De plaats van de mens in het heelal

image_pdf

17 maart 1967

Mag ik u eraan herinneren, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn? Ons onderwerp voor heden: De plaats van de mens in het heelal.

De mens denkt homocentrisch. Hij is dus geneigd eigen wezen centraal te stellen binnen het totaal van de kosmos. Hoe echter liggen de feiten? In de gehele geschiedenis van de aarde speelt het menselijke ras nog slechts zeer korte tijd – in verhouding – een rol. Ofschoon de mens in die korte tijd aan de natuurlijke ecologische verhoudingen grote schade heeft toegebracht, zo kunnen wij toch niet stellen, dat in die korte tijd de mens zijn stempel blijvend op de aarde heeft gedrukt. Integendeel. Of de mens het nu toegeeft of niet: Zijn bestaan is nog steeds een strijd tegen zich herstellende natuurlijke omstandigheden.

Wanneer wij het plaatselijk willen bezien, zo zien wij de zon als een ster van derde of vierde grootte, een onbelangrijk en wat onevenwichtig sterretje in een achterbuurtje van het melkwegstelsel. Om dit sterretje heen beweegt zich dan een betrekkelijk kleine planeet, die aarde heet. Ook ruimtelijk kunnen wij de mens en zijn wereld dus zekerlijk niet zo hoog aanslaan, als de mens schijnt te begeren. Toch moet het bestaan van de mens zin hebben – een functie hebben – indien wij althans aannemen, dat de gehele kosmos door een bewuste en scheppende wil is bepaald. Een God, die zinloze dingen doet, een “dieu idiot”, een waanzinnige God is misschien wel denkbaar, maar gezien de redelijkheid van alle dingen in de schepping en de algehele samenhangen kunnen wij, naar ik meen, daarin niet geloven.

Wanneer ik de plaats en betekenis van de mens moet nagaan in het kader van het Al, zal ik zeker niet uit kunnen gaan van zijn uiterlijke vormen en de – door hem zelf ongetwijfeld zeer hoog aangeslagen – menselijke prestaties. In het geheel betekenen dezen te weinig. Ik zal dus moeten uitgaan van een achtergrond, en op de achtergrond van het menselijk leven vind ik een geestelijk leven, dat zich reeds in zeer primitieve vormen van haast voor menselijk bestaan openbaart in vormen als geloof, terwijl de mens later komt tet een besef van contact met velerlei krachten, waaronder ook natuurkrachten. Vanuit deze geestelijke werking zien wij het menselijk begrip zich al snel ontplooien tot een steeds bewuster samenwerking met en zelfs in bepaalde punten een dominantie over de natuur. Ik meen, dat wij, gezien deze achtergrond, mogen stellen: De snelle en typische ontwikkeling van het verstandelijk vermogen van de mens – terwijl wij kunnen constateren, dat op het ogenblik slechts van de werkelijke herseninhoud en haar mogelijkheden een derde wordt benut – heeft een uitzonderlijke betekenis tussen alle leven op aarde.

Wij zullen moeten toegeven, dat de mens, die is gekomen van een eerste erkenning op bijna dierlijke wijze van ik en omgeving, en de ontwikkeling tot de hedendaagse mens, die reeds begint door te dringen in vele geheimen van de natuur, ons een zeer grote stap van innerlijke en mentale ontwikkeling te zien geven, die in redelijke tijd is afgelegd. Waar steeds meer kennis dient te worden opgenomen, zal het herinneringsvermogen eveneens steeds groter moeten zijn, zodat niet slechts een behouden van eigen ervaringen maar ook het bewust zich refereren aan het verleden en de ervaringen van anderen steeds kan toenemen. De belangrijkste technieken, die op het ogenblik tot een uitbreiding van de geheugenmogelijkheid van de gemiddelde mens bijdragen, zijn op het ogenblik geschrift en vooral boekdrukkunst. Laat ons daarbij echter niet vergeten, dat deze factoren eerst in de laatste paar honderd jaren een werkelijk belangrijke rol spelen. Gezien de ontwikkelingen in het verleden moet een dergelijk vermogen tot behouden ook van de ervaringen van anderen en redelijk overwegen van de daarmede aangetoonde consequenties echter reeds zeer lang bestaan hebben. Het vermogen tot behouden van vele differente, ook niet eigen ervaringen betreffende feiten, moge dus op het ogenblik hoofdzakelijk buiten de mens gelegen zijn, maar dit is kennelijk deels een gevolg van toenemende gemakzucht op dit gebied. Er moet ook in de mens een mogelijkheid tot het “onthouden” van vele referentiewaarden aanwezig zijn.

Er bestaat dus zeker de mogelijkheid om in een enkel mensenleven vele vergelijkingen te maken, zeer vele bewuste ervaringen op te doen en eveneens zeer vele conclusies – juist of onjuist – te trekken. Vanuit een geestelijk standpunt is dit vermogen buitengewoon belangrijk. Wij zouden dus kunnen zeggen, dat de aarde aan de mensheid een zeer redelijke scholingsmogelijkheid biedt voor entiteiten uit de geest en, gezien de snelle ontwikkeling, die zich binnen de mensheid afspeelt, zeker in de laatste 5 à 6000 jaar, voor herhaalde bezoeken vanuit de geest op aarde vatbaar is, zodat meerdere incarnaties achtereen op aarde vrucht kunnen dragen. Dit bespaart de noodzaak tot hernieuwde aanpassing op een andere wereld en maakt een beter gebruik van de opgedane ervaringen van vorige incarnaties mogelijk, zowel bij de keuze van incarnatiemogelijkheid als bij de ontwikkelingen in de materie.

Maar wie of wat is nu de geest, die in de mens als leven en bewustzijn brengende optreedt?

Kennelijk is zij een bewustzijnsvorm, die niet geheel in redelijke waarden kan worden uitgedrukt. Anders zou de mens immers reeds lang dit deel van eigen wezen omschreven hebben. Daar de mens echter nog niet eens in staat is de totaliteit van eigen psyche op voldoende wijze te omschrijven en te definiëren, mogen wij wel stellen, dat het omschrijven van het wezen – en dus ook het erkennen van de aard van de geest – voorlopig nog buiten zijn mogelijkheden blijft liggen. Deze geest is gebaseerd op een ik-erkenning, wat een erkenning inhoudt van de relaties tussen hetgeen als ik word ervaren en de rest van de kosmos. Verder blijkt zij in haar ontwikkeling gebaseerd te zijn op herhaalde contacten met de materie, wat impliceert, dat zij zich daarmede op enigerlei wijze zal kunnen vereenzelvigen. Ten laatste blijkt zij een eigen of droomwereld te bezitten, die in tegenstelling schijnt te staan tot de buiten haar en door vaste wetmatigheden bepaalde werelden, waarin zij materieel gevonden kan geraken.

Zo gezien kunnen wij dus elke geest, die aan deze voorwaarden beantwoordt, wel een menselijke geest noemen, maar dan kunnen wij het begrip mensheid ook niet meer uitsluitend tot de bewoners van de aarde beperken. Wij moeten dan ook willen beseffen, dat, lang voor de mens zijn eerste stappen rechtop zette en als een dreigende baviaan voor het eerst met een steen gooide of een stok hanteerde, er reeds beschaafde rassen in het Al geweest kunnen zijn, die de titel van mens waardig zijn. Sommige van deze ontwikkelingen speelden zich niet eens zo ver van deze aarde verwijderd af. Sommige van die rassen hebben uw zon gekend. Wij dienen ons dan ook te realiseren, dat in de grote veelheid van sterren, indien wij aannemen, dat slechts één van de duizend constateerbare sterren planeten kan hebben en slechts één van de duizend planeten leven kan dragen, op dit ogenblik nog zeer vele planeten in het Al leven dragend, bewoonbaar zullen zijn. Zo wij ook maar enige doelmatigheid in schepping en Schepper veronderstellen, zullen wij ook aan moeten nemen, dat, waar de mogelijkheid bestaat, planeten ook in feite door levende wezens bewoond zullen zijn.

Zodra het bestaan van leven op de een of andere planeet gepaard gaat met een persoonlijk bewustzijn en dit bewustzijn voldoende mogelijkheid tot herinnering, referentie en ervaring met zich brengt, zullen wij hetgeen op die andere planeten bestaat, dan ook eveneens als menselijk leven moeten beschouwen. In deze zin kan het mens-zijn een van de belangrijkste factoren in – en een vervulling van een van de belangrijkste doeleinden van – de kosmos vormen. Want door alle tijden heen spelen zich bewustwordingsprocessen af en zien wij – sprekende vanuit de geest – een evolueren van ego’s naar een hoger peil van begrip en op de duur naar een zekere godserkenning en aanvaarding. Dit proces is eigenlijk reeds lang voor de aarde bestond begonnen en zal zich ongetwijfeld nog lang voortzetten nadat de aarde heeft opgehouden als levendragende planeet te bestaan.

