De sferen en hun manifestaties

Wat is een sfeer? Onder sfeer verstaan wij een geestelijke wereld, die – ofschoon niet in zichzelf besloten – een zodanig eigen karakter heeft, dat zij vanuit ons standpunt aan eigen wetten gehoorzaamt.

Een manifestatie is een uiting, een product, een gebaar of wat dan ook, dat maar voren treedt en kentekenend is of dat behoort te zijn voor datgene, wat het weergeeft. Dit zijn dan een paar definities aan het begin, hetgeen de zaak over het algemeen vereenvoudigt.

Als wij spreken over de sferen, dan kunnen wij om het wezen der sferen goed te begrijpen dit het best voorstellen als een ruit. Een ruit wel te verstaan die op haar punt staat en waarvan de zijden even lang zijn; en die ruit verdelen we dan in het midden door een lijn. Alles wat boven de lijn is, noemen we lichte sfeer alles wat daar onder is duistere sfeer. Iemand die een dergelijke tekening een ogenblik kan visualiseren, zal zien dat licht en duister (althans wat werelden betreft) dus elkaars spiegelbeeld zijn. Als een sfeer dichtbij de middellijn ligt, dan stellen wij: Deze sfeer ligt dichtbij de aarde of bij de menselijke wereld in de stof. Ligt een lijn (dus een sfeer) nabij de top van de driehoek, dan zeggen wij: Ze ligt dichtbij het Goddelijke. Door zo die lijnen te trekken geven we bovendien nóg iets weer:

Er zal in elke wereld onnoemelijk veel kunnen bestaan en waarschijnlijk is de feitelijke inhoud van alle werelden gelijk, maar vanuit een menselijk standpunt gezien neemt het gedeelte van een wereld dat gekend kan worden steeds af. Een wereld, die direct in het goddelijke Licht bestaat, is nog slechts kenbaar als licht. Het is de top van de driehoek.

Een wereld, die bv. astraal is en onmiddellijk naast de menselijke wereld ligt, geeft ons alle verschijnselen die ook de menselijke wereld kent. De denkbeelden van de menselijke wereld worden daar uitgedrukt. Gaat de sfeer naar de kant van het licht, dan zullen de verschijnselen over het algemeen aangenaam of tenminste corrigerend zijn. Gaat ze maar de duistere kant, dan zullen de manifestaties onaangenaam en – zoals de mens het meestal pleegt te stellen – van veeleisende aard zijn. Om op aarde te begrijpen wat een sfeer eigenlijk betekent, moeten we allereerst de begripswaarde ervan bezien. Als u dat voor uzelf wilt uittekenen kunt u dat ook weer heel eenvoudig doen. U trekt op het vlak, waarop u de sfeer wilt projecteren een lijn, die geheel parallel loopt aan de middellijn. U laat vanuit de punten (dus de hoeken die worden gevormd) een loodlijn neer, zodat er een rechthoek ontstaat. Deze rechthoek geeft weer welk deel van de sfeer kenbaar kan zijn op aarde. Als u dat hebt gedaan, zult u ontdekken dat er op aarde dus dingen bestaan, die voor de sferen kennelijk niet bereikbaar zijn; althans niet op een voor de mens begrijpelijke of hanteerbare manier. Daarmee hebben we dus een punt vastgesteld dat van belang is. Elke uiting van een sfeer is gebonden aan overeenstemming, die er bestaat tussen de wetten, regels en begripswaarden van die sfeer en die van de stoffelijke wereld.

Een tweede belangrijk punt is: In de tekening van de ruit, die ik u zo even heb voorgesteld, trekken we in de onderste driehoek een lijn omhoog maar het midden. Die afstand is de begripsafstand. Maar er is ook een hoogteverschil; en dit noemen we: verschil in energie.

Om dit alles duidelijk te maken is het misschien technisch wat moeilijk. Ik wil het echter op een wat oppervlakkige wijze toch proberen. Als ik een golfbeweging heb en ik stel dat per golving de energie 1 is, dan zal dus (stel, dat de materie die golving 1 heeft, dus dat er maar 1 golf is) een frequentie van 10 betekenen dat 10 maal zoveel energie aanwezig is. Heb ik een frequentie van 1000, dan is er dus 1000 keer zoveel energie. De levensenergie, die voor u gedeeltelijk wordt uitgedrukt in een tijdsfactor en gedeeltelijk in een ruimtelijke verhouding, is dus in de sferen door wat wij een hogere trilling noemen (wat maar een naam is) in verhouding veel intenser en veel groter. Men zou daardoor denken, dat zo’n sfeer dus gemakkelijk wonderen kan doen, want de kracht die men op aarde nodig heeft om een vlo dood te drukken, zou in een hogere sfeer voldoende zijn om een rotsblok van een ton te verplaatsen. Maar zo eenvoudig is het nu weer niet, want ik kan die energie alleen tot uiting brengen op punten van overeenstemming.

Als ik hier dus die heel trage aardse golf heb en ik moet een positieve uiting bereiken, dan kan ik dat doen in dit deel; maar alleen met dat deel van de kracht, dat eveneens positief is. Er is dus een aardige vermindering van de eigen kracht, indien ze op aarde wordt geopenbaard is dat deel op aarde negatief, dan is de positieve uiting niet eens meer mogelijk. Ik kan er dus niets mee doen. En dus mogen we ook stellen; Ofschoon de energetische mogelijkheid van een sfeer (zeker in het lichte deel) altijd hoger ligt dan die van de stofwereld, zal toch slechts een gedeelte van die energie kunnen worden overgedragen maar de stofwereld. En dan hebben we nu tenminste een tweede punt van houvast. We weten nu dat er beperkingen zijn.

