De piramide van Cheops

De piramide van Cheops is een onderdeel geweest van een enorm groot complex. Iemand, die zich alleen bezighoudt met de piramide, zal de werkelijkheid waarschijnlijk over het hoofd zien. Laat mij u en­kele gegevens verstrekken, dan weet u ongeveer waar u aan toe bent. De bouw van het complex is begonnen ongeveer 2900 jaar vóór Christus en heeft 300 jaar geduurd. Het geheel ‑ was kort vóór 2600 jaar vóór Christus gereed. Aangevoerd werden in totaal bijna 6 miljoen stenen (zandsteen), aangevoerd uit Caïro. Elke steen had een inhoud van 2 á 2½  kub. meter. De totale aanlooproute van de ingangspoort tot aan de Piramide had een lengte van 3,21 km. Op elke 50 meter stonden aan weerszijden een paar sfinxen van verschillende typen. U kunt dus uitrekenen hoeveel beeldhouwwerk daar alleen reeds stond. De ingangspoort zelf deed enigszins denken aan de toegang, die ook voor de grote tempel in Memphis werd gebruikt. Daarvoor was er een complete kade aangelegd.

Tot het complex behoren ‑ behalve de grote piramide ‑ twee kleinere piramiden, zeven verschillende tempels en dan nog een soort to­neelzaal, waar bepaalde inwijdingsspelen werden gegeven. Van deze laat­ste is weinig overgebleven. Van de tempels zijn nog resten aanwezig en ook gevonden.

Als u dat zo hoort, dan begint het u misschien te dagen. Wij hebben hier niet te maken met de gebruikelijke grafgedenktekenen, hoezeer men ook in Egypte buitengewone zorg heeft besteed aan deze graven. De Egyptenaar geloofde nu eenmaal, dat het voortbestaan van de mens uiteenvalt in verschillende delen. Er moest dus ook voor de Ba een verblijfplaats aanwezig zijn. Er moest een weelde zijn, die men kon meenemen en die men kon projecteren naar het terrein waar de Ka zou leven. Het is een opvallend geheel, omdat je in praktisch alle Egyptische graven ook uit die tijd uitvoerige versieringen vindt. In de piramide van Cheops zijn die niet aanwezig.

De indeling van de piramide is uit de aard der zaak ongeveer als normaal; er zijn echter enkele afwijkingen. Eén daarvan is de oriëntering van ingang en gangen. Een tweede punt is het gebruikte sluitsysteem en het derde en misschien wel belangrijkste punt is de volgen afwijking: Er is een koningskamer en een koninginnekamer aanwezig. Maar koning en koningin werden in graven niet tezamen begraven, altijd afzonderlijk. Er zijn geen piramiden aangetroffen, waarin wel twee personen begraven waren. Er zijn dus afwijkingen van de norm. Dit wilde ik even constateren.

Het is uit de aard der zaak een fantastisch werk geweest. Zeker te vergelijken met de bouw van de grootste kathedralen van Europa en qua arbeid zelfs veel omvangrijker. Men beweert (neemt u mij niet kwalijk, dat ik de getallen niet met volledige zekerheid kan geven ‑ het zijn maar benaderingen) dat aan het project bijna 170.000 slaven hebben gewerkt; onder deze slaven meegeteld de lagere werklieden, niet de z.g. lei­ders. De doden, die er gevallen zijn bij het project, worden geraamd ‑ en dat weten ze bij ons weer iets nauwkeuriger ‑ voor de gehele duur van de bouw (dat is meer dan 200 jaar) op ongeveer 20.000. Dan weet u nu zo’n beetje wat er aan de hand is.

Nu hebben we alleen gerekend met wat er op het project is gebeurd. Het blijkt n.l. dat de gepolijste kalkzandsteen, die werd gebruikt voor de bekleding, niet ter plaatse werd gepolijst. Deze stenen werden waarschijnlijk ook voorgepolijst in de buurt van het huidige Caïro. Ze werden daar ruw op maat gemaakt. Ik vermoed, dat men dat daar heeft gedaan, omdat men daar over grotere mogelijkheden tot vlakpolijsten beschikte. De steen werd n.l. eerst op maat gehouwen, daarna ingegraven en ‑ terwijl ze vlak lag ‑ bewerkt met hout, riet, zand en een soort poeder. Dat poeder was overigens niet van betekenis voor het polijsten, maar had een magische betekenis. Al deze dingen zijn vervoerd, alle beeldhouwwerken zijn vervaardigd, er zijn offertafels gemaakt, kortom, er is een ontstellende hoeveelheid werk verzet.

De bouw zelf is geschied volgens het z.g. hellingproces, waarvoor een soort zandweg werd aangelegd, die telkens iets werd verhoogd, als men aan een volgende bouwlaag kwam. De stenen werden gevoegd met een soort gipsmortel, die tamelijk fijn werd verdeeld. Ze werd op een ge­reedgekomen plateau gebracht en daar werden de stenen ingelegd. Een pro­cedure, die wat van de hedendaagse verschilt, maar met dergelijke massa­le dingen was het begrijpelijk dat men dat zo deed. Het had bovendien het voordeel dat in het laatste stukje waar er een steen bijgeschoven moest worden de glibberige onderlaag de mogelijkheid bood de steen inderdaad nauwkeurig aan te sluiten. Om u een klein voorbeeld te geven; de ste­nen zijn zo nauwkeurig gevoegd, zelfs nu nog, dat het moeilijk is om er een lucifer tussen te steken. Dat geeft een idee van de nauwkeurigheid, waarmee men ook nog gewerkt heeft.

De gebruikswaarde van de piramide is, zoals u weet, een hele tijd in discussie geweest. Er zijn de denkbeelden van Flinders Petrie en de zijnen, die eigenlijk van de piramide een soort tempel hebben willen maken, waarin allerlei geheimzinnige gegevens waren verwerkt. Aan de andere kant zijn er historici, die met enige fantasie maar toch met meer werkelijkheidszin o.a. vertellen, dat de reflectie op de spiegelende vlakken voor een groot deel van het land een soort baken was. Zij hebben gelijk; dat is inderdaad het geval geweest. Als het licht op een bepaalde manier viel, dan wist men dat er een bepaalde feestdag was aangebroken.

Interessant is verder het feit, dat het gangenstelsel kon worden gebruikt voor astronomische waarnemingen. Wij hebben dat nagezocht; het is inderdaad gebeurd. De methode was betrekkelijk eenvoudig.

