De realiteit van geestelijke krachten

8 september 1961

Aan het begin van deze bijeenkomst wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wij hopen, dat u zelfstandig na zult denken over alles, wat gebracht wordt.  Als onderwerp zou ik gaarne met u willen spreken over: De realiteit van geestelijke krachten.

Ik weet, dat er vele mensen op aarde uitgaan van het standpunt, dat bepaalde geestelijke krachten, mogelijkheden en werkingen op aarde niet praktisch tot uiting kunnen komen. Zij gaan van de vreemde stelregel uit: er is in de lange geschiedenis der mensheid geen enkele periode aan te wijzen, waarin de geestelijke krachten in of boven de mens een zodanige invloed wisten te verwerven, dat van een algehele vernieuwing sprake kon zijn. Daarom moet het als niet waarschijnlijk worden geacht, dat dit nu wel zou kunnen geschieden. Daarbij moet ik opmerken, dat ik deze wijze van redeneren een eigenaardige vindt. Op dezelfde wijze kan men betogen: Hebt u wel eens een been gebroken? Niet? Dan is het niet waarschijnlijk, dat u een been kunt breken! Deze laatste stelling klinkt u dwaas in de oren. De eerste wordt daarentegen door velen als redelijk beschouwd. T.a.v. de geest horen wij dan ook steeds hetzelfde geluid. Wij horen de mensen zeggen: “Wat geeft het ons, wanneer wij met veel moeite iets geestelijk of materieel opbouwen? Morgen komen de Russen en is alles voorbij…. .” Anderen stellen: “Het heeft geen zin de wereld te verbeteren, of iets bijzonders te doen. Binnenkort vallen de atoombommen en keren de mensen, die overblijven, weer terug tot het dierlijke peil van hun verre voorvaderen….”

Deze mentaliteit en dit soort stellingen zou ik gaarne nu willen bestrijden. Niet, omdat ik meen, dat dit voor u noodzakelijk is, maar omdat ik de mening ben toegedaan, dat de volgende argumenten zowel informatief als ter verdediging van uw standpunt voor u nuttig kunnen zijn.

Telkens weer, wanneer de mensheid rijp was voor een verandering, vond deze inderdaad ook plaats. Elke verandering binnen het menselijke ras ging gepaard met een langzame en haast onopvallende verandering van het menselijke type – het stoffelijke voertuig. Daarnaast bleek elke verandering te berusten op een vaak wat sneller zich afspelende verandering van denken, terwijl ook een verandering in het gebruik van het denken en de geestelijke mogelijkheden van de mens een belangrijke factor vormde bij elke omwenteling.

In de tijd, dat Lemurië zich ontworstelen moest aan de nevel en aan zijn sterke gebondenheid aan groeps- en natuurgeesten, hebben vele Lemuren ongetwijfeld het hoofd geschud over de dwaze denkbeelden die door de jongeren en meer bewusten werden geponeerd. Menigeen is in die dagen ter dood gebracht, omdat hij een voorstander was van een nieuwe periode; omdat de behoudzuchtigen stelden: dit kan niet, dit is dwaasheid, dit is onmogelijk. In Atlantis heeft een soortgelijke strijd zich ontwikkeld. Ook hier kwam een ogenblik, dat een keuze moest worden gemaakt. In dit geval ging de keuze tussen een vergeestelijkt denken én een meer materialistisch leven en denken. Er waren vergeestelijke denkers, die de juiste weg voor de komende tijden konden overzien. Zij behoren vaak nog heden tot de Witte Broederschap en wisten in ieder geval tot in het witte Licht door te dringen, terwijl zij een grotere eenheid van het ik met de kosmische ziel wisten te verwerven. Dezen werden door de Atlanten uitgestoten, zodat velen van hen wegvluchtten. Zelfs nu nog ziet men de overblijfselen van het rijke erfdeel, dat deze pioniers de mensheid gaven: Egypte, de beschavingen van India, Tibet en China en het begin der beschavingen in Z-Amerika is voor een groot deel aan deze mensen te danken. Atlantis zelf ging echter ten onder.

Sindsdien is vele malen een dergelijk iets op aarde gebeurd. Zelfs het christendom, dat allereerst een verandering van innerlijke houding en wereldaanvaarding vergde, werd in het begin als iets abnormaals achtervolgd en bestreden. Het werd bespot, gehoond en uitgelachen.

Toch is het christendom in deze dagen voor geheel de wereld van een zo groot belang, dat het zelfs sterk de denkwijzen van vele islamieten, boeddhisten, hindoes e.a. beïnvloedt. De leefwijze, die door het christendom, vooral in het westen ontstond, bracht een aanmerkelijke wijziging van de menselijke gestalte met zich, zodat de westerse mens van heden aanmerkelijk in gestalte en lichamelijke vermogens verschilt van zijn voorvaderen uit de tijd van Christus geboorte. Door de geciteerde voorbeelden hoop ik u enigszins duidelijk te hebben gemaakt, dat veranderingen in het menselijke ras onopvallender – volgens menselijk inzicht – betrekkelijk langzaam plegen te geschieden, terwijl zij zowel materiële als geestelijke waarden omvatten.

Vanuit geestelijk standpunt gezien is de toestand op uw wereld ongeveer als volgt. Er ontwaakt meer en meer een nieuw besef in deze dagen. Er blijken nieuwe capaciteiten in de mensheid te zijn ontwaakt. Dit proces is reeds gedurende 100 jaren aan de gang. Het aantal mensen dat met deze nieuwe mogelijkheden en begaafdheden gezegend is, neemt dan ook aanmerkelijk toe. In het systeem en het denken van uw wereld zijn deze gaven en mogelijkheden niet onmiddellijk aanvaardbaar of bruikbaar. Zij zijn moeilijk te omschrijven in de termen van de hedendaagse mens, en in de ogen van degenen, die het bestaan van deze mogelijkheden en gaven al beseffen, zijn ze in vele gevallen te onbelangrijk om bijzondere aandacht te genieten. Zo kan het gebeuren, dat in de menselijke voertuigen als gevolg van de erfelijkheid, plus een voortdurende beïnvloeding van buiten af, een groot aantal lichte mutatievormen ontstaat, waarbij de geest via onderbewustzijn en stemmingen een sterker invloed dan normaal op het stoffelijke lichaam kan gaan uitoefenen. De gevoeligheid van vele mensen, vooral door vergroting der sensitiviteit en versnelling der zenuwreacties, is eveneens over geheel de wereld reeds aanmerkelijk opgevoerd. De gemiddelde bevattingsmogelijkheid voor en reactiesnelheid op ideeën van de doorsnee mens bedraagt op het ogenblik het 10-voudige van dezelfde waarden rond het jaar 1500.

Op het ogenblik zijn er wel degelijk veranderingen gaande, alleen hebben deze veranderingen voor de mens nog geen direct kenbaar doel. Het nog afwezig zijn van een mogelijkheid tot doelbewust streven met gebruik van deze nieuwe mogelijkheden brengt de mens tot vele wrede handelingen en onoverlegde, of in het huidige bestel niet passende daden. Zo ontstaat er bv. een toenemend verzet tegen bestaande conventies, waarvoor deze geestelijke achtergronden aansprakelijk kunnen worden gesteld. Indien men niet beseft, waarom dit verzet tegen de conventies plaats vindt, zal het op een onredelijke wijze geschieden, met als resultaat een bestrijding van deze neiging en een achtervolgen van de mensen, die hierdoor te ver worden meegevoerd van de nog geldende normen.

Wat de geest zelf betreft, is er eveneens sprake van een grote verandering. Deze verandering is overigens voor een deel door de mensheid zelf tot stand gebracht, doch komt ten dele ook voort uit hogere geestelijke invloeden.

Allereerst wijs ik u op het feit, dat in uw eigen atmosfeer de laatste jaren grote veranderingen plaats hebben gehad. Ik doel hierbij niet alleen op verandering in stralingsverhoudingen binnen de atmosfeer, of op het optreden van sterkere radioactieve neerslag, maar ook op de verandering van de zich in drie gordels rond de wereld bevindende afweer tegen te sterke of ongewenste stralingen van buitenaf. Deze gordels, die voor de mens zelf het uiterlijk van stralingsgordels hebben, bezitten de eigenschap een groot deel van de uit het Al de aarde treffende invloeden – daaronder begrepen bepaalde invloeden op astraal vlak – te reflecteren of af te buigen. Ook zonder de atoombom zou dit proces zich hebben afgespeeld. Rond 1900 bereikte van het totaal der buitenste lagen der atmosfeer treffende stralingen en invloeden ongeveer 3% de wereld. In het jaar één van de christelijke, jaartelling bedroeg het percentage der invloeden, die de aarde bereikten, ongeveer een half per honderd. Dit houdt in, dat in de tussenliggende periode de directe beïnvloeding vanuit de kosmische ruimten op aarde aanmerkelijk is toegenomen. Dit houdt ook in, dat de aarde en de daarop levende mensheid, in versterkte mate vatbaar wordt voor bepaalde geestelijke trillingen; doordat de van buiten tot de aarde doordringende invloeden groter werden, konden deze in toenemende mate gaan fungeren als een soort klankbord – of draagvlak – voor bepaalde geestelijke inzichten en krachten, die daarmee een niet onaanzienlijke versterking van werking vertonen.

