De realisatie van de werkelijkheid

1960

Als je vroeger een schouwburg binnenkwam, kon je op een brandscherm wel eens lezen: “De wereld is een schouwtoneel. Elk krijgt zijn rol en speelt zijn deel.” En menigeen heeft zich verwonderd over de diepzinnigheid van de dichter. Maar als wij eerlijk willen zijn, dan wordt er niet alleen een rol gespeeld door mensen, ook de gebeurtenissen dragen maskers. Ja, zelfs de voorwerpen en de toestanden zijn niet geheel, zoals zij zich voordoen. Wanneer je als mens in die werkelijkheid moet leven, dan is het voor u erg belangrijk, dat ge weet wat er achter zo’n masker schuil gaat. Het is begrijpelijk dat dan ook door vele eeuwen heen denkers en filosofen hebben getracht te vinden wat nu eigenlijk werkelijk is. Er zijn daarvoor vele definities gegeven, waarvan ik er een enkele wil citeren:

“Werkelijkheid is datgene, wat volkomen waar en in het moment van verschijning onveranderlijk voor ons waarneembaar wordt en voor ons in deze vorm te allen tijde hanteerbaar is.”

U hoort het, het is een materialist die aan het woord is. Hij vraagt hanteerbaarheid. Toch vind ik deze definitie een van de beste. Wij hebben niets aan een wereld vol lege stellingen. Wij kunnen ongetwijfeld alles geloven. Wij kunnen geloven, dat wij de wijsheid in pacht hebben: dat we schoner zijn dan Helena of Adonis zelve. Maar daarom is het nog niet waar.

We moeten een groot verschil maken tussen geloof en werkelijkheid. Het geloof kan alleen datgene omvatten, wat werkelijk en voor allen de kenbare werkelijkheid te boven gaat. Ik zeg dit reeds nu om te voorkomen dat we zo dadelijk geloofsvragen in het geding brengen. Als men zegt: “Er is een God,” dan zal dit zeer waarschijnlijk een werkelijkheid zijn. Ik voor mij geloof er in. Maar het is geen deel van een kenbare werkelijkheid. U zult dus begrijpen dat ik dergelijke problemen buiten beschouwing moet laten.

Hoe realiseert ge u nu wat wáár is? In de eerste plaats: alles wat ge afzonderlijk beziet, geeft wel zijn eigen wezen of masker volkomen weer, maar het toont zich nooit in het totaal van zijn capaciteiten, in het totaal van de eigenschappen welke erin schuilen. Daarom is het nuttig, dat wij alle dingen in een zo groot mogelijk verband beschouwen. Dit geldt zowel voor zuiver stoffelijke waarden als voor meer abstracte waarden, die in de materiële wereld worden toegepast. Ik wil een paar voorbeelden geven om duidelijker te maken wat ik hiermede bedoel. Eén wesp is een lastig insect, maar een heel nest wespen kan een moorddadig wapen van de natuur zijn. Ik kan uit het gedrag van één wesp niet oordelen over de gevaarlijkheid van meer wespen gezamenlijk. Uit het gedrag van meer wespen gezamenlijk echter kan ik wel degelijk opmaken, hoe elk zich afzonderlijk gedraagt en daarnaast besluiten, hoe de gemeenschap mij kan beïnvloeden.

Voor mensen geldt precies hetzelfde. Elke mens afzonderlijk heeft zijn eigen maskertje. Dat zij u graag gelaten. Maar hij heeft ook zijn eigenschappen, zijn overtuiging en hij sluit zich over het algemeen aan bij gelijkgezinden. Daar komen dan plotseling dingen naar voren, die je voorzichtig zouden moeten maken. Ik zal u weer een voorbeeld geven.

In de tijd dat Hitler de macht overnam, was er plotseling sprake van de S.A. onder Röhm als een zeer belangrijke macht. Dit waren de mensen, zo zei men, die het beste voor hadden met de mensheid en met Duitsland. Diezelfde mensen echter bleken in staat geweld te plegen: jodenvervolging, het vernietigen van de zogenaamde jüdische Geschäfte in Berlijn en verschillende andere grote steden: mishandelingen, die waren betrekkelijk klein. De mens nu, die zich liet verblinden door de associatie die men wilde geven: Hitler S.A. ‑ orde ‑ grote schepen van K.D.F., zal nooit begrepen hebben wat er werkelijk in schuilde. Hij word dus misleid. Maar door het zien van deze verschijnselen kon men zeggen, dat achter de orde en de discipline een zekere ferociteit schuil ging, die gevaarlijk kon worden.

