De schepen van de onderwereld

image_pdf

4 februari 1966

Allereerst wil ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denk dus zelf na, indien u werkelijk iets wijzer wilt worden. Het zoeken van een passende titel voor mijn onderwerp was wat moeilijk, maar uiteindelijk besloot ik het als titel te geven: De schepen van de onderwereld.

Wanneer wij de oude mythologie en dodenboeken nagaan, komen wij steeds weer als beeld een schip tegen. Wij zien een boot reeds een niet onbelangrijke rol spelen in een deel van het Gilgamesh-epos. Hier heeft de held, die af zal dalen tot in de onderwereld, een bijzonder soort boot nodig, om daarmede een meer van verterend zuur over te steken. Zien wij naar Egypte, zo treffen wij het beeld van Osiris, die in de nachtelijke uren onder de aarde doorvaart op zijn zonneschip. Tijdens de tocht langs de onderwereld rivier, sluimert Osiris op de voorplecht van het schip, terwijl aan de kanten de verdoemden hem uitjouwen of aanroepen. Osiris echter sluimert en hoort niets. Eerst op het ogenblik, dat de stroom sneller wordt en rotsen het schip bedreigen, ontwaakt hij weer, om met een enkel gebaar de boot door alle gevaren weer naar de dag te sturen. De Grieken kennen de Styx met de veerman Charon, die de doden overzet en zelfs in Nederland bestaan sagen over doden, die het bootje naar Ameland nemen – waarbij dus de doden op gezette tijden het water oversteken om naar het dodenland te gaan. Er bestaan heel wat meer voorbeelden van schepen, die varen tussen de wereld der mensen en de onderwereld, schepen van de onderwerelden. Maar de genoemde behoren tot de meest bekende en zullen een voldoende illustratie vormen bij hetgeen ik u wil gaan zeggen.

De stroom, waarop de schepen van de onderwereld varen, is kennelijk de tijd. Wanneer Osiris onder de wereld doorvaart, telt de stroom voor hem de uren van de nacht. Wanneer de doden het dodenveer naar Ameland nemen en in de bootje stappen, dat schijnbaar leeg, maar diep geladen, wegvaart, zo doen ook zij dit, om de menselijke tijd te overwinnen. Zelfs degene, die de Styx oversteekt, laat een belaagde era achter zich, om in te gaan in de tijdloze wereld van de Hades. De tijd speelt steeds weer een rol en beïnvloedt het lot van degenen, die haar oversteken. Zij beïnvloedt volgens de legenden ook de mens zelf – getuige het verhaal, dat zij, die van de Lethe drinken, alles moeten vergeten. Wij kunnen ons wel ongeveer voorstellen, waarom men water of een stroom steeds weer als een symbool van de tijd gebruikt. De beste beelden van de filosofen vergelijken immers de tijd ook al met een stroom, die rustig en staag langs haar oevers voortkabbelt, terwijl de mens met de stroom meedrijft naar de zee, de eeuwigheid. Hij kan waarnemen, wat op de oevers gebeurt en daardoor zelfs berekenen, waar hij uiteindelijk terecht zal komen, namelijk aan de andere oever van de zee. Maar dat is een heel verhaal. Eigenaardig bij dit alles is, dat men in de stroom wel de tijd pleegt te zien, maar zich kennelijk niet schijnt te realiseren, dat deze stroom bevaren wordt. Toch horen wij steeds weer van de schepen van de onderwereld, die de stroom van de tijd weten over te steken, met deze stroom meevaren, of, indien het beter uitkomt, zelfs tegen de stroom in varen.

Hoe deze schepen te omschrijven? Het is moeilijk. Want de ene boot is een cultusvoorwerp, maar daarnaast een schip, dat de doden draagt naar het oever van het hiernamaals en zelfs in bepaalde uitleggingen een zielenboot, een voertuig van de ziel zelf, die zo het Licht van het leven door het Al draagt.

De boot moet, wanneer zij bij begrafenissen wordt meegegeven, niet alleen van de dode een waarlijk herboren Osiris maken, maar dient wel degelijk ook als een zetel voor een deel van zijn ik, een voertuig voor zijn ziel, waardoor hij, middels besef en wilskracht, alle delen van de schepping steeds zal kunnen bereiken. Naar ik meen, is het de wil van de mens, die een dergelijk voertuig zich kan vormen. Nu had men in het verleden nog niet zoveel verstand van de tijd als tegenwoordig. Zo meent men nu te weten, dat tijd geld is, terwijl men vroeger meende, dat tijd iets was om te beleven.

Het feit, dat in een betrekkelijk ver verleden de mensen echter reeds dachten aan de tijd als aan een zee of stroom, terwijl de mens, die van belang is, op de tijd kan varen, wettigt m.i. de veronderstelling, dat voor deze mensen het begrip tijd zeker geen onveranderlijke en vaste maatstaf betekent heeft, zoals zij nu schijnt te zijn geworden in de waardering van de “beschaafde wereld”. Op het ogenblik, dat uw eigen wezen bewust en wilskrachtig streeft, zal het ik in de stof nog wel gebonden blijven aan het stoffelijke verloop der feiten – dus aan de tijd. Maar reeds vroeg horen wij, dat de geest van de mens zich van deze gang van zaken los kan maken en wij zien dan, dat deze bekwaamheid wordt beschouwd als een van de oorzaken voor het optreden van helderziendheid. Reeds vóór Christus geboorte stelt men, dat de geest in deze toestand een soort “total recall” heeft, een perfecte herinnering, waardoor het haar mogelijk is desnoods vele levens in het verleden terug te gaan. Wij zien de dood optreden als de brenger van vernieuwing, maar daarnaast ook optreden als iets, wat een vergroting van beheersing kan en dient te brengen. Daarom is het niet zo vreemd, wanneer ik begin met te stellen: De voertuigen, die op de rivier van de tijd varen, zijn gebouwd uit het bewustzijn en de wil van de mens.

Om de gelijkenissen nog even voort te zetten: Wij ontmoeten bij afbeeldingen van dergelijke schepen bijna altijd twee stuur- of roeiriemen. De zonnebark heeft meestal twee stuurriemen naast “een ziel” en mogelijk meerdere paren riemen ter voortbeweging. Een ander opvallend punt is het Vikingschip, dat brandend met een dode Jarl aan boord naar het westen zeilt. In tegenstelling tot het normale sturen, waarbij één stuurriem gebruikelijk is, wordt dit namelijk uitgerust met twee stuurriemen. Dit zijn ook niet de normale stuurbladen, maar roeiriemen, die normaal voor voortbeweging worden gebruikt en nu op een bepaalde wijze aan de achtersteven worden vastgemaakt. In de Gilgamesh-verhalen komt het ogenblik, waarop de held een van zijn twee paddels of riemen verliest. Slechts dank zij hoffelijkheden en offers, op de heenweg gebracht, en een toen reeds gesloten vriendschap, slaagt hij er in aan het verterende zuur van het meer te ontkomen. In het leven van mens en geest zijn er nu twee waarden, die ons van de tijd onafhankelijk kunnen maken. De eerste kracht is in wezen onze stuwkracht, onze wil. Alleen is zij echter niet voldoende om resultaten te behalen. Daarvoor is de tweede kracht of riem nodig, die ik geestkracht of voorstellingsvermogen kan noemen, daar het hier om begrip en in zich bouwen van voorstellingen gaat.