De verdeling in sferen te geven is altijd erg moeilijk. Er wordt over getwist of er nu 7, 7 x 7 of 7 x 7 x 7 zouden zijn, of dat we liever van 9 sferen moeten spreken. Kortom, ieder heeft zijn eigen visie daarover. Ik wil niet beginnen met een getallensysteem, want dat is in dit geval absoluut onbruikbaar. Ik kan alleen proberen u aan te geven hoe de onderlinge afstanden van die werelden liggen en daarvoor gebruiken we een eenvoudige reeks.

De afstand wereld – astraal: wereld = 1, astraal = 2. De afstand = 1. Astraal – Zomerland: afstand = 4; een verdubbeling. De afstand wordt 3. De z.g. topsfeer van Zomerland of de 1e sfeer naast de tijd, zoals men ook wel zegt, kent de factor 8, het verschil t.o.v. de wereld is dus 7. Zo kunnen we doorgaan. Er is dus een steeds grotere onderlinge afstand tussen de sferen naarmate we hoger komen. Er is verder – en dat moeten we er ook bij onthouden – een veel grotere klimming van energie naarmate we in de hogere sferen terechtkomen. Dit is noodzakelijk, omdat we eigenlijk elke sfeer als een wereld op zichzelf moeten beschouwen. En zoals van uit de materie het Al kan worden beschouwd in die gespiegelde twee driehoeken (die ruitfiguur dus), zo moeten wij ook in elke sfeer een dergelijke figuur tot stand kunnen brengen.

Nu zal in een sfeer zo’n figuur worden getekend naar de dichtst bij liggende hogere en de dichtst bij liggende lagere sfeer. Het resultaat dat zo ontstaat is nooit evenredig, want men bereikt de hogere sfeer nooit helemaal. Men komt er alleen bijna. En dat geeft ons ook weer inzicht in de werkelijke verhouding. Van uit een sfeer kan ik een lagere sfeer altijd geheel, een hogere sfeer hoogstens gedeeltelijk bereiken. Dat geeft ook weer de verhouding en de werking aan.

Nu geloof ik niet, dat u erg geïnteresseerd bent in de wijze, waarop die sferen zich t.o.v. elkaar kunnen manifesteren. Dat is een kwestie die men in de eerste plaats moeilijk beschrijft, in de tweede plaats als mens toch niet beleeft en in de derde plaats iets, wat men vanzelf wel zal ervaren. De manifestatie van een sfeer in uw eigen wereld is echter van groot belang, want daar zijn het al dan niet erkende ingrepen in het leven, zoals u het ziet. Daarom gaan we nu eens kijken wat die verschillende sferen kunnen doen.

Ik heb reeds één sfeer genoemd. Ik heb gezegd: De astrale wereld benadert eigenlijk de stoffelijke wereld in haar vormgeving, haar uitdrukking. Er is praktisch een volledige overdracht van kracht mogelijk. Wat daar teloor gaat, is maar heel weinig. In een Zomerlandsfeer of in een vormsfeer van het duister staan we weer een beetje anders tegenover de wereld en de mensheid. Wanneer die sferen zich openbaren, dan zal dat zelden door zuiver stoffelijke verschijnselen gebeuren. Waar de astrale wereld, desnoods met Poltergeist e.d. aardigheden, in de wereld rond dommelt en zo nu en dan ook wakker schrikt, zullen we zien dat een Zomerland meestal helderziend waargenomen manifestaties veroorzaakt en daarnaast ook ideeën geeft.

Een Zomerland kan ideeën uitdrukken, die voor de mens volledig te vatten zijn. Er is van uit de menselijke wereld een gesprek mogelijk met Zomerland, waarbij beide elkaar werkelijk helemaal verstaan. Gaan we maar de top van Zomerland toe, dan wordt het al moeilijker. Dan is er sprake van een beperkte uitdrukkingsmogelijkheid. Er zijn een groot aantal zaken van uw wereld, waarvoor men in die hogere Zomerlandsfeer geen aandacht meer heeft. Ze tellen eenvoudig niet meer mee. Er is dus een vertekening; want als u een communicatie krijgt, dan gaat die op het essentiële af. Maar dat essentiële is voor u deel van een heel complexe reeks andere waarden en gebeurtenissen. Het wordt dus moeilijker. U zoudt kunnen zeggen: Hoog-Zomerland manifesteert zich door mededelingen, openbaringen en visioenen, die voor de mens wel te begrijpen zijn, maar waaraan een zekere stoffelijke begripsfactor schijnt te ontbreken. Ze zijn hoofdzakelijk theoretisch.

Gaan wij nog wat hoger, (bv. maar een sfeer die wij dan een klanksfeer noemen, omdat de trillingen daar geen vaste vorm kennen, maar er wel vaste trillingspatronen bestaan en ontstaan), dan moeten we reeds zeggen dat dit wederkerige begrip er niet meer is. De vaste maatstaven van een vormwereld zijn nu eenmaal vormmaatstaven. De maatstaven van een wereld, die wij klankwereld (dus wereld van geluid) hebben genoemd en waarin dus geen vorm bestaat, zijn in de eerste plaats die van een emotiewereld; en een emotie op begrijpelijke wijze uitdrukken is heel moeilijk, vooral omdat elke mens de emotie binnen het kader van zijn leven en beleven probeert te interpreteren. Er is dus een vermindering van begrip.

Gaan we nog hoger. Dan komen we in een wereld, waarin licht of schakeringen van licht een rol gaan spelen; dus een menging van hogere en lagere trillingen waardoor die wereld veel complexer wordt in haar mogelijkheden en uitingen. Nu ga ik van daaruit naar de aarde. Ik kan dan alleen nog maar spreken in symbolen; en wel alleen symbolen, die een theoretische betekenis hebben. Er is dus geen praktische overdracht meer via de emotie. Er is alleen nog maar een aantal symbolen en een emotionele beleving, waarbij het symbool nooit letterlijk mag worden vertaald of begrepen. Het is altijd theoretisch. Het is een ideaalbeeld.

