De praktijk van het occultisme

image_pdf

7 maart 1958

Allereerst moet ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Dit gelieve u wel in gedachten te houden. Na de pauze kunnen vragen worden gesteld. Ik zou gaarne willen  spreken over: De praktijk in het occultisme.
De titel klinkt ongetwijfeld veelbelovend, maar degenen die denken dat zij na een enkele les in staat zijn om de hand te schudden van eventueel spokende jonkvrouwen, moet ik – helaas – teleurstellen. Het is niet mogelijk om een geestelijk contact, of zelfs de occulte of duistere wetenschap in één of zelfs tien lessen – schriftelijk of mondeling – aan anderen mede te delen.

Bij het occultisme valt ons allereerst op dat wij werken met premissen, die niet algemeen gangbaar zijn in de wereld. Daartegen bestaat op zichzelf geen bezwaar, tenzij bij de nuchterlingen die aannemen dat occulte verschijnselen niet worden veroorzaakt door de geest, maar door een overvloedige hoeveelheid geestrijk vocht.

Occulte verschijnselen kunnen worden gesplitst in: het kennen van geestelijke invloeden, het ervaren van geestelijke invloeden en het beheersen van geestelijke invloeden.
Het kennen van geestelijke invloeden is de gemakkelijkst bereikbare trap en over het algemeen dan ook de methode voor eenieder die praktisch met het occultisme wil werken om te beginnen.

Wij zijn – onverschillig of wij stofmens of geest zijn – zeer gevoelig voor al datgene wat zich in onze omgeving afspeelt. Deze gevoeligheid kan lichamelijk worden vereenvoudigd, wanneer wij wijzen op de gevoeligheid van bv. eksterogen voor weersomstandigheden. Het een en ander soms ten nadele van de Bilt. Wanneer een dergelijke gevoeligheid dus klaarblijkelijk – dankzij een geringe lichamelijke afwijking – u in staat stelt dingen te voorvoelen, veranderingen die normaal
niet merkbaar zijn, ze lichamelijk te ervaren, dan zal de logica hieruit de conclusie trekken, dat ook zonder eksterogen een aanvoelen van die omstandigheden mogelijk gemaakt moet kunnen worden. Uit dit simpele voorbeeld kunnen wij dan overstappen op de meer occulte werkelijkheid.
Onverschillig of u een occulte scholing hebt doorgemaakt, dan wel eerst aarzelend begint het pad van de duistere geheimen te betreden, zult u te allen tijde aan invloeden onderhevig zijn, die vergelijkbaar zijn met bv. humiditeit in de lucht. Deze invloeden bestaan. U reageert daar ook op. De ervaring heeft de mens op de duur geleerd dat zijn knobbelige voetsiersels gevoelig zijn voor verandering van het weer. Helaas heeft de mens nog niet geleerd dat zijn stemmingen, zijn gedachten en wat nog meer, zij gevoelig zijn voor geestelijke veranderingen bv. in de omgeving.
Wij kunnen echter – wanneer wij opletten op het voorkomen van deze veranderingen – voor onszelf constateren, dat in de eerste plaats werkelijke gebeurtenissen – merkbaar ook voor ons – hun schaduw vooruitwerpen.

In de tweede plaats dat ook – soms onredelijk – gebeurtenissen kunnen worden aangevoeld, gebeurtenissen die pas veel later redelijk bevestigbaar zijn. In de derde plaats dat wij – dankzij dit contact – in staat zijn ons eigen denken en handelen te voeren tot een grotere actualiteit.

Dit contact uit te buiten is dan ook wel het eerste punt, dat ik hedenavond nader wil belichten.
Gesteld, dat wij allen meer of minder gevoelig zijn voor invloeden van buitenaf, ook wanneer zij behoren tot niet zuiver stoffelijke, of niet stoffelijk waarneembare terreinen, brengt met zich mee: wij kunnen, indien wij onszelf observeren, veel leren omtrent ons eigen leven, daarnaast echter omtrent de ongeziene factoren die in dat leven invloed hebben. Wij kunnen door het erkennen van de optredende invloeden, vaak maatregelen nemen om te voorkomen, dat de verschijnselen die zich zo aankondigen ook een stoffelijke werkelijkheid worden. Wij kunnen voorvoelende een bepaalde mogelijkheid tot ontwikkeling, door onze eigen instelling en poging, trachten de verwerkelijking te bespoedigen en zo voor ons een wensbaar resultaat in korte tijd te bereiken.

Dit klinkt misschien een klein beetje vaag en algemeen, daarom geef ik enkele praktische voorbeelden. U komt tot de conclusie dat u bepaalde pieken van activiteit vertoont. Dit is voor elke mens waar. Deze pieken kunnen worden gesteld op bepaalde uren van de dag, zodat hier
zich een ongeveer 24-uur cyclus afspeelt. Wij weten dat een 3 à 4 weken omvattende – soms ook 3 decaden omvattende – cyclus de mens beheerst, waarin veelal 1 à 2 toppen van activiteit en enkele dieptepunten voorkomen. Het weten daarover vereenvoudigt reeds ons actief streven. Wij zullen immers onze gedachten, onze overwegingen laten vallen in de dieptepunten; onze verwerkelijking daarentegen vooral trachten door te zetten op de ogenblikken dat onze energie een hoogtepunt heeft bereikt.
Wanneer wij nu gaan onderzoeken hoe de beïnvloeding van
buitenaf verloopt, blijkt ons, dat wij juist tijdens deze dieptepunten zeer sterk ontvankelijk zijn voor invloeden van geestelijke, althans niet zichtbare werelden. Wij zullen dus juist in deze periode van leegte, deze periode van energieloosheid, ons sterker moeten instellen op een waarnemen van deze verschijnselen. Nemen wij deze verschijnselen bewust waar, dan blijkt veelal dat er geen sprake is van een absoluut dieptepunt van energie, maar slechts van een wisseling tussen stoffelijke en geestelijke energie of levenskracht. Het stoffelijk dieptepunt gaat voor degene, die daar gebruik van weet te maken, gepaard met een geestelijk hoogtepunt.

Door het verwerken van indrukken, het trachten oplossingen van problemen te krijgen en wat nog meer weze tijdens deze dieptepunten – door zich zo veel mogelijk te ontspannen en zich daarbij niet te laten pressen door stoffelijke behoeften, tenzij dit werkelijk noodzakelijk is – komt men tot een absoluut erkennen van deze invloeden en een activeren daarvan. Wij kunnen nu een geestelijk tegengewicht scheppen dat in staat is stoffelijke verslapping aanmerkelijk op te heffen, gelijktijdig ons echter ook de mogelijkheid geeft te komen tot een wel overlegd, daadwerkelijk en stoffelijk handelen, gebaseerd op occulte, dus niet op de wereld erkende achtergronden, zonder dat dit de buitenwacht hoeft op te vallen.