Het mogelijke bereiken op geestelijk vlak, vanuit zuiver persoonlijk standpunt gezien en onafhankelijk van andere bereiken, is op het ogenblik aanmerkelijk kleiner als bijvoorbeeld in Jezus tijd. Daar staat tegenover, dat elke gemeenschappelijke krachtuitoefening, vooral wanneer deze niet gelimiteerd wordt door bepaalde groepsbegrippen, dankzij de vooromschreven werkingen, op het ogenblik tussen de 120 en 150 malen sterker wordt voortgeplant. Het gemeenschappelijk denken en geestelijk streven betekent in deze dagen dan ook een aanmerkelijk sterkere beïnvloeding van alle geest, die zich op en rond de aarde bevindt, ook wanneer deze geest binnen een menselijk lichaam leeft. U zult begrijpen, dat geestelijke krachten in feite reëler zijn geworden voor de massa dan voorheen denkbaar was.

Eens waren er op aarde vele “wonderen” mogelijk. Deze wonderen dienden steeds weer aan één enkele mens toegeschreven te worden. Het was de magisch begaafde priester, de genezer, of de tovenaar, die de wonderen deed. De periode van het zuiver persoonlijk wonder gaat langzaam maar zeker voorbij. Daarvoor in de plaats komt het gemeenschappelijke wonder, het door gemeenschappelijk denken en streven geschapen mirakel, dat de natuurlijke condities, zoals die op aarde gekend zijn, kan variëren, wijzigen en in sommige gevallen zelfs geheel uitschakelen.

Let wel, dit wordt op aarde nog niet erkend en dus ook nog niet bewust gebruikt. Een groot deel van deze geestelijke beïnvloeding wordt op het ogenblik toegeschreven aan de dwaasheid, traagheid, of wijsheid der mensen, dan wel als een toeval beschouwd. In feite is er slechts zelden sprake van een toeval, terwijl bij zeer vele onverwachte voorvallen gerekend moet worden met een sterke werking der geestelijke krachten.

Bijvoorbeeld, wanneer op aarde 1.000 mensen met haat en afkeer aan 100 andere mensen denken, zal deze afkeer zich sterk vergroten en zich niet alleen in de persoonlijke houding van de 1.000 openbaren, maar daarnaast tot uiting komen in verschijnselen als luchtelektriciteit, wijzigingen in het klimaat, terwijl ook het falen van bepaalde apparatuur, of het plotseling veranderen van omstandigheden op het gebied van bijvoorbeeld land- en tuinbouw daaruit voort kan komen. Het optreden van bepaalde plagen – vergelijkbaar met de hier nogal slecht bekend staande Coloradokever bv. – kan door een dergelijke haat eveneens worden beïnvloed en bevorderd. Op het ogenblik, dat een dergelijke haat geen haat als antwoord vindt, ontstaat een afweer. Indien deze afweer bewust beleefd zou worden, zou geen enkel der genoemde verschijnselen als gevolg van het denken der 1.000 in de genoemde groep van 100 optreden, doch het geheel der verschijnselen optreden op het gebied van de 1.000 en hun aanhangers.

Een typisch verschijnsel, dat tevens een verheldering van het gestelde kan inhouden voor u en vooral voor hen, die van bepaalde magische wetten op de hoogte zijn. Voorbeeld: A gelooft in genezing, B niet. A behoort tot een groep, die langs geestelijke weg wil genezen, B behoort niet tot een dergelijke groep en acht in feite een dergelijke wijze van genezen onmogelijk. De inspanningen van A worden omgezet in een kracht, die grotendeels weerkaatst wordt door de ongelovige of afwijzende instelling van B. Het gevolg is, dat de uitgezonden krachten dan wel weerkaatst werkt op A en diens groep, daarin beterschap bij bepaalde zieken veroorzakende, dan wel gedeflecteerd wordt naar een derde persoonlijkheid, die wij C zullen noemen, hoewel deze A noch B kent en van het proces zelf niet op de hoogte is. C, die deze krachten wel aanvaardt, zal, zelfs indien hij zich niet bewust is van hun aanwezigheid of inwerking, kunnen genezen. Hieruit volgt, dat bepaalde werkingen afgebogen kunnen worden en, zonder dat iemand zich dit realiseert of zelfs wenst, elders werkzaam kunnen op treden, wanneer zij teruggekaatst worden van het doel, waarop zij oorspronkelijk gericht waren.

Na u een paar beelden te hebben gegeven van wat kan optreden op aarde, wil ik nu proberen iets verder door te gaan op het reële van de geestelijke krachten, die nu op aarde steeds meer voor gaan komen. Alles, wat bestaat, is tot op zekere hoogte bezield. Naast deze bezieling bestaat er een aantal zogenaamde schillen of gedachtevormen, die handelen, alsof zij persoonlijkheden waren, maar niet bezield zijn. Alle, in de natuur optredende krachten en verschijnselen mogen dan ook – veiligheidshalve – worden geacht een eigen persoonlijkheid te bezitten. Ter verduidelijking voeg ik hieraan toe, dat al deze persoonlijkheden op astraal vlak belichaamd zijn, terwijl hun lichamen gevormd zijn uit astrale materie, die onmiddellijk uit het astraal lichaam van de wereldgeest zelf stamt. Wanneer wij voldoende sensitief zijn en met dergelijke persoonlijkheden te maken hebben, zullen zij – in hun wezen als natuurverschijnselen of natuurlijke invloeden – tot ons kunnen spreken. Wij kunnen dan de natuur, zelfs als mens in de stof, leren verstaan en met die natuur tot op zeer grote hoogte zelfs een redelijk contact krijgen. Wij kunnen dan als het ware spreken met alles, wat rond ons is.

Nu heeft alles, wat bezield is in de natuur – of dit een element is als lucht of water, dan wel een plant is, of een vogel in zijn vlucht – een bepaalde visie op de wereld. Zelfs bij een uitsluiten van elke verdergaande kosmische beïnvloeding, zal de mens, die voldoende gevoelig is en zich open wil stellen voor de krachten der natuur, kunnen leren om geheel de wereld te bezien uit een onpersoonlijk standpunt. Hij zal de wereld op deze wijze intenser en juister leren kennen, dan het hem als mens alleen mogelijk zou zijn. Hij voelt aan, dat er in hemzelf een tegenpart of tegenwicht van de materiële wereld bestaat. Dit tegenpart is de geest, die contacten met meer kosmische krachten heeft. De mens, die dit alles bereikt, heeft inzicht in geheel de natuur, kan de invloeden van het astrale vlak op de grotere materie overzien en aanvoelen, wat er verder aan werkingen en invloeden optreedt. Dit betekent, dat de geest van die mens steeds verder open staat voor kosmische invloeden en een steeds verder gaand kosmisch bewustzijn kan verwerven. De geest kan zich op deze wijze ontwikkelen tot een wezen, dat een groot deel van eigen leven buiten de bindingen met de aarde en het aan de aarde gebonden bewustzijn slijt, ofschoon de binding met het lichaam zonder meer in stand blijft. Deze geest is zich dan geheel bewust van de sferen, waarin zij vertoeft en is in staat bepaalde kosmische stromingen of machten in zich goed en geheel te verwerken.

Nu weigert de menselijke geest over het algemeen een dergelijke geestelijke inhoud, onverkort en geheel in zich op te nemen. De mens zal grotendeels juist deze kosmische impulsen en belevingen in andere sferen, om willen zetten in menselijke woorden en begrippen. Doet de mens dit aan de hand van de nu als redelijk geldende materiële opvattingen, dan wordt hiermee een afscherming geschapen, waardoor de kosmische krachten en werkingen door de geest niet meer kunnen worden overgedragen op het eigen stoffelijk voertuig, of via dit voertuig op de materie. Is er echter geen sprake van een dergelijke scheiding tussen stof en geest door stoffelijk-redelijk denken, onverschillig, of dit geheel bewust of ten dele onbewust tot stand wordt gebracht, dan zullen alle krachten en vermogens en zelfs alle bewustzijn, dat door de geest kosmisch kan worden ervaren, aanvaard en begrepen, via een stoffelijk medium kunnen worden gereproduceerd. De manifestatie vindt dan plaats door deze krachten en dit bewustzijn vanuit het lichaam, of via de gedachten, in dit lichaam, in de omliggende wereld uit te doen stralen.

