Daarvoor zijn we te onvolledig en kunnen we niet het hele Al in zijn ontwikkeling vatten. Wanneer je op aarde bent, weet je weinig van de sferen. Wanneer je in de sferen bent, wordt het beeld van de aarde een geheel andere. Te relatief zijn onze verhoudingen.

Dan zou ik willen stellen, dat alle menselijk leven gebaseerd moet zijn op de goddelijke en niet in de eerste plaats op de persoonlijke tijd. Jezus geeft ons indirect een aanwijzing, wanneer hij zegt: “Want ziet, ofschoon engelen mijn wil gehoorzamen (aanduiding dus van magische macht), zo kan ik slechts zijn, indien de wil des Vaders mijn wil is.” Hij bevestigt dit in de Olijfhof, als hij zegt: “Vader, niet mijn maar Uw wil geschiede.” Een kwestie van superioriteit. En die superioriteit omschrijf je dan in moderne termen als volgt:

God heeft niets geschapen zonder zin en zonder betekenis. Hij drukt Zijn wil uit in het verloop van de wereldgeschiedenis. Wij hebben niet het recht tegen die wereldgeschiedenis in te gaan. Wij hebben niet het recht ons te verzetten tegen de wereld, bepaalde delen van die schepping buiten beschouwing te laten dan wel ons daarop in het bijzonder te verheffen. Wij moeten de wereld aanvaarden, zoals ze is. Wij moeten ook onszelf aanvaarden, zoals we zijn binnen die wereld. Daar moeten wij mee beginnen. Daarnaast echter moeten wij trachten te begrijpen, hoe onze kleine en persoonlijke inhouden en meningen in verband staan tot deze grote, bestaande wereld. Het is goed om te zeggen: “Ach, wat interesseert mij economie, wereldpolitiek. Wat interesseert mij wat er in een volk gebeurt, wat er in de Eerste Kamer wordt besproken.” U heeft misschien gelijk. Voor uw persoonlijk leven zal het niet zo belangrijk zijn. Maar wat u wel moet erkennen, is dit: In die economie en sociale verhoudingen, in die kamer bijeenkomsten, in die nieuwe wetgevingen en die veranderingen in oude wetgevingen, wordt iets uitgedrukt, dat bijna over de gehele wereld gelijk is: Gods wil geopenbaard in de totale tendens van de wereld. Wanneer wij deze tendens erkennen, dan mogen wij die volgen. Ook tegen onze eigen inzichten in misschien. Want slechts indien wij de grote en de goddelijke wil in de eerste plaats aanvaarden, zoals uitgedrukt in de stof met al zijn gezag en al zijn onzinnigheden misschien volgens ons eigen standpunt, zullen wij onszelf in de ware verhouding kunnen zien.

“Indien gij uzelf schenkt aan de Vader, zo schenkt Hij u Zijn krachten.” (in verband met de inwijding kort voordat de apostelen worden uitgezonden.) Dit geldt voor u, voor alle tijden, voor alle geesten, voor alle werelden. Erken de totale tendens. Tracht niet de wereld te wijzigen, maar tracht te begrijpen, hoe uzelf met uw meningen en met uw onvolkomenheden, met uw zelfbedrog misschien, staat in die wereld.” En tracht dan al hetgeen je moet ondergaan, al hetgeen je overkomt terug te brengen tot deze algemene tendens. Tracht daarmee vrede te hebben. Dan kom je tot een verdieping van jezelf. Want zoals Jezus uitdrukkelijk zegt tegen Johannes: “U, mijn geliefde broeder, zeg ik nogmaals: Wanneer ik heenga, zal de sluier scheuren. En indien gij heengaat uit uzelf en, zo aanvaardt de wil des Vaders in uzelf, zo zal de sluier gescheurd zijn en u geopenbaard worden het heilige, waarin de ware grootheid van Hem, Die ons geschapen heeft, voor ons allen zichtbaar is.”

Ga op in datgene, wat zich door de goddelijke wil uitdrukt in de wereld op alle vlakken. Ga a.h.w. uit jezelf heen door jezelf niet meer te beschouwen als iets, dat zich verdedigen moet temidden van die wereld, maar als een deel van een gemeenschappelijke ontwikkeling, door God gewild. Je zult dan beseffen, hoe je zelf een taak hebt. Je zult Gods wil binnen het geheel gaan vervullen. En daarmee zul je het weten en de nodige energie verkrijgen om je ware wezen, je ware gestalte volledig uit te drukken.