De buitenwereld heeft nl. de gewoonte om dergelijke sensitiviteiten met een enigszins wantrouwend oog te bezien. Wanneer je een ogenblik jezelf zou willen verzinken om een geestelijke boodschap in een minder gelovige omgeving te aanvaarden, dan kunt u rekenen op blikken, die variëren tussen de uitdrukking: “dit is een stinkei” en “dit is een geval voor het gekkenhuis”. Dergelijke uitdrukkingen kunnen een grote belemmering zijn. Wij zijn geneigd om te bewijzen dat wij dan toch zeker mentaal volkomen gezond zijn en verwaarlozen daarbij de occulte inslag, die ons streven anders zozeer in de goede richting had kunnen leiden.
Wij proberen dus wel om elk occult beleven zoveel mogelijk in onszelf te doen plaatsvinden, zonder dat wij daarop de nadruk leggen ten overstaan van de buitenwereld. Ons aanvoelen wordt echter scherper, want een voortdurende training, waarbij de kleine afwijkingen die worden waargenomen, resulteert in een gevoeligheid voor de omgeving, aanvoelen van personen en voorwerpen, maar ook een aanvoelen van ontwikkelingen die thans nog niet gerealiseerd zijn. Occult gevoelig zijn impliceert de mogelijkheid in jou te dragen, een ander altijd een paar slagen voor te blijven, omdat de komende ontwikkelingsmogelijkheden reeds heden volledig in jezelf realiseerbaar zijn.

Een uitzondering zou ik willen maken. Het is veelal niet mogelijk om vooraf vast te stellen welk nummer bv. de 100.000 wint, om de eenvoudige reden dat de begeerte hier een aantal nummers doet zien, die meestal dan niet eens verkrijgbaar zijn en slechts achteraf u de teleurstelling bezorgt dat u het goede nummer toch ook geweten hebt.

Van dergelijke punten, met zuiver speculatief karakter, doen wij bij voorkeur wel afstand.
Daarentegen zullen wij elke geregelde, regelmatige en altruïstische bezigheid voor eenieder trachten te koppelen met deze sensitiviteit.
Wij kunnen daardoor komen tot o.a.: het erkennen van ziekten waaruit op de duur de mogelijkheid tot diagnosestelling kan ontstaan; het erkennen van geestelijke problemen en het stellen van hun werkelijke oorzaak, ongeacht de verklaring of terughoudendheid van degene die dat probleem bezit; een vooruitzien van onze persoonlijke mogelijkheden, zodat het ons mogelijk is onze eigen werkzaamheden in te delen in overeenstemming met deze mogelijkheden.
Gevoeligheid voor de geest behoort zeer zeker ook reeds onder dit hoofd thuis. Maar de geest maakt zich niet uitdrukkelijk kenbaar. Hij spreekt niet, hij laat zich niet zien, hij is slechts een impuls die in onze eigen gedachten moet worden uitgedrukt, waarvan de oorsprong altijd enigszins vaag blijft. Je zou dus kunnen spreken van een geestelijke mededeling die een schuine balk in het schild voert. De resultaten hiervan zijn over het algemeen gunstig indien wij – ongeacht de in ons opkomende impulsen – daarnaast het gezonde verstand steeds laten werken.

Bij werken van dit gezonde verstand dient men natuurlijk wel rekening te houden met het feit dat niet de mening van buren, familieleden, etc. beslissend is, doch slechts de logische ontwikkeling van de gedachte, zoals dit binnen uzelf mogelijk blijft. Hebben wij deze gevoeligheid ontwikkeld en leren wij er op de juiste wijze gebruik van te maken, dan ontwaakt in ons de begeerte om verder door te dringen in het occulte gebied. Zo zal ongetwijfeld een dergelijke ontwikkeling gepaard gaan met het verslinden van lectuur, die soms juist, soms ook iets vaag en duister is. Men leest naast elkaar heel rustig Rulof en Eliphas Lévi en ziet er helemaal niet tegen op om dit nog aan te vullen met andere meer of minder bekende occultisten.
Hierdoor ontstaat een verwarring die dán eerst werkelijk schadelijk is, wanneer men tracht meerdere richtingen tegelijk uit te gaan. Ik herinner mij dat ik dit op aarde eens heb geprobeerd. Ik wilde gelijktijdig naar buiten en naar binnen gaan, draaide om mijn as en beschadigde mijn zitvlak zodanig dat ik – wat voor een mens onwaardig lijkt – met een gebroken staartbeen enige tijd het bed moest houden. Dergelijke pijnlijke dingen kunnen u ook geestelijk overkomen wanneer u tracht veel dingen tegelijk te doen. Te zorgen dat je weet waar je aan toe bent lijkt weliswaar niet mogelijk, maar hetgeen niet beslist is, kan men rustig terzijde leggen om zich – zo zich de gelegenheid voordoet – daaraan te refereren.

Deze fase van leren brengt ook met zich het zoeken naar de praktijk mee. Menigeen houdt zich dan gelijktijdig bezig met kruidenthee, ademhalingsoefeningen, concentratie- en meditatieoefeningen. De combinatie lijkt wat vreemd maar komt meer voor dan men denkt. Ook hierbij is de poging om alles tegelijk te doen vaak een schadelijk element dat een verder doordringen in het occulte leven onmogelijk maakt. Doch indien wij één richting volgen tot zij ons niet meer bevredigt en eerst daarna de volgende richting nemen, dan groeit in ons, buiten de gevoeligheid, het idee dat wij kunnen zien of horen.
In het begin is dit een soort fluistering die zich binnen in het hoofd afspeelt. Het zien is een vage schim die wegflitst op het ogenblik dat je probeert er werkelijk naar te kijken. Dit zijn de symptomen van een occulte beleving, een benadering dus van occulte, dus ongeziene gebieden.
U zult er nooit aan denken om bv. uw leven te wagen op grond van enkele niet verstane woorden, zo min als u een oordeel zult geven over een schilderstuk, wanneer u er zodanig voorbij flitst, dat u de vraag blijft of het een van Eyck of Mondriaan is. Ook hier blijven wij weer redelijk en logisch en trachten toch deze boodschappen te begrijpen en te verstaan. Wij leren dan op de duur niet meer lichamelijk, doch geestelijk op deze impulsen te reageren, waardoor de volgende fase van het occulte beleven mogelijk wordt, nl. het kennen van geesten in zichtbare en eventueel ook in hoorbare vorm.
Heeft men dit gevonden, dan is de volgende stap over het algemeen het kennen en beleven van niet geesten in de zin van overgegane mensen. Wij maken kennis met schillen, evenzeer als met demonen, natuur- en lichtgeesten. Onze poging om, ondanks dit ervaren, redelijk te blijven, elimineert het gevaar dat wij zozeer in de geest opgaan, dat wij stoffelijk in zeven sloten tegelijk lopen. Het gevaar blijft natuurlijk aanwezig dat je niet uitkijkt bij ontmoetingen als bv. met demonen. Dan zou je wel eens in één sloot kunnen lopen en mogelijkerwijze te lang onder water blijven. Bezetenheid kan er uit voort vloeien. Wie zich echter niet te zeer door deze impulsen laat beheersen, kan wel met grote zekerheid zeggen, dat hij inzicht krijgt in een tweede wereld. De beheersbaarheid ervan wordt eerst geopenbaard wanneer wij aan de hand van het ervarene, de natuurkrachten en natuurwetten – zoals de mens die kent – hernieuwd beschouwen. Het blijkt, dat zij een nieuwe inhoud krijgen. Een dergelijke fase gaat ook heel vaak gepaard met zekere laboratoriumexperimenten op veelal chemisch gebied. Daarnaast het lezen van vakliteratuur, belangstelling voor alle stellingen, voor Einstein tot de United Field theorie (alles als deel van het geheel; Red.) toe.
De visie die wij krijgen op het natuurkundige geheel – waarin de mens leeft – plus onze kennis van het geestelijk terrein, maakt het ons mogelijk bepaalde voor de stof geldende wetten in de geest als evenzeer geldend te ervaren. Nu kunnen wij die wetten gaan toepassen, onze handelingen baserend op die wetten, trachten resultaten te krijgen. Gelukt dit binnen de geestelijke wereld, dan blijkt ons dat wij ons een beïnvloedingsmogelijkheid hebben geschapen voor de stoffelijke wereld. De beïnvloedingsmogelijkheid kan op veel wijzen worden gebruikt, maar wanneer ze goed gebruikt wordt – dus onzelfzuchtig – betekent zij een uitbreiding van bewustzijn in het geestelijke, waardoor de term ‘occult’ niet meer geldt. Er is dan geen sprake meer van verborgen of duister, maar van Lichtend en Alomvattend Weten, dat op de duur de persoonlijkheid zelf het ‘ik’ verheft boven stoffelijke noden en behoeften en het zo nodig daarvan onafhankelijk maakt.

