De realiteit van de sferen

uit de cursus ‘Geestelijke ontwikkeling’ 1956

Een sfeer wordt door de mensen op deze wereld gezien als een apart wereldje. Vaak ook als een afzonderlijke plaats, waarop geesten samenkomen die nu eenmaal een bepaald bewustzijn bezitten. Ondanks het feit dat we reeds vele malen hebben getracht aan te tonen dat een sfeer juist dit niet kan zijn, maar eerder alleen moet voortvloeien uit het bewustzijn ‑ niet uit de omgeving ‑ zullen we toch vanavond trachten de realiteit ‑ dus het werkelijke bestaan van de sferen – aan te tonen en daarbij tevens te omschrijven, hoe zij dan bestaan, waarom zij zo bestaan en wat hun werkelijke betekenis is voor het bewustzijn dat zoekt door te dringen naar groter licht en groter waarheid.

Allereerst sfeer gedefinieerd van uit ons standpunt. Onder sfeer wordt verstaan: de wereld waarin men leeft en kan leven krachtens het bewustzijn, zodat elke sfeer is opgebouwd uit datgene van het al‑bestaande dat voor een bepaalde geest waarneembaar, belangrijk en beslissend kan worden geacht.

Een geest leeft op aarde in de stof. Die stof zou men ook een sfeer kunnen noemen. Men zegt weliswaar: De materie is de begrenzing van de geest. Men meent daarmee dat de geest veel vrijer is dan de geest in de stof. Dit alles is echter betrekkelijk waar. Zeer betrekkelijk. Want de geest die op aarde leeft in een menselijk lichaam kan wel degelijk gebruik maken van de geestelijke eigenschappen en kwaliteiten die buiten het materiële en buiten het stoffelijke gelegen zijn. Zo kunnen waarnemingen worden gedaan van zuiver stoffelijke tot zuiver geestelijke geaardheid. Hieruit vloeit voort dat dus reeds op aarde de geest grotere capaciteiten bezit dan zij normalerwijze gebruikt.

Stellen wij nu, dat wanneer enkelen in staat zijn geestelijke belevingen door te maken en buiten het materiële te beleven, waar te ne­men, dat ook voor alle anderen mogelijk moet zijn. Want er zijn weliswaar verschillen in geestelijke ontwikkeling, in stoffelijke bouw, in type, in karakter, maar ondanks alles blijft ons steeds de band. In de eerste plaats met het Goddelijke, in de tweede plaats met de bewustzijnsgrenzen die aansprakelijk zijn voor ons incarneren als mens. Zo stel ik dus de geest kan verder uitgaan dan zij doet. De reden van dit zichzelf beperken moet gelegen zijn in de geest. Het kan niet van buitenaf opgelegd zijn, want in een dergelijk geval zou ook de eenling, ja, zelfs de inge­wijde, niet kunnen ontsnappen aan de beperking van zijn eigen wereld. Daarom, de geest is zich niet bewust van haar werkelijk wezen. Zichzelf niet kennende, vormt zij zich toch een denkbeeld omtrent zichzelf, en handelt zij naar het denkbeeld dat zij omtrent zichzelf gevormd heeft. Hiermee beperkt zij onbewust haar vermogens en capaciteiten tot zij passen binnen de wereld, waarin zij zichzelf als werkelijkheid aan­vaardt.

Zoals dat op aarde gebeurt, kan dat in elke geestestoestand evenzo waardevol, evenzo waar ook zijn. Wanneer een geest bevrijd wordt van de stof, heeft zij nog wel degelijk een denkbeeld over zichzelf. Dat denkbeeld kent aan het ik bepaalde mogelijkheden en kwaliteiten toe. Bij alle handelen, alle streven en alle denken, wordt het wezen bepaald en ook beperkt juist door deze aanvaarde begrenzing.

Wanneer ik nu een bewustzijn vergroot, zal ik daarmee ook mijn bewustzijn omtrent de wereld, omtrent de mogelijkheden van de wereld vergroten. Hieruit volgt dat ik een nieuwe visie krijg op mijn eigen wezen, mijn eigen belangrijkheid en mijn eigen mogelijkheden. Elke vergroting van bewustzijn houdt dus in feite een verandering van mijn wereld in. Elke verandering nu zou genoemd kunnen worden: het betreden van een nieuwe sfeer.