Nu hebt u allen – ik hoop, dat u dit van mij voorlopig aan nemen wilt – zeer rijke banden met andere ogenblikken in de tijd en andere plaatsen en toestanden in het Al. U noemt dit voor een deel karma, omdat u dit alles ziet als een binding van het heden met stoffelijke levens in het verleden. Dit is echter geen karma in de zin, dat alles alleen op vroegere in de stof geschapen, of beleefde waarden berust. U bent eveneens in contact met alle sferen, alle geestelijke en kosmische vlakken, waarop u te enigerlei tijd werkzaam bent geweest. Zolang u in staat bent deze inwerkingen logisch te aanvaarden en deze als een deel van eigen leven te zien, dat u zich daarop weet te verheffen, of ter wille daarvan te onttrekken aan hetgeen uw menselijke wereld op het ogenblik voor u kan zijn, zult u eveneens kunnen beschikken over een zeer groot deel van de krachten, die in deze verbindingen nog steeds bestaan. U hebt dan – in geestelijke krachten uitgedrukt – deel aan andere werelden en andere tijden, terwijl u eveneens kunt beschikken over een groot deel van de daartoe behorende kennis en bekwaamheden.

De kern van de mens is op zich een tijdloos wezen. Een geest zal zich steeds weer in de materie openbaren en zal binnen die materie ongetwijfeld ook steeds eigen wetten volgen. De mens in de stof is een vreemd samenspel van het dierlijke, het geestelijk bewuste en kosmisch vermogen. Een soort drie-eenheid dus. De nadruk daarbij kan vallen op elk der genoemde punten afzonderlijk. Dit wordt dan het leven genoemd, omdat binnen dit vlak op het ogenblik het voornaamste bewustzijn ligt. Toch zullen de drie genoemde waarden binnen het wezen, dat u kent als mens, bij voortduring aanwezig zijn en zullen deel blijven van dit wezen, zolang er sprake is van een heelal, waarin men zich bewust is.

Realiseert u nu, hoe groot dan wel de geestelijke krachten moeten zijn, die ook aan de mens in de stof ter beschikking staan. De mens heeft in het verleden dingen gedaan, geleerd, nagestreefd. In het heden worden deze waarden opnieuw geopenbaard.

Op aarde beschikt de mens over de middelen van de stof om zo uitdrukking te geven aan innerlijke krachten en binnen het ik bestaande geestelijke waarden. Hij beschikt ook over het geestelijke bewustzijn, waardoor hij – buiten de zuiver materiële kennis, die op aarde in hem leeft om – alle noodzakelijke kennis uit het zogenaamde verleden, of uit een andere sfeer, binnen de beperkingen van de stof kan projecteren en daar kan openbaren, zover de beperkte middelen van de stof dit toelaten.

Daarnaast heeft deze mens een binding met kosmische vermogens, de grootste krachten, waaruit de mens als het ware is voortgekomen en opgekweekt. De hoogste waarde in deze kosmische invloeden is God, de oerkracht en oerbron zelf. Ook deze kracht kan via de stofmens geuit worden. Nu weet ik, dat vele mensen in uw dagen spreken over de noodzaak van een ingrijpen door de hogere geest, of – indien zij daaraan niet zo zeer geloven – de noodzaak van een ingrijpen door mannetjes van de maan of Mars. Ik vraag mij af, of dit in feite wel noodzakelijk is. De banden, die de mensheid heeft met zovele plaatsen in het Al, met zovele krachten en sferen, zijn immers op zichzelf reeds voldoende om alles, wat noodzakelijk en gewenst is, tot stand te brengen. Door deze krachten kan de mens, zolang hij deze krachten in zich voldoende aanvaardt en beleeft, praktisch alles tot stand brengen, waaraan hij gelooft.

Geloof is de meest belangrijke, de meest bepalende en vaak ook beperkende factor bij het optreden van geestelijke krachten en kosmische werkingen op aarde. Is deze beperking gering, dan zullen vele dingen kunnen ontstaan en gebeuren, die voor de moderne mens nog onaanvaardbaar heten, die hij liever verwerpt en wegredeneert, maar in feite toch de normale gebeurtenissen zijn, waarop de komende tijden gebaseerd zullen zijn. Dan mag worden aangenomen, dat de krachten van de geest, geestelijke werkingen en kosmische krachten op deze wereld veel sterker zullen zijn, dan de doorsnee mens op het ogenblik kan beseffen en aanvoelen. Zij worden nu door die mens bewust of onbewust grotendeels verworpen. Wanneer er een crisis komt, waarbij de stoffelijke redelijkheid wordt uitgeschakeld, kan worden verwacht, dat, door het wegvallen van beperkingen en remmen, de eigen krachten en vermogens van de mens in een veelvoud van hun ogenblikkelijke werking en invloed tot uiting zullen komen, daarbij de wereld overstromende met onverklaarbare gebeurtenissen en wonderen. Is deze stelling u te stout?

  • Ik meende, dat u dit in een vragende vorm stelde?

Ik heb inderdaad dit alles in een vragende vorm gegoten, waarbij een vraag open blijft. Zelfs een tweeledige vraag. In de eerste plaats de vraag: welke krachten en geestelijke machten dan tot werking zullen komen en in de tweede plaats de vraag: onder welke condities dit zal geschieden. De antwoorden op deze vragen heb ik namelijk niet in mijn betoog gedefinieerd. Om verschillende redenen kan ik op deze vragen geen direct en alomvattend antwoord geven. Wel wil ik proberen mijn eigen visie hierop duidelijk te maken. Al het voorgaande kunt u als vaststaand aannemen bij een beschouwen der wereld vanuit een geestelijk standpunt. Het volgende is mijn mening en niet noodzakelijkerwijze geheel juist.

Wanneer in de mens zijn behoefte tot zelfrechtvaardiging en zijn egoïsme groter blijft dan bijvoorbeeld zijn behoefte aan vrede, rust, welzijn voor zich en anderen, zou een dergelijke schok een geestelijke kracht kunnen ontketenen, die een vernietiging van de wereld ten gevolge zou kunnen hebben. Maar deze vernietiging zal alleen gelden voor hen, die niet kosmisch willen of kunnen reageren en denken, wanneer de redelijke beperkingen wegvallen. Op het ogenblik wordt een vreemd soort oorlog gevoerd. U meent misschien, dat het op het ogenblik vrede is. In feite wordt er een verwoede oorlog uitgevochten op een slagveld, dat daarvoor deze dagen slechts zelden word gebruikt: het slagveld van de geest. Vroeger was het gebruikelijk zijn slachtoffers lichamelijk te kwellen. Op het ogenblik doet men dit vooral geestelijk. Vroeger viel men de vijand aan met economische wapens, of met soldaten. Op het ogenblik bestrijdt men elkaar hoofdzakelijk met ideeën en verdachtmakingen. Vroeger bouwde men een spanning alleen op uit feitelijke intriges en krijgshandelingen. Tegenwoordig doet men dit vooral door de schijn hiervan te wekken en angsten bij de mensheid te doen ontstaan, die men meent te kunnen exploiteren. Een van de belangrijkste wapens in de moderne oorlog is de spanning, waardoor men een zenuwuitputting bij de tegenstander meent te kunnen veroorzaken, vooral door een regelmatig doen wisselen van angst en een gevoel van verlichting. Daardoor ontstaat een soort lusteloosheid, een soort geestelijk dood zijn, waardoor de tegenstander ertoe komt, ook zonder direct geweld, vele dingen te aanvaarden, die hij onder andere omstandigheden met alle middelen bestreden en geweigerd zou hebben.

Stel nu, dat deze spanningen niet alleen uitputtend werken, zoals men aanneemt. Dat daardoor niet alleen een zekere lethargie wordt veroorzaakt, maar op een gegeven ogenblik, naast de lusteloosheid en stilte, een innerlijke spanning ontstaat, die zich uit op een wijze, die redeloze razernij nabij komt. Een reeks van reacties, waarin geen enkel logisch of menselijk argument meer een redelijke invloed kan hebben. Dan mag worden gesteld, dat op een dergelijk ogenblik de wereld geheel open staat voor alle duistere, maar ook voor alle Lichtende krachten en invloeden vanuit de geest; alle Lichtende, zowel als duistere invloeden binnen de menselijke geest zelf bevat, zij het door binding met kosmos en natuur, ofwel door bindingen met sferen en vroegere levens, zullen dan eveneens versterkt tot uiting komen. Hieruit kan men concluderen, dat de inwerkingen groter zullen worden, naarmate meer mensen zullen menen, dat geen enkele stoffelijke uitweg meer bestaat, terwijl zij innerlijk zich toch verzetten voor de hen onaanvaardbare omstandigheden.

Dit werken op oorlogsterrein met de wapens van de geest is verder reeds een indicatie van de ontwikkelingen, die het menselijke ras in de laatste tijd heeft doorgemaakt. Steeds meer valt de nadruk op de geest en de gedachtewereld. Steeds meer wendt men zich tot de psychologie en men komt tot het wetenschappelijk gebruiken van methoden, die vroegere tijden nog als onnatuurlijk en als magisch zouden beschouwd hebben. Trek uw conclusies verder zelf.

De tijd is bijna rijp. Er is een lange tijd van voorbereiding aan deze dagen vooraf gegaan. Onder de mensen van heden bevinden zich reeds grotere aantallen van personen, die – ook al zullen zij zich hiervan niet, of slechts zeer ten dele, bewust zijn – een voldoende begaafdheid, mogelijkheid tot instelling en overgave bezitten om kosmische contacten en krachten op beslissende ogenblikken op aarde kenbaar te maken en in stoffelijke krachten en tendensen om te zetten.