Gaan wij nog weer hoger, dan krijgen we te maken met sferen van zuiver kleur of licht. In deze sferen vinden we openbaringen, die wel met de levenskracht en de krachten van de natuur in verband staan. Als die zich manifesteren dan zien we dat op aarde eigenlijk niet meer als een openbaring. Het is een ingrijpen, dat misschien wel verklaarbaar is, een afwijking van de toevalsfactor maar voor de rest geen nieuws. De mededelingen begrijpen we niet. Het zijn inwerkingen, die we ondergaan; en aan de hand daarvan kan er een begrip ontstaan, maar dat altijd verschillend is van datgene, wat door het ingrijpen of door de invloed werd veroorzaakt.

Komen wij in de wereld van enkel licht, dan hebben wij alleen nog te maken – vanuit ons standpunt – met levenskracht en een activering van stoffelijke of geestelijke kwaliteiten in de mens. U ziet, dat men op deze manier al direct de afstand gaat voelen, die in de begripswereld is gelegen. Er is geen sprake van dat een hogere wereld zich vaag wil uitdrukken of dat ze de zaak ingewikkeld wil maken. Het is alleen maar zo, dat ze niet anders kan spreken, omdat haar waarden, dat deel van begrips- en uitdrukkingsvermogen, dat ze nog gemeenschappelijk met de wereld heeft, te klein is.

Nu zult u zeggen: Indien het van uit het licht gebeurt, gebeurt het ook van uit het duister. Ja, het absolute kwaad, zoals men het pleegt te noemen is in feite een afwezigheid van begrip. Het is een absorptie; er blijft niets meer over.

Komen wij in een sfeer van wat we kleuren zouden mogen noemen, dan zeggen wel: Er is wel iets, maar ik kan het niet verklaren; het is griezelig. Er gebeuren allerhande dingen rond me, maar ik kan ze niet vastleggen, ik weet niet wat er aan de hand is. Pas als men betrekkelijk dichtbij de menselijke wereld komt, is het mogelijk dat het kwade inderdaad als verleider gaat optreden, als beïnvloeder van het gedachteleven en van de stoffelijke omgeving zonder meer.

Even recapitulerend: De mens leeft dus tussen twee reeksen geestelijke sferen of werelden, waarvan de invloed op de menselijke wereld van gelijke structuur is en de aard ervan wordt bepaald door het licht of het duister, waartoe de sfeer behoort. Vanuit menselijk standpunt zijn de sferen van licht en duister qua potentie en qua uitdrukkingsmogelijkheid dus gelijk. Alleen de wijze van de geaardheid van hun inwerking maakt het verschil duidelijk.

Dan komen we aan het volgende punt want beïnvloeding van de materie klinkt zo doodeenvoudig, maar wat zijn de mogelijkheden, die men van uit een bepaalde sfeer heeft? Ik houd daarbij daar weer aan de bij ons gebruikelijke indeling vast.

Van uit een astrale wereld is het mogelijk stoffelijke beelden te scheppen, die werkelijke stoffelijke eigenschappen gaan bezitten. Denkt u maar eens aan bv. Kathy King; een materialisatie, die geheel menselijke eigenschappen blijkt te hebben. Wij zien van uit diezelfde wereld de mogelijkheid om een kracht, die daar bestaat om te vormen tot de kracht, waarmee een tafel danst, een kast in elkaar wordt gegooid of waarmee misschien een bloem van de ene plaats maar een andere wordt gebracht.

In al deze gevallen is er natuurlijk wel een contactpunt nodig; en dat vinden we dan meestal in wat wij noemen een medium; iemand, die bewust of onbewust helpt die krachten te transformeren, ze over te brengen in de termen der materie. Maar dit alles is direct kenbaar. Je kunt worden vastgegrepen door een astrale hand, zonder haar te zien en zonder dat er ook direct iets merkbaar is. Een krachtstroom van astrale aard zult u voelen als een soort windvlaag. Ik noem nu maar een paar voorbeelden. Hier is dus sprake van een direct ingrijpen in de materie. Wanneer die materie al een zekere lading heeft, wanneer daar dus astrale kracht reeds in aanwezig is, kan zelfs zonder medium en alleen via de reeds bestaande energie en het versterken ervan worden ingegrepen; en dan krijgen we dus spookverschijnselen wandelende stenen, stenenregens en wat er nog meer voor wonderlijke verschijnselen op dit gebied plegen te bestaan, Een groot gedeelte van de z.g. occulte verschijnselen, die fysiek kenbaar zijn, behoren dus direct of indirect tot de astrale sfeer.

Een Zomerlandsfeer kan zich wel manifesteren, maar hier kan de materie niet direct worden gehanteerd. Een vergelijkend voorbeeld: Indien een contactpunt voldoende sterk is, kan ik van uit de astrale sfeer een tafel of een stoel zonder meer laten bewegen. Van uit het Zomerland kan ik dit alleen, indien er een persoon is, die van uit zich (bv. door emanaties van astrale of etherische geaardheid) het middel kan verschaffen om die handeling te verrichten.

Nu kan ik hem van uit de Zomerlandsfeer iets geven dat zenuwenergie is en waardoor hij dus een minimaal krachtverlies heeft; maar zijn kracht heb ik nodig. Zonder omvorming kan ik niets bereiken.

Wanneer ik nog wat hoger zou gaan (laten we zeggen in een wereld van kleuren), dan kan ik niet meer via een mens ingrijpen. Als ik bv. een tafel wil laten dansen, dan kan ik dat alleen doen door een kleine aardbeving te veroorzaken. Ik heb wel een harmonie met de krachten der natuur, maar ik heb geen directe harmonie meer met de mens. Er is dus niet de mogelijkheid meer om zo precies en fijn puntje voor puntje a.h.w. iets te beïnvloeden. Ofwel ik moet grijpen maar een bijna macrokosmisch verschijnsel, iets waarbij een groter deel der natuur of der materie wordt beïnvloed, dan wel moet ik mij begeven op een ander terrein waar trillingen eveneens domineren: de microkosmos, de kleine krachten en velden en trillingen, die in moleculen en atomen bestaan.

