De relaties tussen verschillende werelden van stof en geest

SVGZ -14 juni 1963

Allereerst wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Er wordt van u verwacht, dat u zelfstandig en kritisch nadenkt. Onder het woord relatie kan veel worden verstaan. Mij gaat het er heden echter om de verhoudingen tussen verschillende werelden duidelijk te maken, evenals de wijze waarop deze elkander kunnen beïnvloeden.

Allereerst stellen wij dan: een wereld wordt beperkt door het waarnemingsvermogen van degenen, die deze wereld vormen. Alle verschijnselen zijn voor hen gebonden aan de waarneming, elk bewijs en elk weten in een wereld wordt bepaald door de herhaalbaarheid van bepaalde proeven dan wel het herhaald optreden van dezelfde verschijnselen onder gelijke of gelijkwaardige condities.

Wanneer u op aarde leeft, heeft u te maken met een wereld, die bepaald kan worden vanuit menselijk standpunt, door drie dimensies plus een tijdruimtelijk element, optredende als ” tijd”. Verder heeft men als mens natuurlijk te maken met eigen waarnemingen, waarbij zoals u bekend zal zijn, een deel van de op aarde optredende verschijnselen zich reeds aan het menselijk kenvermogen onttrekt. Voor een deel kan men deze werkingen en invloeden kunst- matig toch zichtbaar maken. De mens kan bijvoorbeeld hoge violetstralingen en lage roodstralingen, die buiten het bereik van zijn gezichtsvermogen liggen door bepaalde middelen toch weer voor zich kenbaar maken. Hiervoor heeft hij een omvormingsapparatuur nodig, waardoor een aanpassing aan zijn eigen vermogens tot stand komt.

Wanneer wij te maken hebben met een geestelijke wereld, zo kan worden gesteld, dat deze eveneens bestaat uit drie dimensies, plus een tijd-ruimtelijk element. Degenen, die in de geestelijke werelden leven, zullen echter dimensies niet precies zo kennen zoals u deze erkent. Verder staat wel vast, dat de wijze van leven, erkennen en waarnemen in de geestelijke werelden aanmerkelijk van de bij u gebruikelijke, zullen verschillen. Wij kunnen verder stellen, dat er ook stoffelijk werelden kunnen bestaan, die een ander levensconcept hebben dan de mens, hoofdzakelijk bepaald door verschillen van levenstempo en waarneming, waardoor voor de wezens van deze werelden grote verschillen t.a.v. de door u beleefde wereld mogelijk zullen zijn. In elk van de gestelde type-werelden kan een geheel andere soort wetenschap ontstaan, kan leven een geheel andere betekenis hebben en kunnen alle maatstaven vanuit het standpunt der andere werelden onredelijk zijn, zonder dat een van deze werelden nu daarom werkelijk meer of minder hoeft te zijn dan een andere wereld.

Hieruit volgt, dat niet alleen voor geestelijke werelden, maar zelfs voor door andere stoffelijke wezens bewoonde werelden een aanpassing van de mens en/of zijn vermogens noodzakelijk kan zijn, voor hij daarin waar kan nemen volgens de daar geldende normen, terwijl ook bij de wezens van een dergelijke andere wereld een transformatie of aanpassing noodzakelijk wordt, voor zij zich aan de bewoners van uw stoffelijke wereld kenbaar kunnen maken en met hen in een reëel contact kunnen treden. Zelfs dan zullen bepaalde werkingen, invloeden en waarnemingen niet op een aanvaardbare wijze kunnen worden overgebracht en voor de andere wereld begrijpelijk gemaakt kunnen worden.

Dit gesteld hebbende, wil ik nu enkele werelden bespreken, die op uw eigen wereld op het ogenblik een ongewoon sterke invloed uitoefenen.

De eerste is u – althans theoretisch – bekend: de wereld van de geest, vooral van de hogere geest. Het grote verschil tussen deze wereld en uw wereld kan geformuleerd worden als een hoofdzakelijk op verschillen van trilling gebaseerd onvermogen tot directe benadering. Wanneer u een klank wilt horen, zo moet deze gelegen zijn binnen uw auditief bereik. Zodra de klank supersoon wordt, is zij voor u niet meer hoorbaar of constateerbaar, maar kan zij – evenals subsonische trillingen – op uw gestel en humeur een invloed uitoefenen, die voor u niet zonder meer uit het bestaan van de klank verklaarbaar is. Vooral menselijke emoties kan men op deze wijze vaak belangrijk beïnvloeden.

Op soortgelijke wijze kan het contact met een geestelijke wereld uw emoties beïnvloeden en u een gevoel van behagen of onbehagen verschaffen, zonder dat men in staat is de oorzaak van deze wijzigingen in eigen bevinden ook onmiddellijk te herkennen. Men realiseert zich daarbij, dat het niet in de bedoeling van de andere wereld hoeft te liggen om mensen behaaglijke of onbehagelijke gevoelens te verschaffen. Voor hen zal het, ook in deze gevallen, vaak gaan om een redelijk contact, het overbrengen van een mededeling. Maar indien wij aannemen, dat er in de geestelijke wereld gesproken kan worden – wat niet geheel juist is, maar als voorbeeld kan dienen, zal een tot u gerichte trilling u bereiken, maar gelijktijdig niet kenbaar zijn als “gesproken woord”. U ondergaat wel iets, maar kunt dit niet verstaan. Zou nu een geest de beschikking hebben over een willekeurig middel, waarmee het deze geest mogelijk zou zijn, eigen trillingen om te zetten in een reeks van lagere frequenties, die voor u verstaanbaar is, zal zijn uiting misschien wat vervormd worden, maar in ieder geval verstaanbaar zijn geworden voor de mens. Denk hierbij aan een grammofoonplaat 78 toeren, die wordt afgedraaid op 33 toeren.

Dit geldt natuurlijk niet alleen voor spreken. Elk verschijnsel dat in een geestelijke wereld bestaanbaar is, kan, mits aangepast aan het kenvermogen van de stoffelijke mens, op aarde kenbaar worden overgebracht. Omgekeerd kan elke mens, die in staat is zijn eigen trilling – in feite het ritme van zijn persoonlijke uitingen – op te voeren, daarmede iets bereiken, kenbaar maken, of zeggen in een hogere wereld. Het moeilijke hierbij is de noodzaak, een tweeledig contact tot stand te brengen, wil er van een antwoord sprake kunnen zijn. Om een wederkerige band tussen twee werelden te scheppen, is het immers niet voldoende, dat een van de werelden de andere beïnvloedt, of daarin verstaanbaar wordt. Er is een uitwisseling van gegevens, de mogelijkheid tot stellen van vraag en antwoord noodzakelijk, wil men in beide werelden geheel bewust van het contact kunnen samenwerken. Dit baart nog al eens moeilijkheden.

Om hieraan te kunnen ontkomen maakt de wereld van de geest nogal eens gebruik van mediums en andere apparaten, waarmee het mogelijk is als geest gelijktijdig zich in een bepaalde wereld uit te drukken en, alsof men deel was daarvan, via dezelfde weg ook indrukken uit die wereld op te nemen. Hoe beperkter de mogelijkheden van het gebruikte middel, hoe groter de mogelijkheid tot het rijzen van misverstanden, hoe breedvoeriger de betogen zullen worden. Zo kunnen misverstanden bv. snel ontstaan, wanneer er bij uw wereld een verschil ligt tussen denken en spreken. Omgevormd liggen denken en spreken voor de geest namelijk op ongeveer hetzelfde vlak, zodat het mogelijk is, dat op een bepaald ogenblik ten dele antwoord wordt gegeven op een tot de entiteit gerichte gedachte, ten dele gereageerd wordt op het gesproken woord, of zelfs gelijktijdig op het geheel van beide uitdrukkingswaarden.

Een verschijnsel, dat voor de mens al vele moeilijkheden heeft gebaard, omdat men als gevolg hiervan allerhande schijnbaar onjuiste of zelfs irrationele antwoorden kan krijgen. De tweede wereld, die ik in het bijzonder in relatie met de uwe wil bezien, is een wereld van Kracht. Vanuit ons aller begrip gezien, is energie een toestand, dan wel een verschijnsel. Wanneer wij ons een wereld proberen voor te stellen, waarin kracht het gehele wezen van alle dingen en gelijktijdig het totaal van alle verschijnselen is, zijn wij geneigd ons deze wereld voor te stellen als kenbaar door potentiaalverschillen, waardoor nuanceringen ontstaan.