Dezen zullen in directe werkingen manifesteren, hoe de geestelijke krachten werken op aarde en tevens alles, wat daarbij behoort, duidelijker kunnen maken. Het feit, dat ook de wereld van de niet in de stof levende geest, zich op aarde voortdurend met deze ontwikkelingen bezig houdt, versterkt de mogelijkheid tot wonderdadige gebeurtenissen aanmerkelijk. De mens zelf, de instelling van de mensheid zelf, is daarom op het ogenblik de enige werkelijke belangrijke factor.

Zelfs indien men zou trachten dit te ontkennen, zo staat nog vast, dat alleen in de laatste twintig jaar zovele onverklaarbare, om niet te zeggen zuiver magische ontwikkelingen en gebeurtenissen zijn geconstateerd en deels door de pers vastgelegd, dat dezen alleen reeds voor een logisch denker met toegang tot de feiten moet duidelijk maken: er is een nieuwe ontwikkeling, een omvorming van alle bekende waarden, op het ogenblik aan de gang. Deze feiten en gebeurtenissen nemen in de komende tijd aanmerkelijk toe. Ik weet, dat u voorlopig nog met de spanningen en onzekerheden van uw tijd zult moeten leven, maar het bovennatuurlijke ingrijpen, het vreemde inwerken op het lot der mensheid – vaak door de natuur of natuurlijke oorzaken – het frustrerende door toeval van bepaalde bestrevingen en gedachtegangen, zal ook u steeds duidelijker kenbaar maken, dat er geen reden is tot wanhopen, doch wel tot zich openstellen voor invloeden van de nieuwe tijd. Dit zal steeds kenbaarder worden gemanifesteerd in het leven van politieke partijen en kerken, van staatslieden en hun mogelijkheden en gezondheid. Zelfs in weersomstandigheden e.d. zal steeds weer een invloed blijken, die in staat zal zijn de voornemens en condities van de enkeling, zowel als de massa, binnen zeer korte tijd ingrijpend te veranderen.

Zoals reeds gezegd, de natuur speelt in dit alles een steeds groter wordende rol. De doorsnee mens wil redelijk blijven. Hij kan geen opzet en geen bezieling aannemen in natuurverschijnselen en redeneert dan ook nog steeds op de wijze, die ik reeds aan het begin van mijn toespraak karakteriseerde. “Wij”, zo zegt men,” hebben altijd materialistisch moeten denken en streven. Wij hebben steeds in de materie moeten opbouwen, dus zal dit altijd zo zijn. Wij hebben wetenschappelijk bewezen, dat natuurverschijnselen verklaarbaar zijn uit bepaalde regels en wetten, terwijl van een persoonlijkheid daarin geen sprake is voor ons, dus zal dit altijd zo zijn”.

Ik weet niet, of men zich kan realiseren, hoe wonderlijk deze stellingen zijn. Stel u voor, dat in de tijd, dat de mensheid nog moest ontstaan, een aantal wijze apen samenkwamen. Er was in hun stam een aap, die iets meer leek op een mens en iets redelijker dacht dan de rest. De wijze apen besloten nu deze aap uit te stoten uit de gemeenschap, of te doden. “Want deze is abnormaal. Wat hij doet, is waanzin”. Wat boven hun vermogen van werken en denken uitging, konden zij niet begrijpen en vervolgden het daarom.

Zo doen de mensen van heden ongetwijfeld nog. Maar de mens groeide desondanks op. De nieuwe mens zal evenzeer opgroeien, ondanks alle veroordelingen, bespotting en spot van de mensen van heden. Sterker nog: Op het ogenblik bouwen zich op aarde verschillende groepen – of coöperatieven – op, waarbij mensen met verschillende begaafdheden samenwerken en als een allround en afgerond geheel naar buiten toe op gaan treden. Hierbij kunnen grotere kosmische werkingen en krachten in het geding worden gebracht.

Geestelijke krachten zijn zéér reëel op het ogenblik, vrienden, ook al wordt dit wetenschappelijk en menselijk niet altijd voldoende beseft. Laat staan erkend. Deze krachten zullen zich – gezien de steeds grotere en meer omvattende manifestatiemogelijkheden der komende tijd – steeds duidelijker en scherper omlijnd tonen aan allen, die willen zien.

De wereld staat voor een omwenteling. In de betrekkelijk korte periode van enkele honderden jaren gaat zich de gehele geaardheid van het wezen mens veranderen en gaat het geestelijk element daarin een steeds grotere rol spelen. U hebt het geluk te leven in de tijd die de grenslijn vormt bij dit gebeuren. Binnen enkele jaren zal u duidelijk worden, dat zij die de juiste geestelijke instelling hebben en zo het juiste contact met de kosmos kunnen bereiken, onaantastbaar zijn op uw wereld. Misschien, dat vele christenen in die dagen terug zullen grijpen naar de openbaringen van Johannes en zullen zeggen: “Dit is de tijd, want de Heer heeft tot de engelen der verschrikking gezegd: “Weest stil”, en Zijn engelen uitgezonden om dezen te merken, die uitverkoren en onaantastbaar zijn.

Want de waarheid is deze: Wie zich in dagen als deze vastklampt aan de materie en zich te zeer door materieel denken en streven laat leiden, zal onderworpen zijn aan alle hem vijandig gezind schijnende krachten in de kosmos, terwijl hij in zijn bezitslust en angst steeds weer zelf geestelijke krachten rond zich wekt, die hij niet kent en niet kan beheersen. Degene, die reeds heden een zeker kosmisch bewustzijn in zich voelt ontstaan en zelfs kan komen tot een begrip

van de kosmische werkingen, zoals die zich in zijn eigen wezen manifesteren, is gevrijwaard voor veel, wat de anderen op aarde zal overkomen. Bovendien draagt zo iemand in zich de zekerheid, dat hij aan de opbouw van een nieuwe mensheid mag bijdragen, een mensheid, waarin de geestelijke en bovennatuurlijke krachten van het heden tot een normaal deel van het menselijke leven zijn geworden.

  • Mag ik vragen, of Mahou Subboet met zijn groep ook in dit verband vallen, of wel daar buiten staan?

Wanneer ik spreek over geestelijke krachten, bedoel ik wel in de eerste plaats alles, wat in de mens leeft; in de tweede plaats alles wat zich niet zichtbaar en zintuiglijk niet – of bijna niet – kenbaar rond hem manifesteert. De door u genoemde groep is wel degelijk op aarde gekend en gemanifesteerd, terwijl zij een eigen leer volgt.

  • U sprak over invloeden in het menselijke leven i.v.m. connecties in vroegere levens, of in andere sferen. Hoe is dit in het heden mogelijk? De lichamen, waarin die ervaringen ontstonden, moeten toch op een gegeven ogenblik ontbonden zijn. De mens, die nu op aarde leeft, is toch lichamelijk een geheel andere, dan de mens die vroeger eens geweest is? Hoe is dit mogelijk?

Allereerst wil ik opmerken, dat ik niet heb gesproken over vroegere levens en de contacten, die men tijdens die levens met de sferen had, maar over bepaalde vroegere levens en de contacten in die sferen. Hiermee wilde ik aanduiden: alle contacten met het leven, op aarde en in de sferen, die gezamenlijk deel uitmaken van uw bewustzijn en als zodanig zijn vastgelegd in uw geest. De overdracht van bepaalde bekwaamheden en bepaalde kennis uit vroegere levens is eenvoudig genoeg. Feitenkennis wordt voor een groot deel – zover zij niet illusies in zich bevat – overgedragen naar de geest. De geest tracht immers in alle leven, ook het stoffelijke, de waarheid over zichzelf en de schepping te leren kennen. Met andere woorden: een groot deel van de kennis, die men op aarde opdoet, kan – mits zij voor de bewustwording van de geest dienstig is – door die geest worden geabsorbeerd en vanuit die geest op elk gewenst ogenblik en in elk door de geest beheerst voertuig, worden gereproduceerd.

Overdracht van bekwaamheden: Daar de geest zich als doel heeft gesteld, zo snel mogelijk een zelferkenning en zelfbevestiging als deel van de kosmos te bereiken, zal zij elke procedure, die haar hiertoe kan voeren, in zich opnemen. Wanneer het haar dienstig lijkt, kan zij deze bekwaamheden dan stimuleren. Zelfs indien in de stof geen kennis of geen bekwaamheden aanwezig zijn, kunnen dezen door de geest worden gestimuleerd, waarbij de geest gebruik maakt van de in haar reeds vastgelegde waarden.

Voorbeeld: wanneer het bespelen van een pianoforte in een vroeger leven reeds vroeger plaats vond en dit voor de bewustwording of ontwikkeling van het ik door de geest gewenst geacht wordt, zal de persoon in kwestie niet onmiddellijk en zonder enige scholing het pianoforte kunnen bespelen. Wel kan hij in zeer korte tijd met een buitengewone rijkdom aan uitdrukking en schakeringen leren dit pianoforte te bespelen. Het verwerven van de noodzakelijke lichamelijke bekwaamheid, wordt dus veel eenvoudiger en verloopt veel sneller.