De occultist zal in deze derde fase vaak geneigd zijn om gebruik te maken van stoffelijke symbolen, terwijl hij tevens tracht chemische reacties, elektrische verschijnselen, werking van prikkel- en geurstoffen te gebruiken om zo zijn doel beter te benaderen. Symboliek is hem al evenzeer dierbaar. Hij gebruikt symbolen die bv. de loop van Krachten aangeven. Denk aan de oude swastika, die helaas, in ietwat gewijzigde vorm zeer impopulair geworden is in de laatste tijd. Daarnaast zien wij ook andere symbolen als het ankhkruis, de driehoek en de cirkel, kortom, elke symboliek die bruikbaar is om het Eeuwige uit te beelden binnen de beperking van een stofwereld. De magiër leert op de duur, dat een dergelijk symbool op aarde gelijktijdig de vertegenwoordiging kan zijn van invloeden die elders reëel bestaan. Hij voelt aan, leert op de duur ook voor zichzelf te herkennen, dat de symboliek niet alleen meer is het scheppen van een symbool dat elders leeft, maar wel een verbinding is met dat, wat elders leeft. Hiermede is dan voor hem de occulte beheersing volledig geboren.

Alle occultisme echter begint met een studie van het ‘ik’, een poging om dat ‘ik’ te kennen in zijn uitingen van energie, zijn dieptepunten van energie, zover het het stoffelijke betreft en zijn gelijktijdig trachten om als tegenwaarde de grotere Geestelijke Impulsen ook voor zichzelf reëel te ervaren. Het gezegde – dat in occulte kringen sterkt op de voorgrond treedt – namelijk dat beproeving en offer de noodzaken van de bereiking zijn, zal hierdoor duidelijk worden. Het offer, de negatieve toestand van de stoffelijke wereld, betekent gelijktijdig vaak een zeer sterke en actuele impuls op geestelijk terrein. Het gebruik daarvan is praktisch de grote mogelijkheid, de ware inwijding, binnen de begrenzing van het occultisme.

Ik hoop, vrienden, dat ik u met mijn betoog niet te lang verveeld heb. Wanneer ondanks uw klein aantal en mijn niet zeer grote bespraaktheid iemand toch nog vraagwaardige punten ontdekt heeft, of belangrijker nog misschien, punten waaromtrent hij meer wil weten, zal het mij natuurlijk een eer en genoegen zijn om u te woord te staan.

  • U spreekt van occulte hoogte- en dieptepunten. Heeft dit iets te maken met een planeet, die in je teken retrograde gaat?

Dit is tamelijk ver van elkaar af. Ik heb gesproken over een gasfornuis en u betrekt de zonnekracht daarin. Maar simpel gezegd kan men het als volgt uitdrukken: In het leven van de mens zijn grondtendensen die door sterren en vooral planeten worden uitgedrukt. Deze uitdrukking is er niet een van geestelijk vermogen of geestelijke kracht, maar wel van stoffelijke mogelijkheid en impuls en beperking. Het feit, dat de mens zich daaraan veelal sterk hecht – daarvoor zeer gevoelig is – brengt met zich mee een ongunstig worden van eigen positie, brengt dan ook vaak met zich mee dat men minder moed heeft om het occulte te aanvaarden en dat daarbij juist de verbinding met het occulte minder sterk wordt.

  • U heeft gesproken over drie fasen. Kennen, ervaren, beheersing. U hebt niet gezegd: u gaat over tot het ervaren en het beheersen. Dat lees ik wel.

Ja, dat heb ik gedaan.

  • Bij de behandeling hebt u deze niet meer afzonderlijk genoemd, maar toch hebt u het eerder wel gedaan, als ik mij niet vergis.

Ik ben misschien, wat dit betreft betrekkelijk modern en neem een zekere volwassenheid aan, zodat ik, wanneer ik zeg: trek je jas aan en ga naar buiten, ik wel eens vergeet te zeggen: “Linkerhandje in linkermouwtje, rechterhandje in rechtermouwtje, de knoopjes dicht en het kraagje opgezet”, dus ik geef onmiddellijk toe, dat ik een directe scheiding van deze samenhangende, in elkaar vloeiende functies niet heb aangeduid, maar wel heb geïmpliceerd door de gegeven volgorde binnen mijn betoog.

  • Is uw betoog, zoals u die zo even hebt gegeven in één leven te volbrengen?

Zij zijn onder alle omstandigheden binnen één leven te verwerkelijken op aarde en van het begin van de ontwikkeling tot de beheersing kan zij in gunstige omstandigheden volbracht worden in 7 tot 14 jaren. Een absolute verwerving van de beheersing zelf vraagt echter 3 x 9, dus 27 jaren Dit zijn geen symbolische, maar feitelijke en reële getallen. Hieruit blijkt dat iemand die in zijn leven betrekkelijk vroeg belangstelling heeft voor het occultisme, veelal althans, een behoorlijke graad van beheersing kan bereiken vóór hij/zij de aarde verlaat.

