De persoonlijkheid van de mens

11 juni 1968

Er zijn natuurlijk altijd weer problemen, waar je esoterisch, magisch en menselijk eigenlijk mee moet worstelen. En een van de grote moeilijkheden daarbij is wel de kwestie van de persoonlijkheid. Ik wil u vanavond zeker niet bezighouden met een beschrijving van karakters e.d. Maar u hebt misschien weleens opgemerkt hoe mensen kunnen ver­anderen, wanneer de maatschappij hun voortdurend bepaalde eigenschap­pen toedicht.

Wanneer ik steeds tegen mezelf zeg dat ik niet helderziend ben, maak ik het mijzelf ook onmogelijk helderziende te zijn. Wanneer iedereen mij dwingt in de richting van supra-normale gevoeligheid, is de kans zeer groot dat ik alle faculteiten, die ik in die richting bezit, ook inderdaad zal inspannen om daarmede aan de eis te beant­woorden. Het is zeker wel interessant voor u om daarover eens na te denken.

Een mens wordt zeker niet alleen door zijn milieu gevormd. Maar de wijze waarop zijn persoonlijkheid zich richt, het gebruik dat wordt gemaakt van de aanwezige mogelijkheden, kan voor een zeer groot gedeelte maatschappelijk bepaald worden – althans milieu-bepaald zijn. Wat zijn hierbij de kenmerken van uw eigen maatschappij?

Uw maatschappij zoekt het in nuchterheid, in logica en daar­naast vooral in een zeker modebewust aanvaarden van denkbeelden. Ideëel, materieel, maar ook t.o.v. uzelf als persoonlijke waarde of geestkracht of zielenkracht wordt u eigenlijk door uw omgeving voor een groot gedeelte in een soort vorm geperst. Deze krachten in de maatschappij trachten u in de eerste plaats ertoe te brengen heel realistisch te denken. Realistisch, d.w.z. volgens de stoffelijke feiten, de bekende verhoudingen, bekende feiten, wetenschappelijke, feiten. Daarnaast volgens aanvaarde filosofieën van al dan niet re­ligieuze of sociale aard. De werkelijke persoonlijkheid beantwoordt hier­aan niet volledig. Er ontstaat dus een strijdigheid. Deze strijdig­heid tracht hij te ontwijken door over te schakelen op een andere materiële basis of op een andere filosofische basis.

Wanneer wij te maken krijgen met een mens, die bv. in een zeer sterk orthodox-kerkelijk milieu is grootgebracht, zal hij die orthodoxie erbij behouden. En als hij revolutionair wordt – waarbij hij vlucht voor de sterke gebondenheid van zijn oude milieu – zal hij in dat nieuwe milieu diezelfde orthodoxie meebrengen. Hij zal wat dat be­treft waarschijnlijk nog erger zijn dan zijn ouders, die hij met hun in­vloed tracht te ontvluchten.

Een punt, dat ook in deze maatschappij een grote rol speelt, is modebewustzijn. Er is een tijd geweest dat iedereen sprak over de noodzaak gezamenlijk iets op te bouwen. Tegenwoordig is dit al ver­anderd in de verplichtingen van de gemeenschap, waar het ik zich dan – voor zover het de verplichtingen betreft – over het algemeen buiten stelt en zeker het eigen deel van die verplichtingen niet helemaal gaat beseffen.  Zo kunnen er dus beelden ontstaan, die volkomen irreëel zijn.

Die irreële beelden zien wij tot uiting komen in bv. studenten­revoluties, zoals op het ogenblik overal op de wereld aan de gang zijn. Je kunt het wel gaan verklaren. Je kunt zeggen: Die kinderen – want dat zijn ze eigenlijk nog – worden grootgebracht in een besef van hun eigen belangrijkheid. En het is logisch dat ze die belangrijk­heid ook willen gaan gebruiken, wanneer het gaat om het bepalen van wat zij zien als hun eigen lot, hun eigen belangrijkheid. Dat ze daar­bij meer zwammen en kapotmaken dan opbouwen is een nevenverschijnsel, dat uit een zekere onrijpheid en onbestemdheid voortkomt.

De hele kwestie van die maatschappij heeft verder de godsdienst langzaam maar zeker van een mystieke beleving teruggebracht tot een hoofdzakelijk sociale functie. De godsdienst impliceert wel een geloof maar het geloof is eigenlijk bijkomstig. Je zou kunnen zeggen: geloven en “het geloof” zijn in deze tijd niet meer noodzakelijk identiek.

Het resultaat is weer duidelijk. Het bovennatuurlijke speelt voor de mens alleen een rol, voor zover hij aan zijn eigen bezwaren wil ontvluchten, maar wordt niet tot een werkelijk deel van de be­leving. De persoonlijkheid, die zo ontstaat, is enerzijds zeer senti­menteel; anderzijds onverantwoordelijk en hard; draagt in zich vaak bijna sadistische eigenschappen; en is bovendien – en dat is een ty­perend iets voor het huidige milieu – inzake werk snel ontmoedigd. Men ziet er zo gauw geen gat meer in.

Wat kunnen we daar dan tegenover gaan stellen?

Wat de maatschappij van mij eist wordt over het algemeen door mijzelf en anderen beschouwd als een soort maximum. In feite is het een maatschappelijk minimum dat wordt gevergd. En er zouden dus boven de beantwoording aan deze eisen nog vele andere waarden voor mij moe­ten bestaan.

Logica is goed, wanneer ik een supra-logica, een hogere logica kan vinden, die mij helpt om het eenvoudig algemeen geldend logisch argument een bijzondere inhoud te geven.

Wanneer men spreekt over het bewustzijn van de wereld, dan is het misschien aardig te weten dat er zo veel mensen hongerlijden en sterven elke dag. Maar het is toch eigenlijk belangrijker dat je ge­voelig wordt voor je milieu; dus het aankweken van gevoeligheid, van aanvoelingsvermogen.

Geloof mag dan niet meer noodzakelijk zijn om tot een kerk te behoren, althans als feitelijke beleving; maar dat is een minimum­eis. Wanneer ik vandaar verder wil gaan, zal ik moeten komen tot de mystiek, het innerlijk doormaken van dingen, die dan desnoods imagi­nair mogen heten, maar waardoor ik beter begrijp waarom ik geloven wil. Op deze wijze vinden wij dus een punt in de richting van bewust­wording.

En het is heel duidelijk – en dat is ons volgende punt – dat wanneer de maatschappij werkt met sterk suggestieve technieken en hierdoor de persoonlijkheidsvorming en -uiting zo sterk weet te bepa­len, wij ook voor onszelf met suggestieve technieken mogen werken om boven de minimumeis uit te reiken door bij onszelf nieuwe vormen van bewustzijn en ervaring te stimuleren.