De afdalende gang is behoorlijk lang. Er werd onderaan tot ongeveer 1½ meter hoogte water ingebracht en de spiegelende wateroppervlakte gaf dan aan degene, die observeerde de kans alles goed te zien. Dat het wa­teroppervlak zo hoog was (u begrijpt, dat door de ganghoogte weinig ruim­te overbleef) schijnt te danken te zijn aan het feit dat het water gedu­rende de dag werd geabsorbeerd. De werkhoogte, waarop die waarnemingen zijn gedaan, is ‑ en dan moet ik alweer afgaan op hetgeen men bij ons heeft waargenomen daaromtrent ‑ een oplopende en aflopende waterhoogte met een maximum van een meter tot nul. Het vlak zelf had daarbij een grootte van 2 x 1.20 meter. Veel wijder was het daar niet. Indien u zich realiseert, dat je dan ook overdag sterren kunt waarnemen, omdat het zonlicht volledig wordt uitgesloten (het kokersysteem) en dat het water­oppervlak als een spiegel kan functioneren, dan is het duidelijk dat we hier te maken hebben met een soort primitieve spiegeltelescoop.

De waarnemingen zelf blijken echter astrologisch niet zo belangrijk te zijn als door velen werd gesteld. De waarnemingen werden n.l. voornamelijk verricht ten aanzien van bepaalde sterren en met het doel om daarmee feestdagen vast te stellen en ook de juiste tijd waarop o.a. offers aan de Nijl moesten worden gebracht, werd op deze wijze vastgesteld.

Dan hebben we te maken met vele legenden over deze piramide. In 1652 werd er in Europa een pamflet uitgedeeld, dat wel enig opzien baarde. Het ging hier over een groep, die zich ook Rozenkruisers noemden. Of ze het werkelijk waren, is altijd nog de vraag. Deze mensen stelden o.m. dat ze een geheim broedergenootschap waren en dat het centrum van hun activiteiten lag in de grote piramide, de piramide van Cheops. Waarom? Wel, we hebben geprobeerd de hele zaak na te gaan en zijn tot de conclusie gekomen dat deze tempel ‑ want dat was het – werd gebruikt voor bepaalde geestelijke oefeningen, waarnemingen en inwijdingen. Deze inwijdingen schijnen van een bijzonder hoge graad te zijn geweest, ofschoon we niet met zekerheid kunnen zeggen dat elke inwijding, die daar heeft plaatsgevonden, inderdaad een inwijding van de hoogste graad is geweest.

De feitelijke inwijding vond plaats in de koningskamer ‑ dat weten we wel zeker ‑ terwijl de z.g. wacht of de gezellen daarbij een vasten en een wake hielden in de z.g. koninginnekamer. Overigens waren zij daar reeds voordat de neofiet naar boven klauterde en aan zijn inwijding begon. Vermoedelijk omdat hij onderweg geen licht ter beschikking had en door het duister tot bezinning moest komen.

In de structuur van de grafkamer is bovendien nog een eigenaardigheid te vinden. We zien daar boven een drietal piramideachtige ruimten. Die ruimten hebben geen enkele betekenis. Men zou kunnen zeggen, dat ze bouwkundig noodzakelijk zijn om de druk op het plafond te verlichten. Maar dat is ook niet helemaal juist, want gezien de verdere structuur is het niet noodzakelijk; bij de koninginnekamer vinden we die ruimte niet. Er wordt echter wel gezegd (en nu moet ik weer afgaan op “horen zeggen”, ik heb het zelf niet geconstateerd, maar er zijn er bij, die zich ermee hebben beziggehouden), dat deze ruimten de drie werelden van de geest dienen uit te beelden en dat deze symbolische voorstelling a.h.w. was ingebouwd, opdat degene, die daar bezig was, door een volledige afstemming op de omgeving beter zou kunnen komen tot de nodige zelfkennis, de uittreding, de geestelijke beleving en ook ‑ naar men zegt ‑ de ontmoeting met het “ik” in het duister. Tot zover is het allemaal erg reëel, zou ik zeggen.

Het graf is afgesloten. Niet omdat men geen behoefte meer had aan de tempel, maar omdat ontheiliging daarvan zou kunnen gebeuren. Die ontheiliging zou iets verschrikkelijks zijn geweest, omdat men bepaalde delen van de piramide had geladen met geestelijke krachten. Dat is niet zo reëel, maar het is ook waar. Deze geestelijke krachten hadden ten doel niet alleen maar om inwijding mogelijk te maken, maar ook om bepaalde geestelijke contacten tot stand te kunnen brengen met alle ingewijden van het land. U zou kunnen zeggen: het was een soort steunzender voor hoge, geestelijke krachten, die vandaaruit bepaalde stoffelijke gangen gemakkelijk konden gadeslaan en die vandaaruit ook gemakkelijk hun eigen invloed konden uitzenden naar ingewijden, terwijl omgekeerd ingewijden door concentratie op de Piramide in staat zouden zijn met die hogere krachten of hogere, werelden (de godenwereld zei men) in verbinding te komen. Het feit, dat ze daarbij gebruik maakten van kleine piramiden is bijzonder interessant.

U zult deze piramiden (vaak onjuist piramidetoppen genoemd ‑ wat ze uitdrukkelijk niet zijn) kunnen vinden bij de graftekenen en de graven van bepaalde personen, die de inwijding hebben ondergaan. Onder hen zijn priesters, maar ook dignitarissen en in een enkel geval zelfs mensen, waarover niets wordt gezegd, maar die krachtens de grafschildering waarschijnlijk eerder handwerkslieden of handelslieden zijn geweest dan personen van hoge adel.

We vragen ons nu maar eens af; Wat gebeurde er in het gehele tempelcomplex? Wel, voor zover we dit allemaal kunnen volgen (we moeten uitgaan van de beelden die we ontvangen van degenen, die er geweest zijn of die zich ermee bezighouden) vonden hier o.a. inwijdingsplechtigheden plaats, maar daarnaast ook bepaalde mysteriespelen. Er was een kleine tempel, iets links van de grote tempel zelf, waarin bepaalde aanstellingen werden gegeven. Daar was dus vermoedelijk ook staatkunde en priesterpolitiek sterk bij betrokken.

