De openbaringen van Johannes

Om over dit onderwerp het een en ander te kunnen zeggen dat hand en voet heeft, moeten we wel even een paar zaken duidelijk maken.

De Openbaringen zijn geschreven door Johannes van Patmos, door som­migen vereenzelvigd met Johannes de Evangelist. Ofschoon men wel zegt dat deze schrijver wel Johannes de Apostel zou zijn, is het bijna zeker dat dit niet het geval is. Ik zal u duidelijk maken waarom. Er zijn een aantal evangeliën geschreven. Het eerste ongeveer 65 jaar na Jezus’ geboorte. Het Evangelie van Johannes is het laatste. Het werd geschreven ongeveer 90 jaar na Jezus’ geboorte. Als we reke­ning houden met een verloop van circa 10 tot 15 jaar voordat Openbarin­gen werden geschreven ‑ en dat is ongeveer juist ‑ dan komen we dus op 115 jaren na Jezus’ geboorte dat dit werd geschreven. Als we aannemen, dat Johannes de leerling (de apostel) in de tijd dat hij met Jezus op­trok 20 jaar was, dan moeten we toch aannemen dat hij meer dan 90 jaar moet zijn geweest toen hij op Patmos deze openbaringen neerschreef. Dit lijkt mij niet erg reëel.

Er zijn ook andere punten waarmee wij ons moeten bezighouden. Het vroege christendom wordt vaak voorgesteld als een prettige gemeenschap. Dat is niet het geval geweest.

De grote apostel van het christendom is eigenlijk Paulus geweest. Paulus was een farizeeër. De Farizeeërs waren mensen die zich heel erg bezighielden met de Wet. Maar zij deden dit uit religieus standpunt en niet zoals vooral de Sadduceeërs uit een machtsstandpunt. Het betekent, dat Paulus eerst heeft geprobeerd het christendom aan de joden te bren­gen. Pas toen hij daarin niet voldoende slaagde, heeft hij zich ook tot de heidenen gericht. Hij heeft dat de eerste maal gedaan in Antiochië.

Hierdoor ontstonden dus al heel snel verschillende richtingen, want vergeet niet dat ongeveer 1/10 van de bevolking van Griekenland in die tijd was bekeerd tot het joodse geloof. Zeker in de grote steden. Zoals ook in Rome een grote joodse wijk was aan de andere kant van de Tiber. Het is duidelijk, dat de joodse christenen een andere opvatting hadden dan de Griekse christenen. Ais u nu de Openbaringen begint te lezen, dan is het zeer opval­lend dat wordt begonnen met de opsomming van zeven gemeenten. Deze gemeenten worden beschreven als lichtend en die door engelen worden bege­leid. Dat was zo’n beetje de gebruikelijke stijl van die dagen. Dan worden er tenminste twee gemeenschappen vermeld die niet erg welkom zijn. Een wordt zelfs helemaal afgekraakt, want zij hangen de leer der Nicolaïeten aan. Wat waren nu die Nicolaïeten? Het waren de volge­lingen van een zekere Nicoleus, een Griek.

Deze Griek stelde, dat Jezus was gekomen voor een ieder; dus niet alleen voor het joodse volk. Of dit juist is op grond van Jezus’ leven en leer is twijfelachtig, want Jezus heeft altijd gehandeld binnen het kader van de joodse wet en de joodse overleveringen. Hij heeft zich wel verzet tegen de fouten binnen het jodendom, maar hij heeft zich eigenlijk nooit geheel beziggehouden met wat er buiten het jodendom bestond. Hij heeft ook niet gepredikt voor niet‑joden. Het is duidelijk, dat daar­door al direct een hele strijd is ontstaan.

Een groot gedeelte van de christelijke gemeenschappen in die dagen doen een beetje denken aan Pinkstergemeenschappen. Men geloofde dat de aanwezigen door de H. Geest konden worden beroerd. Johannes is het daar niet mee eens.

Een van de voorname gemeenten beschikte over een profetes van grote invloed. Deze wordt beschreven als deel te zijn van de duivel, duivelsgebroed etc. Alweer, het is heel eigenaardig. Kennelijk is het eer­ste deel van Openbaringen dus eigenlijk een stellingname. Niet een stellingname voor iets of een verkondiging van een visioen zonder meer. Neen, al wordt God er wel bijgehaald, want God of een engel zou dat heb­ben gezegd, het gaat eigenlijk om een stellingname in een strijd welke in die dagen in het christendom bijzonder hevig woedde. Ik geloof, dat we dat niet mogen vergeten. Laten we verder gaan.

Het gaat dan over o.a. de uitverkorenen. De stammen van die uit­verkorenen worden stuk voor stuk opgesomd, 12.000 uit elke stam zullen worden uitverkoren, maar niemand anders. Let wel, de uitverkorenen beho­ren dus tot het jodendom, tot het judaïsme in feite.

Johannes beschouwt het christendom zeker niet als een gave aan de gehele wereld. Hij beschouwt het eerlijk gezegd meer als een extra mogelijkheid tot uitverkiezing en tot het beleven van het hiernamaals. Daarover is in het jodendom nog wel een strijdpunt geweest, maar veel joden vonden dat toch wel prettig. Je ging dood, maar kon dan wel in de hemel komen.

Johannes gaat uit van alle joden. Weer een punt. Johannes gaat ken­nelijk uit van de joodse basis. Indirect antwoordt bij op een van de strijdvragen die ook in zijn dagen, zoals in Paulus’ dagen, reeds bestonden; moet iemand, die zich tot het christendom bekeert eerst besneden worden, dus eerst jood worden, met: ja. Zo spreekt hij feitelijk een beetje een oor­deel uit voordat hij begint te vertellen over de dingen die hij heeft gezien.

Hij komt boven op de berg. Daar is een soort altaar, een troon. Iets verder in het visioen blijkt het bijna een tempel te zijn. Om de troon zitten 24 ‘goden’. Het zijn geen engelen, want hij heeft het afzonderlijk over de 7 engelen. Kennelijk aartsengelen. Wie zijn ze? Wij weten het een­voudig niet. Maar het getal 24 doet wel denken aan bepaalde leerstellin­gen zoals die indertijd zijn verkondigd bv. in India en zoals ze ook nog invloed hebben gehad op Perzië en indirect op bepaalde mystieke richtin­gen van inwijdingsgeloof zelfs in Griekenland. De man heeft blijkbaar heel wat oude overleveringen geslikt. Dat wordt ook duidelijk in de symbolen: de vier wezens die hij rond de troon in de tempel ziet. Opvallend is weer; een daarvan is een dier met het gelaat van een mens. Valt u niet onmiddellijk op dat dit doet denken aan sfinxen? Er is een adelaar bij. Dan zegt men: dit zijn de Evangelisten. Dat is een latere interpretatie die pas is opgekomen omstreeks 900 en 1000 na Chr. Voor die tijd heeft men gedacht dat dit afzonderlijke machten en krachten waren. Het is alweer wat dubieus. Het is een soort hemels Sanhedrin zou ik haast zeggen. Daar binnen zijn dan de vier hoofdmachten, de vier god­delijke functies aanwezig.