Hier hebt u dus een zeer eenvoudig grondthema. Ik zal proberen dit verder voor u uit te werken. Wij gaan daarbij uit van eenvoudige en naar ik aanneem u allen bekende stellingen.

  1. De persoonlijkheid bestaat niet slechts in de huidige aardse vorm, maar bestaat buiten het tijdselement als een gehele reeks van be­staansvormen in stoffelijke en niet-stoffelijke zin. Daarnaast moet worden gesteld, dat dit ego in alle werelden of sferen een zeker bewustzijn bezit.
  2. De vermogens die ik bezit als mens kunnen altijd worden aangevuld door de vermogens die ik bezit als entiteit, als persoonlijkheid in de totaliteit. Een contact tussen de werkelijke persoonlijkheid en de huidige uiting daarvan is dus niet alleen wenselijk maar voor een goed bereik in een leven noodzakelijk.
  3. Daar ruimte en tijd geen vaststaande maar variabele factoren zijn (voor zover ze het werkelijke ik, het totale ik betreffen), mag de gebondenheid van de huidige ik-uiting (de mens) daaraan niet volledig gebonden geacht worden, voor zover het bewustzijn daarbij betrokken is.
  4. Daar de kosmische wetten het totale ik buiten ruimte en tijd re­geren, zullen deze wetten, op het werkelijke ik zowel als op het stoffelijke ik, een voortdurend beperkende en ook bepalende invloed uitoefenen. Wanneer ik uitga van menselijke of stoffelijke maatsta­ven zonder daarbij de kosmische in ogenschouw te nemen, zal ik als gevolg daarvan tekortschieten t.a.v. mijn totale wezen en gelijk­tijdig vaak voor mijzelf de bewustwordingsmogelijkheid beperken of mij die ontnemen.

Deze punten kunnen wij dan als basis gebruiken om nu een beetje meer esoterisch te denken.

Dat wat ik mij voorstel te zijn, kan ik niet zonder meer wijzigen. Het is zelfs zo dat het beeld dat men zichzelf maakt van het eigen ik, bepalend is voor de beleving en de persoonlijkheidsuiting na de over­gang. Dan heeft het dus geen zin mij bezig te houden met de voorstel­ling omtrent mijn persoonlijkheid. De beschrijving van mijn persoonlijkheid is niet zo belangrijk. Belangrijk is de functionaliteit van mijn persoon­lijkheid. En dat is heel iets anders.

Het gaat er niet om wat ik ben of zou moeten zijn; het gaat er om wat mijn actie is, d.w.z. mijn invloed op en mijn wisselwerking met het milieu. Bewustwording is niet de erkenning van wat je denkt te zijn. Het is de erkenning van wat er als verhouding, als wisselwerking bestaat tussen jou en al het zijnde. In de esoterie, de ware esoterie, zullen we dus niet alleen maar moeten zoeken naar het werkelijke ik. We zullen vooral moeten zoeken naar de weerkaatsing van dat werkelijke ik in de materie en in de kosmos.

Wanneer wij als esoterici willen proberen de goddelijke Kracht in onszelf te ontmoeten, dan kunnen wij dat heel moeilijk doen wanneer wij uitgaan van wat wij nu zijn of wat wij zouden moeten zijn. Ik kan het alleen doen wanneer ik uitga van wat God voor mij betekent. In die God heb ik nl. een onbepaalde waarde. Wanneer ik naar die waarde toeleef zonder mijzelf te bepalen, dan ontstaat datgene wat men werkelijk Licht noemt. In het begin is dat misschien een beetje verblindend, maar op den duur onthullend omdat het dan niet meer gaat om je wezen, je per­soonlijkheid, je eigenschappen en je noodzaken, maar om het aandeel dat je hebt in een totale werking, een totale functie.

Hier heb ik dus een constatering: de ware esotericus zoekt te leven met zijn God en de werking van zijn ik in de totaliteit te be­seffen. Dit is de werkelijke benadering van wat men noemt de inner­lijke werkelijkheid. Het is de lering die men krijgt omtrent de Onein­digheid, waarvan men als “grote” persoonlijkheid nu eenmaal deel is.

Dan is er natuurlijk ook de vraag of de relaties, die ik voor mijzelf heb geconstateerd met die wereld (als mens bv.) wel juist zijn. En ik geloof dat je hier moogt stellen: Daar het ik verbonden is met alle ruimte en tijd – terwijl het in zichzelf als goddelijke uiting tijd­ en ruimteloos is – zal elke werking van ruimte en tijd niet slechts kunnen worden beseft, maar voor zover ze de verhoudingen van het ik betreft ook kunnen worden beïnvloed. Waarmee wij met één pas zijn over­gestapt van de esoterie in de magie.

Het gaat er niet om iets waar te maken, wat tegen mijn wezen indruist; begrijpt u mij goed. Maar het gaat er wel om het schijnbaar onmogelijke waar te maken vanuit mijzelf.

Er zijn veel mensen, die dat proberen, maar die doen het op een verkeerde manier. Zij zeggen bv.: Ik ben één met Jezus; ik ben Jezus …. En een ogenblik later zijn ze God de Vader.

Op zichzelf is dat allemaal begrijpelijk. Want, omdat men voor zichzelf tekortschiet, wil men zich dus één gaan maken met een andere figuur. Maar die figuur is men niet. Ik kan niet zeggen: “ik ben de herboren Christus”, wanneer ik dat niet eerst leef. Ik moet het eerst beleven. Dan kan ik het pas zeggen. Op het ogenblik dat ik het eerst ga zeggen om het daaruit te kunnen beleven, speel ik komedie met mijzelf. Daar­uit zal ik nooit kracht kunnen putten; en ik zal dus ook hetgeen ik pretendeer te zijn, niet waar kunnen maken.

Maar stel nu eens dat we de zaak omkeren. Dat ik voor mijzelf ga vragen: Wat voel ik als mijn werkelijke relatie met … en noemt u dan maar op … met de mensheid, met God, met de natuur, met de natuurkrachten. Niet, hoe is het menselijk; maar: hoe voel ik het. Dan zult u tot uw verbazing ontdekken dat u tegenover die wereld een klein beetje anders staat dan naar buiten toe algemeen wordt aangenomen. U hebt daarmee ook de sleutel gekregen tot uw werkelijke gaven, uw werkelijke vermogens. Want alles, waarmee u dus een relatie in uzelf als waar gevoelt – lang voordat u ze omschreven hebt – moet uit de gevoelswereld opkomen. Daar vindt u (en dat is nu typerend voor de mens) de rationele mogelijkheden om die gevoelens althans enigszins uit te drukken. En daarmede de mogelijkheid om ook als mens de wil te richten en via deze – in zich beperkte – wilsuiting de re­sultaten van het werkelijk in het ik ervarene dus kenbaar te maken.