Wij hebben dus begrip en wil nodig. Met deze beiden kunnen wij inderdaad voertuigen hanteren, die niet aan de tijd gebonden zijn. Als eerste en voornaamste voor de mens noem ik hier het astraal voertuig. De astrale wereld blijkt wel de tijd te kennen, maar trekt zich daarvan in wezen weinig aan en is kennelijk in vele opzichten daarvan dan ook onafhankelijk. Toch is deze sfeer of wereld eigenlijk nog stoffelijk. Wij hoeven ons er dan ook niet over te verbazen, dat bepaalde oude denkers uit bv. Egypte, Griekenland, Assyrië, Indië, Tibet enz. spreken over de astrale wereld als iets zeer bijzonders. In meerdere gevallen verklaren zij zelfs, dat zij via deze wereld, die dan natuurlijk een andere naam draagt, maar in wezen dezelfde is – de toekomst kunnen betreden, op hun weg terug kunnen keren naar het verleden, terwijl zij via deze wereld en haar voertuigen verklaren over de gehele wereld te kunnen “vliegen”. Misschien lijkt het u nog steeds dwaas een verband te leggen tussen de boten van de onderwereld uit genoemde verhalen en de astrale wereld. Maar bij nader beschouwen blijkt, dat deze boten – ofschoon op bijzondere wijze – uit materie gebouwd heten te zijn. De zonneboot bv. is gebouwd van bijzondere houtsoorten. Over de boot van Charon horen wij bij enkele bronnen, dat boot en riemen gesneden zijn uit zwart hout, waarschijnlijk doelt men hier op ebbenhout. De boot in het Gilgamesh-epos wordt beschreven als zeer bijzonder en bekleed met de huiden van speciale dieren.

In alle gevallen lijkt het er op, dat de boot is gebouwd uit materie, maar dan een vorm van materie, die geen eigen leven meer heeft en in wezen van haar oorspronkelijke samenhang is ontdaan.

Beziet men de astrale wereld, zo blijkt, dat deze wereld ergens nog wel alle mogelijkheden van de materiële werelden schijnt te bezitten, maar dat de samenhang van de materie daarin snel teloor gaat, zodat vormen alleen optreden, wanneer een wil een nieuw verband schept, om tijdelijke de astrale materie daarin samen te vatten. Vandaar dat ik in dit verband stel: De voertuigen, waarmede de meeste mensen, die zulks doen, naar de andere wereld, de wereld van doden en geesten gaan, is gebouwd uit de materie van de astrale werelden.

Dit doet misschien de vraag rijzen, of dit op zich reeds voldoende zou zijn, of er dan niets meer nodig is buiten dit. Wel, wanneer wij sluimerend door de onderwereld gaan, als de slapende Osiris bij wijze van spreken, hebben wij niets anders nodig. Dan is het voertuig op zich ons voldoende, wij hoeven slechts te ontwaken en het met onze wil te sturen, wanneer wij de werkelijkheid naderen en de dag betreden: De werkelijkheid van onze eigen wereld. Dit geldt echter slechts voor dit ene geval. Wij zien immers, dat, zo het werken in eigen wereld geen taak meer is, de dode zijn voertuig gebruikt, om rivier of zee over te steken. De astrale wereld geeft ons de mogelijkheid om in de onderwereld, het hiernamaals of de geestelijke werelden – waaraan de meeste mensen innerlijk niet geheel geloven – te benaderen. Je kunt, dankzij de eigenschappen van het astrale, de eigen wereld verlaten, de stroming van de tijd overwinnen en andere werelden betreden.

Op het ogenblik, dat je echter een andere wereld betreden hebt, bevind je je in een wereld vol van raadselen. Het Egyptische dodenboek, dat in zekere zin een gids op de weg wil zijn, geeft ons een aardig beeld van de soms nog zeer lange en ingewikkelde weg, die men, na de rivier of stroom overgestoken te zijn, nog moet afleggen. Wij zien, dat de ziel bij de landingsplaats komt. Zij laat haar schip achter en passeert eerst een aantal zuilen. Dan gaat zij door poorten, langs gangen, bestijgt trappen, passeert of gaat zeilen, om uiteindelijk haar doel te bereiken: het punt, waarop de ziel voor haar rechters treedt en met haar werkelijke wezen in de eeuwigheid geconfronteerd zal worden. Ook elders vindt men soortgelijke verhalen. Men wordt overgezet door Charon. Een terugkeer is dan alleen nog mogelijk, wanneer men zijn weg weet te vinden tot de troon van de god van de onderwereld en deze zijn wens tot terugkeer weet voor te leggen. Er is dus altijd sprake van een verdergaan. De schepen van de onderwereld zijn geen vervoersmiddelen, die op zich tot het doel voeren, maar vormen slechts een bepaalde fase op een veel langere weg. Wij kunnen daarom m.i. zeggen: Het is noodzakelijk deze eigenaardige astrale sfeer te doorlopen, opdat men uiteindelijk in staat zal zijn de machten van de dood en de machten van het leven onder ogen te zien.

Nu is dit alles misschien, mooi, leerrijk en een perfecte reeks van vergelijkingen, maar wij moeten naar de praktijk toe. Wijsheden en verhalen hebben immers alleen werkelijk betekenis, wanneer wij daar ook zelf, als mens of geest, iets kunnen doen. Wij moeten de mogelijkheden overzien.

Het is goed dan allereerst er aan te denken, dat de schepen van de onderwereld in de verhalen ook kunnen zinken. Deze middelen van vervoer zijn dus zeker niet feilloos. Zoeken wij naar de oorzaak waardoor deze schepen van de onderwereld ten gronde gaan, zo blijkt in de meeste gevallen als reden gegeven te worden, dat degene, die er in vaart met een verschrikkelijk wezen wordt geconfronteerd. En wat is, naar uw mening, nu wel het meest verschrikkelijke wezen, dat u zou kunnen ontmoeten op uw pad? De mens? Neen, het ware ik. Want het ware ik omvat ook alle dingen, die wij van onszelf niet willen weten of werkelijk niet kennen. Daarin zijn alle dingen, die wij voor onszelf en anderen zouden willen verwerpen. Het bevat alle beelden van dingen, waarvoor wij bang zijn in hun meest uitgesproken vorm. Het toont ons daarnaast ook alle dingen, die wij werkelijk begeren.

Wij zien dan ook, dat men dergelijke belevingen symbolisch ook in vele riten tracht te stellen.

De rivieren van de onderwereld lopen in het duister, misschien een enkele keer zal de duisternis gebroken worden door een sombere hellegloed.

Verder is er echter niets te zien. Er is alleen de beweging van de tijd. Wanneer je als mens wilt stil zijn en geheel tot jezelf in wilt keren, zou je eigenlijk in perfecte duisternis moeten zitten en eenvoudig wachten. Dat wachten zal misschien een betrekkelijk lange tijd vragen. Maar dan ziet men ook – vanuit eigen innerlijk, al beseft men dit niet altijd – zich een soort schouwspel ontrollen, dat met de beschrijvingen van de rivieren van de onderwereld en de oude wereld en de reis daarop toch grote verwantschap toont. Indien u ooit deze proef zou willen nemen, zo zou u allereerst bemerken, dat het duister u gaat beklemmen. Het is, alsof men geen ruimte meer heeft, geen adem meer kan halen. Daarna krijgt het donker een eigen leven. Het is, of er in het duister hoeken bestaan, die nog duisterder zijn.

Je voelt je aangevallen door duistere wezens. Doorsta je ook dit, dan komen er bepaalde figuren uit het duister naar voren. Het is of zich uit de duisternis deze gestalten omringd door een soort gloed kenbaar los gaan maken. Meestal zijn dit geen aangename beelden. Natuurlijk zijn dit beelden van ons eigen wezen. Je kunt het desnoods een projectie van het onderbewuste noemen, indien je aan moderne termen de voorkeur geeft. Zeker is echter, dat je voor deze wezens niet bang moogt zijn. Anders ga je eraan ten onder.

Wanneer wij zo onszelf in het gelaat hebben durven schouwen en zo de grootste verschrikking hebben getrotseerd, zien wij eindelijk ook het goede van ons wezen. Wij hebben met de proef a.h.w. iets verdiend. Je kunt nu het land van de doden, het land van de geheimen betreden. De weg terug ligt echter nog niet voor het ik open. Om een weg terug te kunnen vinden onder alle omstandigheden, moet men kunnen beschikken over harmonie, die vaak wordt uitgebeeld als muziek, het lied van het leven, het lied van de eeuwigheid. Wij moeten het leven binnen kunnen dragen in het duister en het zozeer met onszelf verbonden weten, dat wij het ook weer daaruit terug kunnen brengen. In de praktijk betekent dit, dat je, juist wanneer je als mens in eenzaamheid rustig wilt zijn, je wilt concentreren, wilt mediteren, geconfronteerd zult zien met allerhande denkbeelden, waarvoor je wat huiverig bent.

