De paradox van het menszijn

21 maart 1958

Allereerst zou ik op willen merken dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wanneer u zelfstandig nadenkt zult u de beste vruchten kunnen plukken van al wat wij hier naar voren brengen. Deze avond zou ik gaarne met u willen spreken over:  De paradox van het menszijn.

Ofschoon menigeen het gedrag van zijn broeders en zusters wel als paradoxaal zal willen betitelen, is men over het algemeen niet bereid dit ook op het menszijn zelf toe te passen. Toch meen ik dat er voldoende redenen bestaat om dit zeer uitdrukkelijk te doen. Laat ons een ogenblik de tegenstellingen in het menselijke gedrag bezien. Misschien kunnen wij dan daaruit ook een conclusie trekken over het menszijn. Vanaf het begin der mensheid heeft de mens verlangd naar vrede. Gelukkig maar, dat de natuur ernstig eraan meewerkt; mochten de restanten van dit verlangen verdwijnen, ware anders thans de gehele aarde al een groot kerkhof. De mens verlangt altijd weer naar een groter geestelijk inzicht en naar het betreden van ongeziene werelden. Wanneer wij de praktijk bezien, blijkt dat de materie toch wel in alle opzichten wordt behandeld als belangrijker en als meer zwaarwegend. De gevolgen daarvan zien wij onder meer in de vaak onredelijke verschillen van leefwijze, rijkdom en wat dies meer zij. De mens predikt maar al te vaak en in vele perioden het meesterschap van de rede. Toch is hij niet in staat zichzelf redelijk te gedragen tot zijn omgeving. De mens beroept zich op de Goddelijke Kracht en waarheid, op de waarde die gelegen is in het geloof. Veelal ziet hij echter geen mogelijkheid om bij het belijden van een geloof verder te komen dan een lippendienst aan het geloof, dat hij zegt te aanvaarden. Conclusie: de mens verlangt het tegendeel van wat hij is. De mens tracht te bereiken, wat tegengesteld is aan zijn eigenlijke neigingen. De mens strijdt vooral voor datgene, wat juist door die strijd zelf al vernietigd wordt. Is dit geen paradox?

Er schijnen vreemde factoren in het menszijn te schuilen, die alles wat eenmaal het menselijke peil bereikt heeft, in deze voortdurende tweestrijd schijnen te verwikkelen. Nu is het misschien eenvoudig om aan de hand van vele eerwaardige esoterische spreuken aan te tonen dat het doel van de mens dan ook elders is gelegen. Dit komt zelfs in vele volksuitdrukkingen naar voor. De geliefde persoon spreekt men wel aan als “engel” – dus als een wezen, dat eigenlijk thuishoort op een bovengelegen etage van het zijn. Zijn tegenstanders echter wenst men met even veel vuur naar de hel. Met andere woorden, naar het souterrain van de menselijke visie op het heelal. Degenen, die dit doen, moeten dus wel op de een of andere manier zich van een voortbestaan bewust zijn. Zij zijn er vaak van overtuigd, dat het belangrijkste deel van het bestaan eerst na de stoffelijke dood begint. Toch heb ik nog niemand horen zeggen: Waarom zou ik trachten rijk te worden, trachten aanzien te verwerven, enz., want na mijn dood krijg ik dat immers alles vanzelf? Hoe vaak hoor je iemand, zelfs de meest gelovige zeggen: laat ik toch alles achter mij laten aan stoffelijke bezittingen en verplichtingen, want het geestelijke rijk is toch het enige waardevolle, het enige werkelijke? Nog nimmer hebben de grote voorstanders van de rede hun redelijkheid zo ver doorgevoerd, dat zij – wanneer dit redelijk scheen, zonder dat het noodzakelijk was – zichzelf vernietigden, alleen omdat het bestaan geen taak en inhoud meer bracht. De bron moet ongetwijfeld liggen in de mens zelf, die klaarblijkelijk enerzijds wel beschikt over wat hij noemt gezond verstand, doch anderzijds een gevoelswereld kent, die daarmede geheel in strijd is.

Nu kan men wel zeggen, dat de rede voor de mens noodzakelijk is. Inderdaad. Al is het alleen maar om het onredelijke in te zien van de doorsneemens en de houding, die hij in doorsnee aanneemt. Daarnaast lijkt mij toch, dat het gevoel de eigenlijke drijfveer is. Het is juist hierom, dat ik de mensheid als zodanig een paradox van rede en gevoelen vind. Dit zowel in haar uitingen, haar belevingen als in haar erkende gevoelens Het heeft echter weinig zin met een vaststelling als deze te volstaan. Integendeel. Eerst wanneer ik een conclusie kan trekken, die ook voor u persoonlijk een leidraad kan zijn, ook voor u persoonlijk een vingerwijzing in de richting van een beter bestaan inhoudend, heb ik voldaan aan de taak, die mij voor deze avond is opgelegd. Mag ik allereerst stellen, dat de gevoelswereld van de mens voor hem in heel het bestaan de beheersende kracht is? Ook wanneer u meent geheel verstandelijk en redelijk te denken, wordt u door de gevoelens, die in u bestaan, geleid. U ontkomt niet aan het gevoel, zelfs niet door de meest verstandige betogen. Want u gebruikte de rede altijd weer in de eerste plaats om uw gevoelens en de handelingen, die daaruit voortspruiten, te rationaliseren. Daar dit een feit is, blijkt het wel overbodig dit te bemantelen – verdoezelen – of te ontkennen, zelfs tegenover uzelf. Wij moeten beginnen bij het begin. Naar mijn inzien is dit, dat ons gevoelen te allen tijde alle handelen beheerst. In de tweede plaats zullen wij toe moeten geven, dat de rede een mildering, een beteugeling van de gevoelens in kan houden. De les, die wij hieruit kunnen trekken, luidt: mens, beleef de werkelijkheid, die je bent; beleef bewust al, wat je gevoelt, doch beheers de gevoelens door de rede die u vooral als breidel van gevoelens werd gegeven.