Wanneer ge steeds probeert op deze manier een gemeenschap en niet de mensen afzonderlijk te zien, dan zult ge in staat zijn te begrijpen wat zij werkelijk betekenen. Men wordt zo gauw misleid door uiterlijkheden. U zit met een heel prettige heer ergens op een terrasje aan de Mediterrane te praten. Een reuze prettige mens, zo zegt u, werkelijk een beschaafd mens. Tot u later een foto ziet en ontdekt, dat u hebt gesproken met de beul van Londen. Dan voelt u zich ineens griezelig en heeft u ineens van alles “toch wel aangevoeld.” Dat is geen werkelijkheidszin. De mens afzonderlijk kan een goed mens zijn, maar in verband met het systeem dat hij dient, is hij een anachronisme, een overblijfsel uit een tijd, die in het heden, in het huidig besef niet meer past.

Op deze manier moeten wij allereerst beginnen steeds het grote verband ‑ zover voor ons zichtbaar ‑ te ontleden. Daar komt nog iets bij: de verschijnselen afzonderlijk zijn vaak onbelangrijk. De mensen afzonderlijk zijn in hun handelingen dikwijls bedrieglijk. Een kleine beving, die misschien oven een lamp wat doet slingeren en een schilderijtje wat scheef doet hangen, ach, die kun je wel afdoen met te zeggen: “Het is niets.” Maar een reeks van deze bewegingen, die op den duur door het voortdurend schokken gebouwen doet instorten, die kun je niet negeren, die kun je niet wegpraten.

Eén mens, die huichelt, kan u bedriegen. Honderd mensen van dezelfde soort, die huichelen echter, geven in hun gezamenlijke handelingen uiting aan datgene, wat zij trachten te verbergen. U vindt het misschien niet prettig, maar het is nuttig. Kijk naar het grote verband. In de tweede plaats vinden wij bij het beschouwen van de werkelijkheid altijd weer die eigenaardige poppenkast, die vermomming, die alleen berust op een mentaal beeld. Men heeft zich nu eenmaal een voorstelling gemaakt van wat men móét zijn. En omdat men meent dat te móéten zijn, gedraagt men zich eigenlijk, alsof men het is. Wat meer is: ofschoon deze norm volledig uit de lucht is gegrepen, geen enkele werkelijke betekenis of samenhang met de werkelijkheid heeft, zal toch de gehele wereld trachten te doen alsof.

Wanneer wij ons door die uiterlijkheid laten misleiden, zullen wij in de eerste plaats een moeilijk leven hebben. En in de tweede plaats voortdurend in strijd zijn met onszelven. In de derde plaats vaak belemmerd worden datgene te doen, wat goed is. Ook hier moeten wij ons realiseren wat de werkelijkheid is, die erachter schuilt. Daartoe kunnen zeer veel voorbeelden worden aangehaald. Maar laten we nu eens nemen de kwestie van eerlijkheid. We zijn allen zo eerlijk, weet u wel. De doorsnee‑mens is alleen dán eerlijk:

  1. als hij een reden heeft om de gevolgen van oneerlijkheid te vrezen (dat kan dus ook een geloofskwestie zijn):
  2. als de oneerlijkheid meer moeite met zich brengt, dan ze voordeel oplevert: en
  3. als hij door eerlijk te zijn zichzelve een waardigheid kan aanmeten, die hij zonder dit nooit zou kunnen bezitten. Dat zijn drie grondslagen van eerlijkheid.

U denkt misschien dat de mens werkelijk eerlijk is. Maar geloof me, dit is hij niet. In de praktijk is hij dit niet. Het is een kwestie van een droombeeld, dat men heeft geprojecteerd. Men heeft gesproken over eerlijkheid. Men heeft zich zolang op zijn eerlijkheid beroemd…. tot iedereen eraan geloofde. En nu wil iedereen eraan geloven: iedereen blijft zich op die manier gedragen, tenzij er mogelijkheden zijn om het anders te doen. Ik wil niet zeggen, dat iedere mens zijn prijs heeft, in geld uitgedrukt. Er zijn mensen, die kun je tot een misdaad bewegen voor fl 100.‑. Voor anderen is die prijs ettelijke miljoenen. Weer een ander zal haar alleen begaan, indien je hem de verzekering geeft dat hij de eeuwige zaligheid krijgt. Ieder heeft zijn prijs. Besef dit wel. Laat u niet misleiden door de stelregels die zo algemeen aanvaard worden, maar in de praktijk ofwel geheel andere motiveringen in zich dragen, dan wel niet worden beoefend. Er zijn natuurlijk ook van die uitspraken, die worden aangenomen en helemaal bedriegelijk zijn.