Op den duur zal men in allerhande fantasieën willen vluchten, om die ene gedachte toch maar te kunnen wegdringen. Ook dit is een vorm van confrontatie met eigen ik. Wat weer met zich brengt, dat je juist dergelijke gedachten en beelden niet kunt vergeten of terzijde kunt stellen.

Dergelijke gedachten zijn als de hellehond Cerberus en bedreigen onze rust met drie – of zelfs meer – koppen. Van alle kanten grijpen zij ons aan. Dergelijke gedachten zijn vaak als een wereldslang, een draak, die men niet kan verslaan. De taak lijkt hopeloos, wanneer men deze gedachten wil overwinnen en bedwingen. Maar je moet ze ook niet verslaan, vernietigen; je moet tegenover deze schrikbeelden, deze onaangename delen van het ik, ons leven, zoals wij dit kennen en wensen, ons streven, onze harmonie stellen, om hen te laten voor wat zij zijn: Delen van het ik, die onze aandacht niet waard zijn.

Dit impliceert dus weer, dat de erkenning van het schrikbeeld als deel van het eigen Ik op zich niet voldoende zal zijn. Zoals het niet voldoende is, alleen maar te varen op een onderwereldrivier in een of ander geheimzinnig vaartuig. Je moet kunnen landen aan de andere oever, wanneer dit noodzakelijk is. Tenminste mag je niet zozeer gebiologeerd zijn door het aanschouwde, dat het je belet te ontwaken, wanneer de tijdsstroom zich weer versnelt tot normale tempi en een ingrijpen vergt. Want voor de werkelijkheid weer betreden kan worden, voor je het licht van de dag in kunt varen, moet je bewustzijn en zelf het stuur weer in handen hebben. Je moet niet alleen varen, maar a.h.w. op het juiste ogenblik het tolgeld betalen – enz.

Wij betalen overigens altijd tol. Een mens zal dit in zijn slaap vaak doormaken en dan ontwakende zeggen: Ik heb een nachtmerrie gehad. Nu kan de oorzaak van die nachtmerrie natuurlijk gelegen zijn in een slechte spijsvertering. Maar het is evengoed mogelijk, dat men tijdens zijn slaap met een deel van zichzelf in conflict geweest is. Te constateren, wat je bent en verder te gaan, is een van de moeilijkste opgaven, die er bestaan. Dat is in de inwijdingen zo, dat blijkt ook in de oude mythen reeds waar te zijn. En indien wij toegang willen hebben tot dat geheimzinnige deel van het bestaan, waarin de tijd kan worden uitgeschakeld als een alles beheersende factor in het leven – wanneer wij dus zelf schepen op de stroom van tijd willen laten varen naar ons believen, wanneer wij het land van het tijdloze binnen willen gaan, zullen wij juist dit echter moeten leren volbrengen.

Daarom geldt voor een ieder, die zich met het tijdloze, het eeuwige, wil bezighouden, evenals voor een ieder, die waarlijk naar verleden of toekomst wil grijpen: Leer jezelf aanschouwen en verder gaan. Dat is de eerste taak: Oordeel niet over jezelf, schrik niet, maar constateer eenvoudig en ga verder. In de tweede plaats geldt dan: men dient eigen leven niet alleen te maken tot een constatering van wat men zelf is of wat de wereld is, maar zal voor zich een harmonie moeten vinden. In de oude mythen is dit een lied, een spelen op een lier misschien, of het vinden van een woord. Ook als ik-heid zal men steeds in het leven een soort harmonie, een melodisch verband, moeten vinden tussen ik wereld en mogelijkheden.

Men kan dan ook stellen, dat de mens zijn leven dient te voeren in een ritme van ervaren en erkennen, waarin het totaal van de levenservaringen, innerlijke  erkenningen,  levensaanvaarding en levensvreugde op harmonische wijze gezamenlijk of afwisselend tot uiting komen.

Dit laatste is overigens niet alleen raadzaam, maar in wezen voor werkelijke bereikingen in geest en stof zelfs noodzakelijk.

Wat ons vanzelf tot een derde punt voert. Men moet als mens de moed vinden, om de samenhangen en schijnbare redelijkheid van de gekende tijd te verlaten. Zolang je alles als achtereenvolgens wilt zien en tracht alle beleven tot een bepaalde volgorde te rangschikken, zul je misschien nog over de wateren van de onderwereld kunnen varen, maar je zult nooit de andere oever van de stroom bewust kunnen betreden. Op het ogenblik, dat je de volgens jou redelijke volgorde laat schieten, dat je de schijnbare chaos van de tijdloze wereld aanvaardt, blijkt achter het schijnbaar chaotische een geheel eigen ordening verscholen te liggen. Dit is een ordening, die meer tijdloos is dan alle menselijk denken of leven zal kunnen omvatten, omdat hierin eeuwige wetten worden uitgedrukt. Automatisch ontstaan daardoor samenhangen, die wij graag redelijk als een volgorde zouden zien, maar die door de vele interrelaties, voor het redelijk denken niet meer dan een wanorde is. Als regel zullen wij dus hier moeten stellen: Tracht nimmer waarnemingen en feiten in logisch verband te brengen, wanneer je je eenmaal in de astrale werelden begeeft of nog verder gaat buiten de wereld der menselijke tijd. Dit geldt dus altijd, wanneer je tracht de beperkingen van het ruimtelijke bestaan in de stof als mens met zijn beperkingen voor het ik tijdelijk op te heffen. Op het ogenblik, dat u volgorde, rijm en rede zoekt in het geheel van uw erkenningen en belevingen, zult u als vanzelf vastlopen. Aanvaard de samenhangen, zoals zij zich dan tonen zonder kritiek, verbazing of poging tot verklaring, indien u een mislukken van een dergelijke tocht wilt vermijden.

Nu denkt hier iemand: Wat een drukte, wanneer je in de toekomst wilt zien, wie heeft dat er voor over. Maar ik kan u verklaren, dat heel wat meer mensen dan u verwacht, er prijs op stellen, iets van de toekomst te weten, terwijl nog veel meer mensen bewust of onbewust aan de menselijke beperkingen willen ontsnappen en daartoe de werelden van tijdloosheid betreden.

Overigens ben ik het met u eens, dat een persoonlijk in de tijd vooruitzien weinig nut heeft: men voorziet vreugden en bereidt zich daarop zo sterk voor, dat zij een teleurstelling worden, wanneer zij eenmaal komen, terwijl je de ellende nooit laat genoeg kunt beseffen.

Maar wat is eigenlijk de kern van alle onderwereldverhalen?

Hun uiteindelijke resultaten blijken vaak van algemeen belang te zijn of feiten van geen belang te zijn. De verhalen confronteren ons met een bewonder van de menselijke wereld, die de onderwereld niet alleen betreedt, maar ook weer tot eigen wereld weet terug te keren. En allen leggen er de nadruk op, dat degene, die van deze tocht terugkeert, zijn eigen wereld zal bereiken als iets, wat meer is dan alleen maar menselijk. Wanneer je als mens je eigen persoonlijkheid volledig wilt kennen, of, meer nog, wilt beseffen, wat je ware taak, de werkelijke zin van je bestaan is, dan zul je het gebied van het tijdloze moeten betreden. Ook al gaat het u in wezen niet om verschijnselen in of van de tijd. U zult dan op de rivier van de tijd moeten varen, u zult in het duister van de onderwereld het verleden zien herleven en u zult misschien beseffen, dat de toekomst bepaalde niet te vermijden fasen voor u in zal houden.

Maar dit is een nevenverschijnsel: de vaart op de rivier van de tijd is immers niet in zich de hoofdzaak, maar slechts een middel om ergens te komen. Ook hier moet u dit in het oog houden. Een zoeken naar de toekomst om zichzelf kan vaak voeren tot ontstellende misvattingen. Aan de andere kant zul je altijd iets van die toekomst, zowel als van eigen verleden en zelfs voor stoffelijk bestaan aanvoelen en erkennen, wanneer je het land van de eeuwigheid probeert te betreden. Wij hebben dit alles dan ook wel degelijk nodig, om ons begrip van bewustwording af te ronden.