Dat er een wereld zou kunnen bestaan, waarin zelfs deze nuanceringen geen rol kunnen spelen, is niet voorstelbaar. Toch moet u van mij aannemen, dat er een wereld bestaat, die helemaal Kracht is, zonder dat daarbij voor ons duidelijk kenbare verschillen of begrenzingen bestaan. Deze wereld is niet identiek met de werelden van de geest en kan dan ook niet gezien worden als liggende boven of onder de werelden van de geest, maar ligt er eenvoudig gezien naast, evenals zij uw eigen wereld begrenst. Het wezen van deze wereld kan m.i. het beste worden omschreven als een krachtlijnenstelsel, ofschoon anderen nog wel eens in dit verband willen spreken over kosmische ether, Goddelijk Licht e.d. Deze benamingen zijn alleen maar een hulpmiddel om zich iets voor te stellen.

Wij worden echter steeds weer geconfronteerd met het feit, dat deze Wereld van Kracht bestaat, dat hierin bewustzijn optreedt, dat er wetmatige processen en werkingen binnen die wereld optreden, maar dat deze Kracht voor ons niet kenbaar is door verschillen en nuances. Vanuit ons standpunt zijn deze hier niet aanwezig. Deze Wereld van Kracht heeft een capaciteit, waardoor wij haar, zelfs menselijk, enigszins zullen kunnen begrijpen. Zij ontlaadt zich namelijk in elke aangrenzende wereld op punten, waar harmonie met haar eigenschappen bestaat. Is er totaal geen harmonie aanwezig, dan zal ook geen ontlading van kracht plaats vinden. De harmonie wordt voor uw wereld en onze werelden bepaald door instelling plus actie, een geheel, dat dus een spel van krachten vertegenwoordigt. Zo kan worden gezegd: de Kracht zal vanuit haar eigen wereld in elke andere wereld tot uiting kunnen komen op het ogenblik, dat er een vergelijkbaar spel van krachten in deze wereld en binnen de daar kenbare verschijnselen en verhoudingen optreedt. Vanaf dat ogenblik is de Kracht dus a.h.w. omgevormd of aangepast aan de aangrenzende wereld en daar kenbaar geworden. Men rekent ermede, dat de Wereld van Kracht, zover ons bekend, geheel de kosmos omvat en zo alle daar voorkomende of zelfs maar mogelijke werelden begrenzen zal.

Nu blijkt dus, dat deze Wereld van Kracht niet overal gelijktijdig tot uiting kan komen of hoeft te komen, maar in haar benadering van andere werelden een soort voorkeur zal vertonen voor werelden, of delen van werelden, waarin de krachtverhoudingen labiel zijn, zodat daar vele harmonische verschijnselen voor kunnen komen.

Daarmede hebben wij twee punten duidelijk gemaakt:

  1. Een geestelijke wereld zal zich in uw wereld duidelijker en invloedrijker kunnen doen gelden, naarmate in uw wereld voor haar een betere transformatie van de in de geestelijke wereld bestaande waarden, krachten en inzichten mogelijk is.
  2. Gezien de gestelde waarden van de krachtwereld zal uw eigen wereld in sommige tijden a.h.w. dichter bij deze wereldse kracht zijn gelegen dan normaal is, terwijl in dergelijke perioden steeds meer punten van harmonie met de wereld van krachten – en zo directe uitingen van deze krachtwereld – zullen ontstaan.

Daarmede hebben wij dus vastgesteld, dat er een relatie is welke een wederkerige beïnvloeding van uw wereld door en met andere werelden mogelijk maakt. Want een werkelijk contact met de geestelijke werelden is alleen mogelijk, wanneer er een mogelijkheid tot transformatie bestaat,  terwijl een veranderlijke situatie op uw wereld de nodige aspecten van kracht geeft, waardoor de Wereld van Kracht harmonisch kan zijn met de uwe en zo zijn krachten daarin kan ontladen als een “hogere kracht”. Bij een dergelijke uitwisseling zullen echter – gezien vanuit uw standpunt – niet alleen de wetten en regels van uw eigen wereld, maar ook deze waarden uit de andere wereld betrokken zijn. Wij zullen dan ook moeten stellen, dat de wetten en regels van eigen wereld nooit voldoende zullen zijn om de inwerking van de geest, of het optreden van deze kracht in uw wereld geheel te kennen en te omschrijven. Wel zullen deze stoffelijke wetten en regels een basis moeten vormen van elke poging dergelijke contacten te omschrijven en te definiëren, vermits de stoffelijke wetten – tezamen met de wetten van een geestelijke wereld, of een Wereld van Kracht – een vast patroon zullen vormen aan de hand waarvan alle verschijnselen geheel te definiëren zullen zijn en aan de hand waarvan – wat nog belangrijker is – het nemen van gecontroleerde proeven mogelijk is en het herhalen van de belangrijkste proeven mogelijk is, wanneer een voldoende kennis van de condities bestaat. Men kan dus een bepaald verschijnsel wekken en weer wekken, door dezelfde condities te scheppen, zover het de Wereld van Kracht betreft.

Wat de geestelijke werelden aangaat, hierbij zal een herhalen van precies hetzelfde verschijnsel moeilijker zijn, omdat hier sprake is van entiteiten, die persoonlijk en vrij kunnen reageren, maar zal een reeks van verschijnselen van dezelfde grootorde toch bereikbaar blijken te zijn.

Voor uw wereld is dit alles in deze dagen van buitengewoon groot belang: een relatie met een andere wereld, op grond van een geloof of anderszins, welke niet in de stof kenbaar kan worden gemaakt, blijkt voor de doorsnee mens van heden onbevredigend te zijn. Ik wil niet zeggen, dat de mens van heden alleen maar materialistisch denkt en reageert. Integendeel. Hij kan wel degelijk filosofisch of zelfs mystiek ingesteld zijn, maar hij is gebonden aan de waarden en wetten van zijn eigen wereld. Om met een kracht of entiteit bewust te kunnen werken, dient hij te beschikken over enige waarden, die hij in zijn eigen wereld althans enigszins kan controleren. Zelfs wanneer de controle niet volledig mogelijk is, zal zij toch tenminste ten dele moeten kunnen plaats vinden.

Daarbij komt, dat het werken met oncontroleerbare krachten voor de mens vaak in geestelijke en stoffelijke zin gevaarlijk kan zijn. Werkende met krachten, welke hij niet kan overzien en dus snel zal over- of onderschatten, komt hij voortdurend in conflict met zijn verwachtingen. Zijn psychisch beeld van eigen wereld wordt hierdoor strijdig en verstoord, zodat hij zijn vermogen tot redelijke oriëntatie in eigen wereld verliest, terwijl hij geen controle meer heeft op de uitwerking van zijn handelingen. Wanneer je wilt werken met een kracht of met de geest, is het toch wel in de eerste plaats noodzakelijk, dat men in eigen wereld de mogelijkheid tot redelijke oriëntatie behoudt: een mens, die niet met eigen wereld in harmonie kan zijn, zal weinig of niet in die wereld kunnen bereiken en ook weinig of niets voor anderen kunnen doen met die andere krachten of wijsheden uit die andere wereld. Dit geldt zelfs voor hen, die zover komen, dat zij de Wereld van Kracht, of de werkingen uit de geest, verder geheel kunnen regeren.

Een vorm van empathie, van verbondenheid, is noodzakelijk, om van mens tot mens een uitdrukking van sommige waarheden of krachten te kunnen verkrijgen. Het is dan ook logisch, dat wij bij het beschouwen van de relaties tussen verschillende werelden ons afvragen, of een bewust deelhebben aan een dergelijke relatie voor de mens mogelijk is, zonder dat hij daarbij het contact met de werkelijkheid van eigen wereld verliest, of zich onmachtig gevoelt het in hem levende te uiten.

Wij treffen onder de mensen een bepaald eigenaardig verschijnsel steeds weer aan, namelijk een mens, die een kracht in zich gevoelt, deze wil uiten, maar niet weet hoe en op den duur dan maar besluit deze kracht op een oncontroleerbare wijze te uiten. Vaak zijn dit mensen, die vooral willen werken met gedachtekracht, iets wat op zich goed en juist kan zijn. Zodra deze mensen in zich een grote kracht gevoelen en deze alleen maar willen gebruiken om vrede op aarde te pousseren, kan hij zich altijd zeggen: anderen zijn misschien nu sterker dan ik, maar mijn kracht werkt door. Op den duur meent zo iemand grote resultaten te boeken, terwijl hij in wezen weinig of niets tot stand brengt: hij heeft zich steeds verder verwijdert van een controleerbare werkelijkheid.