Elke burger wordt geacht de wet te kennen. Dat is onzin. Geen enkele burger is in staat zonder een studie van vele jaren de wet werkelijk te kennen. Wanneer een wetgever (het zal hier in Nederland misschien niet zo snel gebeuren, maar er zijn andere landen waar het wel is gebeurd) op een gegeven ogenblik de menigte wil misleiden, dan is het voor hem heel eenvoudig bepaalde wetten uit te vaardigen, die mooi klinken maar in samenwerking met andere wetten leiden tot een dictatuur, tot onmenselijkheid enz.. Dit is misleiding. De werkelijkheid is dus in dit geval: geen enkele mens kan de wet kennen tenzij hij daarvan een speciale studie maakt. En deze studie is voor het merendeel der burgers onmogelijk. Een feit. Het is natuurlijk moeilijk je dit alles te realiseren, want dan wordt je wereld zo wankel. Maar aan de andere kant weet je waar je aan toe bent: dan weet je wat je hebt te verwachten. Een derde punt dat even interessant is. Bij vele mensen bestaat er een directe tegenspraak tussen hun innerlijk en hun uiterlijk leven. Het eenvoudigste voorbeeld daarvan vindt u bij de mens, die naar buiten toe altijd joviaal is, altijd prettig, altijd vol grapjes, vol humor, vol verdraagzaamheid, royaal en die thuis een tiran zonder gelijke is.

Die dingen heeft u misschien wel eens meegemaakt. U kunt er dus over oordelen, of hetgeen ik hier zeg overdreven is of niet. Ook hier weer moeten wij de werkelijkheid beseffen. Het gaat er niet om die toestand alleen maar vast te stellen, maar we moeten weten waar en hoe? En dan blijkt het dat onze vriend u en anderen zo tracht te winnen, omdat hij waardering behoeft. Als hij deze binnenshuis eenmaal heeft gevonden en hij heeft een vrouw, dan is het uitoefenen van macht voor hem weer belangrijker. Dan interesseert hij zich voor haar vaak niet veel meer dan voor een slavin of een gebruiksvoorwerp. Het is jammer, maar het is zo. Wanneer u echter met zo iemand te maken krijgt en u realiseert zich niet snel genoeg, hoe de werkelijke persoon is: u vraagt zich niet af waarom deze mens altijd zo joviaal is, u vraagt zich niet af wat op de achtergrond leeft, dan bestaat de mogelijkheid dat u met zo iemand in zee gaat, bv. zijn compagnon wordt en dan krijgt u onder hetzelfde euvel te lijden, waaronder de vrouw reeds lang gebukt gaat. Dan krijgt u moeilijkheden. U moet zich steeds realiseren wat er achter een façade schuil gaat. Zover wat mensen betreft.

Het onderwerp kan natuurlijk nog tot in het oneindige worden uitgebreid, maar ik meen dat u de gegeven voorbeelden zelf voldoende zult kunnen aanvullen. Nu kom ik echter tot iets anders. En dit wordt misschien een beetje moeilijker voor u. Wij nemen aan dat alles, wat wij zien, wat wij horen, wat wij kunnen voelen enz. werkelijk is. Wat wij daarbij ‑ tenminste zover wij in de stof zijn ‑ niet beseffen is, dat heel vaak het verschijnsel dat tastbaar, hoorbaar of zichtbaar is eigenlijk maar een zeer klein deel is van een veel groter verschijnsel, dat verborgen blijft. Wij kunnen natuurlijk niet alle verschijnselen in de natuur, alle vaste voorwerpen, alle huizen gaan onderzoeken op hun werkelijkheid. Hier mogen we rustig volstaan met te zeggen: Zolang ze voor ons onveranderlijk dezelfde blijven en voor onze zintuigen niet voortdurend in een toestand van verandering verkeren, mogen wij aannemen: dit is werkelijk, want voor ons geldt dit, ook wanneer het in feite niet waar is.

Wij komen echter ook te staan tégenover reeksen van toestanden, ontwikkelingen, waarbij voorwerpen betrokken zijn die plotseling hun kwaliteit of eigenschap schijnen te wijzigen. Het is wat moeilijker hiervan voorbeelden te geven. Maar één ervan heeft u misschien ook wel eens meegemaakt. U heeft wel eens ondervonden dat er dagen zijn, dat het lijkt of de voor­werpen die je nodig hebt gewoon naar je handen toespringen, ze zijn precies waar je ze hebben wilt. Wanneer je ze nodig hebt, zie je ze. En er zijn dagen (voor de dames b.v.) dat de schaar zich heeft verstopt, dat het aardappelschilmesje weg is, dat het mandje plotseling zoek is, dat het boodschappentasje niet op zijn plaats ligt, dat er niets in or­de is. Het lijkt soms, of die dingen de ene dag vijandig zijn en de ande­re dag vriendelijk. Dit kan verdergaan. Er zijn dagen dat je je tegen elke stoel, tegen elke tafel stoot en er zijn dagen dat dit niet gebeurt. Een normaal mens maakt er zich van af door te zeggen: “Nou ja, dat is mijn schuld: dat die dingen niet op hun plaats liggen, is mijn slordigheid: of ‑ bv. als je getrouwd bent, of je hebt kinderen ‑ dat hebben mijn kinderen gedaan of dat heeft mijn man gedaan.”