Dan begint hij te spreken over alles wat er gebeurd is. Het Boek wordt opengeslagen. Er komen engelen. Ook weer opvallend. Engelen pas­sen in de moderne tijd. Dan gebeuren er verscheidene rampen. Het opval­lende van die rampen is steeds weer dat er wordt gezegd, dat de mensen zich niet zullen bekeren. Het doet een beetje denken aan Jona. Hij was ook zo boos dat toen hij de boodschap had gebracht ‘bekeer u’ en de boetvaardigen in de meerderheid kwam en de stad niet verging. Ergens schijnt die Johannes toch wel een “angry old man’ te zijn geweest. Hij liegt er overigens niet om.

Dan ziet hij op een gegeven ogenblik de hoer. Wie is de hoer? Wij weten het niet. Zij schijnt de antithese van het christendom te vertegenwoordigen. Maar als wij ons realiseren op welke manier het wordt voorgesteld, dan is het heel goed mogelijk, dat hij het nu heeft over een rivaliteit, een rivale godsdienst, een rivale machtspositie.

In die dagen (± 100 jaar na Chr.) begint eigenlijk de ontwikkeling van het christendom in Rome. Wel vervolgd, maar toch op grond van de dood van Petrus en Paulus een primaat voor zich opeisend. In de toekomst ziet hij misschien de macht van Rome groot. Hoe komt hij anders aan de ze­ven heuvelen waarop de hoer is gezeten? (Het moet wel een grote zijn ge­weest om daarop te kunnen zitten).

Realiseer u even wat er aan de hand is. In het geheel werden er wel rampen voorspeld. Zeker, de Ruiters gaan uit. Daar maken de mensen heel wat van. De een brengt droogte en hitte. De ander brengt ziekte. Een derde brengt de dood en wie weet wat nog meer. Maar dat klopt niet helemaal. Voor die tijd komen er namelijk ook al rampen voor. Er komen bezoekingen. De schrijver vergelijkt dit, zelfs in de tekst, met feiten die in Egypte zijn gebeurd. Het is weer een teruggrijpen naar het mozaïsch gebeuren. Het is een denken aan een uittocht uit de slavernij. Dat past beter in een schotschrift ‑ neemt u mij niet kwalijk dat ik het zeg ‑ een strijdschrift dan in een wezenlijke openbaring.

Het visioen is heel mooi. Wij kunnen ons van alles daarbij voorstel­len. Maar als we reëel zijn, dan blijkt dat de details waarmee de mensen zich zo bezighouden eigenlijk helemaal niets te maken hebben met de wer­kelijkheid, met het leven van de mensen. Het is ook niet een voorspelling waarvan je kunt zeggen; Dat zal zeker gebeuren. Het is allemaal veel te vaag.

O, natuurlijk, hitte zal de aarde verschroeien. Er zal vuur uit de hemel vallen. Elke keer gaat een derde van de aarde eraan. Bij de eerste ramp steeds een tiende van de mensen. Dat is ook een rekenkundige oplos­sing of het moet een symbolische zijn. En waar loopt dat op uit?

Dan komt het ogenblik dat het Beest komt. Wat is nu het Beest? Het Beest zou de antithese van de Christus moeten zijn. Maar dat staat er niet letterlijk. Als we ons bezighouden met de werkelijke tekst, dan staat er helemaal niet dat het de antichrist is. Er staat alleen dat het een macht uit het duister is.

Dit Beest regeert en iedereen mag handel drijven en werken, als hij het teken van het Beest op zijn hoofd of op zijn hand heeft. Waarom hoofd en hand? Misschien moeten wij hier denken aan de gebedsbanden waarmee een deel van de Wet op het voorhoofd en om de arm wordt gedragen. Misschien dat gedacht is aan een herleven van een duister jodendom.

Deze man, Johannes, denkt kennelijk in zuiver judaïsche termen, Hij spreekt alleen over het jodendom, over Israël en de zijnen. Maar als dat zo is, hoe kan dan deze voorspelling slaan op de gehele mensheid? Dat vraag ik mij alleen maar af. Dat kan alleen, indien deze profeet uit­gaat van het standpunt dat de God van Israël de enige God is die macht heeft op aarde en dat die God alle mensen (behalve de joden en de joden die christen worden in het bijzonder) beschouwt als afval. Dan zitten we wel met een genadige en zeer rechtvaardige Godheid!

Misschien is het verstandiger ons eens af te vragen hoe Johannes aan al die getallen komt. Het wonderlijke is namelijk dat, als hij het over 24 heeft (dat heeft hij in het begin gezegd bij de zetels die om de troon staan) wij te maken hebben met het getal 6; 4 x 6 ofwel de elementen en de mens. Het is of hij zegt dat de hele wereld eigenlijk wordt geregeerd door de menselijke beheersing van de elementen.

Dan zijn er de 4 wezens op de hoeken van de troon. Wat zijn die 4? Die zijn weer de elementen. Ze zijn zoiets als de 4 winden of windstre­ken, de 4 oude elementen neem ik aan: aarde, water, vuur en lucht. Op zichzelf is dat al wat wonderlijk.

Dan is er nog iets wat zeer treffend is. Johannes spreekt met iemand en spreekt hem aan met Heer. Hij wil knielen. Dan wordt er ge­zegd: Neen, ik ben alleen maar de uitvoerende macht. Met andere woor­den: in zijn visioen heeft Johannes niet met God of met een goddelijke werkelijkheid te maken. Hij heeft maar met een heel klein gedeelte ervan te maken, anders zou deze uiting niet daarin staan. De man voorziet eigenlijk iets wat gebeurt voor een bepaalde groepering. Hij voorziet niet wat er met de wereld gebeurt.

Dan heeft hij het over Jezus, de zoon van God of beter gezegd de Christus, want in die tijd werd er nogal eens gevochten over de vraag of Christus nu wel of niet identiek is met Jezus. De Christus zal dan komen door de wolken en niet gezeten op de wolken.

Hier staan we weer voor een moeilijkheid, want er zijn vertalingen waarin hij wél gezeten is op de wolken. Hoe kan dat? Het antwoord is duidelijk. Uit verschillende gegevens blijkt, dat ook de Openbaringen meermalen zijn aangepast. Datzelfde geldt voor de Evangeliën. Ook hier is duidelijk te merken dat ze ‑ zeker op bepaalde punten en in bepaal­de passages ‑ verschillende keren zijn aangepast. Dat is te begrijpen.

Let wel, de oude joden in die tijd waren zeker geen stommelingen. De meeste mensen denken aan hen als aan een zwervend volkje. Neen, het waren werkelijk beschaafde mensen. De meesten kenden drie talen. Het Aramees uit Perzië overgewaaid, het Hebreeuws de taal van de studenten van de overleveringen en van de Wet en het Grieks. Deze drie talen beheersende zullen het nooit de joden zijn geweest of de joodse gelovigen die de fouten hebben gemaakt.

Als we verder gaan, dan blijkt dat van de Evangeliën inclusief Openbaringen, tot 200 na Chr. alleen maar fragmenten in het Grieks, bestaan, de rest is in het Aramees of in het Aramees‑Hebreeuws (een eigenaardige samenvoeging) geschreven. Bij de vertalingen heeft men later kennelijk geprobeerd om alles zo duidelijk mogelijk te maken. En dan is in de wolken en gezeten op de wolken iets dat iemand al heel gemakkelijk erbij voegt, al is het maar omdat hij de zaak duidelijker wil maken.

