De panchen lama Achien Dorjé van het klooster van de gouden Schijf

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 18

13 mei 1956

Wij zullen vandaag iets van het gebruikelijke programma moeten afwijken. Ik heb n.l. voor vandaag een speciale tweede spreker, n.l.: de panchen lama Achien Dorjé van het klooster van de gouden Schijf.

Deze leeft op aarde, maar gezien de beschouwingen en openbaringen daar in de laatste tijd, leek het ons dienstig zijn boodschap ook onmiddellijk aan U door te geven. Voordat wij echter daartoe overgaan, zal ik U graag willen uiteenzetten, waarom wij dit doen en in welke zin U de ontvangen boodschappen zult moeten interpreteren.

Zoals U weet zijn er nog enkele kloosters over, hoofdzakelijk in het Oosten, in Azië, die op de oude basis verder werken. Een groot gedeelte van de esoterische krachten van de meesters en leiders hebben ondertussen reeds een ander centrum gezocht en een deel van hen verblijft daar ook reeds. Anderen zijn op aarde nog werkzaam.

Nu gaan wij uit van de volgende stelregel: Elke mens, en ook de mensheid als geheel en de volkeren als geheel, kennen perioden van beproeving. Bewustwording is niet mogelijk, zonder dat zo nu en dan strijd ontstaat. Deze strijd moet worden uitgevochten in het innerlijk van de mens. Maar wanneer de mens niet in staat is zichzelf te overwinnen, dan wordt deze strijd naar buiten toe geprojecteerd en wij zien grote oorlogen e.d. ontstaan.

Die invloeden hangen onmiddellijk samen met de werking van de grote kracht, de zon. Er zijn in het verleden al verschillende tijdstippen geweest, waarop deze zon buiten haar normale functies van beïnvloeding plotseling zeer grote krachten op deze aarde afstuurde. U heeft dat over het algemeen waargenomen als een buitengewoon sterke periode (ook onregelmatig sterke periode), waarin zonnevlekken ernstige storingen op aarde veroorzaken.

Dit gebeurt bewust; en niet zonder reden is de laatste tijd de activiteit van de zonnevlekken steeds toegenomen. Er is hier wel degelijk sprake van een overlegd beïnvloeden van de aarde. Wij echter, die met ons genootschap, onze broederschap ook, samenwerken met de grote Witte Orde, moeten trachten om deze ontvangen impulsen op aarde zo juist mogelijk te doen aanvaarden en verwerken.

Dat is ons niet zo goed gelukt de laatste tijd. En toch wordt het nodig, dat steeds sterkere invloeden op deze wereld neerdalen. De tijd is niet zo ver meer, dat deze wereld klaar moet zijn voor een nieuwe esoterische bewustwording. Dat wil vooral zeggen, dat de mensheid klaar moet zijn. En zij zal moeten worden geconfronteerd met de noodzaak in zichzelf te strijden en de strijd tegen anderen te staken.

De vier vorige perioden hebben allen tot resultaat gehad: oorlogshandelingen. Wij hopen, dat de komende hoogteperiode, die ligt in het jaar 1961 tussen mei en juni niet zal betekenen, dat de mensheid wordt teruggebracht tot een klein overblijfsel, waarin dan wel een nieuwe bewustwording mogelijk is.

De periode daarna, een periode van een jaar of 6 á 7, moet hoofdzakelijk worden gebruikt om dan weer op adem te komen. Dan zal de mensheid steeds meer naar het geestelijke moeten toe denken en gelijktijdig stoffelijk de maatregelen kunnen treffen, om zo een aanvaarden van de dan geopenbaarde nieuwe wereld leer mogelijk te maken. Want het jaar 1972 is n.l. het jaar, waarin – tenzij kosmische krachten ingrijpen – een nieuwe wereldleraar zich volledig zal openbaren.