Maar zou er niet een andere werkelijkheid aan zijn verbonden? De ver­houding tussen mensen en voorwerpen kan zich wijzigen. Dit klinkt op het eerste gezicht als iets “occults”. Maar realiseer u goed, dat het voorwerp dat u hanteert niet in de eerste plaats die z.g. werkelijk­heid is, maar het mentale beeld, dat u ervan bezit. Op het ogenblik dat u innerlijk voor uw eigen weten en denken in harmonie bent met die voorwerpen, zullen al uw faculteiten op die voorwerpen zijn afgesteld. Zij hebben dus een direct contact met u. Zij reageren daarop door des­noods a.h.w. voor u uit te wijken. Ook als u niet ziet en niet hoort, blijkt dat contact te bestaan. U kunt blindelings het voorwerp pakken. Op het ogenblik echter dat er in u een tegenzin tegen deze voorwer­pen bestaat, is het zeer waarschijnlijk dat zij plotseling anders lijken dan ze zijn. Zij beantwoorden n.l. niet meer aan het beeld, dat u ervan hebt. U reageert volgens het beeld, dat u in u draagt. Daardoor schiet het aardappelmesje uit: daardoor zijn de hoeken van de tafel precies iets scherper en steken ze iets verder uit dan u bij uw bewe­gen had gedacht enz. Wanneer wij ons de wereld rond ons, die wij werkelijkheid noemen, realiseren, moeten wij dus heel wel beseffen dat onze eigen verhouding daar tegenover (ook voorwerpen) een soort wederkerigheid uitlokt. En die wederkerigheid openbaart zich dan in een aanvoelen van de voorwerpen en een a.h.w. wederzijds reageren. Nu weet ik wel, dat van een dood voorwerp niet mag worden verwacht, dat het zo maar naar je hand toespringt. Maar wij kunnen wel verwachten dat in het voorwerp zelf, dat een bepaalde moleculair‑structuur heeft, een zekere spanning bestaat en daardoor kan reageren op soortgelijke spanningen. Gedachte-uitstralingen blijken in staat voorwerpen te beïnvloeden. Ofschoon men dit op het ogenblik weer bestrijdt, word het indertijd vastgesteld door de dobbelsteenproeven van Dr. J.B. Rhine. Men spreekt dan over “telekinese”. Maar hoe het ook zij, het blijkt dat sommige werpers van dobbelstenen in staat zijn de val van deze stenen ‑ bewust of onbewust – te beïnvloeden. Als dit bij dobbelstenen mogelijk is, kan het ook bij andere voorwerpen.

U ziet, ik vraag u niet iets te geloven op grond van een occulte wet. Ik vraag u alleen iets verder te denken aan de hand van een vastgesteld verschijnsel, waar men op het ogenblik wel over aan het vechten is, maar dat toch door geleerden van zeer goede naam herhaaldelijk en bij vele proeven is vastgesteld. Als die invloed op een dobbelsteen kan werken en deze kan doen veranderen, wie zegt u dan dat dit niet kan op een aardappelmesje, op een tafel, op een stoel of een auto?

In de werkelijkheid is het belangrijk u steeds weer te realiseren dat er een band bestaat tussen u en al, wat in uw omgeving aanwezig is, ook wanneer het niet leeft. En dat in vele gevallen een vermogen, waarvan u zich niet bewust bent, maar dat soms door toeval aan te tonen is – voor sommige geschoolde personen in geringe mate zelfs bruikbaar blijkt – toch in deze voorwerpen een verandering tot stand kan brengen. Deze realisatie is n.l. zeer dienstig voor het juist gebruiken van gereedschappen, het juist werken in een huishouden, in een fabriek, op een kantoor. De eigen instelling veroorzaakt reacties ook van de dode materie.