De tweede vraag die voortvloeit uit de paradox van het menszijn is: Hoe kan de mens, staande in de stoffelijke redelijkheid, dan door het gevoel tot het aanvaarden – ja, tot het noodzakelijke aanvaarden – van een voortbestaan worden gebracht. Hoe komt het, dat geen enkel deel van de mensheid zich een absoluut verdwijnen uit de wereld kan realiseren, zonder tevens aan te nemen, zich voor te stellen, dat tenminste een deel van dit leven, desnoods alleen als een reeks van gevolgen, uit die wereld zal blijven voortbestaan? Ongetwijfeld moet de reden hiervan in het gevoelsleven worden gezocht en mogen wij aannemen, dat hierin ons bewustzijn omtrent ons voortbestaan en ons verlangen tot voortbestaan zetelt. Dan is dit gevoelsleven klaarblijkelijk niet alleen maar een reeks van uit het “ik” voortgekomen invloeden, doch behelst het daarnaast ook een aanvoelen en ondergaan van werkingen of invloeden, die voor het wezen niet onmiddellijk kenbaar zijn. Ik durf dan ook als stelling te poneren dat de mens – juist door zijn strijd tegen hetgeen hij op deze wijze aanvoelt, komt tot vele van de onredelijke handelingen, die hem in verzet brengen tegen een verwijderen van alles, wat hem een begeerd doel geheel zou kunnen doen bereiken. De mens voelt aan, dat vrede een noodzaak is, indien de mensheid in staat wil zijn zich een wereld te bouwen, die beantwoordt aan zijn dromen. Vrede is noodzakelijk wil de mens het geluk vinden, dat hij in het leven verwacht en verlangt. Hoe vreemd dan, dat hij zich wapent om de vrede te behouden; dat hij zich wreekt op de wereld, wanneer zij hem niet geeft, wat hij verlangt en hij dan meent alleen hierdoor zijn eigen geluk zeker te kunnen stellen. Deze factor moet wel in de mens zijn gelegen. Daar de gehele mensheid hieraan onderhevig blijkt te zijn geweest, mogen wij bovendien wel stellen, dat dit een aan menselijk en aards bestaan inherente kwaliteit is. Vrede, harmonie en geluk kan de mens eerst vinden, wanneer hij leert zichzelf prijs te geven. De mens vreest echter ook maar iets van zijn eigen wezen en denken prijs te geven. Hierdoor komt hij dan ook voortdurend in een toestand, die hem belet voort te gaan op het verlangde pad. Aanvaarding van het zijnde is de eerste noodzaak, indien men wil komen tot innerlijke harmonie en – zo mogelijk – ook tot een harmonisch zijn met alle waarden tot en met het Goddelijke. Dit aanvaarden zal echter inhouden, dat men eigen wil en wilsuiting onder de natuurlijke wetten stelt, dat men eigen verlangen, begeren en denken laat beheersen door hogere krachten. Men vreest hiermede een oordeel over zichzelf te moeten spreken, zichzelf misschien geheel of ten dele te moeten verwerpen. Daarom spreekt men over harmonie, maar verzet men zich in feite tegen alle Goddelijke wetten en stoffelijke factoren, die de voorstelling die men liefheeft over het eigen wezen ook maar schijnen te benadelen, of het geliefde beeld van het “ik” kleiner doen worden.

Het meest paradoxale verschijnsel in de mensheid is echter het in praktisch allen aanwezige geloof in een hemelrijk, aan een werkende, liefdevolle, of tenminste helpende en beschermende Godheid. Wanneer een dergelijke God bestaat is het ook logisch, dat men in een vol vertrouwen zijn besluiten aanvaardt. Want Hij, de Schepper, weet meer dan wij, de schepselen. In feite verzet men zich echter tegen alles, wat de Goddelijke wil is. Men meent, dat streven alleen zin heeft, wanneer de resultaten ook in overeenstemming zijn met de voorstelling, die men zich nu eenmaal daarvan heeft gevormd. Natuurlijk is het aangenaam, wanneer men op deze wijze resultaten mag boeken. In de praktijk komt het er echter op neer, dat vele grote werken, die de mensheid kan volbrengen, voortijdig worden stopgezet of onderbroken, omdat zij nu eenmaal niet de resultaten schijnen te brengen die men meende te mogen verwachten. Men heeft schijnbaar geen vertrouwen genoeg in de wetten van de natuur, of in de ongeziene God, om het daaraan over te laten elk oprecht streven te belonen met daarbij passende en voor een ieder tot harmonie voerende resultaten. Een tweede regel zou hieruit te nemen zijn: Om te komen tot innerlijke harmonie is het noodzakelijk, dat wij allereerst leren de krachten waarin wij geloven ook als werkelijke en actieve factoren in het eigen leven te beschouwen. Door hen te aanvaarden als voor ons heersende en regulerende factoren kunnen wij dan niet slechts alles, wat het leven ons biedt, aanvaarden en ten goede uitbuiten, maar zo ook komen tot een voortdurende geestelijke verrijking van het “Ik”, gepaard gaande met een algemene stijging van bewustzijn voor de gehele mensheid. Waarom is deze stelregel ook zo moeilijk in de praktijk te brengen? Soms zou ik een beeld willen maken dat de mensheid voorstelt. In dit verband stel ik mij dan een kiespijnpatiënt voor, die zijn aangestoken kiezen behoudt als zijn kostbaarste bezit. Zo gedraagt de mensheid zich meestal t.o.v. haar grootste feilen. Wanneer echter de individuen, die tezamen de mensheid uitmaken, leren zich te onttrekken aan de pijnprikkel, kunnen zij voor zich normaal functioneren, zelfs indien het kwaad in het geheel nog langere tijd blijft voortbestaan. Wij weten, dat, zowel bij het lichaam als bij technische apparaturen, het vaak mogelijk is een deel van het geheel af te snijden en de invloeden daarvan kort af te sluiten of te remmen. Het geheel kan dan normaal verder blijven functioneren, zonder dat dit voor de delen enige schade betekent. Waarom zouden de mensen dit nu niet kunnen? Binnenkort staat u weer voor een z.g. verkiezingsstrijd. Ik zeg “zogenaamde”, omdat in de meeste gevallen het strijdelement plaats heeft moeten maken voor het show-element. Men zou kunnen zeggen, dat er een politiek ballet wordt opgevoerd t.b.v. de Provinciale Staten en gemeenteraden, waarbij onder de bezielende leiding van regisseur Drees de partijen tezamen een strijd om de wereldbol trachten te karakteriseren. Ik vraag mij echter af, waarom deze mensen zo scherp hun onderlinge tegenstellingen naar voren brengen. Waarom staan deze mensen zo zeer op hun eigen onfeilbare inzichten? M.i. geven zij hier een duidelijk beeld van iets, wat zich feitelijk in alle geledingen der maatschappij afspeelt. Zij gebruiken deze methoden, omdat zij menen zonder deze zeer beperkte eerlijkheid niet voor hun medemensen aanvaardbaar te kunnen zijn. Zij brengen zichzelf daarbij in een parket, dat niet altijd prettig genoemd kan worden. Verkiezingsbeloften blijken vaak zeer moeilijk te realiseren. De voorstellingen van zaken, zoals men die geeft om de menigte te bekoren, laboreren – lijden – in staatkundig opzicht vaak aan grote en ernstige ziekten. Deze analyses van de feiten zullen velen waarschijnlijk kunnen onderschrijven. Maar een dergelijk ballet van onwaarheden voeren de buren voor elkaar op. Een dergelijk ballet voert zelfs de mens in zijn eigen dadenreeksen op voor zichzelf, terwijl hij tracht zichzelf te paaien met de belofte, dat hij – wanneer hij nu al even stoffelijk zijn gang gaat zonder op het geestelijke te letten – zo dadelijk toch de juiste gelegenheid zal komen om ook het geestelijk element, vervolmaakt, plotseling te bevestigen in zichzelf. Welk een nodeloze krachtverspilling ook. Een mens moet zijn krachten goed weten te gebruiken. Dat wordt aan elke jonge mens reeds vanaf de eerste jaren geleerd. De mens moet zich weten te houden aan bepaalde wetten en regels. Hij moet eerlijk en oprecht, hoffelijk en edelmoedig zijn. Geleerd wordt dit alles wel, aanvaard wordt het ook, maar gedaan wordt het maar zelden. Men meent met de schijn te mogen en te kunnen volstaan, zonder te beseffen, dat elke schijn, die wordt gewekt omtrent het eigen wezen, omtrent eigen toestand, positie, vermogen en wat dies meer zij, tevens verplichtingen met zich brengt, waaraan men in feite niet kan voldoen. Zo verstoort men eigen uiterlijk en innerlijk evenwicht. Eerlijkheid is niet een je bloot geven tegenover je medemensen. Eerlijkheid is integendeel een beschermen van jezelf. Want alleen degene, die eerlijk is, zal voortdurend in staat zijn zichzelf te blijven en zo ook in zich harmonie te vinden.