U zult dus begrijpen, dat deze dingen voor ons allen van groot belang zijn. En de groepen, die in het Oosten zijn, kunnen op het ogenblik nog – gebruik makende van de oude kanalen – hun waarschuwingen in de wereld uitzenden. Dat is dan ook al meerdere malen gebeurd.

Dat nu het klooster van de Gouden Schijf deze beschouwing en waarschuwing ook gelijktijdig de wereld heeft ingezonden, is een teken, dat men op het ogenblik proberen wil voordat de laatste weg, de laatste band, verbroken wordt vanuit het Oosten nog eenmaal onder de aandacht te brengen, hoe zeer het noodzakelijk is tot zelfoverwinning te komen, tot verdraagzaamheid en naastenliefde. Hoezeer het noodzakelijk is om ‘s levens strijd binnen het ik te verwerken en zo te komen tot een esoterische en esoterisch verantwoorde aanvaarding van de krachten rond ons. Ik wil dit niet doen. Ik wil alleen een paar opmerkingen maken.

In dit jaar, over enkele maanden reeds, worden de grond slagen gelegd voor de komende verandering. Wij hebben dan te maken met een z.g. diepteperiode, waarin dus nieuwe impulsen op aarde kunnen worden gelegd. Ik voor mij geloof niet, dat deze zich zullen openbaren, op een voor U onmiddellijk kenbare wijze. Wel weet ik, dat van hier af beslissingen gaan vallen.

U leeft in het jaar onzes Heren 1956. Een kritiek jaar in vele opzichten. Een jaar, waarin bepaald zal worden, of deze mensheid verder de vernietiging toestreeft of niet.

Bewijzen daarvoor zullen de mensheid worden gegeven. Want zoals de oude wijsgeren reeds zeiden: “Zij, die spelen met het vuur der goden, vernietigen zichzelf en schenden hun aangezicht voor alle wereld.”

Het aangezicht des mensen is meer dan zijn leven. Het is al datgene, wat hij heeft voortgebracht. ‘t Is zijn maatschappij, zijn beschaving, zijn nageslacht, zijn gedachten en zijn filosofie.

De wereld speelt op het ogenblik met het vuur der goden. Het vuur der goden in het gesublimeerde atoomvuur, dat nog niet voldoende wordt geschat op juiste betekenis en waarde. Men zal moeten besluiten, in dit jaar nog, hoe men wil verdergaan. Of men alle goede gaven van het Goddelijke tot wapen wil ombuigen, ofwel dat men Gods gaven wil gebruiken in de zin, waarin ze werden gegeven: Een middel tot grotere bewustwording. Dit zijn de achtergronden.

Het is op het ogenblik niet mijn taak om met U te gaan spreken over alle verdere mogelijkheden. Het is niet de bedoeling om door te dringen in de toekomst. Maar eerst wanneer ge dit beetje van de wereld in Uzelf bevat, zult gij kunnen begrijpen, wat de panchen lama met zijn boodschap zeggen wil.

Wij moeten goed begrijpen, dat het Oosten spreekt in symbolen. Wij moeten ook goed begrijpen, dat van een letterlijke verklaring of vertaling van deze woorden weinig heil te verwachten is. Wanneer mij dit noodzakelijk lijkt, zal ik dan ook zo vrij zijn om ook verder nog commentaar te geven, nadat de spreker, die deze mededelingen overbrengt, zich heeft teruggetrokken. Ik zou echter thans allereerst Uw aandacht vragen voor zijn woord.

o-o-o-o-o

Er is een tijd, dat de wereldlotus zich voorbereidt tot hernieuwde bloei. Er is een tijd, dat het oude in de wereld moet sterven en het nieuwe in de wereld zich zal gaan openbaren en uiten, want alle leven is wisseling en verandering.

Wij, die gevangen zijn in de waan van deze dagen, beseffen nog niet de vormende en groeiende kracht, die in en rond ons werkzaam is. Het onbegrip voor deze waarden overspoelt Uwe harten, o broeders, met steeds grotere twijfel en onrust. De vrede schijnt ver gevlucht en niet meer te vinden. Zo hoor de stem van de Oneindige, Die heeft geopenbaard aan hen, die durven treden in het hof van de Heer der wereld.