Wanneer zo iemand met diezelfde kracht een mens kan genezen of desnoods een tolletje kan doen draaien, misschien kan weten, wat er morgen in de courant zal staan, heeft hij zich bewezen dat deze kracht een feit is, dat zij werkelijk bestaat en werkzaam is. Dan kan zijn uitzenden van gedachten inderdaad goede resultaten met zich brengen. Daarom mogen wij ook wel een eis stellen aan de mens die zich bezig houdt met de relaties tussen de verschillende werelden, zeker in deze dagen: alleen een bewijsbaar gebruik van de krachten, of de kennis die, vanuit de geest gegeven wordt met in eigen wereld kenbare resultaten, maakt het ons mogelijk met volle vertrouwen, bewust en doelmatig gebruik te maken van die kracht of wijsheid. Men mag daarom alleen uitgaan van het gebruiken van waarden uit andere werelden, wanneer hun bestaan binnen de wetten en mogelijkheden van eigen wereld bewijsbaar is.

In deze dagen zult u op de wereld vele malen horen, dat men met kracht alles kan doen. Dit is waar. Maar wanneer u dit nu eens niet kunt doen maar toch er op rekent dat wel te kunnen doen, zou u er aan ten onder kunnen gaan. U zult horen stellen, dat, wanneer u zich tot een bepaalde denkwijze of een bepaald geloof bekent, voor u alle dingen mogelijk zijn, dat u misschien tot de uitverkorenen zult behoren. Maar wanneer dit niet controleerbaar is, zult u ook daaraan misschien ten gronde gaan. In deze dagen zijn er vele profeten – indien wij hen ten- minste zo mogen noemen, die vooral in de richting van, en met dit onbewijsbare werken. Zij doen dit niet door u een leer of theorie voor te leggen, die een ieder voor zich kan testen en ontwikkelen, maar met het bindend voorschrijven van bepaalde interpretaties, het eisen van aanvaardingen en zelfs bepaalde bewustzijnsvernauwingen, daarbij een bepaald gebruik van krachten als zekerheid stellende onafhankelijk van het al dan niet optreden van resultaten. Dit is natuurlijk bedenkelijk. De mens heeft recht op zijn geloof en bijgeloof. Maar ergens moet dit zin hebben. Een bijgeloof, dat zin heeft, doordat het de mens in staat stelt bepaalde dingen af te reageren zonder dat hij daarbij verder in zijn vrijheid van denken en handelen beëngd of beperkt wordt, is aanvaardbaar.

Op het ogenblik, dat uw geloof of bijgeloof de mens echter vervreemdt van een persoonlijke verantwoordelijkheid, een persoonlijk leven, streven en denken, is het demonisch, fout, gevaarlijk. Men dient dit, zowel bij geloof en bijgeloof, op eigen wereld als in zijn relaties met andere werelden wel degelijk voor ogen te houden.

De Wereld van Kracht, die ik u reeds noemde, wordt nu elders ook wel de wereld van de zon, de wereld van het verblindende licht, of de adem Gods genoemd. D.w.z. dat deze wereld, die dus naast de bewustzijnswerelden, die wij kennen – stoffelijke en geestelijke sferen – klaarblijkelijk voor hen, die er kennis mee maken, een direct contact met God, met de hoogste machten, inhoudt. Toch is het een wereld met eigen levensvormen, welke zelfs een zekere hiërarchie kennen, ook al zijn de samenhangen met menselijke en zelfs in geestelijke termen moeilijk te omschrijven. Wij kunnen op deze kracht een beroep doen. Elk beroep op deze kracht, dat werkzaam is, zal echter in de eerste plaats voort moeten komen uit een aanvaarden van deze kracht, en in de tweede plaats een actie inhouden, waardoor de noodzakelijke harmonie met de Wereld van Kracht ontstaan kan en in de derde plaats een kenbaar maken van deze kracht op aarde moeten beogen.

Als voorbeeld merk ik hier op, dat volgens deze stellingen de juistheid van de christelijke leer, haar rituelen enz., alleen bewezen zou kunnen worden door de resultaten, die hierdoor kenbaar naar voren treden. Nogmaals, dit mogen geen tekenen zijn, die buiten de stoffelijke werkelijkheid zouden liggen, maar dienen binnen het stoffelijk waarneembare te liggen. Dus geen geheimzinnige uitstorting van de geest, die verder geen kenbare gevolgen heeft, maar een wonder. Bv. het spreken van vreemde talen, waarbij dan de eis moet worden gesteld, dat dit geen wartaal, geen persoonlijke taal mag zijn, maar een zich uitdrukken in een het Ik niet bekende, maar desondanks werkelijke bestaande taal dient te zijn. Het genezen van een zieke betekent in deze zin niet een voor een ogenblik onderdrukken van de kwaal, maar een werkelijk genezen van een zieke, desnoods op afstand, met een enkel woord, een enkel gebaar, een enkel uitzenden van de Kracht. Let wel: wanneer men de Kracht op deze wijze gebruiken kan, is daarmede nog niet bewezen, dat de stelling, waarvan men uitgaan wil, nu ook geheel juist is. Er is slechts aangetoond, dat de stelling werkzaam is en als zodanig als punt van uitgaan voor verdere proeven en ervaringen kan dienen.

In dit verband zij opgemerkt, dat alles wat u gelooft, alles wat u geleerd hebt omtrent de sferen enz., slechts beschouwd mag worden als een werkthese, een stelling, die als werkhypothese bruikbaar is, maar niet noodzakelijk geheel waar is. Het is een punt van uitgaan, waarbij de waarde afhangt van hetgeen men er verder mee doet. Indien er geen resultaten bereikt kunnen worden, is de hypothese fout, t.m. voor u. Dit geldt ook vandaag, ook hier.

Ik leer u iets. Wanneer u moeite doet om dit in de praktijk te brengen en u hebt geheel geen resultaten – let wel: ik zeg niet “resultaten die u geheel bepaalt”, want daarvoor zou een totale kennis van de andere werelden en krachten noodzakelijk zijn – kunt u alles beter naast u neerleggen, zeggende: voor mij heeft dit geen inhoud, geen werkelijke betekenis. Voor mij deugt deze werkhypothese niet, zo zal men moeten stellen, omdat ik daarmee immers niet praktisch kan werken.

Wij zoeken een relatie met een andere wereld. Die andere wereld kan hoog geestelijk of laag geestelijk zijn. Indien het een werkelijke wereld van de geest is, zal zij echter altijd aan bepaalde eisen moeten beantwoorden. Deze eisen zijn onder meer:

  1. Dat men in contact komt met entiteiten, die een eigen persoonlijkheid, persoonlijke eigen- schappen en een persoonlijk bewustzijn blijken te bezitten.
  2. Dat deze persoonlijkheden over herinneringen beschikken, die verder gaan dan de in ons liggende herinneringsmogelijkheden of van de onze verschillen, terwijl zij beschikken over een stoffelijke en geestelijke feitenkennis, die van de onze aanmerkelijk verschilt. Let wel: de mening en kennis van de geest hoeft niet noodzakelijkerwijze geheel juist te zijn, al kan zij dit vaak wel zijn.
  3. Gesteld wordt dat elke wereld uit de geest berusten zal op andere dimensionale verhoudingen dan de menselijke wereld. Dientengevolge moet men verwachten, dat de uitingen van andere werelden in de stof aan andere wetten en regels dan in de stof gangbaar zijn, zullen gehoorzamen, zodat vanuit de geestelijke werelden bepaalde leringen, stellingen en waarden kunnen worden gegeven, die voor de eigen wereld niet redelijk of logisch zijn. Maar deze waarden op zich moeten weer op zich logisch, redelijk zijn, ook wanneer de thesen, waarvan men uitgaat, op aarde misschien irreëel zullen lijken.

Een persoonlijk element van ontwikkeling mag bij de geest worden verwacht, terwijl ook een persoonlijk erkennen van de verbinding, met uw wereld en een erkennen van de werkingen of beïnvloedingen van uw wereld verwacht moet worden. Besef, dat u niet tot de wereld van de geest in haar geheel kunt spreken. Evengoed kunt u op het topje van de Haagse toren gaan staan en spreken tot het gehele Nederlandse volk. Zonder hulpmiddelen is er dan ook niemand, die u hoort. Bij het benaderen van de werelden van de geest is het daarom noodzakelijk zich steeds tot iets of iemand in het bijzonder te richten. God is in dit verband, zowel de Persoonlijkheid, waartoe wij ons kunnen richten als het middel, waardoor wij een groter deel van een geestelijke wereld kunnen bereiken.