De bestaanstijd van deze “menselijke” ontwikkelingen moet waarschijnlijk gesteld worden op rond 1/3 van de werkelijke bestaanstijd van het stoffelijke Al, indien wij deze tijd berekenen vanaf de eerste explosie van het oeratoom tot het laatste moment, waarin algehele stasis optreedt en alle beweging ophoudt te bestaan. Dit is een belangrijk deel van de tijd. Ruimtelijk gezien kunnen wij zeggen: Misschien is het op het ogenblik rond 1/ 1.000.000 deel van het Al, waarin menselijk leven in geestelijk zin van het woord mogelijk is. Indien wij echter ook hier weer de tijd in onze rekening betrekken, zal het in feite voor geestelijke bewustwording gebruikte deel van het Al – in menselijke waarde volgens de geestelijke definitie – veel groter zijn. Ik meen dat dan t.m. 1/6 tot 1/5 deel van het stoffelijke Al met geestelijke bewustwordingsprocessen te enigerlei tijd te maken zal hebben.

Dit betekent, dat de mensheid wel niet de dominerende factor in het Al is, maar toch wel gerekend mag worden tot de zeer belangrijke factoren in de schepping. Maar zo het belangrijk zijn van die mensheid, in de schepping nog wel te overzien valt, is het zeer moeilijk haar taak binnen dit Al te definiëren, haar functie in het geheel duidelijk te bepalen. Wij zien namelijk, dat alle leven een stoffelijke evolutie tot stand brengt, dat deze stoffelijke evolutie, – of revolutie – dan weer gepaard pleegt te gaan met een geestelijke evolutie, die echter met de stoffelijke ontwikkelingen niet geheel parallel loopt. De vraag is nu maar, of de stoffelijke evolutie een eerste doel is, dan wel de geestelijke evolutie.

Vanuit onszelf sprekend zal ik onwillekeurig kiezen voor de geestelijke evolutie. Indien echter het geheel van de schepping een bewuste uitdrukking is van de Goddelijke Wil, zo meen ik, dat wij toch moeten stellen, dat voor het geheel de materiële evolutie evenzeer noodzakelijk is als de geestelijke. In die zin lijkt mij het stoffelijk, materiële leven, dat als menselijk omschreven kan worden, een zeer belangrijke factor in het bestaan van het stoffelijk Al, daar dit kennelijk voert tot versnelling van ontwikkelingen. Indien wij uitgaan van het geestelijke leven, dat niet meer evolueert op de ons bekende wijze, maar desondanks nog met de stof verbonden kan zijn – ik denk aan planeetgeesten, sterrengeesten e.d. – meen ik zelfs, dat de betekenis voor de ontwikkelingen binnen de stof bij de geest rond 9/10 zal bedragen. Bewustzijn is dus toch wel zeer belangrijk en veel omvattend. De mens op aarde is slechts een betrekkelijk simpele en niet te langdurige verschijningsvorm daarvan. In het leven zelf vinden wij naast de mensheid nog vele andere vormen van leven en bestaan.

Ik wil hier niet gaan spreken over de mogelijkheid, dat er elementalen en dergelijke wezens naast de mens kunnen bestaan, maar beperk mij tot het feit, dat een voortbestaan in de sferen plaats vindt. Leven en ontwikkeling is, althans voor de geest, ook op bepaalde vlakken van bewustzijn, niveaus van erkenning, buiten de materie mogelijk. De binding met de materie is echter in een groot deel van de sferen nog zodanig groot, dat daar een ik besef en een omschrijving van dit besef daar nog alleen aan de hand van eens aan de materie ontleende waarden mogelijk is. Indien ik dit tracht na te gaan en te toetsen, kom ik tot de conclusie, dat zeker de helft van het niet in de stof werkzame geestelijke leven, dat met deze kosmos verbonden is, op enigerlei wijze eveneens als “menselijk” omschreven kan worden. Waardoor rond de helft van tijd, ruimte en mogelijkheden dus met de geest in direct verband blijkt te staan.

Mijn eerste conclusie luidt dan ook: Of schoon de mens in zijn huidige vorm en zijn ogenblikkelijk leven zeker niet die belangrijkheid bezit, die hij zichzelf zo gaarne toedenkt, moet toch het geheel van de mensheid in de door mij omschreven zin worden gezien als een beperkte maar zeer belangrijke uiting in het Al van belangrijke waarden, bewustzijn en eventueel ook bewustzijn vanuit eigen individualiteit. Mijn tweede conclusie zal voor sommigen van u misschien nog storender klinken: Het geheel der materiële bereikingen en ontwikkelingen, door de mens zo hoog aangeslagen, is kosmisch gezien waarschijnlijk van weinig of geen belang. Belangrijk is alleen het bewustwordingsproces, dat zich daarbij voltrekt. Al het andere is nevenverschijnsel, of, wanneer men het nog concreter wil stellen: Afval van het proces der zelferkenning.

Wat voor uw wereld natuurlijk erg droevig is. Want al uw politieke, economische en godsdienstige overwegingen, uw wetenschappelijke ontdekkingen, uw materiële grootheid, ontleend aan de bouw van grote steden, de beheersing van het atoom of misschien een vlucht naar de maan of verder, zijn eigenlijk niets anders dan een enkele zucht van een slapende, die, half ontwaakt, zich zo dadelijk weer op de andere zijde zal leggen, om verder te snurken.

Maar alle dingen zijn relatief. Wat voor u belangrijk is, ontleent zijn werkelijke belangrijkheid voornamelijk aan hetgeen daardoor in u ontstaat. Zoals een geestelijke inwijding misschien niet zo belangrijk is als men pleegt te stellen, daar men het ook zonder dit kan stellen en toch zijn uiteindelijke doel zal bereiken. Maar op dit ogenblik verschaft de inwijding u een zekere houding, een gevoel van verbondenheid en zelfverzekerdheid. En dit, meer dan de erkenning zelf, die mogelijk uit de inwijding voortvloeien zal, lijkt mij van overwegend belang voor u.

Dan is dus alles, wat de mens in de materie doet of bereikt, voor hem werkelijk belangrijk, zover het een bevestiging vormt van zijn eigen bestaan, zolang het voor hem een uitdrukking van de eigen persoonlijkheid kan vormen en zo een ondersteuning kan vormen van zijn visie op eigen belangrijkheid, die hij van node heeft om verder te kunnen gaan. Geestelijk is alle stoffelijk gebeuren en bereiken in de stof belangrijk, zover het een erkenning van het andere, het niet-ik mogelijk maakt, zonder dat hieruit een te vaste binding met dit andere ontstaat. In dit opzicht acht ik het leven zoals dit ook op aarde bestaat en mogelijk is, het belangrijkste, wat er maar denkbaar is. Ik ben in dit opzicht natuurlijk bevooroordeeld. Uiteindelijk ben ook ik uit een stoffelijke ontwikkeling voortgekomen en heb ik op uw aarde vertoefd. Geen wonder, dat ook ik met een zeker chauvinisme zeg dat hetgeen er op aarde gebeurt ook in de, kosmos toch wel belangrijk zal zijn. Maar ik moet toegeven, dat de belangrijkheid in de meeste gevallen niet door de feiten zelf wordt bepaald, maar vooral ontstaat door het standpunt, dat de beschouwer inneemt.

Hier is het de plaats voor een vraag. Is een bepaalde fase van die mensheid misschien meer – of minder – belangrijk geweest in geestelijk opzicht dan andere tijden? Onwillekeurig vraag ik mij dan af, of het eerste gebruik van een speer – misschien nog niet eens in het vuur gehard – niet even belangrijk is geweest in de geschiedenis der mensheid voor veranderingen in levensgewoonten en denken, als de uitvinding van de atoombom? Zoals ik mij, naar ik meen, terecht af kan vragen of het niet belangrijker is geweest, dat een eerste mens eens een rol gebruikte om zo zijn slede gemakkelijker voort te doen bewegen dan het ogenblik, waarop men de auto of de stoommachine uitvond. Wanneer je de belangrijkheid van een uitvinding of ontdekking wilt nagaan, ontdek je al snel, dat zij op het werkelijke leven van de mensen alleen in eigen tijd invloed heeft. Hun werkelijk belang blijkt dan eerder te liggen in de wijze, waarop zij het menselijke denken en reageren beïnvloeden en daarmede bijdragen tot scholing van het menselijke denken en vergroting van het menselijke bewustzijn.