“De proef is opgelegd. De aarde zal sidderen en beven in verwachting. En de winden zullen de zee tot over het land dragen. Maar de mensen zullen niet gedeerd worden. Ze zullen slechts geschokt zijn door het onverwachte geweld van krachten, die ze menen te beheersen.”

In de lucht zullen zich tekenen vertonen. En krachten uit het Al, zullen vanuit het licht van de nacht tot de aarde vlieden en hun stem doen horen. De wolken zullen zich vertekenen in vreemde gloed als profeteerden zij ondergang.

In sommige streken zal de zee van kleur veranderen en als een kleur van bloed zal zij de kusten van het grote land bespoelen. En een ieder zal zich afvragen, wat deze tekenen te beduiden hebben.

Dan zal een stem zich kenbaar maken in de mens. En een ieder zal zich zeggen: “Lauw en twijfelmoedig ben ik geweest. Dit is niet de tijd voor aarzeling. Het is de tijd voor de daad.” En tot de daad zal men komen. Want zo is het geschreven in de Raad en neergelegd door de Heerser, Die dit bekrachtigd heeft.

Hoedt U echter voor de daad der mensen, die niet beseffen het heilig zaad, dat openbloeit. Zij zullen wetten scheppen, zij zullen daden stellen, die geboren zijn uit duisternis en afgrond. Men zal de rechten van een ieder vertreden en mens zal tegen over mens staan ommentwille van een klein verschil van uiterlijk, alsof zij geschapen waren tot eeuwige vijandschap.

Het land, dat in het Zuiden zich in zand en oerwoud spiegelt, zal doortrokken zijn van een vuur van haat, dat de wereld overrompelt. Het Oosten zal zijn stem verheffen en – na tegen zichzelf verdeeld te zijn geworden – nieuwe kracht en eenheid winnen.

Het land, dat zijn gebouwen doet torenen tot de wolken, zal armoede en leed kennen. En wreed zullen de dag en zijn voor de kinderen, die heden geboren worden.

Zuidelijk daarvan zal een nieuwe statenbond ontstaan en spreken: “Ziet, wij hebben de waarheid en de verlossing.” Rond Uw eigen land zal strijd en verwarring komen. En men zal het ene woord spreken, doch de daad van de ander stellen.

Indien U deze tekenen waarheid ziet worden, zo bereidt Uw hart voor. Want onaantastbaar boven al hetgeen de wereld kan doen ondergaan, staat de kracht van de grote, lichtende geest, die op deze wereld neergedaald zich voorbereidt; voor zijn verlossende taak.

De Meester is gekomen. Nog zwijgt Zijn stem. Bereidt U echter voor. Want zo Zijn stem klinkt; zal zij de verlossing betekenen voor een ieder, die hoort. Bevrijding van stoffelijke nood en zorgen. Bevrijding van geestelijke twijfel.

Zij, die dit aanvaarden, zullen gaan, alles achterlatende; en geleid door Zijn kracht en stem, zullen zij de bloeien de Lotus ontmoeten en in deze bloei zichzelf verheerlijken.

De tijd van de weg van het midden is voorbij. De tijd van hen, die een kruis dragen en naastenliefde spreken, is volteld. De maan, fier geheven in het groene veld, zal vallen. Wanneer echter de vele stemmen zeggen: “Ziet, ik ben de waarheid,” zo luister naar Uw hart. Want het nieuwe teken, de opgaande pijlen, zal de bewustwording betekenen voor hen, die de geestelijke kracht vinden om de beproeving te doorstaan.”