In de oudheid legde men in het bijzonder de nadruk op kennis van namen. Deze namen werden over het algemeen menselijke gevormd. Zij waren dus niet onmiddellijk uit de werelden van de geest afkomstig en waren eerder symbolen dan geheel reële benamingen. De symbolische betekenis, die in de naam was gelegen, gaf echter een betrekkelijk nauwkeurige omschrijving van de soort geest, het wezen, waartoe men zich richt. Er is sprake van een concentratie van instelling en verdere harmonische effecten binnen het eigen Ik op de andere wereld, terwijl men door middel van het symbool, de begrenzing, in zekere mate zijn intenties en aanroepingen omvormt, zodat zij in de geestelijke wereld verstaanbaar worden. In de magie maakte men verder gebruik van verschillende procedures, die energie inhouden, zoals dans, muziek, gebruik van bepaalde dranken en spijzen, rituele handelingen en spelen, bezweringen. Hierdoor is de mens in staat zijn eigen intenties te transformeren tot voor die andere werelden kenbare waarden. Er wordt dus in wezen gebruik gemaakt van een soort mechanisme, zodat een werkelijk contact met andere werelden zonder meer mogelijk is.

Het is goed, dat u leert, hiermede rekening te houden. Wanneer u een bepaalde geest gewoon vraagt iets voor u te doen, zal deze u niet kunnen horen, tenzij deze geest zelf zich heeft afgesteld op het ontvangen van impulsen van uw wereld. Voor een wezen van een andere wereld kan een enkel woord van u klinken als een langdurig gebeier van zware klokken, of een heel gesprek van uw zijde lijken op het ruisen van kolibrievleugels. Pas wanneer u op de geest, of de geest op u is afgestemd, en zo een vertaling mogelijk wordt, zal men elkander kunnen verstaan. Overigens kan de geest zich veelal beter op de mensen instellen en dezen duidelijk verstaan, waar voor de mens de uitingen van de geest, tenzij via een medium, een tussenfase dus, veelal zwak en verward blijft. Afstemming is dus noodzakelijk, zowel voor het spreken tot de geest als voor het verkrijgen van antwoord uit de geest. Dit wil zeggen, dat uw psychische instelling en reactie voor een kort ogenblik gewijzigd moeten worden, terwijl in vele gevallen enkele verschillen betreffende normale fysieke functies dienen op treden, zoals vertraging van hartslag, ademritme enz.

Nu ik dit gezegd heb omtrent de contacten met de wereld van de geest, moet ik ook trachten u de banden met de Wereld van Kracht duidelijker te omschrijven.

Bij de geest hebben wij te maken met een persoonlijkheid. Wij kunnen ons dus moeilijk of niet tot geheel de wereld van de geest gelijktijdig richten. Een entiteit, die leeft in de Wereld van Kracht en daar onverbrekelijk deel van uitmaakt, is voor de mens niet voorstelbaar of definieerbaar, zij is voor de mens geen persoonlijkheid, omdat er geen sprake is van omvang, begrenzing, vaste plaats, maar eerder van een weten – niet te vergelijken met ons “bewustzijn” – dat zich onregelmatig op de meest verschillende ogenblikken en plaatsen in het geheel manifesteert, daarbij tijdelijk functie bepalend, maar nooit wezensbepalend optredende voor de kracht op dit tijdstip  en die plaats.

Het is dan ook voor de mens – en het merendeel van de geest – niet mogelijk zich direct te richten tot de bewoners van die Wereld van Kracht. Er zijn voorstellingen, die de verwarring – uit het voorgaande voortvloeiende – althans enigszins kunnen verminderen. Maar iemand, die zich tot een bepaalde kracht zou willen wenden met een uitzenden van gedachten alleen of een redelijk beroep daarop, vindt geen gehoor. Hij is als de stem eens roepende in de woestijn.

Er moet een harmonie zijn met de kracht of een functie daarvan, omdat dit de “taal” van de Wereld van Kracht vormt: omzetting van kracht plus bewustzijn of intentie tezamen geven een voor deze wereld kenbaar beeld. Zelfs dan is er geen sprake van een mededelen, maar eerder van een penetratie van de scheiding tussen de Wereld van Kracht en uw eigen wereld.

Vergelijk: U kunt tegen een reservoir met water staan praten, zonder dat dit iets uithaalt. Wanneer uw intentie water te verkrijgen op een bepaalde plaats, of met een bepaald doel, gepaard gaat met de kracht om de wand te doorboren, of een tap te slaan, zult u echter water kunnen aftappen, zonder dat het water zich interesseert voor de wijze, waarop het onttrokken wordt en gebruikt zal worden. Voor de kracht geldt dus, dat wij hier niet in de eerste plaats te maken hebben met mentale processen, maar in de eerste plaats zijn aangewezen op het scheppen van een harmonie, waardoor wij de scheiding tussen beide werelden ongedaan maken – zij het kort. Alle contact met de Wereld van Kracht zal voor de mens dan ook alleen kunnen bestaan uit een uitwisselen van krachten of een overvloeien van krachten.

Voorbeeld: Een mens die zich – zoals een sjamaan, door dans opwindt – zet door zijn bewegingen krachten om en kan in de toestand hier opvolgende soms krachten manifesteren, die ongewoon zijn. Hij gebruikt daarvoor kosmische kracht, die hij kan onttrekken, doordat hij eerst in zijn eigen wereld krachten verbruikt en omzet. Tempo en ritme zijn hier bepalend voor het ontstaan van een fluctuatie van kracht in de sjamaan, die gelijk is aan een fluctuatie van krachten, die ergens in de Wereld van Kracht op dat ogenblik bestaat. Het resultaat doet denken aan communicerende vaten – of liever nog een osmotisch proces – waarbij de begrenzing tussen twee werelden tijdelijk poreus wordt, en de energie van de Wereld van Kracht tijdelijk en plaatselijk door kan sijpelen naar de wereld der mensen. Via de mens kan deze kracht dan eventueel verder worden geleid naar zijn omgeving.  Daarbij zal de kracht echter niet gericht zijn, voor zij de mens bereikt. Iets, wat uit de werelden van de geest komt, is daarentegen altijd gericht, heeft een bepaald doel. Alles, wat uit de Werelden van Kracht komt, is ongericht. Het kan vergeleken worden met water, dat, door u aan een bekken onttrokken, dienen kan om zo te drinken, thee te zetten, u te wassen, of de planten water te geven.

Op soortgelijke wijze kan men alles, wat men uit de Werelden van Kracht verwerft, dus gebruiken. Maar dit houdt ook gevaren in zich: wanneer wij de wereldkracht aanboren, zonder te weten, wat wij doen, is de mogelijkheid zeer groot, dat een hoeveelheid krachten in de eigen wereld tot ontplooiing zal komen, waarvan men de werking niet beheerst en de uitwerking niet kan overzien, omdat toeval en behoefte bepalen, op welke wijze die kracht kenbaar zal worden. Het is daarom raadzaam eerst krachten uit de Wereld van Kracht aan te tappen, wanneer daarvoor in de eigen wereld te voren reeds een vorm, een matrix, is klaargemaakt. Een matrix of vorm, die hiervoor bruikbaar is, is altijd tweeledig: zij bestaat enerzijds uit een materieel iets. Dit kan zowel een mens, een voorwerp, als een plaats zijn.

Eenvoudig gezegd: het eerste deel van de vorm moet men altijd kunnen beroeren, of vast kunnen houden, in eigen wereld. Daarnaast is voor het juist vormen van de matrix een idee noodzakelijk. D.w.z. dat, door een beeld, dat in gedachten werd gevormd, een band tussen de stoffelijke matrix en het doel, waarvoor de kracht bestemd werd, aanwezig moet zijn. Wanneer dit niet het geval is, zal er sprake zijn van een onbeheersbare krachtuiting.

Vergelijk: elektrische energie, die gebruikt wordt om een leiding te doorlopen op een geleide overslag van de ene pool naar de andere pool tot stand te brengen: beheerst. Onweer, waarbij de ontlading niet gecontroleerd, maar ten hoogste enigszins geleid kan worden, zodat de plaats van inslag of ontlading vanuit een menselijke standpunt onbeheerst plaats vindt: onbeheerst. Bij dit laatste zij opgemerkt, dat, gezien vanuit het standpunt der statische elektriciteit in wolken en aarde, de overslag wel volgens vaste regels en wetten plaats vindt, maar een berekenen van alle gegevens, noodzakelijk om de plaats van inslag te voren te bepalen, het ogenblik van ontlading tevoren vast te stellen, onmogelijk wordt door een voortdurend veranderen der waarden.