Ik vat daarom de kern van al het voorgaande nog eens kort samen.

Het voertuig, dat wij gebruiken om het tijdloze bestaan te beseffen, zal altijd de astrale wereld zijn. De astrale wereld vormt een voor ons te betreden brug, een schip van de onderwereld, waardoor het ons mogelijk is vanuit eigen wereld andere werelden en sferen te betreden. Wanneer wij in de astrale wereld blijven of zelfs proberen iets van die astrale wereld tot ons te nemen, ons eigen te maken, gaan daardoor in ons bestaande waarden teloor. Wij kunnen het effect hiervan vergelijken met een drinken van de wateren van de Lethe. Wij vergeten dan alles, wat tot onze werkelijkheid behoort. Wat blijft, is een reeks van hersenschimmige illusies, waarbij alle werkelijke waarde verloren gaat. Leven en bewustwording zal dan, vanuit menselijk standpunt gezien, geheel opnieuw moeten beginnen.

Blijf dus nimmer met uw werkzaamheden in de astrale wereld, doch beschouw deze wereld slechts als een middel, om een bepaald doel te bereiken. Besef, dat deze wereld geen enkele eigenschap bezit die haar geschikt maakt voor wat gezellige belevingen of het even opdoen van enkele ervaringen. Iedereen die u zou zeggen, dat u voor uw plezier met een kano de Niagara Falls af zou willen varen, zal u vertellen, dat dit een krankzinnig idee is. Maar wanneer mensen u vertellen, dat u in de astrale wereld toch zoveel wonderlijke in leuke dingen kan zien, zodat men toch maar eens zonder meer daar moet gaan kijken, dan beseft men kennelijk niet, dat dit nog veel gevaarlijker kan zijn. Toch kan een ieder weten, dat de bescherming en mogelijkheden, waarover men als mens beschikt, zeker in de astrale wereld, voor de mens beperkt zijn. Voor de astrale wereld kan zelfs worden gesteld, dat de enige mogelijkheid het ik goed te beschermen, schuilt in het vermogen onmiddellijk deze sfeer te verlaten en terug te keren tot eigen woning in eigen wereld of sfeer. Dit is de enige bescherming, die wij, ook in het astrale, bezitten, zolang in ons niet – voor ons bewustzijn kenbaar – de grote Kracht leeft.

Daarom kunnen wij nog verder stellen: Zo wij de astrale wereld als voertuig beschouwen, moeten wij daarbij beseffen, dat dit voertuig voor ons alleen zonder gevaren en vol nut zal zijn, wanneer het bestuurd kan worden door kennis en wil. Wij voegen hieraan vervolgens toe: het doel van onze belangrijkste tochten met dit schip van de onderwereld zal altijd de troon van de vorst van de onderwereld zijn: Slechts zij, die het diepste duister zonder angst tegemoet kunnen treden, zullen ook vrijelijk terug kunnen treden naar Werelden van Licht, wetende wie en wat zij zijn en daarbij zelfs anderen bevrijdende uit banden van duister, wanneer zij hun waan prijs willen geven. Dit laatste is niet van mij. Ik citeerde hier een wijsgeer, die vele ervaringen op dit terrein heeft gehad. Terugkeren is dus eigenlijk een daad. Het gaat er niet alleen om voor de troon van bv. Proserpina te durven treden. Het gaat er eerder om, dat wij de uiteindelijke rechter, de vorst van dood en vernietiging onder ogen durven zien. Zoals wij allereerst het monsterlijke ware ik hebben moeten ontmoeten, zullen wij ook de ondergang onder ogen moeten durven zien. Het gaat hier om gerichtheid en innerlijke zekerheid. Wanneer u het duister betreedt met denkbeelden als: Misschien is de dood wel niet echt en blijvend, dan is de kans zeer groot dat u een deel of zelfs het geheel van uw persoonlijkheid in de duisternis zult achterlaten. Indien je iets wilt bereiken en terugkeren, zul je vol vertrouwen op de eeuwigheid het duister moeten binnen gaan.

U zult zich misschien afvragen, waarom dit binnen gaan in het duister dan zo belangrijk wordt geacht. Want de eeuwigheid bestaat nu eenmaal, en om het Licht te kennen, hoef je toch niet eerst in het duister te leven. Bovendien zijn er toch zovele wegen tot het Licht, nietwaar? U hebt gelijk, maar u vergeet, dat de bewuste weg, zelfs naar de Elyseese velden, door Hades voert.

Volgens de mythologie gaat elke dode een deel van zijn weg langs de krochten van de onderwereld.

Maar voor hij voor de troon van de duistere heerser komt, kan hij al afslaan naar de velden van eeuwige vreugde. Nu zijn dergelijke overleveringen natuurlijk maar verhaaltjes. Maar dan toch wel verhaaltjes, waarin een waarheid ligt. Om de hemel te kennen moet je het duister betreden hebben en het demonische ik erkend hebben voor wat het is en op je weg hebben achter gelaten.

Tot zover kunnen wij dit alles misschien beschouwen als de omschrijving van een normaal deel van de bewustwording. Ik wil echter de zaken nog wat anders gaan stellen. Wij zijn wel begonnen met een complete rederij in de onderwereld, maar per slot van rekening kost zoiets ook wat. Zelfs voor een pont of een rondvaartboot heb je immers een kaartje nodig? Om buiten eigen wereld een trip te maken, hoe kort dan ook, heb je eveneens een ticket nodig. Om in staat te zijn een dergelijke reis te ondernemen, zullen wij ons bewustzijn van eigen ik en omgeving, zoals dit in eigen wereld of sfeer bestaat, tijdelijk moeten opgeven. Je geeft a.h.w. je besef van het heden in onderpand voor een beleving, die tijdloos is. Daarom is een volledig bewuste beleving van de astrale of andere werelden in feite niet mogelijk. De processen van bewustzijn, die optreden, zijn in het begin als zelfsuggestie, hypnose, trance in verschillende vormen. Het is altijd een verlaten van de werkelijkheden van eigen wereld, een terzijde stellen van de redelijke samenhangen, processen en erkenningen, zoals die in eigen wereld gangbaar zijn. Keer je weer tot je normale wereld terug, dan wissel je het bewustzijn van eigen wereld in tegen het bewustzijn van de andere werelden en mogelijkheden. In de meeste gevallen ben je daarmede dan je grootste winst weer kwijt, want de meest mensen laten hun ware herinneringen aan de andere wereld achter op het ogenblik, dat zij het volle bewustzijn van eigen wereld weer aanvaarden.

Daarover moet ik natuurlijk ook weer iets zeggen. In de eerste plaats geldt hier dan: Wanneer je in staat bent het stoffelijke ik even kritiekloos te erkennen en daaraan zo nodig zelfs voorbij te gaan, als in vorige beelden gesteld werd t.a.v. de delen van het ik, die zich in de meest verschillende gedaanten aan het bewustzijn presenteren, dan zal de herinnering van het werkelijke ego, de geest, de ziel, nimmer teloor kunnen gaan. Zij zal deel blijven van het ik in alle voertuigen. Op het ogenblik, dat wij de kennis van de geest in conflict brengen met bv. de kennis van de stof, gaat de kennis van het ware ik onder sterkere, maar slechts een beperkt deel van het ik omvattende indrukken teloor. Dan zijn wij de herinnering van het ware ik kwijt en blijven slechts beelden, die in stoffelijke waardering niets meer of minder dan waanzin zijn. Ik citeer weer even de uitspraak van een ander hierover: “De kennis van een tijdloze wereld is een groot bezit. Maar het is een wilde vogel. Sluit men haar op in de kooi der rede, zo sterft zij.

Op het ogenblik, dat wij beperkt redelijke normen aan ons innerlijke leven willen gaan aanleggen – dit omvat meer dan uittredingen alleen – zullen wij de werkelijkheid van dit innerlijke leven niet meer kunnen beseffen. Wat meer is, wij kunnen zelfs stellen: Naarmate wij ons innerlijk leven meer rationaliseren en meer brengen onder het gezag van de ratio, zal de werkelijkheidswaarde van het erkende innerlijke leven afnemen. De waarde van het innerlijke leven ligt immers niet in zijn redelijkheid en verklaarbaarheid, maar in zijn aanwezigheid.