Dit alles heb ik gehoord getreden voor de Raad ziende de Heer der wereld, die komt. Niet lang meer is de tijd, dat het lot dezer wereld verknoopt zal worden met alle leven rond deze zon. Niet lang meer is de tijd, dat ge zult wachten en vragen. Uw wijsheid zult ge vernederd zien tot in het stof. Uw leringen zult gij zien als het spel der kinderen. Maar het licht der waarheid zal U reinigen. En dan zal vervuld zijn, wat beloofd is voor deze cyclus. Want ook in dit uur heeft de grote Kracht gesproken.

o-o-o-o-o

Die woorden zijn natuurlijk vol van betekenis. Sta mij echter toe ze te interpreteren, opdat ge niet plotseling U overrompeld zult voelen door hieruit opkomende angstgevoelens, rampverwachtingen en wat dies meer zij.

Het bloeien van de wereldlotus betekent een nieuwe periode van geestelijk grote bloei op deze wereld. Op het ogenblik, dat deze bloei begint, ontwaakt de mensheid opnieuw. Kort voor haar ontwaken is de mensheid nog onbewust. Wanneer dit symbool dus wordt gebruikt, wil men aangeven, dat een periode van vernieuwing te wachten staat.

Verwacht echter deze periode nog niet in Uw eigen tijd. Zoals ik U reeds zegde, de wereldleraar komt over ongeveer een jaar of 16. Tenminste in het openbaar met Zijn leerlingen. Dan zal Hij over de gehele wereld Zijn stem doen klinken. Maar dit is de voorbereiding. Dit is nog niet de bloei zelf.

Het tijdsbegrip van het Oosten is vaak wat verward en daardoor klinkt het in deze redevoeringen, of al deze dingen onmiddellijk vervuld zullen worden. Ook dit is niet waar. De periode, waarover gesproken wordt, bevat ca. 100 jaar, waarschijnlijk iets meer. Wanneer hij echter spreekt over de tekenen, zo geloof ik, dat U binnenkort deze tekenen zelf zult kunnen waarnemen.

Verwacht geen wonderen. Het is een visioen. Een eigenaardig lichtschijnsel, waardoor plotseling een gezicht vanuit de hemel op U neer schijnt te staren. Het is een spookachtige valling van een ondergaande zon, die U een atoomwolk voorspiegelt. Het is een kruis, dat door vliegende vogels in de lucht wordt getekend. Het is misschien ook een voertuig van buiten deze aarde, dat een ogenblik rondcirkelt en ondanks alle geheimhouding bekend wordt als een raadselachtig wezen boven een der grote vliegplaatsen, die deze wereld kent.

Laat U dus niet verwarren. Wanneer men zegt, dat de zee over het land zal slaan en de mensen niet zal schaden, denk dan niet in de eerste plaats aan grote overstromingen en rampen. Denk hier in de eerste plaats aan een zodanige regenval, een zodanige neerslag, dat in de kustgebieden het verkeer vaak geheel zal worden ontwricht.

Al deze dingen, die besproken worden, hebben wel degelijk hun betekenis, maar het is geen letterlijke. Denk dus niet na over rampen. Belangrijker is echter het punt, dat men reeds thans moet beginnen zich voor te bereiden op de geestelijke krachten, die zich gaan openbaren. Dit mijne vrienden is noodzakelijk, wil men enigerlei bewustwording kunnen vinden in de komende tijd. Want degenen, die zich tot de stoffelijke verschijnselen wenden, die zullen – daar ben ik van overtuigd – worden meegesleurd door reeksen van in de wereld optredende spanningen en hun geestelijk bestaan en leven in stoffelijke zorgen vaak vergeten.

Wat verteld wordt omtrent de verschillende werelddelen, behoort bij de gebruikelijke jaarprofetieën, die in verschillende kloosters worden uitgesproken. En inderdaad is het mogelijk, dat Afrika een grote revolutie doet zien; maar waarschijnlijk niet binnen de eerste jaren. Evenmin is het waarschijnlijk, dat een Zuid Amerikaanse statenbond binnen een jaar tot stand komt. Uit deze twee punten, die onjuist zijn, kunt U waarschijnlijk na gaan, dat ook de andere in deze tijd van binnenkort, binnen een jaar althans, niet vervuld zullen worden. Het zijn processen, die zich afspelen, en die in de loop der jaren, waarschijnlijk een vijftien á twintig jaar, wel tot werkelijkheid zullen worden. De tekenen hiervan zullen ongetwijfeld al eerder kenbaar zijn.