Ik heb u zo hier een beeld gegeven van de relaties, die voor uw wereld mogelijk zijn met twee werelden, die uw eigen wereld op het ogenblik zeer nabij zijn en op alle gebeuren in uw wereld dan ook een ongewoon grote invloed hebben. Ik stip nu even een andere soort wereld aan, die ik meen te moeten noemen, ofschoon ik hierop verder niet veel in zal gaan.   Er zijn werelden in de stof, waarop leven voorkomt, dat anders is van structuur en vorm dan de op uw wereld kenbare of voorstelbare. Zo zijn er wezens, die stikstof-koolstof inademen en omzetten, om daarvoor zuurstof uit te ademen. Enigszins als uw planten gedurende de dag. Bij andere wezens zijn de omzettingsprocessen gebaseerd op methaan en ammoniak. Hun structuur is dan ook geheel verschillend van de uwe. Dit werkt ook door op de wijze van reageren, denken enz. Het zal u duidelijk zijn, dat de omgeving bepalend is voor het gehele organisme plus alle mogelijkheden, die hierdoor voor de geest ontstaan. Zo zijn er in de ruimte volkeren, die op  geestelijk gebied en geestelijke wetenschappen veel verder zijn gekomen dan de mensen, maar gelijktijdig de voor u normale beheersing van de materie, mechanica enz. grotendeels als onmogelijk beschouwen. Er zijn wezens, die niet eens weten wat vuur is, wat een wiel is, maar aan de andere kant experts zijn op gebied van telekinese e.d. en zo alles kunnen transporteren en vormen, zonder de voor u normale middelen en krachtbronnen daartoe te moeten gebruiken. Wereldbeeld, ethiek enz. zullen daar sterk verschillen van de opvattingen, die men op aarde huldigt.

Ik noem deze werelden, omdat men ook daar in contact staat met de werelden van de geest en met de Wereld van Kracht. Wel zullen bewoners van dergelijke werelden – door verschillen in denken, ethiek en voorstellingsvermogen – veelal met andere delen van de geestelijke werelden in contact komen dan de mensen. Maar een doorstromen, een doorvloeien van de zo in de geest ontstane tendensen via geestelijke werelden naar uw wereld is onder omstandigheden voorstelbaar. Op die grond zou het ook voorstelbaar zijn, dat aantrekkingen of afstotingen t.a.v. uw wereld kunnen ontstaan, die eventueel bij een ras, dat technisch verder is dan de mensheid, bepaalde gevolgen zou kunnen hebben: men zou stoffelijk uw wereld kunnen benaderen.

Het is goed u te realiseren, dat ook dan een werkelijk contact, een vruchtbare samenwerking alleen mogelijk is, wanneer men eerst een transformatie-methode weet te vinden, waardoor men de wijze van denken, zien, beleven van anderen, kan begrijpen. Dan alleen zal men immers weten, waar men aan toe is en de werkelijke betekenis en mogelijkheden kunnen beoordelen.

Pas wanneer bij de anderen eveneens een begrip is ontstaan voor uw wijze van leven en denken, zal er een reëel contact plaats kunnen vinden met beheersbare gevolgen. Dit geldt overigens voor alle contacten, ongeacht of zij plaats vinden langs fysieke dan wel psychische wegen. Zonder een wederkerig begrip is alle contact vraagwaardig, omdat je nooit kunt weten of met schijnbaar gelijke begrippen ook inderdaad hetzelfde bedoeld wordt. Zelfs bij telepathische contacten zijn misverstanden mogelijk. Ik meld dit nevenbij, omdat u binnen enkele jaren wel weer veel over ruimtebewoners zult gaan horen.

Het wordt nu tijd een eindconclusie te trekken. Ik stel dus:   Elke mens dient in deze periode allereerst uit te gaan van zichzelf, zijn eigen wijze van denken, zijn persoonlijke begripsmogelijkheden, zijn eigen levensbehoeften. Alleen door dit te doen ontstaat een basis, van waaruit hij zijn eigen wereld redelijk kan benaderen en gelijktijdig de nodige harmonie met de wereld van kracht, de mogelijkheid tot transformatie van impulsen naar en uit de werelden van geest voor zich mogelijk maakt.  Daarbij dient men er verder rekening mee te houden, dat alle contacten met de werelden van de geest in de eerste plaats een innerlijke ervaring zijn, die eerst binnen het Ik omgezet moeten worden, voor zij deel van het redelijk begrip en herinnering kunnen worden. Men realiseert zich, dat de waarden, die hieruit voortkomen in de eigen wereld steeds van toepassing moeten blijken te zijn.

Dan wil ik u er aan herinneren, dat eigen daden en handelingen, niet dus alleen de eigen wijze van denken, bepalend zullen zijn voor alle contacten, die men zal kennen, met de Werelden van Kracht. Dit geschiedt ook, wanneer men niet de intentie heeft de band met de Wereld van Kracht te wekken, maar is geheel afhankelijk van het bestaan van een harmonische toestand, terwijl het weinig of niets te maken heeft met het al dan niet bestaan van de wil, een contact tussen deze wereld en de uwe tot stand te brengen. De mens, die bepaalde krachten ambieert, zal dus moeten zoeken naar een mogelijkheid  om door uiting van eigen krachten en eigen handelingen deze harmonie met de wereld van kracht te doen ontstaan. Groepen kunnen hierbij vaak regelmatiger en betere resultaten behalen dan eenlingen. Daarnaast dient men te beseffen, dat een matrix voor deze krachten zal moeten bestaan, zodat de ontvangen kracht hetzij voorlopig opgeslagen, hetzij onmiddellijk op een bepaald doel gericht kan worden.

De meest ideale toestand zou dus zijn: een mens, die enerzijds in staat is eigen innerlijk wezen zó te transformeren, dat hij bewust kennis op kan doen in de werelden van de geest en deze, omgevormd tot meer redelijke begrippen, in zichzelf vast kan leggen, terwijl hij gelijktijdig over de mogelijkheid beschikt om – daarbij de wetenschap vanuit de geest verkregen gebruikende – de kracht te verwerven, die hij nodig heeft, en zo een maximum aan praktische resultaten tot stand brengende. Dit is een ideaal. Hoever men dit in de praktijk zal kunnen benaderen, blijft een vraag. Geloof mij, dat dit alles ten dele een soort inwijding vormt. Maar, zoals men bij een inwijding soms kan beginnen met een minimum aan kennis en toch betrekkelijk veel kan bereiken in korte tijd, zo is het ook hier: wanneer je de uiterste mogelijkheden hebt bereikt, heb je een direct contact met de Goddelijke Kracht, de Goddelijke Wet – Goddelijke Wetten zijn uitgedrukt in de Wereld van Kracht – terwijl men daarnaast de schoonheid, de wijsheid en de emotionaliteit van de goddelijke gedachte, zoals deze zich in de hoogste geest kenbaar uit, geheel zal kunnen ervaren.

Dit komt echter zelden voor. Stel daarom, dat het beter is, haast onbewust krachten uit de geest te verzamelen en haast onbewust contacten met de geest te hebben, zo het weinige bewustzijn het mogelijk maakt, resultaten te boeken, dan alles gecontroleerd en bewust te doen, maar haast steriel en zonder werkelijke resultaten. Met gering bewustzijn kan men reeds veel bereiken. Slechts wie geheel onbewust werkt met deze krachten, of meent deze krachten met gering bewustzijn geheel te kunnen regeren, loopt gevaar.

Elke relatie met een andere wereld wordt voor u bepaald door uw eigen instelling plus de wetten en waarden van een andere wereld. Houdt u daarmede rekening in een tijd, waarin de paranormale verschijnselen ongetwijfeld toe gaan nemen en waarin de mens te maken zal krijgen met vele eigenaardige ontwikkelingen. Ik denk hierbij o.m. aan een sterke vergroting van het IQ bij een deel van het nageslacht, iets wat reeds nu hier en daar merkbaar zou moeten zijn. Dit alles overwegende zult u ongetwijfeld een zo goed en groot mogelijk gebruik van uw levensmogelijkheden en levensenergieën maken in een steeds nauwere samenwerking met alle voor u bereikbare werelden en met een steeds bewuster en intenser gebruik van de Wereld van Kracht, die voor ons slechts de representante is van de bron van alle kracht, die alle leven voortbrengt. Dit was mijn onderwerp. Indien u vragen wilt stellen, of opmerkingen wilt maken, ben ik geheel tot uw dienst.

* U stelt steeds naast uw wereld ligt de andere wereld. Is dit “naast” niet een bewustzijnsbeperking van ons denken? Ik meen, dat deze werelden elkander wel zullen doordringen, in plaats van “naast” elkander te liggen. Is dit juist?