Het geheel nu samenvattende wil ik nog het volgende opmerken. Wanneer de mens begeert verder te komen dan het zuiver stoffelijke en het beperkt menselijke dan zal hij afstand moeten doen van de zelfbegoocheling, afstand moeten doen van het in zichzelf beoordelen van eigen leven. Men mag trachten zijn eigen streven te beoordelen en zichzelf te leren kennen. Men mag echter niet oordelen over de betekenis van dit leven, noch over de werkelijke inhoud en betekenis van eigen daden. Voor zich en volgens eigen bewustzijn mag echter, ja, moet de mens echter leven, zo goed hij kan. Maar dit is alles. Daarnaast heeft men de grotere krachten te aanvaarden die in het leven leiding geven. Men heeft de taak zichzelf eerlijk te openbaren hoe en waar dit maar mogelijk is. De daardoor ontstane kracht, die ook in het “Ik” schuilt, is de band die de mens verbindt met vele werelden. Het is ongetwijfeld de kracht, waardoor het gevoel van de mens en het aanvoelen van de mens steeds weer nieuwere en betere stimulansen krijgen. Op de duur zullen dezen dan ook ongetwijfeld in stoffelijke en redelijke termen kunnen worden omgezet. Dit laatste lijkt mij een voornaam punt. Niet uit stoffelijke daden, volgens een redelijk proces zonder meer, kan men een opbouw verwachten. Redelijke processen zijn in 9 op 10 gevallen niets dan rationalisaties van het aangevoelde, van de innerlijke kracht en stuwing, zoals deze in ons bestaat. Indien wij dit beseffen, zullen wij niet meer trachten alles zo sterk te rationaliseren. Daar tegenover zullen wij wel steeds meer trachten ons eigen wezen te begrijpen. Hierdoor zullen wij nu het aanvoelen van de beste waarden kunnen versterken, zelfs in een stofgebonden wereld, zelfs temidden van een zo wrede mensheid als de uwe. Daaruit kan dan ook een bewustzijn groeien, dat de werelden samenbindt, een bewustzijn dat de sferen mede kan betrekken in het stoffelijke bestaan. Dan ontwaakt men tot een leven vol krachten, grootser dan de wereld zich thans kan voorstellen. Hiermede meen ik mijn betoog te mogen besluiten. Indien u echter nog vragen wilt stellen, sta ik geheel tot uw dienst.

  • U hebt het over de mensheid gehad in zeer algemene zin. Past een dergelijke generalisatie wel, waar er zovele verschillende graden van bewustzijn en rijpheid in de individuen bestaan? M.i. moet elk individu voor zich tot kennis en rijpheid komen.

Dit ben ik geheel met u eens. Maar ik meen daar toch het feit tegenover te mogen stellen, dat mens-zijn, deel uitmaken van de mensheid, in feite een trap van bewustzijn voor het individu bepaalt. Eenvoudiger gezegd, zonder het noodzakelijke bewustzijn kun je geen mens worden. Met een groter bewustzijn echter zul je meer zijn dan slechts een mens. Vandaar, dat ik meende te mogen generaliseren, waar – ondanks de individuele verschillen – de algemene lijn geldende mag worden geacht voor elk menselijk en stoffelijk bestaan. Zelfs indien dit uiteindelijk zou resulteren in een vinden van de harmonie, zou het menselijke leven als geheel ook binnen het individuele, hebben moeten beantwoorden aan wat ik als algemeen voor de mensheid meende te mogen stellen.