De plechtigheden schijnen van een enorme praal en pronk geweest te zijn. Wij horen dat bij één bepaalde plechtigheid 300 Nijlboten. (dat waren voor een groot gedeelte pronkboten) aanlegden en dat het gevolg van degenen, die zo aankwamen op hen wachtte. Het gevolg van een Farao bestond in die dagen gemiddeld uit 500 ‑ 1000 man bij grote plechtigheden. Het omvatte: zijn hofhouding, dus raadsheren, voor zover aanwezig gouverneurs, daarnaast zijn kunstenaars, leermeesters, degenen die voor zijn toilet aansprakelijk waren, degenen die aansprakelijk waren voor het dragen of bewaren van bepaalde sieraden, zijn huisslaven, de opzichters daarvan, althans de hoogsten onder hen en dan nog de nodige priesters (Farao was nog een god ook) en de nodige krijgslieden. Als u dat allemaal optelt, dan kunt u begrijpen dat als zo’n Farao al met een kleine duizend man kwam aanzetten, een belangrijk man het wel nodig achtte om er minstens 200 mee te slepen. En als u er dan verder rekening mee houdt dat dergelijke boten vaak verscheidene belangrijke families aanvoerden, dan kunt u wel nagaan dat bij dergelijke plechtigheden vele duizenden mensen aanwezig waren. Daarbij werd de weg zelf (de weg was overigens ook geplaveid, iets wat je in die tijd niet veel tegenkwam, maar wat daar wel het geval is geweest) aan weerszijden door sfinxen geflankeerd. Ook krijgslieden stonden er opgesteld en als er een plechtigheid van politieke aard was, dan waren er tevens banieren van de betrokken legereenheden en beelden. Bijzonder geklede personen en soms ook maskers van de daarbij betrokken priesterkaste of priesterorde waren daarbij tegenwoordig. Het moet een ontzettend mooi schouwspel geweest zijn. Kleurig, vrolijk, met een wat statige ernst op de achtergrond, met muziek, zang, gerinkel en dansers die vooruitgingen.

In de tempel zelf waren de priesters met hun gevolg, die ‑ al was het maar om de voorbij schrijdende hoogwaardigheidsbekleders te begroeten – naar de voorhof van hun tempel kwamen of naar de ingang van een tempel om daar te buigen. Het zal u duidelijk zijn, dat een dergelijk terrein van bijzonder groot belang werd geacht. Dit is dan ook aansprakelijk voor het feit, dat op of aan de grens van dit terrein zeer vele mensen zich lieten be­graven, indien zij daarvoor de nodige gelden konden opbrengen.

De geestelijke situatie in dit verband brengt enige moeilijkheden met zich mede. Zoals ik u reeds heb gezegd, waren die piramiden iets geheimzinnigs. Dat een bepaalde groepering zegt; “Het is voor ons het middelpunt.” klinkt eigenlijk zo’n beetje als; het is toch onbekend en het is al een beetje beroemd, als je erover vertelt, dan vinden zo het niets bijzonders, dus kunnen wij dat wel zeggen. Maar aan de andere kant weten we dat in de Egyptische tijd (dat is waarschijnlijk geweest tot omstreeks 700 v. Chr., we kunnen het juiste jaar niet vaststellen) deze tempel open is geweest; dus dat er gebruik van werd gemaakt en dat ze een centrum is geweest van geestelijke kracht. De kracht, die in al die jaren verzameld is (dat is dan toch zeker meer dan 1000 jaar) zou enorm groot geweest zijn en de invloed ervan zou ook uit een gesloten tempel nog zeer lange tijd werkzaam kunnen zijn. Ze bestaat – naar ik aanneem – in deze tijd nog in zekere mate, ofschoon men nu wel een grote gevoeligheid moet hebben om die volledig te kunnen ondergaan. Er is dus wel iets voor te zeggen.

Daar heel anders wordt het, indien we te maken krijgen met de Piramidevoorspellers. Er loopt een groef met bepaalde kentekenen en onderbrekingen, lichte stijgingen en dalingen langs de wanden van het gehele gan­genstelsel dat naar boven gaat; dus vanaf de ingang dalend, vandaar stijgend tot in de koningskamer. Men heeft dit willen zien als een astrologische voorspelling. Dat daarbij wel enkele punten van voorbe­houd moeten gelden, ziet men eenvoudig over het hoofd. Men neemt een­voudig aan:

  1. dat de Egyptenaren astrologen waren, die astrologie bedreven, zoals dit nu nog gebeurt.
  2. dat hun voorstelling van tijd identiek was met de voorstelling, die men nu omtrent tijd en tijdsverloop heeft. Uit vele punten blijkt, dat dit niet waar is. Het werd o.m. bepaald door de vloed, de over­stroming van de Nijl. Als dat sneller gebeurde, dan was een jaar eenvoudig korter. Ze kunnen dus geen vaste maatstaf hebben gebruikt, zoals men tegenwoordig toepast,
  3. dat men de gehele wereldgeschiedenis heeft voorzien en die heeft ingebeiteld. Men neemt dan bovendien nog aan, dat in het jaar 1970 de lijn in de koningskamer eindigt en dat dit het einde van de we­reld betekent of bij ‑ latere interpretatoren ‑ dat het het begin van een nieuw tijdperk aankondigt.

Nou, u zit op het ogenblik nog met zoveel oude rommel, dat ik niet geloof, dat je terecht kunt zeggen: Nu is er ineens zoveel veranderd, er is een nieuw tijdperk. Je kunt wel zeggen; Er is een zekere astrolo­gische periode ten einde en astrologisch gezien begint er een nieuwe periode. Dat is volkomen waar. Maar hebben de Egyptenaren dit geweten? Zij gebruikten zeker geen Dierenriemstelsel, zoals het nu wordt gebruikt. Ik geloof daarom, dat men de interpretatie van die lijn als een voorspel­ling toch wel met enige voorzichtigheid moet bezien. Je kunt achteraf zo gemakkelijk iets ‑ zoals de Duitser dat zo mooi zegt ‑ hineininterpre­tieren‑, en dat gebeurt dan ook voortdurend. U ziet dat zelfs bij een politieke partij, die na de verkiezing in haar verkiezingsbelofte “vieles hineininterpretiert” wat er nooit heeft ingezeten. Als wij dan naar de Piramide staan te kijken, worden ons enkele vra­gen toch wel bijzonder duidelijk.

In de eerste plaats. Wat was het doel? Was het een grafpiramide? Zij is niet als zodanig gebruikt. Hiervoor zijn zeer vele tekenen te vin­den. Een tweetal nabij gelegen piramiden werden echter wel als graf ge­bruikt. Ook hier ontbreken vele gangbare versieringen. Hier vinden we echter wel vloekformules, die in de grote piramide niet voorkomen. Het is aan te nemen, dat men ‑ althans in het begin ‑ mogelijk om de bouw te kunnen beginnen heeft voorgespiegeld, dat dit de rustplaats van een farao zou worden.

In de tweede plaats; Heeft de Egyptische priestergroepering gepro­beerd haar kennis in die piramide vast te leggen? De piramide zelf is een bijzonder goed en mooi architectonisch stuk werk. Laten we dat niet vergeten, ook al ontbreken daar allerlei versie­ringen, die men misschien tegenwoordig wel aantreft. De eenvoud van de lijnen, de enorme opzet en bovenal de wijze, waarop het geheel het landschap domineert, is volgens mij toch een kenteken van artistieke en ook architectonische begaafdheid. Kennis moeten ze gehad hebben.