Datzelfde geldt trouwens voor al die geschriften. Het is heel erg moeilijk om ze precies te controleren. Afwijkingen zijn er in ieder geval. Deze vertalingafwijkingen behoeven dan niet zo groot te zijn. Het kan een enkel woord zijn dat is toegevoegd vanwege de duidelijkheid. Als u de oude statenbijbelvertaling in Nederland ooit in handen krijgt, dan moet u maar eens kijken. Hier hebben de vertalers vaak woorden tussen haakjes gezet. Dat wil zeggen dat die woorden niet behoren tot het origineel maar dat ze zijn bijgevoegd omdat dat volgens de vertalers de zin van de weergave is. Nu is dit wonderlijk genoeg een vertaling geweest uit het Latijn, dus niet uit het Grieks verduidelijkt.

Als we zo bezig zijn met de Openbaringen, trouwens met het geheel, dan komt steeds weer de vraag bij ons op; in hoeverre zitten we hier eigenlijk wel op het goede spoor? Het is natuurlijk aardig te zeggen; ja, dan worden we tenslotte allen verzameld in Armageddon enz. Maar waarom wordt er over een plaats gesproken die in het Hebreeuws Armageddon wordt genoemd?

Hier is duidelijk een toespeling en een vertaling. Het gaat hier mogelijk om een letterlijke vertaling. Maar wat betekende dan in die dagen Armageddon? U ziet, hoe moeilijk het is om er achter te komen wat gaande is.

Dan het neerdalen van het hemels Jeruzalem. Het is heel begrijpelijk dat de man daarover spreekt. In het jaar 70 werd Jeruzalem inderdaad verwoest. Jeruzalem was, zeker voor iemand die zichzelf voelde als jood, dus gebonden aan het joodse volk, het heiligdom. Wanneer het hemels Jeruzalem neerdaalt, dan gaat het niet alleen maar om een stad, een heilige stad, dan gaat het om de Tempel. Het gaat om het neerdalen van het Verbond met God, inclusief de Ark, het heilige der heiligen. Mogelijk ook om een ver­bond met een persoon die op Grote Verzoendag direct met God contact kan opnemen. Realiseert u dat allemaal eens. Misschien dat u dan anders gaat staan tegenover de Openbaringen.

Natuurlijk, wij kunnen de getallen gaan uitleggen. Het getal 7, de 7 lichten. Er zijn ook 7 gemeenten waarover hij het heeft. De stad zou de 7 lichten kunnen zijn, maar ze worden verderop vergeleken met de 7 sterren. De 7 sterren zijn de 7 dwaalsterren, die in het begin van de astrologie de planeten, dus het onverklaarbare raadsel, waren en voor de Grieken de aanleiding zijn geweest tot de constructie van allerlei hemelsferen.

Heel misschien is er zelfs sprake van een identificatie van die lichten met aartsengelen en door die lichten en de gemeenten die op aar­de als een beeld daarvan functioneren, met de 7 dienaren, dienende en­gelen, die gelijktijdig optreden als beheersers en begeleiders van de ver­schillende gemeenschappen. Als wij dat doen, dan wordt het ook duidelijk waarom er één is, die als zijnde uit de duivel moet worden aangesproken. Want er is immers een planeet, Saturnus, die als demon wordt gezien.

Het is wonderlijk. Als wij dit werk goed bekijken, dan worden we ge­confronteerd met de oude symbolen, de oude overleveringen, die we kun­nen terugvolgen tot de tijden van Babylon, sommige misschien zelf tot de tijd van Ur.

Wij vinden een symboliek die direct schijnt te zijn voortgekomen uit magische leringen die de joden hebben overgenomen uit Egypte. Wij vinden er allerlei cijferhandigheidjes in die toch wel wijzen op een geheime cijferleer. De man, die het heeft geschreven, moet een erudiet zijn geweest, zeker op dit terrein. Hij moet iemand zijn geweest die ook de Griekse opvattingen, het Griekse denken en de filosofie goed kende. De plaats waar hij dat alles schrijft, maakt dat ook niet onwaarschijnlijk.

Maar dan blijft mij nog de vraag, of wij dan moeten aannemen dat dit alles een woordelijke en Godgegeven waarheid is. Dan moeten wij ons afvragen, of dit visioen met alles wat eraan verbonden is berust op fei­ten die eens waar zullen worden of eerder de droom zijn van iemand, die in een machtsstrijd gewikkeld met wat hij ziet als het duister in het christendom het heidendom dat het christendom tot het zijne gaat maken, probeert met die visioenen duidelijk te maken: de wereld moet binnen­kort vergaan. Dit kan zo niet verder gaan.

Is er dan wel een visioen geweest? Zeker, als je zegt. Het staat in de bijbel en de bijbel is Gods woord, dan is daar niets aan toe te voegen. Maar dat is dan alleen een geloof. Laten wij dit onthouden;

Het vroegste geschrift dat u aantreft in het Nieuwe Testament is een brief van Paulus door hem gedicteerd in het jaar 61 na Chr. De twee eerste Evangeliën ontstaan in de jaren 65 na Chr. en ongeveer 73 na Chr. Het derde ontstaat aanmerkelijk later, waarschijnlijk bijna ge­lijktijdig met dat van Johannes: 80 á 90 jaar in de nieuwe jaartelling. Veel behoeft dat niet te zeggen, omdat de jaartelling eigenlijk maar is aangenomen. Zoals er vele dingen zijn aangenomen, bv. de geboorte van Jezus. Dat is heel aardig uitgerekend. Men heeft berekend: 9 maanden en 10 dagen vanaf het lentepunt moet de geboorte plaatsvinden. Dat viel dan aardig samen met een lentefeest in Griekenland, later met het kerst­feest vooral en om eigenlijk het midwinterfeest van de Germanen een beetje overbluffen. Wij hebben hier te maken met raadselachtige zaken. We hebben niet de feiten. We hebben niet eens te maken met waarschijnlijk­heden. Het geheel van de Evangeliën is niet een aantal geschriften die direct geïnspireerd zijn. Anders is het niet te verklaren waarom de een zus en de ander zo schrijft. Zij hebben het over hetzelfde gebeuren. De een legt de nadruk op de slechtheid van de farizeeërs de ander gaat er gewoon aan voorbij. De een spreekt over de ondergang van de stad, de ander heeft het over de ondergang van de Tempel. Waarom deze ver­schillen? Als er een goddelijke inspiratie is, dan kunnen we natuurlijk een aantal verschillende dingen zien. In het gehele Evangelie zitten zo tussen de 30 en 40 wonderen ingebouwd. Niet alleen Jezus heeft wonderen gedaan. Waarom horen we niets over Jezus zelf?

Als de Evangeliën zo concreet zijn geweest dat ze door tijdgenoten waren geschreven, dat ze door tijdgenoten werden beleefd, dan hadden we ook wel gehoord hoe Jezus eruit zag, denk ik.