Indien men uitgaat van de ontwikkelingswaarde voor de mens, dan zal men niet kunnen ontkennen, dat uitvindingen van een dergelijk belang er in een ver verleden evengoed zijn geweest als in deze dagen. Deze belangrijkheid is ook niet afhankelijk van eventueel daarbij ontwikkelde filosofieën of daarop gebaseerde rationalisaties. Zij zijn eenvoudig invloeden, waardoor de mensen anders gaan leven, in een versneld tempo tot een zich aanpassen aan nieuwe noodzaken en mogelijkheden gedwongen worden, en hierdoor tot een meer cerebrale evolutie gaan komen. Want om zich aan te passen zal de mens, anders zowel als sneller moeten gaan denken en reageren. Hij zal ook steeds meer factoren en mogelijkheden tegelijkertijd moeten verwerken indien hij tot redelijke besluiten wil komen en zijn wil en wezen nog enigszins persoonlijk in die wereld tot uiting wil kunnen brengen.

Elke verandering op dit gebied is vanuit het geestelijk standpunt t.m. even belangrijk als alle stoffelijke ontwikkelingen bij elkaar. Ik kan dus wel niet zeggen, dat de moderne wereld zoveel belangrijker is dan de wereld van de holenmensen. Zoals ik evenmin kan beweren, dat de wetenschap voor de mensheid zoveel belangrijker is geweest als het ontwaken van het eerste bijgeloof en godsdienstig denken. Voor de uiterlijkheden van de wereld zijn deze dingen van geheel verschillend belang, zodat sommigen daarvan voor de uiterlijkheden van die wereld op dit moment veel belangrijker kunnen zijn dan andere. Onderschat echter de belangrijkheid niet van dingen, die nu reeds begraven schijnen te zijn onder het stof der menselijke geschiedenis.

Denkbeelden en reacties, die in de eerste geloofsvormen ontstonden, klinken nog na in uw godsdiensten van vandaag. Verre legenden, ééns in Sanskriet neergeschreven over de communicatie tussen mensen en feeën, niet-menselijke entiteiten, worden nu nog weerkaatst in de houding van huidige kerken t.a.v. bijvoorbeeld van incubi en succubi. Dit immers zijn z.g. duivels, die geslachtelijk verkeer met de mensen zouden zoeken en daaraan evenzeer krachten en misschien zelfs ziel zouden ontlenen als de arme natuurgeesten in het verleden dit deden door hun huwelijk met de mensen.

Wat is er eigenlijk veranderd? Dat het grotere kerken zijn? Het verleden kent ook grote tempels en ver verbreide godsdiensten. Dat er een groot geloof is en daarnaast een even groot sceptisme?

Dat is er altijd geweest en zal er wel altijd zijn. En wat vandaag uw wetenschap is, zal over honderden jaren niet belangrijker meer zijn dan de eerste ontdekkingen, die men eens heeft gedaan in de Egyptische tempels. Neen. Wij moeten de zaken niet overschatten, en begrijpen dat zolang het gaat om ontwikkeling en bewustwording – en dus niet alleen maar om bepaalde materiële resultaten – elke tijd van het mensdom even belangrijk is. Vanaf het ogenblik, waarop het wezen, dat zich later mens zal noemen, zich ontworstelt aan de alles bepalende drang der instincten en komt tot een eigen, overlegd en reeds rationeel handelen, waarin het oude instinct nog wel een rol speelt, maar zo nodig overwonnen of gesublimeerd kan worden, is elke verdere periode van de mensheid even belangrijk.

Indien ik nu een oordeel vanuit de geest, vanuit mijn wereld probeer te geven, zal ik in uw ogen wel wat ondeugend lijken. Want voor mij is de aarde niet veel meer dan een soort kleuterklasje voor geesten, die nog niet in staat zijn zich zonder materiële hulp bewust en actief in de geestelijke werelden te bewegen. Ik beschouw het verkeer van de geest met de stof grotendeels als een opvoedingsprobleem. Dat het geheel daarbij voor ons allen zo buitengewoon boeiend en interessant is, kunnen wij alleen maar prijzen. Maar denkt u niet, dat het kind, dat een voor u onherkenbaar wezen met potlood en kleurkrijt op een stukje papier werpt, daarin niet evenzeer op zal gaan en evenzeer eigen bereiking zal prijzen als u, wanneer u een nieuw supersonisch vliegtuig hebt ontworpen, of eindelijk een nieuwe brandstof hebt ontdekt, die u, naar uw mening, verder de ruimte in zal kunnen brengen dan zelfs Mars en Venus?

Het is alles relatief. De plaats van de mens in het Al, zover hij stoffelijk optreedt, is er een van scholing en opvoeding. Ik zie vanuit mijn standpunt – al is ook dit misschien wel erg chauvinistisch – de geest, of beter nog het bewustzijn, dat zich als geest aandient, als de meest belangrijke factor in het leven. Het is een vorm van energie met daarin vastgelegde energiepatronen. Het is iets, wat men misschien kan wijzigen, maar dat nooit geheel en werkelijk ten gronde kan gaan. Het is iets, waaraan vormbehoefte, vormbewustzijn als levensprocessen onbekend zijn, evenals slijtage e.d. De geest is iets, wat tot eenheid kan komen met hogere waarden en hogere krachten, iets wat voortdurend verschillende wegen kan leren gaan en toch steeds, al die wegen gaande, in wezen zichzelf kan blijven, zo een persoonlijke relatie met het Hogere, of de bron, vanuit zichzelf steeds ook in stand houdende. De geest lijkt mij dan ook wel een zeer belangrijk deel van het leven, het z.g. menselijk bestaan.

Natuurlijk: De stof is daarbij noodzakelijk, zover ik weet, maar de geest is de uitdrukking van het geheel. De stof kan misschien de gedachte tot uitdrukking brengen maar de geest ondergaat en erkent in zich de consequenties van dit alles. Ik acht de erkenning van alle consequenties van meer belang dan de uitdrukking van de gedachten, omdat de uitdrukking reeds met al haar mogelijkheden en beperkingen in de materie ingeschapen werd. Maar de erkenning van de consequenties is voor het ik een op dit moment bestaand scheppend proces, een ontstaan van geheel nieuwe waarden in het ego.

En nu hebt u mij in feite een vraag gesteld: Wat is de plaats van de mens in de ruimte, in de tijd, in het Al. Dat is een moeilijke vraag. Spreek ik over uw idee van mensheid, over homo  sapiens, dan kan ik zeggen: Dit alles is slechts een zucht in de eeuwigheid, meer niet. Denk ik aan de betekenis, die de materie voor de geest heeft en alle andere materiële mogelijkheden, die ook menselijk genoemd mogen worden – al bestaan zij dan niet op uw wereld, – zo moet ik zeggen: Dit omvat een zeer groot deel van alle bestaan, misschien wel meer dan de helft van de kosmos, van het Al. Indien ik bij het begrip mens uitga van een werkelijk scheppend proces, dan moet ik stellen: De materie is slechts een voortdurende herhaling van eens geschapen en sindsdien steeds weer in verschijning tredende effecten, die alle onder gelijkblijvende wetten ressorteren, zodat zij zich zelfs niet zouden kunnen onttrekken aan een bestaand schema. Maar de geest zie ik – al vergis ik mij misschien, maar zo zie ik het op het ogenblik nu eenmaal – als iets, wat door voortdurende absorptie van de waarden buiten het ik niet alleen kan komen tot een verdiepen van kracht en een inhoud, maar gelijktijdig leert in zich grenzen en beperkingen te overschrijden. Ik zie de geest als een wezen, dat in feite grenzeloos is en juist hierdoor alles, wat vanuit ons huidige standpunt onbegrijpelijk, onmetelijk of eeuwig is, in zich kan bevatten en beseffen.

Dan denk ik zo, dat de hergroepering van de totale schepping binnen een menselijke geest – of eens mens geweest zijnde geest – met alle wijzigingen van geldende regels enz. eens mogelijk zal zijn. Ik ben geneigd hier terug te denken aan de visioenen van Aijoka, die eens sprak: “Wanneer het bewustzijn in mij brandt, en alles dooft, zal het bewustzijn mij doen voortbestaan tot alles voorbij is en ik eenzaam ben. Wijs zijnde zal ik dan mijzelf doven, om het gedoofde en bewuste voortbestaan te kennen buiten de grenzen, die eens mijn leven en bewustzijn betekenden. Maar ben ik in waan, zo zal ik mijn licht gebruiken om de sterren opnieuw te ontsteken. Ik zal dan de lasten dragen van de schepping, die reeds in mijzelf ontstaan was, doch die ik door mijn wil dan ook buiten mijzelf heb waargemaakt.”