In de derde plaats; Het uitvoeren van een dergelijk enorm werk. Laten we niet vergeten, dat de stenen voor een deel over water werden aangevoerd, maar een groot gedeelte van de weg op sleden moesten afleg­gen. Alleen reeds de organisatorische problemen van een dergelijk bouw­werk, ook indien men het verdere deel buiten beschouwing laat, is zo enorm dat we wederom moeten zeggen. Degenen, die het hebben gebouwd, moe­ten een zeer grote begaafdheid hebben gehad. Maar impliceert dit nu ook, dat zij bv. de afstand van de aarde naar de maan en naar de zon zouden weten? Dat ze de omtrek van de aarde precies zouden weten? Men heeft het eruit willen berekenen. Men heeft daarvoor de piramide‑inch ingevoerd. Maar alles blijkt niet helemaal zuiver te kloppen. Het is een aardige benadering. Indien we nu uitgaan van het standpunt, dat bepaalde inwijdingsgenootschappen een rol hebben gespeeld, dan behoeft een benadering van dergelijke waarden in het zonnestelsel zeker niet opzettelijk, gebeurd te zijn, want er waren bepaalde maatstaven, die men hanteerde in inwijdingsgenootschappen, zoals men het tegenwoordig nog heeft over de Gulden Snede bijvoorbeeld. Men hanteerde daarbij verhoudingen.

Verhoudingen waren heel erg belangrijk in het verleden. U kunt dat zelfs terugvinden in de bijbel, als het gaat over de tempel van Salomo of over de ark van Noach. Dat een dergelijke overgeleverde verhouding, ook zonder dat hieraan een directe kennis van het zonnestelsel van de omtrek der aarde e.d. verbonden is, in het bouwwerk tot uiting zou moeten komen, is aannemelijk te maken. Laten we dan niet veronderstellen, dat men hier eenvoudig alles in heeft neergelegd wat men wist.

Nu blijven er nog enkele vragen over en één daarvan is wel; Hoe komt het dat er in de kern van de Piramide enkele stenen van een afwijkend materiaal zijn gevonden? Blokken, die wat afmeting betreft gelijk zijn of gelijk worden gemaakt, maar die toch niet schijnen te behoren tot wat er uit de zandsteengroeven is gekomen.

Het antwoord hierop luidt: Er is vóór die tijd al een piramide geweest. De overlevering van die piramide heeft een bijzonder grote rol gespeeld. Er zijn zelfs piramiden en piramidebouwsels geweest ongeveer 6000 tot 7000 jaar v. Chr. Ze waren dan niet van rotssteen of zandsteen gebouwd en in de meeste gevallen ook nog niet van gebakken steen. Gebakken stenen zijn gebruikt ongeveer 5000 v. Chr. Daarvóór is het meestal gedroogde klei. Die zijn dus niet bewaard gebleven.

Indien een dergelijk werk heeft bestaan, zou dat misschien de basis kunnen zijn voor de overlevering en gelijktijdig de plaats hebben bepaald, waarop de nieuwe piramide en de omringende, zeer uitgestrekte tempelgrond werd gevestigd. Ik meen, dat dit juist is.

Dan hebben we te maken met iets dat veel ouder is en dat later wordt gereproduceerd, zonder dat men precies weet om welke redenen. De basis hiervan ligt volgens mij in de geestelijke kennis en beleving van ingewijden. Dezen hadden voorstellingen, die uit de aard der zaak gelieerd waren met de verschijnselen en denkwijzen van hun tijd, maar die ‑ overgeleverd uit een ver verleden ‑ contacten mogelijk maakten met een geestelijke wereld, waarin het oude bestond. Het opnieuw weergeven van dergelijke dingen met de oude kennis is, zoals wij weten, bijna niet mogelijk, omdat het overbrengen van een redelijke kennis, waarvoor geen basiswaarden aanwezig zijn, aan de toehoorder voor de geest een enorme taak is. Wij nemen aan, dat men tijdens de bouw zelf niet daarvan op de hoogte is geweest.

Dan de vraag: Waarom hier een geestelijk brandpunt?

Het was een punt, dat bijzonder goed gelegen was ten opzichte van de grote steden van die tijd. Het lag binnen redelijke afstand van belangrijke havens. Het lag in de woestijn en was als zodanig niet direct een trefpunt van allerlei feodale heren. Aan de andere kant lag het toch dicht genoeg bij de Nijl om tempeltuinen te bevloeien. Er waren dus vele praktische gronden aanwezig. Ik denk dat dit terrein, ook door de vroegere inwerking en dat vroegere gedenkteken (dat piramideachtig is geweest en waarschijnlijk geen gladde piramide) geladen was. Deze geestelijke lading moet voor in­gewijden bijzonder attractief zijn geweest. Het is zelfs mogelijk, dat de Piramide reeds gedeeltelijk was gebouwd, voordat men besloot deze als in­ wijdingscentrum te gaan gebruiken, gezien de aanwezige krachten. Hiervoor worden ons door degenen, die in die tijd hebben geleefd, enkele verklaringen aan de hand gedaan, die m.i. wel hout snijden.

Een ervan is, dat een bouwmeester (ingewijde) een bijzondere uitstraling ontdekte, toen men aan de 19e laag bezig was. Hij heeft toen onmiddellijk bepaalde priesters gewaarschuwd. Dezen zijn samengekomen. Men heeft het werk zelfs enige tijd stilgelegd en men heeft een offerdienst gehouden bovenop de nog niet voltooide piramide. Het resultaat is geweest, dat men besloot om daarvan een inwijdingstempel te maken, althans voorlopig. Dit schijnt voor de bevolking (de mensen, die daarbij betrokken waren) geheim gehouden te zijn. Dat kan ik mij ook wel voorstellen. Zij zouden waarschijnlijk zeggen; Moeten we al dat werk doen voor een paar ingewijden? Als je het voor Farao deed, dan deed je het nog voor God. Ingewijden waren geen goden, ofschoon ze beter waren dan de goden van die tijd.

De gehele situatie, zoals ze nu bestaat, geeft geen enkel idee meer van de omvang, de grootsheid, ook niet van de geestelijke betekenis en zelfs niet van de belangrijkheid van de ligging, zoals die de eerste paar honderd jaar na de bouw zeker is geweest. En dan komt vanzelf weer de vraag; Is het mogelijk in deze dagen iets terug te vinden van de geheime krachten, de geheime verbindingen van de Piramide van Cheops?