Wat betreft de contacten in de sferen, indien men in de sferen contacten heeft gehad met een bepaalde leermeester, of daarin bepaalde creatieve mogelijkheden heeft leren kennen, maken ook dezen deel uit van het bewustzijn van de geest. Alle entiteiten, die niet intussen geïncarneerd zijn, zullen in een bepaalde, door het ik vroeger gekende sfeer, kunnen bestaan.

De band, die in de sfeer bestond, kan, indien dit wenselijk lijkt, hernieuwd worden. In vele gevallen zal zij zelf steeds in stand gehouden worden. Een beroep daarop maakt het dan mogelijk om, zelfs tijdens een verblijf in de stof, de leringen en krachten van een geestelijke meester door middel van eigen lichaam in de mensenwereld te manifesten en is het wel degelijk mogelijk om bepaalde krachten en procedures, die normalerwijze behoren tot bepaalde sferen en daarin bruikbaar zijn, te leren kennen en ondanks hun schijnbare onmogelijkheid en dwaasheid volgens de stoffelijke rede te leren manipuleren of hanteren, zodat men hierdoor geestelijke effecten bereikt, die aan bestaande stoffelijke verlangens of noodzaken tegemoet komen.

  • Wat bedoelt u met niet-bestaande entiteiten?

Niet bezielde entiteiten. Dat zijn zogenaamde schillen, schrikvormen, of gedachtevormen. Deze niet bestaande entiteiten zijn wezens, die wel een lichaam hebben, maar geen ziel, geen eigen leven. Deze wezens kunnen alleen door anderen, of de gedachten van anderen,

bezield worden. Desondanks schuilen in de vorm, de schil, bepaalde mogelijkheden en capaciteiten en krachten, die tezamen een soort karakter vormen. Het voertuig is, ongeacht het wezen van de bezieler, de bestuurder, gelimiteerd en is alleen bruikbaar voor bepaalde vormen van krachtuitoefening enz.

  • Het gestelde houdt dus in, dat bij het spiritisme niet alles van buiten de mens bestaande geesten afkomstig hoeft te zijn, maar veel ook vanuit de mens zelf voort kan komen, bijvoorbeeld uit hogere sferen en de banden, die daarmee bestaan.

Dat is inderdaad mogelijk. Hieraan mag ik toevoegen, dat de zogenaamde spiritistische verschijnselen niet gemakkelijk te onderscheiden zijn aan de hand van hun herkomst of bron. Dit geldt ook voor ons. Ik kan u nu wel verzekeren, dat ik een werkelijk in de geest levende persoonlijkheid ben, maar dit is alleen mijn eigen verklaring en voor u geen bewijs.

Daarom mag men rustig stellen, dat – gezien het feit dat binnen het spiritisme en vele daarmede verwante gebieden – als inwijdingsleren dezelfde verschijnselen op kunnen treden, maar grote verwarringen ontstaan door de stellingen, die men omtrent deze verschijnselen aanhangt, geen onderscheid is te maken tussen hetgeen vanuit vroegere levens, of door het ik bestaande bindingen met hogere sferen wordt voortgebracht en hetgeen vanuit de buiten de stof levende onafhankelijke geest stamt.

In de betere vormen van het spiritisme zien wij bijvoorbeeld het volgende optreden. Eigen geestelijke vermogens en inhoud, plus de bindingen van eigen wezen met andere sferen maken nog geen volledige uiting op materieel terrein mogelijk. De mens kan zelf geen voldoende uiting geven aan de waarden, die hij in zich draagt. Dan zal vaak een geest – die dus niet in de stof leeft, maar wel met de persoon in kwestie harmonisch is – in staat zijn daaraan wel uitdrukking te geven. Zo ontstaat dan een samenwerking tussen de mens en een geest, of meerdere geesten. Indien een basisharmonie aanwezig is, zullen beide groepen – de mens door hetgeen in hem leeft en de geest door hetgeen zij beseft en noodzakelijk acht – in staat zijn via deze mens op velerlei wijzen tot uitdrukking te brengen, wat volgens beide groepen aanvaardbaar en nuttig of zelfs noodzakelijk is voor de mensheid. In details kan dan wel een tegenstelling bestaan tussen de mens en de zich via deze mens uitende geesten, maar nimmer in de werkelijke tendensen in de hoofdinhoud.

  • Hoe kan men als mens, die weinig van deze dingen af weet, toch invloed uitoefenen in de richting, die gewenst is?

Het feit, dat u weinig weet, maakt het niet wenselijk, dat u invloed uitoefent. Want de invloed, die u – krachtens uw beperkt inzicht en beperkte kennis – wenselijk acht, zou wel eens niet werkelijk wenselijk kunnen zijn. Daarom lijkt het mij voor een dergelijke mens verstandiger om – bij werken met geestelijke krachten – zijn eigen bewustzijn en weten voorlopig uit te schakelen en, strevende naar een zo intens mogelijk innerlijk beleven, zich ter beschikking te stellen van hetgeen hij ziet als de hoogste kracht. Daaruit zullen dan bepaalde, niet redelijke bewustzijnswaarden en niet stoffelijk uitbare geestelijke waarden – of kennis – kunnen groeien, waardoor men invloed uitoefent op de juiste wijze en op den duur ook de doelstellingen juister en beter zullen kunnen worden omschreven. Gelijktijdig met het groeien van dit bewustzijn omtrent eigen innerlijk wezen groeit tevens het vermogen om invloed uit te oefenen op een voor het ik bewust kenbare en voor de omgeving onmiddellijk waarneembare wijze.

  • U sprak over stralingsgordels rond de aarde, die kosmische krachten enz. tegenhouden. Dient onze zon ook niet als een wachter en behoeder voor de mensheid, die uit de kosmische stralingen alles, wat voor de mens noodzakelijk is, ontvangt en doorzendt?

Dit is een stelling, die ik – helaas – niet geheel kan omschrijven. Natuurlijk heeft de zon door haar eigen gravitatisch veld – dat tot buiten de buitenste planeten reikt – een grote invloed op alles, wat binnen het zonnestelsel door wil dringen. Indien er sprake is van stralingen of velden van meer stoffelijke geaardheid, of op astraal terrein, dan is een zekere modificatie van die invloeden door de zon zeker mogelijk, maar een volledige selectie van alle optredende invloeden door deze zon is nu weer niet mogelijk. Deze selectie geschiedt a.h.w. weer per planeet. Voorbeeld: de moeder koopt in, maar de kinderen moeten zelf het voedsel bereiden met hetgeen moeder heeft ingekocht, plus hetgeen zijzelf eventueel ontvingen of bezitten. Alleen in deze zin kan men de zon als de geestelijke monitor voor haar planeten beschouwd worden.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

  • Esoterie.

Ook vandaag willen wij weer spreken over esoterie en al, wat daarmee in verband staat. Sommige mensen zoeken esoterische begrippen altijd hoog en ver, anderen vinden dergelijke verinnerlijking overbodig. Allereerst wil ik daarom trachten het verschil tussen esoterie en exoterie wat duidelijker te maken. Het volgende beeld lijkt mij daarvoor bruikbaar.

Stel u een zomerse dag voor, een van die dagen, die in Nederland zo zelden voorkomen. Boven u de blauwe hemel, rond u geurende bloemen. Bijen zoemen. Een kleurige vlinder komt voorbij wieken. Wanneer je dit alles ziet, zeg je onwillekeurig: Wat is dat mooi. Je gevoelt jezelf vredig, maar dit alles komt van buitenaf. Het ontstaat vanuit door u niet te beheersen omstandigheden. Dit is exoterie. Nu kunt u ook in uzelf stellen: Er is schoonheid. In plaats van buiten u te kijken, gaat u de zomerse dag, de tuin, in uzelf zoeken. Op deze wijze, vindt u dezelfde vrede. Deze vrede hebt uzelf helpen opbouwen. U beseft veel beter, wat zij is. U kent alle details ervan, iets, wat bij van buiten komende invloeden nooit geheel mogelijk is. Dit in jezelf bouwen en beseffen is nu esoterie. Misschien klinkt het erg eenvoudig, wanneer het zo gesteld wordt, maar het is waar.

In jezelf kun je een hele wereld opbouwen. In die wereld kun je niet enkel alles in jezelf leren kennen, maar ook alle details van het leven, zoals het zich aan jou openbaart, leren herscheppen en omschrijven. Dit kennen in jezelf, en daardoor ook ten dele van jezelf, is esoterie. Het is dus niet, zoals sommigen het voor plegen te stellen, dat alle esoterie een moeizaam beklimmen van een bergpad is, waarop je onder duizend gevaren verder worstelt, tot je de top bereikt hebt, of – zoals anderen plegen te stellen – de doolhof van eigen innerlijk, waardoor je noodzakelijkerwijze een weg moet vinden, maar waarin je steeds dreigt te verdwalen.