Zou ik nog hoger willen gaan (bv. maar het witte licht) dan is er gewoon geen mogelijkheid meer individueel iets te beïnvloeden. Ik kan wel de gehele aarde beroeren, maar ik kan niet zeggen: We zullen dit stukje Den Haag wel en dat stukje niet beroeren. Ik kan de krachten der natuur stimuleren; maar dat is dan geen kwestie meer van een watergeest, een regengeest of een luchtgeest. Het is een kwestie geworden van de klasse van aard- lucht-, vuur- of watergeesten. Ik spreek nu dus tot klassen. Ik kan van uit een Zomerlandwereld eventueel een dier beïnvloeden en tijdelijk beheersen; bv. een wolf, een slang, een paard of een mens die zijn verstand niet gebruikt (een andere ezel). Maar als ik dit van uit de hoogste sferen doe, dan kan ik dit alleen doen, indien ik een groep van de mensheid (tenminste een heel ras) beïnvloed. Ik kan niet meer de eenling afzonderlijk beïnvloeden. Ik kan de hele aarde laten beven of exploderen, de aarde in temperatuur doen stijgen of dalen, maar ik kan niet meer een bepaald stukje ervan behandelen.

Dus als men het nu zo bekijkt, dan komt het er eigenlijk op neer dat de hoogste sferen de minst persoonlijke invloed hebben. Manifestaties van uit de hoogste geestelijke werelden kunnen soms wel met gedachten worden uitgedrukt, doordat er tussenschakels worden gebruikt, maar als die kracht onmiddellijk tot uiting komt, dan omvat ze hele groepen of hele werelden.

Van uit het duister is het precies hetzelfde. Als ik uit het diepste duister een invloed krijg, dan zal die de hele wereld omvatten. Zij zal nooit een mens afzonderlijk kunnen pakken. Als ik dus te maken heb met een duivel, die één zieltje komt halen, dan is hij uit de aard der zaak iemand, die thuis hoort in een vormwereld van het duister, zoiets als Zomerland.

Misschien begint nu het beeld van de sferen en hun mogelijkheden wat beter tot zijn recht te komen.

De mens is geneigd maar die sferen te roepen. Zoals een sfeer de aarde kan bereiken, zo kunnen wij van uit ons wezen ook die sfeer bereiken. Alleen is er één moeilijkheid: wij kunnen die sfeer allen op haar eigen manier aanspreken (dus zonder beperkingen), indien wij in ons een bewustzijn dragen dat tot in die sfeer reikt. En dat is mogelijk, want wij hebben een geestelijk voertuig dat ergens bij hoort. Maar als we ons daarvan niet bewust zijn, als dat voertuig niet afzonderlijk als een bewuste eenheid kan handelen, dan blijft het bij en maar boven projecteren van het aardse denkbeeld Voorbeeld: Ik bid God om mij te genezen. Dat is theoretisch heel mooi en door de harmonische wetten zal zo’n gebod ook vaak kunnen worden verhoord door lagere entiteiten. Maar als dit gebed werkelijk het hoogste licht dat wij kennen en dat binnen die sfeer voor ons is geuit, zou kunnen bereiken, dan kunnen we alleen maar krijgen dat de hele aarde beter wordt of dat de hele aarde ziek wordt; iets anders is niet mogelijk.

God werkt niet onmiddellijk op de eenling in; Hij manifesteert Zich niet. Het hoogste licht doet dat evenmin. Het kan zich manifesteren in de direct daaronder liggende sferen. Heb ik dus te maken met het hoogste licht, dan kan ik zeggen. Daaronder is een lichtsfeer waarin het zich nog wel volledig kenbaar maakt en waarin het dan ook nog ergens wel bevat kan worden. Maar zodra ik lager kom, valt de mogelijkheid tot differentiatie a.h.w. weg.

Als je dus op aarde met de sferen wilt werken, dan zul je, hoe vreemd dat ook moge klinken, directe resultaten behalen, indien je met de astrale sfeer werkt. Gaat het hoofdzakelijk om begripswaarden of innerlijke, waarden, nu dan kun je het nog wil eens wagen Zomerland te bereiken, Ga je hogerop, dan blijf je beperkt tot begrippen; en de grote moeilijkheid is hier ook weer de kracht.

Als ik het begrip van een hogere wereld heb, dan is de kracht er wel, maar heb ik de sleutel om die kracht voor mijzelf te ontsluiten? In 9 van de 10 gevallen niet, want ik weet niet wat het is. Daarom kun je zeggen:

Wanneer een mens van uit zich de kracht van een wereld wil wekken en via hemzelf die kracht op zijn wereld wil manifesteren, dan zal hij de aard van die kracht tenminste zodanig moeten aanvoelen, dat hij zijn wezen en denken daarmee in harmonie kan brengen. Pas wanneer de harmonie volledig is, kan hier voor ongeveer 95% worden gesproken van een directe openbaring van die kracht via een mens in de stof.

Een volgend punt is de vormkwestie. We geloven misschien allemaal dat er ergens een, soort hemel is; wat weten we niet precies. Maar het idee dat er allemaal cherubijntjes rond ons zweven, dat is iets waarin we toch eigenlijk niet geloven. Waarom dan heeft men op aarde bepaalde vormen gekozen om een sfeer te symboliseren?

Als een mens contact met een sfeer heeft, dan kan hij het wezen daarvan niet uitdrukken. Om dit toch te doen tracht hij een aantal eigenschappen a.h.w. met elkaar te versmelten; en dan kan ik mij voorstellen dat bv. de wereld van het geluid als symbool krijgt een Pegasus; een paard, een voertuig, iets dat je draagt dat vleugels heeft, dus wat niet aan beperkingen onderhevig is. Zo ongeveer voel je die wereld.