Het antwoord moet mijns inziens bevestigend luiden. Er hebben sedert de 17e eeuw verscheidene mensen een dag of een nacht in deze Piramide doorgebracht. Een enkele onder hen zelfs enige weken. Van velen van hen weten we dat ze een nacht en soms een week doorbrachten in de ko­ningskamer. Zij allen rapporteerden bijzondere belevenissen. Enkelen van hen bleken totaal veranderd te zijn. Van verscheidenen wordt ook verteld, dat ze krankzinnig zijn geworden. Maar ja, dat is een moeilijke, zaak, want iemand die krankzinnig is, is iemand die in zijn idee van zinnigheden an­ders gericht is dan anderen en daardoor door die anderen als krank van zinnigheden wordt beschouwd. Het is heel goed mogelijk, dat sommigen van hen inderdaad wijzer waren en niet de krankzinnigen, waarvoor ze werden uitgekreten. Ik heb het niet kunnen nagaan. Ik zeg het er maar meteen bij, anders komt er straks iemand die vraagt: Waarom weet je dat niet? Eén van degenen uit uw tijd, die een verslag daarover heeft geschreven is een zekere heer Brunton. Een man, die nogal wat filosofische werken heeft geschreven, oosters‑mystiek georiënteerd is en die over zijn bezoek ook vertelt dat hij daar inderdaad verschijningen meende te zien. Dit lijkt mij volledig reëel. Voor zover ik het kan nagaan in mijn wereld (je kunt niet precies weten hoe een mens het op aarde beleeft) zijn die krachten werkelijk, ook al worden de manifestaties m.i. wel eens wat gedramatiseerd.

De Piramide is ook nu nog een belangrijk brandpunt. Dat zou kunnen betekenen ‑ en dat is mijn laatste conclusie ‑ dat in deze dagen de Piramide haar invloed ook zal uitzenden, wanneer de geschillen in het Oosten op een kritiek punt zijn gekomen. En denkt u nu niet, dat ze op het ogenblik reeds kritiek zijn. Kritiek zijn ze pas, wanneer het geschil tussen Egypte en andere landen een lont wordt, die het geweld in heel Afrika en waarschijnlijk ook in een veel groter deel van de wereld kan ontketenen. Ik meen, dat dan vanuit de piramide geestelijk zal worden ingegrepen.

Sommigen van ons vertellen, dat dit ingrijpen reeds meermalen heeft plaatsgevonden. Het is zeer zeker mogelijk binnen het kader van de Witte Broederschap. Maar alweer, ik heb het niet persoonlijk. Ik heb het van horen zeggen, maar ik acht wel degenen, die het mij hebben verteld, betrouwbaar. Dan zou dus de piramide een geestelijk brandpunt zijn, dat ‑ zo er nu na zoveel duizenden jaren een invloed van kan uitgaan ‑ in het begin bijzonder sterk moet zijn geweest. Het is denkbaar, dat daarom ook de z.g. Broederschap van Harmachis dit centrum voor zichzelf heeft uitverkoren als een bijzondere inwijdingstempel en daarnaast ertoe heeft bijgedragen dat een aantal van de sfinxen zijn vervangen. U vindt, vreemd genoeg, onder de Egyptische sfinxen enkele Syrische sfinxen. Deze lagen, voor zover ze zijn teruggevonden, dichter bij de Piramide dan de Egyptische. Dat is veelzeggend. Men kan hieruit concluderen, dat ‑ als die invloed eens zo sterk is geweest en zoveel mensen zich eens daarop hebben georiënteerd ‑ het mogelijk is de kracht, die zich nog in deze piramide manifesteert, te beschouwen als een smeulend vuur. En dan is het niet ondenkbaar, dat in de komende periode van Aquarius dit vuur weer wordt opgerakeld en dat opnieuw kenbare, beleefbare krachten en inwijdingen ook vanuit dit centrum, over de gehele wereld zullen uitgaan en zichtbaar worden.

Daarmee heb ik mijn inleiding besloten, Ik hoop u het, een en ander te hebben verteld, dat u interesseert. Het is natuurlijk niet zo belangrijk, dat u weet hoeveel stenen er in de Piramide gaan. maar het is wel belangrijk, dat u weet hoeveel werk men eraan heeft besteed. Het is niet belangrijk, dat u precies kunt uitrekenen hoe groot het tempelterrein is geweest. Wel is het belangrijk, dat u weet dat hier verschillende tempels waren; en nu doel ik niet alleen op graftempels. Er zijn later nog verschillende graftempels in die buurt gebouwd. Ik doel hier werkelijk op grote tempels. Daarnaast staan er ook kleine tempels en zelfs tussen de poten van de sfinx heeft zo’n tempeltje gestaan. Ik meen, dat het ook al is opgegraven. Alles bij elkaar:

De Piramide van Cheops is niet alleen belangrijk vanwege geestelijke invloeden of omdat er volgens sommige mensen een soort wereldgeschiedenis is gegrift in de wanden van de gangen, maar belangrijk omdat het aantoont welke enorme en grote werken men in een ver verleden, dat men tegenwoordig primitief acht, heeft aangedurfd. Belangrijk ook, omdat het aantoont hoe de schoonheidszin in die tijd was ontwikkeld. Belangrijk, omdat het ons duidelijk maakt dat inwijding e.d. ook in die dagen van groot belang werden geacht en dat men daaraan niet alleen veel opofferde, maar dat men daaraan ook vele krachten en inzichten heeft ontleend.

Indien ik u dit enigszins benaderbaar heb gemaakt, is aan het doel van mijn inleiding volledig voldaan.

**************************

 

*  Kunt u de werkingen, die nu nog van de Piramide uitgaan, nog wat nader toelichten?

Ik kan het proberen, maar dan moet ik een vergelijking gebruiken. U weet allen wat een politieradio is. Die werkt op een golflengte, die de meeste mensen niet kunnen ontvangen. Stel u voor, dat de piramide werkt als een soort draaggolf, dus een permanente zending, op het gebied van de telepathische gedachte, waarop dus gemakkelijk een denkbeeld kan worden geënt, indien men de juiste golflengte weet te vinden. Dat komt er het dichtste bij, zou ik zeggen. Dan kun je die invloed omschrijven als een permanent aanwezige mogelijkheid, waarvan gebruik kan worden gemaakt door degenen, die de mogelijkheid voldoende kennen om haar te moduleren.

*  Blijft die kracht dan steeds bestaan?

Die kracht blijft bestaan, maar vermindert wel voortdurend in sterkte. Alleen is dat verval in sterkte in dit geval schijnbaar niet zo groot, dat we van een absoluut wegvallen van de energie kunnen spreken. Over het algemeen nemen wij aan, dat ‑ indien op een bepaald punt een sterke impressie is ingelegd ‑ deze blijft uitstralen voor daarvoor ge­voelige personen gedurende 400 tot 500 jaar. U begrijpt, dat het hier gaat over een tijd van bijna 5000 jaar, dat is dus wel heel wat langer. De kracht is nog aanwezig en straalt nog permanent uit. U moet dus niet denken, dat het iets is dat met golven komt opzetten. Wel blijkt er zo nu en dan in bijzondere mate aandacht te zijn voor de piramide en dit schijnt de kracht ervan te vergroten. Wij menen althans een overeenkomst te zien in een tijdelijke toename van draagkracht van hetgeen er in de piramide aanwezig is en de belangstelling, die men voor de piramide heeft. Daarbij is de massa plus de intensiteit van die belangstelling bepalend voor de toename van de uitstraling.