Als dit aanwezig zijn van het innerlijk wezen bestaat, zal men als mens toch een ogenblik zien komen, waarop men zegt: “Ik moet daarmede toch ook iets doen? Ik mag het niet redelijk opstellen! Wat kan ik er dan in feite nog mee doen?” Wanneer je langs de weg van beschouwing, erkenning van ogenblikken van tijdloosheid en zelfs het treden voor de dood en verder, terugkeert, mag je alle ervaringen als zodanig wel degelijk betrekken op je stoffelijk bestaan.

Maar je moet elke factor van het onstoffelijke en tijdloze alleen dan op het stoffelijk bestaan van betrekking achten, wanneer er een kennelijke aanleiding en voor het ik kenbare overeenkomst of harmonie bestaat. Het is niet mogelijk de innerlijke waarden samen te vatten tot een systeem, dat dan wordt samengevat om het verdere stoffelijke leven te leiden volgens geestelijke normen. Je kunt alleen maar incidenteel de innerlijk erkende waarden toepassen en wel, wanneer je voor jezelf tussen het innerlijk erkende en de uiterlijkheden enige gelijkheid en overeenstemming ontdekt.

Dit is meteen een praktische raad: Wanneer u ooit een stem in uzelf hoort of op andere wijze iets bereikt of beseft, dat er innerlijk een drang bestaat om iets te doen, zal men zich nooit af mogen vragen, hoe dit gedaan moet worden. Men dient zich alleen af te vragen, of er een ogenblik komt, dat men zonder de harmonie van eigen ik of de harmonie met de gekende wereld verstoord wordt, het werkelijk kan doen. Is dit ogenblik eenmaal aanwezig, dan zal men het doen. Is een dergelijk ogenblik niet aanwezig, dan zal men ook niet moeten zoeken, hoe het innerlijk gehoorde of erkende te verwezenlijken, maar eenvoudig afwachten. Dit kan zelfs gelden voor waarden, die op meer stoffelijke wijze de mens bv. vanuit de wereld van de geest bereiken. Neem als voorbeeld het verzoek, ontvangen tijdens een seance, om een bepaalde boodschap over te brengen.

U weet wel, men werkt met kruis en bord of desnoods met een medium en opeens komt er een boodschap: “Hier is Jantje. Wilt u tegen pappie en mammie op de Loosdrechtse straat 87a. bis even gaan zeggen, dat het mij goed gaat?” Voor de mensen, die zich afvragen of zij dit nu wel dan wel niet zullen moeten doen, is er altijd ergens de angst, dat zij voor gek zullen komen te staan – en soms klopt dat ook, wanneer zij doen, wat hen gevraagd werd. Voldoen zij niet aan het verzoek, dan gevoelen zij zich ergens schuldig. Ook hier geldt wanneer u toevallig door die straat komt en het genoemde huisnummer ziet, daarbij misschien ook nog een naam aantreffende, die klopt met wat gezegd werd, dan zal men die boodschap over moeten brengen.

Maar het is niet uw taak die gelegenheid te zoeken.

Stel dus: Wanneer het gaat om een vergelijk tussen stoffelijke en geestelijke waarden, zullen wij ons altijd moeten realiseren, dat er in de menselijke realiteit geen werkelijke overeenkomst mogelijk is. Wij zullen dus moeten trachten beide werelden – die van de stof en van de geest – afzonderlijk te erkennen en te beleven, daar tussen beiden geen perfecte harmonie of overeenstemming volgens het menselijk bewustzijn bereikbaar is. Maar tussen bepaalde momenten van beide werelden kan wel een harmonie bestaan. Wanneer deze harmonie voor het bewuste ik bestaat – en alleen dan – zal de wereld van de geest, de hogere erkenning en kracht, de erkenning van het ware ego, in de materie geuit kunnen worden binnen de beperkingen van het menselijke moment.

Ik denk, dat u daarover zo nog nooit hebt nagedacht. Toch zult u bij even doordenken inzien, dat juist dit de verklaring is van het feit, dat het zo moeilijk is juist de hoogste geestelijke erkenningen in de stoffelijke werkelijkheid om te zetten. U doet dat natuurlijk vaak wel met de mond – zoals, men tegenwoordig alles met woorden schijnt te willen doen. Maar met alleen maar spreken over de hogere geestelijke waarden, komt men niet verder. Het gaat nu eenmaal om de praktijk. Deze is altijd strijdig met de werkelijke mogelijkheden, nietwaar? U weet, dat u een mens kunt genezen bv. Maar de ellendeling vertikt het gewoon om beter te worden. Wat is er dan gebeurd? U bent waarschijnlijk iemand speciaal op gaan zoeken, om te kunnen genezen.

En dat was helemaal de bedoeling niet. U hebt de kracht tot genezen niet voor allen, die toevallig ziek zijn, maar voor degenen, die ziek zijn en toevallig op uw weg komen. Voor anderen beschikt u niet over de kracht. Wanneer er een situatie optreedt, waarbij een genezen inderdaad mogelijk is en u niet eerst uzelf gewichtig hoeft te etaleren als “iemand die kan genezen”, terwijl u het aan de andere kant niet achter de rug van de patiënt om hoeft te doen, omdat die er in feite niets van moet hebben, dan kun je iets bereiken. Dus wanneer er een situatie is, waarbij u zonder opzet iets of iemand ontmoet, waarbij behoefte is aan genezing en u niet hoeft te doen alsof, zult u ook werkelijk wonderen kunnen doen. In alle andere gevallen zal het resultaat op zijn minst genomen vraagwaardig blijven.

U ziet, dat het hier dus niet alleen om innerlijk-geestelijke waarden gaat. Het gestelde geldt over het gehele gebied van geestelijke werkingen en waarden, zowel materieel geuit als in hogere sferen. Stel: U bent helderziende of leest mijnentwege de toekomst uit koffiedik. Dan kan je wel proberen iedereen waar te zeggen en de toekomst te tonen, maar dat gaat eenvoudig niet. Aan de andere kant zal je zo nu en dan iemand ontmoeten, terwijl je geheel niet denkt aan de toekomst, je kaarten, koffiedik enz. eenvoudig niet bij de hand hebt en toch opeens voelt, dat je iets zeggen moet. Ga dan niet eerst nadenken, hoe je het wel zeggen moet. Gooi het er eenvoudig uit. Wanneer je het er uit flapt, klopt het. Maar zodra je gaat kijken, hoe je dit op een mooie manier kunt verpakken is het met het uitkomen al afgelopen.

Dit zijn gewoon praktische dingen. Vraagt u zich af, waarom dit alles? Wel, heel eenvoudig: Omdat wij met ons grijpen naar waarden, die van de geest zijn, waarden, die liggen in of achter het astrale gebied, altijd de overtocht moeten betalen. Wij kunnen niets wat wij daar vinden zonder meer in onze eigen wereld terugbrengen. Wij kunnen het alleen meenemen en gebruiken in eigen wereld, wanneer wij het niet proberen aan te passen en in te voegen binnen het kader der in onze materie geldende waarden. De waarde uit de “andere wereld” dient een impuls te blijven of een reeks van impulsen, waardoor, als kleine flitsen van Licht, de eeuwigheid, die wij buiten de tijd erkend hebben, en al haar waarden en mogelijkheden soms in onze wereld en tijd kunnen spreken. Op het ogenblik, dat wij trachten de verschillende flitsen van bewustzijn, die zo ontstaan, trachten samen te voegen, maken wij er weer een tijdelijk waarde van. Die waarde verschilt van onze normale tijdswaarden en is daar in feite niet bruikbaar. Op het ogenblik, dat wij een verband tussen de verschillende waarden en flitsen willen leggen op een verstandelijk en redelijk beschrijfbare wijze, nemen wij bovendien het bovennatuurlijke of eeuwige verband daaruit weg en ontnemen zo het geheel zijn waarde.