Waar echter een eenling slechts zeer beperkt een nieuwe wereld beleeft en daarbij voortdurend in contact blijft met zijn oude wereld, is men onzerzijds ertoe overgegaan om slechts dan te spreken over een wisseling van sfeer ‑ een overgang naar hoger sfeer bv. ‑ wanneer het bewustzijn gelijktijdig een vervreemding van de waarden van de vroegere wereld inhoudt.

Dit punt is zeer belangrijk. Zolang nl. mijn eigen voorstellingsvermogen, mijn beleven, mijn werken slechts een intensifiëring van de waarden betekent, die de wereld zijn, waartoe ik behoor, zal mijn beleven wel op een hogere trap staan, maar ik kan mij dat niet realiseren. Eerst wanneer werkelijk alle betekenis verandert ‑ het gehele beeld dat ik verwerf van de wereld die ik beleefd heb, een ander wordt ‑ ben ik werkelijk in een nieuwe sfeer gekomen.

Nu kunnen wij ons voorstellen dat een geest die tot hoger bewustzijn komt, op een bepaald ogenblik ziet hoe onbelangrijk en klein haar vroegere wereld was; dat zij daarnaast ziet de grote mogelijkheden van het nieuwe bestaan dat voor haar openligt. Dat is vaak een schok. Er zijn dingen die heel lang in het geheugen kunnen hangen als een soort zwevende dreiging om plotseling als een bliksemstraal door te breken in het bewustzijn. Dan vraagt men zich af: Is het dan werkelijk zo. En diep van binnen weet men: Het was er wel, maar ik heb er nooit aandacht aan geschonken.

Zo ongeveer moet u zich voorstellen dat het gebeurt wanneer het bewustzijn een nieuwe sfeer betreedt. Allerhande kleinigheden die reeds in feite aanwezig waren, maar nog niet tot een geheel werden samengevoegd, nog niet een nieuw beeld vormden van het bestaan, vloeien plotseling bijeen. Al het oude verliest zijn betekenis en zijn waarde. Daarvoor liggen nieuwe mogelijkheden open. Die nieuwe mogelijkheden kunnen alleen dan gerealiseerd worden, wanneer wij ‑ ons baserende op ons eigen bewustzijn ‑ ons bewegen als groeiende en lerende wezens in dit nieuwe bestaan.

Schijnbaar heb ik hiermee misschien aan de realiteit van een sfeer afbreuk gedaan. Men zou kunnen zeggen: Wanneer een sfeer alleen maar een kwestie van bewustzijn ‑ dus van denken, van zien en beleven ‑ is, kan ik haar niet als werkelijk kwalificeren. Ik meen daarop echter te kunnen antwoorden: Wanneer een groot aantal personen of persoonlijkheden een reeks van verschijnselen als vaststaande waarheid aanvaardt, ontstaat een delen van een bepaald bewustzijn en een mogelijkheid tot handelen binnen de regels die dit bewustzijn stelt. Zo wordt een wereld gevormd die in zich voor alle deelhebbers volkomen reëel zal zijn.

Voorbeeld: Kinderen spelen. Een stoel is tot een auto geworden en een oude canapé misschien tot een zeeroversschip. Voor de kinderen die gezamenlijk in één fantasie leven, is dit werkelijk. Zo werkelijk, dat zij in staat zijn de consequenties van hun handelingen en daden in hun eigenlijke wereld dan ook te vergeten. Een volwassene ziet wel het spel, maar kan niet de intensiteit van beelden, de drang tot bepaalde handelingen en daden begrijpen, die de kinderen zich soms ‑ van uit volwassen standpunt ‑ als baarlijke duivels doen gedragen. Hij ziet meer van het leven dan het kind en dus gelijktijdig minder. In het meer zien van de grote lijnen van het menselijk bestaan gaat gelijktijdig teloor de speciale aandacht voor de persoonlijke gedachte, voor de persoonlijke fantasie die in die wereld weinig of geen plaats ingeruimd vindt. Ik geloof dat het voorbeeld duidelijk is.

Elke geest die in een hogere sfeer vertoeft, beziet onze wereld en ons leven niet als iemand die daaraan vreemd is, maar als iemand die daarboven staat, die door zijn overzicht wat voor ons nog zo belangrijk is, als onbetekenend ziet.

De consequentie hiervan is, dat alle sferen feitelijk één wereld vormen. Er zijn geen twee of geen drie werelden; geen twee of geen drie sferen van uit geestelijk standpunt. Er is slechts één grote wereld en die omvat zowel het rijk van de geest als het rijk van de stof. Die werelden kunnen zich op één plaats bevinden. Zij kunnen zich ongetwijfeld uitbreiden ook buiten de plaats die door een bepaald bewustzijn als wereld wordt aanvaard; maar zelfs dan is die beperking deel van een groter geheel. Hoe hoger de sfeer is, hoe minder plaatsbepaling, begrenzing van plaats en van tijd invloed heeft.