Esoterie is eigenlijk de wereld, die je jezelf van binnen schept. Die wereld van binnen en de buitenwereld zullen altijd van elkaar verschillen. Dat is ook logisch. Wanneer u alleen een bloem hier zou zien, zou u allen dezelfde bloem zien. Maar wanneer u allen aan de mooiste bloem gaat denken, zult u innerlijk alleen een andere bloem zien. Zo kan men stellen, dat exoterisch een bepaalde leer, of een bepaald leerstuk kan worden opgebouwd, dat uiterlijk voor een ieder gelijk is. Maar esoterisch is dit nooit mogelijk.

Esoterisch zal een ieder op zijn eigen wijze, zuiver persoonlijk dus, beleven en erkennen, zoals – esoterisch gezien – een mens zich alleen zuiver persoonlijk kan ontwikkelen. Exoterisch kun je wetten stellen en regels geven, die voor alle mensen gelijk zijn, onverschillig of deze wetten en regels hem nu passen of niet. Esoterisch kun je geen wetten stellen, die voor anderen juist zo gelden. Daar kun je alleen rekenen met je eigen bewustzijn en eigen wezen.

Wanneer wij dus over esoterie willen praten, moeten wij daarbij allereerst uitgaan van het innerlijk van de mens. Dit is zeer moeilijk te omschrijven, zoals het voor u erg moeilijk zal zijn te zeggen, wat u eigenlijk precies voelt. Probeert u nu maar eens om precies, maar dan ook heel nauwkeurig, alle emoties weer te geven, die in u ontstaan, wanneer een ander iets zegt, wat u niet leuk vindt. Wanneer u dat probeert uit te drukken, zal u blijken, dat u vele, niet ter zake doende feiten gaat noemen, of onredelijke verwijten en beweringen erbij gaat halen, maar dat hetgeen, waar het u in wezen om gaat, eigenlijk ongezegd zal blijven. Daarom kunnen wij zo moeilijk over esoterie op een geheel redelijke basis spreken en zal alles, wat wij op dit gebied kunnen zeggen, in wezen een soort gelijkenis blijven. Wij kunnen proberen u duidelijk te maken, wat er in het innerlijk van wezens, als u en wij, bestaat, maar zullen nooit precies kunnen zeggen, hoe dit in u en voor u is.

De mogelijkheid tot mededeling van innerlijke impulsen door woorden is zeer gering. Toch zult u innerlijk leven en werken, zult u een innerlijke wereld moeten scheppen. Wie alleen exoterisch leeft, of alleen exoterisch gelooft, doet mij denken aan een noot. Sommige mensen zijn ook dan misschien harde noten om te kraken, maar één ding is zeker, wanneer je een dergelijke noot gaat kraken, is hij leeg: er zit niets in. De esotericus is een mens, waarbij de inhoud, de noot zelf, de vrucht, belangrijker is dan de schil. Zoals bij noten, is het bij mensen ook. Alleen, waar de kern vol ontwikkeld is, is er leven. Wanneer wij een mens hier voor u zouden kunnen stellen, die niet innerlijk leeft, geen gevoel heeft enz., maar alleen aan de uiterlijke wetten, gebruiken en noden tegemoet komt, zou u menen: die mens leeft niet werkelijk.

Dat is een robot. Wij kunnen ons niet voorstellen, dat zo een mens vruchtbaar kan zijn, geestelijk of anderszins. Er ontbreekt ons bij deze mens de idee van continuïteit. Draagt een mens in zich een werkelijk leven, iets kostbaars, dan mag de buitenkant er misschien wat minder gepolijst uitzien, wij zullen toch aanvoelen, dat hier iets leeft, wat voort zal bestaan. De continuïteit van uw eigen persoonlijkheid binnen de kosmos kan nooit exoterisch zijn, maar alleen door de esoterische waarden vanuit het ik bepaald worden.

Nu denk ik even aan een dichter. Een dichter kan trachten iets, wat in hem leeft, te zeggen. Dan zijn zijn zinnen niet altijd erg begrijpelijk en zijn verzen niet altijd technisch verantwoord en dichterlijk mooi en gelijkmatig, maar er leeft iets in hem. Een ander maakt u een gepolijst vers, zo klassiek, dat het wel een Griekse tempel lijkt, uit woorden opgetrokken. Maar in die tempel staat geen altaar. Wanneer je dan gaat zien, wat er eigenlijk achter schuilt, blijkt, dat achter de vele schone, mooie woorden niets schuilt.

Het is wel belangrijk de innerlijke wereld van de mens te benaderen, en het eerste en belangrijkste punt daarin is wel God. Ik weet wel, dat het erg vroom klinkt om te zeggen, dat het belangrijkste, wat in de mens bestaat, God is. Maar wij moeten nu eenmaal de dingen een naam geven en wij hebben de Al-kracht dus God genoemd. Deze God zal Zich waarschijnlijk op een ontelbaar aantal wijzen uiten. Indien wij ons gaan richten, op hetgeen die God uiterlijk is, zullen wij altijd vastlopen. Vandaar, dat alle kerken en godsdiensten op een bepaald ogenblik vast plegen te lopen en elkaar zelfs bestrijden, ofschoon zij een en dezelfde God aanbidden.

Dergelijke groepen houden zich teveel aan de buitenkant, aan de vormen. Indien wij innerlijk tot God gaan, heeft de buitenkant en de wereld daarmede niets meer te maken. Of je die God eert door een kerk in te gaan, door op straat te knielen, een lied te zingen, of door bananen te eten, maakt dan geen enkel verschil meer uit, want het gaat om die God en het contact, dat je daarmede innerlijk kunt voelen, niet om de wijze, waarop dit bereikt wordt, of de stellingen, vanwaar je dit doel benadert.

Nu zal elke mens een eigen beeld van God hebben. Wanneer u in een bioscoop zit, ziet u wel eens een close-up. Dan zie je alleen één enkel gezicht, waarachter een vage en niet geheel te herkennen achtergrond. Langzaam maar zeker loopt de camera terug. Hij panorameert, zoals men dat noemt. Dan bouwt zich daar, desnoods in cinemascope de luxe, een tafereel op, waarin duizenden mensen kunnen zijn, gelijk aan degene, van wie u de close-up hebt gezien. Toch is dit één geheel, evenzeer als de close-up, waarmee de scene begon. Probeert u nu uw innerlijke God evenzeer zo voor te stellen. Wij beginnen met een willekeurig punt. Dit punt is voor ons God, zoals wij Deze in onszelf erkennen. Wanneer wij leren niet alleen in deze ene God ons vertrouwen te stellen, ons aan dit beeld ten koste van alles vast te klampen, maar het die God mogelijk te maken zich voor ons te ontplooien, te ontwikkelen, ontstaat een veel omvattend panorama, waarin vele Goddelijke werken en mogelijkheden kenbaar worden. Dan gevoelen wij, dat de werkelijke God a.h.w. het gehele beeld is, ongeacht de voorstelling, die wij ons in dit beeld maken. Het overzicht noemen wij dan het Koninkrijk Gods. Verder zullen wij ons er aan blijven houden, dat de figuur, die wij het eerste zagen, het punt, vanwaar wij uitgingen, voor ons God is, of beter gezegd de zichtbare manifestatie van God. Dit neemt niet weg, dat wij al snel beseffen, dat al het anderen, wat binnen het kader zichtbaar wordt, gelijkwaardig is.

“Het Koninkrijk Gods is in u”. Dit is de meest esoterische uitspraak, die op het ogenblik nog in het christendom wordt herhaald. Nu weet ik wel, dat men daaraan vele verklaringen verbindt. Men stelt bv.: Het Koninkrijk Gods is de enig ware kerk in ons geloof enz… Mogelijk is dit voor sommigen waar, maar toch moeten wij ook hier stellen dat deze woorden te kort schieten. Zij kunnen geen juiste weergave zijn van het werkelijke Koninkrijk. Bovendien: Het Koninkrijk is ín u. Wanneer dit zou moeten betekenen, dat ik in mij een gehele kerk rond moet dragen, zou ik mij misschien wel eens even bedenken. Stel je voor, wat een last aan verdeeldheid, innerlijk nog wel, en zwaarlijvigheid je dan te dragen zou krijgen. Dus: Het Koninkrijk Gods is iets, dat naar buiten toe niet te definiëren valt.

Jezus heeft over het Koninkrijk Gods indertijd zeer veel tegen Zijn leerlingen gezegd. Maar de evangelisten hebben bijna niets daarvan vastgelegd. De reden? Omdat het Koninkrijk Gods nu eenmaal niet aan banden te leggen is, en alleen aan de hand van goed begrepen gelijkenissen omschreven kan worden. Je innerlijke waarheid en je innerlijk beleven mogen en kunnen nooit werkelijk aan banden worden gelegd. De mens, die geestelijk wil ervaren, die in zich bewust wil worden, mag geen enkel limiet stellen aan de hoogte, diepte, breedte, of aan de lengte van zijn besef. Onbeperkt is uw wezen. Het gaat van het begin tot het einde der tijden. Het omvat alles, wat er maar kan zijn, of is in stof en geest. Dat bent u. Dit alles is deel van uw innerlijk. Daarom moet dit innerlijk openbloeien, moet men zich bewust worden van zichzelf.