Ik hoop, dat u over dat punt eens nadenkt. U kunt natuurlijk astrologisch die dingen allemaal nagaan en dan zult u zien, dat het onvolledig is. U kunt proberen het na te gaan van uit elk beperkt wetenschappelijk standpunt en dit is waanzin, dit is kolder. Maar tracht het gehele verloop van de geschiedenis te zien bv. van 1930 af tot ongeveer 1960, dus tot uw huidige tijd. U zult zien, dat daarin een bepaalde ontwikkeling is gelegen. Vergelijk die met uzelf en u heeft de weg gevonden tot grotere eenheid en waarschijnlijk ook tot de zelfkennis, die de deelwording van het Koninkrijk Gods mogelijk maakt.

o-o-o-o-o

Het is wel eens even lastig om nu juist op het verhaal te komen, dat de vorige spreker illustreert, of dat een verdere inhoud eraan geeft. En wanneer ik die dan meen te vinden in een ietwat sprookjesachtige sfeer, dan komt dat ongetwijfeld, omdat – naar ik meen – het sprookje veel meer inhoud heeft dan de werkelijkheid. Want het sprookje erkent de symbolen, die erin voorkomen en dat doet de mens in het werkelijke leven niet, omdat hij zichzelf veel te ernstig neemt. Soms neemt de mens zichzelf zozeer au serieux, dat hij de hele wereld niet meer au serieux neemt. Nou ja, dan wordt het een zeer ernstige kwestie, omdat hij in zijn ernst de werkelijkheid verliest. Hij heeft geen flauw begrip van de achtergronden van het leven.

Zo heb je bv. de helse firma Asmodeus Inc. Dat is een Engelse naam, omdat op het ogenblik Amerikaanse indrukken op de handelswereld de grootste impressie maken. De firma vroeger een klein firmaatje, waarbij het hoofd van de firma zelf uitging om klanten te werven heeft op het ogenblik een hele hoop handelsreizigers en u kunt er bijna alles kopen. Maar een van hun hoofdartikelen is helderziendheid. Wanneer u helderziendheid wilt hebben, dan moet u alleen maar beloven, dat u elke dag een straaltje van het licht uit uw ogen aan de firma zult doen toekomen. Het gevolg is, dat u ontzettend veel ziet, maar dat u in feite al wat u werkelijk ziet aan de firma geeft. De firma vergaart uw deugden en u bent opgescheept met alle ondeugden van de firma, die vooral sedert de kapitaalsuitbreiding wel onmetelijk groot geworden is. Dat is het hoofdproduct.

Daarnaast echter bood men o.m. onsterfelijkheid aan. En dan vind ik juist die contracten voor onsterfelijkheid van deze firma – ik mag misschien wel zeggen – een van de typische verschijnselen van menselijk zelfbedrog. De firma garandeert u onsterfelijkheid, wanneer u elke maand een haar – niet meer dan een dag tevoren van uw scalp ontrukt – aan de firma opstuurt. Zolang u maar haren stuurt blijft u leven, volkomen gezond, prettig, enz. enz. Natuurlijk garanderen ze niet, dat je er geld bij krijgt. En als je dacht geld te hebben, dan blijkt meestal reeds na het eerste inzenden van een haartje, dat er – nu ja – geen steek meer van waar is, dat je al arm bent. Maar goed, wat is nu de kwestie? De meeste mensen tellen de haren, die ze op dit ogenblik op hun hoofd hebben en zeggen: “Nou, het zal ons goed gaan. We kunnen praktisch ten eeuwigen dage blijven leven.” Dan krijgen ze een of andere optredende ziekte, seborrhoe misschien of zoiets, en dan valt plotseling het haar uit. En voor ze het weten zijn ze aan het laatste haar en aan de laatste dag toe. Dan beginnen ze te protesteren tegen de firmanten, dat dit bedrog is. Waarop de firmanten met een vriendelijke glimlach erop wijzen, dat een voorkomen van haaruitval niet in het contract was opgenomen en er als zodanig dus geen contractbreuk heeft plaatsgevonden. De mensen voelen zich enorm bedrogen en worden – zo zegt de legende – dan onmiddellijk vervoerd naar die buitenste duisternis, waarin demonen plezier kunnen scheppen, maar menselijke zielen zeer ongelukkig zijn.