Daarom zeg ik ook, dat degenen, die uit de onderwereld terug keren altijd weer mensen zijn, die een lied kunnen zingen, een lier kunnen bespelen, die een magisch woord kennen. Dit beeld is niet zo wonderlijk als het u misschien lijkt, want wij hebben in de confrontatie met Licht en met duister het besef nodig van ons eigen Licht. Wij moeten het lied zingen, dat niet van verre stamt, dat ergens elders geboren wordt, maar alleen het Lichtende uitdrukken, zoals het geboren wordt in ons zelf. Dat is de waarde, die ons veiligheid geeft en overal doorheen zal helpen. Dat is het magische woord, de macht, waardoor wij in staat zijn, vanuit elke wereld naar elke andere wereld bepaalde waarden over te brengen. Misschien begint u nu duidelijk te worden, wat ik met dit onderwerp wilde zeggen. De schepen van de onderwereld zijn daarbij niet veel meer dan een overigens mooi voorbeeld.

Onder de hier aanwezigen – en veel zijn dat er toch niet – zijn er 10 of 15, die werkelijk veel met geestelijke waarden en krachten zouden kunnen doen. Maar er zijn er maar 1 of 2, die zo nu en dan, dus nog niet eens vaak of altijd, kunnen ontkomen aan de beperkingen, die gaan gelden, wanneer je meent, dat alles redelijk verantwoord en verklaarbaar moet zijn. De toekomst, zowel van u zelf als van anderen zult u aflezen, wanneer u maar niet probeert daarvan een redelijk en samenhangend geheel te maken. Want wat u erkent, is steeds weer een reeks van fragmenten van uw werkelijkheid. Indien er een fragment van het geziene in de werkelijkheid waar wordt, kent u het verdere verloop daarvan. Indien u echter 10 van dergelijke fragmenten aaneen probeert te voegen tot een geheel, klopt er niets meer van: De beelden zijn wel juist, maar uw interpretatie gaat overheersen en die is, door gebrek aan besef omtrent de wereld en waarden, waaruit de beelden stammen, verkeerd.

Wanneer u wilt weten, of u bepaalde krachten hebt of desnoods alleen maar wilt weten, of uw eigen gezondheid al dan niet door bepaalde euvels wordt bedreigd, dan kunt u dit weten. Zou u daarbij van het wetenschappelijk gekende uit willen gaan, dan zult u ook alleen met stoffelijke feiten en waarden rekening moeten houden. U kunt natuurlijk ook nagaan, of er innerlijk een beeld van het betrokkene kan ontstaan. Maar zo er een beeld rijst, zal men niet mogen trachten, de verklaring en bv. de zichtbare symptomen te vergelijken. Dan mag men niet meer uitgaan van de symptomen die men kent, maar zal men in moeten gaan op de dingen, die innerlijk worden gevoeld, hoe dwaas deze ook mogen lijken.

Voorbeeld: Iemand heeft voortdurend pijn in de schouder en voelt nu in het geestelijke beeld, dat hij dit kan verbeteren door ergens in zijn lichaam te knijpen. Dat lijkt gek. Maar in wezen hoeft het niet zo gek te zijn. Er zijn plaatsen in het lichaam, waar men het zenuwstelsel zodanig kan prikkelen, dat door de reactie op geheel andere plaatsen de pijn verdwijnt. Zoek je echter een redelijke samenhang te vinden, dan zul je of niet handelen dan wel het in 9 van de 10 keren verkeerd doen. Iemand, die stelt, dat inwijding niets voor hem of haar is, omdat dit alles veel te ingewikkeld is voor een eenvoudig, mens, dan wil men van die inwijding een kwestie van denken en weten maken, een mooie filosofische opbouw, waarin alle mogelijkheden en waarden door hekjes in lagen worden gedeeld. Een soort theater, waar de goedkoopste plaatsen aan leerlingen zijn voorbehouden, maar de grootmeesters – hoog ingewijden- alleen maar loges zijn.

En zo iets bestaat niet.

Er is geen ordening, ook niet in de inwijding, die in menselijke zin geldt. De grootste leek en stommeling kan openbaringen opvangen en doorgeven, waar de hoogst ingewijden zelfs nog plat van achterover slaan. Zoals de grootste wijzen vaak door hun poging tot redelijk denken en formuleren dwaasheden verkondingen, die zelfs een kind zouden doen stikken van het lachen. Voor de waarden van de geest geldt, dat er geen volgorde is, dat er geen samenhangen bestaan in de stoffelijke zin van dit woord. Wij moeten dan ook niet proberen dergelijke samenhangen te creëren om zo in wezen eigen ijdelheid te strelen. Wij moeten eenvoudig leren gebruik te maken van de kennis en krachten, die wij buiten de materiële samenhangen vinden en verkrijgen.

Op het ogenblik, dat harmonie bestaat tussen de innerlijke waarde en het uiterlijk, is de overwinning behaald. De kern van de gehele tocht met de zonneboot, door de onderwereld, maar ook langs de hemelen als brenger van Licht, is eigenlijk niets anders dan een terzijde stellen van stoffelijke samenhangen, om zo een geestelijke waarheid te beleven, zelfs wanneer deze niet redelijk aan anderen verklaard kan worden. Een oude spreuk zegt: “Wee ons, wanneer Osiris ontwaakt in de duisternis van de grotten.” Men vreesde namelijk, dat zelfs Osiris, de herborene, van alles, wat hij in de onderwereld zou zien, zozeer zou schrikken, dat hij het met de mensenwereld zou verwarren en zo zou weigeren nog langer met zijn boot als drager van de zon langs de hemel te gaan. In deze zin geldt voor ons: het is niet noodzakelijk het verborgene aan het Licht te brengen, de geheimen van het duister en het Licht geheel openbaar te maken.

Wanneer er echter iets is, wat wij erkend hebben daarvan, zo zullen wij het moeten toepassen op alle waarden, waarmede het voor ons begrip harmonisch is.

Ik wil dit alles nog eenmaal enkele regels lang samenvoegen tot een simpel en compact geheel: Al wat uit de geest komt, staat in een samenhang, die niet met de stoffelijk redelijke begrippen van samenhang overeenstemt. Dientengevolge zal men moeten vermijden steeds weer geestelijke waarden in een stoffelijke redelijke samenhang te brengen. Op het ogenblik, dat harmonie aanwezig is voor het ik tussen de stof of mogelijkheden van de stof en een geestelijke erkenning zal het geheel der geestelijke erkenning in de stof kunnen worden uitgedrukt en zal zij in de stof ook volledig beleefd kunnen worden. Aan het resultaat zullen zowel geestelijke als stoffelijke ontwikkelingen afgelezen kunnen worden – dit echter alleen zover het de werkelijke harmonische waarden van stof en geest betreft. Door het niet in redelijke samenhang brengen van de krachten en gegevens, die wij door uittreding, slaap, meditatie of op andere wijze vergaren, maar dezen te uiten volgens de wetten der harmonie, zal men zowel voor zich als voor anderen resultaten kunnen bereiken. Geestelijke krachten en waarden worden vaak voor ons te niet gedaan door onze pogingen ze aan te passen aan onze stoffelijke wereld en begrippen. De harmonische waarden zijn dan ook niet van stoffelijke oorsprong, maar van meer kosmische aard.

Laat ons wel begrijpen, dat onze reizen naar het tijdloze altijd zullen moeten uitgaan van en moeten voeren tot een terugkeer in onze eigen wereld. Tracht nimmer verder te gaan, indien gij vreest daardoor niet meer tot uw stoffelijke werkelijkheid terug te kunnen keren. Beperk u in bestrevingen en belevingen, in ervaringen ook, altijd tot datgene, wat gij voelt te kunnen verdragen, dat wat voor het ik nog aanvaardbaar blijft, zonder dat daarbij een aantasting van innerlijke rust en harmonie het gevolg daarvan kunnen zijn. Op deze wijze stelt u zich zeker voor een optreden van krachten, die men niet zou kunnen verdragen, zij het dat zij uit Licht of duister stammen en zo uw leven zouden kunnen verminderen in bewustzijn en waarde.