Nu heb ik daarmee geconstateerd, dat een mens méér kan zijn. Maar hij kan nooit meer zijn in algemene vorm; hij kan het slechts zijn op een zeer speciale wijze… voor zichzelf. Op het ogenblik dat ik ga proberen uw persoonlijkheid te veranderen (en geloof me, er be­staan technieken, die dat wel mogelijk zouden maken), zou ik niet iets kunnen bereiken wat nu werkelijk blijvend is, wat van blijvende belang­rijkheid is. Ik kan uw uiting veranderen, dat is waar. Maar wat ik niet kan veranderen is de gevoelsmatige verbondenheden, die in u be­staan. En omdat ik die niet kan veranderen, kan ik uw bewustzijn in het ik niet veranderen en ook uw mogelijkheden naar buiten toe niet. Ik kan u dus niet via een suggestietechniek bv. helderziend, helderhorend of op een andere wijze begaafd maken. U bent het, maar u moet het eerst in uzelf aanvoelen dat u het bent.

En nu iets vreemds: heel veel mensen durven van zichzelf niet geloven wat ze aanvoelen te zijn. En daar heb je een heel typisch pro­bleem. Er zijn mensen, die voelen aan dat ze een waarheid weten, maar ze durven die niet uit te spreken. Want dan zeggen ze: Ik ben er immers de mens niet voor om die waarheid te weten?

Er zijn mensen, die proberen van zichzelf een beeld te maken, dat dan ook nog echt zou kunnen zijn, maar daarmee vervalsen ze dan weer wat ze werkelijk zijn. Die werkelijkheid in uzelf is uw totale per­soonlijkheid. En die kan nooit geheel gewijzigd worden, veranderd of anders gericht, alleen door hetgeen u in de materie bent of denkt te zijn. Maar op het ogenblik dat u die kern kunt accepteren – ook al is zij voor u verder niet logisch – wanneer u met die kern durft leven en daarop durft reageren, maakt u goddelijke waarden, kosmische waar­den a.h.w. voor uzelf kenbaar in de wereld. U gaat dan iets beseffen van uw werkelijkheid. U vindt krachten, die – van uw standpunt uit -waarschijnlijk kosmische krachten mogen heten. En met die krachten kunt u iets doen wat schijnbaar onmogelijk is.

Hier zou de mens dus eigenlijk kunnen optreden als een volledige wonderdoener. Maar helaas bestaat er hier een regel van limitering, een beperking. Daar, waar de mens zelf de onmogelijkheid veronderstelt, is hij niet in staat zijn gaven en krachten geheel te gebruiken om het als onmogelijk gestelde toch waar te maken.

Wat zijn hier dus de mogelijke conclusies? U bent meer dan u denkt te zijn, maar u bent anders dan u denkt te zijn. De voorstelling, die u van uzelf hebt gemaakt, is niet echt. Al datgene, wat u omtrent uzelf kunt ontdekken, is gelimiteerd, is altijd een aanpassing aan de maatschappij. Dus moeten we altijd eerst afgaan op de gevoelswereld in onszelf. Een beeld dat wij van onszelf maken, heeft daar niets mee van doen. Zodra ik durf afgaan op hetgeen ik als mogelijk, als waar­schijnlijk in mijzelf ervaar, zal ik ook de middelen vinden om ze – en dan in persona zoals ik mij dit materieel voorstel – ergens tot ui­ting te brengen.

Een typerend iets is hierbij verder: de menselijke aarzeling om eigen belangrijkheid te accepteren. U zou zeggen: de mens wil zijn eigen onbelangrijkheid niet accepteren. Dat is zeker wel waar; maar hij is bijna nog angstiger, wanneer het gaat om de belangrijkheid van zijn wezen. Want hoe belangrijker ik ben, hoe meer verplichtingen ik heb.

Een onbelangrijk mens kan beantwoorden aan de eisen, die door een ander worden gesteld. Dat is misschien niet altijd prettig, maar het is eenvoudig.  Iemand, die – nu ja – maar middelmatig is, die kan eens een keer zelf een paar besluiten nemen en voor de rest voor zich laten beslissen. Maar iemand, die beseft: “ik ben werkelijk heel erg belangrijk”, die moet de verantwoordelijkheid zelf dragen.

U bent belangrijker dan u gemeenlijk – en vaak ook gemeenschap­pelijk zoals u hier bent – meent te zijn. Maar die belangrijkheid kunt u alleen waarmaken, wanneer u afstand doet van de kwestie; maar dan ben ik verplicht. U moet niet zeggen: ik heb verplichtingen: of: ik heb schulden. U moet zeggen: ik ben. Dat wat ik ben is het enig be­langrijke. Wanneer ik aanvoel dat ik over bepaalde gaven beschik of zou moeten beschikken, dan moet ik niet zeggen: ik wacht tot die ga­ven komen. Dan moet ik eenvoudig zeggen: die gaven zijn er dus en ik gebruik ze. In het begin onwennig en misschien verkeerd, maar ik ge­bruik ze. En dan kan ik er iets mee doen. Zo eenvoudig is het eigenlijk allemaal.

Het is voor mij niet zo belangrijk u precies uit te leggen hoe het menselijk lichaam en de menselijke reactie in elkaar zit. Ik geloof dat het veel belangrijker is te beseffen wat je kunt en wat je bent. Nu kunnen we daar heel moeilijke en moeizame formuleringen voor ge­bruiken. Maar ik heb altijd het idee dat juist degene die moeizaam en ingewikkeld formuleert weinig te zeggen heeft. Hij weet niet wat hij zeggen wil. Ik weet in ieder geval wat ik zeggen wil vanavond. En in al zijn eenvoud geloof ik dat ik dat begrijpelijk heb gemaakt.

Nu zijn er een aantal kernen, die wij in ons leven nooit mogen vergeten.

  1. Wij kunnen in het leven nimmer werkelijk neutraal zijn. Of wij aan­vaarden, hebben lief; of wij verwerpen, haten. Neutraliteit van het ik is dus in wezen onmogelijk. Dan heeft het ook geen zin te proberen om neutraal te zijn. Dit kunnen wij uiterlijk misschien zijn, maar wij zullen bewust innerlijk altijd partij kiezen.
  2. Wanneer ik partij kies, dan doe ik dit uiteraard met mijn gedachten. Als mens formuleer je in gedachten. Maar gedachte op zichzelf is niet voldoende. Er moet meer zijn. Een keuze, die ik maak, moet ik altijd met mijn gehele wezen maken; dus ook met mijn daden, mijn middelen, de projectie van mijn persoonlijkheid in de wereld, enz.