Dus nogmaals: Geen rampverwachtingen. Geen verwachtingen van plotseling onheil. Dit helpt U niets en baart U slechts teleurstellingen. Wel echter is voor U belangrijk, dat U weet, dat deze wereld verandert en daardoor het geestelijk element nog meer dan voordien werkzaam doet zijn binnen Uw eigen wezen en leven.

Sta mij dan toe om hiermede dit afzonderlijk deel van de bijeenkomst te besluiten. Ik geef het woord over aan een spreker, die verder zal gaan met de normale beschouwingen, zonder dat we hier een pauze inlassen, waar U de wens te kennen hebt gegeven een onderbreking der bijeenkomst te willen elimineren.

o-o-o-o-o

Het is misschien erg moeilijk voor mij om nu een passende manier van verdergaan te vinden. Want we willen na al dit gesprokene onze geestelijke ontwikkeling en scholing toch niet helemaal verwaarlozen, niet waar? Daarom hoop ik, dat U de aandacht zult kunnen vinden om mijn, misschien wat meer filosofisch betoog gebaseerd op de oude waarheden, te kunnen volgen.

Er is eens geschreven en dat is nog niet eens zo lang geleden:

“Het menselijk denken is een dwaaltuin, vol van wonderlijke verrassingen. Men vindt in deze dwaaltuin alles, behalve een uitweg.”

En deze verklaring is zoveel te opvallender, omdat ze komt uit de mond van een zeer modern, zeker niet esoterisch geschoold filosoof.

Want vreemd genoeg zijn zelfs de oudsten onder de filosofen en denkers, de meest verlichten uit lang vergane tijden zelfs, het met deze uitspraak eens. Heeft zelfs Esir niet eens gezegd tot zijn broeder: “In de verwarring der gedachten schept de mens zich goden en duivelen. En hij vindt alles, behalve zichzelf, of de Kracht, waaruit hij leeft.”

Verwarrend is het denken van de mens. En och, het is begrijpelijk. Want je bent gebonden aan voorstellingen en gedachten uit je eigen wereld. Je bent gebonden aan de regels en wetten, zoals je meent die te kennen. Niet beseffende, dat deze slechts zeer beperkt gelden. En dat de werkzaamheid van die wetten op deze manier toch eigenlijk hoofdzakelijk wordt tot stand gebracht door Uw eigen onbewustzijn, waaruit als reflex voortvloeit: een verkeerd beleven van de waarheid. Wanneer wij allen eerlijk en overtuigd streven naar waarheid, dan is het gevaar niet uit gesloten, dat we toch nog in deze doolhof verstrikt blijven.

Een leerling van Boeddha de laatste Boeddha schreef eens dit hierover neer:

“Wij zeggen: “Ik zoek waarheid.” En ziende iets, dat ons bekoort, spreken wij het aan en zeggen: “Waarheid, geleid ons.” Zo onze mening waarheid noemende en de waarheid zelf verlatende.

Dat zijn punten, vrienden, die wij niet over het hoofd mogen zien. Zeker niet, wanneer ge zoals zo even haast wordt overdonderd door de wonderlijke werkingen, die plaats vinden; door de ernstige aankondigingen, waarschuwingen en openbaringen, die U krijgt. Want maar al te groot is het gevaar, dat ge zegt: “Ja, dat stemt overeen met wat ik geloof, wat ik denk, wat ik berekend heb.” En dan zegt ge tegen een deel van zo’n redevoering: “Ja; dit is waar, want dat weet ik.” En daarmee verloochent ge de waarheid. Want ge zoekt alleen Uw eigen mening terug te vinden in de uitingen, openbaringen, aanzeggingen van anderen.