Daar heb je nu de gehele geschiedenis van m’n vriend van zo net eigenlijk neergelegd, zou ik zeggen. Per slot van rekening weet elke mens dat hij dood moet gaan. Doodgaan is een herboren worden en een normaal deel van het levensproces. Waarom zou je ergens proberen daaraan te ontkomen? Er is geen noodzaak om aan de waarden van je leven te ontkomen, want slechts door ze door te maken heeft je leven inhoud en betekenis. Maar de mens houdt het bij zijn eigen tijd en ziet die graag zoveel mogelijk uitgebreid, vooral nu de laatste tijd de aantrekkelijkheid van de ouderdomsrente de vreugde van de oude dag nog is komen vergroten. Hij gaat van het standpunt uit: Hoe langer ik leef, hoe beter het is. Op het ogenblik, dat hij begint naar dat langere leven te streven, is hij in feite dood. De mens, die zoekt meer te zijn dan hij volgens zijn eigen wezen mag zijn, is eigenlijk dood want hij beleeft niets meer. Denkt u maar eens aan die miljonair, die zo graag honderd jaar wilde worden. Dertig jaren lang heeft hij dieet gehouden, in rolstoeltjes gezeten, zich afgesloten van alle besmettelijke kiemen en toen hij 98 jaar was, was hij nog kassie zes. Treurig voor de man misschien. Maar hij had zijn ideeën van het leven op een verkeerd punt gezet. Want het gaat er niet om hoe lang je leeft, het gaat erom hoe je leeft. En op het ogenblik, dat je dus probeert om de betekenis van het leven te gaan veranderen, verlies je je leven. Zoals je haren uitvallen in het verhaaltje, dat ik zo even vertelde, zo gaan de belevenissen van elke dag aan je voorbij. En ja, wat moet je dan beginnen? Als je geen belevenissen meer hebt, heb je geen leven meer.

Wat dat betreft, kan ik misschien ook nog even een wijsgeer citeren. Die wijsgeer was niet alleen een erkende wijsgeer, maar toevallig ook nog een werkelijke wijze. En zoals dat gaat met die wijzen, men legt hun altijd de problemen voor, waarvan men denkt, dat zij ze niet kunnen oplossen in de hoop, dat zij ze zullen oplossen en men hun zo nog meer eer kan bewijzen. Zo zei dan een vorst tot deze wijsgeer; “Zeg mij wat ik moet doen om in het rijk der goden het was dus schijnbaar vóór het christendom opgenomen te worden.” Toen zei die wijze heel eenvoudig dit; “Vergeet dat, wat ge denkt te zijn. Wees dat, wat ge zijt. En erken de eeuwigheid in elk moment van uw bestaan.” Toen zei die vorst: “Ja, maar dat gaat niet. Dat kun je niet doen.” De wijze zei: “Zolang gij dit denkt, zullen de goden u verwerpen.”

Daar zit ook weer iets in. Niet alleen dat de mens in opstand is tegen de hele wereld en tegen alles wat erbij hoort, onverschillig of het nu nuttig is of niet. Hij gaat nog een klein eindje verder: Hij heeft het zelfvertrouwen niet, dat noodzakelijk is om iets te bereiken, om iets te doen. Hij droomt ervan om onmiddellijk in de eeuwige zaligheid te zijn. Of bij u bv. droomt men ervan, dat men op een nacht wakker zal worden en dan zitten geestelijke leiders A. B. en C. tezamen gezellig met een paar aartsengelen te kletsen over al het goede, dat in u ligt. En ze zeggen: “Die mens is nu toch werkelijk heilig. Doe maar wonderen uit onze naam en de rest.”