  • Het ankhteken maakt contact mogelijk met wezens van andere werelden. Hoe moet ik dat vertalen?

Het ankhteken is de sleutel van de oneindigheid. Het ankhteken is dus het brandpunt voor eigen belangstelling en de weergave van eigen wezen. Daardoor kan dit symbool gebruikt worden voor projectie in elke geestelijke of stoffelijke wereld waarin het eigen bewustzijn zich bewegen kan. Er kan door meditatie en contemplatie op het ankhteken bovendien een verwijdering van het ‘ik’ uit de tijdsomstandigheden verkregen worden, waarbij de dood als toestand imaginair wordt en een continuïteit van leven wordt verworven die ook op aarde desnoods kan worden uitgedrukt, ofschoon er zeer weinigen zijn die dat op prijs stellen.
Ik had een oom die behoorlijk oud was geworden. Toen hij 87 was, werd het tijd dat hij “tot zijn vaderen werd vergaderd”. Aangezien sommigen onder ons erfgenaam waren, hadden wij daartegen geen overwegend bezwaar. Deze oom had als occultist een voldoende kennis kunnen verwerven om eenvoudig de levensenergie, die het lichaam zelf niet produceerde, te vervangen door andere energie en daarmede zijn leven onbeperkt te kunnen continueren. Hoewel dit voor de wereld en ook voor oom zeer prettig geweest zou zijn, ben ik er echter van overtuigd, dat zijn erfgenamen dankbaar waren voor het feit dat hij dit niet had ontdekt.

Enkele esoterische punten

Een klein ogenblik zou ik gaarne willen wijden aan de esoterie. Wij zijn hier maar met een klein gezelschap en zouden misschien punten kunnen overwegen die wat abstract zijn in stoffelijke zin, maar die ons toch beter leren leven.
Wanneer je leeft, dan heb je soms die vreemde honger naar iets beters, naar iets mooiers. Het lijkt je of de hele wereld lelijk is en slechts in enkele ogenblikken dat je boven jezelf kunt uitstijgen, krijg je het idee dat je nog maar een paar passen hebt te doen om in een of andere bloementuin van paradijselijke heerlijkheden binnen te gaan. Die droom is eigenlijk ten dele werkelijk; natuurlijk, het gebeurt u nooit. U denkt dat u in een sprookjeswereld binnenstapt, maar het gebeurt niet. U leeft immers aan de buitenkant.
Er bestaat een heel oude legende die vertelt, dat toen Adam en Eva eenmaal uit het paradijs waren gevlucht, God in Zijn goedheid besloot om dat paradijs in hun harten te stellen, zodat elke mens toch het paradijs met zich zou dragen. De mensen die dat niet wisten, keken vol nijd naar de Engel met het vlammende zwaard en meenden dat God wreed was. Deze mensen zochten alle dingen, behalve: de Waarheid die in hun hart lag. Het verhaal gaat nog veel en veel verder, maar dit is het punt waar het mij om gaat.
Een mens draagt het paradijs van binnen. Wanneer de wereld zo somber lijkt, komt dat heel vaak omdat je die Lichtende Wereld in jezelf aanvoelt. Je vergelijkt, zonder te weten waarmee. Wanneer je zo nu en dan denkt dat de wereld wel ineens zou moeten veranderen, ben je alleen maar heel dicht gekomen bij de scheiding die ligt tussen het paradijs – dat in jezelf leeft – en de gedachte- en buitenwereld waaraan je gebonden bent.
Het is natuurlijk dwaasheid om te zeggen, dat wij dan allemaal maar in dat paradijs moeten leven. Dat heeft weinig zin. Misschien kunnen wij het ietwat anders stellen: wanneer vinden wij dat wonderlijke gevoel dat het wonder, dat deze volmaakte wereld nabij is, het sterkst? Op ogenblikken wanneer wij blij zijn. Op ogenblikken dat wij leven vol van intense verwachting, op ogenblikken dat wij van binnen tevreden zijn. Wanneer die blijheid en tevredenheid nu eens niet teniet zou worden gedaan door onze al te grote stoffelijke bemoeiingen, dan denk ik zo, dat op een gegeven ogenblik die scheidingsmuur wel vanzelf weg zou vallen.
Het is noodzakelijk om blij te zijn in deze wereld om voortdurend weer het goede, ja, de voleinding a.h.w. van je streven te verwachten. Ik weet wel dat het heel moeilijk valt, als je net met natte voeten door de sneeuw hebt lopen baggeren, dan denk je heel vaak meer aan je koude tenen dan aan de mogelijkheid dat er een wonder gebeurt. Toch is dit geloof aan het wonder, deze verwachting, eigenlijk een noodzaak voor eenieder die de innerlijke vrede wil leren kennen, zonder daarbij verward te raken in allerlei systemen. Het grote gevaar is, dat wij een systeem gaan opbouwen dat op de duur als een soort doolhof staat tussen ons en ons werkelijke ‘ik’. Je kunt het best jezelf natuurlijk uitdrukken, jezelf zijn, zoals je zelf bent.
Niet zonder beperkingen, want die horen ook bij je persoonlijkheid. Jezelf te blijven, zonder te proberen je om te bouwen volgens een bepaald systeem. Je moet proberen om jezelf te worden zoals God je geschapen heeft. Daarvoor is het nodig dat wij altijd weer een blijheid, een verwachting in ons leven hebben. Wanneer het vandaag mis gaat, dan is er toch altijd weer iets goeds om je op te verheugen. En morgen is er een dag die zeker beter zal zijn. Is het morgen ook verkeerd, dan misschien het volgende jaar. Maar eens zal zeker de verwerkelijking komen. Eens zal ook voor ons het paradijs open staan.
Zo leven betekent: in harmonie zijn met bepaalde, meer volmaakte bewustzijnsnormen, die in je wezen verborgen liggen. Voor een stofmens betekent het, het bestaan van zekere bindingen tussen zijn uiterlijk en innerlijk. Voor de geest betekent het, dat achter de vormenwereld waarin hij nog denkt en streeft een Wereld van Licht en van Vreugde ligt, die veelvuldiger, grootser alles omvat, alles weergeeft dan de eigen wereld ooit zou kunnen. Dat gevoel van binnen, dit aanvoelen, gaat soms heel erg ver. Eén enkel woord, waarvan u de betekenis niet eens vat, is in staat u soms de rillingen over de rug te doen laten lopen, om u plotseling ademloos stil te doen staan. Wat vreemder is: een paar van die woorden zijn soms voldoende om u Krachten te doen accepteren waaraan u anders voorbij zou zijn gelopen. Een gedicht, een stuk muziek kunnen u wel ontrukken aan uw werkelijkheid. Zij beroeren u van binnen. Zij brengen u a.h.w. volledig in vervoering en ineens is er iets dat anders zoek blijft.
Dat is nu hetgeen waarnaar wij eigenlijk moeten streven. Waarom kunnen wij dan alleen die verheffing hebben, wanneer wij een ogenblik gevangen zijn in de schoonheid van een muziekwerk? Wanneer wij getroffen worden door de magische kracht van een woord? De kracht kan nooit in de muziek liggen of in een woord. Het ligt in onszelf. Daarom vrienden, wil ik een paar gezegden citeren, die u misschien wel duidelijk maken waar het om gaat.