De realiteit van de sfeer is dus gelegen in het feit dat een groot aantal naar bewustzijn strevende wezens elkaar ontmoet en in deze ontmoeting een gezamenlijk wereldbeeld ontwerpt, daarmee handelt, onder­ling daarover discussieert en onderling daarin kan streven en werken. Elke sfeer die door een groot aantal wezens wordt gedeeld, zal moeten gehoorzamen aan bepaalde wetten en waarden, die door het gemid­delde bewustzijn van alle deelhebbers in die wereld worden gesteld. Zo kunnen wij sferen van uit een zuiver stoffelijk standpunt gaan definië­ren in termen van: licht of duister, van meer licht of meer duister. Wij kunnen daarbij nog spreken over vormwerelden en over vormloze werelden. Om een voorbeeld te geven van uit een zuiver stoffelijk standpunt: De duistere werelden die dicht aan uw eigen wereld grenzen ‑ dus qua bewustzijn daarvan niet zoveel verschillen, maar slechts de nadruk op be­paald begeren bv. leggen ‑ doen ons denken aan een slechte kwaliteit kopieën van uw eigen wereld. Zij het dan begrensder en beperkter zijn, omdat geen voortdurende vernieuwing daarin optreedt. Het is er duf, het is er doods, maar aan de andere kant: we vinden er huizen, we vinden er kroegen en theaters; we vinden er een dansavond, een bridgeclub en we vinden er werk. Net als op aarde. Een soort schijnbeschaving. Gaan we daarentegen juist even boven de schaduwgrens, dan vinden we daar de lagere lichte sferen. 0ok weer met bossen, weiden, velden, kleine stadjes, mensen die werken, mensen die spelen, zingen en lachen.

En we moeten helemaal niet verbaasd kijken, wanneer ons daar een wande­laar voorbijkomt met een grote sigaar in de mond en elders een paar da­mes gemoedelijk onder een bloeiende boom een kopje thee zitten te drinken. Dit vloeit niet voort uit het werkelijke bestaan, maar uit het feit dat deze handelingen ‑ als gewoonte uit de stof a.h.w. meegenomen ‑ nog als belangrijk gelden voor bepaalde belevingen. Het verschil tussen de materiële wereld en de geestelijke werelden zou misschien het kortst zo omschreven kunnen worden: In de stoffelijke wereld zijn een aantal handelingen noodzakelijk voor het leven. Verder be­staat er een reeks van emoties, die het best in handelingen worden uitgedrukt. Bijvoorbeeld: nervositeit wordt heel vaak uitgedrukt door roken; gemoedelijkheid door een kopje thee of een glas bier; een verfijnd genoe­gen of een feestelijk samenzijn door een glas wijn of sterkere drank. Een gemeenschappelijke maaltijd kan in vele gevallen de band van een ge­zin bijzonder sterk uitdrukken. Het zijn deze emoties die in de aangren­zende sferen zo belangrijk zijn. Wanneer iemand rookt, is dat een herschep­pen van een bepaalde innerlijke gesteldheid, die op aarde ‑ volgens ge­woonte ‑ gepaard ging met roken. Dat geldt voor alle genoemde voorbeel­den evenzo.

Komen wij echter deze eerste ‑ nog onmiddellijk aan de wereld en aan het bewustzijn van de wereld grenzende ‑ sferen voorbij, dan valt ons op dat zowel naar duister als naar licht een wijziging van vorm optreedt. De vormen zijn minder nauw omschreven en zullen in het duister komen tot het vormloze van een amoebe; in de lichte sferen tot een stralend licht zonder zichtbare kern. Hier is het beeld van de persoonlijkheid veranderd. In het duister is het amorf, een poging om aan het ik te ontsnappen. Zelfs de vorm wordt ervaren als een belasting, als een hinderpaal. En in het zoeken naar chaos tracht men zich ook daaraan te onttrekken om zo te kunnen opgaan in een niet, waarin men dan meent rust te vinden.

In een hogere sfeer daarentegen wordt de eenheid met de levende kracht zoveel sterker in het bewustzijn uitgedrukt als het bewustzijn van vormen en de noodzaak van vorm tot het wekken of uitdrukken van emoties noodzakelijk zouden maken. Zo sterk kan het goddelijk Licht zijn, dat men tenslotte niets meer is dan een vonk van dat licht. Het beleven van het bestaan is licht. Daarom is de uitdrukking van het leven evenzeer licht.