GEBOORTEBEPERKING

In de eerste plaats de vraag: Is het rechtvaardig tegenover het nageslacht, om dit nageslacht als een al dan niet begeerd toeval op de wereld te laten komen. Is het rechtvaardig een menselijk lichaam te helpen te scheppen en een geest daarin neer te doen dalen, wanneer je eigenlijk niet eens lust hebt dat kind te ontvangen, of niet over de middelen beschikt om dat kind in de wereld een prettige ontvangst te geven? Lijkt het u rechtvaardig tegenover het nageslacht om – ongeacht eigen toestand, ongeacht eigen gezondheidstoestand – eenvoudigweg maar voort te gaan met het voortbrengen van kinderen? Hoe staat het eigenlijk daarmee op de wereld? Hoeveel mensenkinderen komen eigenlijk niet op de wereld met een lichaam, dat niet geheel goed is, niet geheel juist werkt? Meestal gebeurt dat, omdat de ouders niet voldoende hebben nagedacht bij de eh… productie. Een pijnlijke kwestie. Voor de ouders is een dergelijke geboorte natuurlijk niet erg prettig. Maar om een heel leven een dergelijk misvormd lichaam voort te moeten slepen, is toch nog veel erger. Wij kunnen natuurlijk hier gaan spreken over de wil Gods en de bewustwording, die uit een dergelijk leven voortvloeit. Dat is alles wel waar. Maar heeft men het recht zichzelf verantwoordelijk te maken voor een dergelijk ongelukkig leven? Naar mijn mening niet. Men kan stellen, dat het misdadig is een reeds levendragend wezen vóór de geboorte te vermoorden. Akkoord. Doch er zijn – naar ik meen – middelen en mogelijkheden genoeg om te voorkomen dat deze wordende vrucht ontstaat, of een rijpheid bereikt waarin contact met de geest is ontstaan en dus bezieling heeft plaats gevonden. Is het rechtvaardig, zo vraag ik u, om bij gebrek aan beter maar kinderen voort te brengen? Kinderen als resultaat van lusten, een product van hartstocht eerder dan van werkelijke liefde? Is het tegenover een kind rechtvaardig het eerder te beschouwen als een ongelukje, als pech, als een niet begeerd bijproduct dan als een begeerd kleinood? Een kind behoort een pand te zijn van een innig samengaan in lichaam en gevoel. Met deze vragen doe ik misschien niet veel meer dan u dingen vertellen, die u eigenlijk al lang weet. U kunt het – dunkt mij – hiermede allen wel eens zijn. Is geboortebeperking echter hierdoor noodzakelijk? Op deze wereld kennen wij verschillende klassen van mensen. Nu ben ik helemaal niet voor het onnodig erkennen van klassen, of bevorderen van de klassenstrijd. Ik stel hiermede echter alleen maar een feit vast. Er bestaan nu eenmaal groepen, families, die door geslachten lang streven en werken een zeker intellect, een erfelijke mogelijkheid tot groter inzicht en bereiking in het leven mee hebben gekregen. Dit komt op aarde tot uiting in hun prestaties en capaciteiten. Denk eens bv. aan de dokters- en ingenieursgezinnen, die voor de wereld een grote betekenis krijgen. Dat zijn degenen die krachtens hun vermogen en weten de maatschappij eigenlijk moeten leiden. Maar deze groepen zijn niet in staat om hele grote groepen met zich mee te nemen, zij zijn niet in staat om de minder begaafden op te voeren tot een veel hoger peil. Voorbeeld: Dr. Pietersen heeft twee kinderen. Meer dan deze twee meent hij niet verantwoord groot te kunnen brengen. Daar tegenover staat de heer Jansen. Een klein beetje imbeciel, deugt alleen maar voor de eenvoudigste gewoontearbeid. Met zijn sloof van een vrouw, die ook al niet te gelukkig leeft, heeft hij zo juist zijn 17e kind op de wereld zien komen. Indien u niet gelooft, dat dit laatste bestaat, moet u maar eens informeren bij de burgerlijke stand. Daar kan men u vele dergelijke gevallen opnoemen. Dit voorbeeld geldt echter niet alleen voor Nederland, maar evenzeer voor Frankrijk, waar vele kinderen, lichamelijk en verstandelijk misvormd, op de wereld komen, te wijten aan het drankmisbruik van de ouders. Dat geldt voor India, Pakistan, China, waar kinderen op de wereld moeten komen, terwijl de half verhongerde, uitgemergelde moeders niet in staat zijn het wordende lichaam te verschaffen wat het nodig heeft, zodat het leven van de kinderen één voortdurende lijdensweg van verschillende kwalen en ziekten wordt. Ja, zo zegt men, dan moeten wij die mensen, die gebieden gaan steunen, zodat de kinderen tenminste aan hun trekken kunnen komen… Natuurlijk, elk kind heeft het recht van de volwassenen te eisen dat het een goede verzorging krijgt, dat men de gelegenheid biedt een gezond, een goed en gelukkig mens te worden. Maar waar, bij wie, ligt die verantwoordelijkheid? Die ligt toch in de eerste plaats bij de ouders, zou ik zo zeggen. Dan volgt hieruit, dat elke geboorte van een kind, dat niet uitdrukkelijk gewenst is, elke geboorte van een kind, dat – nu ja, pech – er ook weer bijkomt, misdadig is. Dat de geboorte van elk kind, dat niet het juiste milieu kan krijgen, waarvoor niet de juiste opvoedingsmogelijkheden bestaan, een schrijnend onrecht is, door de ouders het kind aangedaan. Ondanks alle kinderbijslag, schoolvoeding, schoolkleding, leerplicht, enz. schijnt mij daarvoor toch maar één enkele oplossing te bestaan: geboortebeperking.

Nu zult u misschien zeggen: je lijkt wel een dwaze minister, die in het voornaamste emigratieland een pleidooi staat te houden voor beperking van de immigratie in dat gebied. Het lijkt net, alsof ik bv. als een Nederlandse minister in Australië ga staan vertellen: jullie moeten vooral niet zoveel Nederlanders nemen, want dat is slecht voor jullie eigen maatschappij. Op de wereld is dit dwaas, mag men dit zelfs niet doen. Maar ik mag het wel doen en doe het zelfs met een zeker genoegen. Want voor ons in de geest is het heel erg belangrijk, dat wij een redelijk voertuig kunnen krijgen. Het zou voor ons tenminste wel zeer aangenaam zijn, wanneer er vele fouten, die thans in de stoffelijke voertuigen blijken te bestaan, uitgeschakeld kunnen worden. Dan zouden er zeker nog wel levens zijn vol ongeluk en ziekte, maar er zouden niet zovele mensen het recht hebben om verwijtend tegen de wereld te zeggen: je hebt mij gemaakt; daar sta ik nu met al mijn lasten en wat beteken ik eigenlijk? Dan zouden er niet zoveel mensen meer zijn, die terecht kunnen zeggen: maar ik heb niet zoveel verstand meegekregen, waarom moet ik nu altijd in armoede en sleur leven? Dan zouden er niet zoveel mensen meer zijn, die luidkeels roepen: ik kan dat niet presteren, ik wil niet, dat jullie anderen dat wel doen, waar moet ik anders blijven? Waarom zou de mensheid juist aan de ongezonde elementen bij de voortplanting de voorkeur blijven geven? Laat ons eerlijk zijn: De meeste mensen, die verantwoordelijkheidszin hebben, de meeste mensen, die een doel in het leven hebben, verlangen ook naar kinderen. Méér misschien dan vele anderen. Maar wanneer zij een gezin hebben van 2, 3, ten hoogste vier, beginnen zij erg voorzichtig te worden, want wanneer er nog meer kinderen zouden komen, zo weten zij, zou het moeilijk zijn hen allen te geven wat hen toekomt. Nu moet ik onmiddellijk opmerken, dat ik zeker geen voorstander ben van één kind per gezin. Want in dergelijke gevallen wordt het kind door de ouders te veel gedresseerd of verwend, terwijl het kind zelf te sterk in de minderheid is om de gelegenheid te krijgen zijn ouders beter op te voeden. In grote gezinnen is die mogelijkheid weer beter; door de massa hebben de kinderen een grote invloed, terwijl zij toch niet alle aandacht voor zich op kunnen eisen. Zo wordt het mogelijk de ouders te gewennen aan de denkprocessen van de kleine wereldburgers, die wel degelijk een eigen oordeel, een eigen wil en doel bezitten. Niemand met gezond verstand zal echter goed kunnen keuren dat een mens zonder toekomst, een mens die zo een beetje van de bedeling leeft, zo maar kind na kind voortbrengt in een wereld, waarin het praktisch geen mogelijkheden krijgt.