Met dit citaat heb ik naar ik meen, de belangrijkheid van de geest zoals ik die zie, naar ik meen, voldoende omschreven. Een verder antwoord op hetgeen in uw vraag geborgen ligt, is niet te geven. U stelt een onderwerp, zo ambitieus, dat het niet alleen een ontleding vergt van het geheel der menselijke historie, van alle verschillende en individuele ontwikkelingsmogelijkheden, die binnen het kader van het stoffelijke mensdom bestaan, maar vergt daarnaast van mij een nagaan van alle levensmogelijkheden in de tijd op alle planeten, die eens leven hebben gedragen of zullen kunnen dragen. U vraagt van mij een definitie van de belangrijkheid van de functie in het Al van dit wezen, dat zich mens noemt, zowel van de stoffelijke vorm, naar ik aanneem, als van het niet volgens stoffelijke normen begrensde ego. U vraagt mij te zeggen, wat dit precies is en betekent in de kosmos. Maar hoe kan ik dit doen?

Ik kan alleen zeggen: Elke beoordeling, vanwaar zij ook komt en hoe zij ook is, zal eenzijdig moeten zijn, evenals de mijne. Zij zal niet ontbloot kunnen zijn van een zeker chauvinisme, omdat elk oordeel, dat men spreekt, een deel zelfhandhaving in zich draagt. Ten laatste, indien u, wat nu voor u belangrijk is, goed volbrengt, zult u daaruit geestelijke waarden kunnen puren, die, naar ik meen, voor u blijvend belangrijk zullen zijn. De belangrijkheid van het menselijke ras is in vergelijking hiermede dan maar een illusie, een aangenomen waarde zonder blijvende achtergronden.

Vragen.

  • Maar de functie van de mens dan? Zou men die op grond van uw betoog misschien kunnen omschrijven als een steeds verder geestelijk bewust worden en een steeds groter gebruik van cerebraal vermogen?

Zoals ik reeds stelde, kan men natuurlijk ook een dergelijke definitie geven en zal deze ongetwijfeld t.m. ten dele juist kunnen zijn. Maar een absolute, onvoorwaardelijk juiste definitie is volgens mij niet te geven. Indien u vraagt, wat de functie van de mens in het leven is, kan ik daarop naar waarheid alleen maar antwoorden: Kennelijk te leven. Anders zou hij niet als geest of in deze materiële bindingsmogelijkheid bestaan. Wat hij met dit leven doet, zal sterk afhankelijk zijn van de redenen, die hem op aarde brengen en tot een dergelijk intense binding met de materie hebben gebracht – of door anderen hiertoe hebben doen brengen. Ik kan dit toch niet bepalen? Een cerebrale ontwikkeling lijkt mij in het stoffelijke mensdom inderdaad van belang, omdat het grotere herinneringsmogelijkheden schept en zo ook een grotere reeks van bewuste ervaringen en vergelijkingen mogelijk maakt. Maar ook dit is slechts een eenzijdig beschouwen, een eenzijdig oordeel. Ik meen dan ook, dat een mens, die zich cerebraal ontwikkelt, zonder gelijktijdig daarbij zijn emotionele leven en wat men wel geweten of moreel besef pleegt te noemen, mede te ontwikkelen, in feite, met alle cerebrale ontwikkelingen, voor zich en anderen slechts nadelige werkingen kan vertonen, ook t.a.v. de geestelijke ontwikkelingen.

  • Ik meen, dat volgens uw betoog, waarbij u o.m. ster- en planeetgeesten noemde, de mens ziet overgaan naar een andere vorm, waardoor het menselijke bestaan meer diepte verkrijgt.

Ongetwijfeld is het niet uitgesloten, dat een geest, die lange tijd z.g. mens is geweest, tot planeetgeest, of sterrengeest wordt. Ofschoon ik daaraan toe moet voegen dat dit niet zo waarschijnlijk is als u misschien denkt, omdat uiteindelijk niet meer zovele sterren in deze tijd geboren worden. Om sterrengeest te kunnen worden, zou men binnen dit Al zich naar andere sterrennevels moeten begeven waarin nog wel sterren worden gevormd en zelfs daar, waar het ontwikkelingsproces nog niet zover is voortgeschreden als in het melkwegstelsel, zijn de mogelijkheden m.i. al beperkt.

Stel, dat een enkeling inderdaad dit sterrengeest-zijn bereikt. Wat ontstaat er dan? Een stof gebonden leven. Dit kan dan weer vele processen omvatten, die de mens vreemd zijn, maar voor de bewustwording zullen de waarden van een dergelijk leven toch niet zo veel afwijken van een menselijk bestaan. En het is de waarde voor het geestelijk bewustzijn, waarop ik mij zoals u misschien bemerkt hebt, grotendeels baseerde. Daarom juist stel ik, dat het niet zo belangrijk is, of je als sterrengeest of als mens incarneert. De mogelijkheden, die je hebt en de mogelijkheid tot erkenning van het niet meer materieel uitdrukbare, die zo in je kan ontstaan, zijn het belangrijkste ……

  • Ik kan u uitstekend volgen. Maar wanneer ik, als mens, een functie wil bepalen, moet ik tenminste toch ergens een doel zien. Achter de mens – of achter een verdere trap – moet ergens een einde liggen. Volgens mij gaat er ergens een dimensie tekortschieten, wanneer ik geen eind, geen voleindig stel.

Dat ben ik volledig met u eens. Maar kunt u mij de woorden geven waarmede ik de nu in mijn betoog ontbrekende dimensie op een enigszins redelijke wijze en volgens waarheid uit kan drukken? Dit is in feite dezelfde moeilijkheid, die wij overal plegen te ontmoeten. Wij spreken van God, wij praten over geesten, het bovennatuurlijke en de natuurlijke wetten. Maar weten wij in feite wel, wat achter al deze begrippen schuilgaat? Is ook uw geloof, uw gebruik van dergelijke termen, in feite niet een tweedimensionale voorstelling van iets, wat in feite een 5 of 6-dimensionaal bestel is? Er is een werkelijkheid, een werkelijk doel, een werkelijke bestemming. Maar je kunt die niet naar waarheid omschrijven, of zelfs het bestaan daarvan volgens waarheid uitdrukken. Dit is eenvoudig onmogelijk. Omdat het niet mogelijk is de zaak naar waarheid uit te drukken, lijkt het mij beter dan maar te zeggen: “Hier achter ligt vaagheid, het niet definieerbare”.

Nu weet ik, dat de mens geneigd is het niet definieerbare God te noemen. Maar dit betekent volgens mij, dat God op dit moment voor de mens een zeer groot iets moet zijn, dat later kleiner zal worden, omdat steeds meer van hetgeen nu nog direct als deel van God zelf wordt omschreven, vanuit een hoger standpunt toch juister en beter beschreven kan worden als een deel van de goddelijke uiting. De benadering van God is dan eerder te vergelijken met een ingaan in een trechter, waarbij dus het irreële, het voor ons niet definieerbare wel steeds geringer zal worden en het achter ons liggende, en in ons besefte en gedefinieerde in verhouding een steeds groter deel van het zijn gaat omvatten, maar toch een ogenblik komt, waarop wij moeten erkennen: Hier is geen verdere mogelijkheid tot uitdrukking meer te geven of te vinden.

Wij kunnen bij het vervolg – de pijp van de trechter a.h.w. – dan wel uitgaan van mogelijk bestaande transformatiewaarden. De vraag is echter, of wij ook dan niet belanden in iets, wat uiteindelijk een kringloop is. Er bestaat een theorie, die stelt: Alles, wat van vorm verandert in het erkende Al, verandert daarbij met energie, waarvan een – zeer gering – deel voor dit Al teloor zal gaan en als energie in een niet-ruimte of niet geuite ruimte, die aan dit Al grenst, weer in verschijning gaat treden.