*  In de piramide bevond zich een monoliet, die de toegang naar de koningskamer afsloot. Hoe konden de adepten deze koningskamer dan be­reiken?

Wij nemen aan, dat deze monoliet eerst later is gedaald. Ze was m.i. verhoogd aangebracht en op een zodanige wijze, dat zij kon neerdalen, nadat men de kamer had verlaten. Een zelfde systeem heeft men ook voor de sluitsteen gebruikt die de gangen afsloot. Voor zover mij bekend is, is deze monoliet voor de koningskamer bij de z.g. hoge drempel niet naar beneden geweest en pas honderden jaren, nadat de Piramide was afgebouwd, neergedaald. En zelfs dan wil ik er nog op wijzen, dat punt 1: die af­sluiting nimmer volledig is geweest en punt 2: dat de afsluiting van het totale stelsel wel volledig is geweest, en dat het betreden van het gangenstelsel dus niet is gebeurd via de oorspronkelijk ingang, maar via een ruimte die men daarnaast heeft gemaakt.

*  Waarom is de monoliet neergedaald?

Ik neem aan, dat dit gedaan is om de mogelijkheid teniet te doen dat anderen deze kamer alsnog zouden betreden. Het feit dat in deze kamer geen mummie aanwezig was ‑ ofschoon er wel een kist is, een bui­tenkist zonder deksel ‑ doet vermoeden dat men die afsluiting tot stand heeft gebracht op een ogenblik, dat daar geen lichaam aanwezig is ge­weest. Dat is dus de enige reden, dat men het betreden van de konings­kamer onmogelijk wilde maken.

Er bestaan heel veel theorieën over geheime gangen in de piramide. Voor zover mij bekend is, is dit niet waar. Wel schijnt er een gang ge­weest te zijn vanuit die onderste kamer (de z.g. chaoskamer), die in de richting van de grote sfinx liep. Maar ze schijnt nu niet meer te bestaan. Ik wil verder nog opmerken dat iemand, die volledig ingewijd is, het verdubbelen van het “ik” kent. Daarmee is de projectie van een persoon­lijkheid mogelijk op elk punt op aarde, waarbij de tussenliggende afstand niet feitelijk wordt overschreden. Dit effect kunt u beter nazoeken in de parapsychologie. Er zijn heel wat beschouwingen over gehouden. De meeste daarvan kunt u terugvinden in de annalen van de Royal Society of psychi­cal research in Engeland, waar men ten aanzien van de z.g. heilige man­nen in India vele van dergelijke dingen heeft geprobeerd te constateren, en vele soortgelijke gevallen beschreven zijn, ofschoon ik erbij moet zeg­gen; niet afdoend bewezen.

*  Wat is de functie van de z.g. chaotische ruimte onderin de piramide?

Volgens mij ‑ ik geef dus een verklaring, die volgens ons juist is, niet een op aarde bewijsbare verklaring ‑ is zij bestemd om de onderwereld uit te beelden en zo symbolisch alle werelden en sferen a.h.w. samen te brengen binnen de enorme piramide zelf, die in dit geval functioneert als een soort heelal en een weergave betekent van de geloofswaarde, van het hiernamaals. Ik meen, dat dit de juiste verklaring is. Een andere verklaring, die er ook wel voor wordt gegeven ‑ en die volgens ons niet juist is ‑ is dat men oorspronkelijk onderin de piramide een grafkamer heeft willen maken, maar dat deze om de een of andere reden niet werd afgemaakt; wat ook zou moeten blijken uit losse stukken bouwmateriaal, die daar zijn blijven liggen.

*  Zijn de oudste resten van de z.g. eerste piramide door middel van anti‑zwaartekracht tot stand gebracht? Zo ja, waren dit Atlantiden?

De oudste bestanddelen daarvan waren steen. Het was eveneens kalk­zandsteen, maar van een andere samenstelling dan die welke voor het me­rendeel van de blokken word gebruikt. Deze afwijking en mede het feit, dat in althans twee stenen (volgens degenen bij ons, die het schijnen te weten) merken staan, die afwijken van de bouwwerken, die in sommige ste­nen nog worden aangetroffen, doet veronderstellen dat zij behoren tot een ouder bouwwerk. Dit oudere bouwwerk is een restant geweest van een vroegere piramideachtige bouw, die in vorm niet identiek was met de huidige Piramide. Men spreekt wel over een ten dele dolmen‑achtige, ten dele zigurat‑achtige bouw. Dolmen‑achtig door de afgeronde vorm (een wachttorenachtige vorm), aangevuld met trappen op de vier windstreken. Men vertelt ook, dat dit een resultaat is geweest van een eerste Atlanti­sche trek, zodat hier de Atlantiden eveneens bij betrokken zijn. Het is een algemeen geldende stelling van degenen, die zich hier­mee bezighouden, dat er inderdaad met een vermindering van zwaartekracht­ werd gewerkt en wel op magische wijze, waarbij o.a. klank en concentratie van zonlicht een rol hebben gespeeld. In hoeverre dit juist is, durf ik niet met zekerheid stellen. Ik wijs er echter op, dat;

punt 1. concentra­tie van zonlicht wel is gebruikt om stoomdruk te veroorzaken in die oude tijd en dat er zelfs tempels zijn geweest, waarin de deur van het heilige door stoomdruk kon worden geopend, als er een altaar werd verhit. Men heeft dus kennelijk iets daarvan geweten.

Punt 2: magie. Er bestaan vele legenden, dat men in de buurt van Tibet door het juist uitspreken van het woord “aum” stenen zou kunnen laten rijzen en deze zelfs zou gebruiken als een soort lift. Dat het mo­gelijk is stenen te verplaatsen, is meermalen gebleken. Een soort gelijke procedure zou m.i. inderdaad bij de eerste bouwwijze gebruikt kunnen zijn. Ik wil er niet voor instaan, dat dit zo is, aangezien ik het niet zelf heb kunnen constateren.

*  Welke functie had dit eerst bouwwerk? In hoeverre was het verschil­lend van het verdere tempelcomplex?