Maar nu komt zo’n wezen uit een lichtende sfeer in een lagere wereld. Wanneer het zich daar in zijn werkelijke gestalte zou vertonen ‑ dus als zuiver licht ‑ zou niemand de aanwezigheid bemerken. Want het licht is a.h.w. diffuus. Het verspreidt zich overal gelijkelijk. Het heeft geen scherp brandpunt meer. Het bewustzijn dat zo hoog is gestegen, omvat immers deze gehele geestelijke bestaanswereld, de gehele groep van entiteiten, ja, vele van deze groepen op verschillende hoogten gelijktijdig. Daarom is het wezen uit de hogere sfeer niet kenbaar; het bestaat te midden van al deze andere werelden. Naarmate de wezens in al deze werelden ‑ geschapen door begrenzing van bewustzijn meer in harmonie zijn met een hogere sfeer, zullen de werkelijke verschijnselen daarvan meer kenbaar worden. Het bewustzijn echter weigert ze te aanvaarden als afzonderlijk verschijnsel en verwerkt ze dus in eigen wereldbeeld.

Voorbeeld: De lichtende geest, waarover ik zoe-ven sprak, komt in Zomerland terecht bij mensen die nog vormbewust zijn; wezens, die pas aan de stof ontkomen zijn. Dan is het voor hen alsof de zon extra helder schijnt. Zij hebben echter geen flauw bewustzijn van een groter, een sterker, een intenser wezen dat in hun nabijheid is. Zij zullen misschien beroerd worden door bepaalde stemmingen en impulsen van dit grote wezen, maar dit zullen zij toeschrijven aan omstandigheden in een wereld buiten hun eigen mogelijkheden en beslissing. Ze zullen nooit accepteren dat een hoger wezen hen nabij is. Moet dat wezen zich daar openbaren, dan moet dat in een vorm geschieden, al is het ook maar een lichtende zuil of een zon. Dus beperkt binnen de grenzen van de eigen bewustzijnswereld en bewustzijnstoestand. Dit leidt ertoe dat van uit de geest voortdurend beschrijvingen over sferen worden gegeven, die telkenmale verschillen, die telkenmale different zijn.

Elke wereld is eigenlijk voor degene die ze beleeft een persoonlijke interpretatie van de binnen eigen bereik vallende mogelijkheden die zich tonen; een eigen interpretatie. Ook u interpreteert uw wereld op uw eigen manier. De één ziet ze wreed, een ander als een leerschool. Een derde misschien weer als iets dat je moet ondergaan; en zo kunnen we verdergaan.

Zo is het in de geest precies hetzelfde. Een geest die tracht zichzelf te definiëren door te zeggen: “Ik behoor tot die of die sfeer,” beperkt bewust of onbewust daarmee zijn eigen persoonlijkheid. Zodra men zegt tot een bepaalde sfeer te behoren, heeft men zich nl. aangesloten bij een groep van gelijkgezinden en gelijkdenkenden en wijst men zowel de beneden zich liggende werelden ‑ dus bewustzijnstoestanden ‑ als de boven zich liggende, nog niet bereikte werelden af. Een beperking dus van het wezen. Hoe meer men voorgeeft uit hoge sferen te komen hoe twijfelachtiger het wordt. Want iemand die gaat spreken over een hoge sfeer, zal ongetwijfeld daarbij een beroep moeten doen op de verschillen zoals u die op aarde kent en dan is hogere sfeer zo ongeveer hetzelfde alsof iemand zegt tegen een lagere ambtenaar: “Ja, maar ik ben minister van Financiën.” Het is een poging om een verschil in rang of stand tot uitdrukking te brengen. En verschil in rang en stand bestaat er geestelijk niet. Er bestaat slechts een groter of minder groot begrip omtrent de werkelijkheid waarin wij allen leven.

Elke sfeer en elke wereld heeft de vaststaande kentekenen voor degene die haar van buitenaf beschouwt. Degene die in een sfeer of wereld leeft, ervaart haar als zijn universum. Degene die erbuiten staat, ziet bepaalde zeer sprekende kentekenen, die schijnbaar voor het gehele gebied van gelijk-bewustzijn ongeveer gelijkelijk gelden. Aan de hand daarvan bepaalt hij dan zijn oordeel daarover.