Ten dele. Het is namelijk zo, dat de Wereld van Kracht in feite uw eigen wezen doordringt, omdat alle kracht en leven deel uitmaakt van deze wereld, ook wanneer zij in uw leven optreedt Maar u leeft uit die kracht krachtens een bepaalde wet, waarbij kan worden gesteld, dat de hoeveelheid van die kracht, die energie die voor u bruikbaar en hanteerbaar is, voor u werd vastgelegd door de wetten van uw eigen wereld. Wat u aan krachten ontvangt, ontvangt u dus krachtens de wetten en mogelijkheden van uw eigen wereld. Zodra u de Wereld van Kracht echter onmiddellijk aanboort, worden de heersende wetten gewijzigd, omdat de wetten, die de Wereld van Kracht regeren, nu voor u mede gelding krijgen naast en soms zelfs boven de wetten in uw eigen wereld. U wordt dus niet meer alleen door de wetten van uw eigen wereld beheerst en u kunt deze wetten zelfs met behulp van deze kracht tot op zekere hoogte overschrijden of tijdelijk opheffen. Daarom lijkt het mij in dit geval wel juist te stellen, dat deze werelden naast elkaar liggen. Al doordringen zij elkander theoretisch, er is en blijft voor ons een groot verschil tussen de kracht, die wij kennen als deel van onze eigen wereld en de kracht als geheel, die wij de Wereld van Kracht noemen.

Hetzelfde geldt voor de wereld van de geest: alle werelden van de geest kunnen vertegenwoordigd zijn in uw stoffelijk wezen. Ruimtelijk gezien doordringen dus de werelden der geest uw wereld. Zij zijn echter gescheiden van de wereld, waarin u leeft door bepaalde begripsbegrenzingen, bepaalde wezensbegrenzingen en zelfs door wat u grondtrillingen zou kunnen noemen. Op grond, hiervan mag een gescheiden zijn, aangenomen worden, zelfs voor ons, die in de werelden van de geest leven. Zelfs voor de hoogste geest geldt deze begrenzing, zij het t.a.v. uw bewustzijn. Wij zijn dus van elkaar gescheiden, maar kunnen elkander toch onmiddellijk bereiken. Dus lijkt het mij niet onredelijk, ook hier van “naast” elkaar gelegen werelden, te spreken. Deze uitdrukking werd door mij dus niet willekeurig of onverantwoord gebruikt, maar vloeide voort uit het schema der dingen, zoals ik u dit heden heb voorgelegd. Ik raad u het onderwerp nogmaals goed te bestuderen. U zult ontdekken dat vele vragen, die u wilde stellen, daarin reeds beantwoord waren.

ASPECTEN VAN HET BESTAAN

Ik wil graag een ogenblik voortgaan op de aspecten van het bestaan te bezien die de eerste spreker reeds voor u behandeld heeft.

Er is sprake van een Wereld van Kracht, die vergeleken kan worden met de Goddelijke of kosmische kracht. Deze wereld wordt u voorgesteld als hebbende – vergeleken met uw normen – geen direct bewustzijn. De kracht dient een ieder die in staat is, haar te ontvangen of te richten.

Daarnaast is sprake van een wereld van de geest. De wereld van het groeiende bewustzijn, waarin men dus contact kan hebben met andere personen, elk van die personen met eigen kwaliteiten, eigen bewustzijn, zienswijze en vermogens. Hier is men dus wel beperkt door een aanwezig bewustzijn. De wereld der geest kan dus alleen die doeleinden dienen, die zij voor zich aanneembaar acht.

Er wordt zo een groot verschil gemaakt tussen krachten en mogelijkheden, die vaak onder een enkel hoofd worden ondergebracht. Men is geneigd te stellen: God is het Licht en de Kracht en meent daarmede de werkelijkheid geheel omschreven te hebben. Wat men hierbij negeert is het feit, dat alle dingen – op aarde zowel als elders – alleen kunnen bestaan, wanneer er ook een tegenstelling bestaat. Eén enkele waarde, zonder contrasten, is niet kennelijk uitbaar. Slechts twee waarden, die elkanders tegengestelde zijn, of als zodanig t.a.v. elkander kunnen reageren, zijn uitbaar en kenbaar, omdat een vergelijk mogelijk wordt.

Zo werd voor u op deze avond een belangrijk onderscheid gemaakt tussen de Wereld van Kracht – het niet denkende, maar al-omvattende – en de geest, het denkende, zich van beperkingen bewuste en persoonlijk gedrag en bewustzijn kennende. In uw wereld is het op het ogenblik noodzakelijk dit verschil goed te beseffen: de kracht manifesteren op zich is niet zo moeilijk. Om dit verantwoord tot stand te brengen, moet men echter ook weten, wat men daarmede wil doen. De geest manifesteren is moeilijker, hier moet de geest meewerken. Maar wanneer dit geschiedt, is aan het gebeuren onmiddellijk reeds een intentie ingelegd.

Zoals dit bestaat in de wereld buiten u, zo bestaat het ook in u: er is een bijzonder groot onder- scheid tussen de kracht, waaruit gij leeft en het bewustzijn, waarmee gij uw leven omschrijft. Wie tracht deze dingen als een geheel te bezien, zal voortdurend met zichzelf in conflict geraken: dan kan men niet begrijpen, dat levensfunctie en bewustzijn soms in eigen leven met elkander strijdig schijnen te zijn. De mens kan dan niet aanvaarden, dat het leven zelf, geleid door de kracht, voortgang vindt op een wijze, die zijn innerlijk en bewustzijn niet geheel aanvaarden, beseffen, of omschrijven kan. Daarom moeten wij vooral in deze dagen uitgaan van het principe der twee gescheiden werelden, innerlijk door te beseffen, dat ons wezen niet over krachten beschikken kan, door zich alleen innerlijk te verheffen, maar dat een innerlijke bewustwording wel een steeds juister begrip van harmonisch zijn met steeds meer waarden in het Al brengt. Dit moet dan voeren tot de mogelijkheid meer krachten te ontvangen en te gebruiken, waar men dan met de kracht gemakkelijker in harmonie kan komen.

Ook in het Ik zelf is de weg, die men gaat, zo in twee delen te scheiden: aan de ene kant is er de innerlijke weg der bewustwording, waardoor men steeds meer een bewust deel wordt, van het heelal. Dan ontdekt men, hoeveel misleiding en waan er is in eigen leven, ontdekt men hoe men zijn wensen en begeerten verkeerd uitdrukt, hoe men zijn voorstelling van God en hogere krachten voortdurend tracht aan te passen aan eigen wezen en denken. Dan ontdekt men, dat er toch een werkelijke gedachte is, die veel verder reikt, dan het Ik kan gaan. Dit is iets, wat altijd hetzelfde blijft. Wij menen, dat dit een kosmische wet is. Toch is het slechts het bewustzijn van het Goddelijke. Het is de werkelijkheid.

Toch kunnen wij ons van de gehele werkelijkheid bewust zijn, zonder ooit daarmede iets te kunnen presteren. Wanneer wij allen zoeken naar innerlijke bewustwording, zullen wij ons niet afvragen, welke mogelijkheden ons gegeven zijn, welke krachten wij verwerven, over welke mogelijkheden wij beschikken.

Maar wanneer de mens, zoals zo vaak, voor zich niet alleen innerlijke wijsheid zoekt, maar daarnaast zover tracht te komen, dat hij niet alleen voor zich, maar ook voor zijn wereld meer kan betekenen, zal hij naar de kracht moeten grijpen. Wie kracht zoekt in zichzelf, zal moeten begrijpen, dat de kracht, waarover hij kan beschikken, niet in de eerste plaats afhankelijk zal zijn van zijn bewustzijn. Het bewustzijn bepaalt hoogstens, of men meerdere middelen zal weten te vinden om over de kracht te kunnen beschikken. Maar de grootste dwaas kan, met een gebed, dat waanzin is, en een afgodsbeeld, dat in wezen een gruwelijke misleiding van zijn Ik is, meer krachten opwekken, dan de meest bewuste en geleerde meester, die daadloos blijft. Het is de daad, waarin de kracht origineert, het is de daad, die de kracht de mogelijkheid biedt, ook binnen de mens en in de menselijke wereld tot uiting te komen.

Elke daad, waarmede wij de kracht zoeken moet in overeenstemming zijn met ons eigen wezen. Wij kunnen dus misschien zelfs stellen dat elke handeling, van de eenvoudige ademhaling tot de meest complexe reeks van handelingen en bewegingen toe – mits voortkomende uit eigen wezen en een uitdrukking daarvan vormende – de weg banen kan tot de werelden van kracht, de mens harmonie daarmede verschaffende en daardoor het mogelijk makend krachten van zelfs kosmische grootorde op aarde tot uiting te brengen. Daar tegenover staat, dat men, om een kracht goed te kunnen gebruiken over bewustzijn dient te beschikken. De wereld der mensen beschikt op het ogenblik – zij het onbewust – over veel meer krachten, dan zij zich wel realiseren kan. Daarbij gaat het niet alleen om materiële krachten, maar ook veel krachten, die men wel geestelijk zou kunnen noemen, omdat zij uit de wereld van het onbekende tot u komen.