Ja, nu wordt het heel erg gevaarlijk, want wat ik u nu ga vertellen, ligt heel dicht bij fantasie. Ik geef maar weer wat men heeft gezegd. De stelling is de volgende: De aarde als geheel gedraagt zich ongeveer als een elektromotor; met als resultaat verschillen in potentiaal, die liggen tussen de bui­tenste laag van de atmosfeer en de aarde zelf. Men schijnt in het verleden in staat te zijn geweest (de middelen worden niet beschreven, daarom acht ik het verhaal te fantastisch) een soort elektriciteit aan de at­mosfeer te onttrekken door die op de een of andere manier te ioniseren, waarschijnlijk van een pad naar de hogere luchtlagen toe. Die ontlading (een soort voortdurende bliksem) moest dan vallen op een geïsoleerde toren en kon van daaruit worden gebruikt. Het is een mooi verhaal. In ieder geval is het een logische verklaring voor de bestemming. Gezien het feit, dat de equator in die tijd waarschijnlijk in dezelfde buurt heeft gelegen, lijkt het mij niet eens onwaarschijnlijk, want daar krijgen we de grootste snelheid en dus ook de grootste spanningsverschillen. Het blijft echter een verhaal en zolang wij geen absoluut bewijs hebben dat elektriciteit in een heel ver verleden op deze manier werd gebruikt, moeten we aannemen dat dit een mogelijkheid is, maar geen verklaring. Ik voeg hieraan toe, dat voor zover ons bekend is er wel statische elektriciteit door de z.g. Atlantiden is gebruikt en dat men daarmee ver­schillende verschijnselen o.a. het gloeien van beelden en mensen tot stand heeft weten te brengen. Dat schijnt ook gebeurd te zijn in de z.g. kuststeden, waarbij we o.m. denken aan de stad, die in de buurt van Cadiz heeft gelegen.

*  Is de piramide van Cheops genoemd naar de plaats waar deze is ge­bouwd?

Neen. Ze is genoemd naar de vorst voor wie ze gebouwd heet te zijn: Cheops ook wel Khephren. Soms worden ze als twee verschillende figuren behandeld, soms als dezelfde. Ik neem aan, dat ze in feite dezelfde zijn geweest.

*  Waarom kozen ze voor de tempel de vorm van een piramide? Had dat een bepaalde betekenis?

Het vierzijdige element heeft in elk geval een zekere betekenis ge­had, want we weten dat een bouwwerk, dat aan vier zijden dezelfde aspec­ten vertoonde, al veel vroeger is gebouwd. We vinden in Ur en Uruk ook nog aanwijzingen, dat een maantempel met een dergelijke symmetrie werd ge­bouwd en dat daarbij de oriëntering op windrichtingen ‑ bewust of onbe­wust ‑ toch wel werd gekozen. De grote vraag is: welke betekenis heeft dit?

Ik vermoed, dat de verering, die men had voor de hemel en de krachten in die hemel hierbij een heel grote rol heeft gespeeld. Die krachten in de hemel werden vaak voorgesteld, zoals je dat in latere sprookjes en legenden nog wel tegenkomt, alsof de vier wind­richtingen afzonderlijke persoonlijkheden zouden zijn, die samenwerken met en onder de kracht van de zon. Ook de maan speelt daarbij een be­langrijke rol. In de oudere godsdiensten is de maan belangrijk. Later wordt de zon de hoofdgod. En als zodanig is het vanuit het standpunt van de mensen verstandig te zorgen, dat de krachten van de vier hoeken van de aarde in de tempel toegang hebben en zich kunnen uiten. Deze po­ging om dat mogelijk te maken resulteert dan o.m. wel in het aanbren­gen van vier trappen. Elders zien we (de Babyloniërs deden dat en ook in Syrië vinden we dat een paar keer) dat men een tempeltoren bouwt waar bovenop nog een soort kleine toren of tempel wordt geplaatst met ramen, die wederom naar de windrichtingen zijn gekeerd. Dan is er nog een mogelijkheid, die door ongeveer een kwart van degenen, die zich bij ons ermee bezighouden, wordt verdedigd; en dat is wel, dat die oriëntatie ook te maken heeft met de gang van de zon, zodat de Oos‑West‑lijn in die vensters helemaal niet met de wind te ma­ken zou hebben, maar gebaseerd zou zijn op het eerste en laatste zon­licht. Dat lijkt mij wel toepasselijk voor de Azteekse en Tolteekse tem­pels, maar ik vraag mij af, of dit nu wel precies gelijk moet gelden voor Mesopotamië en Egypte. Ik ben er niet zeker van.

*  De sarcofaag, die in de tempel gevonden is, is die nooit gebruikt geweest?

Voor zover mij bekend is niet. Ze was leeg. De sarcofaag was niet gesloten, ook niet toen ze werd gevonden. Zoals u weet, had men de ge­woonte de doden op een bijzondere wijze te verpakken. Als het erg luxueus was, ging het eerst in een stenen trog a.h.w. met bijpassend deksel, dat behoorlijk zwaar was. Daarin ging dan weer een wat grovere, uit hout ge­sneden doos. In die doos zat dan weer een doos, welke soms zelfs uit spaanderhout was gemaakt en daarin vinden we dan de eigenlijke mummie. Elk van die dozen had haar eigen versiering en ook een aparte betekenis. Indien er geen kentekenen zijn dat een lijk is verwijderd, geen gesloten sarcofaag aanwezig is alleen de open trog, dan zou daaruit kunnen blij­ken dat die trog voor andere doeleinden bestemd is geweest dan het ont­vangen van de houten sarcofaag.

*  Welke doeleinden zouden dat geweest kunnen zijn?

Die doeleinden zouden waarschijnlijk geweest zijn – en dit op grond van hetgeen wij weten omtrent riten en methoden van sommige filosofen‑pries­terorden – (o.a. die van Amon, niet die van Re en bij de samenvoeging Amon‑Re valt een deel van die gebruiken zelfs weg) om degene, die werd ingewijd (dat ware dus de hogere priesters) een tijdlang als dode voor te stellen en a.h.w. te verpakken in een kist, waarin men wel kon ademhalen, maar daarin toch een langere tijd moest vertoeven om dan als her­rezene, een soort herboren Osiris, op te staan. Daarmee maakte men dui­delijk, dat men het oude achter zich had gelaten en als een nieuw en machtig mens de wereld betrad. Ik neem aan, dat die sarcofaag voor der­ gelijke doeleinden is gebruikt.

Epiloog

Het zal u zijn opgevallen, dat ik mij nogal moeite heb gegeven om u de betrekkelijkheid der dingen voor te houden. Ik geloof, dat het zeer belangrijk is.

Op het ogenblik heeft men een zeer behoorlijke kennis van het oude Egypte. Ik wil niet zeggen een alomvattende kennis, maar men heeft toch wel een zeer redelijke voorstelling van het leven daar. Men heeft ook heus wel inzicht in de betekenis van de verschillende tempels. De details, de geloofsbeleving, die zijn natuurlijk achterwege gebleven; die vind je niet meer terug. Het is net als met het dinosaurosbot dat je vindt. Het vlees is weg, maar aan de hand van een bot kun je een redelijke con­structie wagen. Het is echter erg belangrijk, dat een mens niet ertoe komt het verleden de vorm te geven van de een of andere mystieke, hogere werkelijkheid. De werkelijke mystiek ligt in jezelf en in het heden. Op het ogenblik, dat je een verleden, dat ontoegankelijk is en daarom gemakkelijk misbruikt kan worden, of een veraf gelegen plaats (een planeet b.v. die nog niet betreden kan worden) gebruikt, om deze als centrum van je mysticisme te stellen en als bron daarvan te noemen, kom je m.i. in gevaar om dromen in de plaats te stellen van een werkelijkheid, zelfs van een eigen innerlijke werkelijkheid. Het is daarom, dat ik mij zijdelings heb verzet tegen de vele interpretaties, die men heeft gegeven aan de onderzoekingen.