Wanneer de overdracht van krachten uit dit Al naar het andere Al zo groot wordt, dat de flux van krachten in dit Al kleiner wordt dan de totale potentie tot overdracht van krachten, die in het andere Al bestaat, zal daar een nieuw heelal in stoffelijke zin zich vormen, waarin al het besefte uit het verleden, en elke energiewisseling weer geheel scheppend wordt uitgedrukt, zodat wij een progressie van mogelijkheden krijgen, die telkenmale weer een vollediger uitdrukking van meer mogelijkheden van besef en bestaan zal geven. Een stelling, die zeer ingewikkeld is, terwijl wij de juistheid van deze stelling niet eens aantonen. Trouwens, ondanks al het gestelde, zou ook dit geen doel in zich kunnen zijn daar het uiteindelijk tot een vereenvoudiging zou moeten voeren en zo de kringloop zou sluiten.

Zou men iets dergelijks voor de geest willen toepassen, dan wordt de zaak in feite nog verwarder. Je zou dan moeten zeggen, dat de geest 20 of 30 keren tot een punt van absolute bereiking zal komen om uiteindelijk toch te moeten concluderen, dat zij slechts een weg heeft afgelegd, waardoor het eigen gezicht is veranderd, terwijl het totaal van eigen mogelijkheden toch gelijk blijft. Juist om dergelijke verwarringen en onjuistheden te vermijden, stel ik: Er is geen uitdrukking te geven aan hetgeen u vraagt. Indien u spreekt van functie moet u zich verder realiseren, dat dit een bepaling binnen het geheel zou betekenen. De bepaling binnen het nu bestaande en voor u kenbare geheel heb ik gegeven. Hierover zei ik: het doel – functie kan hier dus ook wel gebruikt worden – is de absorptie van feiten en op de duur van alles, wat buiten je ligt en kenbaar is. Indien u zegt: Achter de functie moet een doel liggen, zo moet ik wel zeggen, dat dit doel, waarschijnlijk, zeer waarschijnlijk, te maken zal hebben met de weergave van het totaal bekende, waardoor het ik functioneel word binnen het totaal van het nu nog onbekende. Noem dat onbekende dan hemelrijk, rijk Gods of God en u bent al heel dicht bij de godsdienst.

  • Kan men niet zeggen, dat de mens de functie is van het leven?

Ik zou het niet graag zo zeggen, zeker niet, wanneer u spreekt over de functie. Indien u zegt, dat de mens een van de functies is van het kosmische proces, dat wij kennen als leven – iets wat dus ook niet stoffelijk bestaat – ben ik geneigd het wel met u eens te zijn.

  • Maar men zegt altijd, dat het leven de functie van de mens is.

De mens stelt alle dingen graag zo, dat hij hierdoor zelf in het middelpunt komt te staan en dus het belangrijkste is. Ben ik mijn onderwerp niet begonnen met te zeggen, dat elke mens homocentrisch denkt? Ik meen, dat het voor de doorsnee mens praktisch — over de theorieën zullen wij nu maar niet spreken – praktisch dus onmogelijk is zich in alles een Al of bestaan voor te stellen, waarin de menselijke vorm, het menselijke en een soort menselijke wereld niet centraal staat. Wij kunnen nu wel gaan stellen, dat men het toch anders zou moeten zien. Maar wanneer de feiten het onmogelijk maken het in wezen anders te zien, te beleven en te erkennen, zolang men zelf nog mens is, lijkt het mij niet noodzakelijk deze meningen ook in de praktijk en zonder meer te bestrijden. Mij dunkt, dat men dan voor de mensen, zeker de eenvoudigen, kan volstaan met de erkenning, dat er meer is dan alleen de menselijke wereld.

In vele leringen en geloofsvormen treffen wij termen aan, die hetzelfde trachten te omschrijven, waaraan wij heden de aandacht hebben gewijd en daarbij ook niet verder komen dan een woord, waarmede wordt gezegd, dat het eerdere niet in feite uitdrukbaar of zegbaar is.

  • Maar moet nu alles in woorden worden omgezet, opdat wij het met onze stoffelijke hersenen kunnen begrijpen? Kan er geen andere, zeg maar dimensie bestaan, iets wat wij in mensentaal magisch zouden noemen, die zo op ons inwerkt, dat wij a.h.w. aanvoelen, wat er bedoeld wordt, maar er toch geen ….

Mag ik u één vraag stellen? Bent u in staat om volledig en geheel naar waarheid en gedefinieerd ook maar een van uw eigen gevoelens tot uitdrukking te brengen?

Neen.

Met andere woorden, wanneer u al dergelijke gevoelens hebt, iets “aanvoelt”, is deze ervaring niet communicabel. Deze dingen zijn niet bruikbaar om waarheid tegenover anderen uit te drukken. Dit impliceert dat wij, wanneer wij in een menselijke gemeenschap werkzaam zijn, wij ons in de eerste plaats moeten blijven baseren op:

  1. De wijze, waarop de doorsnee mens denkt. Zoals u weet komt woord-denken veel meer voor dan beeld-denken
  2. Zullen wij acht moeten geven op de algemene bruikbaarheid van de gegeven waarden.
  3. Wij ons moeten baseren op het besef.

Terwijl een bv. magisch in u uitgedrukte waarde voor eenieder een geheel ander beleven en daardoor een geheel andere persoonlijke interpretatie zal geven, blijft binnen het kader van een redelijke opbouw in woorden tenminste mogelijkheden tot vergelijking van de verschillende interpretaties, zodat woordcommunicatie de voorkeur verdient, omdat zij onderling contact over een punt tussen mensen toelaat en bevordert.

Ik meen, dat ik daarmede uw nog niet geheel geuite vraag al voldoende heb beantwoord. Er zijn andere mogelijkheden tot communicatie, die echter op een zozeer persoonlijk vlak liggen, dat zij niet een mogelijkheid tot mededeling en vergelijk onder de mensen omvatten. Wel geven zij een mogelijkheid tot uiting, maar die is dan niet voor een met de oorzaak geheel passende reactie bij anderen vatbaar. U zou bv. wonderen kunnen gaan doen, door de lucht kunnen gaan zweven of u in de ogen van anderen als een waanzinnige kunnen aanstellen – iets waarvoor overigens gemeenlijk dergelijke geestelijke mededelingen en krachten toch niet aansprakelijk zijn – maar zult de anderen nimmer kunnen duidelijk maken, wat hierbij nu werkelijk het essentiële punt is. Wij spreken met elkander. Waarom zouden wij dan trachten het onzichtbare toe te voegen, wanneer dit in een voor allen gelijke zin, toch niet mogelijk is? Indien het er om gaat discussie mogelijk te maken over een bepaald onderwerp of vraagstuk, zou dit in mijn ogen niet alleen een verspilling van krachten, maar zelfs een dwaasheid zijn. Wanneer er een magische kracht achter de gesproken woorden meespeelt – iets wat wel eens gebeurt – zo voert dit slechts tot een gevoelsmatige interpretatie van door het woord gewekte beelden en associaties, waardoor in de persoon een geheel eigen maar dieper besef kan bestaan voor hetgeen algemeen tot uiting werd gebracht. Verder kom je echter niet.

  • U stelde, dat de menselijke geest zijn waarde en doel juist ontleent aan het feit, dat zij eigen beperkingen en grenzen te buiten moet leren gaan. Dit ben ik geheel met u eens. Maar ik stel mij zo voor, dat er een climax kan bestaan, waarbij de menselijke geest de kosmos – en dus de oneindigheid – zou kunnen omvatten. Mij lijkt dit persoonlijk niet onmogelijk…

Mij wel. Mij wel…

  • Dit voert inderdaad ver, maar ik acht het niet onmogelijk. Als je echter zover zou komen zou je plotseling God kunnen omvatten. Je zou God kunnen zien. Ik wil nu een zinsnede uit de bijbel aanhalen: “Niemand kan God zien en leven.” Nu is het een bekend feit, dat adepten bij hun inwijding God wel degelijk zien, interpreteren en ervaren en toch rustig voortleven. Zelfs als materieel mens. Wat is hierover uw zienswijze?

Eigenlijk is dit zeer eenvoudig. God is, zoals ik reeds zei, de naam, die wij als mens en geest geven aan het onbekende. Wanneer een ingewijde “God ziet”, ziet hij het onbekende.

Maar is het totaal van het voor hem onbekende ook de weergave van de gehele scheppende kracht? Zeer waarschijnlijk is het er maar een betrekkelijk klein deel van. In deze zin zal de ingewijde niet met één enkele inwijding kunnen volstaan. Hij zal juist als wijze, als ingewijde

gaan beseffen, dat hij steeds meer “inwijdingen” van node heeft. Ik wijs u hier op het beeld van de trechter, waarover ik zo even reeds sprak. U zegt: “Je kunt God niet zien en leven” – pardon, u citeert. Ik vraag mij af, of in dit verband leven door u niet te zeer wordt beschouwd als identiek met bestaan. En toch bestaan er vele dingen, die niet volgens onze normen ” leven”.