Wij kunnen dan zeggen, dat al, wat buiten ons bestaat, ons enkel als maatstaf kan dienen, of punt van vergelijking. Wat wij in onszelf vinden, kan voor ons namelijk alleen werkelijk waar worden, wanneer wij het ook in zekere zin kunnen uiten en beleven. Anders komen wij niet verder en zou je kunnen zeggen: degene, die in zich van vele dingen bewust is, of zegt te zijn, maar niet daarnaar leeft, is een tikkeltje getikt op een zeer esoterische manier en zal al deze, niet in de praktijk gebrachte kennis en bereiking verliezen in dit leven, om later opnieuw dit alles met veel strijd te moeten verwerven en metterdaad te bevestigen om het zich eigen te maken.

Wanneer wij van kosmische eenheid dromen en wij hebben voortdurend ruzie met Jan en alleman, tot de buren toe, zijn wij als het ware geestelijk schizofreen. Op het ogenblik, dat wij alles, wat in ons leeft, leren uit te drukken op een zo harmonisch mogelijke wijze, het vanuit onszelf in de wereld stellende, is het goed.

Er zijn overigens nog meer van dergelijke punten: Wanneer wij werkelijk esoterisch willen leven, streven en werken, kunnen wij nooit werken, leven, of streven voor een ander. Dit klinkt niet prettig… . Een te groot deel van de wereld baseert zich immers op de stelling: “Wij moeten vóór alles anderen goed doen. Wij moeten voor onze naasten zorgen.” Indien dit voortkomt uit een innerlijke behoefte en het betekent, dat men anderen dient, is hiertegen geen enkel bezwaar, integendeel! De meeste mensen doen het anders. Zij stellen: Jan drinkt een glaasje teveel. Dat vinden wij niet goed voor hem, dat mag hij niet. En Henk mag niet roken, dat vinden wij niet goed. En Klaasje is veel te jong om de film te zien, hoe grote mensen zich misdragen. Hij moet maar wachten tot hij 18 jaar is. En Heintje moet boven naar bed, want de tv voorstelling, die nu volgt, is niet geschikt voor jeugdigen… . Men beperkt dus wel anderen, maar is niet bereid zichzelf allereerst gelijkwaardige beperkingen op te leggen; wat volkomen fout is. Daarom lijkt het mij goed hier nogmaals te constateren, dat alles, wat esoterisch is, nimmer kan worden uitgedrukt in, overgebracht op, of opgelegd aan anderen. Het kan alleen vanuit het ik worden beleefd. Het kan door eigen daden en werken buiten het Ik worden gemanifesteerd, maar zal nimmer aan anderen kunnen worden opgelegd, terwijl het eigen streven niet betekent, dat men ook maar met enig recht van anderen een soortgelijke houding of instelling kan verwachten.

Wanneer wij dus aannemen, dat de innerlijke bewustwording ons nimmer het recht, of zelfs de plicht zal schenken, om in te grijpen in de innerlijke bewustwording van een ander, of alle uitingen van anderen, die niet schadelijk zijn voor de harmonie onder de mensen, zo moeten wij ook stellen, dat het grootste goed van elke esotericus zijn innerlijke vrijheid dient te zijn. Deze vrijheid is eerst volledig, wanneer hij er zich van bewust kan zijn, dat hij ook alle anderen deze innerlijke vrijheid laat. Op het ogenblik, dat het voorgaande gerealiseerd wordt, blijkt verder, dat men nimmer de verantwoording voor een ander mens kan dragen, maar alleen voor zichzelf verantwoordelijk is. Zo kan men ook nooit een ander dwingen iets te zien, of te aanvaarden, of zelfs maar een waarheid verkondigen, die voor anderen dergelijke waarde zou hebben als voor mijzelf.

Ik kan slechts uiten, wat in mij leeft. Ik ben dus verplicht om allereerst, ter wille van deze innerlijke ontwikkeling en bewustwording, er zorg voor te dragen, dat geen van mijn daden, stellingen, of thesen, mij de innerlijke vrijheid ontneemt om verder te groeien. Waar deze vrijheid wordt belaagd, heb ik – als esotericus – het recht mij te verdedigen. Bij deze verdediging zal ik mij t.a.v. de mensen nooit anders mogen voordoen dan ik mij innerlijk gevoel. Alles, wat mijn innerlijke vrijheid aantast, of zelfs maar dreigt aan te tasten, mag ik van mij afwerpen. Ik ben niet verplicht tot absolute eenheid met het Al en ben zelfs niet in staat een begin van dergelijke eenheid te bereiken, vóór ik in staat ben een dergelijke eenheid met het Al in mij te concipiëren en te erkennen. Voor ik in mijzelf de God ontmoet heb, die voor mij waarlijk leeft en waarlijk de kern is van al het geschapene, heeft het zelfs weinig zin naar eenheid met het Al te streven.

Daarom ga je als esotericus meestal eenvoudig beginnen. Zo ga je verder en realiseer je uiteindelijk, dat je in de wereld wat alleen staat. Toch heb je de behoefte met anderen gebonden te zijn. Je kunt je zelfs niet voorstellen, dat je als laatste en dus enige mens op deze wereld zou kunnen zijn en toch gelukkig zou kunnen zijn. Je kunt je helemaal niet voorstellen, dat je gelukkig kunt zijn in een Niet, waarin je niets kent, niets kunt waar nemen of beleven buiten je en toch nog leeft. Zolang je je dit niet kunt realiseren, dien je naar buiten toe zoveel mogelijk en bewust te manifesteren, wat er aan bewustzijn in je bestaat. Slechts de mens, die zo eerlijk en volledig mogelijk zijn innerlijk voortdurend tot uiting brengt – daarbij rekening houdende, dat dit zo harmonisch mogelijk dient te geschieden, opdat daardoor niemand zijn/haar vrijheid genomen zal worden – zal voor eigen bewustwording het beste doen en uiteindelijk een innerlijke wereld van zodanige rijkdom bezitten, dat alle uiterlijkheid en uitingsnoodzaak wegvalt in het innerlijk erkennen en aanschouwen van God.

Voorgaande punten acht ik van groot belang voor een ieder, die zich met esoterie bezig houdt. Nu bestaat er natuurlijk ook een grote reeks van stoffelijke feiten en leringen, die met de esoterie samenhangen. Zo weet haast iedereen, dat geestelijk oorzaak en gevolg, de wetten van harmonie en gelijkblijvende velden, van het grootste belang worden geacht, evenals de verhoudingen tussen leven en dood. Deze en soortgelijke feiten, plus de daaraan verbonden commentaren, maken dan ook op aarde een zeer belangrijk deel uit van de esoterische stellingen en de daaraan verbonden leringen en oefeningen. Zo een leer vertelt je dus bv., hoe je contact op moet nemen met de krachten in je, op welke wijze men zich realiseren kan, welke geesten en welke Lichtende krachten rond u aanwezig zijn. Deze wegen kunnen voor sommigen goed zijn, maar nimmer voor allen, want niet alle mensen kunnen dezelfde weg gaan. Daarom geldt ook hier weer, dat elk voor zich naar het systeem moet zoeken, dat het hem/haar mogelijk maakt zo goed en intens mogelijk zich één te gevoelen met het Al en bovendien in zich een zuivere en zo gedetailleerd mogelijke voorstelling van het Al op te bouwen.

Wie in de stof leeft en streeft, heeft daarbij te maken met het menselijke voorstellingsvermogen en daarnaast met het geestelijke denken. Dit geestelijke denken is niet altijd om te zetten in voorstellingen, die voor het menselijk beleven  te vatten zijn, of in gedachten. In zeer vele gevallen zal, wat in de geest bestaat, zich voor de mens eerder openbaren als een gevoel, een onbegrepen ondergaan van iets. Dit komt eerder voor, dan een zuiver kenbaar feit uit de geest in de stof overbrengen, of zelfs vanuit de geest een werkelijk geheel het geestelijke bewustzijn verklarende en weergevende stelling in de stof leggen. Wij mogen aan de gevoelsinhouden, die zonder kenbare stoffelijke oorzaak in ons ontstaan, dan ook altijd een behoorlijk hoge waarde toekennen. Dit zijn in 7 van de 10 gevallen voor de eigen ontwikkeling belangrijke invloeden, die vanuit de geest naar de stof worden geprojecteerd.

Door het aanvaarden van deze gevoelsinhouden, zonder daarbij onmiddellijk aan een stoffelijke verwerkelijking te denken, indien geen stoffelijke oorzaak aangetoond kan worden, zal de mens namelijk zijn geestelijke inhoud in de stof op juistere wijze leren weergeven en zo het Koninkrijk Gods duidelijker in zich ervaren en geestelijk bewuster daaraan deel kunnen hebben.