Ik heb ze genoemd: Gordon, Flinders Petrie en al die anderen. Het is om diezelfde reden, dat ik een beetje aarzelend heb gestaan tegenover de claim, die de oude Rozenkruisers bv. hebben gelegd op de Piramide als het centrum, van waaruit ze actief zouden zijn. Ik meen, dat we hier te maken hebben met het projecteren van iets dat niet reëel is naar een schijnbare werkelijkheid; en dat acht ik onaanvaardbaar. Zelfs als ik bewust weet, dat er geestelijke krachten van de Piramide uitgaan, dan nog zeg ik: Een mens kan dit niet met zekerheid weten. Daarom is het voor hem verstandig zich niet daarop te baseren, tenzij hij eerst volkomen zuiver en voor zich persoonlijk die werking erkent en ondervindt.

Je hebt als mens je eigen innerlijk. In dat innerlijk zou je alle dingen kunnen aantreffen, die in het Egyptisch Dodenboek vermeld staan en wat dat betreft, alle hellen van het Tibetaanse Dodenboek ook. Je hebt in jezelf alle verborgen verschrikkingen, alle beproevingen. Je hebt zuilengalerijen, die je door moet gaan. Je hebt er poorten, die verdedigd worden door slangen, door leeuwen en weet ik wat nog meer. Je hebt overal elke keer weer de strijd te leveren om je eigen werkelijkheid onder ogen te zien. Maar je eigen werkelijkheid is en blijft je eigen werkelijkheid; daaraan kan niets en niemand iets ver­anderen. Ik kan u alle leringen geven en alle mooie maatregelen voorstellen en systemen bijbrengen, waarmee u dan volgens mij buitengewoon grote resultaten zou krijgen, waardoor u een totaal nieuw inzicht in de wereld zou kunnen verwerven. Ze betekenen niets, tenzij ze voor u een zodanige innerlijke betekenis krijgen, dat u daardoor bepaalde drem­pels, die nu tussen u en uw werkelijkheid staan, kunt overwinnen.

U sluit uit de werkelijkheid die u ziet zoveel dingen uit. U onderdrukt ze, u drukt ze weg door uw emoties, u verwerpt ze, omdat ze niet passen in een redelijk systeem dat u misschien heeft ontwikkeld en zo verkleint u uw eigen werkelijkheid. Ik heb gesproken over inwijding. Inwijding is het binnentreden in een realiteit, waarbij het subjectieve element niet meer is de beperking die de beschouwer zich oplegt, maar slechts de beperking van vermogen die de beschouwer van het geheel nog in zich moet erkennen. Dat is het belangrijkste punt van dit alles.

Piramiden staan als gedenktekenen van een dood verleden. Eens was Egypte groot. Eens was het een centrum van ontwikkelingen. Nu is het dat niet meer. Er zal waarschijnlijk een tijd zijn, waarin de kathedralen van heden als imponerende ruïnes overblijven voor een nageslacht. Teken van een periode, die voorbij is. Die voorbije periode kan ons iets leren, dat is waar. Maar zij kan ons alleen werkelijk helpen en steunen, indien wij niet teruggrijpen naar het verleden om daarin te leven, maar uit de erkenning van wat er in het verleden was een beter begrip krijgen omtrent dat wat vandaag voor ons bestaat en belangrijk is. Dit geldt voor de mens, dit geldt voor de geest. In deze zin heb ik getracht het onderwerp te behandelen.

Je zou natuurlijk een lied kunnen zingen over de oneindigheid. Je nu kunnen spreken over Osiris, die slapend vóór op de zonneboot door de onderwereld gaat en die ontwakend, als de rivier van de onderwereld op de rotsen breekt, zijn boot weer veilig langs de hemel brengt tot het zonlicht op aarde terugkeert.

Je zou een lied kunnen zingen over de mens, die ‑ niet slapend maar bewust ‑ een weg zoekt door de verborgenheden van zijn eigen innerlijke wereld (zijn wezen) om, zo door te breken naar een werkelijkheid en om de wereld eindelijk het totaal te geven van datgene, wat hij is en wat hij kan. Die liederen zijn symbolisch gezongen.

Er zijn oden gedicht aan de zon, of hij nu Re, Osiris of Aton werd genoemd, of dat men sprak over de rijzende Horus. Het zijn liederen geweest. Die liederen zijn verklonken, de mensen zijn gebleven. De werkelijkheid van de mens is; Je leeft vandaag. Alles, wat het verleden je biedt is kostbaar. Indien het je leert om je heden te begrijpen. Maar als je niet verder komt in het heden, zou het verleden wel eens de ondergang kunnen betekenen van je kracht en je mogelijkheden.

Neemt u mij deze zedenpreek niet kwalijk. Ik geloof, dat ze belangrijk is voor mensen, die maar al te vaak terugvluchten naar oude, verborgen, mystieke leringen, naar occulte denkwijzen, naar oude vondsten, naar het leven in een oude tijd en daardoor soms vergeten, dat ze vandaag leven.

Leeft u als mens vandaag. Als u dan op een zekere morgen geest wordt, zult u ook leven in de werkelijkheid, die dat geest‑zijn betekent. Dat is het enige, dat van belang is. Alles vloeit samen in het heden. En wie in het heden leeft met begrip van alle dingen, die hem toevloeien, bouwt zich daaruit een werkelijkheid op, die steeds groter en steeds onveranderlijker waar wordt. Het is in deze waarheid, dat je jezelf hervindt binnen het Onbekende, dat je God noemt.

God is onze onbekende waarheid van leven. Hij is misschien meer dan dat. Wij kunnen God eerst vinden, indien wij de waarheid, waarin en waaruit wij leven, voor onszelf hebben erkend. En als deze kleine zedenpreek iets daartoe heeft kunnen bijdra­gen, dan ben ik daar dankbaar voor. Als dat niet het geval is, dan ben ik toch dankbaar, dat u heeft willen luisteren, omdat ik op die manier voor mijzelf nog weer eens iets heb kunnen formuleren, wat volgens mij zo uitermate belangrijk is.

Uiterlijkheden bedekken vaak de afgronden van het eigen zijn. Maar wie de afgronden erkent, kan ze overbruggen, zonder in uiterlijkheden te stranden.