  • Bestaan is essentieel. Descartes zegt: “Ik denk, dus ben ik.”

Weer een persoonlijke interpretatie, namelijk: Het feit, dat ik denk, bewijst mij, dat ik besta. Maar dit houdt niet in, dat ik niet kan bestaan, wanneer ik niet denk. Laat mij dus liever even uitspreken.

Bestaan en leven zijn niet altijd geheel identiek. De uitspraak is tot stand gekomen in een tijd, dat leven zelfs niet werd gezien als plantaardig leven, maar als t.m. dierlijk leven. Wat betekent, dat leven werd gezien als een vrijheid van verplaatsing, actie en reactie. Nu zeg ik: Wanneer ik de werkelijkheid Gods zie, overzie ik daarmede inderdaad alle ruimte, alle tijd, alle doel. Want deze dingen zijn uit God en uit Hem voortgekomen. Of, beter gezegd nog: deze dingen bestaan nog steeds met ons, in God. Op het ogenblik, dat ik het geheel overzie, zal elke verdere stimulans tot verdere stoffelijke actie ontbreken. Stoffelijke gezien is dit sterven. De erkenning van mijn plaatsing binnen het goddelijke plan maakt mij tot een vast deel van het goddelijke geheel. Er is bij wijze van spreken zelfs geen reden meer, om maar over iets na te denken. Er blijft nog slechts een aanvaarding van het goddelijke – en de werkingen van het goddelijke in, met of door mij – die voor mij een beleving vormen. Ik besta dus wel degelijk en ben mij daarvan bewust.

Maar ik leef niet meer werkelijk, daar ik zelfs niet meer “zelf denk”. Ik ben slechts een punt, waardoor de goddelijke gedachte zich beweegt. Ik leef dus niet meer in de zin van het woord leven, zoals dit gehanteerd werd in de tijd, dat de door u geciteerde spreuk ontstond. Ik besta echter nog wel degelijk. Ik kan God zien en bestaan. Maar als ik God in Zijn totaliteit zie, kan ik niet meer leven volgens de definitie van leven, die de mensen plegen te geven.

  • In zoverre dat ik vind, dat u het godsbegrip enigszins denigreert: U ziet het alleen maar zo, dat je dan de tijd, ruimte, essentie van God zoudt kunnen overzien. Dat is 4- dimensionaal. Maar ik geloof, dat God hier ver bovenuit streeft. Er zijn misschien wel 7 dimensies…….

Mag ik even als het u belieft. U praat heel aardig. Uw denkbeeld over denigrerend is echter wel erg persoonlijk. Ik sprak ook van het overzien van het doel. Dit omvat het geheel van de schepping. U spreekt over zeven dimensies. Maar u kunt zich niet voorstellen, wat dergelijke dimensies in zouden kunnen houden. Dat is dan alvast punt één.

Punt twee: U denkt kennelijk, dat ik, sprekende over tijd – ruimte, veronderstel dat ik daarmede alles gezegd heb. U vergeet daarbij dan maar, dat ik niet alleen sprak over het zien van het doel, maar ook nog stelde: De goddelijke gedachte pulseert dan door mij. Wat dit betekent en inhoudt, kan ik echter, zelfs daar, waar ik er iets meer van besef dan de meeste mensen, niet in woorden uitdrukken. Een mens, die deze gedachte in haar geheel in zijn menselijke vorm zou ondergaan, zou daaraan ongetwijfeld als mens sterven, maar zelfs dan zou ook hij deze niet uit kunnen drukken. U komt hier aandragen met hetzelfde grapje, dat ik bij zovele mensen en ook geesten aantref: “U zegt ja, maar ik kan over onderstellen …….”

In uw geval veronderstelde u misschien wel zeven dimensies. Nu weet ik toevallig, dat er alleen reeds minstens 63 heelallen bestaan, allen op zich besloten ruimten, van elkander afgezonderd door de buiging van het licht, draaiende rond een en dezelfde kern, een soort niets. Zover ik na kan gaan, zijn de tijd-ruimtelijke verhoudingen in de meeste van die heelallen enigszins verschillend. Wat praat u van zeven dimensies? Er zijn misschien wel 700 dimensies. Maar daarom gaat het niet in de eerste plaats. Kunt u zich die zeven dimensies voorstellen? Kunt u hun wezen uitdrukken of althans begrijpelijk, overdenkbaar maken? Neen? Ik ook niet. Dan heeft het geen zin dergelijke mogelijkheden te opperen. Ik blijf dan ook in mijn betogen zoveel mogelijk binnen de grenzen van het bekende en ontwijk nimmer de grenzen van het menselijk voorstelbare, zodat een overwegen van hetgeen ik zeg mogelijk blijft, hoe moeilijk het misschien ook voor sommigen moge zijn.

Ik meen, dat u, wanneer u na wilt denken over God, er verstandig aan zult doen, hetzelfde te doen. Anders maakt u van uw God een fantasiewereld, waarvan u geen der bestanddelen meer in de werkelijkheid zult kunnen erkennen, of zelfs maar weergeven. M.a.w. met een dergelijke God kunt u zich, met behoud van het normale leven, niet meer identificeren, zodat u die God dan niet meer in feite kunt beleven en ondergaan. Iemand, die een fantasiewereld neemt, om God uit te drukken, maakt van hem in feite een uithangbord voor de leegte van zijn innerlijk besef. En dit moet u als het u belieft niet doen. Ik zeg niet, dat u het doet. Maar als u zo redeneert, bestaat het gevaar, dat u het eens zult doen, misschien reeds zeer snel, wel degelijk. God is het onnoembare. God omvat in ieder geval alle bekende waarden. Ruimte, tijd, leven en al wat u zich in de werkelijkheid nog kunt te binnen brengen of voorstellen, is deel van God. Wat Hij in zijn werkelijkheid daarbuiten nog meer zou kunnen bevatten of zijn, is ons niet gegeven om te omschrijven. Indien wij dit erkennen, is zelfs het totaal van alleen ruimte en tijd reeds voldoende, om een beeld van God te vormen. Verder hoeven wij dan niet te gaan. Dan reeds omvat God voor ons het geheel van het bekende en bij een beleving alleen daarvan ontvangt het ik reeds een zodanig besef, dat fixatie t.a.v. ruimte en tijd op zal treden, dat het verschijnsel leven niet meer op een menselijk redelijk kenbaar vlak op zal treden. En dat was, naar ik meen, het punt, waar het bij ons gesprek tot nu toe om ging.

Ik hoop dan ook, dat u mij nu niet alleen als een wat te spitsvondige debater zult zien. Het ging mij er werkelijk niet om u monddood te maken of te overwinnen. Wel wilde ik proberen in de grote onduidelijkheid van het speculatief metafysisch denken enigszins verhelderend te werken.

U hebt het onderwerp gekozen, ik de behandeling daarvan. U hebt de vragen gesteld. Ik heb getracht een antwoord te geven en daarbij mij te bepalen tot een zodanig definiëren van de inhoud van de vragen – en het onderwerp zelf – dat het antwoord een althans nog enigszins begrijpelijk geheel kon vormen. Bedenk daarbij, dat de mens, die zich beroept op toekomstige dromen of zelfs toekomstdromen, in het heden meestal zal falen. Waar ik meen, zal dit ook van kracht zijn t.a.v. ons zoeken naar God. Wanneer wij falen t.a.v. de God, die wij nog enigszins kunnen kennen en ons voorstellen, zo zullen wij nimmer kunnen slagen door ons te beroepen op het onbekende, wat mogelijk achter dit begrijpelijke beeld van God nog verder schuil kan gaan.

Esoterische beschouwingen.

Ons de deel van de bijeenkomst zullen wij, zoals gebruikelijk, ook vandaag maar weer besteden aan enkele esoterische beschouwingen, ofschoon u, naar ik heb vernomen, in het eerste deel van de avond ook al met een dergelijke materie werd geconfronteerd. Mijn collega vertelde mij, dat u zich daarbij onder meer hebt beziggehouden met het probleem God. Want God is een probleem. Dat probleem kunnen wij natuurlijk niet oplossen. Maar wel kunnen wij trachten binnen het kader van de innerlijke bewustwording het begrip God, zoals wij dit innerlijk plegen te benaderen, wat beter te omschrijven. Ik hoop, dat u daartegen geen overwegende bezwaren koesteren zult.