Een beetje overdreven? Maar hoe vaak droom je zo iets? Hoe vaak droom je, dat je ergens binnen komt bij zieken en dat je met je vingers knapt en dat ze allemaal weglopen? Dan is het natuurlijk de vraag, of dat gaat op de manier van Tijl Uilenspiegel, omdat ze bang zijn, dat ze levend gekookt worden of wat anders. Maar goed, je droomt daarvan. Maar heb je ooit het zelfvertrouwen of de moed om die dingen zelfs maar in geringe mate in praktijk te brengen?

In de eerste plaats begin je over het algemeen aan te nemen, dat om te bereiken wat je wilt, je een ander moet zijn dan je bent. Hoe vaak hoor je mensen met een uitermate scherp verstand niet zeggen: “Nou ja, die man, die kan een Nobelprijs voor de wetenschap winnen. Dat is een genie.” Maar ze vergeten, dat ze zelf even geniaal zijn, maar dat ze alleen niet zoveel zweetdruppels aan die genialiteit durven wijden als degene, die de prijs wint. U hebt mensen, die zeggen; “Ja, maar hij of zij staat geestelijk zo hoog, die kunnen dat. Wij kunnen dat niet.” Waarom kun je dat niet? Omdat je de gave niet bezit? Of omdat je weigert jezelf te zijn? Omdat je anders wilt zijn, dan je bent misschien? Omdat je niet erkent waarmee je moet beginnen?

U moet me niet kwalijk nemen? Als je in Amsterdam een huis wilt neerzetten, dat eigenlijk ergens op bazaltrotsen gebouwd moet worden, dan zul je toch eerst moeten heien en andere fundamenten leggen. Dan kun je misschien hetzelfde huis opzetten. Als u van uit uw eigen bestaan en wezen wilt komen tot een bereiking van geestelijke of kosmische kwaliteiten, dan zult u moeten beginnen met de basis van uw eigen wezen. Alle stoffelijke kwaliteiten en eigenschappen, angsten en begeerten, die je hebt, alle geestelijke wensen, die je hebt, die moet je erkennen voor wat ze zijn. En daar moet je mee beginnen. En dan kun je die mooie droom over wat er later komt gaan verwerkelijken. Maar eerder niet.

Nou, dan gaan we nog een stapje verder. Want zoals onze wijsgeer zei om in het Koninkrijk van die goden opgenomen te worden (een hemel of hoe heet zo’n ding?) moest hij zich a.h.w. een beetje de gelijke voelen van die goden. Zullen we dat nou eens heel simpel omzetten? De meeste mensen praten over God, ze denken over God, ze hebben het over eeuwige zaligheid en al wat erbij hoort….en wat doen ze? Vertellen, dat God het moet opknappen, want dat ze het zelf niet kunnen. Vertellen, dat zij natuurlijk nog onwaardig zijn, maar dat ze door de genade waardig zullen worden. Vertellen, dat geen wetenschap nodig is, want als je nu maar aanvaardt, enz.

Elke mens is een deel van de schepping. Elke geest is een deel van de schepping. Hij is gelijk aan alle andere delen van de schepping. Als het er op aan komt, is er helemaal geen verschil tussen mij en de hoogste geestelijke kracht, wij zijn in wezen gelijk. En dat erken ik. Ja, je moet natuurlijk niet denken, dat als er zo’n hoge, lichtende geest komt, dat ik op hem afsteven en zeg: “Ha, die Janus, hoe gaat het met je?” Dat doe je niet. Maar ik erken; wat jij bent, ben ik ook. Alleen….ik moet me nog meer bewust worden ervan. Goed. Maar dat ligt niet aan mij, dat ligt alleen aan de ervaring. Ik word vanzelf gelijk. En in dat zelfvertrouwen durf ik op precies dezelfde plaatsen te komen en te gaan, waar die geest gaat. Dan durf ik te gaan tot in het verblindende licht en ik durf te gaan tot in de diepste duisternis, zonder ooit bang te zijn, zonder ooit te zeggen: “Dat past mij niet, of dat hoort niet bij me.”