Deelhebben aan de maatschappij – hetzij door haat, hetzij door liefde – is uitermate belangrijk voor de mens. Maar deelhebben in de kosmos is alleen mogelijk door ditzelfde evenwicht van aanvaar­ding en verwerping. Vergeet u dat niet.

Daar, waar liefde is – en nu bedoel ik dat niet in die stof­felijk materiële knoeizin van “het is volle maan en de zomer komt”, maar werkelijk zo van aanvaarding, een gevoel van verbondenheid, waar­bij de uitingen dan verder in het midden mogen blijven – dan ben ik daardoor niet alleen materieel verbonden en gelijktijdig dus ook in mijn wereld zelf actief en daardoor deel van die wereld voor mijn ei­gen besef; maar ik ben ook kosmisch verbonden. Liefde en haat, of aanvaarding en verwerping, zijn de twee noodzakelijke elementen in ons wezen, wanneer het gaat om het activeren van de kosmische krachten, die in onze persoonlijkheid bestaan.

Leven wordt door de mens gezien als een tegenstelling tot dood. De mens gelooft in het leven, maar beseft het meestal pas, wanneer het voorbij is. En hij weet dat de dood bestaat, maar verwerpt hem voor zichzelf, totdat hij onontkoombaar geworden is. Leven en dood zijn opvattingen, die materieel zijn. Wij kunnen dit vervangen door het eeuwige leven, zoals men dat in bepaalde geloofsrichtingen doet. Maar ook daar is iets, wat we niet kunnen accepteren, want nu is die interruptie van het stoffelijk bestaan voor ons als mens strijdig met het begrip eeuwigheid.

Er is echter iets wat wij ons wel kunnen aanwennen en dat is het begrip van leven op verschillende wijzen gelijktijdig. Deftig ge­zegd: tracht te leven gelijktijdig op verschillende niveaus van be­wustzijn. Dan kun je je voorstellen dat het denken voortgaat, terwijl het lichaam niet meer actief behoeft te zijn. En dan kun je daardoor je ook weer andere mogelijkheden voorstellen.

Om het ik in deze wereld aan te passen aan de werkelijkheid en ook aan de kosmische mogelijkheden, moeten wij dus proberen niet meer te spreken over leven en dood, maar vooral te denken in bewustzijns­toestanden. Zodra we die bewustzijnstoestanden willen gaan formuleren, lopen wij vast, want dan lopen wij weer tegen leven en dood aan. Daarom moeten wij proberen in de plaats van de formulering de beleving, de bewuste beleving te stellen. Die bewuste beleving komt bij de mens soms tot uiting als uittreding, om een voorbeeld te geven. Zij komt naar voren als droom, dagdroom. Zij komt naar voren als een rusttoe­stand, waarin je eigenlijk niet denkt en niets doet en toch gelijktij­dig je volledig bewust bent van je bestaan.

Probeer zoveel mogelijk verschillende toestanden van zijn te beleven, zowel in volle lichamelijke activiteit als in zuiver gees­telijke activiteit, waarbij zelfs de gedachte geen rol meer speelt. Wanneer u op deze wijze leert op hoeveel verschillende manieren je als mens al kunt bestaan, vervlakken de ideeën leven en dood enigszins. Nooit helemaal, dat is bij een mens onmogelijk: maar in ieder geval voldoende om te komen tot een zijnsbesef, waarbij eeuwigheid niet meer een illusie blijft of een magisch troostwoord, maar vol­ledig beseft wordt. Een continuïteit, die door niets onderbroken wordt.

Zodra wij deze continuïteit beseft hebben, kunnen wij ook alle krachten, die wij in die continuïteit voor onszelf erkennen, tot ui­ting brengen en wel op elk door ons gekend vlak van besef, van zijn. Iemand, die niets doet en niet denkt, kan zo intens leven dat hij alleen hierdoor meester is over alle lagere leven in zijn omgeving bv. Hij zou dus in feite dieren kunnen aantrekken en dirigeren. Je zou zeggen: dan moet hij denken. Neen, hij denkt niet, want hij past alleen maar aan, aan een bepaald patroon, waar hij zelf deel van is. Op deze wijze kun je dus ook heel veel bereiken.

Daarnaast is het misschien wel goed om ook te begrijpen dat dood als begrip van scheiding eigenlijk onbelangrijk is. Scheiding is alleen dan belangrijk, wanneer wij dus de aan- of afwezigheid uitdruk­ken in bepaalde facetten van bestaan. Wanneer iemand de kamer uit is, is hij afwezig. Toch wordt die afwezigheid niet gevoeld, omdat wij den­ken: hij kan terugkomen. Op het ogenblik dat diezelfde persoonlijkheid weg is – laten we zeggen: naar Amerika – dan kan hij niet meer zo ge­makkelijk terugkomen en dan wordt het al moeilijker. En wanneer iemand dood is, dan is er een grens gekomen. Die grens ontstaat uit het ei­gen wezen, uit het eigen ik. Zeker, er zijn bepaalde facetten van stof­felijk bestaan, waarin die afwezigheid kennelijk en klaarblijkelijk zal zijn te allen tijde. Maar is dat nu wel het belangrijkste?

Het blijkt dat een mens op aarde vaak een zeker rapport heeft met andere mensen. Een man komt   onregelmatig thuis; de vrouw weet toch wanneer ze het eten moet opzetten. (Een van de meest eenvoudige voorbeelden) Familieleden voelen van elkaar aan, wanneer er een ziek is. En zo kun je doorgaan. Wij weten dat die dingen bestaan. Is dit aanvoelen dan alleen maar tot een stoffelijke wereld beperkt? Kennelijk niet, wanneer wij niet zelf de grens van “voorbij, afgelopen” naar vo­ren schuiven.

Ik zou u dus de raad willen geven een sterke scheiding te ma­ken tussen geestelijke en lichamelijke bestaanswaarden. U zult ontdek­ken dat in geestelijke contacten een continuïteit mogelijk is, die lichamelijk haast onvoorstelbaar lijkt. Hierbij spelen afwezigheid in ruimte of in tijd (in tijd bv. door sterven e.d.) geen rol meer. Be­wust contact kan worden behouden.

In het begin bent u waarschijnlijk bang dat u zichzelf aller­hand hallucinaties op de hals haalt. Maar wanneer u nu maar heel nuchter blijft en beseft dat wat op geestelijk niveau zich afspeelt, niet automatisch ook op een stoffelijk niveau zo moet zijn, dan zal het heel erg meevallen. En dan zal blijken dat u geen dialogen met uzelf gaat houden, zoals sommige mensen doen (ook spiritisten); maar dat u eenvoudig een ander aanvoelt. Zoals je in een kamer samen kunt zijn zonder te spreken en toch te weten van elkaar dat je er bent, al is het donker in de kamer.