“De mens leeft in hemel en hel naar eigen verkiezing, omdat zij beide in hem bestaan.”
“De mens is meester van de Schepping, indien hij slechts het meesterschap over zichzelf bereiken kan.”
Deze dingen zijn meer waar dan u zou denken. Wat leeft in u nu eigenlijk? Leeft u, wat de wereld u oplegt? Neen, nietwaar? Dat hebben wij al heel vaak gezegd. U beleeft datgene wat u ziet, wat u kent, wat u ondergaat op de wereld. U kunt zelf kiezen wat het zal zijn: een hemel of een hel. Dat het een leven vol voortdurende teleurstelling of frustratie is of een met een voortdurende hoop, met een voortdurende verwachting en een voortdurende bevrediging?
Uiteindelijk wanneer je het zo beziet, ben je dus meester over hemel en hel. Als je meester bent over hemel en hel, ben je ook meester over de aarde, wanneer je tenminste weet hoe jezelf te beheersen. Niet alleen zomaar, dat je een paar onvriendelijke woorden binnenhoudt, maar zo dat je je wezen instelt op een taak in de wereld, dat je je wezen bindt aan een taak in de wereld en dat je het niet toestaat om daarvan af te wijken. Dan kun je inderdaad wonderen bereiken, dan ben je werkelijk de ingewijde, dan breng je een zegen voor anderen met jezelf en voor jezelf.
Licht, bewustzijn en toch vreugdiger vervulling van een soms zware levenstaak.

“De mens is koning aller dingen, indien hij de verplichtingen van het koningschap aanvaardt.”
Mens zijn is een voorrecht, maar je kunt alleen mens zijn, wanneer je de verplichtingen van het mens zijn eerst volbrengt. Het is noodzakelijk, hetzelfde voor ons in de geest.
Natuurlijk, wij zijn Licht Geesten; maar kunnen wij Licht Geesten zijn, vrienden, wanneer wij niet de verplichtingen die daarin liggen allereerst aanvaarden, wanneer wij de taak die het met zich brengt niet allereerst volbrengen? Dit geldt voor alle sferen en voor alle werelden. Wat je bent, bepaal je zelf. Je hebt in jezelf de kracht om Al te zijn. Wij zijn een direct en levend deel van God, maar je zult eerst zelf de verplichtingen moeten aanvaarden die daaruit voortvloeien, voor je dit jezelf tot werkelijkheid kunt maken. Ook geestelijk gaat de kost voor de baat uit. Ook geestelijk moet je eerst streven voor je het antwoord krijgt.

“Hij, die ingaat tot het Rijk der Hemelen, gaat door alle poorten der hel, doch zij beroert hem niet.”
Wanneer u komen wilt tot werkelijk geluk, werkelijke zelfkennis, tot die grote wijsheid die u één maakt met het Scheppend Vermogen, dan zult u zelfs wanneer u die kennis hebt, wanneer u zó die weg kunt gaan, steeds weer de poorten van lijden moeten passeren. Dan zult u elke smart en elke teleurstelling moeten kennen die er bestaat. Niets is meer waard dan: God heeft licht en duister geschapen, lijden en vreugde. Wie in het Licht niet het duister kent en niet in het duister het Licht; wie niet kent de vreugde of de smart, niet kent de vreugde in de smart en de smart in de vreugde, kent God niet.
God kennen via de weg van ons eigen wezen is de ware taak die wij allen hebben aanvaard.
Wij kunnen daar niet omheen komen. Daarom vrienden is dit voor mij de inhoud van elke esoterie, inhoud van elk leven, van elk streven, van elk zoeken. Wij kunnen alleen iets bereiken wanneer wij bereid zijn alle lijden te ondergaan, alle teleurstelling en ons toch daardoor niet laten beroeren; dan weten wij, dat het Licht in ons het ons mogelijk maakt te stijgen tot de Allerhoogste.

Vragen

  • Hoe komt het, dat de seksualiteit hier zo slecht in aanzien is? Is dat nog iets anders dan het verlangen om de medemens in zijn levensruimte te beperken? Terwijl men zich dan speciaal op het kind richt, omdat dit weerloos is?

Ik zou zeggen dat het niet erkennen – althans het niet openlijk aanvaarden van de seksualiteit – grotendeels voortkomt uit modebegrippen. D.w.z. dat men in de maatschappij zich niet zeker voelt vanwege het eigenaardige kanseffect, wat dit seksuele met zich meebrengt.
Wanneer wij afgaan op de lust – dat doen helaas al te veel mensen – is er geen sprake van de mogelijkheid tot vastere gezinsvorming. Het gezin is een noodzaak, niet alleen voor de mens, maar ook binnen de maatschappij. De maatschappij begint dus de seksualiteit onmiddellijk te onderdrukken omdat zij hierin een gevaar ziet voor haar eigen bestaan.
Laten wij de zaak eerlijk stellen: wanneer u een tijdlang met de ene man (vrouw) samenleeft om daarna naar de volgende te gaan, betekent dit dat u geen mogelijkheden hebt om een vast huishouden op te bouwen. U zult dus voortdurend kosten moeten maken, dan wel de ander zal voor u grote kosten moeten maken. Het resultaat is, dat het gemiddelde leven kostelijker en bovendien minder betrouwbaar is. Deze onbetrouwbaarheid plus grotere kosten is een van de remmende factoren bij de erkenning van seksualiteit, die overigens – als u mij het toestaat dit op te merken – in de moderne wereld onder duizend andere namen dan toch wel weer binnentreedt.
De onderdrukking ervan bij het kind is zeer normaal en de agressiviteit tegenover het kind evenzeer. Het kind moet zich aanpassen in de maatschappij, die van een kind in de eerste plaats niet verwacht dat het een goed mens wordt, maar dat het een goed burger van de maatschappij wordt. Als zodanig moet het van jongs af aan zijn geschoold in de begrippen die de maatschappij tot stabiele eenheid maken. In de tweede plaats: elk kind, dat niet geboren is volgens de regels die de maatschappij heeft aanvaard, is het resultaat van een vergrijp tegen deze maatschappij en als zodanig een bedreiging van haar zekerheid. Zij zal dus haar eigen begeren – onderdrukt en verdrongen – veelal omzetten in haat en daardoor het de buitenechtelijk geboren kinderen zeer moeilijk maken. Ook dit laatste neemt gelukkig enigszins af.