Wij hebben hier te maken met propagandageschriften. Neem me niet kwalijk dat ik het zo zeg. Jezus is een waarheid. Jezus heeft geleefd. Daar hebben we het niet over. Jezus heeft ongetwijfeld een weg gewezen voor de mensheid. Maar heel veel van hetgeen er in die propagandage­schriften staat is kennelijk zeer eenzijdig. Heel veel van wat daarin wordt aangehaald en geciteerd doet toch wel de vraag rijzen hoe de zaken nu precies in elkaar zitten.

Dan komt er iemand die een openbaring gaat schrijven. Een zekere Johannes van Patmos. Deze man schrijft niet in de eerste plaats over God, hij schrijft niet in de eerste plaats over Jezus. Hij begint met een veroordeling uit te spreken, een soort vervloeking over twee gemeenten te leggen. Nadat hij iedereen op zijn nummer heeft gezet, begint hij dan eens even duidelijk te maken dat de uitverkorenen joden zullen zijn. Hoe zit dat eigenlijk? Vindt u dat in overeenstemming met de christelijke leer, met het christendom van die dagen?

O, ik wil niets aanvallen. Als u erin gelooft, dan gelooft u erin. Dat is uw zaak. Ik vraag u alleen om na te denken! Als u dat nu eens niet leest woord voor woord zo heeft God dit gedicteerd. Maar u leest het gewoon in zijn betekenis, in zijn samenhang wat denkt u dan? Dan is het niet de vraag of de hoer van Rome nu toevallig in Rome zetelt of misschien in Washington dat ook op 7 heuvels ligt. Er zijn ook nog een paar andere steden te vinden die op heuvels liggen. En dan gaat het er ook niet om waar Armageddon ligt. Dan gaat het er alleen om wat het visioen ons te zeggen heeft. En dan zijn er wel enkele punten die veel­zeggend zijn. In de eerste plaats, vrouwen hebben kennelijk voor Johannes in het Christendom geen plaats. Zij worden niet genoemd behalve een profetes en die wordt gedoemd.

In de tweede plaats: het visioen dat hij heeft, voltrekt zich in 7 fasen‑, 7 is in die dagen een heilig en magisch getal. Het is zoiets als de 7 dagen waarin de schepping is ontstaan. Elk van die fasen afzon­derlijk wordt omschreven als een aantasting van de heidenen, van het on­recht. Dat is natuurlijk erg aardig als dat gebeurt. Maar de manier waar­op het gebeurt, is niet bepaald duidelijk.

Elke keer klinkt er een klaroen stoot. Goed, dat kun je in een visioen hebben. Dat is het teken voor het veranderen van een scène. Zoals menig­een, die in een kristallen bol kijkt, eerst iets ziet dat doet denken aan een bezem dat de zaak schoonveegt, dat heen en weer gaat in een warreling van kleuren voordat er een beeld ontstaat. Maar hoe komt Johannes aan die getallen, de getallen van zijn visioen? Hoe komt hij aan de verbreking van de Zegels? Hoe komt hij ertoe om zichzelf te zien als vergezeld van een engel en daardoor gezag dragend? Waarom stelt hij zien juist zo op, ik word door een engel Gods geleid.

Ik spreek met de hoogste kracht en als ik daarvoor wil neerknielen, dan wordt mij gezegd: ik ben de hoogste kracht niet, ik ben maar een uitvoer­der. Waarom?

Dat is alleen maar te verklaren, als een mogelijk beleefd visioen voor een groot gedeelte is misbruikt om anderen op hun nummer te zetten. En als dat het geval is, dan rijst de vraag of de Openbaringen van Johan­nes wel zo belangrijk zijn als veel mensen denken dat ze zijn. Dan rijst de vraag of het niet de wijsheid is die wij erin vinden? Het denk­beeld van een menselijke opbouw, die er toch ook in zit, de mogelijkheid om een waarheid te scheppen die groter is dan dat wat Johannes heeft ge­kend en dat niet het enige is dat we daarvan kunnen meenemen.

Ik ben er in ieder geval van overtuigd dat de gebeurtenissen, die hierin zijn beschreven zo vaag, zo symbolisch zijn aangeduid dat ze niet slaan op de stoffelijke werkelijkheid, laat staan op de tijd van deze dagen.

Ik hoop u hiermede een benadering te hebben gegeven van de Open­baringen van Johannes, die u ertoe zal brengen dit nog eens te herlezen, misschien met andere ogen.

**********

Ik wil graag nog even twee dingen kwijt. In de eerste plaats; wat ik heb gedaan (wat de gegevens betreft, let wel) is historisch verantwoord. Ik heb dus niet zomaar een verhaal verteld. In de tweede plaats: als ik misschien twijfel heb gezaaid, dan is het niet de bedoeling om iemand zijn geloof te ontnemen, maar is het wel de bedoe­ling dat men datgene wat men gelooft ook kritisch durft bezien, al is het maar om te weten wat men gelooft.

*  Is er iets bekend van de mening van de tijdgenoten van Johannes over deze Openbaringen?

Er zijn verschillende gegevens van bekend bij ons, maar ze zijn helaas niet vastgelegd. De profetes die hij verdoemde heeft letterlijk gezegd. “Hier is iemand, die zich opwerpt als profeet om zijn eigen zekerheid te behouden.” De Nicolaïeten, die hij zo hevig heeft aangevallen hebben gezegd: “Hier is iemand, die de aard van Jezus’ werk verwerpt om zijn eigen hoogheid aan te tonen.” Dat is een tamelijk scherpe veroordeling. Tijdgenoten in zijn omgeving waren daar soms erg blij mee. Anderen, die zijn leerlingen waren, die dus voortdurend luisterden naar hetgeen de man te vertellen had (hij was heremiet die met de anderen voor lering samenkwam), hebben zich teruggetrokken en zijn naar een ander eiland gegaan. Met andere woor­den: deze visioenen zijn hem niet alle evenzeer in dank afgenomen. Dat is vooral te wijten aan het inleidende gedeelte waarin de verschillende gemeenten onder de loep worden genomen en daarnaast ook aan een twijfel aan de juistheid van bepaalde dingen, die hij zegt gehoord en waargenomen te hebben. Meer kan ik u helaas niet geve, dat de nadruk op Openbaringen eerst begint ongeveer 500 na Chr. voor die tijd was het een wat onbelangrijk stuk. Later wordt het bij de Evangeliën gevoegd als een appendix. Pas omstreeks 150 jaar nadat dat is gebeurd, begint men zich bezig te houden met deze progno­ses en men meent dan wonderlijk genoeg, dat het hier gaat over de inval van de Moren, Sedertdien is Napoleon het Beest geweest, Hitler is het Beest geweest, kortom, beesten in overvloed. De getallen werden elke keer weer berekend. Maar het wonderlijke is, dat die Beesten allemaal verdwenen zijn. Het schijnt dat er een hemels insecticide heeft bestaan.

*  Kunt u nog verder ingaan op de persoonsstructuur van Johannes. Uit uw verhaal komt een erg gefrustreerde figuur bij mij over.