Op die manier kun je met dit aangevoelde contact een overdracht krij­gen van bepaalde emotionele waarden (die dus niet verstandelijk zijn uit te drukken) en met die emotionele waarden ook van bepaalde krachten, bepaalde stimuli. Op deze manier kan men dus op aarde contact onderhouden, ongeacht bepaalde scheidingen. Ook dit lijkt mij van belang.

Dan een laatste punt dat ik in deze inleiding nog graag naar voren wil brengen.

Leven en dood, goed en kwaad en al die dingen – dat weten wij nu wel – zijn niet helemaal echt, maar wij moeten daarin op de een of andere manier proberen te passen. Maar hoe zit het nu met ons eigen ikje? Ik heb daarnet heel veel verteld over persoonlijkheidsprojectie, persoonlijkheidsvoorstellingen gevormd door de maatschappij. Wat moet je er mee aan?

Heel eenvoudig? Zodra ik probeer iets te zijn, ben ik al mij­zelf niet meer. Maar zolang ik ben, dus besta zonder daarmee een bepaald iets te willen uitdrukken of te willen zijn, eenvoudig alleen maar besta, druk ik automatisch mijn werkelijke wezen uit. Dit houdt geen daadloosheid in en ook geen stilstand van alle denken. Maar het houdt wel in dat ik niet probeer aan een bepaald iets te beantwoor­den. Bv.: Dit verwacht men van mij, dat verwacht men niet van mij.

Ik ga niet uit van het: “Ja maar, ik heb geleerd zo te denken; dus dan moet ik het zo formuleren.” Neen, eerst spontaan formuleren. De mens, die leert dus eerst en in de eerste plaats dit spontane zijn tot uiting te brengen en pas later – dus daarna – dit eventueel aan te passen aan de maatschappelijke noodzaak, die zal tot zijn verbazing ontdekken, dat hij over een veel rijkere persoonlijkheidsinhoud beschikt dan hij ooit heeft verwacht.

Hij zal ontdekken dat hij veel meer dingen weet – al kan hij niet zeggen hoe en waarom – dan redelijk verwacht kan worden. En daarnaast zal hij ontdekken dat hij eigenlijk de zaak kosmisch gaat zien. Hij ziet dus niet meer alleen menselijke noodzaken en mogelijkheden. Neen, hij voelt ook bestaande verbindingen aan, die voor de mens dan weer moge­lijkheden zijn, maar die meestal niet beseft worden.

Juist door dit je terugtrekken op wat je werkelijk bent – deze spontaniteit dus – kun je voor jezelf enorm veel bereiken in esoterisch en magisch opzicht. Want het besef dat als gevolg hiervan ook verstan­delijk ontstaat, zal – omdat het niet als albepalend en uiteindelijk beslissend wordt beschouwd, maar alleen als een registratie – u helpen uzelf ook op aarde juist te zien en te beseffen, juister te reageren, te denken en te handelen en een juister gebruik te maken van al uw mogelijkheden.

En daarmee, vrienden, heb ik mijn inleidende taak zo goed als mij mogelijk was volbracht. U krijgt zo dadelijk een gastspreker, die in filosofisch-humanistische richting past. Tijd ongeveer 1500. Hij heeft veel gewerkt op aarde en kent ook Nederland uit eigen stoffelijke er­varing. En hem is verzocht u duidelijk te maken wat vrije wil is. Maar dan niet in een betoog van “we zijn wel of niet vrij” (een filosofietje alleen maar), maar om u te laten voelen wat vrije wil kan zijn. Ik hoop dat hij daarin slaagt. Ik wens u een aangename pauze en een zeer suc­cesrijke verdere bijeenkomst.

De vrije wil

Men heeft mij verzocht u het een en ander te zeggen over de vrije wil. Maar ik vraag mij af of dit volledig mogelijk is in de men­selijke zin van het woord.

Wij willen. Maar willen wij, wat wij denken te willen? Of om het anders te zeggen: Als mens ben je voortdurend verward tussen voorstellingen, die je wenselijk schijnt te achten en de dingen, die je waarlijk begeert. Want daar komt het willen uit voort.

Vrije wil zou moeten zijn: zelfbestemming. Maar een zelfbestemming kan voor een mens nooit een absolute vrijheid van bestaan zijn. Zolang ik als mens wil bestaan, moet ik ook accepteren, dat ik als mens aan regels gebonden zal zijn. Slechts mijn vrije wil stelt mij in staat die regels te vinden en te aanvaarden, die voor mij de uitdruk­king van een menselijk bestaan vormen.

Zou het bij dit menselijke blijven, ik geloof niet dat ik de uitnodiging zou hebben aanvaard. Want het bestaan zelf is kosmisch en veelomvattend. Wanneer ik leef in de kosmos, moet ik ergens be­staan volgens een goddelijke wil. En zo er geen goddelijke wil is – men zou dat kunnen veronderstellen – dan besta ik krachtens de totaliteit, waarvan ik deel uitmaak.

In dit bestaan heb ik een vaste functie, ook wanneer die functie schijnbaar beweging met zich brengt. Zoals men kan zeggen dat het water in een rivier naar zee stroomt, maar men niet mag vergeten dat het toch ook weer ergens moet terugkeren tot de bron.

Ik kan het denkbeeld van voortdurende verandering accepteren, wanneer ik daarbij stel dat die verandering in zichzelf dan ook het wezen van mijn functie uitbeeldt. Anders niet. En dat houdt in dat ik – van mijn standpunt uit tenminste – de mens in de eerste plaats zie (kosmisch) als een wezen dat een functie heeft.

Een functie. Welke? Daarover kan men strijden. Deze functie bepaalt alles, wat voor ons mogelijk is. En als de functie bepaalt wat er voor ons mogelijk is, dan moet daaruit voortvloeien dat wij dus gelimiteerd zijn in onze vrijheid van willen.

Zo ons voorstellingsvermogen ons in staat stelt ons iets voor te stellen wat buiten onze origine ligt, buiten ons eigenlijk doel in de totaliteit, dan ben ik zo vrij te ontkennen dat dit mogelijk is. Ik geloof niet dat er geestelijk of anderszins een kenvermogen kan be­staan dat dingen beseft, werkelijk beseft, die niet behoren tot eigen wezen, eigen functie. Ik meen dat het menselijke voorstellingsvermogen, het menselijk begripsvermogen, maar ook het geestelijk vermogen van er­kenning en voorstelling gebonden is aan het wezen dat men is, aan de functionaliteit van dit wezen in het totaal.