  • Geeft het objectief beschouwen een zuiver inzicht in de drijfveer tot handelen in het verleden? Wordt een mogelijk zelfverwijt of schuldbesef uit de weg geruimd of ook wel versterkt?

Er wordt geen zuiver inzicht verkregen op de beweegredenen van het verleden, omdat wij ons daarmee niet bezig houden. Het is nl. tijdsverspilling te trachten het volledig te rationaliseren, terwijl wij daardoor niet in staat zijn, of niet voldoende in staat zijn in het heden het totaal van ons bewustzijn en onze ervaringen in het spel te brengen en dus in het heden zo juist mogelijk te handelen en zo juist mogelijk de problemen, die het verleden ons stelt, op te lossen.

Dit brengt dus met zich mee, dat een terugschouwen in het verleden in de praktijk zoveel mogelijk wordt vermeden. Het verleden is voorbij, wij kunnen er niets meer aan doen, wij staan in het heden en met de ervaringen die wij in het verleden hebben opgedaan, zullen wij proberen zo goed mogelijk te handelen. De rationalisatie van het verleden of een herzien van het verleden in de zin van het huidig bewustzijn heeft geen zin, omdat wij met ons huidig bewustzijn niet meer in staat zijn de toestand in het verleden volledig te overzien en te begrijpen.
In het tweede geval: wordt hierdoor schuldbewustzijn uit de weg geruimd of versterkt zou ik willen zeggen, dat een schuldbewustzijn over het algemeen wegvalt hierbij. Berouw en schuldbewustzijn hebben geen zin. Een gevoel van verantwoordelijkheid neemt de plaats in van schuldbewustzijn. Het berouw valt weg, hierdoor komt echter in de plaats het trachten zo positief mogelijk te streven in het heden. Berouw betekent, helaas, voor de meeste mensen een zozeer treuren over hetgeen men misdaan heeft in het verleden, dat men vergeet het goed te maken in het heden. Schuldbewustzijn betekent voor de meesten zozeer gedrukt worden door hun eigen misslagen, dat men niet in staat is in het heden misslagen te voorkomen. Ik meen, dat het vermijden van beide factoren van groot belang is voor het vrijelijk zich bewust worden, naarmate men minder geremd wordt door een dergelijk berouw en schuldbesef. Daartegenover komt dan een steeds groter besef van eigen verantwoording en een juister begrip en van datgene, wat dus in het heden noodzakelijk volgens het bewustzijn moet worden verricht en volbracht en zal men komen tot een grotere volmaaktheid, een zuiverder uiting van hetgeen men innerlijk is en als zodanig zijn plaats in de Schepping dus beter en zuiverder in kunnen nemen.

  • Berouw en schuldbewustzijn, dat zijn middelen van de mens om zijn evenwicht te kunnen vinden. Genotsmiddelen.

Ja, maar men moet er heel erg voorzichtig mee zijn. U zegt: “genotsmiddelen”, tot op zekere hoogte waar. Er zijn mensen, die zich zozeer verheffen op hun eigen berouw en schuldbewustzijn, dat zij daardoor ontheven menen te zijn van hun verplichtingen in het heden.
Dat is wel een evenwicht zoeken, maar een evenwicht zoeken in het negatieve. Als zodanig volkomen verwerpelijk. Daarom zou ik niet graag deze formulering als positief beschouwen. Als een aanduiding van de absurditeiten die in het menselijk leven en denken soms voorkomen, kan ik accepteren.

  • Mag men dan niet in het heden zich realiseren, wat de oorzaak van fouten in het verleden is geweest? Dat is toch bewustwording?

De realisatie van de gevolgen brengt met zich mee de realisatie van de werkelijke fout die gemaakt werd. In het gevolg ziet men het verkeerde van de daad. Men hoeft de daad niet te beschouwen. In het gevolg wordt het verkeerde van de daad en zijn verkeerde noodzakelijkheid volledig getoond. Als zodanig is de bewustwording niet het resultaat van het berouw, maar van het bewust en zo objectief mogelijk beleven van het heden, waarbij men eigen aansprakelijkheid voor dit heden geheel aanvaardt.

  • Is schuldbewustzijn niet erg benauwend voor het leven in de andere sfeer? Sluit men zich dan niet af?

Schuldbewustzijn en berouw zijn over het algemeen de veroorzakers van de voorstelling van duisternis en hel, tevens vaak de beperking van het Licht, omdat men het Licht niet helemaal wil aanvaarden  daar men weliswaar schuldbewustzijn in zich draagt, maar toch liever niet aan anderen toont. Het eigenaardige is, dat waar berouw en schuldbewustzijn werkelijk in een mens leven, er bij de overgang slechts twee wegen schijnen open te staan. De eerste is een onderdrukking van dit berouw en schuldbewustzijn, opdat het niet zullen erkennen. Hierbij komen wij dan in het duister. Ofwel een exhibitionistisch zichzelf aanklagen, wat dan aanleiding geeft tot onderwereld- en helvoorstellingen, die al evenmin aanvaardbaar of aangenaam zijn. Het beste is dus, dat deze waarden niet worden gebruikt, maar dat er tegenover wordt gesteld een positief streven, zodat de fouten van het verleden niet worden herhaald, zonder dat men zich af gaat vragen, of men het in het verleden ook anders had kunnen doen. Dit heeft geen reden.

  • Dus vergeten?

Behalve de ervaring die u eruit hebt getrokken, ja. Maar die ervaring houdt een zeker weten in, dus ook omtrent de gebeurtenis en zijn gevolgen. Maar zij wordt niet op de voorgrond gebracht, zij blijft a.h.w. onderbewust bewaard als een geval ter referentie, wanneer nieuwe omstandigheden een overdenken van deze dingen mogelijk of noodzakelijk maken.

  • Maar als de regel ontstaat er steeds weer een schuldbewustzijn als een minderwaardigheidsbesef, dus zeker niet meerderwaardig.

Ik kan het niet helemaal met u eens zijn. Het is mij bekend dat er mensen zijn, die zich op hun berouw en schuldbewustzijn verheffen en menen, dat zij juist daardoor beter zijn dan anderen. Het is dus niet altijd een minderwaardigheidsbesef. Maar wanneer dit eruit voortvloeit is dit natuurlijk al net zo erg, als wanneer men meent door middel van dit berouw een meerwaardigheid gevonden te hebben. Voorbeelden hiervan kunt u vinden bij verschillende sekten, waarbij de openbare schuldbelijdenis in feite een zelfverheffing is, namelijk: “Ik heb het nu wel gedaan, maar ik ben zo goed dat ik er voor uit durf te komen. Ik ben dus meer dan jij, want jij hebt ook gezondigd, maar jij geeft het niet toe.”

  • Maar aan de andere kant is het toch een methode om het kwijt te raken, het te erkennen, uit te spreken?