Als ik een engel zie en ik zeg: Die engel heeft vleugels, dan bedoel ik heus niet dat hij de lucht in kan fladderen. Per slot van rekening, als het om fladderen gaat, zijn er anderen, die het beter doen. Het is om aan te duiden, dat de beperking, de aardgebondenheid van zo’n wezen niet bestaat. En als ik nu een hogere entiteit wil uitbeelden dan is het ook logisch dat ik die b.v. 4 vleugels geef in plaat van 2 om uit te drukken, dat die dubbel zo vrij is als de anderen. Op deze manier heeft de mens dus een aantal symbolen geschapen, die voor hem de eigenschappen van de sferen weergeven, maar waarvan hij vreemd genoeg zelf niet meer in staat is de oorsprong af te leiden. Als wij de sprookjeswereld induiken, dan kunnen we daar eigenaardige voorbeelden vinden. We lezen bv. in de 1001 Nacht van een witte en een zwarte slang, die met elkaar werken, strijden en elkaar dreigen te doden. Er komt iemand tussenbeide en redt de witte slang. Die blijkt een efrite te zijn, een prinses van een bepaalde geestensoort. Zij is goed. Zij erkent Allah en ze vertelt dat de zwarte slang (de zoon van een duistere efrite) Allah niet erkent. Nu is dat natuurlijk een sprookje, maar er zit toch heel veel waarheid in. Alles, wat wij ons kunnen voorstellen aan de ene kant, bestaat ook aan de andere kant. Het verschil tussen een duistere en een lichte sfeer is niet gelegen in de gestalte, in de bevoertuiging of zelfs maar in de energie die wordt bereikt, ze is zuiver en alleen gelegen in de bestreving; de erkenning dus van het lichte, het openbarende, het vormgevende, of van het duistere, het chaos herscheppende.

Als u het zo bekijkt, dan gaat u ook begrijpen waarom bv. de Sfinx wordt voorgesteld als iets wat de raadselen der mensheid kent. De Sfinx heeft de structuur van een leeuw en een mens. Dus in de eerste plaats de structuur van een dier, een bijzonder machtig en sterk woestijndier, een vorst van de vlakte. Die vorst van de vlakte geeft aan een wijsheid en een grote energie. Toch is er ook een menselijke vorm. Hij kan spreken; maar hij spreekt voor de mens meestal in raadselen. Als we dat nu ontleden, dan zeggen we: Hier hebben we kennelijk te maken met een figuur, die tot de z.g. hogere sferen van Zomerland behoort. Er is nog vorm, maar aan de andere kant is er al zoveel vrijheid en wijsheid in de wereld gevonden, dat het voor een mens moeilijk is om dat allemaal te begrijpen. Het is een soort hybride wezen geworden.

Als we kijken maar de Openbaringen van Johannes, dan vinden we precies hetzelfde. We vinden de representanten van bepaalde sferen, zoals de gevleugelde dieren rond de troon Gods: vier dieren met het aangezicht eens mensen. Daarmede wordt duidelijk gemaakt dat er dus vier verschillende krachten zijn (wij zouden zeggen: Stralen), die voor God spreken tot de mens. Dat zijn natuurlijk geen Evangelisten. Dat is maar een sprookje dat ze erbij maken. Het zijn vormen van leven, die wederom behoren tot de hoogste Zomerlandsfeer

Op die manier krijgt men ook weer een beetje begrip voor de boodschappen, die de aarde bereiken. Een boodschap, die voor de aarde begrijpelijk is, kan nooit uit de hoogste sfeer komen. Zij moet altijd gaan door bemiddeling van of komen uit een vormsfeer. In ons streven om die sferen te leren kennen, ze te ontmoeten en er iets mee te doen, moeten we dus eigenlijk enigszins rekening gaan houden met de kern van het leven.

De kern van het leven kunnen we ook weer eenvoudig omschrijven. Zowel in het licht als in het duister bestaan opgang en neergang, ofwel toename en afname. Toename en afname in het licht zijn even snel als in het duister. Als ik te maken heb met twee werelden, die gelijkwaardig zijn, maar waarvan de ene tot het licht behoort en de andere tot het duister, dan kan ik zeggen dat er een volledige kringloop van kracht is geschapen, waarbij de aard van de kracht en haar invloed op de materie worden bepaald door de trillingseigenschappen, die deze sferen bezitten. Voorbeeld: Misschien heeft u wel eens gekeken maar atletiek en iemand een hink-stap-sprong zien maken. Als een sfeer uit het licht of het duister invloed uitoefent op de aarde, dan is dat ook een soort hink-stap-sprong. Er is een aanloopperiode, waarin de kracht wel actief is maar nog niet voldoende synchroon met de aardse krachten. Er is dan een kort ogenblik, als een soort vonk die overslaat. Daarna is er even pauze. Die vonk slaat nog een keer over. Er zijn dus altijd kleine aanduidingen en dan pas komt de ontlading van de kracht, wat men dan de sprong zou kunnen noemen.

Elke kracht uit een sfeer ontlaadt zich op aarde in 3 fasen. Die fasen zullen voor ons meer kenbaar zijn, naarmate de wereld dichter bij de onze ligt. U zult zich afvragen: Waarom nu juist 3 fasen? Dat klinkt zoiets als krachtstroom, dat is ook 3 fasenstroom.

De eerst vonk (de eerste overslag) is het ontstaan van een ogenblik van bijna harmonie. Er is geen sprake van dat de werkelijke invloed uit de sfeer de toestand op aarde helemaal beroert, maar er is een kort contact. Dat een contact is echter voor de aarde vreemd. Zij stoot af en ook de kracht zelf zegt: Nee, ik kan het er niet bij vinden.