Het is natuurlijk al heel gemakkelijk om God een bepaalde functie of gestalte aan te meten, maar dan weten wij, dat wij de zaak te sterk en te zeer vanuit een persoonlijk standpunt vereenvoudigen. Wanneer wij de innerlijke weg gaan, wordt God een lange tijd dan ook voor ons eerder een vager dan een meer gedefinieerd begrip. Wat begrijpelijk zou moeten zijn. In het begin is God voor ons in feite niet veel meer dan een projectie van ons eigen wezen. In ons ik zijn vele eigenschappen, angsten, verlangens en complexen verborgen, waarmede wij geen raad weten. Wij voelen dit geheel dan als een persoonlijk onvermogen en menen, dat ergens in het Al een aanvulling van ons onvermogen zal moeten bestaan; natuurlijk gebruikt de gelovige deze termen niet. Maar in feite komt het erop neer dat iemands God steeds een kracht of persoon is, die iets kan en doet, wat men zelf niet kan of meent te kunnen.

Hij, die God, is het wezen, dat ons leven volledig moet maken. Indien wij de oude geschiedenis bezien, daarbij nadruk leggende op de godsvoorstellingen en esoterische leringen die ook in een verder verleden reeds bestonden, zo zien wij duidelijk, hoe de God in de eerste plaats een wreker en beschermer is, een kracht die ingrijpt, waar men zelf tekortschiet of zelf niet in kan grijpen, en hoe die God ook wetten voor anderen waar maakt en handhaaft, die men zelf niet voldoende dwingend op kon leggen. Daarbij gebruikt die God zeer wrede methoden en middelen, als een mens, die alle macht aan zich heeft getrokken en daardoor alle perspectieven van menselijkheid heeft verloren.

De mens, die het innerlijke pad gaat, zal echter zichzelf langzaamaan beter leren kennen en daardoor ook zijn innerlijke verdeeldheid beter beseffen. Je gaat aanvoelen, dat bepaalde dingen, die je eens hebt gezien als een deel van God, in feite behoren tot je eigen aansprakelijkheid, verantwoordelijkheid. Is er sprake van een begrip, waarin een absolute overgave aan de godheid (of het onbekende) een rol speelt, zo zal men tot de conclusie komen, dat men zelf bepaalde dingen doet en kan, die eens werden gezien als de goddelijke wil. Men beseft, dat men vele dingen vooral vanuit zichzelf doet, die men eens heeft beschouwd als de ons onontkoombaar opgelegde wil van een godheid. Je komt tot een zeker innerlijk weten, een wetenschap, die vooral het Ik duidelijker in ware gedaante doet erkennen. Ofschoon dit innerlijk weten nog steeds met geloof wordt aangevuld, wordt toch het weten zelf een basis, waardoor de onbekende god, waarin wij geloven, op redelijker en meer begrijpende wijze benaderd kan worden.

Een redelijke God kan echter geen echte God zijn. Dat is wel logisch, naar ik meen. Want een God, die redelijk is, moet binnen de perken van menselijke rede en redeneerkunst gevangen kunnen worden. Toch zullen wij ertoe komen, een dergelijk beeld van God in ons als juist te aanvaarden. Dit is dan ook langere tijd voor ons voldoende. In deze God vinden wij, wat wij waarheid noemen. Dat deze waarheid zeer eenzijdig is en zeer beperkt doet voorlopig voor ons weinig of niets ter zake. Het is immers een zekerheid, waarop wij verder kunnen gaan. Wat eens een aanvaarding is geweest, of misschien zelfs een angst, wordt zo langzaam maar zeker eerder tot een wijze van leven.

Als je de evolutie op het innerlijke pad nagaat, blijkt het oorspronkelijke geloof meer en meer te veranderen in een leefwijze, waardoor men voor zich alles waar gaat maken, wat men eens alleen aan God heeft toegeschreven. Pas wanneer dit in het ik resulteert in bereikingen, was er met de bereiking ook het besef van eigen onvermogen. Daarbij weet men niet goed meer, hoe dit in het ik erkende onvermogen nu moet worden aangevuld. De god, die eens een scherp gesneden gezicht had, wordt langzaam maar zeker een vage plek, iets van Licht, waarin geen bijzonder kentekenen meer op te merken zijn, een vaagheid, waaraan men alles en niets tegelijk toe zou willen schrijven. De relatie met God wordt er een van stemmingen en vaagheden.

Wanneer wij ver genoeg geestelijk evolueren, is God een geheel onpersoonlijke waarde geworden. Hij is misschien in onze omschrijving een kracht, een licht, een glans, een stem. Maar zijn wezen kan niet meer door ons in een voorstelling op de een of andere wijze worden vastgelegd. Wij staan dan aan de grens van het werkelijk onbekende. Alles vertekent zich voor ons. Soms hebben wij het gevoel, dat wij een microbe zijn, die in een menselijke kamer binnen gedrongen nu genoopt wordt de daar aanwezige gebruiksvoorwerpen te erkennen voor wat zij zijn, en bovendien nog te omschrijven, om zich zo een beeld te maken van de mens, die zo even misschien nog zijn wereld, milieu en leven betekende. De krachten, die wij ontmoeten, zijn allen voor ons enorm. Aan de andere kant ontdekken wij werkingen, die zo uitermate fijn zijn, dat wij ook deze niet meer geheel kunnen definiëren, dat wij ook hier de werkingen en mogelijkheden niet meer op voor onszelf aanvaardbare wijze kunnen vastleggen.

Wij zweven tussen de wereld van het al te grote en de werelden van het al te kleine. Dit is een punt, dat in de innerlijke ontwikkeling de meest kritieke momenten pleegt te brengen. Want op het ogenblik dat je geen houvast meer hebt, begin je meestal aan jezelf te twijfelen. Door deze twijfel aan het Ik beroep je je dan al te vaak alleen nog maar op uiterlijke waarden en kom je er toe alles te verwerpen, wat je innerlijk reeds ontdekt hebt, omdat het te vaag is, omdat je er eenvoudig geen raad meer mee weet. Maar kun je het volhouden ook verder innerlijk te streven, dan groeit uit de vaagheid iets, wat ik omschrijven kan als een soort gevoel van verwantschap.

Je gaat jezelf erkennen als de een of andere functie van god. Je gaat een relatie beseffen tussen deze vaagheid, die je boven je meent te zien en al hetgeen je, zeer definieerbaar, zelf bent, denkt en doet. Vanaf dit moment heb je een werkelijk godsgeloof gevonden.

Voordien is God en geloof in feite niet veel meer geweest dan een verhaaltje, dat je jezelf steeds weer verteld hebt. Nu is echter God een zekerheid geworden. Hij is een functie van je eigen wezen en toch gelijktijdig het grote onbekende, waartegen je nog steeds opziet, zonder het te kunnen omschrijven of zelfs begrijpen. Naarmate wij nu meer waar gaan maken, wat wij in onszelf erkennen als deel van die godheid, maken wij onszelf ook meer tot beeld van onze God.

Misschien speelt hier een aapachtige eigenschap een rol, daar wij kennelijk hetgeen wij bewonderen en aanbidden, zoveel mogelijk willen nabootsen. Maar het betekent een actie, die ook ons begrip en onze waarnemingen ten goede komt, zodat wij onszelf meer en meer vervormen, tot wij het gevoel hebben één te zijn met de God, die wij, in alle vaagheid nog steeds, boven ons vermoeden. Hiermede aanvaardt de mens echter ook voor het eerst, en dit is zeer belangrijk in de ontwikkeling, voor zich het bezit van krachten, machten en mogelijkheden, die hij tot op dat ogenblik heeft toegeschreven aan bovennatuurlijke machten, aan God, of middelaars tussen mens en God.

De waarneming wordt hierdoor, zoals ik reeds opmerkte, ook anders gericht. Men gaat weer het Al rond zich beter zien en beseffen en komt meestal tot een voorstelling van een heelal, dat op hiërarchieke wijze is opgebouwd. Wij weten dan wel, dat deze opbouw van het Al, waarmede wij werken, eerder symbolisch dan werkelijk is. Maar wij hebben die indeling nodig. Wij bouwen uit de verschillende fasen van schepping en werking, die wij erkend hebben – ook in onszelf – een soort ladder, een trap, die wij op willen klimmen. Wij proberen dan steeds fase na fase het erkende in het Al rond ons ook in onszelf waar te maken. Ik geloof niet, dat degene, die daarmede bezig is en dit als een inwijding beschouwt, zich op dat ogenblik reeds realiseert, wat hij eigenlijk doet. Hij probeert de vage en tot nu toe door hem als een werking van God in hem omschreven factoren van bestaan te concretiseren en tot een beheersbaar deel van zichzelf te maken. Zo komt men langzaam maar zeker aan de ene kant tot het hanteren van enorme krachten en de ontwikkeling van zeer grote vermogens, – ook een vermogen om sneller en meer feiten te erkennen en gegevens te absorberen en te verwerken dan een normaal mens voor denkbaar houdt – terwijl anderzijds hem blijkt, dat God nog veel vager is geworden.