Planten. Planten, zeggen de mensen, hebben geen gevoel. Een plant is iets, dat wel leeft, maar het is zo laag ontwikkeld dat het alleen hitte en kou voelt. Dat dacht u. Maar ik wil hier weer niet met geestelijke overwegingen op doorgaan: die heb ik voor deze avond opzij willen zetten. In een laboratorium in Californië is gebleken dat een tomaat, die zeer langzaam door de punt van een spijker wordt aangeraakt, zich als het ware terugtrekt, niet alleen de vrucht maar de gehele plant. Het is gebleken dat planten voor sommige verschijnselen een soort angst kunnen kennen. Meestal berust dit op een soort tastzin, omdat een plant overigens geen zintuigen heeft. De plant is dus gevoelig voor uitwendige invloeden. Verder blijkt dat de wijze, waarop men een plant benadert, voor haar reactie van zeer veel invloed e.d.. De z.g. “groene duim” die sommige mensen hebben komt veelal eerder voort uit hun werkelijke liefde voor en hun harmonisch zijn met de plant, dan uit hun tuinmanskunst. Het feit, dat het plantje bij A. zelfs bij gunstige condities niet bloeit en bij B. schijnbaar verwaarloosd ‑ het wel doet, wijst op hetzelfde. Planten zijn gevoelig voor sfeer. Dit betekent, dat wij bij onze realisatie ook rekening moeten houden met de idee, dat planten en laagontwikkelde wezens mede op ons reageren. Maar als ze dit opeens doen, doen ze dat ook op anderen. Wij kunnen vaak aan de laagontwikkelde wezens zien, hoe een ander mens is. Hoe hoger ontwikkeld het wezen hoe minder betrouwbaar de reactie is en hoe minder we daaruit de werkelijke persoonlijkheid kunnen leren kennen. Er zijn mensen, die hun oordeel over anderen vaak koppelen aan het gedrag dat deze laatsten hebben bijvoorbeeld t.o.v. paarden, honden, katten en andere dieren. Maar dit zijn hoger ontwikkelde wezens. Dat is punt 1. Punt 2: zij kunnen niet worden gezien als karakterbeoordelaars. Zij ervaren slechts vriendschap of afkeer. Daarnaast zijn ze alle zeer gevoelig voor betoonde vrees. Dit is overigens voor het grootste deel een kwéstie van reukzin: dus niet eens van een aanvoelen van psychische krachten alleen.

Gaan wij nu een mens beoordelen, omdat een hond lief tegen hem is, dan vergeten wij één ding, dat deze mens zeer vriendschappe­lijk tegenover honden kan staan, maar dat dit nog niets zegt omtrent zijn werkelijke persoonlijkheid. Wij mogen daar dan ook geen rekening mee houden. Verder zou ik er u op willen wijzen, dat practisch alles in de wereld enkele motiveringen kent, die algemeen zijn: dode voorwerpen uitgezonderd. Alles verlangt zelfbevrediging. En deze komt o.m. tot uiting in de voortplantingsdrang van practisch alle levende wezens, planten niet uitgezonderd.

In de tweede plaats kent elk wezen angst voor pijn: niet voor de dood. Angst voor de dood is iets, dat bij de mens veel sterker is dan bij andere wezens. Angst voor pijn. En ten laatste: begeerte naar verzadiging. Verzadiging is voor het dier: voedsel: voor de plant: regen en zouten in de bodem: voor de mens echter met zijn denken omvat het tevens vaak: bezit, dat voor hem een symbool is geworden van de mogelijkheid tot verzadiging.

Dit zijn grondregels. Daar wij deze overal tegenkomen, mogen wij bij onze pogingen ons de werkelijkheid te realiseren zeker niet stellen, dat wij ze als norm moeten aannemen. Deze beweegredenen zijn uitermate belangrijk. Zij kunnen inzicht geven in hetgeen er waarlijk gebeurt. Zij zijn het, die ons steeds weer duidelijk maken wat zich achter de schermen moet afspelen.

Ik heb nu in dit eerste gedeelte van mijn betoog, zover mij mogelijk was, gesproken op zuiver stoffelijke, redelijke basis. Zover mij bekend, heb ik daarbij geen argumenten gebruikt, welke niet stoffelijk naspeurbaar zijn. Ik heb geen enkel woord gezegd, dat niet in de stof bekend is. Ik zou echter dwaas zijn, als ik van deze gelegenheid geen gebruik zou maken om nog iets verder door te gaan op het onderwerp: de werkelijkheid. En als ik dit dan doe uit een meer geestelijk standpunt, moet ik daarbij de redelijke basis verlaten. De geest is wel redelijk en logisch, maar zij is dit alleen, als we van bepaalde stellingen uitgaan. Wat ik u hier zeg, behoeft u dan ook niet au serieux te nemen, tenzij het voor u ‑ krachtens uw instelling en uw geloof aanvaardbaar is. Zou u er niet aan geloven of aan twijfelen, dan zou ik u toch willen vragen om even te luisteren.