  • Dat weet je toch niet op voorhand?

Er zijn er velen, die dit wel op voorhand kunnen weten. Velen fokken zelfs bij voorkeur kinderen, terwijl zij zeker weten, dat die kinderen jaren lang zonder hemd of broek, in vodden gehuld, op de wereld moeten rondlopen. De ouderen vinden het vaak gemakkelijk om van de kinderen zoveel mogelijk voordelen te trekken en voor de verzorging, waar mogelijk de gemeenschap dan maar op te laten draaien. Ik spreek hier niet over degenen, die verantwoord een kind in de wereld zetten, en wie het daarna slecht gaat. Ik spreek over degenen, die reeds beginnen om het kind te ontvangen in een conditie, in omstandigheden, die zeker doen uitschijnen, dat het noch de noodzakelijke zorg, noch een redelijke opvoeding kan krijgen. Dezen zijn zelf schuldig, geheel, wanneer hun kinderen niet de mogelijkheden krijgen in de wereld, waarop zij eigenlijk recht hebben. Gelooft u mij, er is een betrekkelijk groot percentage van mensen op de wereld – niet alleen hier, maar even goed bv. in de Ver. Staten, Frankrijk, Italië, of Rusland -, die kinderen op de wereld brengen, die reeds door de toestand van de ouders alleen al geboren worden voor een leven vol van ongeluk, ziekte en strijd. Nu laat ik opzettelijk Gods wil, Gods wetten en besluiten hier geheel buiten. Ik laat de bewustwording en haar noodzaken hier evenzeer buiten beschouwing. Want dit zijn de krachten, die wij niet kunnen beheersen, wanneer wij als mensen op een wereld leven, of als geest in een vormsfeer zijn. Dit zijn dingen, waarbij wij, indien wij er ons al van bewust zijn, kunnen trachten anderen te helpen en te leiden. Maar verder kunnen wij daaraan niet veel doen. Een ieder weet echter heel goed, wat de bestaande mogelijkheden van het ogenblik zijn. Ieder weet heel goed, hoe op dit ogenblik eigen wezen en streven een mogelijkheid biedt voor de toekomst van een kind. Wanneer een ieder bij de voortplanting ook daar nu eens rekening mee zou trachten te houden, zou de wereld heus nog niet uitsterven. Het zou zelfs niet eens noodzakelijk zijn om naar minder gewenste middelen te grijpen. Indien men gelooft, dat het verhinderen van een conceptie een zonde tegenover God is, kan men stellen, dat het doen plaatsvinden van een conceptie, omdat men hetgeen daarmede gepaard gaat zo aangenaam vindt, ten opzichte van de kinderen een even grote, zo niet grotere zonde is. Indien men al gelooft, dat deze dingen alleen voor de voortplanting zijn gegeven, zal men zich geheel moeten onthouden. Ik durf hier te stellen, dat geboortebeperking voor een verstandig en redelijk mens een noodzakelijk deel is van een moderne wereld. Van een wereld, let wel, die niet meer voor iedereen onbeperkte mogelijkheden kan bieden. Geboortebeperking is m.i. de eerste maatregel, die genomen moet worden om dreigend oorlogsgevaar te verminderen. Dit ongeluk van de mensen, deze stapels lijken, vergaande op de slagvelden, zo zou kunnen voorkomen worden. Vraagt u zich eens af, waarom er zoveel haat en bitterheid op de wereld is. Naar ik meen, voornamelijk omdat de mensen niet meer weten, waar zij heen moeten. Zij willen het allen goed hebben, ja, rijk zijn. Iedereen wil het steeds maar beter hebben. Maar op geen enkel gebied wil men zich voor dat doel beperken. Zolang aan de eigen verlangens kan worden voldaan, neemt men zich niet de moeite zich een wereld te bouwen, die goed is, die werkelijk wat waard is. In deze dagen hoort men de ouderen vaak jammeren over de steeds toenemende jeugdcriminaliteit. Men zucht en steunt over de onzedelijkheid en het bederf van de jeugd. Onder de jeugd bestaan er inderdaad elementen, die ongezond, verdorven en niet goed zijn. Maar deze elementen zijn door de daden van de ouderen geboren in een wereld, die zij niet wensten. Deze verkeerde elementen moeten leven in een wereld die niet door henzelf, maar door anderen is geschapen. Door anderen, die met een grenzeloze zelfzucht de komende geslachten elke mogelijkheid tot bereiken van geluk schijnen te hebben ontnomen. Wanneer een jongen van 18, 19 jaar uit louter sadisme een moord begaat, wie is er dan schuldig? Dat kind? Of misschien de mensheid, die zonder verder na te denken maar kinderen heeft voortgebracht. Dat kind? Of degenen, die zelf op verkapte wijze het sadisme tot een wezenlijk bestanddeel van de wereld hebben gemaakt met oorlogspropaganda, enz. Het is mijn recht niet te trachten u in dit opzicht bepaalde verplichtingen op te leggen. Ik heb daarvoor zelfs geen reden, want ik ben boven al deze moeilijkheden uitgekomen en ook u zult op uw tijd hieraan ontkomen. Toch zou ik willen stellen: elke mens, die zich van zijn verantwoordelijkheid tegenover de komende geslachten bewust is, zal slechts dan kinderen baren, wanneer hij weet, dat hij of zij deze kinderen alles kan geven, wat hen toekomt. Ik meen, dat de mens, waar zijn lusten hem tot seksueel verkeer aanzetten, niet door een toeval het al dan niet ontstaan van mensen zal mogen laten bepalen. Men zal op een verstandige en redelijke wijze de voorzorgen moeten treffen, die voorkomen dat ongewenste toevalskinderen op de wereld terecht komen, waar zij zouden kunnen worden tot verschoppelingen, uiteindelijk tot een pest, een gevaar voor heel de mensheid. U hebt misschien gemerkt, dat ik in dit niet al te zachtzinnig betoog, voortdurend de nadruk heb gelegd op de verantwoordelijkheid van de ouders. Ik meen namelijk, dat hierin het zwaartepunt van dit probleem is gelegen. Wij kunnen wel zeggen, dat wanneer wij deze stellingen aanvaarden, vele mensen uit gemakzucht geen nageslacht zullen nemen. Maar dat is toch niet erg? Want de gemakzuchtigen bepalen daarmede toch hun eigen uitsterven, nietwaar? Daarover hoeven wij ons niet druk te maken. Wij kunnen ook zeggen, dat wij mensen nodig hebben op de wereld. Zeker, er zijn mensen nodig op de wereld. Maar een te veel brengt met zich, dat men kunstmatig de conjunctuur zo hoog opschroeft, dat men vandaag aan de dag reeds het inkomen van een tiental komende geslachten moet verpanden om zo een werkgelegenheid te scheppen, die het mogelijk maakt een aanvaardbare conjunctuur te handhaven.