En daarmee wordt – zoals u begrijpen zult – de vraag van de vrije wil veel interessanter. Want willen is alleen mogelijk aan de hand van voorstellingen. Maar alles, wat voorstelbaar is, behoort tot mijn eigen functie, tot mijn eigen wezen in de totaliteit. Dan is al hetgeen ik kan willen in het geheel van het bestaan goed. En dat zou niet slechts voor mij, maar dat zal voor elke mens, voor elk wezen dat er ook maar bestaat, waar moeten zijn.

Van hieruit is het maar een kleine stap om te zeggen: Het ken­merk van menselijkheid – in de geest of in de stof – is in de eerste plaats de erkenning dat de functie van de ander het totaal van al wat hij wil, wat hij beseft en ook wat hij verwerpt, omvat.

Nu zult u zeggen: Waarom moeten wij dan steeds kiezen? Dat is duidelijk: Omdat wij niet in staat zijn in de menselijke vorm of in een geestelijke vorm het geheel te beseffen, dat wij werkelijk zijn. Wij ken­nen onszelf niet. En daarom zullen wij in de ene incarnatie het ene waarmaken en in de volgende incarnatie het andere. Daarom zullen wij de kracht, die wij hier kunnen openbaren, een volgende keer ontberen; of omgekeerd.

Alles wat in ons bestaan ook maar een rol kan spelen, kan ont­leed worden in tegenstellingen. En die tegenstellingen worden alle eens waar. Maar wanneer en hoe, dat weten wij niet. Want wij beseffen de werkelijkheid niet. Maar elke functie, die ik uitoefen volgens mijn eigen bewustzijn, is gelijktijdig een deel van mijn totale, van mijn kosmische functie.

Het zal voor u waarschijnlijk moeilijk zijn om dat te verwerken. Een moordenaar, zult u zeggen, is toch een slecht mens. Judas bv. is een moordenaar, een verrader, een slecht mens. Misschien wel. Maar wanneer hij dit heeft geuit, dan zal automatisch een volgende keer deze mens een ander deel van zijn functionaliteit uiten. Want hij is een geheel, een afgerond geheel.  En u, die misschien op dit moment uzelf zozeer deftige lieden acht, zult misschien ook morgen behoren tot degenen, die niet meetellen.

En daarom is vrije wil voor ons eigenlijk helemaal niet zo be­langrijk, wanneer het gaat om de keuze van wat wij doen en wat wij laten. U kunt zoveel doen, vrienden, en zoveel laten; en het verandert ei­genlijk niets. Het enige wat veranderen kan is uw besef van uzelf. Maar dat is alles.

Hier zouden ongetwijfeld de volgelingen van Gomarus bv. in opstand gaan komen. Want de Heer bestemt alles. Ja, de Heer bestemt alles, maar binnen Zijn bestemming maak ik in zeer vele verschillen­de krachten en levens en werkingen waar, wat de Heer gewild heeft. Zijn totaliteit valt voor mij uiteen in een keten van aaneengerijde be­staansvormen. En zo wordt ook geloof ik duidelijk – tenminste voor mij – dat willen, werkelijk willen, eigenlijk niet eens mogelijk is. Voor ons is het: beseffen.

En datgene, wat wij beseffen en werkelijk als deel van ons wezen beseffen, daaraan kunnen wij ons niet ontworstelen. Dat maken we waar, ook al zeggen we dat we het niet willen. En datgene, wat wij met heel ons wezen schijnen te begeren en wat niet tot ons werkelijk bestaan, onze functionaliteit behoort, dat zullen wij verwerpen op het ogen­blik, dat de verwezenlijking mogelijk is.

En nu denkt u waarschijnlijk: Och Heer, wat hebben ze ons deze maal voor een zonderlinge orator gestuurd. Maar daar ligt het begin.

U wilt vrij zijn. Wat wilt u eigenlijk werkelijk? Maar u wilt zo veel. Ja, u denkt dat u zoveel dingen wilt. Maar wilt u ze nu ook werkelijk? Ach, welnee. Wanneer het komt tot de mogelijkheid, dan zijn de omstandigheden bepalend en niet wat u wilt. Of misschien zelfs, wanneer de mogelijkheden er zijn om waar te maken wat u wenst, vlucht u ervoor weg. Zoals u wegvlucht vaak voor uzelf. En als je van daaruit gaat, kun je verdergaan.

God – onbekend misschien, of misschien bekend – God is bestem­ming en het beginpunt. Wat wij doen is: “reizen van God uit, het onbewustzijn van ons wezen door Hem uitgestuurd, gaande door de totali­teit van Zijn werelden, terugkerend tot Zijn woning.” Dat is de formu­lering. Maar wat is dat dan voor een God, als wij buiten die God kun­nen gaan? Dat is niet denkbaar, nietwaar?

Wanneer God bv. Jezus op aarde zendt om de mensen te verlossen en die verlossing gelijktijdig voorwaardelijk maakt, dan heeft God dus – ongeacht de wil van de mens – het al onmogelijk gemaakt voor velen om tot die verlossing te komen. Dan zou God iets buiten Zichzelf tot stand hebben moeten brengen. En ik geloof niet dat dat juist is. Ik geloof eerder dat je het omgekeerd moet zien.

God is onze wereld. In die wereld zijn wij mens. Wat dat mens­-zijn betekent, weten we zelf ook niet. Evenmin als we weten wat God betekent. Maar wij weten wel één ding: Mens-zijn betekent een bepaalde verhouding met de Oneindigheid, een bepaalde relatie met het bestaan. En wanneer ik die relatie ken (of erken alleen maar, zonder dat er nog een kennen bij komt), dan zal ik niet alleen weten wat de wereld is, dan weet ik ook wat ik zelf ben.

Ik ben eigenlijk als mens een wezen, dat zichzelf formuleert door te constateren wat het ontbeert, in vergelijking met al wat rond hem is. Want zo ben je.  En nu komt hier dan dat typische element, waarmee wij geestelijk altijd weer te worstelen hebben: het element van vrije wil, die toch weer niet vrij is.

Ik aanvaard vrijelijk groten boven mij en er zijn er die mij aan­vaarden als leermeester. Vrijelijk, want niemand zegt dat ze het moe­ten doen. Maar kunnen ze het vermijden?

Want ik ben is voor degenen die mij willen volgen, een deel van wat in hen leeft. Zoals u waarschijnlijk hoogstens mij zult aanhoren en begrijpen, wanneer ik ergens een echo ben van hetgeen al in u leeft. Wij kunnen in elkaar alleen wakker roepen wat wij zijn … en niets anders. Maar wij kunnen daardoor wel anderen bewust maken van wat zij zijn. En daarin ligt hier juist het wonderbaarlijke.