Dat geef ik direct toe. Wanneer het erkennen dus is het belijden van een schuld, openbaar maken om er niet meer door belast te zijn, waar zij het denken volledig in beslag neemt, dan hebben wij te maken met een zuiver psychologische ontlasting die aanvaardbaar is.
Op grond hiervan is dus een schuld bekennen of zelfs een biechtgeheim en biechtstoel, aanvaardbaar. Maar zij is niet aanvaardbaar op het ogenblik, dat men meent hierdoor van alle verplichtingen en consequenties ontslagen te zijn. Het is ook niet aanvaardbaar op het ogenblik, dat men op een schuld bekennen zich verheft en meent hierdoor beter geworden te zijn. De schuldbelijdenis in een biechtstoel of gemeenschap kan zeer nuttig zijn, kan bovendien preventieve werking hebben – mits men zich niet voorstelt – dat men van alle gevolgen af is. Het doet mij ook wel eens vreemd aan dat iemand die een moord begaan heeft, meent, dat hij met vijf rozenhoedjes en een akte van berouw eraf kan komen, dat hij dan helemaal weer onschuldig en rein is. Toch is een dergelijke voorstelling iets, dat in velen leeft en daar vind ik dus schuld bekennen uit de boze. Dan heb ik liever dat zij het zelf uitvechten.

  • Is het voor de bewustwording noodzakelijk om inzicht te krijgen in alle eindige waarden van het ‘ik’. Is enig begrip van de Oneindige Waarden onvoldoende om de voor ons bestemde plaats tenslotte te realiseren?

Een begrip van Oneindige Waarden is voor een eindig wezen, of een wezen dat zichzelf als eindig voorstelt, niet mogelijk. Vandaar, dat het kennen van de eindige waarden van het ‘ik’ noodzakelijk is om te komen tot het begrip van de Oneindigheid van het Wezen en eerst na deze realisatie is een werkelijk begrijpen van Oneindige Waarden mogelijk. Dit is echter de noodzaak, willen wij komen tot de aanvaarding van het Goddelijke en het vinden van de plaats binnen het Goddelijke, die ons bestemd is.

  • Wanneer de geest, bevrijd van het stoffelijke voertuig een bijna perfecte vorm heeft verworven, is zij in staat zich stoffelijke voertuigen te kiezen die deze perfectie verder verwerkelijken. Worden hiermede hernieuwde incarnaties bedoeld of zijn er andere stoffelijke mogelijkheden?

Er kan hiermede een stoffelijke incarnatie worden bedoeld dan wel elke andere beleving binnen de stof, waarbij wij bv. kunnen denken aan het leven als ras- of groepsgeest, evenals planeetgeest of zelfs de kern en bewustzijn van een ster. Al deze mogelijkheden zijn in een stoffelijke belichaming ingesloten, zodat het niet slechts een menselijke incarnatie hoeft te zijn of reïncarnatie, die deze voleinding mogelijk maakt.

  • Twee mensen met gelijke karaktereigenschappen kunnen, ondanks wederzijdse toegenegenheid, zo vaak in hevige onenigheid leven. Is hier een redelijke verklaring voor?

Beiden erkennen in de ander zichzelf. Projecteren elk verwijtje dat zij tegen zichzelf hebben op de ander en beginnen zo voor zichzelf al hetgeen wat zij begeerlijk achten in zichzelf te leggen; zij zijn dus de goede partij. De tegenpartij, de partner wordt het kwade ‘ik’. De reactie tegen dit kwade ‘ik’ – in feite tegen het ‘ik’ gericht – brengt dan over het algemeen strubbelingen, koelheden, ruzies e.d. dingen. Indien men dit echter begrijpt, dan zullen juist gelijke karakters heel goed met elkaar kunnen opschieten. Indien zij niet gelijktijdig eigen fouten speciaal in de ander erkennen, maar deze zien als deel van hun eigen leven, zullen zij zo tot een groter begrip voor elkaar kunnen komen en dus tot grotere eenheid. Het is dus een onbegrip voor deze projectie van het slechte ‘ik’ in de partner, wat de afstotende werking veroorzaakt.

  • Het is alleen bezwaarlijk, dat men zich er niet bewust van is, dat men dat doet.

Ach neen, maar zou men dat hebben, dan zou men dat waarschijnlijk niet doen. Als zodanig kan dus worden gezegd, dat het een kwestie van onbewustzijn is en wij weten nu eenmaal, dat de meeste mensen de neiging hebben de eigen schuld in anderen te projecteren, terwijl zij de verdienste van anderen maar al te graag rekenen tot eigen verdienste. Het is dus deze neiging, een schijnbaar voor de mens natuurlijke neiging overigens, die oorzakelijk is.
Wanneer de kennis van het ‘ik’ echter verder gaat dan dit, dan zal de neiging vanzelf breken, waar men een waarde in zich en de wereld verwerft.

  • Een kind zag een hagedis een vlieg opeten en zei: “Ik vind ze beide zo mooi en God heeft ze toch allebei geschapen. Waarom staat Hij, die rechtvaardig genoemd wordt, toe, dat het ene volmaakt georganiseerde wezen het andere vernietigt?” Wat is uw visie hierop?

Wie stelt vast of de vlieg en wanneer de vlieg haar leven geleefd heeft? De volmaaktheid van beide is een uiting van de volmaaktheid van de Schepper, dat kan ongetwijfeld niet anders. Geloof je dan, dat een God, Die de dingen zo volmaakt kan scheppen, ze niet voor elkaar heeft geschapen, opdat de een de ander zal aanvullen? Want zoals de vlieg leeft van andere dingen, zo leeft de hagedis van vliegen. Zo gaat het verder. Zoals de mensen ook houden van een biefstukje, wat een heel lief koetje is geweest. Zo leeft het een uit het andere en zal altijd het één uit het andere blijven leven, omdat de kern van die dingen nu eenmaal niet in die lichaampjes ligt. Wanneer die vlieg is opgegeten, dan leeft die vlieg met haar gedachten toch nog wel voort. Alleen, zij krijgt een ander lichaam en misschien wordt het wel een mooie vlinder.
Dat zou zij zonder die hagedis nooit geworden zijn. De onderlinge strijd en vernietiging is niet een uiting van de onvolmaaktheid van God, maar eerder een uiting van Zijn volmaaktheid, waarbij je de eenwording van alle dingen bevordert door een schijnbare strijd, waarin zij dus met elkaar steeds sterker worden verenigd en niet gebonden blijven aan een vorm, doch in vele vormen elkaar kunnen leren kennen. Als een mens alleen maar biefstuk heeft om te eten dan verhongert hij niet, dan eet hij. De biefstuk zal ongetwijfeld heel weinig weet hebben van het weemoedige loeien die een koe laat op een geestelijke wei, waar zij zich veel vrijer en vrolijker voelt, terwijl zij lang niet zoveel door de mensen en vliegen wordt geplaagd, als vroeger het geval was.
Zodra wij het principe van de Eeuwige Geest in de vorm aanvaarden, is de vernietiging van de vorm niet zo belangrijk meer. Het feit echter, dat wijzelf niet méér van die vorm zullen vernietigen dan voor ons eigen bestaan noodzakelijk is, is een realisatie van onze verbondenheid met die vormen en wat er in leeft. Naarmate die realisatie sterker wordt, dus het bewustzijn van het zijn als zodanig groter wordt, zal minder vernietigd worden. Daaruit zal ook weer kunnen worden afgeleid, dat dus een veelvuldige vernietiging schijnbaar noodzakelijk is om tot een bewustzijn te komen, dat die vernietiging overbodig maakt.