De tweede keer echter is er sprake van een erkennen van de mogelijkheid tot synchronisatie, het samenvallen van invloeden. Het tweede contact is dus niet zoals het eerste een proberen, maar het is een doorgrijpen. Er is weer een manifestatie, maar ook die is kort. Hier is er dan niet meer sprake van een afstoten van uit de geest, maar voor de geest een vaststellen van het geestelijk en het stoffelijk ritme. Daaruit wordt voor haar een zo volledig mogelijke uitstorting, van haar kracht in de materie bereikbaar. En dat is dan de sprong.

Als u droomt, dan kunt u symbooldromen hebben (een wat hogere sfeer). U kunt beelddromen hebben (een Zomerlandsfeer). U kunt zelfs belevingsdromen hebben, die uit een lagere Zomerlandsfeer of astrale sfeer stammen. Als die dromen een overdracht van een boodschap aan u moeten betekenen (er zijn bv. mensen die denken: ik kan zo eens een inwijding krijgen; dat zou mogelijk zijn) dan zal die altijd uit 3 fasen bestaan. Een droom, die werkelijk een mededeling inhoudt, herhaalt zich tenminste driemaal of in een veelvoud van 3, omdat elke keer de laatste fase erbij is. In alle gevoelen zien we de eerste keer een onvolledige weergave; dat is dan uw eigen reactie.

De tweede keer krijgen de eigen reactie maar minder fel. De droom wordt wat duidelijker.

De derde keer krijgen we dan wat men kan noemen het visioen. Met een genezende kracht bv. gaat het precies zo. Gaat de genezende kracht uit van een astrale wereld, dan is het gemakkelijk. Ze kan onmiddellijk worden ontladen via het dierlijk magnetisme van de mens: de uitstraling van de aura. Er zijn dan geen moeilijkheden. Gaat de genezende kracht echter uit van Zomerland, dan wordt het al iets moeilijker. We krijgen dan over het algemeen een intensivering a.h.w. van een gevoel van spanning, maar het zet niet door bij de eerste keer. De tweede keer ben je eraan gewend, dan denk je: Ja, het is er nog niet, maar het gaat komen. Maar dan komt het nog net niet. De derde keer is er na een kort ogenblik van weerstand het gevoel: nu genees ik werkelijk; nu is die kracht er. En of dat nu gaat door genezing op afstand of door een contactgenezing of op een andere manier, dat maakt niets uit. Heb ik met een nóg hogere kracht te maken, dan kan ik niet meer één patiënt genezen; voor de rest blijft het gelijk.

Hieruit kunnen we dus het een en ander leren, want de sferen zijn zozeer van uit hun eigen bewustzijn één met al wat er op aarde bestaat, dat zij voortdurend trachten de aarde te beïnvloeden. Zij beschouwen haar als een deel van hun wereld. Het is dus niet zo, dat uw aarde erbuiten zou staan en dat wij zeggen: Hier is de geestelijke wereld en de aarde ligt daaronder. Nee, de aarde is een deel van die sfeer of wereld. Meestal een onbelangrijk deel, maar een deel dat heel anders wordt gezien en geïnterpreteerd dan u het op aarde zoudt doen. Als een geestelijke kracht de aarde beïnvloedt, dan zal dit ook altijd in factoren van 3 gaan. Het getal 3 is niet alleen een heilig getal of een bijzonder mooi getal, maar het geeft ook het ritme aan, waarin die openbaringen komen. Voor u is daaruit dus weer het een en ander te leren.

Wanneer we een wereldomvattende schok hebben gezien, dan moeten we er zeker van zijn dat er een tweede van gelijke geaardheid komt. En nu het aardige: Wanneer we het tijdsverloop tussen het eerste verschijnsel en het tweede verschijnsel kunnen schatten, dan merken we dat het ten hoogste anderhalf maal die tijd duurt, voordat er een derde, maar nu beslissende invloed op aarde merkbaar wordt. Het is die derde fase, waarin iets definitiefs kan gebeuren of veranderen. De beide andere keren is het een schok. Het is iets….Ja, het is er wel, maar je weet, eigenlijk niet precies wat het zal doen. Laten we zeggen: Er moet een zondvloed komen. Dan miezert het vandaag over de hele wereld, over 20 dagen regent het over de hele wereld en dan kan het over 20 tot 30 dagen ineens zo beginnen te gieten, dat alles onder water staat. (Overigens, dit is geen prognose, ongeacht de weeromstandigheden, die u en een deel van de wereld hebben gekweld.) Hoe kleiner de kracht is die tot uiting komt of hoe lager in verhouding de sfeer is waaruit de kracht stamt (dus hoe dichter de sfeer bij ons staat), hoe sneller de fasen opeen volgen en hoe kleiner de kracht is, die in het eindresultaat tot uiting komt.

Dan moeten we ook onthouden, dat voor elke ingreep, die vanuit de sferen direct in de materie plaatsvindt, er tenminste honderd mogelijkheden zijn om op meer geestelijk of mentaal vlak in te grijpen. Want de mens is niet alleen materie. Hij heeft in zich delen, die zuiver astraal zijn, die zelfs nog iets hoger kunnen komen en die toch binnen zijn begripsvermogen een reactie wekken. In deze delen kan een manifestatie dus gemakkelijk plaatsvinden.

Ik heb nu al heel wat verteld, maar er is toch nog één punt, dat ik nog graag wil aanhalen en dat is dit: Ik heb u gezegd, dat er in een mens eigenlijk 2 of 3 verschillende niveaus of sferen aanwezig zijn. Als wij vanuit ons hoger bewustzijn inwerken op ons stoffelijk wezen, dan zal hetzelfde verschijnsel optreden dat we ook in het contact van een sfeer met de aarde hebben gezien. De manifestatie is niet een ogenblikkelijke werkelijkheid, maar zij kenmerkt zich door tenminste 2 tekenen dat er iets is zonder verdere kenbare resultaten en pas een derde maal mogen we op resultaat rekenen. Is er dan geen resultaat, dan zal dat nog drie pogingen verder liggen.