“Zolang gij zegt ik weet;” merkt een oud filosoof op, “geeft gij uiting aan Uw onwetendheid. Want slechts zij, die zichzelf kennen, durven over onwetendheid in zichzelf te spreken.”

Een verstandelijk weten is voor ons een onmogelijkheid, om dat onze eigen stem spreekt en wijzelf die aanhoren, al menen wij, dat deze stem de openbaring der schepping is. En toch moet er een weg zijn, om dieper door te dringen in de betekenis zelfs van uitingen, als U zo even hoorde. Ook daar ken ik een aardig citaat voor.

“Wie waarheid zoekt, zoeke niet met zijn gedachten of met zijn daden, maar met zijn wezen. Wanneer de waarheid in ons wezen wordt geopenbaard, zullen onze daden ze kunnen weerspiegelen, zullen onze gedachten een omlijning en vorm aan een deel dier waarheid kunnen geven. Zolang we echter niet eerst de waarheid ontvangen hebben, zullen onze gedachten, onze daden, slechts een weerspiegeling zijn van onze eigen persoonlijkheid en zo het rijk der begoocheling voor ons bevestigen.”

Ik geloof, dat ook dit voor U duidelijk verstaanbaar is. Want de waarheid is meer dan wij zijn. Wij kunnen immers de waarheid niet overdenken, met alleen onze gedachten vinden. Wij kunnen zoeken naar een beeld, dat ons bevredigt, dat ons richting en kracht geeft in de wereld. Zoals eens werd geschreven:

“Beter, dat ik mijzelf vind in de waan en goedkeur, wat ik ben in waan, dan dat ik in de waarheid mijzelf verloochen. Wij moeten onszelf zijn. Wij moeten een beeld hebben van een wereld en van een bestaan; zonder dat kunnen we niet leven. Maar wanneer we het juiste beeld voor ons vinden, behoeft dat nog niet de waarheid te zijn.”

Gelukkig wordt ons een troost gegeven in oude, geopenbaarde geschriften, die zijn opgenomen onder de Oepanishads. “Wanneer ik één ben met mijn wereld, klinkt de stem der groten in mij. En als held herboren, zal ik gaan en staan op alle slagvelden.”

Wanneer een mens voldoende bewustzijn bezit om zichzelf met zijn wereld één te maken, dan is deze mens zo sterk, dat zijn bewustzijn dat niet in stofgedachten, woorden, daden, of zelfs geestelijke sfeerbeelden wordt uitgedrukt, maar dat het bestaan van zijn wezen a.h.w. zelf aan hem openbaart vrijkomt om de goddelijke krachten (en dus ook de goddelijke waarheid, die niet tot één mens beperkt is) in zich te laten leven. En dan sta je als held, d.w.z. als voorvechter, als onkwetsbare. Want jouw hele uitdrukking zal voortdurend zijn door het aanvoelen in je, het onbewust erkennen “Geloof” misschien, als U het zo noemen wilt. Alles via de wegen van Uw eigen ontwikkeling. Op elke plaats, waar strijd is en waar ge aanwezig zijt.

Dit is de waarheid. En doordat ge werkelijke waarheid zult kennen en openbaren, zult ge elke vijand op de duur kunnen verslaan, zoals de helden in vele legenden. Dan zal het U misschien overkomen, dat ge zwaar gewond zijt. Maar als ge doorstrijdt, zult gij gezond herlevend opstaan, terwijl uw vijanden wegvluchten of verslagen zijn.