De God, die je dan meent te erkennen, is niet eens meer een Licht. Hij is een soort ijle nevel, die overal rond je is en soms wel gestalte schijnt aan te willen nemen, zonder dat je daarin nu werkelijke vormen kunt erkennen of iets van het wezen vast kunt leggen. Het bereiken van dit punt is in feite het ogenblik van de grote inwijding. Nu ga je ontdekken, dat in jezelf en ook in de dingen rond je, bepaalde frequenties optreden. In het gebeuren rond je erken je de invloed van zich in bepaalde ritmen herhalende prikkels. Je erkent ook in de eens vereerde machten en krachten rond het ik en zich steeds weer herhalen van werking en invloed. Zo komt men er toe God niet langer meer te zien of te omschrijven als de nevel zelf, lichtende nevel desnoods, die rond ons is, maar eerder als een beweging, een actie.

Al wat wij rond ons zien en erkennen, beschouwen wij nu niet meer als God, maar als Schepping.

Juist door het erkennen van de vaagheden rond ons als werkelijk deel der schepping rijst dan ook de vraag, of wij zelf eigenlijk niet slechts een tijdelijke vorm in de nevel zijn, zoals de gestalten die wij soms voor een ogenblik rond ons menen te erkennen.

Daar ligt dan weer een kritiek punt. Wij weten nu: Ik ben wel iets, maar de meningen, die ik over mijzelf koesterde en de grenzen, die ik daarmede steeds nog voor mijzelf heb gesteld, zijn alleen illusies. Voor het eerst treedt de ingewijde een wereld binnen, waarin maya niet meer gehanteerd kan worden als een wereld of wereldbegrenzing. Zij is eerder de in hemzelf liggende onnauwkeurigheid geworden, die ten alle tijde voor correctie vatbaar is. Op dit ogenblik krijgt men het gevoel, of men buiten het werkelijke Gods rijk staat, maar gelijktijdig voor zich en in zich een imitatie daarvan is.

De mens wenst niet een imitatie, een weerspiegeling van God te zijn. Hij wenst ook niet meer, zoals in vroegere fasen vaak onuitgesproken toch wel het geval was, God zelf te zijn. Hij wenst nu intens, bewust, een deel te zijn van God. Naar men mij zegt – want ik moet helaas toegeven, dat ik vanaf dit punt niet meer uit eigen ervaringen kan spreken – maak je op een gepaald ogenblik een soort sprong. Er is geen sprake van verandering of verplaatsing, maar dat wat eens alleen maar de beweging, het effect van het onbekende in de schepping is geworden, wordt nu opeens de erkende levenskracht in jezelf.

Misschien kun je het zo zeggen: God is een ritme, dat in al het kenbare en zichtbare doorklinkt.

Voor het eerst besef je, dat het dit ritme is, dat je doet leven, dat je beheerst en niets anders.

Daarmee ontstaat een soort overgang, waarbij de zelfstandige actie niet meer als noodzakelijk wordt ervaren. Nu geldt: God beweegt mij en alles rond mij. Wat ik ook doe, aan de werkelijkheid Gods kan ik niets veranderen.

Nu blijkt, dat hierdoor toch iets voor het ik ontbreekt. Want er is – in deze toestand nog wel – een zelfs intens beleefd contact met God, maar het contact met het toch ook nog erkende andere, bestaat niet meer. Het ik zal op de duur gaan trachten dit andere vanuit zichzelf te benaderen, daarbij in wezen ingaande tegen de ontdekking van de Goddelijke kracht, die alle dingen en regels beheerst volgens de nog steeds in het ik geldende visie. Het ik gaat zijn grenzen, waarvan het reeds weet, dat deze in wezen denkbeeldig zijn, verlaten, door een relatie te scheppen met het andere. En o wonder, nu blijkt, dat dit alles niet tegen het goddelijke ingaat.

De eigen actie wordt deel van het andere, het ik treed, voor zich en in het andere, nu bewust op als functie van de goddelijke kracht.

Op het ogenblik dat dit plaats vindt, schijnt – helaas, ik kan het weer niet met zekerheid zeggen – dit functioneren als deel van een goddelijke werkelijkheid het ik te maken tot iets, wat die werkelijkheid als geheel beseft. Het is, zo zei men mij, of je steeds weer wordt teruggetrokken tot een onomschrijfbaar iets, een soort vortex, waardoor je wordt ingezogen tot het bestaat in de uiterste concentratie van kracht, die zich handhaaft rond een soort niets, dat denkt. Van daaruit word je dan weer naar buiten gestuwd om de erkenning te openbaren, de kracht uit te drukken, zelfstandig voor een ogenblik een deel van het goddelijke te spiegelen in alle werelden van waar die denkbaar zijn, om dan weer, gedragen door dezelfde onweerstaanbare krachten, tot de kern van de vortex terug te keren.

Hoe het verder gaat, weet ik niet. Er zal wel meer zijn. Maar datgene, wat ons bereikt heeft uit hoogste bronnen, zegt, dat het “ultima thule”, de hoogste bereiking, niet denkbaar is. Het hoogste, wat nog enigszins, zij het onduidelijk, vatbaar is voor ons, is het steeds weer terugkeren tot een kern van de uiterste kracht om dan van daaruit te gaan als manifestatie van de denkende macht, die de kracht rond zich in stand houdt.

Is dit laatste reeds de werkelijke God? Ik weet het niet. Ik geloof dan ook niet, dat het zo gemakkelijk zal zijn hier een definitief antwoord te vinden of te geven. Misschien is deze gehele vortex alleen maar een sport naar nog andere werelden, een doorgang naar een weer geheel nieuw en onvatbaar bestaan. Maar hetgeen ik u gaf, is in ieder geval de essentie van hetgeen langs het innerlijk pad bereikt kan worden. Het is mij niet bekend, dat men vanuit menselijke dromen of lagere sferen ooit hoger is door gedrongen dan het door mij omschreven verliezen van eigen grenzen. Daarom acht ik dit beeld voor een mens, een geest, volledig en bevredigend genoeg, al blijven er ook steeds weer vragen open en kan men niet zeggen: dit is zeker en zonder twijfel het einde van de weg.

Ik bepaal mij er dan ook toe te zeggen: langs het innerlijke pad is dit alles voor de mens en de meeste geesten de werkelijke bereiking van het doel, van God. Dit is het ondergaan van een werkelijkheid, die het Ik uit zijn isolement verlost, het ego opneemt in de totaliteit, zonder dat het daarom als ik-heid ook maar voor een ogenblik minder bestaat en waar is. Dit is filosofisch en ook esoterisch, daar het geheel is gebaseerd op de processen, die zich in de innerlijke mens kunnen afspelen en ook in de geest voortgang vinden.

Het geheel toont ons hetzelfde defect, dat elke esoterische beschouwing ergens heeft. Wat ik beschrijf, is een reeks erkenningen, waarmede ik mijzelf één kan gevoelen, iets wat voor mij ten dele geldt en voor het verdere als ontwikkeling haast logisch aanvaardbaar is. Maar wie zegt mij, dat het voor ieder ander precies net zo is? Daarom meen ik te mogen eindigen met de constatering, dat de weg naar God, ook de innerlijke, steeds weer een zuiver persoonlijke is.

Het wegvallen van persoonlijke grenzen zal, volgens mij, nog niet hoeven te betekenen, dat het besef van een Ik nu geheel gelijk is aan het besef, zoals dit bestaat in gelijkwaardige anderen.

Zoals, naar ik meen, nog niemand heeft kunnen stellen, dat de belevingswaarden van dit alles voor eenieder dezelfde zullen zijn. Je kunt alleen maar zeggen: “Zo is het ook!” En ik meen, dat ik hiermede mijn korte esoterische voordracht wel mag besluiten.

Tot slot wil ik u,  nog een korte spreuk ter overweging meegeven, voor wij onze bijeenkomst besluiten.

“Hij, die te veel naar de einder kijkt, struikelt over de steen voor zijn voeten en kan niet verder gaan. De einder zal steeds blijven wijken. Maar als je op je weg let, kom je zekerlijk verder.”

image_pdf