Er zijn verschillende werelden. Men onderscheidt deze heel graag in de wereld van de stof en de wereld van de geest. Men gaat die onderverdelen in duistere sferen, in schemersferen, nevelsferen en lichte sferen. Deze verdelingen zijn voor een mens van betrekkelijk weinig belang. Van belang is echter wel, dat hij zich realiseert dat rond hem bewustzijn is. Een bewustzijn dat noch zichtbaar noch kenbaar is en dat ook in zijn nabijheid kan bestaan, wanneer hij meent geheel alleen te zijn. De werkelijkheid die u ziet wordt vaak vertekend door de invloed van anderen. Het is een klein kunstje om hier met woorden en misschien met een zekere magie van klank te overtuigen, dat bepaalde dingen heel anders zijn, dan u ze ziet, ongeacht of dit waar is of niet. Zoals dit met woorden kan geschieden, zo kan het ook met gedachten. Wanneer u zich te midden van een menigte bevindt, die u niet direct beïnvloedt, maar die bepaalde waarden heeft aanvaard, dan zal het niet lang duren, voordat u diezelfde waarden op de een of andere manier toch ook gaat aanvaarden, zelfs al zult u zich daartegen uiterlijk nog verzetten. Deze beïnvloeding is ook mogelijk uit de wereld van de geest. Hieruit volgt wel, dat het eigen “ik” niet de enige of enig juiste maatstaf kan zijn voor wat nu eenmaal “werkelijkheid” heet. Wel moet anderzijds worden gesteld dat alles, maar dan ook werkelijk alles, wat ook maar ergens voorkomt, ook ergens werkelijk moet zijn. Een argument dat we al vaker hebben gebruikt en dat ik daarom hier alleen maar terloops aanhaal: God heeft alle dingen geschapen. Niets kan bestaan buiten God. Dan moet alles, wat binnen de schepping realiseerbaar is, in God bestaan. Een heel eenvoudige redenering dus. Maar wat in de grote, de kosmische werkelijkheid bestaat, behoeft voor mij nog niet reëel te zijn. Voor mij is alleen datgene werkelijk, waarmee ik direct contact heb. Op het ogenblik dat geesten voor mij reëel worden, zal ik ze dus in mijn berekening omtrent alle dingen mede moeten gebruiken. Ik behoef er niet in te geloven, maar heel vaak zal ik onverklaarbare verschijnselen vinden, die alleen door deze these verklaarbaar zijn. Wij zullen er ons steeds aan moeten houden, wanneer wij in de stof zijn, allereerst een redelijke verklaring te geven. En deze redelijke verklaring moet beantwoorden aan het totaal van wat wordt waargenomen, niet bij het slechts eenmaal voorkomend verschijnsel maar bij ofwel waarneming van meer soortgelijke verschijnselen, dan wel herhaalde waarneming van één verschijnsel. Wij zullen aan de hand hiervan een oordeel vormen, dat is gebaseerd op de werkelijkheid, die wij kennen. Van dat standpunt uitgaande komen wij echter tot hiaten. Bepaalde factoren zijn onverklaarbaar. Wij dienen ons dit dan goed te realiseren. Er is, mijne vrienden, heel vaak een mogelijkheid om te ontwijken aan een hoger weten, aan een hoger gezag van geestelijk bestaan. Maar in vele gevallen is de uitleg dan niet de eenvoudigste. De eenvoudigste uitleg wordt steeds aanvaard ‑ wanneer je tenminste zo eerlijk mogelijk wilt leven en denken ‑ tenzij zij bewijst, dat zijzelf onjuist is. Dat is toch een heel eenvoudige kwestie.

Gaat u op deze manier te werk, dan komt u tot de conclusie dat u niet alleen op de een of andere manier door geesten wordt beïnvloed, maar u zult bovendien vinden dat bv. ook de sterren u beïnvloeden of dat de sterren als een waardemeter van invloed kunnen worden gebruikt: astrologie. U zult tot de conclusie komen dat de fasen van de maan een zeer sterke invloed op uw persoonlijk leven hebben. U zult zo niet alle kunnen verklaren. Het totaal van deze ‑ voor u dus niet redelijk verklaarbare ‑ verschijnselen is daarom nog niet min­der werkelijk.

Maar hier dienen wij ons te houden aan het herhaald voorkomend ver­schijnsel en mogen nooit eerst een verklaring geven en dan trachten deze door de waargenomen verschijnselen te bevestigen. Voor u geldt ‑ en zeker wanneer u te maken krijgt met de geest, geestelijke krachten en geestelijk werk ‑ altijd deze these. Een veelheid van verschijnselen maakt een these noodzakelijk. De these, die wordt opgebouwd aan de hand van vele verschijnselen, zal althans grotendeels waar zijn. Op het ogenblik echter dat ik begin een stelling te formuleren aan de hand van een verschijnsel en de bevestiging daarvan zoek, zal ik mijzelve misleiden, omdat ik alles eenzijdig waarneem en daardoor de werkelijkheid verwerp. Heeft u ook dit begrepen? Dan kunnen we nu nog even gaan praten over de werkelijkheid, die dan voor ons meer is: de geest.