Wanneer wij nu verschillende niveaus in ons hebben, dan is er ook een verschil in kracht. Ik heb dat zo-even geprobeerd uit te drukken in de reeks 1, 2, 4, 8, enz. Een mens komt meestal niet verder dan 4. Maar als een mens zijn werkelijke geestelijke energieën in zich kan activeren, dan beschikt hij tenminste over het viervoud van mogelijkheden en krachten, die hij in de materie bezit. Dat komt erop neer dat een mens, die zich met geheel zijn wezen ergens voor inzet, op het ogenblik dat de werkelijke geestelijke kracht noodzakelijk is en dit wordt erkend, die kracht ook uitdrukt. Dit geldt ook voor het duister. Men zegt toch ook van een bezetene dat hij sterker is dan 4 normale mensen.

Wanneer u grijpt maar uw mentaal vermogen, dan werkt u met een sfeer die astraal vormend is en die dus met het astrale kan worden vergeleken. Wanneer iemand zijn wilskracht volledig een centreert, beschikt hij over tenminste het dubbele vermogen, waarover hij normaal aan kracht beschikt. Dit geldt zelfs voor een groot deel van zijn vaardigheden. Ik dacht dat dit u wel zou interesseren.

Dan gaan we nu de zaak afronden. Als wij het voorgaande nog even in een aantal punten willen vastleggen, dan ziet het er als volgt uit:

  1. Elke sfeer die wij erkennen in het licht, heeft haar evenbeeld in het duister. De krachten van een lichte sfeer en van een duistere sfeer zijn vanuit het standpunt van de mens gelijk.
  2. Elke sfeer die dichtbij ons ligt, is voor ons te begrijpen. Naarmate de sfeer hoger ligt, zal zij minder begrepen kunnen worden. Om de kracht van een hoge sfeer te kunnen aanvaarden en verwerken zullen wij dus over een meer dan menselijk begripsvermogen moeten beschikken.
  3. Daar de mens in zich verschillende sferen of werelden gelijktijdig kan bevatten, zal het eigen bewustzijnspeil van een mens bepalend zijn voor de krachten, die hij in zichzelf kan wekken en ook voor de krachten, die hij van uit werelden buiten zich kan ontvangen.
  4. Het aantal sferen is niet te bepalen. Het totale aantal sferen is in wezen onbeperkt, ook wanneer wij eenvoudigheidshalve vaak het aantal van 7 gebruiken om die sferen weer te geven. Wel kan worden gesteld: Wanneer wij spreken over een aantal sferen, zal dit altijd een oneven aantal zijn. Als ik spreek over 9 sferen van licht, moet ik er 9 van duister erkennen en zullen er dus tezamen met de menselijke wereld 19 zijn. Door mij te richten op de aantallen van de sferen of hun nummers zal ik mij over het algemeen vergissen ten aanzien van hun invloed en kracht. De kracht van een sfeer neemt toe naarmate zij verder van de aarde is verwijderd. De mogelijkheid om de aarde in het stoffelijk bewustzijn te bereiken neemt in gelijke mate af. Dit laatste is niet helemaal juist; het kan zelfs in dubbele mate zijn. Maar daarover zullen we nu maar niet spreken.
  5. Daar alle geestelijke sferen de aarde beschouwen als een deel van eigen wereld en bestaan, zullen alle sferen op aarde werkzaam zijn. Zij zijn dit maar hun eigen aard en geneigdheid. Zij worden bij die inwerking bepaald en vaak ook beperkt door de verhouding, die er bestaat tussen het voorstellingsvermogen in de sfeer en het stoffelijk ontvankelijk daarvoor zijn of het stoffelijk voorstellingsvermogen op aarde.

*******************

Ik heb nu geprobeerd u een inzicht te geven in die sferen. Nu weet ik wel, dat ik hier tekort ben geschoten, want elke sfeer zou je weer moeten omschrijven met al haar eigenschappen en capaciteiten. Maar dat is allemaal zo relatief. Ik heb getracht u een voorstelling te geven, waarin enkele vaste regels gelden. Die regels gelden vanuit de mensheid gezien zonder enige uitzondering voor alle contact met de sferen; en de daarin vervatte voorstelling van de verhouding sfeer – wereld is – dat kan ik u garanderen – een juiste.

Nu zijn er heel veel mensen die bijzonder veel aandacht schenken aan de sferen. Ik geloof, dat dat alleen van belang is, indien men in het innerlijke wezen het bewustzijn van een sfeer bezit. Alleen als men innerlijk een sfeer heeft bereikt en daar de harmonie kan vinden en de kracht uit putten, die men via zichzelf kan uiten, heeft het zin zich ermee bezig te houden. De sferen beroeren voortdurend de wereld; niet één enkele sfeer maar vele sferen. Alleen van Zomerland zou men kunnen spreken over een kleine 150 verschillende groeperingen, die elk voor zich aan de wereld iets te zeggen hebben, iets hebben mede te delen. En dan ligt er in elk van zo’n groepering nog een groot aantal verschillen in entiteiten en in werkwijzen. Willen we dat alles gaan omschrijven, we komen in een onoverzichtelijke warboel terecht. Willen we het voor onszelf precies onderscheiden, dan gebeurt precies hetzelfde. Maar als we de moed hebben te zeggen: Wij weten, dat de sferen op ons inwerken, wij weten ongeveer hoe het geschiedt, als wij de tekenen van een ingrijpen uit de sferen in onszelf ontdekken, dan zullen we daar aandacht aan geven, omdat het voortkomt uit een bron, die over meer kracht en licht beschikt dan wijzelf.