Mag ik mijn lesje kort gaan samenvatten? Niets op de wereld is van groot belang tenzij voor onszelf. Wij moeten een weg vinden, waardoor wij met ons bestaan, met onze wereld, ja tot op zekere hoogte a.h.w.. met onszelf tevreden kunnen zijn. Wij moeten het bestaan kunnen aanvaarden zonder enige wrok, zonder enig verzet en toch met volle kracht steeds onszelf zijnde, voortdurend en te allen tijde. Dan zijn we in staat langs de weg van de intuïtie of als ik het zo noemen wilt “de hooggeestelijke sferen” een waarheid in ons te dragen, die geen mensen woord, geen mensengedachte kan uiten. En deze waarheid zal ons het wapen zijn, waarmee wij de wereld kunnen overwinnen, waarmee wij onszelf vrede, geluk en bewustwording kunnen geven. En krachtens dit ervaren zullen wij steeds sterker, en groter herrijzen, tot wij – ergens in onbekende, geestelijke sfeer – de voleinding van ons bestaan zullen vinden in een volmaakte waarheid, die uiteindelijk begrepen wordt.

Dat was de bedoeling van het betoog van vandaag, vrienden. Ik ga het woord overgeven aan de volgende spreker, die tevens voor U zal besluiten, maar zoals hij hier juist zegt, vóór die tijd ook gaarne zelf nog even aan het woord zou zijn.

WERKZAAM ZIJN

Langzaam gaan mijn moede schreden. Ik draag mijn lasten slechts met pijn. Ik kijk terug naar het verleden en wil nog ‘n wijle werkzaam zijn. Ik ben gegaan langs ‘s levens paden, ik heb gespeeld, gedanst, gezongen – en toch, soms was het, of uit Pinkstervuur, gevormde tongen me bezielden en zeiden voort te gaan, voort te werken in ‘t bestaan, te scheppen, te bouwen, zonder eind, om wereld na wereld aaneengetwijnd te bouwen tot sierwerk voor ‘t licht van een God? te vergeten mijn wezen, mijn werk en mijn lot en slechts voor mijn God nog werkzaam te zijn.

‘t Is spelen en werken, ‘t is denken en dromen, waaruit het leven van geesten bestaat, zoals ook de mens een leven van denken, van daden, en dromen onbewust ondergaat. Maar boven dat alles zijn krachten gekomen, die leven in ’t wezen, die drijven je zijn. Die maken je groot en sterk en verheven, terwijl daden en denken nog nietig zijn, klein.

Want God in je denken en werken en streven verheft je boven wat jezelf bent; Hij geeft je als ‘t ware reeds in het leven deel aan Zijn huis; en slaat je een tent in de woestijn van het bestaan. Hij toont je de bronnen om je te laven, zodat je steeds weer voort kunt gaan en werkzaam zijn door heel het leven zonder haat… en zonder pijn. Want je leert je dan uit het Lichte te laven en innig met God steeds verbonden te zijn.

Je werken en streven, die vormen je leven, ze geven betekenis aan je bestaan. Te denken, dat je met gedachten kunt schenken iets nieuws en iets wonderlijks, is meestal waan, wanneer ‘t niet wordt onderstreept door de daad. Dat is de werkelijkheid. De daad, uit gedachten geboren eens, was de schepping, de eeuwigheid geopenbaard. En zo werden stof en geest gepaard en brachten zij Uw wezen voort.

En dan denkt ge;”’k Heb het leven volbracht.” Nog een korte wijle schemert het zijn, ,en dan volgt de dood en de nacht. Waarom zou ik verder nog werkzaam zijn? Ik heb al zoveel gedaan. Ik liep door het leven zo veel en zo snel. Laat m’eind’lijke eens stille staan.

En dan klinkt de stem van de God in je hart, de stem, die je drijft, tot je streeft; “Werkzaam zijn is de last van de mens, zolang in de mensheid hij leeft. Werkzaam zijn is je taak en je doel, om te vervullen wat Ik in je schiep. Want tot werkzaamheid schiep IK zelf reeds de mens toen IK ’t licht in de hemelen riep.”

Dan ga ge je weg, je volbrengt je taak en vindt vrede, juist door werken en streven. En zo vervul je de godd’lijke Kracht met Haar last en Haar opdracht, zoals ze bestond en zich uitte in heel je leven.