De werkelijkheid van de geest is een andere dan die van u. Er bestaan voor ons varianten van tijd, die voor u onvoorstelbaar zijn. Voor u draait de klok, draaien de planeten. Voor ons niet. Voor ons is er alleen een persoonlijk beleven, dat de tijd bepaalt. Ruimte is voor u alleen een kwestie van vaste afmeting of een reeks van afmetingen binnen een drie‑dimensionaal stelsel. Voor ons is ruimte: het totaal van voorstelbare punten en waarden. Het ligt dus hoofdzakelijk in ons. Het is eerder het verwijzen naar bestaande waarden, dan de afstand die daartussen ligt. Op deze manier zal de wereld van stof en geest aanmerkelijk verschillen. Het is voor de doorsnee‑mens niet mogelijk zich een dergelijk leven, een dergelijke toestand voor te stellen. Practisch alles wat in de geest bestaat, is aan voortdurende wisseling onderhevig. Die wisseling kan uit uw standpunt traag zijn, ze kan dus zijn te vergelijken met één polsslag in 100 jaar, maar kan ook samenvallen met één leven, in één seconde, zodat dus alle veranderingen en ervaringen binnen die seconde optreden. Het is practisch onmogelijk als mens je de sferen werkelijk voor te stellen. Men kan hoogstens trachten ze te benaderen door analogieën, welke echter ten dele onjuist zijn en daarom slechts mogen worden beschouwd als één middel om het “ik” te oriënteren, dus om een beter beeld van de werkelijkheid te krijgen, dat echter nooit op zichzelf als volkomen werkelijk mag worden beschouwd. Voor de mens, die in de stof leeft, is het zeer moeilijk zich bezig te houden met datgene, wat zich aan zijn begrip onttrekt. Het kennen van abstracte waarden ‑ geestelijke en andere ‑ vraagt een begripsvermogen, dat deze waarden kan hanteren. Dit betekent dat uw eigen werkelijkheid begrensd wordt door uw begripsvermogen. Eén van de eerste regels, welke de geest leert, is deze: Tracht nooit en te nimmer verder te gaan, dan je eigen begripsvermogen reikt, tenzij ge een voor u kenbare en duidelijke leiding hebt, waardoor het u mogelijk wordt een verdergaand begrip te omvatten.

Ik zou deze zelfde regel graag op aarde zien toegepast. Menig mens oordeelt over zoveel dingen, die hij niet kan begrijpen. Hij oordeelt over geestelijke wetten. Hij vertelt precies wat God heeft gedaan en wat God nog zal doen. Hij heeft het over engelen, over geesten, over meesters. Hij spreekt over de achtergronden van alle mogelijke gebeurtenissen ‑ geestelijke en stoffelijke ‑ zonder in staat te zijn daarover een juist oordeel te vellen. Het is voor ons in de geest belangrijk, dat wij geen oordeel vellen, ja, dat wij ons zelfs geen voorstelling trachten te maken van iets, wat buiten ons begripsvermogen ligt. Slechts voor zover delen daarvan voor ons nog begrijpelijk zijn, mogen wij ons daarvan op de hoogte stellen, maar wij mogen deze niet eens maken tot leidende factoren in ons verder streven. Wij kunnen trachten hiaten aan te vullen, maar wij mogen daarbij nooit uitgaan dat het a priori volledig juist is wat in ons besef omtrent die hiaten reeds bestaat. De realisatie van de werkelijkheid betekent niet, zoals menigeen denkt: een beter zien van alles wat rond je is. Het houdt wel degelijk ook de kunst in van te elimineren: datgene waarover je absoluut niet oordelen kunt terzijde te stellen en je niet ‑ innerlijk of uiterlijk – uit te spreken over het al of niet waar‑zijn daarvan. U heeft in uw eigen kring mogelijkheden genoeg met de werkelijkheid in contact te komen. Zeker wanneer u steeds let op grote groepen en daarnaast steeds tracht de beweegredenen van de enkeling te begrijpen. U heeft rond u duidelijke kentekenen in de reactie, moet ik zeggen, van de dode stof op de mens of van de mens op de dode stof. De reacties van planten en dieren kunnen u wel degelijk iets vertellen, mits u deze waarden steeds ziet, zoals ze zijn: aanduidingen van enkele feiten.

Juist wanneer de mens naar het geestelijke streeft, valt ons zo vaak op dat hij conclusies trekt aan de hand van enkele punten omtrent een geheel. De misvattingen, die daardoor ontstaan, zijn ontelbaar. Ditzelfde gebeurt dikwijls op aarde. Niets, begrijpt u, is bewezen voordat het voor ons daadwerkelijk en feitelijk vaststaat. Al het andere wordt als werkhypothese gebruikt, maar wordt niet als werkelijkheid zonder meer beschouwd. De realisatie van de werkelijkheid vloeit voort uit de praktijk van het eigen leven, mits men de zelfmisleiding daarbij zoveel mogelijk uitschakelt. De misleiding omtrent het “ik” is over het algemeen moeilijk te vermijden. Maar anderen kan men over het algemeen redelijk juist beoordelen, indien u zich houdt aan de regels en maatstaven die ik hier boven heb vastgelegd. Ik hoop, dat u daarvan gebruik zult maken.