U moet de volgende punten even voor ogen houden. De man heeft het christendom gepredikt en zich toen teruggetrokken. Waarom is hij heremiet geworden? Kennelijk om de wereld te ontvluchten. Dit betekent, dat hij het christendom, de werking en de betekenis ervan in die dagen niet kon verwerken. Indien hij de gezonden gelovige zou zijn geweest waarvoor hij zich heeft uitgegeven, dan zou hij waarschijnlijk martelaar zijn geworden in die dagen. Hij is dat niet. Hij is verder kennelijk druk bezig met een soort strijd tegen andere groepen. Dit betekent alweer, dat hij iemand is die bijzonder graag gelijk heeft. Dat gelijk hebben zou kunnen zijn ontstaan uit een gevoel van onvolwaardigheid of minderwaardigheid voortgekomen uit het feit, dat hij zijn verlosser niet heeft gekend en aan de andere kant toch ook zo graag willen pretenderen een directe apostel te zijn. Als ik dan verder kijk naar de manier waarop hij zijn onderricht geeft (hij komt uit de eenzaamheid naar zijn groep leerlingen) en hier waarop hij zich door die leerlingen laat onderhouden, dan kom ik tot de conclusie dat het iemand is die gezag erg lief heeft, iemand die zeer gaarne anderen overheerst.

Als ik de persoonlijkheidsstructuur verder tracht te ontleden, dan zeg ik: het is iemand die wegvlucht voor de wereld. Hij moet door angsten bezeten zijn. Die angsten zullen ongetwijfeld ook hemzelf betreffen. Het is denkbaar dat een deel van zijn angstvisioenen in feite een compen­satie vormen voor een voortdurende bedreiging van zijn persoonlijkheid en zijn geestelijke gezondheid die hij aanvoelt. Zou ik een oordeel moeten vellen (niet dat ik het graag doe maar u vraagt erom), dan zou ik willen opmerken. Wij hebben te maken met een nogal schizofrene persoonlijkheid die het ene ogenblik de absolute gezon­dene vertegenwoordigt en het volgende ogenblik iemand is die wegvlucht voor zijn eigen onvermogen. Ik meen, dat uit deze combinatie dit geschrift is voortgekomen.

*  Uit de getallenleer die Johannes gebruikte lijkt het of wij met een voorloper van de kabbalistische cijferleer te maken hebben. Is dit zo? Kunt u een nadere achtergrond hiervan geven?

Voor de cijferleer die later uitgroeit tot het cijfer- en verwisselingssysteem van de kabbala op grond van de gegevens die omstreeks 922 voor het eerst worden neergeschreven moeten we teruggaan naar de Babylonische ge­vangenschap. In Babylon bestond namelijk de getallenleer. Oorspronkelijk was deze gebaseerd op het hemelschrift en de z.g. ik‑symbolen van het hoender­orakel. Hier had men relaties herkend of meende men herkend te hebben tus­sen getallen en letters en de mogelijkheid deze uit te wisselen totdat er een kenbare betekenis was. Dit systeem blijkt later o.a. in Egypte en daar­ door in een paar Esseense nederzettingen verder ontwikkeld te zijn, mogelijk ook als een soort geheimschrift, maar daarnaast ook wel als een methode om de overleveringen juister te definiëren. In Griekenland treffen wij al vroeg bepaalde vroege kabbalisten aan. Ditzelfde kabbalistisch denken blijkt bij enkele mystieke groepen in Israël te hebben bestaan tot de tijd van de Romeinse bezetting. Daarna ver­dwijnt het praktisch. Het is dus denkbaar, dat men deze Johannes inder­daad ziet als iemand die een aantal beginselen van het kabbalistisch denken wel bezit en in zijn cijfer‑ en getallen gebruik vooral ook grijpt naar symbolen, die volgens mij door de Esseense gemeenschappen daarin werden gevonden. Ik meen niet, dat men kan uitgaan van een zodanige kennis van een moderne vorm van de kabbala. Daarmee bedoel ik de cijfer­kabbala zoals die is opgekomen in Parijs vanaf 1200, in Hamburg in onge­veer 1400. Ik geloof niet, dat hij daarvan kennis heeft gehad. Ik ben er zelfs van overtuigd, dat hij deze omschrijvings‑ en wisselingssystemen niet kende.

Dit laatste maakt het twijfelachtig of men uit het getal 666 kan berekenen wie het Beest werkelijk is. Ik denk namelijk, dat 666 het drie­maal menselijke is: de tegenstelling tot de driemaal 9 die beide overi­gens hetzelfde eindgetal 9 opleveren. Het is een aanduidingmethode waarmee men krachten t.a.v. elkaar kan definiëren. Maar naamomzettin­gen en letter‑cijferberekeningen waardoor men tot een getal komt van een persoonlijkheid lijkt mij hier niet van toepassing te zijn. Mogelijk verklaart dit waarom zoveel kabbalistische berekeningen waarmee men probeerde de naam van het Beest te vinden hebben gevoerd tot de vreemd­ste vergissingen.

*  Is het wel waarschijnlijk dat er een visioen is geweest?

Gezien de persoonlijkheid en gezien de gebruiken in de christelijke gemeenschappen in die vroege dagen lijkt het mij zeer waarschijnlijk. Wij mogen namelijk niet vergeten dat in die gemeenschappen, zoals nu nog bij bepaalde culten regelmatig voorkomt, mensen inderdaad als een soort medium fungeerden voor de H. Geest, zeiden ze dan. U spraken in ‘ton­gen’ en kregen visioenen. Hier is duidelijk sprake van een hysterische opwinding op religieuze basis die dan in bepaalde belevingen uitmondt. Dat deze belevingen over het algemeen niet veel betekenis hebben gehad, is wel duidelijk anders zou er niet zoveel van vergeten zijn. De christenen hebben altijd de neiging gehad de nadruk te leggen op alle putten waarop zij gelijk hebben gekregen. Ik meen dan ook, dat er inderdaad een visioen is geweest. Ik meen niet, dat dit visioen vol­ledig en juist werd weergegeven, omdat de weergave werd aangepast aan de behoefte van de schrijver. Met andere woorden: hij heeft alles wat hij ín zich heeft beleefd zodanig verdraaid en een zodanige vorm gegeven dat het daardoor beter kon beantwoorden aan zijn eigen behoefte aan gezag, aan zekerheid en gelijktijdig een verontschuldiging vormde voor de onmacht, die hij in zich en in een deel van de christenen gevoelde om zich te ver­zetten tegen de toen nog zeer grote invloed van de heidense wereld.

*  Heeft de Openbaring uw inziens wel enige vorm van toekomst zien ten aanzien van het joodse volk of is het werkelijk waardeloos voor deze tijd en de toekomst?