Zo zijn verdelingen van sferen in vele trappen gebruikelijk. Wij vinden o.a. 9, 47, 49, 7 en 61 verschillende sferen. Ik noem nog niet eens alle getallen die gebruikt worden om deze onderverdeling aan te duiden. Maar deze onderverdeling kan alleen gelden van uit een bepaald bewustzijn, van uit een bepaalde wereld.

Dit kan ik u misschien het beste duidelijk maken door te trachten u te tonen hoe een geest, die hoger staat dan uw wereld, uw wereld plus lagen geestelijke gebieden ziet. Dit wordt gezien als één geheel. De lagere geest, die in de vorm gevangen zit, is alleen een minder bewuste versie van degenen, die ‑ aan de vorm gehecht ‑ op uw wereld rondgaan. Het verschil in materie en fijne materie ‑ wel kenbaar ‑ wordt hierbij niet eens zo sterk in aanmerking genomen. Zo zou men zich kunnen voorstellen dat de hoogste geest dus alle sferen ziet als één gebied, een gebied onder het ik gelegen, waarbij elke afdaling naar een lagere sfeer niet is het verlaten van een wereld, maar een beperken van eigen bewustzijn tot een bepaald detail. Elk detail zal in zich weer verschillende andere details bergen. Naarmate de concentratie scherper wordt, daalt a.h.w. het bewustzijn van detail tot detail terugvliedend en zo het eigen ik beperkend ‑ de hogere geest af tot onze sfeer. Voor ons. Voor zichzelf heeft zij zich slechts geconcentreerd op een zeer gering deel van het grote geheel.

Degenen die deze voorstelling in zichzelf kunnen verwerken, zullen ongetwijfeld hierdoor begrijpen hoe het mogelijk is dat hoge en lage geesten gelijktijdig kunnen werken op deze aarde. Zij zullen begrijpen hoe er geen direct verschil kan bestaan tussen de uiting op aarde van een hoge geest en een lage geest, tenzij in inhoud en streven; dus uiting van bewustzijn. Alleen de uiting van bewustzijn kan het ons mogelijk maken althans enigszins een oordeel te spreken omtrent de origine en sfeer van een bepaalde geest. Niets anders.

Naarmate wij sferen minder verdelen en meer als één geheel beschouwen ‑ een soort continuïteit, waarbij het ik steeds groter wordt en dus steeds meer van de Schepping overziet ‑ zullen wij ook gemakkelijker de overgang kunnen aanvaarden niet alleen van stof tot andere sfeer zoals vorige maal uitvoerig besproken werd, maar ook elke overgang van sfeer tot sfeer geleidelijker en gemakkelijker kunnen ondergaan. De grote moeilijkheid van de grens tussen de sferen is nl. dat men zich krampachtig vasthoudt aan het beeld van een vroegere wereld, tot men dit ‑ moe geworden en moegestreden in de poging daarin nog te leven en interesse te vinden ‑ en ook zichzelf en zijn voorstellingen een ogenblik prijsgeeft om dit te ontdekken dat men zich slechts oog‑ en oorkleppen heeft aangemeten, waardoor een deel van de werkelijkheid van het ik verwijderd werd gehouden. Het voorstellingsvermogen, dat is hetgeen waar het om draait: het bewustzijn. Naarmate de intensiteit van het beleven groter wordt, naarmate het inzicht in de werkelijke betekenis der dingen groter wordt, breidt de wereld zich uit. Maar met de wereld groeien wij. Wat eens belangrijk en overweldigend scheen, is nu klein en onbelangrijk geworden. Wat eens machtig was, is nu onbetekenend. En wat eens ver achter de horizon doemde als een mogelijkheid is nu een werkelijkheid.

Dit is het verschil der sferen. Dit is de werkelijke betekenis. De sferen zijn reëel, omdat ze leven in ons. Sferen zijn regel, omdat wij steeds contact zoekende met de verdere schepping, gebonden ook aan de verdere schepping door de goddelijke Wil, van bewustzijn tot bewustzijn moeten gaan, van wereld tot wereld, zoals zij in ons voorstelbaar is.

De wereld zelf echter is één. Er bestaat geen werkelijke grens en scheiding tussen een grote en een kleine wereld; tussen een hoge sfeer en een lage of tussen stof en geest. Dit alles wordt uit ons geboren. Indien wij er afstand van kunnen doen, zullen wij ongetwijfeld de grote wereld steeds intenser beleven. Maar zelfs als de scheiding in ons bewustzijn is weggevallen, zullen wij moeten groeien om te beseffen wat de nieuwe gebieden die voor ons open liggen, werkelijk betekenen.