  • Misschien wil een geboortebeperking zeggen, dat sommige bepaalde genieën niet geboren zullen worden.

Dat kan heel waar zijn. Maar denkt u, dat de Almacht, Die uiteindelijk toch bepaalt, wanneer zekere gaven op de wereld komen, de geesten, die in opdracht van de Lichtende Krachten moeten zorgen dat een bepaalde uitvinding zal worden gedaan, niet een ander genie zullen kunnen vinden? Vreest men misschien, dat de mens de Goddelijke wil zal kunnen beperken en een Goddelijk raadsbesluit zal kunnen tegenhouden door geboortebeperking? Meent men misschien, dat de mens ook maar iets kan veranderen, zelfs maar een titteltje, een jota, aan al hetgeen door de Hoogste Kracht is vastgesteld? Dat kan niemand, tenzij in eigen omgeving en dan nog slechts t.o.v.eigen beleven. Ik meen dan ook, dat het noch voor God, noch voor de mens een belediging is, wanneer men zich – van zijn verantwoordelijkheid bewust – tracht te beperken, tot dat het leven voor allen gelijke mogelijkheden biedt en voor allen gelijkelijk dragelijk is, tot een aantal, waarvoor werkelijk en goed gezorgd kan worden. Wij hebben het recht niet mensen tot dieren te maken. Wij hebben wel het recht van de mens te vragen het dierlijke in hem zover te beheersen, dat hij de mensheid niet dwingt om, erger dan de dieren, elkaar te verscheuren en zo de overbevolking op te lossen. Men zegt u wel dat oorlogen alleen maar uit commerciële noodzaak wordt gevoerd, dus om de winst. Dat is nu wel zo, maar uiteindelijk is de maatschappij – gebouwd uit gewone mensen – toch de feitelijke grondslag van al die commerciële toestanden. Op het ogenblik, dat men maar net voldoende mensen heeft om vredesindustrieën draaiende te houden, heeft men geen behoefte aan oorlogen. Maar indien men op een bepaald ogenblik met een groot aantal armen of werkelozen zou komen te zitten, indien de oorlogsindustrieën worden stil gelegd, dan blijft op de duur alleen maar de mogelijkheid de producten daarvan ook te gaan verbruiken, dan wel toch toe te geven, dat je het verloren hebt en de werkeloosheid toch tot uiting te laten komen. In dergelijke gevallen organiseert men maar al te graag een klein oorlogje. Maar dat is niet altijd te beheersen. Vandaag is het nog Korea of Algiers, morgen is het misschien een strijd tussen Amerika en Azië.  Laat ons vooral eerlijk zijn en nuchter blijven. Men kan nu wel zeggen: wanneer wij daarmee gaan beginnen, worden wij als groep steeds kleiner en de rest van de wereld wordt dus in verhouding en aantal steeds groter. Ik ben het daar zelfs wel mee eens. Maar de eeuwen hebben geleerd, dat kwaliteit op de duur toch steeds weer kwantiteit zal overheersen. Waar er verstand en doorzettingsvermogen aanwezig zijn, waar moreel besef en verantwoordingsbewustzijn is, komen op de duur de elementen tot stand, die de wereld kunnen beheersen, zelfs wanneer in het begin dergelijke groepen wel eens in de goot worden getrapt. Deze waarden zijn niet te vernietigen en komen steeds weer bovenop. Zo staat de zaak nu eigenlijk. Daarom moet ik wel zeggen – zelfs wanneer ik daarmee heilige huisjes ingooi, of op zere tenen moet trappen – geboortebeperking is m.i. geheel gerechtvaardigd en in zeer vele gevallen zelfs een logische verplichting. Dit laatste vooral, wanneer de mensen niet in staat zijn hun kinderen een behoorlijk tehuis, een behoorlijke plaats in de wereld, een behoorlijke opvoeding te garanderen, volgens hun beste weten en huidige kennis. De mens heeft geen recht een wissel op de toekomst te trekken door te zeggen: maar misschien zijn wij later dan toch wel in staat om het kind toch, etc….Wanneer je op het ogenblik niet over meer kunt beschikken dan een zolderkamer, of een krot, heb je – naar ik meen – geen recht om toch maar zonder meer een kind de wereld in te schoppen, vooral wanneer die wereld bovendien nog vol is van gevaren, van dreigingen en psychosen, van worstelingen tussen rassen, klassen en standen; onverschillig of deze dingen nu in de wereld bij hun naam worden genoemd of niet. Men moet in staat zijn het kind tenminste zover in het leven te wapenen, dat het een redelijke kans heeft om voor zichzelf bewustzijn en geluk te veroveren. Zo denk ik erover.

  • Is het niet, zoals verschillende kerken stellen, dat op Bijbelse gronden een geboortebeperking verboden is?