En dat is met u precies hetzelfde. Zolang u denkt, dat u op dit of dat gebied geen cent waard bent, dat u meent dat u zo zwak of zo enorm dom bent….dan komt u geen cent en geen jota verder. Of je nu Jansje heet of Eva Curie, of je Einstein heet of Pieter Jansen, je bent in wezen gelijk. De ene heeft misschien wat meer ontwikkeld, wat meer gebruikt van de mogelijkheden die hij had dan jij, maar je bent gelijk. Je bent niets meer en niets minder waard. Je hebt het recht op deze gelijkwaardigheid je streven te baseren. Wat voor een ander mogelijk is, is voor jou mogelijk. En gaat het vandaag niet, dan gaat het morgen. Maar je kunt het alleen bereiken, wanneer je eerst erkent, wat je bent. De werkelijkheid, niet de fantasie.

En daarom zou ik van mijn standpunt uit, ik merk, ik wou wat illustreren, maar ik ben ook aan het preken geslagen de zaak zo willen formuleren: Menig geestelijk strevend mens is een mens, die geen geest voldoende heeft om zijn eigen menselijkheid te erkennen en daardoor te komen tot een streven, dat waarlijk geestelijk is. Maar om een geestelijk strevend mens te zijn, moet je in de eerste plaats mens zijn met een erkennen van de menselijke eigenschappen, die tot geestelijke bewustwording leiden, omdat door de geestelijke bewustwording een volledig menszijn en zo een volledig eenzijn met het Goddelijke mogelijk wordt. (Het zijn definities, maar ik geloof dat het de moeite waard is om ze eens na te lezen en ze desnoods van buiten te leren.)

Dan het tweede punt: Menig mens spreekt over zijn onvermogen. Niet omdat hij geen vermogen bezit, maar omdat hij onwillig is om dit vermogen te gebruiken, gezien de moeite of de kosten, die dit voor hem mee zou brengen. Een dergelijk mens is niet onvermogend maar…. onredelijk. Een mens ontwikkelt zijn vermogens niet door een groot gedeelte van het vermogen tot leven, dat hij bezit, terzijde te stellen, maar alleen door alle conclusies en ervaring te trekken uit elk vermogen tot ervaren en waarnemen om zo te komen tot een absoluut beeld van zijn leven en de inhoud van het totaal van zijn eigen zijn. Daarin zal hij het totaal van zijn vermogen erkennen en dit aan de wereld gevende zal hij uit deze wereld het meervoud van zijn eigen vermogen terug ontvangen door de harmonie, die bestaat tussen zijn eigen wereld en het totaal van de schepping.

En dan een laatste punt: Menig mens spreekt over de beperktheid van het menszijn, het beperkt zijn van zijn eigen mogelijkheden. Dienaangaande zou ik willen opmerken: De beperkingen, die bestaan in het menselijk leven en in het leven van de geest, zijn geen door God opgelegde beperkingen maar eenvoudig weigeringen om te erkennen welke mogelijkheden er bestaan. Elke beperking, die u erkent, is in feite een door u zelf geschapen beperking, die bij een erkennen van uw eigen fouten opgeheven kan worden en u tot een volledige daadkracht binnen het totaal kosmisch bestel kan brengen.

En als je die paar punten nu eens even bij elkaar harkt en eens probeert er achter te komen wat ze betekenen, dan zul je tot de conclusie komen, dat ik weer heel wat verder heb gegrepen, dan je op het ogenblik bereikt of misschien bekwaam bent om te gaan. Maar onthoud dan maar dit: Iemand, die een wereldreis maakt, reist al wanneer hij een pas in de goede richting heeft gezet. En dat geldt voor jullie ook. Misschien dat het je op het ogenblik onmogelijk lijkt om al die gedachtebeperkingen en al die ideeën van “ik kan niet” en “dat zal niet” en “dat gaat niet” terzijde te stellen. Maar als je nu maar begint met de eerste pas, dan komt de rest vanzelf. Wat dat betreft, zou je kunnen zeggen: Het is net van Gend en Loos. Het eerste bewuste: Ik wil mijn eigen beperkingen, in mij geschapen, terzijde stellen is Gend. En het gevolg is Loos. Zo krijg ik steeds groter vermogen om mijn eigen beperkingen nauwkeuriger te erkennen en de onredelijkheid van het mentaal opgelegde aanvaarden dezer beperking me te realiseren. Zo zal een eerste schrede tot het erkennen van mijn vermogens leiden tot een totale openbaring van mijn totaal vermogen en daarmee van mijn grote eenheid met het Goddelijke.