Het is heel moeilijk om daarop een regel antwoord te geven. Ik zal u vertellen waarom. Met enige moeite kunnen wij, vooral ten aanzien van het joodse volk, een aantal gebeurtenissen wel degelijk van toepassing verklaren op hun historie. Wij zouden dus kunnen zeggen: in zekere zin ligt in de voorspel­lingen iets van de geaardheid van Israël. Aan de andere kant bevinden zich allerlei details in de voorspelling die m.i. geen betekenis hebben en die mogelijk alleen zijn toegevoegd om steken onder water uit te delen, als ik het zo mag zeggen. Als ik Openbaringen voor zover volgens mij saillant zou moeten toepassen op Israël, dan zou ik zeggen dat opvallend is: punt 1: de mensen blijven volharden in hun fouten. Dat is ook in Israël het geval. Vandaar dat het de grootst mogelijke eenheid en de grootst mogelijke onderlinge verdeeldheid manifesteert. Punt 2: het is inderdaad geneigd tot een oorlog. Het zal Jeruzalem nooit kunnen prijsgeven al is het niet het nieuwe Jeruzalem en al is er geen nieuwe Tempel. Laten we niet vergeten dat dat eerst kan gebeuren nadat een door de joden erkende Messias is geboren volgens het joodse geloof. Dat ze zeggen; Israël zal zichzelf wel een aantal plagen bezorgen, zal in zoverre wel juist zijn. Ik geloof niet, dat het jodendom ooit te gronde kan gaan. De redenen daarvoor zijn veel omvattend, o.m. door de enorme samenhang en ook de enorme training die ze hebben gekregen en daardoor ook hun vermogen om zich steeds weer aan te passen, veel meer dan andere volkeren. Ik denk, dat ze op den duur zullen overblijven, althans diegenen onder hen die werkelijk joden blijven. En of dat nu uit elke stam 12.000 zullen zijn, dat weet ik niet. Maar ik weet wel, dat het joodse geloof en de band die dit schept op zichzelf van een buiten­gewoon grote betekenis zullen zijn in de toekomst en dat zelfs in de christenheid de belangrijkheid van het jodendom al te vaak wordt onder­schat. Daarom meen ik dat als er overlevenden van een groot aantal rampen of oorlogen zullen zijn daaronder zeker de joden gerekend kunnen worden, althans een deel van hen. Zij zullen het zijn door hun aanpas­singsvermogen, die daardoor een leidende rol gaat spelen. In zoverre zie ik wel iets in de prognose. Maar of ik geloof in een Armageddon, in een nieuw Sion, een nieuw Jeruzalem? Niet in de manier waarop dat wordt voorspeld. Ik meen, dat dat ook voor het joodse volk niet denk­baar of, bereikbaar is.

*  Er werd eens gezegd, dat wij nu in een tijd leven waarin het vijfde Zegel wordt verbroken, over 2000 jaar het 6e Zegel en over 4000 jaar het 7e Zegel. Is dit waar? Waar staan de symbolen van de Zegels voor? Een nieuw tijdperk? Een nieuwe vorm van menselijke bewustzijn?

Als u zich de moeite getroost om de Openbaringen door te lezen, dan zult u zien dat elk verbreken van de Zegels een nieuwe beproeving voor de mensheid betekent. Dan kunt u zeggen: het duurt 2000 jaar voor­ dat het volgende Zegel wordt verbroken. Ik zie dat nog niet zitten. Ik geloof niet, dat het erg reëel is om zo te redeneren. Het heeft in ieder geval wel een voordeel voor u. Als u pas aan het 5e Zegel toe bent, heeft u nog 4000 jaar de tijd voordat het 7e wordt verbroken. In die zin moogt u er voor mij best aan geloven. Ik meen echter, dat u, ‘zegels’ anders moet zien. Niet als staan­ de voor bepaalde tijdperken en zijnde het symbool voor bepaalde ontwik­kelingen zonder meer, maar eenvoudig als een poging om het geheel van de mensheid en de wording van de mensheid in episoden in te delen. Als dat het geval is, dan zult u het met mij eens zijn dat wat vroeger 2000 jaar nodig had om te gebeuren tegenwoordig vaak al gebeurt binnen de 100 jaar. Dat zou kunnen betekenen dat de laatste Zegels misschien een week na elkaar verbroken zouden kunnen worden. Daarom vind ik het een hoopvolle gedachte dat hetgeen daarin beschreven staat als betref­fende de gehele aarde niet voor de gehele wereld als zodanig bedoeld schijnt te zijn, maar alleen voor een bepaald deel van de wereld. In dat verband lijkt het mij nog hoopgevender dat zo vaak het einde der wereld is verkondigd en dat het tot nu toe nog steeds niet is gekomen zodat we daaruit de hoop kunnen putten dat het ook niet zal komen. De mensheid zal verder gaan en zich ontwikkelen tot ze een peil heeft bereikt waardoor het mens‑zijn in stoffelijke vorm geen zin meer heeft. Dat is heel iets anders dan ten onder gaan, tot de laatste men­sen op een ijsschots drijvende aan de noordpool de laatste kerstboom met kaarsjes versieren en uitroepen; Halleluja wij zijn uitverkoren!

*  Geven de Openbaringen enige aanwijzing over de cyclische bewustwor­ding van de mensheid?

Als u goed geluisterd heeft naar hetgeen ik over de Openbaringen heb gezegd, zult u gemerkt hebben dat ik het niet daarin kan terugvinden. Je kunt natuurlijk alles terugvinden in elk verhaal. Je kunt de diepste esoterische wijsheid putten uit Ot en Sien, indien je het maar goed inter­preteert. Maar als we deze wijsheid daarin moeten veronderstellen, dan moeten we ‑ en dat is heel iets anders ‑ veronderstellen dat de profeet beschikte over een wijsheid die hem deed inzien, dat om zijn visioen wer­kelijk betekenis te geven hij zich diende te onthouden van onnodige aan­vallen op de gemeenten waarmee hij in die tijd contact had. Dit is niet gebeurd. Als de wijsheid er niet eens was voor een juist overdragen aan anderen in een tijd waarin het toch belangrijk werd geacht, anders zou het niet geschreven zijn, zonder daardoor strijd op te roepen, dan geloof ik ook niet dat we daarin het bewustzijn moeten zoeken van allerlei men­selijke fasen en episoden. Zeker, u kunt zeggen dat het verbreken van de Zegels staat voor allerlei fasen in de menselijke ontwikkeling en bewustwording. Maar dat is dan uw interpretatie, hoezeer ze dan ook door de feiten bevestigd schijnt te zijn. Toch kun je nooit zeggen dat de schrijver van de Openba­ringen het zelf zo heeft beseft en bedoeld. En als je dat niet kunt zeg­gen, dan blijft alleen nog maar de vraag over, of uw interpretatie niet zeer sterk wordt geleid door een systeem en een stelling die u zelf han­teert als basis van waarheid plus uw behoefte om door indelingen ook in de tijd vooruit te lopen op een werkelijkheid die u misschien vreest te ontmoeten.

*  Na de 12 x 12.000 wordt gesproken over een schare die niemand kan tellen. Zijn dat geen uitverkorenen?

Kennelijk niet, want dan zouden ze als zodanig worden omschreven. Bovendien is opvallend dat, als het gaat over de schare die niemand kan tellen, er gesproken wordt over hen die niet zijn uitverkoren hetgeen bij lezing van de oorspronkelijke tekst zonder meer duidelijk zou worden en zelfs bij lezing in een statenvertaling, zonder meer begrijpelijk zou zijn. De modernere vertalers hebben in hun poging om begrijpelijker te worden helaas vaak bepaalde aspecten een tikje verwaarloosd. U kunt hetzelfde vinden in Engeland maar dan moet u niet de St. James-bijbel hebben. Men had zich als doel gesteld een literaire weergave (inderdaad zeer ge­slaagd) van alle evangeliën maar niet een zo juist mogelijke weergave. Op het ogenblik, dat de mens de vrijheid neemt om te interpreteren, neemt hij gelijktijdig de vrijheid om in feite de boodschap, die hij als het woord Gods zegt te beschouwen, aan te passen aan zijn visie.