Ik wil u een gelijkenis geven. Er was eens een eilandenrijk, dat door een tenno en mikado werd geregeerd. Men was in dit rijk gelukkig. Het was harmonisch en evenwichtig. De samenleving deed weliswaar een westerling vreemd aan, maar deze mensen waren in staat om binnen hun besloten gemeenschap geluk te vinden en bewustzijn te winnen. Tot op een dag grote kanonneerboten kwamen. Dezen braken de verzegelde havens open. Toen stond men in dit rijk voor de vraag, of men dit nu zo maar mocht aanvaarden. Het antwoord was “neen”. Ofschoon men ook toen nog geen grote oorlog met het westen wilde voeren, doch alleen eigen rechten geëerbiedigd wilde zien, sprak men:”Wij moeten grotere legers, meer soldaten hebben.”  De geboortebeperking, die men daar tot dan toe kende, werd afgeschaft. Want het ging niet meer om het geluk van het volk, het ging om de macht. Misschien zeg ik te veel, wanneer ik beweer, dat het bij de kerken om de dopelingen gaat. Maar het lijkt mij er toch wel verdacht veel op. Het sprookjesrijk Japan is tot een gesel van Azië geworden, een vloek van de moderne tijd. Hetzelfde Japan, ofschoon de mensen daar heus geen onmensen zijn, is lichamelijk en geestelijk misvormd door het westen. Thans nog geldt het als een grote gevarenfactor in de gehele Stille Oceaan. Een verstoord evenwicht maakte een greep naar de macht noodzakelijk. De weg terug kon men niet meer vinden. christelijke geloofsrichtingen, die op grond van de Bijbel geboortebeperking verbieden, verkondigden dit niet in de tijd van de martelaren. Deze gedachte werd eerst door kerkvaders verkondigd op het ogenblik, dat de eerste priesters en kloosters macht verkregen op politiek gebied, ten tijde van Constantijn. Dit verbod (in de Bijbel) stamt niet uit de Goddelijke wil, maar uit de greep naar de macht door de Joden in het Beloofde Land; en in het christendom de greep naar de macht door de bisschoppen van Rome. Men had soldaten, gelovigen, geld en macht nodig. Daarom moesten er zoveel mogelijk christenen komen. Kijk rond u, dan kunt u zien, wat zij daarmee bereikt hebben. Ik meen, dat dit antwoord voldoende is.

  • Hoe staat het dan met de drang om te incarneren?

 Deze wordt bepaald door de mogelijkheden. Onze incarnatie en reïncarnatie zal plaatsvinden op het ogenblik, dat daarvoor een geschikte mogelijkheid te vinden is. Er bestaat een zeker aanvoelen, waardoor de aantrekkelijkheid van een aards bestaan ons weglokt uit de langzaam verblekende rust van onze eigen sferen, waarin wij niet meer verder kunnen gaan. Nu kan men natuurlijk zeggen, dat het dan toch wel goed is, wanneer zoveel mogelijk de mogelijkheid tot incarneren wordt gegeven. Maar iemand, die voldoende bewust is, die voldoende verstand heeft, kiest geen verkeerde mogelijkheden. Die weet omtrent zichzelf en de wereld meer dan genoeg om zich niet te vergissen. Degenen, die van een onbeperkte mogelijkheid tot incarneren het slachtoffer worden, zijn vooral degenen, die nog niet voldoende zich bewust zijn en daardoor een zwaardere stoffelijke weg te verduren krijgen dan strikt noodzakelijk is. Ik geloof, dat wij de drang tot incarnatie niet mogen gaan zien als een bepalende waarde voor het al of niet aanvaarden van de geboortebeperking. Ik blijf erbij, dat ook deze factoren er rustig buiten kunnen worden gelaten, daar deze toch door de Goddelijke wil – zo u verkiest de natuur – zullen worden beheerst en geregeerd. De verantwoordelijkheid, de plicht, die de ouder heeft tot het kind is en blijft het brandpunt, wanneer wij dit probleem benaderen.

  • Is het dan niet voldoende de lagere wezens de gelegenheid te geven zich te  reïncarneren?

 Zou het goed zijn een bende a-socialen in een paleis te huisvesten zonder verder ook maar enige maatregelen voor orde enz. te nemen? De boel zou al gauw vervuilen, zij zouden alles kapotmaken, enz. Volgens u is men daarvoor niet verantwoordelijk en moet men er de schade dan maar voor over hebben?

  • Ik spreek niet over a-socialen.

Maar dezelfde verhouding bestaat toch wel. Want die a-socialen zijn niet in eigen bewustzijn a-sociaal. Dit vloeit voort uit het feit, dat de wereld is, zoals zij is. Zij hebben nu eenmaal andere concepten omtrent wat aanvaardbaar is, en een andere moraal. Dat is voor de a-socialen het eigenlijke kenmerk. Daaruit volgt dus, dat, wanneer men deze mensen een te goed huis zou geven, of – in uw beeld – de lageren de mogelijkheid zou geven te snel en zonder beperkingen te reïncarneren, zij de overhand zouden kunnen krijgen. Daarmee zou het peil van de mensheid zo laag kunnen dalen, dat de nog bestaande technische middelen en gangbare concepten op de duur de vernietiging van de wereld, en dus ook van de reïncarnatiemogelijkheden daarop voor de goeden, de wel sociaal bewusten, zou betekenen. Dan zou de wereld terugvallen en weer opnieuw beginnen in een stenen tijdperk. Daarom moet door de ouders juist bewust de verantwoording voor het kind op redelijke wijze aanvaard doen worden. Nu kan men een nalatigheid hier goedpraten zo men wil. U kunt zeggen: ik voor mij vind het niet beperken van de geboorte geheel verantwoord. Dat is uw zaak. U moet dit alles uiteindelijk zelf weten. Ik echter meen uitdrukkelijk, dat elke vader en moeder volkomen verantwoordelijk zijn voor de vrucht die zij voortbrengen. Ik meen, dat zij verplicht zijn als mens om deze vrucht van hun leden de beste mogelijkheid te geven in de wereld, die zij geven kunnen. Als zij daarin tekort schieten, is elke andere redenering m.i. slechts een omzeilen van het  werkelijke probleem dat bij het bespreken van de geboortebeperking op de voorgrond komt: het voortbrengen van kinderen zonder grenzen en beperkingen is een resultaat van zich geheel niet bewust zijn omtrent de verantwoording die men draagt ten opzichte van de komende mensheid. Bovendien is het naar mijn mening een verwerpen van de verantwoording, die je draagt tegenover God en de Goddelijke krachten.

  • Is er bij reïncarnatie mogelijks aan uw zijde een gedrang, zodat men van de gelegenheid gebruik zal maken, ook ten koste van anderen?  

Een gedrang komt wel eens voor. Dat is vooral bij de minder bewusten het geval. Degenen, die uit duistere sferen komen, zijn zelfs wel verschrikkelijk, wanneer zij trachten zich een plaats op de aarde te veroveren. Maar dat is heel begrijpelijk, wanneer je de omstandigheden in aanmerking neemt die zij daardoor kunnen ontvluchten. Bij de lager bewusten uit het Licht is het vaak meer een gedrang zoals dat van kinderen rond een ijsco-karretje. Misschien eten zij zich buikpijn eraan, maar daaraan denken zij niet. Zij zien alleen maar het pleziertje. Al bestaat er wel een gedrang, dit bestaat alleen maar onder de lager bewusten. Door de meer bewuste en Lichtere geesten worden echter ook dan vele regelingen aangewend om deze lageren te brengen tot het juiste bewustzijn door een juiste keuze van milieu. Men tracht hen te helpen aan een juistere vorm van incarnatie. Wanneer men daarin niet altijd slaagt, dan zeggen wij: Daaraan kunnen wij niets doen. Dit is dan de wil van de Schepper. Wij hebben gedaan, wat wij konden, wij hebben gewaarschuwd.