Ten laatste: Alle krachten uit de kosmos zijn onder bepaalde omstandigheden onderling verwisselbaar. Deze omstandigheden zijn voor ons uitdrukbaar in het woord: Harmonie. Waar wij een harmonie erkennen tussen geest en stof, kosmos en stof of andere waarden, kunnen wij stellen: Waar deze erkenning bestaat, is voor ons en vanuit en door ons wezen de verwisseling van krachten mogelijk. Elke kracht van elke wereld kan dus in uw wereld optreden en werken.

Omgekeerd kunnen de krachten van uw wereld in elke andere wereld in verschijning treden, mits er voor u op dat ogenblik een harmonie bestaat, waarbij de waarde van de actie of geuite kracht de waarde van eigen persoonlijkheid en een aangevoelde waarde van een andere wereld of toestand geheel in overeenstemming zijn.

Eindconclusie: De schepen van de onderwereld zijn voor ons het symbool van ons vermogen andere werelden te betreden en toch naar eigen wereld terug te keren. Wij kunnen dit echter slechts doen, indien wij elke wereld dan ook onder zijn eigen wetten en in zijn eigen waarde willen aanvaarden, erkennen en eventueel gebruiken. Andere mogelijkheden zijn er niet. De wereld van de wetenschap zal dus nooit de wereld van de geest kunnen ontleden en omschrijven. De wereld van de geest zal op haar beurt nooit in staat zijn de wereld der wetenschap op haar eigen wijze en volgens haar eigen normen volledig te bevredigen. Beiden worden door andere wetten en samenhangen geregeerd en slechts daar, waar tussen de beide een tijdelijke harmonie kan bestaan is een tijdelijke overdracht van waarden mogelijk.

  • U zegt: wij moeten het demonische in eigen ik erkennen en achterlaten, maar hoe kan dat? Het is toch deel van je ik?

Wij zijn inderdaad totaliteiten, waarin licht en donker onverbrekelijk met elkander verbonden zijn. Maar je hebt in eigen wezen altijd bepaalde facetten, waarvoor je bang bent.

Daarop doelde ik nu. Wanneer je dus in jezelf dingen ontdekt, waarvoor je bang bent of waarvan je meent, dat zij slecht zijn, dien je dit te constateren, te erkennen. Maar dan moet men zich daarmede ook niet verder bezig houden, maar gewoon verder gaan met de meer positieve bestrevingen en delen van eigen ik. Dat meende ik te zeggen.

  • Wij hebben waarschijnlijk meerdere incarnaties achter ons. Wij zijn dus meerdere malen door de astrale wereld gegaan. Het feit, dat wij weer incarneren, betekent dus, dat wij weer het Licht teruggevonden hebben?

Dit is niet altijd waar. U kunt dood en hergeboorte niet geheel onderbrengen in de beelden, die ik gebruikte. In de praktijk komt het er op neer, dat sterven betekent, dat een tijdelijke erkenning van het astrale – voor korte tijd ten minste – onvermijdelijk wordt. Het astrale voertuig zal daarna echter sneller of langzamer dan het stoffelijke lichaam, zich eveneens ontbinden, tenzij het bewust in stand gehouden wordt. Bij een terugkeren vanuit de geestelijke werelden voor incarnatie zullen wij als geest ons wel degelijk een astraal voertuig moeten bouwen, voor wij in de stof kunnen ingaan. Maar het feit, dat wij reïncarneren, luidt verder alleen in, dat wij alle voor ons kenbare en bereikbare werelden of sferen van de geest verwerpen – zij het omdat zij voor ons een kwelling zijn, zij het dat wij gevoelen niet meer in staat te zijn deze werelden en sferen voldoende te kunnen kennen en beheersen met het bereikte bewustzijn, of in ieder geval voelen vanuit de geestelijke werelden niet verder meer te kunnen gaan. Dit ligt dus wel op een wat ander vlak.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Definities

Tenzij u er bezwaar tegen maakt, wil ik eens wat met woorden en wat z.g. definities gaan spelen. Allereerst iets in de meer Bijbelse sfeer.

Adam: de eerste man, die een stommeling was.

Eva: de eerste vrouw, die de schuld kreeg van de domheden van haar echtgenoot.

De slang: het symbool voor datgene, wat de mensen niet durven of willen en toch doen.

Het paradijs: altijd weer datgene, wat je achter je laat.

Waarom spreken de mensen eigenlijk zoveel over het paradijs? Zij zeggen er vandaan te komen en willen er naar toe. De verklaring is eenvoudig: Een mens spreekt over een paradijs op het ogenblik, dat hij weet, dat het op het ogenblik alles behalve paradijselijk is, wat hij is of doet.

Waarom predikt de mens altijd weer de deugd? Ook hier is het antwoord eenvoudig, want men predikt de deugd om zo eigen ondeugden voor zichzelf te vergoelijkingen.

Wij krijgen zo een aardig beeld van de mens. De gehele Bijbelse geschiedenis zit vol van vergelijking, die wij voor deze tijd ook kunnen gebruiken. Weet u bv. een synoniem voor het laatste gesprek tussen Kaïn en Abel? Anti-atoomconferentie.

En wie weet, wat Tu bal-Kain was? Dat was een smid, die probeerde in de stof de geest mede te smeden; maar dit is geen algemeen bekende figuur, naar ik meen. Daarom ga ik maar liever over naar wat menselijke deugden.

Menselijkheid: Ware menselijkheid bestaat uit begrip voor de fouten van anderen, erkenning van eigen fouten en desondanks nog enig optimisme.

Edelmoedigheid: Dit is de kunst om de moed te vinden je edeler te tonen, dan je in wezen bent, zodat je op de duur edeler wordt, dan je denkt te zijn.

Naastenliefde. Hier breng ik u eerst een oude definitie in herinnering: Naastenliefde is datgene wat men, omentwille van Jezus’ leer, van anderen meent te mogen verwachten.

Naastenliefde is echter ook het woord, dat menigeen gebruikt om eigenliefde en zelfzucht te  verbergen onder een mantel van altruïsme.

En de deugd zelf? De deugd is een vorm van eenzijdigheid, die bij alle anderen bijval vindt.

Ondeugd: Dit is datgene, wat men misschien een deugd zou noemen als men anders dacht,  maar nu, gezien de bestaande overtuigingen, bij anderen ondeugd, maar bij jezelf een kleine fout noemt.

Wie weet, wat altruïsme in wezen is? Altruïsme is een gezonde vorm van eigenliefde, waarbij het ik beseft, dat het slechts in samenwerking met en samenhang met anderen waarlijk kan bestaan en gelukkig kan zijn.

Vanzelf komen wij nu aan het vaak gehanteerde begrip “geestelijke rijpheid”. Deze omschrift het punt in het menselijke leven, waarbij geestelijke waarden voldoende worden beseft, zonder dat daarom de waarden van de stof terzijde worden gelegd.

Legt men de stof echter terzijde, dan wordt men geestelijk al snel overrijp om niet te zeggen … o (vult u zelf maar in, het is een woord van 3 letters)

Bewustwording: dit kan het ontwaken uit een toestand van bewusteloosheid zijn. Menigeen, die niets weet, zal meer bereiken door de juiste erkenning van alleen eigen bestaan, dan iemand die veel weet, bereikt door zijn beredeneringen, waarmede hij tracht zijn beeld van het ik aan zichzelf te verklaren. Bewustwording is de erkenning van het kenbare, niet de omschrijving of rubricering ervan.

Filosofie: een redenering, die op de basis van enkele vaak wankele feiten tracht de hemel te bereiken, maar dit meestal alleen kan doen door enkele luchtsprongen te maken, waarbij ten minste de helft van het bouwsel in de lucht komt te hangen.

Eerlijkheid: Is een eigenschap, die men, wat kleine dingen betreft, wel tegenover anderen, maar zelden tegenover zichzelf pleegt te bezitten. De eerlijkheid tegenover anderen pleegt op te houden, wanneer een bepaald bedrag, of een bepaalde norm wordt overschreden.

Eerlijkheid is de erkenning van de waarheid, zonder deze daarbij te verdraaien, te vergoelijken of voor zichzelf een deel van het geheel als bestaand te ontkennen.