Maar deze krachten zijn vaak chaotisch, elkander tegengericht, omdat de mensen de bedoeling van het leven niet kenbaar maken daarin en de kracht zelf de bedoelingen, die het bewustzijn vindt in het leven, niet beseft. Daarom zal de onbewuste niet de krachten juist richten, maar deze als een kracht van buiten het Ik willen bestrijden, daardoor vaak strijdige krachten voortbrengende, die voeren kunnen tot een vernietiging van de wereld der mensen. Door een verkeerd begrip voor de krachten en een onjuist gebruik van eigen vermogens door de mens, ontstaat er steeds weer wanhoop en teleurstelling in plaats van bewustzijn en vreugde.

Zo mogen wij wel aannemen, vrienden, dat bewustzijn in deze dagen noodzakelijk is en wel bovenal een zo hoog mogelijk innerlijk bewustzijn, een zo juist mogelijk begrip van eigen wensen en mogelijkheden bij de mens. Maar daarnaast dient men zich toch ook wel degelijk zoveel mogelijk bewust te zijn van de wereld, rond het ik, de wereld, waarin men leeft. Men dient zich zoveel mogelijk bewust te zijn van alles, wat leeft, ook in de werelden van de geest en zo mogelijk zelfs een bewustzijn te bezitten van de directe uitingen Gods, die eveneens de mensheid beroeren.

Om dit ooit te kunnen bereiken zal men, hoe vreemd dit ook moge klinken, allereerst uit moeten gaan van de mens. Zolang het de mens is, die de kracht, kan uiten, zolang het de mens is, die bewust moet worden, zal voor u de mens het sleutelbegrip blijven in alle dingen. Het is de mens, die bij alle bewustwording en bereiking voor u voorop staat: wanneer een mens bidt, met volledige overgave van eigen persoonlijkheid, zo kan hij daardoor een harmonie bereiken met de wereld van de geest en somwijlen gelijktijdig met de Wereld van Kracht. Zijn eigen wezen is hier beslissend.  De wereld der geest kan hem echter niet antwoorden; zijn bidden is een intense krachtsinspanning van het eigen Ik. Alle antwoorden die niet direct materieel zijn, zullen door deze concentratie aan de persoon in kwestie voorbij gaan.

Er is wel een antwoord, maar het antwoord ontstaat niet als een bewuste factor binnen het Ik. Toch is hij, die bidt, door zijn vorm van concentratie geneigd zeer hoge waarden aan te spreken en kan hij in vele gevallen een beperkte mate van contact daarmede bereiken.

Bidden, mijne vrienden, is niet gebonden aan kennis, maar wel aan innerlijk bewustzijn. Want innerlijke erkenning en aanvaarding van de hoogste kracht is noodzakelijk. Hoe meer u deze hoogste kracht als werkelijk al bepalend en alomvattend kunt ervaren, hoe groter de mogelijk- heden zijn, die het bidden zowel voor de innerlijke bewustwording als het hanteren van de kosmische krachten u geeft.

Het gebed op zich zal echter niet geheel voldoende zijn: wanneer zich in ons bewustzijn geen ontwaken afspeelt in verband met de hogere krachten, die via natuur en geest zijn wetten stelt, zal de mens geneigd zijn, zijn bewustzijn te gebruiken voor het zelf stellen van wetten, die hij geldend acht voor geheel de wereld. Gods’ wet is nu eenmaal niet onze wet. Onze wet is ofwel een interpretatie van hetgeen wij menen dat God zou willen dan wel een weergave van hetgeen wij willen, vaak valselijk als “Wil Gods” voorgesteld. Als zodanig zijn deze wetten vaak voor de mensen een verwrongen weergave van hún behoeften en verlangens. Het bidden maakt een contact met het goddelijke mogelijk, maar zal geen werkelijk inzicht kunnen geven in de ware Wil Gods, omdat men door de inspanning en concentratie er niet toe komt naar het antwoord uit de oneindigheid te luisteren.

Wij dienen dus te stellen, dat het gebed geen afgerond geheel in zichzelf kan zijn, maar eerder een uitgangspunt vormt. Want door het gebed kan het Ik zich duidelijker voorstellen, dat er een band bestaat tussen dit Ik en andere krachten. Wanneer deze andere krachten nu een directe inwerking op het Ik moeten uitoefenen zal het Ik daarvoor receptief moeten zijn. Bidt dus slechts niet in een overgave en uitstorting van geheel uw wezen, maar leer na deze concentratie als ontspannen te wachten, afgesloten voor alle dingen, tot het gebed in uw wezen zijn weerkaatsing vindt.

In dit verband nog een tweede punt:   Wanneer ik bid, ontstaan er bij mij altijd weer nevengedachten, nevengedachten die men snel terzijde pleegt te werpen, omdat zij niet schijnen te passen bij hetgeen wij willen doen: spreken tot God. De mens spreekt zijn God toe in termen vol eerbied, maar vaak ook in de raadselachtige termen, die een minister pleegt te gebruiken wanneer hij een senaat zijn nog niet geheel voltooide plannen voor wil leggen. Bedenk, dat God niet antwoordt op uw taal, maar op uw wezen. Wie dit beseft leert de gemaaktheid, die in het gebed zo vaak de bovenhand heeft, te vervangen door oprechtheid, waarbij men niet tracht zichzelf beter voor te stellen, of beter te maken, dan men is, maar slechts tracht zichzelf te tonen zoals men is, nu in volledige overgave aan God. De nevengedachte, die tijdens het gebed zo vaak optreedt, is in vele gevallen een pogen van het Ik, om zich en zijn werkelijke zorgen en problemen te omschrijven. De nevengedachten zijn dus deel van het Ik. Leer deze nevengedachten mede te bevatten in uw concentratie op het hogere en u zult ontdekken, dat een veel duidelijker beeld ontstaat, van wat u moet zijn, van wat u dient te doen.

Dit is een inspiratie, die niet terzijde kan worden gelegd met een: “dit staat nergens geschreven.” Het is een antwoord van het hoogste op uw persoonlijk zijn. U zult dan ook een persoonlijke oplossing moeten vinden, om dit antwoord om te kunnen zetten in feiten. Misschien gaat dit niet, zoals u dit verwacht of verlangt. Misschien wordt van u niet verwacht, dat u een bepaalde last geheel op u neemt, maar is het de bedoeling, dat gij die last alleen verplaatst of misschien zelfs, dat u zich alleen maar bereid verklaart deze last te dragen. U kunt dit niet overzien. Indien u echter beantwoordt aan uw innerlijke erkenningen, zo verkrijgt u daardoor een bewustzijn, dat u ook de daad toont waardoor de kracht tot u kan komen. Het is dus niet gelijktijdig, maar achtereenvolgens, dat de effecten van het bidden in de stoffelijke wereld tot uiting gaan komen, terwijl het gebed zelf bevestigd moet worden door de daaruit voortkomende daden.

Naast een zoeken naar kracht en bewustwording zoeken velen naar een eigen taak in de kosmos. Nu is het waar, dat wij allen deel zijn van de kosmos en daarin een eigen aandeel, een eigen taak hebben. Maar deze taak kan alleen volvoerd worden krachtens de werkingen van de kosmos, zo voor vervulling afhankelijk blijkende van de kracht, die uit die ene wereld komt en het weten, dat uit een andere wereld ontstaat. Beide waarden zijn dan ook noodzakelijk, om de taak, die het Ik in de kosmos gesteld is, te leren kennen en te kunnen vervullen. Zo zoeken wij niet slechts naar onze persoonlijke bestemming, maar zullen allereerst moeten zoeken naar de wegen, die voor ons in het leven openstaan.

Zover mogelijk wil ik deze wegen kort omschrijven als volgt: Wanneer ik in mijzelf erken, dat mijn leven zin en doel heeft, verder gaande dan de bevrediging van het Ik, of het persoonlijk bestaan in sfeer of op aarde, zo zal ik tevens mij moeten richten tot de hogere kracht, opdat naast mijn persoonlijk leven en denken, in mij een gedachte kan ontstaan, die de inhoud van mijn zijn duidelijker en juister omschrijft.