We zullen altijd moeten zeggen: Al datgene wat negatief is, wat onthouding predikt, wat “niet doen”, wat “rustig zijn” en vooral “laten” enz. predikt, dat is over het algemeen chaotisch, negatief. De sferen brengen ons niet een verhaaltje van “kinderen leg het nu maar naast je neer”. De sferen brengen ons “dit is belangrijk” En daaruit vloeit voort de noodzaak tot handelen, tot het stellen van een daad, tot het beleven van iets, tot het volbrengen van iets, tot het beseffen van iets. Het is altijd een actie. Alle vormende kracht is actief.

Positief zijn wil niet zeggen: stilstaan. Positief zijn moet betekenen, iets representeren, iets maar buiten brengen, iets beleven, iets ontdekken. Alle stilstand is in feite een begin van ontbinding en alle ontbinding is chaotisch.

Daarom, vrienden, laten we ons niet te veel bezighouden met welke sferen het ons precies vertellen. Laten we ons bezighouden met de vraag: Is het lichtend wat ons bereikt, of is het duister? Is het vormend? Brengt het een vernieuwing, een nieuwe kracht, een nieuwe activiteit of houdt het de zaak tegen, is het een rem, maakt het de dingen onmogelijk? Daar heeft u dan een criterium dat van belang is. De sferen en hun manifestaties zijn op deze aarde voortdurend aanwezig. Het is niet zo, dat men moet wachten, totdat een sfeer zich even gaat openbaren. Het is zo, dat die sferen met hun openbaringen er zijn, en ik heb u zelfs in een tamelijk summier beeld verteld, hoe wij dit moeten zien. Hoe hoger de sfeer hoe groter het gebied dat zij in één actie, in één invloed a.h.w. omvat.

Dus begrijp het goed: het ontleden van de sferen, die ons bereiken, heeft weinig zin. Hoogstens de erkenning van de sfeer die wij innerlijk kunnen betreden. Dat is belangrijk. Daarin ligt de positieve mogelijkheid van verwerving, van begrip, van bewustzijn, van kracht. Maar het verder precies te willen weten ….. U wilt toch ook niet de naam weten van de postbode, die u de brief brengt, waarop u wacht? Als die brief er maar is, dat is belangrijk.

God zendt langs ongetelde wegen en banen Zijn boodschappen maar de wereld van uit allerhande sferen, door allerhande wezen. Wat is het belangrijk wie het brengt? Het is belangrijk, dat die boodschap of die kracht er is, dat de uiting, de mogelijkheid ontstaat. Dat en dat alleen moet tellen.

En als je dan de invloeden ondergaat, als je de bekende symbolen krijgt die zich herhalen, dan hebben zo betekenis. Niet omdat je dan moet ontleden wat ze betekenen, maar omdat je weet: als iets met dat symbool ergens in contact staat, als dat symbool zich in je leven herhaalt, dan is hier een kracht, een intensiteit, die via het symbool kan worden ontladen. Niet omdat je precies moet weten wat de droom is, die zich precies zo heeft herhaald, maar om de doodeenvoudige reden dat daarin een instelling zit, een soort veranderde houding tegenover de wereld of tegenover jezelf. Die is van belang.

God is vormend; tenminste dat deel van God, dat wij kunnen erkennen. De wereld van het licht, die vormende wereld, is positief. Positief ook, wanneer dat positivisme voor menselijke begrippen misschien wat negatief of onbegrijpelijk is. Het is de actie. Het duister is het afzwakken van de actie. Het duister is geen daad; dat denken de mensen. Het duister is het zinloos maken van de daad. Het duister is niet een idee vol verleiding. Het is: het idee ontdoen van zijn betekenis. Het is destructief. Dat weet u heus zelf ook wel. Laat u niet teveel leiden door al die negatieve dingen. Kijk niet maar alles wat verkeerd is, want daardoor leert u afbreken. Erken, dat het verkeerde bestaat en zoek daaruit voor uzelf de positieve kant. De erkenning van het duister is nodig om het licht te beseffen. De erkenning van het destructieve werk van de duistere krachten is noodzakelijk om het besef van gerichtheid te krijgen, waardoor wij de lichtende krachten kunnen openbaren. Wij kunnen ze openbaren. Ja, het is bij ons als bij de commerciële televisie: als het stuk op z’n eind loopt, dan komt de commercial. De mijne is deze:

Mensen, leer positief te zijn en positief te denken. Zoek niet maar onmogelijkheden maar naar het mogelijke. Zoek niet maar ijle verten, die ge niet kunt bereiken. Doe liever een stap voorwaarts in het heden. Voel de achtergrond van de sferen en van al die krachten uit de kosmos, maar erken, dat ze pas betekenis krijgen in en voor u, indien ge er wat mee kunt doen. De gegevens, die ik u heb getracht voor te leggen: een paar kleine voorstellingen, die u voor uzelf misschien eens kunt uittekenen, kunt opschrijven en berekenen, die geven u de verhoudingen weer; doodgewone verhoudingen, verder niets. Wat die voor u betekenen, zal uw innerlijk, maar ook uw vermogen om de sleutel van een hogere kracht te vinden voor u uitmaken.

Er is behoefte, altijd weer, aan een uitdrukking van hogere krachten op het aards niveau. Hoe hoger de kracht is, des te belangrijker is het dat er een mens is, die haar leert ontcijferen en die van uit zichzelf dit hogere representeert.

Probeer desnoods voor een lagere kracht uit Zomerland, desnoods voor iets astraals eens een grotere wereld, een hogere wereld te representeren in de stof. Dan heeft u niet alleen de zin van mijn betoog begrepen en er voor uzelf iets kostbaars uit gemaakt, maar dan heeft u ook uw deelzijn van alle geestelijke werelden enigszins begrepen en kunt u vanuit de stoffelijke wereld – door dat kleine deelhebben aan het totaal – die andere werelden meer concreet leren kennen met hun wetten, met hun mogelijkheden en krachten. En u zult meer reëel en bewust eeuwig gaan leven, zelfs in de stoffelijke beperktheid, de tijdelijkheid van uw wereld en sfeer.