Hebt u zich weleens afgevraagd hoe het komt dat mensen dui­zenden en duizenden jaren gezocht hebben naar oplossing voor bepaalde problemen en dat die nu toevallig in uw dagen gevonden worden? Of hebt u zich weleens afgevraagd hoe het komt dat problemen waar men vroe­ger geen weet van had en ook geen last, in deze dagen ineens alles-overweldigend opduiken? Is er niet een verschuiving van waarden?

Het is niet zo, dat de wereld vroeger zoveel beter was dan van­daag of zoveel slechter. Ze was anders. Vroeger waren er andere oor­zaken. Vroeger overleed men aan de pest, tegenwoordig aan het verkeer. Vroeger had men misschien geen bioscopen; maar daar stond tegenover dat men onderling zo intens kon opgaan in gesprekken, in zinnebeelden, in spel dat u kinderlijk lijkt, dat de wezenlijke vervulling misschien groter was, dan u in uw cinema’s ooit kunt vinden. En al die mensen, die zo primitief en zo vuil waren, waren misschien gelukkiger in hun vuil dan u in uw al te veel zakelijk gestoffeerde hygiëne. Zo is het toch. Een ander facet van de zaak. Hier is dit goed en dat fout. Maar daar was dat nog fout; maar ja, toen was dit weer goed.

Het is een eeuwig evenwicht. En wij wankelen door dit evenwicht heen. En uit dit evenwicht zoeken wij langzaam maar zeker de gestalte te vinden van ons wezen en van onze persoonlijkheid. Wij proberen te willen. Wij willen van alles. Maar wat wij willen maken wij waar … alleen niet gelijktijdig. De mens die vandaag het kwade wil en het goede doet, doet morgen het kwade maar zal dan het goede willen.

O, een gevaarlijke stelling is dat. U kunt dus niet zo edel worden als u verlangt. U kunt alleen volledig worden. En anderzijds: Een mens, die beseft hoe de verschillende dingen mogelijk zijn, aanvaardbaar zijn, hoe ze tegenover elkaar staan als een eeuwig evenwicht, die zal niet meer geraakt worden door goed of kwaad. Hij zal dus ook niet meer willen goed zijn; of bang zijn het kwade te doen. Hij zal een­voudig waar zijn en hij zal openbaren wat hij menselijk is.

U denkt misschien dat uw mensheid vandaag aan de dag vrij is. Maar laat mij u één ding vertellen: De meesten van u zijn minder vrij dan de horigen vroeger. De horigen waren gebonden aan hun grond, ze­ker; maar zij leefden hun eigen leven. U bent vrij om op reis te gaan; maar eenieder bepaalt hoe u eet, hoe u drinkt, hoe u leeft, hoe u slaapt, wat u doet. U meent misschien dat die horigen veel minder mogelijkheden hadden dan u. Ja, maar veel van de dingen, die voor u verschrikkelijk zouden zijn, waren voor hen normaal. En heel veel din­gen, die u zo heel normaal vindt, zouden voor hen een verschrikking -zijn. U zult een horige geweest zijn en misschien een vorst. U zult priester geweest zijn en verworpeling; alles op zijn tijd. Maar u zult in al die fasen – en dat is het belangrijke – mens geweest zijn. En in al die fasen hebt u datgene gewild, wat u niet waart- Dat is belangrijk U wilt juist die dingen, die u niet hebt. U wilt juist die dingen hebben, die u niet bent. U zou alles waar willen maken, wat juist niet te realiseren is. En al het andere, wat u dan accepteert in uw wereld, is surrogaat. Dat is maar een goedkoop vervangingsmid­del.  Daarom zijn er zoveel hemelen, waarin alles een menselijke wereld in perfectie moet voorstellen. U wilt dus altijd het andere.

Wat willen wij dan in wezen? Wat is dan onze vrije wil?  Onze vrije wil is een besef, voortkomende uit onze eigen onvolledigheid. En in dit besef van eigen onvolledigheid streven wij naar de vervulling van ons eigen wezen. Maar wij begrijpen niet dat wij het één kunnen zijn, zonder het andere te verwerpen. Wij veroordelen. En juist dat mogen wij niet doen.

De werkelijkheid van het mens-zijn is: bestaan zonder veroor­deling. Veroordeling voor jezelf, voor de wereld, voor anderen. Het is eenvoudig een besef: zo ben ik en dat wil ik. Laat ik proberen het te beseffen en het waar te maken. Maar daarom is datgene wat ik nu ben, nog niet verkeerd; en wat ik nu doe, nog niet verkeerd. Ik moet een geheel maken uit de beperking die ik ben.

Nu hoop ik maar dat u iets begint in te zien van wat een vrije wil eigenlijk is. Ik zou het u moeten laten doorvoelen. Maar weet u werkelijk wat u wilt? Weet u het werkelijk? Wat wilt u nu werkelijk? U weet het eigenlijk niet helemaal. Als u eerlijk bent, wilt u leven en dood zijn. Dan wilt u losbandig en kuis zijn. Dan wilt u vroom zijn en gelijktijdig zo werelds als het maar kan. U wilt alle dingen tegelijk. U wilt een afgerond geheel zijn. En dat afgeronde geheel kun je alleen zijn, wanneer je je wezen beseft. Want ik heb gezegd: wij zijn functio­neel; en daardoor functioneel bestemd binnen de totaliteit. Maar dan zijn wij méér. Dan zijn wij niet alleen binnen die totaliteit functioneel, maar wij zijn ook gelijktijdig een functie van de totaliteit.

En dan kan er van alles gebeuren. Maar dan vindt de moordenaar en de verrader evenveel plaats als de heilige. Ze zijn allemaal nodig. Dan kan de kosmos alleen bestaan door een voortdurende, een voortdurende uitdrukking op duizenderlei wijzen van alle tegenstellingen, die maar denkbaar zijn.

Het leven is niet een caleidoscoop, die voortdurend verandert. Dat hebben wij ervan gemaakt. Omdat wij alleen maar bewegen rond de har­monie van de totaliteit en haar steeds weer in andere verhoudingen zien. Maar de werkelijkheid? De werkelijkheid is onveranderlijk. Die wer­kelijkheid is onveranderlijk en wij zijn er deel van.  Wij hebben een be­paalde waarde van licht of van duister, van kleur misschien, waar­door de rest zijn zin krijgt, zijn betekenis. En de vrije wil, die ons blijft, is alleen maar: onszelf zijn; maar dan als geheel en niet als deel.

Wat mij voert tot de conclusie dat voor de mens en voor de geest de vrije wil slechts een uitdrukking is van de onveranderlijke behoefte tot zelfvervulling in totaliteit.