*  Kan het dan zijn dat die ‘schare’ later is toegevoegd?

In bepaalde teksten heeft men het denkbeeld van de schare toegevoegd. Dat is ook heel begrijpelijk, want eigenlijk waren de meeste christenen heide­nen; die kwamen dus niet in aanmerking. Waarom zou je dan al die plichten van het christen zijn vervullen, als je tenslotte toch bij het uitschot komt?

v  In het nieuwe Jeruzalem is zoiets als de Boom des Levens waarvan de bladeren ter genezing van de heidenen zijn. Duidt dit toch ook niet op een universele visie van de betekenis van Jezus?

Als u uitgaat van de Openbaringen van Johannes zoals deze letterlijk bestaan, dan wordt er over het nieuwe Jeruzalem wel gesproken, maar niet over een Boom des Levens daarin staande. Dit is namelijk een latere inter­pretatie die gebaseerd is op een kabbalistische benadering. Wij moeten een verschil maken ‑ vanuit mijn standpunt ‑ tussen de later uitgewerkte ver­sies met alle visioenen (inclusief het voorbij trekken van de doodzonden en weet ik wat nog meer) en de kale tekst van de oorspronkelijke Openbaringen. Ik heb geprobeerd mij daarop voornamelijk te baseren. Er zijn zeer veel aanvullende teksten hiervan gepubliceerd. Onder andere in de tijd van Frans I is er een zeer aanvullende tekst van de Openbaringen gepubliceerd in Parijs. De bronnen daarvan blijven echter duister. Ook ver­schillende Bewegingen en Loges hebben aangepaste visies en versies van de Openbaringen gepubliceerd waarbij wederom zij opgemerkt, dat ze zich niet houden aan de oorspronkelijke tekst, maar deze met vele symbolen en toevoegingen verrijkte. En op het ogenblik, dat dat gebeurt, kunnen wij niet meer zeggen dat we spreken over de Openbaringen van Johannes.

Nu dan de Levensboom in Sion. Jeruzalem, het herrezen Jeruzalem zou de toevlucht kunnen zijn voor al­len. Maar dit is een visie die pas in 1600 algemeen geleerd wordt. Dat zij voor de vrome christenen die in de hemel zouden komen zou bestaan, was echter een leerstuk dat al vanaf 500 ongeveer wordt verkondigd. Er zijn dus nogal, wat varianten te vinden. Ik geloof, dat de heidenen niet genezen kunnen worden door de Levensboom, als je niet uitgaat van reïncarnatie. Maar reïncarnatie is een van de aspecten ‑ vergeef mij dat ik het opmerk ‑ die door het christendom nadrukkelijk wordt verworpen.

In de joodse gemeenschappen waren er twee groepen die wel geloofden in reïncarnatie. Een groep geloofde in een leven na de dood, terwijl een van de voornaamste groepen uitging van het standpunt, dat dood dood is en dat men hoogstens wordt opgewekt tot het leven, wanneer het Oor­deel wordt gesproken; M.a.w. aan het einde der tijden. Tot die periode was dood dood en sliep je, rustte je en was je van niets bewust. Ik geloof dus niet, dat je kunt zeggen a. dit beeld behoorde oorspron­kelijk tot de tekst b. dit alleen kan zijn toegevoegd in een periode waarin men afweek van het denkbeeld: God alleen voor ons ware gelovigen, en men uitging van een goddelijke Liefde die allen omvat. Waar dit het ge­val is, moet ze sterk geëvolueerd zijn, want dergelijke denkbeelden – en dan nog maar aarzelend ‑ komen eigenlijk pas honderd jaar na de Reformatie.

*  Zijn er wel visioenen die wat reëler zijn dan deze van Johannes?

Er zijn vele visioenen geweest. Enkele zijn in zoverre reëel geweest dat bv. iemand de brand van Rome door Nero heeft voorspeld. Er zijn visioenen geweest waarmee de contacten met onbekende rijken werden voorspeld, o.a. de contacten met India en met China (Mongolië). Er zijn dus wel veel visioenen geweest die feiten weergeven die in de toe­komst waar worden. De grote moeilijkheid voor alle visioenen is echter dat mensen, die zaken omschrijven die ze niet volledig kennen, over het algemeen beschrijvingen geven die dubieus blijven; Ze zijn namelijk niet ge­heel juist. Tijdstippen in die visioenen aangegeven blijken ook maar zelden ge­heel juist te zijn. En daar waar ze juist zijn, kan zelfs nog de gehele prognose worden aangevochten omdat ze namelijk niet letterlijk weergeeft wat er in die tijd gebeurt, maar het alleen benadert. Dit is trouwens een eigenschap van elk visioen en praktisch elke prognose. Een prognose, die feitelijk juist is, zal over het algemeen in tijd niet juist zijn. Een in tijd juist gegeven prognose zal in beeld of uitdrukking meestal te vaag zijn om beslissend juist erkend te worden.

v  De gnostici doken al heel snel in de eerste christengemeenschappen op en vormden een tegenstelling met wat later ook de orthodoxe leer werd genoemd. Ik heb begrepen dat in de Openbaringen de gnostici geen veeg uit de pan kregen. Wat is daarvan de reden?

Zij werden niet genoemd, tenzij u ook hen ziet als deel van de Nico­laïeten. Omdat de gnostici uitgingen van een totale en goddelijke waarheid die echter voor een ieder toegankelijk was die aan bepaalde voorwaarden zou voldoen. Dan zouden we hen ook weer onder de Nicolaïeten kunnen scharen. De werkelijke gnostici zijn van latere datum. De eerste gnostici treffen we aan voornamelijk in Noord‑Afrika ongeveer 230 na Chr. volgens de huidige jaartelling. Hun hoogtepunt bereiken ze ongeveer in 700. Tussen 700 en 800 zijn er verschillende gnostische richtingen van grote betekenis. Ze worden dan zo machtig, dat ze vervolgd worden. Daarna duiken ze onder. De gnosis wordt dus en soort geheime leer, een soort BS van de geest.

Ik geloof niet, dat we moeten aannemen, dat gnostici als zodanig erkend en omschreven bestonden in de tijd dat Johannes zijn openbaringen geeft. En dan is het ook duidelijk, dat hij over deze dingen niet spreekt, omdat hij ze niet kent. Wat weer de vraag doet rijzen: hoe het dan komt dat deze op zich toch zeer belangrijke richtingen in het christelijk ge­loof niet genoemd worden in het visioen dat van engelen komt die alles over de toekomst weten? Dan zou een waarschuwing daartegen of een be­vestiging ervan m.i. toch wel op zijn plaats zijn geweest. Vooral omdat de gnosis zich niet alleen bezighoudt met het aspect van het christen­dom zonder meer, maar ook met aspecten van eeuwigheid, de mens in de tijd, de verbondenheid van de mens in de eeuwigheid met bepaalde krach­ten. Iets wat ergens toch aansluit bij het wezen van althans een deel van de Openbaringen.