Nu weten wij ook, dat bij de esoterie op aarde altijd weer een vaak zeer grote hoeveelheid kennis te pas pleegt te komen. Kennis is een hulpmiddel. Een mens die meent, door kennis alleen een esoterisch bewustzijn te kunnen bereiken, is een dwaas. Degene, die meent dit geheel zonder stoffelijke kennis te kunnen doen, eveneens. De kennis is voor de mens zijn gereedschap. Men kan zonder gereedschap geen huis bouwen, dat stevig is en voor alle behoeften van de mens werkelijk voldoende. Maar een ieder zal met mij eens zijn, dat degene, die in het gereedschap tracht te gaan wonen en het huis onbenut laat staan, een dwaas is. De mens, die door zijn kennis in staat is innerlijk bewustzijn, zelfkennis, een realisatie van de God in hem, op te bouwen, heeft niet alleen het recht, maar zelfs de plicht deze kennis te vergroten en te onderhouden. Op het ogenblik echter, dat die kennis voor hem geen verdere voortgang meer mogelijk maakt, moet hij ook bereid zijn deze terzijde te leggen. Het heeft geen zin de esoterische waardekennis na te blijven streven en als belangrijk deel van eigen leven te blijven handhaven, wanneer het eigen innerlijk daardoor niet meer rijker en beter wordt.

Zo zien wij bij de esoterie ook steeds weer de filosofie op de voorgrond komen. Er zijn zelfs in onze groep bepaalde esoterici, die in feite grote filosofen zijn. En onder die filosofen soms enkelen, die ik wel van sofismen verdenk. Maar dat is van minder belang. Een filosoof bouwt een redelijke, maar vaak speculatieve stelling op aan de hand van de bekende feiten en wetten en zo komt hij tot kennis omtrent het onbekende. Wanneer het innerlijk daarbij geen antwoord geeft en het innerlijk niet steeds weer bevestigt, dat hetgeen men uiterlijk opbouwt van waarde is, heeft de filosofie geen waarde. De vraag, of filosofie altijd waarde heeft, moet m.i. dan ook vanuit geestelijk, zowel als stoffelijk standpunt ontkennend beantwoord worden. Zij heeft alleen waarde, wanneer zij praktische resultaten oplevert op geestelijk of stoffelijk terrein, of althans aannemelijk maakt, dat zij eens daartoe zal kunnen voeren, terwijl geen andere en kortere weg ter beschikking staat. Voor de esotericus geldt dan ook: Je kunt niet iets waardevols buiten je opbouwen, tenzij dit innerlijk als waar erkend wordt. Filosofie vormt een geloof, waardoor een innerlijke gevoelswereld kan ontstaan, die de relatie van het Ik tot de omwereld, zowel als tot de God in dit ik, duidelijk maakt. Eerst indien men dit gevolg van het streven in zich beleeft, heeft kennis zin, heeft de filosofie zin en kun je zelfs met stoffelijke wetenschappen soms verder komen.

Hoe meer je jezelf bindt aan uiterlijke condities, hoe moeilijker het zal worden om innerlijk de juiste houding en zo het juiste bewustzijn te gewinnen. De mens, die zich aan zijn milieu, zijn bezit, zijn gewoonten hecht en dezen niet terzijde kan stellen, zal daardoor sterk belemmerd worden bij zijn pogingen om de innerlijke waarheid te vinden. Dit geldt voor praktisch alle vormen van vereniging, gewoonteleven, enz. Alleen daar, waar de gewoonte tijdelijk een ondersteuning van het eigen streven betekent en toch geen blijvende band geeft, kan zij voorlopig worden aanvaard, maar slechts voorlopig. Op het ogenblik, dat u door een gewoonte geregeerd wordt, of door vaste stellingen wordt beheerst, zult u geneigd zijn te weigeren om verder te gaan, dan de gewoonten of de stellingen toelaten. U zult in vele gevallen trachten om het innerlijk erkennen en innerlijk bewustzijn terzijde te stellen, omdat dit bij de aanvaarde gewoonten en regels nu eenmaal niet past.

Daarom, stel boven alles en altijd uw innerlijk bewustzijn. Laat u nimmer prikkelen door alles, wat buiten u bestaat. Natuurlijk, er zijn heel wat waarden buiten u, waardoor u zich geprikkeld kunt gevoelen. U wordt overbelast. U wordt voortdurend gekweld. Men kletst voortdurend over u. Men heeft geen voldoende respect voor u. U wordt terzijde geschoven. U bent misschien teveel het middelpunt en men eist teveel van u. Redenen te over, maar dit alles betreft alleen de buitenkant. Onthoudt dus dit: Alles, wat u ergert aan de buitenkant, correspondeert met iets, wat in u leeft. Wat in u leeft, belemmert in de meeste gevallen om innerlijk verder te gaan.

Probeer u in deze gevallen tenminste niet te realiseren, wat u buiten het Ik zo ergert en hoe dit alles tot stand komt, maar ga vooral na, waarom dit alles u zozeer kwelt. Wanneer u een antwoord vindt op dat waarom, weet u ook, wat u innerlijk kunt veranderen. Door deze innerlijke verandering vergroot u uw innerlijke harmonie en daardoor versnelt u tevens het proces der innerlijke bewustwording.

Ten laatste: Er zijn vele mensen, die menen, dat esoterie onpraktisch is. Tot op zekere hoogte is dit begrijpelijk, want alle verschijnselen, die de mens misschien van de praktische betekenis zouden kunnen overtuigen, behoren niet tot de innerlijke wereld en zijn geen deel van de werkelijke esoterie. Esoterie is de innerlijke weg, bewustwording enz. Maar dit praktische nut ligt op een geheel ander vlak en is niet onmiddellijk kenbaar voor de leek. Alleen degene, die dit zelf ervaart, kan hierover meepraten. Door te beleven, wat je in waarheid omtrent jezelf erkent, erkent in jezelf, wordt automatisch in de wereld vastgelegd en in harmonie met uw wezen vastgelegd en gemanifesteerd. Dit vraagt geen eigen willen. Verwar dus nooit de werkelijke esoterie met de praktische magie. Uiteindelijk kunnen deze waarden wel tot hetzelfde punt voeren, want de uiterlijke waarden kunnen dienen om een innerlijk bewustzijn te wekken.

Overweeg dit eens. Vraag u eens af, of de volgende stelling niet juist is: Alleen de mens, die innerlijk geheel rijp is, heeft het recht en soms de taak, om bewust of al dan niet volgens bepaalde systemen, gebruik te maken van de kosmische krachten rond hem en de krachten in hem. Niemand heeft het recht zich met dergelijke dingen zelfstandig bezig te houden.

Onder leiding van de geest – of geestelijke leiders – is het alleen toegestaan, wanneer dit streven uit een innerlijke noodzaak en het innerlijk bewustzijn wordt geboren. Wanneer deze innerlijke noodzaak en het innerlijk bewustzijn in deze zin aanwezig blijken, zijn er ook geen grenzen meer aan hetgeen men naar buiten toe mag manifesteren. Als enige conditie voor degene, die bewust is en naar Licht streeft, geldt hierbij, dat niemands persoonlijke vrijheid door de manifestatie mag worden aangetast en geen enkele bestaande harmonie onnodig mag worden verstoord.

Hiermede kom ik aan een laatste punt. In dit alles erkennen wij namelijk een werking van de H. Geest. Deze H.Geest is een manifestatie, of functie, van het Goddelijke. Wij nemen aan, dat deze geest o.m. neer kan dalen in de mens. De verschijnselen daarvan vinden wij onder meer bij profeten, mensen die in tongen spreken enz. Esoterisch kan het begrip H. Geest beter omschreven worden als een zodanige innerlijke eenheid met het groot-kosmische, dat wij door middel van deze eenheid door ons wezen delen van het Goddelijke kunnen manifesteren, die geen deel uitmaken van onze eigen persoonlijkheid, capaciteiten, of ons stoffelijk wezen.

Degene die zichzelf leert kennen, zal, naarmate hij beter beseft, hoe en wat hij is, ook weten, hoe hij in contact staat met de kosmos en de wereld. Als resultaat zal hij geheel bewust ook meer van de kosmische krachten door zich tot uiting doen komen en meer inzicht gewinnen in de beginselen der Schepping.

Een zeer groot gedeelte van deze uitingen en realisaties zijn – vanuit stoffelijk standpunt, gezien – niet in overeenstemming met het punt van uitgang: de mens met zijn uiterlijke vorm en stoffelijk bewustzijn. Indien zich in of door hem waarlijk de geest Gods manifesteert, wordt hij door deze geest – deze band met God – gestuwd tot een steeds vollediger uiting, niet slechts van eigen werkelijke persoonlijkheid, maar ook van het wezen Gods. Naast de miraculeuze uitingen, uit zich deze werking en stuwing zodanig, dat – al is geen volledige uitdrukking van begrip en weten in stoffelijk redelijke termen mogelijk – hetgeen tot uiting komt, voor anderen aanleiding wordt tot een zelfstandig streven en in hen ervaren wordt als een Goddelijk Licht.