Een antwoord op de weg, die ik moet gaan, mag ik echter nooit verwachten als een totaal beeld, wat toont: zo zal het in het geheel van uw bestaan zijn. Eerder is het steeds weer een vingerwijzing: ga nu allereerst tot de hoek van de eerstvolgende splitsing. Wacht daar, tot gij daar nieuwe aanwijzingen verkrijgt. Zo, steeds met kleine stukken tegelijk, ontstaat het weten omtrent eigen weg en doel, ontstaat het bewustzijn, dat het begin van de geestelijke weg der bewustwording is.

Nu is het echter noodzakelijk, dat men tijdens het volgen van zijn pad in harmonie weet te komen met alles, wat men op zijn weg ontmoet. Wat de weg in zal houden, is bij het stellen van deze weg reeds bepaald. Wat men ontmoeten zal op deze weg, staat vast. Het vinden van de juiste houding, de juiste harmonie daarmede, is uw eigen zaak. Om deze harmonie te vinden, zal men op elk deel van de weg zijn persoonlijk beleven, zijn daden tegenover anderen, aan moeten passen aan het begrip dat men in zich heeft gevormd van zijn ogenblikkelijke taak en gelijktijdig daarin een kracht zoeken, waardoor men zijn taak delen kan met alles, wat rond het ik bestaat.

Men mag nooit de enige zijn, die een taak volbrengt. Werkelijk volbrengen kan men een taak slechts, als zij te midden van de gehele wereld kan worden gemanifesteerd en door die wereld kan worden aanvaard.

Telkenmale wanneer men een taak volbracht heeft, zegt zij u verder niets meer. Zij is a.h.w. in uw wezen uitgeblust. Dan zal men moeten wachten, tot een nieuw begrip van taak opnieuw zin aan het bestaan geeft, tot men weer een mededeling in zich meent te vernemen. Want ofschoon in wezen alle taak en de eigen levensweg een geheel vormen, zal tot de uiteindelijke bereiking het verleden weinig zin hebben. Daarom zal men, vaak met een gevoel van innerlijke leegte, moeten wachten tot men weet, welk deel van het pad men nu verder zal moeten gaan. Ook daar zal men echter moeten trachten zijn taak weer kenbaar te maken in en voor allen.

In feite zal men dus een voortdurend beroep dienen te doen op de wereld van kracht met uitzondering van de perioden, waarin men voor zich geen vast omschreven doel heeft. Men zoekt altijd weer, wanneer men zich doelloos gevoelt, naar een innerlijk erkend doel, dat zin geeft aan het leven. Voor de mens betekent dit, dat het niet alleen geestelijke, maar ook stoffelijke waarden in zal houden. Uit al deze samenvattingen van kleine taken en belevingen ontstaat de ervaring. Ervaring is een deel van het pad: door de ervaring leert men op het korte stuk weg, dat men nu bewust kan gaan en bij het vervullen van het kleine deel van de werkelijke taak overziet, hoe de harmonie steeds juister en beter te handhaven.

Elke disharmonie moet voorkomen worden. Elk werken met krachten betekent dan een bevorderen der algemene harmonie. Daarbij kan het eigen Ik dus niet superieur zijn, maar zal voor eigen bewustzijn altijd wel het middelpunt blijven. Want het Ik is voor ons de sleutel tot alle leven en beleven, tot alle kracht en bewustwording. Heeft men dit eerste deel van zijn weg volbracht, dan is de mogelijkheid tot bereiken van harmonie zoveel groter geworden, zodat men in staat is, meerdere delen van zijn weg te overzien.

Voorbeeld: mijn weg is nu: drie blokken rechtuit, een blok linksaf, een blok rechtsaf, twee blokken rechtuit. Men ziet dan vaak een einddoel voor zich, wat men ook langs een rechtere weg meende te kunnen bereiken. Vraag u echter nooit af, waarom een omweg werd gemaakt. Vraag u ook niet af, of het niet beter zou zijn uw erkende doel op een andere wijze dan de gegeven weg te benaderen.

Neem steeds het kleine deel van de taak, dat gij zo rechtlijnig mogelijk kunt bereiken, ga van daaruit verder. Houdt u daaraan, ook al lijkt uw taak op het ogenblik onbelangrijk of vreest u, door het aanhouden van deze weg te kort te schieten – dit zal hoogstens in verband kunnen staan met uw verlangen om eerder meer te zijn. Neem genoegen met de kleine taak. Vervul deze eerst, ook wanneer u door het verworven overzicht reeds weet, welke taken hierna zullen volgen. De bewuste zal steeds taak na taak afhandelen, wetende, dat hij niet in staat is vele taken gelijktijdig tot een goed einde te brengen, beseffende dat hij, door teveel tegelijk te willen doen, zichzelf de mogelijkheid ontneemt, de kosmische krachten te verwerven, die hij nodig heeft, het zich onmogelijk maakt juist te handelen op de juiste tijd.

Zo men dit alles beseft, volgt de laatste en misschien moeilijkste stap op het pad, dat in deze dagen zo belangrijk is: nu wij het overzicht hebben om voor onszelf ons aan de juiste aanpassing te wijden, moeten wij leren niet te kritiseren. Tot op dit ogenblik hebben wij onszelf en anderen, zelfs de opdrachten en taken, die wij in het leven kregen, beoordeeld. Maar dit mag niet: wij moeten in de plaats van het oordeel stellen een absoluut vertrouwen in de zinrijkheid der dingen, dat niet vraagt hoe of waarom.

Wij kunnen nu materieel redelijk met ons leven verder gaan, wij kunnen nu rekening houden met alles, wat er materieel of geestelijk bestaat en toch ons doel bereiken. Daar waar wij nog niet in staat zijn geheel te begrijpen, zullen wij door onze aanvaarding voort kunnen gaan in een harmonie, die ons deel doet hebben aan de wereld der kosmische kracht en zo een doel bereiken, dat schijnbaar nog boven onze mogelijkheden ligt. Aan het einde van de weg verkrijg je een nieuw beeld van jezelf. Je vraagt je misschien af, of je niet geschapen werd met een ingebouwd noodlot, met een bestemming, waarvan een afwijken niet mogelijk is. Je ontdekt, dat dit tot op zekere hoogte waar is, omdat je innerlijk niet verder kunt gaan, voor je een bepaalde taak volbracht hebt, voor je een bepaalde kracht hebt ontvangen en aan de wereld gegeven.

Zo begrijp je de continuïteit. En een werkelijk begrip voor de continuïteit der dingen is de eerste verademing voor een wezen, dat tijdgebonden is. Want dit is de eerste blik in de eeuwigheid, waarin niets haast heeft, waarin niets onvervulbare eisen schijnt te stellen, omdat er in de eeuwigheid voor alle dingen kracht, tijd en mogelijkheid te over is. In die rust vervul je dan je verdere lot. De bewuste, die zijn taak vervult vanuit het goddelijke, vanuit de eeuwigheid, leeft daardoor niet alleen gelukkiger en beter, maar bovenal harmonischer en juister dan te voren.

Gij, mijne vrienden, zoekt allen naar een taak! Wanneer u goed in uzelf denkt, niet achtende wat u wenst of niet wenst, maar achtende op de eeuwigheid waarin u leeft, zo weet u, wat uw ogenblikkelijke taak is. Wees daarmede tevreden. Aanvaard haar en vervul haar.

Gij zoekt kracht? Zo u meester zijt over uzelf en harmonie kunt vinden in de daad, zijt u meester, kunt u spelen met de kracht, zoals engelen misschien spelen met zonlicht. Nu echter zult u moeten nagaan, hoe u harmonie en die kracht kunt verwerven op dit ogenblik. Wanneer u beseft wat uw taak is, zo zult u ook beseffen, waarin voor u de juiste wet tot de kracht ligt.

Doe dan het geringe, dat u te doen gegeven wordt en besef, dat er vele stenen opeen gestapeld moeten worden, voor men een toren heeft gebouwd, die de hemel beroert. Wie zich niet afvraagt, hoe hoog hij wel zal stijgen, maar steen na steen plaatst, omdat dit de bestemming van zijn wezen is, zal contact hebben met alle werelden. Hij heeft de kracht die hij nodig heeft, al lijkt het hem soms een onmenselijke taak, zo hoog nog een steen toe te voegen aan het geheel.

Gij hebt uw taak. In u bezit u de mogelijkheden om de kracht te benutten en te ervaren. U hebt de mogelijkheid de kracht te richten, door geheel uw handelingen te bestemmen voor een bepaald doel. Waarom zou u dan streven naar een meesterschap, wanneer u nog niet beseft, dat meesterschap betekent, dienen? Vervul uw eenvoudige taken, aanvaard de kracht u gegeven, benut de middelen, die u ter beschikking staan.