U ziet het, ik kom alweer met een twijfel. Waarom niet, als we weten dat voor het christendom een ontwikkeling daarvan juist voor de gnostici en voor alle richtingen daaruit voortkomende van zo’n groot belang zijn geweest? Mijn antwoord is dan; Het werd niet gekend in die tijd. Zou het wel genoemd zijn, dan zou dit volgens mij moeten betekenen dat Johannes inderdaad een visioen heeft gehad. Een visioen dat werkelijk was; dus van buiten hem komend dat hem werd gegeven. Dit is niet het geval. Ook ten aanzien van andere zaken in het christendom, die toch wel heel erg belangrijk zijn, zien we dit niet. Daarom vraag ik mij ook af waarom al die zaken die historisch zo belangrijk zijn in het christendom niet worden genoemd en vele dingen die maar ten dele of niet helemaal zijn uitgekomen wel. Dat maakt het allemaal erg dubieus.

* Heeft u als entiteit contact kunnen hebben met de entiteit Johan­nes?

Neen. Dat is heel erg jammer. Wij hebben wel gegevens over hem ver­kregen, maar wij kunnen hem niet vinden in de lichtende sfeer. Dat is op zichzelf niet bepalend, maar het geeft ook weer te denken. Het kan na­tuurlijk zijn dat hij volbewust is geïncarneerd en dat niemand dat mag we­ten of dat hij op een geheime missie is of iets dergelijks. Waarschijnlijk lijkt het mij echter niet. Wij hebben de contacten afgezocht tot aan de grens van het verblindende licht. Als hij daar achter is, ja, dan kan ik niets zeggen. Ik kan niet met zekerheid zeggen: hij is er niet meer of. Hij hoort niet in de lichte wereld thuis. Ik kan alleen zeggen. Wij hebben samenhangend met dit onderwerp, dat overigens al vele malen is gesteld in verschillende vormen, gezocht naar contact met de schrijver. Wij hebben hem niet kunnen vinden. Een conclusie dienaangaande durf ik niet trekken; ik kan het niet met zekerheid doen.

­Epiloog:

Misschien is het u opgevallen dat ik niet alleen maar gesproken heb over de betekenis en de juistheid van de Openbaringen. Ik heb ook duidelijk gemaakt, dat hetzelfde eigenlijk ook geldt voor de Evangeliën. Wij weten dat ze pas ontstaan, althans zijn neergeschreven, in een tijd dat er niet veel tijdgenoten van Jezus meer in leven zijn geweest. Wij weten dat die geschriften voornamelijk gebruikt zijn om propaganda te maken. Opvallend is, dat de twee eerste Evangelisten zich daarbij erg veel moeite hebben getroost om duidelijk te maken waar Jezus is geboren, uit welk geslacht hij stamt etc.

Dit wijst erop dat in de tijd dat deze geschriften ontstonden men nog intens bezig was met de zending over het jodendom. Want juist daar zou dit vervullen van oude voorspellingen heel erg belangrijk kunnen zijn voor de erkenning van Jezus als Messias.

Dat de twee latere Evangelisten dit in veel mindere mate doen, toont weer aan dat deze Evangelisten op een andere manier en waarschijn­lijk tegen een ander publiek spreken. Er zijn meer dingen opmerkelijk. Zo komt er in een van de Evangeliën een opmerking voor over doktoren. Wat minder gunstig in samenhang met de wonderen die Jezus doet. Een ogenblik later komt Marcus en die weet van de dokter geen kwaad. Geen wonder, hij is er zelf een.

Iemand, die zich sterk met de Romeinen verbonden gevoelt, zoekt natuurlijk een excuus te vinden voor Pilatus. Aan de andere kant weten we heel goed dat de man zeker niet zo halfzacht was als hij werd voor­gesteld. Het was een zeer eigenzinnig mens die ook heus niet zo edel was, want hij heeft zich wel rijk gestolen. Dit laatste kunt u terugvin­den bij de Romeinse historici. Dit zijn geschriften die door tijdgenoten zijn vastgelegd. Al die dingen bij elkaar maken het erg moeilijk het chris­tendom reëel en wetenschappelijk te benaderen.

Het is een geloof. Een geloof is iets dat zelfs bestaat tegen de feiten in. Laten we daar dan vrede mee hebben. Als wij iets innerlijk beleven, dan is dat voor ons een waarheid tot het ogenblik dat wij inner­lijk niet meer kunnen weten, niet meer kunnen geloven. Dan pas komt de rede.

Als ik spreek over de Openbaringen van Johannes, dan spreek ik ver­standelijk, dan spreek ik uit een zoeken en weten dat alleen kan voortko­men uit mijn gevoel van onvoldaanheid, omdat zovele malen het einde der we­reld werd aangekondigd juist op grond van deze voorspelling en telkenmale is uitgebleven. Ik tracht duidelijk te maken dat geloven iets anders is dan weten. Als wij het helemaal nagaan, dan weten we zelfs niet eens of Jezus nu werkelijk heeft geleefd of niet. Er zijn maar een paar meldingen uit his­torische bronnen over het bestaan van Jezus. En dat nog niet eens als per­soon maar als basis van een aantal volgelingen: zijn naam waaromheen zijn volgelingen zich groeperen. Als wij kijken naar de verschillende schisma’s, de verschillende ge­loofsbelevingen en interpretaties die in de eerste jaren van het christen­dom reeds optreden, dan is het ook duidelijk dat er in dat christendom heel veel wordt geïnterpreteerd. Maar als je begint te interpreteren, dan bete­kent dat dat je niet zeker bent van de feiten. Er is dus geen kern van zekerheid, zelfs niet in die eerste dagen.

Daarom is het ook niet belangrijk, of wij het geloof van die eerste dagen terugvinden. Het belangrijke is, of wij ons geloof terugvinden. Ons geloof wordt dan niet bepaald door historische feiten, maar door in­nerlijke zekerheden, aanvaardingen en belevingen, die voor ons beslissend zijn. Dat houdt echter ook in, dat wij ons geloof nimmer aan een ander mogen voorhouden of opleggen als het enig ware geloof. Een geloof, dat in mij bestaat, mag dat door mij niet bewijsbaar is naar buiten toe, kan nooit een onomstotelijke waarheid zijn voor een ieder. Wie leeft en zoekt, vindt waarheden. Elke waarheid is een breukdeel van de werkelijkheid. Een ieder zal op zijn eigen manier, vanuit zijn eigen breukdeel van de werkelijkheid moeten zoeken naar de beleving van een totale waarheid. Eerst omtrent zichzelf, dan omtrent het zijn en tenslot­te omtrent de bron daarvan.

Johannes heeft dit mogelijk op zijn manier gedaan. Maar het is zijn droom, geen bewijsbare en onaantastbare waarheid. Leef dan vanuit de God die in u leeft. Werk vanuit de zekerheid die in u bestaat. Maak uzelf waar naar uw beste weten. Probeer uzelf te kennen zo goed als u maar mogelijk is. Als u deze dingen doet, dan is het andere bijkomstig.