  • Hoe zit heb dan met arme mensen?

Wanneer je werkelijk arm bent, dan kun je door het brengen van offers één, twee, misschien zelfs nog drie kinderen op een verantwoorde wijze groot brengen en de kost geven, maar geen tien meer.

  • Behalve wanneer zij de zorg aan de regering overlaten.

 Inderdaad. Dit val ik juist aan. Er zijn vele mensen bij wie een geboortebeperking absoluut misdadig zou zijn. Dat zijn degenen, die over voldoende inkomen en intellect beschikken om desnoods wel 20 kinderen groot te brengen, zonder hen ook maar iets te onthouden op het gebied van scholen, op de gebieden die belangrijk zijn voor leven en bewustzijn. Helaas zijn dergelijke gezinnen juist vaak de gezinnen, waarin mevrouw liever een schoothondje er op na houdt dan kinderen. Ik meen, dat het gehele probleem van de geboorte en eventueel beperking daarvan in de eerste plaats moet worden gezien als een trots willen aanvaarden van de gehele verantwoording voor een nieuwe mens, maar dan ook volledig.

  • Dan zou men dus moeten stellen: geen samenleving dan met het idee om daardoor kinderen te verwekken.

 Dat zou ideaal zijn. Maar ik zou graag de kracht, of het wezen, willen zien dat in staat is om de mens van heden ervan te overtuigen, dat je alleen maar samen moogt komen om uitdrukkelijk kinderen daardoor te verwekken. Ik denk, dat de samenleving te veel zijn eigen attracties met zich brengt en juist daardoor in vele gevallen de kinderen een onverwacht en misschien niet verlangd bijproduct ervan zijn. Dit is tragisch. Dan maar liever een wel aanvaardbare praktijk, namelijk geboortebeperking. Dat ouderparen, die ernstig naar kinderen verlangen, dezen niet kunnen krijgen, is een al even tragisch punt. Maar hier is dan nog altijd een oplossing te vinden. Zelfs door het adopteren van de kinderen van anderen, indien blijkt, dat deze daarvoor niet of niet voldoende zorg kunnen dragen en men zelf om enigerlei reden geen kinderen kan verwekken. Onverschillig hoe het ouderschap tot stand komt, echter blijft zeker, dat de ouders verantwoordelijk zijn voor het leven van het kind en wel vanaf het ogenblik van de geboorte tot het ogenblik dat het kind rijp genoeg is om op eigen benen in de wereld te staan en zijn eigen weg verder te kiezen.

  • Je zou ook kunnen zeggen: het is een gebrek aan vertrouwen.

Is het een gebrek aan vertrouwen uwerzijds, wanneer u weigert om op ons verzoek morgen zonder een cent op zak heen en weer naar Leeuwarden te gaan en daar voor het bestuur een doosje boterbabbellaars te halen? Ik denk niet, dat u daaraan zou beginnen. Zegt u neen, dan is dat ook feitelijk een gebrek aan vertrouwen, want indien wij u werkelijk deze opdracht zouden willen geven, zouden wij u ook alle middelen ter volbrenging daarvoor kunnen verschaffen.

  • Dit is onredelijk. Het ligt niet meer binnen het vlak van een bewuste menselijke aanvaarding.

Dan heeft men ook geen recht te stellen, dat voor veel belangrijker dingen in het leven een dergelijk onredelijk vertrouwen er dan maar wel moet zijn. Ik meen, dat degenen, die met vertrouwen goed praten, wat hen ontbreekt aan vooruit-zien en bewustzijn – dit is zeker niet persoonlijk op u bedoeld – op een zeker terrein, terwijl zij wel redelijk denken en vooruitzien op andere gebieden, dwaas zijn. Zolang een mens redelijk denkt en vooruitziet, heeft hij m.i. niet het recht bij deze belangrijkste fase van het menselijk bestaan, de voortplanting, er een soort kansspel van te maken, omdat hij in de goede uitkomst vertrouwt.

  • In dergelijke gevallen worden de kinderen door allerlei regeringsorganen toch voortgeholpen. M.i. wordt het verantwoordingsgevoel van de ouders daardoor nog meer verzwakt.

Inderdaad. Het verantwoordelijkheidsgevoel van de ouders wordt hierdoor vaak sterk verzwakt. De staat kan echter niet de ouderlijke zorg geven, doch ten hoogste de stoffelijke middelen. Het gevolg is, dat de mentaliteit van de kinderen zodanig wordt, dat zij vijandig zijn t.o. de maatschappij en uiteindelijk de ondergang van die maatschappij kunnen betekenen.

  • Zover denken die ouders niet.

Inderdaad. Maar wanneer wij dit onderwerp ernstig bespreken, is het onze taak deze aspecten wel te bedenken. Ik heb ernstig en oprecht getracht dit hier te doen. Zou ik iemand misschien in zijn overtuiging beledigd hebben, dan verzoek ik u dit te vergeven. Dit is mijn eerlijke overtuiging. Daarin sta ik ook aan onze zijde zeker niet alleen. Ofschoon niet alle geestelijke leden van de Orde in dit opzicht achter mij staan, kan ik mij toch beroemen op tenminste 70 à 80 medestanders.

  • Sprak u hier ook voor de vorige spreker?

Deze rede was zeer rationeel en de vorige spreker wees er juist op dat de mens allesbehalve rationeel is. Mijn betoog was zeker rationeel en ook als zodanig bedoeld. Toch staat de vorige spreker hierbij geheel achter mij. Hij meent, dat dit uiteindelijk slechts een rationalisatie is van het werkelijke vader- en moederinstinct, n.l. het geven van een zo groot mogelijke bescherming aan de kinderen. Waar dit instinct verflauwt en men meent eigen verplichtingen aan de staat over te kunnen laten, kan men wel zeggen, dat de redelijke samenhang van de samenleving daarmede tevens wegvalt. Men kan dan beter in plaats van mensen te maken robots bouwen. Deze laatsten kun je tenminste zo instellen, dat zij de mensheid dienen. Dat kun je met kinderen helaas niet doen.