Na deze ook nog betrekkelijk feitelijke uitspraken ga ik over tot iets, wat voor u volkomen irreëel zal zijn. Ik zou zeggen, het behoort tot het gebied van geloof, het gebied van denken, het gebied misschien van hopen en verwachten. Toch lijkt het mij goed hier vast te leggen wat ons inziens werkelijk is en werkelijkheid is. Geestelijk gezien kan het heelal worden beschouwd als een samenstel van concentrische ringen. In de buitenste ringen beweegt zich de openbaring in de materie. De ringen verder naar binnen toe zijn kleiner, geconcentreerder, hebben een hogere frequentie en behoren tot wat wij noemen: sferen of geestelijke werelden. De kern ervan is onkenbaar: zij is niet te zien. Misschien is het wel een zo groot licht, dat het voor ons tot duisternis wordt: wie weet.

Deze voorstelling kan natuurlijk niet op de ruimte worden toegepast. Zij is een schema. Maar in dit schema ligt de onderlinge verhouding. De weg van de mens en de weg van de geest is voor ons een steeds heen en weer weven, zoals een kind dat verschillende ringen met raffia tezamen hecht tot een onderzetter. Wij maken steeds een baan van de binnenste naar de buitenste en van de buitenste naar de binnenste ring. Wij blijven deze weg klaarblijkelijk voortzetten, tot het ogenblik dat wij het middelpunt, dat schijnbaar voor ons niet bestaand is, kunnen bevatten. Dit houdt in, dat er in ons leven een voortdurende herhaling van ervaringen is. Wij hebben niet te maken met de werkelijkheid van één stoffelijk leven of van één stoffelijk en enkele geestelijke levens we hebben te maken met een werkelijkheid die een voortdurende herhaling van fasen inhoudt: de geestelijke en de stoffelijke fasen. Men noemt dit wel eens reïncarnatie. Volledig juist is het niet. Men wil het wel eens noemen: hergeboorte. Ook dit is niet volledig juist. De continuïteit van het leven, die wij zien als werkelijkheid, sluit de dood als reëel verschijnsel voor het ware “ik” uit. Dat is voor een stofmens erg moeilijk, omdat hij uit een materieel standpunt de dood móét zien als het einde van alle dingen, waarbij ten hoogste een deel voortleeft. Voor ons is het omgekeerd. Voor ons is de werkelijkheid natuurlijk, dat een geest tijdelijk een stoffelijk voertuig hanteert als een soort werktuig of vervoermiddel om daarmee iets te doen en het daarna neerlegt. Ook dit zal waarschijnlijk niet waar zijn. De werkelijkheid zoals onze grootste wijzen zeggen haar te zien is, dat alle sferen (dus van de stoffelijke wereld tot de binnenste wereld toe) in alle voorstelbare fasen samen deel zijn van een Wezen en één Werkelijkheid: zover zij liggen binnen de voor ons voorstelbare mogelijkheden: ons wezen.

Er is natuurlijk een God. Het ontkennen van een God is voor ons haast onmogelijk, ook al kunnen wij Zijn bestaan niet bewijzen. Wij kunnen wel zeggen, dat wij steeds krachten rond ons kennen en dat wij deze krachten een zeker bewustzijn moeten toekennen. Uit ons standpunt. Bewijsbaar is dit niet. Het geheel van deze waarden leidt mij er toe als conclusie te geven: het verschil tussen de kenbare werkelijkheid en de kosmische werkelijkheid is zeer groot. Het gebied tussen beide moet worden opgevuld met veronderstellingen, die op grond van feiten waarschijnlijk en aannemelijk zijn. Daarbij houden wij ons aan de eenvoudigste uitleg, tenzij zo onjuist is. Op deze wijze zullen wij ‑ ons baserend op datgene, wat wij ons van de werkelijkheid waarin wij leven kunnen realiseren ‑ zo onbevooroordeeld mogelijk en na afstand te doen van alle mentale beelden en waarden, welke niet met het feitelijk zichtbare en kenbare stroken, kunnen komen tot een voldoend grondbegrip. Daaruit zullen wij dan die werkelijkheid kunnen uitbreiden tot voor ons persoonlijk, bewijsbaar en herhaalbaar, steeds nieuwe krachten optreden en zover ik kan nagaan ‑ onze werkelijkheid op den duur alle sferen in een gelijktijdigheid omvat. Verder dan dat kan ik niet gaan.