En dan krijg je natuurlijk de vraag, hoe wij dan in die kosmos staan. Wel, zolang mijn wil eenzijdig is en daarmee dus mijn erkenning en mijn streven eenzijdig zijn, zal ik al hetgeen tot mijn wezen behoort en niet in mijn streven erkend is, uitschakelen. Het is helemaal niet zo moeilijk om één stap te doen en van hier op een andere plaats te zijn, duizenden kilometers weg. Dat is helemaal niet zo moeilijk, wan­neer je begint niet met te willen die afstand af te leggen, maar met te beseffen dat die afstand alleen bestaat, voor zover ik ze zien wil. Mijn besef bepaalt het. Maar de mens kijkt juist naar deze plaats en gene plaats. Mijn besef is: ik wil overbruggen. Maar dat kan ik pas, wanneer ik besef dat ze gelijk zijn. De plaatsen zijn gelijk. In de totaliteit is mijn functie niet bepaald t.a.v. de planten en de dieren. Het is niet zo belangrijk of ik tegenover de mensen nu dit of dat ben. Belangrijk is dat ik mijzelf ben. Ons willen echter gaat op aspecten van dit wezen af, een aspect voor die functie.

Wij willen bv. aan het hof geziene persoonlijkheden zijn. Is dat op zichzelf belangrijk? Helemaal niet. Wanneer het nodig is, zijn wij vanzelf gezien; dat behoeven wij niet te willen. Belangrijk is dat wij niet alleen naar het hof streven, maar ook beseffen wat er rond ons is. Je kunt zakelijk succes willen hebben. Maar dan moet je ook ge­lijktijdig je menselijkheid beseffen. Want anders verlies je onder het bereiken van het zakelijk succes je menselijk contact met de mensheid. Dat kan iedereen u bewijzen.

Je kunt begeren naar macht. Maar als je die macht begeert, zonder gelijktijdig te beseffen hoe beperkt je bent in je mogelijkheden, dan misbruik je je macht en ga je aan je macht zelf ten onder. Zo zijn de zaken nu eenmaal. En daarom is het belangrijk dat ik in mijn wil­len altijd mee calculeer wat ik ben, wat ik in mijn eigen besef ben.

Hier moet ik gaan zoeken naar een goede afsluiting van dit betoog.

De vrijheid is noodzakelijk voor ons, omdat elke kunstmatige beperking aan de in ons bestaande mogelijkheden opgelegd, gelijktijdig een ontkenning is van ons werkelijke wezen.

Onze vrije wil is ons vermogen om de regels te erkennen, waar­door wij met een totaliteit gebonden zijn, of om andere regels t.a.v. die totaliteit te stellen. Maar wij zullen onszelf er altijd aan moe­ten houden.

Onze vrije wil kan ons lot niet bepalen; maar zij kan wel bepa­len hoe we dit lot ervaren.

Onze totale vrijheid is het uitoefenen van de functie die wij hebben binnen de totaliteit. Maar omdat die totaliteit alle levens, alle mogelijkheden omvat, is het voor ons belangrijk te beseffen. Te beseffen wat wij zijn. Zodat wat wij “willen” noemen, verandert in be­seffen. Daar waar het besef treedt in de plaats van de wil, daar heeft de mens een goddelijke status bereikt. Maar daar, waar de wil het besef beteugelt en richt, daar is de voortdurende strijdigheid van de mens met zichzelf en met zijn eigen werkelijkheid.

U bent vrij geboren, ook op deze wereld. U bent vrij in die kosmos, omdat uw enige doel, uw enige vermogen tot beseffen en willen, ligt in wat u bent. U bent volledig vrij … en u kunt niet anders. U kunt u niet eens indenken hoe u anders zou kunnen zijn. En al het­geen u er omheen maakt, is onbelangrijk.

Daarom is het belangrijk mens te zijn, werkelijk mens. Maar dan een mens die niet kiest tussen de tegendelen; maar die ze beide be­seft en zich in beide tegendelen tracht thuis te voelen.

Het is voor ons noodzakelijk en onvermijdelijk om mens te zijn in de totaliteit, waarin wij als mensheid een functie hebben. Maar het is wel heel erg belangrijk dat wij dan dat mens-zijn niet limi­teren tot wat wij zijn, maar alleen tot het samenzijn met anderen in een bepaald besef.

De beste filosofie van vrije wil en vrijheid, die er bestaat, is deze: Daar, waar ik niet oordeel over de wereld buiten mij en be­antwoord aan de wereld, die ik erken volgens dat wat in mij leeft, ben ik vrij mens, ben ik een vrije ziel en besef ik mijzelf in waarheid. En zo, mijzelf in waarheid beseffende, zal ik – fase na fase doorlevende – de waarheid van het totaal, dat mijn functie is, bereiken, En dat, dat is de voltooiing van alle dingen,

Een ongelukkig einde voor een lezing, die ik mij toch anders had gedacht en anders had voorbereid. Misschien had ik met plechtiger woorden moeten spreken. Of misschien had ik duidelijker moeten denken. Maar ik wilde in de eerste plaats waar zijn. En u ziet, hoe daarmee de gebrekkigheden van mijn wezen tot uiting komen.

Toch zijn er geesten die wat ik denk en zeg als waardevol beschouwen, omdat ze zichzelf daarin vinden. Zoals ik mij spiegel aan degenen die boven mij staan en daarin mijzelf tracht weer te vinden.

Ik weet niet hoe u uzelf wilt vinden. En dat is ook niet mijn, zaak. Ik hoop alleen dat ik u duidelijk heb gemaakt dat u vrij bent om dit te doen. Dat er geen regels of wetten zijn buiten de krachten van uw wezen. En dat al het andere voortvloeit uit uw relatie met de wereld: het waarmaken van wat in u leeft.

Dat is in ieder geval filosofie, maar daarnaast is het ook praktische levenswijsheid. Een levenswijsheid, die geldt in elke sfeer, die ik heb leren kennen. Het is zelfs meer dan dat: Het is de dra­gende factor in die grote Krachten, die wij Christusgeest noemen, Witte Broederschap noemen. Het is de verbinding die er bestaat tussen die hoogste sferen van Licht en Kracht. Het is de bron van alle inwijdingen.

En geen van die dingen kan u ooit gegeven worden. U kunt ze alleen beseffen. Maar wanneer u ze wilt beseffen en daardoor limi­teert, zult u ze nooit waarlijk beleven en beseffen.

Er is geen einde voor ons aan dat, wat God is in Zijn Licht, in Zijn Genade, in Zijn Liefde, in Zijn Werkelijkheid en Almacht en misschien ook in Zijn beperktheid, wie zal het zeggen.

Er is geen einde. En als er voor Hem geen einde is, dan zal ons besef beperkt zijn binnen Zijn Wezen. Maar binnen dit besef is er voor ons geen einde. En waar geen einde is voor ons besef, zijn wij vrij en is er niets wat ons uiteindelijk kan beperken, dan wijzelf.