  • En een vegetariër dan?

Een vegetariër, die geen dierlijk voedsel eet en kans ziet een voldoende dieet te volgen – wat in een Nederlands klimaat nog ongeveer mogelijk is, in het noordelijker moeilijker en in het zuiden gemakkelijker wordt – leeft in de eerste plaats volgens zijn overtuiging. Dat is al een heel goed ding. Hij zal over het algemeen een betere voeding tot zich nemen dan een vleeseter en hij zal zijn gezondheid erbij kunnen houden. Niet iedereen is in staat een plantaardig dieet te volgen daar hier de stofwisselingsprocessen een heel groot woord hebben mee te spreken en lang niet iedereen in staat is uit zuiver plantaardig voedsel te leven. Wij kunnen dus zeggen dat wij de vegetariër respecteren, wij kunnen zeggen dat zijn stellingen voor hem ongetwijfeld de juiste zijn, dat hij daaruit echter niet het recht voor zichzelf mag opeisen om voor anderen een dergelijke zelfbeperking dwingend te stellen.

  • U bent van mening dat niet iedereen vegetariër kan zijn?

Hoeft te zijn en zelfs kan zijn. Ik heb nl. uitdrukkelijk gesteld dat er wezens zijn die in de noodzaak verkeren dierlijk voedsel tot zich te nemen omdat hun darmstelsel niet in staat is uit plantaardig (voedsel) en vetten de noodzakelijke voedingsstoffen op te nemen en om te zetten.
Ofschoon deskundigen het er niet over eens zijn, zullen zij u toch omtrent de bestaande moeilijkheden kunnen inlichten. De mens is nog niet in staat synthetisch voedsel te vervaardigen dat alle moeilijkheden hieromtrent oplost. Dus nogmaals, het gestelde mag a normaal lijken; reeds in dit klimaat bestaat dit probleem, naarmate men noordelijker komt neemt het toe. Bepaalde Eskimostammen zouden zonder dierlijk voedsel sterven.

  • Zijn geesten die door een aards medium spreken, in hun wereld ook medium?

Ja, dat zou men kunnen zeggen. Onder medium moet men dan verstaan en de mogelijkheid in zich dragen om in contact te komen met andere werelden. Bij ons is dit mediumschap echter niet slechts van natuurlijke begaafdheid afhankelijk. Dit kan wel mede van invloed zijn, doch door studie en oefening kan elke geest het hanteren van een stoffelijk medium, door u genoemd “geestelijk mediumschap”, geheel meester worden.

  • Treedt een medium met een andere wereld in contact?

Een medium moet in staat zijn een andere wereld te bereiken en maakt eerst zo manifestaties uit andere werelden mogelijk.

  • Kan mediumschap geen passieve werking zijn zodat de geest zelf van de gelegenheid gebruik maakt, of deze schept ?

In dit geval klopt dat niet. Weliswaar maken wij van het medium gebruik maar wanneer – zoals vanavond – het medium uittreedt om in onze wereld ervaring op te doen, is het contact tenminste wederzijds.

  • Wanneer iemand zover komt, dat hij zich bewust is van andere gebieden, kunt u hem daarom toch nog geen medium noemen?

Wij noemen dit meestal wel mediumschap. Ook helderziendheid en helderhorendheid worden immers als een vorm hiervan beschouwd. Juist het feit, dat zo veel verschillende begrippen in het woord ‘mediumschap’ verenigd zijn, maakt het mogelijk een zeker mediumschap aan onze zijde als noodzaak voor manifestaties in de stof te aanvaarden. Iemand, die door uitbreiding van de persoonlijkheid in staat is met andere werelden contact op te nemen, kunnen wij dus noemen een mens met beheerst mediumschap, onverschillig of van de gave gebruik wordt gemaakt om anderen de gelegenheid tot spreken op eigen wereld te geven dan wel om zelf in andere werelden contact op te nemen.

  • Kan ieder mens dit bereiken?

Op de duur wel. Dit is echter afhankelijk van eigen instelling, leefwijze en bewustzijn.
Men kan dus niet stellen, dat dit op dit ogenblik voor een ieder in gelijke mate bereikbaar is. Wel blijft de zekerheid dat het eens afhankelijk van ontwikkeling van de persoonlijke waarden voor een ieder bereikbaar zal zijn. Bij mediumschap geldt over het algemeen, dat wij de geest van het medium moeten ontwikkelen om zo onze eigen mogelijkheid tot uiting door het medium te verbeteren. Wij zijn afhankelijk van de eigen gesteldheid van het medium, daar hierdoor wordt bepaald wat wij kunnen brengen en hoe wij het kunnen brengen.

  • Wie was de rattenvanger van Hamelen?

De rattenvanger van Hamelen is een legendarische figuur. Hij heeft wel bestaan, maar niet zoals hij in het verhaal wordt voorgesteld. In de middeleeuwen was nogal wat emigratie naar het oosten toe, o.m. naar de Oekraïne. Verschillende vorsten voerden in deze tijd een werving voor hun legers, waarbij de aanwervers vaak jonge mannen en vrouwen ten behoeve daarvan meelokten.
Wanneer dit aanwerven in een stad of gebied verboden was, waren de aanwervers vaak mensen die tevens optraden als verdelgers van ongedierte, handelaren in goedkope snuisterijen, etc. Ik vermoed, dat dit beeld mede verweven is in de legende. De rattenvanger van Hamelen blijft echter een figuur die wij m.i. in de eerste plaats als een symbool moeten zien. Zijn optreden en figuur doen ons weliswaar denken aan de wijze, waarop aanwervers bij arme landedelen en kleine steden plachten op te treden. Zij traden daar op, wanneer zo een iemand in nood zat,  soms hadden zij deze eerst zelf veroorzaakt. Zij boden dan aan de schulden te delgen tegen levering van een aantal soldaten. Dit overtuigt mij, dat wij hier te maken hebben met een symboliseren van deze aanwervers, waarbij andere omstandigheden mede in het verhaal werden ingevoegd. Dit doet niets af of toe aan de juiste tendens van het sprookje: wanneer je iemand iets belooft, moet je de belofte houden, anders betaal je dubbel zo zwaar zij het dan ook op een andere manier.

image_pdf