Besef: Dit is het weten, dat iets is. Want wie iets beseft, weet ook, dat het bestaat. Helaas denkt menigeen, dat het weten, dat iets bestaat, reeds voldoende is om daarmede eigen bestaan, en het bestaan van het andere te verklaren, te beoordelen, en God te vertellen, waar Hij alzo fouten gemaakt heeft.

Geloof: De standaardomschrijving luidt; geloof is een innerlijk weten, dat niet door de feiten  zonder meer kan worden geboekstaafd.

Waar geloof, is het scheppen van een innerlijke wereld, waarin het totaal van eigen wezen en de erkenning van al het andere vanuit eigen wezen op harmonische wijze zo is vastgelegd, dat het door het ik als een voortdurende waarheid bij voortduring beleefd kan worden, ook wanneer deze samenhangen buiten het ik schijnbaar niet meer bestaan of althans niet kenbaar zijn.

Schijndood: Is een toestand van catalepsie, waarbij alle stoffelijke uitingen van leven tot bijna nihil zijn teruggebracht, zonder dat een feitelijke dood is ingetreden, zodat men hieruit kan ontwaken als uit een slaap. Reëel komt dit niet zo erg veel voor, behalve op geestelijk gebied, daar komt het zeer veel voor.

Verdraagzaamheid: Het besef, dat een ander recht heeft op zijn eigen wijze te leven en te handelen, zonder dat men hierbij zijn recht om zelf volgens eigen idee juist te leven en te handelen terzijde hoeft te leggen.

Satire: De kunst om de waarheid zo te zeggen, dat men er liever maar om lacht, daar er zekere humor uit spreekt, ofschoon het gezegde in zichzelf vlijmscherp blijft.

Zinvol: al datgene, waarin wij een verband erkennen, dat voor ons belangrijk is; over het algemeen is het meeste, wat men zinvol noemt, in wezen zinloos, daar het predicaat zinvol slechts werd toegekend om eigen onvermogen tot beoordeling van de zaak te verhullen.

Wat is het verschil tussen oorlog en vrede in 1966?

Het verschil tussen oorlog en vrede in 1966 ligt in de wapens, die men gebruikt en de berichten, die de kranten publiceren. Meer niet. U gelooft mij niet? Ik zal er even verder op in gaan.

Oorlog is een toestand, waarbij de moderne staten met alle geweld en inzet van alle wapenen trachten de tegenpartij te dwingen tot het aanvaarden van bepaalde plichten, het toegeven van bepaalde feiten desnoods.

De vrede van 1966 nu is een toestand, waarbij alle staten elkaar met alle middelen behalve – officieel althans – wapenen, trachten te dwingen tot een aanvaarden, afgeven, beloven enz. van wat zij belangrijk achten. Alles, wat men zo doet, heet dan in het belang van de vrede gedaan te worden – maar dat is in een oorlog in feite precies hetzelfde.

Het grootste verschil is dus wel, dat de man in de oorlog met een geweer schiet en de man in de vrede met een bankrekening.

Rechtspraak: Is een spraakgebruik, waarbij men spreekt over recht alsof men waarlijk recht zou kunnen spreken zonder het rechte te weten van hetgeen waarover men rechtspreekt en zonder het recht, dat men spreekt waarlijk te baseren op algemeen en menselijk recht, maar het slechts op de wens van machthebbers of de mening van een meerderheid te baseren.

Jaloezie: Een erkenning van eigen onvermogen tot het doen, bereiken, bezitten of behouden van datgene wat een ander bereikt, bezit, doet enz. Daarom ontkent men voor anderen – en niet voor zich – het recht eigen inzichten en verlangens te volgen, daar men uitgaat van het standpunt, dat het ik deze mindere waarden toevallig bezit, biedt, mogelijk maakt enz. Degene, die jaloers is, haat dan ook niet alleen degenen, die de oorzaak van de jaloezie zijn, maar ook zichzelf. Vandaar de vaak fatale gevolgen van deze drift.

Zo. Nu bent u aan de gang geweest en zal ik zelf de zaak met wat ernstiger punten gaan besluiten. Ik kies daarvoor punten uit de esoterie.

Het erkennen van de waarheid van eigen wezen is allereerst gebaseerd op het vermogen te aanvaarden, wat je in jezelf onaanvaardbaar pleegt te vinden.

Het erkennen van de goddelijke waarheid is in wezen het erkennen van eigen bestaan als deel van een totaliteit.

Het ingaan tot het koninkrijk Gods is slechts een in jezelf beleven van de absolute verbondenheid met het Al, waardoor je leeft als deel van alle dingen en zo het goddelijke beseft.

De kunst van het esoterisch streven is het verenigen van de bestaande waarden en mogelijkheden met de innerlijke potentie van het ik.

De esoterische wijsheid is de innerlijke erkenning, die ten dele vorm kan vinden in de stoffelijke constatering, maar in wezen steeds daaraan te boven gaat.

Het gebruik van esoterische wijsheid berust op het vermogen in het ik, de juiste weerklank te erkennen op de ervaringen en verklaringen van anderen. Hierdoor komt in het ik een geheel persoonlijke en eigen ervaring en bewustwording tot stand.

Meditatie, esoterisch gezien, is dit het vermogen om door te dringen in alle beelden, die in jezelf leven, en uit deze zelf geschapen en in stand gehouden waarden een gevolgtrekking te maken omtrent de wijze, waarop je zelf geschapen bent en in stand gehouden wordt.

Contemplatie is de kunst der beschouwing, waarbij het ik niet slechts het beschouwde waarlijk ziet, beleeft en zich er één mee gevoelt, maar het voor zich bovendien maakt tot een poort naar de werelden van onuitdrukbare waarheid.

Oude wijsheid: deze is over het algemeen een samenstelling van leringen en spreuken, die het heden wijs vindt, omdat het deze niet begrijpen kan. Haar ware betekenis verkrijgt zij eerst waarlijk, indien men de wijsheid van de ouden beseft in de termen van hun tijd en weet om te zetten in de waarden van het heden.

De bijbel is het boek, dat meer omvat van elke soort romantiek en dramatiek, dan welk boek ter wereld ook. Vandaar dat het door een ieder gebruikt kan worden ter rechtvaardiging van eigen doeleinden. Wie echter de waarheid, die in het geheel van deze verhalen is gelegen, voor zich beseft, zal nimmer de bijbel lezen – maar zal God in zichzelf horen spreken als gevolg van zijn overwegingen aan de hand van de bijbel.

Evangelie: Een levensgeschiedenis van Jezus, die over het algemeen gebruikt wordt om anderen duidelijk te maken, hoe zij zouden moeten leven. Degenen, die dit plegen te doen, hebben het daarmede zo druk en hebben zoveel tijd nodig om anderen op hun fouten te wijzen, dat zij zelf niet tot een evangelische beleving van het bestaan in de ware zin kunnen komen.

Ware vrede: Ware vrede is een toestand, die je in jezelf bereikt, door nimmer te zondigen tegen eigen begrippen van goed en juist, maar zich ook nimmer mag laten misleiden door het oordeel van anderen over de waarden van datgene, waarin je gelooft en de waarden van je bestaan.

Strijd: Het aspect der beweging, waardoor de innerlijke vrede voortdurend evolueert en het ik meer bewust meer van de schepping aanvaardt en omvat.

Goddelijke waarheid: Goddelijke waarheid is het onzegbare, dat toch ervaren kan worden en, zo het ervaren wordt, de sleutel tot alle menselijke, al geestelijke waarheid in zich draagt.

Kosmos: het totaal zijnde in zijn grootste en kleinste vormen erkend en beleefd als een weerspiegeling van dezelfde wetten, dezelfde waarden en dezelfde krachten in alle werelden, die voor de beleving different kunnen zijn, maar voor het goddelijke geheel gelijkwaardig blijven.

En hier mede sluiten wij dan een grote – volgens sommigen van u – misschien te grote reeks van spreuken af. Ik wil er alleen nog dit aan toevoegen: Wanneer je een beperkte beschrijving geeft en deze in jezelf geheel als waar erkent, wordt het tijd, naar een nieuwe omschrijving of definitie van hetzelfde te gaan zoeken.

image_pdf